Samenvatting van Forensic Psychology: Crime, Justice, Law, Interventions van Davies en Beech - 3e druk

Samenvatting bij Forensic Psychology: Crime, Justice, Law, Interventions

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Hoe wordt misdaad benaderd en begrepen vanuit de psychologie? - Chapter 1

    Hoe wordt misdaad benaderd en begrepen vanuit de psychologie? - Chapter 1

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Psychologie heeft veel bijgedragen aan ons begrip van misdaad en waarom mensen een misdaad begaan. Echter, misdaad kan niet alleen begrepen worden vanuit de psychologie. Biologie, sociologie, geneeskunde, rechtsgeleerdheid en filosofie dragen ook bij aan ons begrip voor misdaad. Toch zijn het de specifieke theorieën en methodologie uit de psychologie die een unieke bijdrage leveren. Een aantal verschillende theorieën die op dit moment dominant zijn binnen de psychologie zullen hier behandeld worden.

    In dit chapter wordt de rest van het boek ingeleid door de basis van de criminologie uit te leggen. Er worden verschillende theorieën uitgewerkt. Eerst wordt ingegaan op de moral reasoning theory. Deze theorie legt uit hoe misdadigers hun misdaden rechtvaardigen. Daarna wordt ingegaan op de sociale informatie verwerkingstheorie. Deze theorie zet aan de hand van een model van zes stappen uiteen hoe mensen de wereld waarnemen en informatie verwerken. Vervolgens laat het zien waar de beperkingen in deze processen bij misdadigers zitten.

    Dan volgen theorieën over geweld, zoals de cognitieve gedragstheorie die de interne processen van geweld uitlegt. Deze theorieën wordt gespecificeerd op huiselijk geweld, seksueel geweld en seksueel geweld jegens kinderen. Daarna wordt uitgelegd welke theorieën er over brandstichting zijn. Ook worden de theorieën over misdadigers met mentale stoornissen in dit chapter uiteengezet, met specifieke aandacht voor de invloed van schizofrenie, depressie, intellectuele gebreken en persoonlijkheidsstoornissen op misdadig gedrag.

    Veel van wat er in dit chapter wordt geopperd, wordt in een later chapter nog specifieker en uitgebreider uitgewerkt. Het doel van dit chapter is vooral het psychologische raamwerk van de criminologie te schetsen.

    Wat stelt de moral reasoning theory?

    Er is veel literatuur beschikbaar over de relatie tussen moreel redeneren en het begaan van misdaden. De theorie van moreel redeneren of moral reasoning theory gaat over de manieren waarop individuen redeneren over hun gedrag met betrekking tot morele situaties en hoe ze dit goed praten. De cognitieve ontwikkelingsbenadering is de meest bekende benadering in dit gebied. Wat eerst door Piaget ontwikkeld was, is later uitgewerkt door Kohlberg. Kohlberg heeft zes fases van moreel redeneren opgesteld. Volgens Kohlberg lopen mensen deze zes fasen door en elke fase is abstracter en complexer dan de voorgaande. Deze theorie is een aantal jaar geleden aangepast door Gibbs tot een sociomorele redenatietheorie waarbij de rollen van empathie en het nemen van sociale perspectieven grotere rollen toegeschreven kregen. De theorie van Gibbs richt zich alleen op de eerste vier fases van Kohlberg’s theorie. De eerste twee fases representeren een onvolwassen morele redenatie waarin redeneren egocentrisch en oppervlakkig is. De derde en vierde fase zijn volwassene morele redenaties en deze tonen een begrip voor interpersoonlijke relaties en behoeftes van anderen. Volgens Gibbs was het leren van het nemen van perspectief in de laatste twee fases belangrijk om emoties een rol te laten spelen in redenatie en motivatiegedrag. Er is vrij veel literatuur over de relatie tussen moreel redeneren en misdaden begaan. Wanneer we kijken naar de theorieën van Kohlberg en Gibbs, dan kan misdaad moreel goed gesproken worden volgens elk van de volgende fases:

    1. Volgens iemand in fase 1 is misdaden begaan moreel gerechtvaardigd als straf ontweken kan worden. "Zolang ik niet gesnapt wordt, kan ik deze misdaad begaan." Dit gaat dus ook over de verwachting dat straf ontweken kan worden. Iemand kan hierin ook een verkeerde inschatting maken. 

    2. Volgens iemand in fase 2 is misdaden begaan moreel gerechtvaardigd als de voordelen groter zijn voor het individu dan de nadelen. Als iemand zich niet aan de snelheidsregels op de weg houdt omdat hij naar zijn werk moet en weet dat hij met zijn werk meer verdient dan de boete kan zijn, bijvoorbeeld. Of als iemand zo weinig geld heeft dat stelen financieel loont tegenover de mogelijke taakstraf die opgelegd wordt.

    3. Volgens iemand in fase 3 is misdaden begaan moreel gerechtvaardigd als het er voor zorgt dat persoonlijke relaties behouden worden. Hierbij denkt iemand dat hij een goede daad verricht, omdat hij zijn kind verzorgt of een kennis ergens mee helpt bijvoorbeeld. Hij verliest uit het oog dat hij er mensen die hij niet kent mee pijn doet. 

    4. Volgens iemand in fase 4 is misdaden begaan moreel gerechtvaardigd als het de samenleving in de hand houdt of gesanctioneerd is door een sociaal instituut. "Het is oké als iedereen het doet" of als een instantie met autoriteit op het gebied het openlijk door de vingers ziet bijvoorbeeld. 

    Misdaden kunnen vanuit iedere fase gerechtvaardigd worden, afhankelijk van de situatie. De fasen zijn te zien als stappen van nadenken over misdaad. Mensen die hier niet lang bij stilstaan, zullen eerder rechtvaardigingen uit de eerste fasen gebruiken. Hoe langer er wordt nagedacht over de vraag of iemand wel een misdaad moet plegen, hoe verder in de fases diegene komt. De meeste misdaden worden echter begaan in de eerste twee fasen. Volgens Gibbs speelt de egocentrische neiging een grote rol in het onvolwassen handelen van misdadigers. Ook speelt de hostile attributional bias een rol. Hierbij worden ambigue gebeurtenissen of sociale interacties als vijandig gezien. Dingen toeschrijven aan externe factoren speelt ook een rol bij het onvolwassen handelen, net als het bagatelliseren van de consequenties om zo gevoelens van schuld te onderdrukken. Onderzoek heeft hier veel bewijs voor gevonden. Daarom kan geconcludeerd worden dat het begaan van misdaden gezien kan worden als een resultaat van vertraagde sociaal-morele ontwikkeling voorbij de kindertijd samen met egocentrisme.

    Wat stelt de sociale informatie verwerkingstheorie?

    Modellen over het sociaal verwerken van informatie zijn toegepast om agressief en delinquent gedrag te onderzoeken. Er werd gekeken naar individuele verschillen: waarom reageren sommige mensen agressief in bepaalde situaties, terwijl anderen dat niet doen? Hierover zijn veel theorieën, maar een belangrijke theorie op dit gebied is die van Crick en Dodge. Zij hebben een model van zes stappen ontwikkeld die beschrijft hoe individuen de wereld waarnemen en informatie verwerken. Ook de invloed van voorgaande ervaringen speelt hierbij een rol. Het model heeft de volgende zes stappen:

    1. Het coderen van sociale aanwijzingen.

    2. Interpretatie en mentale representatie van de situatie.

    3. Helderheid over de doelen/uitkomsten van de situatie.

    4. Constructie van de mogelijke responsen voor de situatie.

    5. De keuze van de respons.

    6. Het uitvoeren van de respons.

    Volgens Crick en Dodge is dit model circulair en niet lineair, omdat individuen tegelijkertijd de verschillende stappen uit kunnen voeren. Zo is er feedback tussen de processen. Bij alle stappen wordt het verwerken beïnvloed door sociale structuren van voorgaande ervaringen van een individu. Zo wordt er bij de derde stap een doel of uitkomst gekozen die beïnvloed is door een al bestaande doel-oriëntatie.

    Wat gaat er fout in de verwerking van informatie bij misdadigers?

    Er is redelijk veel literatuur die aantoont dat agressieve en delinquente individuen een bepaald patroon van het verwerken van sociale informatie laten zien. Bij de eerste twee stappen van het model laten agressieve individuen een hoeveelheid aan problemen zien in het coderen en interpreteren van sociale aanwijzingen. Hierdoor wordt de situatie niet accuraat gerepresenteerd. Ook merken agressieve individuen meer agressieve kenmerken op, nemen ze minder sociale kenmerken waar en letten voornamelijk op de kenmerken van het laatste gedeelte van een interactie. Ze vertrouwen meer op interne schema’s als ze situaties moeten interpreteren. Helaas zijn deze schema’s agressief. Veel van deze individuen zien een situatie snel als vijandig. Onderzoek heeft ook uitgewezen dat bij de derde stap, de individuen wraak- en dominantiedoelen hebben, in plaats van pro-sociale doelen. Ook heeft onderzoek uitgewezen dat agressieve mensen minder verschillende responsen hebben dan niet-agressieve mensen. Dit toont aan dat zij een beperkt repertoire hebben van mogelijke reacties. Bij de vijfde stap evalueren agressieve personen responsen aan de hand van verschillende criteria. Agressieve responsen worden positiever beoordeeld dan pro-sociale responsen. Agressie wordt als een goed middel gezien om hun doel te bereiken. Voor stap zes zijn sociale vaardigheden belangrijk en onderzoek heeft aangetoond dat agressieve individuen slechte sociale vaardigheden hebben. Als de gekozen respons succesvol is, dan zal het als positief beoordeeld worden en zal het versterkt worden. Al deze dingen bij elkaar laten dus zien dat sociale informatieverwerking een grote rol speelt bij zowel jeugdige als volwassen misdadigers.

    Welke theorieën zijn er over geweldgebruik?

    Door de media lijkt het net alsof gewelddadige misdaden vaak voorkomen. Van alle overtredingen die begaan worden, is 20% een gewelddadige misdaad. Dit percentage is al jaren stabiel gebleven en het is dus niet zo (wat soms wel zo lijkt door de media) dat er steeds meer gewelddadige misdaden begaan worden. Onder gewelddadige misdaden vallen uiteenlopende gevallen zoals overvallen, moord en huiselijk geweld. Volgens onderzoek zijn geweldplegers geen specialisten in de zin dat zij steeds dezelfde soort misdaad begaan. Gewelddadige misdadigers hebben al op vrij jonge leeftijd vervelend gedrag en ze zullen hun hele leven vrij agressief blijven. Er zijn een paar theorieën die proberen een verklaring te geven voor geweld en gewelddadig gedrag. Deze zullen uitgebreid in het volgende chapter besproken worden en zullen nu kort samengevat worden.

    Wat zegt de cognitieve gedragstheorie over geweld?

    De cognitieve gedragstheorie over geweld richt zich op de interne processen van geweld. Deze processen zouden bijvoorbeeld door de zes stappen van Crick en Dodge bekeken kunnen worden. Gewelddadige mensen vertonen een bepaalde manier van verwerking in die stappen. De hostile attributional bias vertoont een hele sterke relatie met agressiviteit. Ook empathie vertoont een sterke relatie met agressiviteit: weinig empathie gaat gepaard met veel agressiviteit. Emotionele opwindingen kunnen ook een grote rol spelen. Zo heeft onderzoek aangetoond dat woede sterk samenhangt met geweld. Veel onderzoekers denken dat geweld het resultaat is van woede. Novaco heeft aangetoond dat boze gedachten geactiveerd kunnen worden door bepaalde situaties en dat deze gedachten vervolgens emotionele opwinding versterken. Dit zorgt er vervolgens voor dat de intensiteit van de boze gedachten weer toeneemt.

    Welke sociale en neuropsychologische factoren spelen bij geweld een rol?

    Er zijn een aantal sociale factoren die gewelddadig gedrag voorspellen. Zo heeft onderzoek aangetoond dat familiestructuur en ouderschapsstijl tijdens de ontwikkeling van het individu sterke voorspellers zijn voor gewelddadig gedrag. Ook is er een link gevonden tussen geweld en lichamelijke mishandeling tijdens de jeugd. Het zien van familiegeweld vertoont ook een link met eigen gepleegd geweld. Zulke factoren hebben een invloed op het psychologisch functioneren en beïnvloeden probleem oplossingsstrategieën en coping vaardigheden. Neuropsychologie heeft met behulp van EEG’s (elektro-encefalogrammen om hersenactiviteit te meten) aangetoond dat er ook een verband is tussen hersenbeschadiging en geweld. Zo heeft onderzoek uitgewezen dat er een verhoogde level van hersenabnormaliteiten te vinden is bij gewelddadige misdadigers. Het lijkt er op dat schade aan de frontale en temporale kwabben het meest geassocieerd zijn met geweld. Echter, neuropsychologisch onderzoek heeft wel te kampen met enkele problemen. Zo is het soms moeilijk om de volgorde van de causale relaties te vinden (eerst schade en dan geweld of eerst geweld en dan hersenschade?), moet er duidelijk afgesproken worden wat een abnormaliteit is en er moeten goede controlegroepen komen.

    Welke theorieën zijn er over huiselijk geweld?

    Huiselijk geweld verwijst naar geweld binnen een gezin. Meestal gaat het om geweld tussen partners. De meeste verklaringen van huiselijk geweld zijn vanuit het perspectief van een vrouw. Deze gaan er vanuit dat onze samenleving zo in elkaar zit, dat mannen de levens van de kinderen en vrouw moeten controleren. Mannen moeten de onderdanigheid van vrouwen intact houden door geweld en psychologische en economische middelen. De sociale leertheorie is ook vaak gebruikt bij huiselijk geweld. Deze stelt dat huiselijk geweld gedrag is dat geleerd is door het ervaren van beloningen ervan en door het observeren en modelleren van soortgelijke gedrag (plaatsvervangend leren). Andere benaderingen denken dat huiselijk geweld veroorzaakt wordt door psychopathologie of door disfunctionele relaties.

    Welke theorieën zijn er over seksuele misdaden?

    Onder seksuele misdaden behoren een aantal zaken, zoals verkrachting, aanranding, ongepaste seksuele handelingen of blootstelling en seksuele handelingen met minderjarigen. Andere misdaden kunnen ook een seksueel element bevatten, zoals seksueel gemotiveerde moord. Seksuele misdaden worden vaak niet gerapporteerd en het is daardoor moeilijk om te zeggen hoe vaak ze voor komen. Er zijn zes grote theorieën die seksuele misdaden proberen uit te leggen, waarbij eerst wordt ingegaan op die van seksuele misdaden met kinderen.

    Welke theorieën zijn er over seksuele misdaden met kinderen?

    Volgens Finkelhor’s preconditionele model zijn er vier precondities waar een misbruiker van kinderen aan moet voldoen voor het plegen van een zedendelict. Als eerste moet er een motivatie zijn voor seksuele mishandeling, zoals het opgewonden raken van kinderen of emotionele congruentie met een kind. Ten tweede moeten interne inhibities tegen het begaan van een misdaad overkomen worden. Deze kunnen bijvoorbeeld overkomen worden door een verkeerd gedachtesysteem, door stress of door het gebruik van alcohol en drugs. Ten derde moeten externe factoren overkomen worden, zoals het vertrouwen van het kind en/of zijn familie krijgen. Tenslotte moet de weerstand van het kind overkomen worden, bijvoorbeeld door het gebruik van kracht.

    Een tweede theorie voor het misbruik van kinderen is van Hall en Hirschmann. Dit is het vierdelige model (quadripartite model). Volgens dit model zijn er ook vier componenten nodig om een zedenmisdaad plaats te laten vinden: seksueel opgewonden raken door kinderen, overtuigingen hebben die seksueel misbruik van kinderen goedpraten, slechte zelfregulatie en persoonlijkheidsproblemen. Volgens deze theorie zorgt de zwakte van persoonlijkheidsproblemen dus een grote rol. Situationele factoren zorgen ervoor dat deze zwakte naar boven komt. Dit leidt tot afwijkend gedrag en opwinding, emotionele instabiliteit en gedachten die kindermisbruik goedpraten. Volgens de theorie zijn er ook subtypen van misbruikers. Zo zal de ene misbruiker een hogere level van afwijkende opwinding hebben en de andere een hogere level van emotionele instabiliteit. Onderzoek heeft steun gevonden voor de benadering vanuit deze vier componenten.

    Een derde theorie over kindermisbruik is het zogenaamde pathway model van Ward en Siegert. Dit model stelt dat vier afzonderlijke maar interacterende psychologische mechanismen betrokken zijn bij seksuele misbruik. Deze vier mechanismen zijn intimiteit/sociale tekortkomingen, cognitieve vertekening, vertekende seksuele scripts en emotionele disregulatie. Deze vier componenten zijn betrokken bij alle seksuele misdaden, maar een component domineert elke weg naar het begaan van de misdaad. Geweldplegers met verscheidene disfunctionele mechanismen vormen een vijfde weg en zij worden als de pure pedofielen gezien.

    Welke theorieën zijn er over andere seksuele misdaden?

    Er zijn ook theorieën over verkrachting. Malamuth en zijn collega’s hebben een theorie over seksueel geweld ontwikkeld. Volgens Malamuth is seksuele agressie het resultaat van de interactie van twee paden: het vijandige mannelijke pad en het seksueel ongeremde pad. Vijandige mannelijkheid richt zich op de rol van agressieve intieme relaties en seksuele veroveringen, het waarderen van kracht, dominantie, risico’s zoeken en competitie. Het seksueel ongeremde pad richt zich op de rol van seksueel gedrag bij het behouden van zelfvertrouwen en status. Malamuth stelde voor dat seksueel ongeremd gedrag leidt tot agressie onder mannen die een hoge level van eigenschappen van het vijandige mannelijke pad hebben. Deze suggestie moet echter wel geverifieerd worden voor seksuele misdadigers.

    Ward en Beech hebben een geïntegreerde theorie van seksueel misdragen ontwikkeld, die biologische, neuropsychologische en ecologische factoren bevat. Volgens deze theorie resulteert seksueel mishandelen door bepaalde kwetsbaarheden die een individu blootstellen aan seksuele misdaden. Volgens de bedenkers van de theorie, ontstaan deze kwetsbaarheden door de invloed van genetische, evolutionaire en neurobiologische processen op de hersenontwikkeling. De interactie tussen deze systemen en sociaal leren zou dan voor de eigenschappen van een seksuele misdadiger zorgen. Er is echter niet veel onderzoek geweest naar de validiteit van deze theorie.

    Marshall en Barbaree hebben als enige een theorie die alle types van seksueel mishandelen dekt. Deze theorie kijkt naar biologische, situationele, socioculturele en ontwikkelingsfactoren die leiden tot psychologische kwetsbaarheden. Negatieve ervaringen tijdens de kindertijd leiden volgens deze onderzoekers tot het ervaren van problemen in het vormen van sociale, seksuele en emotionele banden met andere mensen. Tijdens de adolescentie zijn er meerdere hormonale veranderingen en agressie en seks kunnen hierdoor gelinkt worden, omdat ze allebei ontstaan uit dezelfde neurale substraten. Slechte sociale vaardigheden kunnen leiden tot het geweigerd worden als seksuele partner en dit kan resulteren in woede en agressieve responsen. Als het individu steun ervaart voor agressief gedrag van socioculturele bronnen, dan zal dit leiden tot een grotere kans op agressie. Andere situationele factoren kunnen een invloed hebben op de inhibitie van antisociaal gedrag. Al deze factoren samen kunnen leiden tot seksuele misdaden. Een minpunt van deze theorie is dat het niet uitlegt waarom verschillende types van seksuele misdaden plaatsvinden. Sommige aspecten van deze theorie, zoals disinhibitie, worden niet door alle seksuele misdadigers ervaren.

    Al deze theorie hebben met elkaar gemeen dat ze suggereren dat seksueel mishandelen resulteert uit een mix van ontregelde cognities die het seksueel mishandelen van anderen toestaan. Ontwikkelingsproblemen zijn waarschijnlijk verantwoordelijk hiervoor.

    Welke theorieën zijn er over brandstichting?

    Veel vuren worden door brandstichting veroorzaakt. Brandstichting houdt in dat iemand opzettelijk iets in brand steekt. Geller stelde voor dat er vier categorieën van brandstichting zijn: brandstichting geassocieerd met mentale stoornissen, brandstichting geassocieerd met medische of biologische stoornissen, jongeren die dingen in brand zetten en brandstichting die niet geassocieerd is met psychobiologische factoren. Deze laatste vorm van brandstichting kan bijvoorbeeld zijn voor het verkrijgen van winst, roem, om een misdaad te verbergen of vandalisme. Veel onderzoek naar volwassen brandstichters heeft zich gericht op de psychiatrische populatie, terwijl deze maar voor een klein deel van de brandstichting verantwoordelijk is. Als dit het geval is, dan zijn de bevindingen van onderzoeken niet te generaliseren naar de gehele populatie. Onderzoek naar de psychiatrische populatie suggereert dat brandstichting geassocieerd is met een aantal mentale ziektes, waaronder schizofrenie, persoonlijkheidsstoornissen en depressie. Er is weinig onderzoek naar brandstichting en neurologische stoornissen, maar het onderzoek dat er wel is, toont aan dat er geen relatie is tussen deze twee. Er is meer bewijs voor een relatie tussen ontwikkelingsstoornissen en brandstichting en intellectuele stoornissen en brandstichting. Onderzoek heeft ook aangetoond dat sociale stimuli en omgevingsstimuli een grote rol spelen in het versterken van antisociaal gedrag.

    Onderzoek wijst uit dat veel eigenschappen van de jonge brandstichter overeenkomen met de eigenschappen van de jonge delinquente populatie. Jonge brandstichters zijn vaker man dan vrouw, zijn agressiever, vertonen antisociaal gedrag en vertonen ook vaker drugs- en alcoholgebruik. Er is een aantal psychologische factoren die geassocieerd zijn met brandstichting. Dit zijn slechte interpersoonlijke vaardigheden, zoals impulsiviteit en een onvermogen om conflicten op te lossen. Psychiatrische problemen komen ook vaker voor bij brandstichters. Ook het functioneren van gezinnen en ouderschapsstijl speelt een grote rol bij het voorspellen van brandstichting. Ouders die hun kinderen niet veel discipline bijbrengen, ze mishandelen of negeren kunnen bijdragen aan verhoogde kans op brandstichting door de kinderen. 40% van de jonge brandstichters heeft een deel van het leven doorgebracht in een weeshuis of in een pleeggezin.

    Welke theorieën zijn er over misdadigers met een mentale stoornis?

    Mentaal gestoorde misdadigers refereert aan individuen die een mentale stoornis hebben en een misdaad hebben begaan. Onder mentale stoornissen verstaan we mentale ziektes zoals schizofrenie en depressie, we verstaan er ook intellectuele tekortkomingen onder en persoonlijkheidsstoornissen. Daarnaast is er een speciale groep van psychopathische overtreders. De wet ziet een persoon als schuldig als hij of zij aan de actus rea (een misdaad hebben begaan) en mens rea voldoet. Mens rea betekent dat individuen op het moment waarop ze een misdaad begaan weten dat wat ze aan het doen waren slecht was en dat wat ze deden tegen de wet was. Iemand met een bepaalde stoornis weet wellicht niet dat wat hij of zij aan het doen was, verkeerd was. Als een verdachte een mentale stoornis heeft die als strafuitsluitingsgrond werkt, dan kan hij of zij worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

    Wat is de invloed van schizofrenie op misdadig gedrag?

    Mensen met schizofrenie hebben problemen met hun perceptie, affectie, gedachten en acties. Individuen met deze stoornis ervaren vaak hallucinaties en/of paranoia en trekken zich terug van anderen. Schizofrenie komt voor bij 1% van de populatie en 4% van de geweldplegers. Er zijn drie verklaringen te geven voor waarom schizofrenie geassocieerd wordt met overtredingen plegen:

    • De eerste verklaring stelt dat schizofrenie overtredingen veroorzaakt. Misdadig gedrag zou volgens deze verklaring komen vanuit de hallucinaties en paranoïde ideeën van het individu. Onderzoek laat echter zien dat dit maar bij een paar zaken het geval is. 

    • De tweede verklaring denkt dat schizofrenie een consequentie is van overtredingen, door de stress en trauma die ontstaat na het begaan van een misdaad. Onderzoek heeft aangetoond dat het begaan van een gewelddadige misdaad meer behoefte aan zelfmoord en zelfbeschadiging teweeg brengt, wat suggereert dat er meer mentale problemen kunnen ontstaan door het trauma.

    • De derde verklaring stelt dat schizofrenie correleert met overtredingen en dat beide door andere factoren veroorzaakt worden. Sommige onderzoekers denken dat stressvolle levensgebeurtenissen kunnen leiden tot zowel schizofrenie en het begaan van overtredingen.

    Wat is de invloed van depressie op misdadig gedrag?

    Depressie kan opgesplitst worden in twee categorieën: major depressie en bipolaire depressie. Major depressie wordt gekenmerkt door verdriet, gevoelens van schaamte en schuld, moeheid, veranderende eetlust en suïcidale gedachten. Bij bipolaire depressie, ervaren mensen elkaar afwisselende staten van manie en depressie. Major depressie komt het vaakst voor van de twee. Er zijn verschillende manieren waarop depressie en misdaden begaan gelinkt kunnen worden. Ten eerste kunnen individuen een misdaad begaan omdat ze depressief zijn, ten tweede kan depressie ontstaan door een schuldgevoel na een misdaad. Ten derde kunnen individuen ook depressief zijn wanneer zij een misdaad begaan, maar het begaan van de misdaad is niet veroorzaakt door de depressie. Deze verklaringen komen overeen met die voor misdadig gedrag en schizofrenie. De meeste aandacht is gericht op de eerste en derde verklaring. De link tussen depressie en misdaden begaan is echter een stuk zwakker dan de link tussen misdaden begaan en schizofrenie. Voor zowel depressie als schizofrenie geldt dat de mentale stoornis niet de enige factor is die bijdraagt aan overtredingen. Er moet goed gekeken worden naar het individu en sociale factoren.

    Wat is de invloed van intellectuele gebreken op misdadig gedrag?

    Individuen met intellectuele gebreken worden gekenmerkt door een beperkte intelligentie en beperkt sociaal functioneren. Een IQ van maximaal 70 en het niet goed sociaal kunnen functioneren zorgt voor een criterium van intellectueel gebrek. Onderzoek heeft aangetoond dat er een kleine correlatie bestaat tussen intellectuele gebreken en overtredingen. Het is echter niet duidelijk hoe deze twee gelinkt zijn. Intellectuele gebreken is namelijk een grote term en mensen met intellectuele gebreken verschillen erg van elkaar op een aantal karakteristieken. Volgens onderzoek zijn er twee groepen overtreders met intellectuele gebreken. De eerste groep bestaat uit overtreders met milde intellectuele gebreken die uit achtergestelde gezinnen komen en die veel dezelfde karakteristieken hebben als andere overtreders. De tweede groep is een heterogene groep en deze overtreders begaan minder misdaden, maar deze misdaden kunnen meer gevaarlijk zijn. Individuen met intellectuele tekortkomingen begaan verschillende misdaden, maar een groot deel van deze misdaden zijn seksuele overtredingen. Deze groep individuen verschilt wel van de standaard verkrachters, in de zin dat zij hun verkrachting niet van tevoren plannen en het slachtoffer niet kennen. Sommige onderzoekers denken zelfs dat overtreders met intellectuele tekortkomingen niet weten wat sociaal wel of niet hoort en dus ook niet doorhebben wanneer bepaald seksueel gedrag verkeerd is. Dat iets als moord of overval slecht is, kan duidelijker zijn omdat dit altijd in iedere situatie verkeerd is en seks niet.

    Wat is de invloed van persoonlijkheidsstoornissen op misdadig gedrag?

    Een persoonlijkheidsstoornis is een aanhoudende stoornis die te maken heeft met hoe het individu aan zichzelf, anderen en de omgeving relateert. Dit leidt tot grote problemen van het sociaal functioneren. De meest voorkomende persoonlijkheidsstoornis in westerse landen is de obsessief-compulsieve stoornis. Onderzoek naar gevangenen wijst uit dat meer dan 70% van deze gevangenen een persoonlijkheidsstoornis (of meer dan een) heeft. De antisociale persoonlijkheidsstoornis komt bij gevangenen het vaakst voor, gevolgd door paranoïde persoonlijkheidsstoornis. Bij gevangenen kwam veel comorbiditeit, overlap van stoornissen, met andere persoonlijkheidsstoornissen en mentale stoornissen voor. Onderzoek laat een relatie zien tussen persoonlijkheidsstoornissen en overtredingen begaan. De relatie wordt niet volkomen begrepen, maar er zijn kenmerken die verschillende persoonlijkheidsstoornissen hebben die geassocieerd worden met overtredingen. Dit zijn emotionele instabiliteit, onzekere binding, depressiviteit, vijandigheid, impulsiviteit en weinig empathie. Toch moet er rekening gehouden worden met andere factoren die bij kunnen dragen aan het begaan van een overtreding. Ook worden veel mensen pas na het begaan van een misdaad gecontroleerd op en gediagnosticeerd met een persoonlijkheidsstoornis. Hierdoor is dat percentage sowieso al hoger dan bij niet-misdadigers waarvan persoonlijkheidsstoornissen minder snel ontdekt worden.  

    Een psychopaat is iemand met een beperking van de hersenen. Hij zal hierdoor abnormaal agressief zijn en onverantwoordelijk gedrag vertonen. Psychopaten vertonen weinig schuld en berouw, ze vertonen impulsiviteit, onverantwoordelijkheid, leugens, manipulatie, charme en het onvermogen om te leren van ervaringen. Veel onderzoek laat zien dat psychopaten persistent zijn en serieuze overtreders zijn.

    Access: 
    Public
    Wat zijn de dominante theorieën in de ontwikkelings- en levensloopcriminologie? - Chapter 2

    Wat zijn de dominante theorieën in de ontwikkelings- en levensloopcriminologie? - Chapter 2

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In dit chapter worden, net als in chapter 1, theorieën uit de psychologie uitgewerkt. Het gaat in dit chapter om theorieën in de ontwikkelings- en levensloopcriminologie. Eerst wordt de ontwikkelingsgeneigdheid theorie over misdadig gedrag uitgelegd. Deze theorie gaat over de factoren voor het ontwikkelen van misdadig gedrag. Dan wordt ingegaan op het onderscheid van Moffitt over levensloop consistente en adolescentie gelimiteerde antisocialiteit. Kortgezegd gaat dit over hoe lang iemand het ontwikkelde antisociale gedrag blijft vertonen; het hele leven of enkel tijdens de adolescentie.

    Vervolgens wordt de interactionele theorie over misdadig gedrag uitgewerkt. Deze theorie richt zich op de verschillende factoren voor antisociaal gedrag en de manier waarop deze factoren met elkaar interacteren.

    Dan wordt de informele sociale controletheorie over misdadig gedrag uitgewerkt. Deze theorie legt uit dat sociale bindingen werken als een controlerende factor waardoor antisociaal gedrag zich minder kan ontwikkelen.

    Er worden ook psychologische theorieën behandeld over de invloed van een verstoorde aanhechting met de verzorger, een gebroken huis, persoonlijkheidsontwikkeling en sociaal leren en levensstijl voor misdadig gedrag.

    Tenslotte wordt de ICAP theorie, de integrated cognitive antisocial potential theorie, uitgewerkt. Deze theorie legt uit wat iemand aan antisociaal potentieel kan hebben en hoe dit over kan gaan in antisociaal gedrag.

    Wat zijn ontwikkelingstheorieën en levenslooptheorieën?

    Ontwikkelingscriminologie en levensloopcriminologie hebben voornamelijk betrekking op drie onderwerpen: de ontwikkeling van misdaden begaan en van antisociaal gedrag, de invloed van risicofactoren op verschillende leeftijden en de effecten van levensgebeurtenissen op ontwikkeling. Normale criminologische theorieën proberen de verschillen tussen individuen die misdaden plegen uit te leggen, maar ontwikkelingscriminologie probeert de verschillen in een persoon over een bepaald tijdsbestek uit te leggen. Voor onderzoek naar ontwikkelingscriminologie, risico’s en levensgebeurtenissen is het nodig om prospectief longitudinaal onderzoek te doen. Dit betekent onderzoek gericht op de toekomst en op de lengte van de levensloop. In dit chapter worden de belangrijkste dominante theorieën in de ontwikkelings- en levensloopcriminologie uiteengezet.

    Wat stelt de ontwikkelingsgeneigdheid theorie over misdadig gedrag?

    Lahey en Waldman probeerden de ontwikkeling van gedragsstoornissen en jeugddelinquentie uit te leggen door voornamelijk te kijken naar de kindertijd en adolescentie. Deze onderzoekers kijken niet naar het volwassene leven van een delinquent. Het construct waar deze theorie het meest om draait, is antisociale geneigdheid. Dit is hoe erg iemand neigt naar antisociaal en dus ook naar misdadig gedrag, dus hoe erg iemand zichzelf heeft aangeleerd om egoïstisch, agressief of manipulatief te handelen. Deze antisociale geneigdheid blijft vrij persistent en heeft een grote variëteit van gedragsmanifestaties. Dit reflecteert de verscheidenheid en comorbiditeit van antisociaal gedrag. De belangrijkste factoren die bijdragen aan antisociale geneigdheid zijn lage cognitieve vaardigheden (met name verbale vaardigheid) en drie dispositionele dimensies: prosocialiteit (sympathie en empathie opbrengen), lef (slecht gecontroleerd of onbelet zijn) en negatieve emotionaliteit (gefrustreerd, verveeld of geïrriteerd raken). Deze vier factoren hebben een genetische basis. De onderzoekers vonden dat antisocialiteit of gebrek aan prosocialiteit, lef en negatieve emotionaliteit tijdens het zevende levensjaar delinquentie tussen 11 en 17 jaar voorspelden. Het is wel een vrij beperkt onderzoek. Daarom moet meer onderzoek gedaan worden naar de relatie tussen deze factoren in de kindertijd en delinquentie in de adolescentie.

    Wat is het verschil tussen levensloop consistente en adolescentie gelimiteerde antisocialiteit? 

    Volgens Moffitt zijn er twee verschillende soorten antisociale mensen: levensloop consistente antisociale mensen en adolescentie gelimiteerde antisociale mensen. De levensloop consistente antisociale mensen beginnen al op jonge leeftijd met verkeerd gedrag en dat blijft aanhouden tot na hun twintigste. Ze begaan veel verschillende misdaden, waaronder geweld. Adolescentie gelimiteerde antisociale mensen hebben een korte criminele tijd die gelimiteerd is tot hun tienerjaren. Zij begaan vaak niet gewelddadige, rebelachtige overtredingen, zoals vandalisme. De belangrijkste factoren die levensloop consistente mensen ‘aanmoedigen’ om overtredingen te begaan zijn cognitieve tekortkomingen, hyperactiviteit, slecht temperament, tienerouders, slecht functionerende families, armoede en een lage socio-economische status. Ook genetische en biologische factoren, zoals een lage hartslag, zijn belangrijk. Keuzes maken gebeurt niet op een rationele manier in deze groep. Volgens Moffit zijn de neuropsychologische en omgevingsfactoren de belangrijkste constructen die ten grondslag liggen aan antisociaal gedrag.

    De belangrijkste factoren die adolescentie gelimiteerde mensen beïnvloeden zijn de maturity gap (het niet in staat kunnen zijn om volwassen beloningen te krijgen tijdens de tienerjaren) en invloed van leeftijdsgenoten. Deze mensen stoppen met overtredingen wanneer ze volwassen worden. Ze kunnen makkelijk stoppen omdat ze weinig neuropsychologische tekortkomingen hebben. Het maken van keuzes is in deze groep rationeel en worden het meest beïnvloed door tienerverveling. De theorie van Moffit richt niet zozeer op het proberen uit te leggen waarom overtredingen begaan worden, maar op de ontwikkeling.

    Wat stelt de interactionele theorie over misdadig gedrag?

    De interactionele theorie van Thornberry en Krohn richt zich op factoren die antisociaal gedrag beïnvloeden op verschillende leeftijden. De drie belangrijkste factoren voor antisociaal gedrag die kinderen tussen nul en zes beïnvloeden, zijn neuropsychologische tekortkomingen en moeilijk temperament, ouderschapstekortkomingen en structurele moeilijkheden (armoede, slechte buurt). Bij kinderen die op oudere leeftijd beginnen met antisociaal gedrag (zes tot 12 jaar), zijn neuropsychologische tekortkomingen minder belangrijk. Familiefactoren en de leefomgeving zijn de belangrijkste factoren op die leeftijd. Tussen 12 en 18 jaar zijn school en leeftijdsgenoten de belangrijkste factoren. Mensen die pas tussen 18-25 jaar beginnen met antisociaal gedrag hebben vaak cognitieve tekortkomingen, maar ze zijn op jongere leeftijd goed beschermd gebleven door een goed gezin. Een belangrijk punt van deze theorie is de wederkerigheid van oorzaken; het een veroorzaakt het ander en vice versa. Bepaald gedrag roept reacties op van ouders en leeftijdsgenoten en dit zorgt voor een versterking van het antisociale gedrag terwijl een goede leefomgeving en familie dit in toom kunnen houden.

    Wat stelt de informele sociale controletheorie over misdadig gedrag?

    Sampson en Laub dachten dat de belangrijkste factoren voor antisociaal gedrag binding met familie, leeftijdsgenoten, school en later huwelijken waren. Volgens deze onderzoekers wordt antisociaal gedrag belet door de bindingen met de samenleving. De kracht van de bindingen hangt af van aanhechting aan de ouders, school delinquente vrienden en delinquente broers en zussen. Het socialisatieproces van de ouders, zoals discipline en supervisie, is ook belangrijk. De socio-economische achtergrond van een familie en individuele verschillen zoals in intelligentie en temperament hebben een indirect effect op overtredingen begaan, door hun effecten op informele sociale controle. Sampson en Laub kijken naar de hele levensloop. Ze denken dat er verandering is over de tijd heen en geen consistentie. Ze kijken naar gebeurtenissen die later in het leven invloed hebben op gedrag, zoals huwelijk, een baan krijgen en het leger in gaan. Ze ontkennen het belang van verschillende types van overtreders en denken dat overtredingen steeds minder worden begaan als men ouder wordt. De onderzoekers kijken naar waarom er geen overtredingen worden begaan in plaats van waarom er wel overtredingen worden begaan. Er wordt nadruk gelegd op individuele vrije wil en keuzes.

    Wat stellen psychologische theorieën over misdadig gedrag?

    Psychologische theorieën proberen uit te leggen waarom sommige mensen misdadigers worden en anderen niet. Ze kijken altijd naar individuele verschilfactoren, zoals impulsiviteit en intelligentie, maar ook naar familiefactoren. Ook wordt er gekeken naar situationele factoren.

    Wat is de invloed van een verstoorde aanhechting met de verzorger voor het gedrag van het kind? 

    Volgens Bowlby was de hechting tussen kind en de primaire verzorger (meestal de moeder) belangrijk voor de ontwikkeling van het kind. Het is belangrijk voor kinderen om warme, liefdevolle relaties met de moeder te hebben tijdens de eerste vijf jaar van het leven van de kinderen. Met name in de eerste twee jaar is dit belangrijk. Als een kind de eerste vijf jaar van het leven een ‘gebroken huis’ heeft, dan heeft dit negatieve effecten op het kind. Deze kinderen kunnen mensen worden zonder affectie en delinquenten. Uit zijn onderzoek bleek dat veel delinquenten op jongere leeftijd gescheiden waren van hun moeder en dat een groot deel van hen mensen zonder affectie waren. Tegenwoordig wordt dit onderzoek minder serieus genomen, aangezien Bowlby te weinig proefpersonen gebruikte en niet keek naar andere factoren die invloed hebben op misdaad.

    Wat is de invloed van een gebroken huis voor het gedrag van een kind?

    De meeste onderzoek die kijken naar een gebroken huis, focussen zich op het verlies van de vader, omdat dat vaker voorkomt. Uit onderzoek is gebleken dat kinderen die gescheiden worden van een ouder een grotere kans hebben om misdaden te begaan dan kinderen van intacte families. Volgens een onderzoek is het niet zozeer een gebroken huis, maar het conflict tussen ouders dat meestal een oorzaak is voor een gebroken gezin, dat criminologie veroorzaakt. Dit onderzoek suggereert ook dat een liefdevolle moeder vaak ook kan compenseren voor het verlies van de vader. Een ander onderzoek had ook aangetoond dat er meer kinderen uit gescheiden gezinnen delinquent waren dan kinderen die een moeder of vader hadden verloren. Hertrouwen had ook een negatief effect op kinderen en kinderen met hertrouwde ouders werden ook vaker misdadig.

    Verklaringen van de relatie tussen gebroken huizen en delinquentie vallen in drie klassen. Trauma theorieën suggereren dat het verlies van een ouder een schadelijk effect heeft op het kind. Levensloop theorieën focussen op separatie als een consequentie van stressvolle ervaringen en op de effecten van verschillende stressors als ouderlijk conflict en gereduceerde economische omstandigheden. Selectie theorieën beargumenteren dat verstoorde families delinquente kinderen produceren omdat er al reeds bestaande verschillen tussen hen en andere families bestonden. Onderzoek staat meer achter levensloop theorieën dan de andere twee theorieën.

    Wat stelt de persoonlijkheidstheorie over misdadig gedrag?

    Psychologie denkt dat gedrag tot stand komt door een interactie tussen het individu en de omgeving. Onderzoek laat zien dat gedrag redelijk consistent is over de tijd. Deze consistentie hangt voornamelijk af van onderliggende neigingen om zich op een bepaalde manier te gedragen in bepaalde situaties. Deze neigingen worden persoonlijkheidstrekken genoemd, zoals impulsiviteit en assertiviteit. Eysenck zag misdaden begaan als iets natuurlijks en rationeels, omdat mensen plezier zoeken en pijn vermijden. Gewelddadige acties werden gezien als plezierig en als voordelig voor de geweldpleger. Hij stelde voor dat de neiging om misdaden te begaan geremd werd door het geweten. Volgens Eysenck werd het geweten gemaakt tijdens de jeugd. Elke keer wanneer een kind iets verkeerds doet en gestraft wordt door de ouders, zorgden de pijn en angst van het kind ervoor dat het kind de verkeerde handeling zag als iets pijnlijks. Na een paar keer gestraft te zijn voor een bepaalde handeling, werden kinderen bang om het weer uit te voeren. Volgens de theorie was deze angst het geweten en het zorgt ervoor dat kinderen zich schuldig voelen als ze een verkeerde handeling uitvoeren.

    Volgens de theorie van Eysenck zijn overtreders mensen die geen goed geweten hebben opgebouwd. Dit komt doordat ze geen goede conditionering op wisten te bouwen. Volgens Eysenck is dit gelinkt aan drie dimensies van persoonlijkheid: extraversie (E), neuroticisme (N) en psychoticisme (P). Mensen met E hebben een lage corticale arousal, mensen met een hoge N dimensie hebben een hoge level van angst en mensen met een hoge level van P hebben typische karakteristieken die criminelen hebben. Onder P vallen bijvoorbeeld emotionele koudheid, lage empathie en hoge hostiliteit. Volgens onderzoek is hoge N gerelateerd aan officiële overtredingen, hoge E aan zelf-gerapporteerde overtredingen en P aan beide.

    Impulsiviteit is een van de meest cruciale persoonlijkheidsdimensies voor het voorspellen van overtredingen. Uit onderzoek is gebleken dat veel jongens die op jonge leeftijd door docenten en ouders als onrustig en niet geconcentreerd werden gezien, later in het leven overtredingen hebben begaan. Volgens een aantal suggesties hangt impulsiviteit samen met tekortkomingen in executieve functies van het brein, gelokaliseerd in de frontale kwabben. Personen met deze neuropsychologische tekortkomingen zullen overtredingen begaan omdat ze een lage controle hebben over hun gedrag. Executieve functies zijn het behouden en richten van aandacht, concentratie, redeneren, planning, zelfbewustzijn en inhibitie van impulsieve gedragingen.

    Wat stelt de sociaal leren theorie over misdadig gedrag?

    Patterson heeft de sociaal leren theorie opgesteld. Deze theorie kijkt naar de interactie tussen kinderen en ouders. Patterson vond dat ouders van delinquente kinderen geen goede opvoeding wisten te geven. Deze ouders vertelden hun kinderen niet hoe ze zich moesten gedragen, keken niet echt naar hoe hun kinderen zich gedroegen en legden geen regels op. Deze ouders gebruikten meer straffen, maar deden dit niet op een consistente manier. Sociaal leren theorie is vrij simpel: acties die beloond worden zullen vaker voorkomen en acties die bestraft worden zullen minder vaak voorkomen. Ouders horen hun kind goed in de gaten te houden en goed te reageren op het gedrag van de kinderen.

    Wat stelt de levensstijl theorie over misdadig gedrag?

    Walters kwam met een theorie die gericht was om de ontwikkeling van de criminele levensstijl uit te leggen. Volgens hem bevatte een criminele levensstijl gedrag zoals het breken van sociale regels, onverantwoordelijkheid en misbruik van middelen. Deze levensstijl werd volgens Walters ontwikkeld door hedonistische motivatie, het zoeken naar spanning en defensieve reacties. Defensieve reacties zijn agressie, terugtrekking en immobilisatie. De theorie van Walters richtte zich ook op hoe mensen van crimineel gedrag afstand deden, door te focussen op veranderingen in zelfconcept, een hogere zelfvertrouwen en het nemen van verantwoordelijkheid.

    Wat stelt de ICAP theorie over misdadig gedrag?

    De ICAP (integrated cognitive antisocial potential) theorie was eerst ontwikkeld om overtredingen bij mannen uit de lagere klasse te testen. Het integreert ideeën van andere theorieën. Het belangrijkste principe uit de theorie is het antisociaal potentieel (AP) en het gaat er van uit dat de vertaling van antisociaal potentiaal naar antisociaal gedrag afhangt van cognitieve processen. Het belangrijkste construct dat ten grondslag ligt aan overtredingen is het antisociaal potentieel. Mensen kunnen op een continuüm van een laag naar hoog AP ingedeeld worden.

    De belangrijkste risicofactoren voor latere overtredingen zijn ADHD, lage intelligentie, familiecriminaliteit, armoede en opgebroken families. Antisociale methoden worden gekozen door mensen die het moeilijk vinden om op een legale manier in hun behoeften te voorzien. De methoden die gekozen worden, hangen ook af van fysieke capaciteiten. Ook hangt het lange-termijn AP af van socialisatie processen en aanhechting. Het AP zal laag zijn als ouders altijd goed gedrag belonen en slecht gedrag bestraffen. Overtredingen hangen van deze theorie af van de interactie tussen het individu en omgeving. Het AP zal hoog zijn als kinderen niet gehecht zijn aan de primaire verzorgers. Het lange termijn AP zal ook hoog zijn als mensen blootgesteld zijn aan antisociale modellen, zoals criminele ouders. Het lange termijn AP zal ook hoog zijn voor impulsieve mensen, omdat zij handelen zonder eerst na te denken over de consequenties.

    Volgens de ICAP theorie hangen de verschillende types van antisociaal gedrag af van de interactie tussen het individu en de sociale omgeving. Het korte termijn AP varieert binnen individuen volgens korte termijn energie factoren, zoals verveeld, dronken of boos zijn. Een verleidelijke kans kan een verhoging in het AP creëren en dit kan er voor zorgen dat iemand een misdaad begaat. Of een persoon met een bepaald level van AP daadwerkelijk een misdaad begaat in een bepaalde situatie hangt af van cognitieve processen, zoals de subjectieve voordelen en de kosten die het oplevert. Mensen met een laag korte termijn AP zullen geen misdaden begaan. Mensen met een hoog korte termijn AP zullen waarschijnlijk zelfs misdaden begaan die niet rationeel zijn.

    Access: 
    Public
    Wat is de rol van psychopathie in misdadig gedrag? - Chapter 3

    Wat is de rol van psychopathie in misdadig gedrag? - Chapter 3

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In dit chapter wordt uitgelegd wat psychopathie is; wat de symptomen zijn, hoe het ontwikkeld wordt, hoeveel het voorkomt en hoe het vastgesteld kan worden. Hierbij wordt het verschil met een antisociale persoonlijkheidsstoornis ook aangekaart en wordt ingegaan op het debat of adolescenten gediagnosticeerd kunnen worden met psychopathie.

    Dan wordt duidelijk gemaakt wat de invloed is van psychopathie op misdadig gedrag, waarvoor de laatste neuropsychologische bevindingen worden gebruikt. Zo wordt er ingegaan op de defecten in het herkennen van gezichtsuitdrukkingen en in de eigen uiting van angst bij mensen met psychopathie.

    Wat is psychopathie?

    Psychopathie verwijst naar een ernstige aandoening of een persoonlijkheid die sterk gelinkt is aan antisociaal gedrag. Het is te zien als een gebrek om rekening met anderen te houden en het eigen gedrag onder controle te houden. In een onderzoek in Engeland werd vastgesteld dat slechts 0,6% van de mensen tussen de 16-74 jaar oud psychopathisch waren in gewone huishoudens en wel 7-8% van de mensen in de gevangenis. Dit komt overeen met ander onderzoek dat psychopathie associeert met misdaad. 

    Het moderne concept van psychopathie komt van Hervey Cleckley. Psychopathie beschrijft volgens Cleckley individuen die op het eerste gezicht normaal lijken te functioneren, maar extreem ongevoelig zijn en geen gevoelens van spijt of schuld uiten. De meeste psychopaten zijn bovengemiddeld intelligent en goed in staat om charmant over te komen, maar niet om liefde te ervaren of uiten. Antisociaal gedrag hoort ook bij psychopathie. In de tijd van Cleckley, het midden van de twintigste eeuw, werd ook gedacht dat psychopaten minder stress en angst hadden dan anderen. Tegenwoordig is hier veel discussie over. Sommige onderzoeken ondermijnen dit idee en andere onderzoeken raden aan om psychopathie in subtypen op te delen waarbij sommige typen wel angst en bezorgdheid bevatten en anderen niet. 

    Psychopathie wordt geassocieerd met hoge levels van gewelddadig gedrag. Hierdoor zijn er naar verhouding vooral veel psychopathische misdadigers die geweld plegen. Ook ligt het percentage van recidive, zowel bij gewelddadige, seksuele als andere misdaden, bij psychopaten hoger dan bij andere misdadigers.

    Hoe kan psychopathie worden vastgesteld?

    Het meest gebruikte en meest geaccepteerde instrument om vast te stellen of een individu een psychopaat is, is de Psychopaty Checklist - Revised (PCL-R). Op ieder van de 20 punten op de lijst kan iemand een 0 (geen sprake van), 1 (wel sprake van) of 2 (veel sprake van) scoren. Verschillende regio's behandelen de uitkomsten van de checklist anders; in Noord-Amerika zijn 30 punten nodig om van psychopathie te spreken, in Europa 26 en in Engeland 25. Er bestaan ook afgeleide varianten van de checklist, bijvoorbeeld voor jongeren. Dit zijn de twintig punten op de checklist:

    1. Oppervlakkige charme, welbespraaktheid, "gladheid".

    2. Zeer hoog gevoel van eigenwaarde.

    3. Pathologisch liegen.

    4. Manipuleren, bedriegen.

    5. Gebrek aan spijt of schuld.

    6. Oppervlakkige affectie, geen diepgaande connectie.

    7. Gebrek aan empathie, ongevoeligheid. 

    8. Verantwoordelijkheid voor eigen acties ontkennen, eigen fouten niet inzien.

    9. Snel verveeld, veel stimulatie nodig.

    10. Parasitaire levensstijl, niet voorzien in het eigen levensonderhoud. 

    11. Slechte gedragscontrole.

    12. Als kind al vroeg gedragsproblemen.

    13. Gebrek aan realistische lange termijn doelen.

    14. Impulsiviteit.

    15. Onverantwoordelijkheid.

    16. Jeugdcriminaliteit.

    17. Intrekking van voorwaardelijke invrijheidsstelling, dus eerder getoond hebben niet in staat te zijn het leven te beteren.

    18. Veelzijdige criminaliteit.

    19. Promiscue seksueel gedrag, dus veel losse sekspartners.

    20. Veel kortdurende echtelijke relaties. 

    Wat is het verschil tussen psychopathie en antisociale persoonlijkheidsstoornis?

    Er is veel overlap tussen psychopathie en antisociale persoonlijkheidsstoornis, een stoornis uit de DSM-5. Maar antisociale persoonlijkheidsstoornis gaat voornamelijk om het gedrag. Wel 60-70% van alle mannelijke misdadigers hebben een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Bij psychopathie zijn er naast het antisociale gedrag ook nog ongevoelige en onemotionele eigenschappen. Psychopaten zouden ook met antisociale persoonlijkheidsstoornis worden gediagnosticeerd, maar voor slechts één derde van de mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis geldt dit andersom.

    Kunnen adolescenten gediagnosticeerd worden met psychopathie?

    Er is veel discussie over of adolescenten als psychopaten gediagnosticeerd kunnen worden. Het gebeurt nu over het algemeen niet. Dit komt ten eerste door het gevaar dat jongeren nog verder escaleren door het label van psychopaat opgeplakt te krijgen. Dit kan namelijk overkomen als een afwijzing van de maatschappij. Ten tweede wordt er gedacht dat problematisch gedrag van adolescenten nog over kan gaan. Nu wordt bij adolescenten die psychopathisch lijken een gedragsstoornis vastgesteld. Van alle jeugdcriminelen zouden tot wel 97% een gedragsstoornis hebben. Door dit label kan echter, zodra de adolescenten volwassen worden, beter worden opgelet of bepaald problematisch gedrag afneemt of juist niet en of er ongevoelige en onemotionele eigenschappen bij komen.

    Welke familie factoren worden geassocieerd met het ontwikkelen van psychopathie?

    Vroege traumatische ervaringen, door verwaarlozing of mishandeling, kunnen later voor antisociaal gedrag zorgen. Waar psychopathie precies vandaan komt, is lastig te zeggen. Toch kan ook van het ongevoelige en onemotionele van psychopaten gezegd worden dat dit een reactie is op de harde omgeving waarin ze zijn opgegroeid. Al jong kan het lichaam zichzelf beschermen tegen pijn door de emoties uit te schakelen. Er is nog veel onduidelijk over de rol van een traumatische jeugd voor het ontwikkelen van psychopathie. Ook wordt door sommige onderzoeken gesuggereerd dat psychopathie meer het gevolg is van verwaarlozing dan van mishandeling. 

    Wat is de rol van hechtingsproblemen voor het ontwikkelen van psychopathie?

    Er is al veel onderzoek gedaan naar de rol van hechting voor later misdadig gedrag. Hechting betreft de band tussen een kind met zijn primaire verzorger. Hechtingsproblemen kunnen tot gevolg hebben dat mensen later in hun leven problemen blijven houden met het aangaan en vasthouden van relaties. Er zijn vier vormen van hechting: veilig, ambivalent, vermijdend en ongeorganiseerd. De laatste drie kunnen allemaal problematisch zijn en worden geassocieerd met meer misdadig gedrag op latere leeftijd. Verwaarlozing of mishandeling kunnen ook een gezonde hechting verbreken. Het onderzoek dat er nu is, betreft vooral de relatie tussen hechtingsproblemen en antisociaal gedrag. Er zijn indicaties voor het idee dat er ook een relatie is tussen hechtingsproblemen en psychopathie, maar dit moet nog verder onderzocht worden.

    Wat zijn interessante neuropsychologische bevindingen over psychopathie?

    Waarom kunnen psychopaten niet goed gezichtsuitdrukkingen herkennen?

    Psychopaten hebben over het algemeen veel moeite met het herkennen van gezichtsuitdrukkingen van emotie in anderen. Vooral angst wordt vaak niet opgemerkt, niet op waarde geschat of verkeerd geïnterpreteerd. Dit kan er in resulteren dat psychopaten sneller doorgaan met gedrag dat anderen angstig maakt. Dit samen met een gebrek aan schuld of spijt, is heel gevaarlijk omdat dit psychopaten niet snel een sein geeft te stoppen met problematisch of misdadig gedrag. 

    De amygdala is het meest betrokken bij het herkennen en verwerken van emotionele gezichtsuitdrukkingen en uitingen van angst in het bijzonder. Toch lijken patiënten met schade aan de amygdala, geen problemen te vertonen in het herkennen van angstige gezichten. Wel lijkt psychopathie vaak samen te gaan met een lage activiteit van de amygdala. Bij kinderen met ongevoelige of onemotionele eigenschappen is vaak te zien dat ze naar de mond van iemand anders kijken in plaats van naar de ogen. Dit duidt op een verstoorde werking van de amygdala. Als dit bij kinderen wordt opgemerkt, kunnen ze nog wel aangeleerd worden naar de ogen te kijken. Dit heeft tot gevolg dat op latere leeftijd ook angst beter herkend kan worden. Het defect aan de amygdala kan dus opgevangen worden, als er op tijd iets aan gedaan wordt. 

    Wat betekent het defect in de amygdala voor de eigen uiting van angst?

    Dat de amygdala niet goed werkt, wat vaak het geval is bij psychopaten, resulteert in gebrekkige angstige reacties. Toch lijkt het niet te resulteren in het niet ervaren van stress of angst. Psychopaten reageren dus niet zoals anderen wanneer ze angst ervaren. In de kindertijd kan al opvallen dat iemand nooit angst uit, wat dus niet betekent dat hij niet bang is. Het gevolg van deze verstoorde angstreacties is dat ook andermans gedrag niet goed kan worden geïnterpreteerd als angst. Hierdoor wordt angst van andere mensen weer slechter herkend. Kinderen kunnen nog aangeleerd worden aan te geven wanneer ze bang zijn en afgeleerd agressie of afzondering te gebruiken als reactie. 

     

    Access: 
    Public
    Wat kan de neurowetenschap vertellen over de risicofactoren voor misdaad? - Chapter 4

    Wat kan de neurowetenschap vertellen over de risicofactoren voor misdaad? - Chapter 4

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Dit chapter belicht misdaad vanuit de neurowetenschap. Het gaat in op de ontwikkeling van het brein en de problemen daarin die tot misdadig gedrag kunnen leiden. Zo zijn er problemen tijdens de zwangerschap, tijdens de jeugd en tijdens de volwassenheid die kunnen bijdragen aan agressie, minder zelfcontrole en emotieregulatie, antisociale voorkeuren, slecht begrip van andere mensen, etc. Sommige van de problemen zijn dus aangeboren, sommige aangeleerd en sommige komen door beschadiging door ongelukken of alcohol- of drugsgebruik.

    Welke problemen in de zwangerschap of jeugd kunnen invloed hebben op het ontwikkelen van misdadig gedrag?

    Er zijn prenatale risicofactoren die bij kunnen dragen aan overtredingen later in het leven. Er zijn subtiele fysieke tekortkomingen, zoals een gekromde pink en lage positie van de oren, die samen lijken te hangen met overtredingen. Deze tekortkomingen lijken te ontstaan door abnormaliteiten tijdens de foetale ontwikkeling. Deze kleine fysieke abnormaliteiten (minor physical anomalies, MPA's genoemd) lijken een genetische basis te hebben, maar kunnen ook ontstaan door anorexia, bloeding of infectie. MPA's correleren met agressief en gewelddadig gedrag bij jonge kinderen. Vooral de kinderen met zowel MPA's en familie-moeilijkheden hadden een grote kans op het begaan van gewelddadige misdaden. MPA's interacteren met omgevingsinvloeden om gedragsproblemen in adolescenten te voorspellen.

    Ook is er bewijs gevonden dat kinderen van moeders die rookten toen ze zwanger waren, meer antisociaal gedrag vertoonden dan kinderen van moeders die niet rookten tijdens de zwangerschap. Hoe meer de moeder rookte tijdens de zwangerschap, hoe groter de kans op criminaliteit later in het leven. Het is echter niet helemaal bekend hoe roken bijdraagt aan criminaliteit, maar onderzoek heeft wel aangetoond dat de bijproducten van roken een effect kunnen hebben op de dopaminesystemen en glucose metabolisme. Roken kan ook invloed hebben op bepaalde hersendelen, zoals de basale ganglia en de cerebrale cortex. Ook is er bewijs dat alcohol tijdens de zwangerschap een invloed heeft op de criminaliteit in het latere leven van het kind.

    Er zijn ook bepaalde risicofactoren die na of tijdens de bevalling gebeuren die invloed hebben op crimineel gedrag. Te vroeg geboren kinderen en een laag geboortegewicht hebben vaak een slechte invloed op het IQ en dit kan op zijn beurt weer effect hebben op externaliserende gedragingen. Onderzoek heeft aangetoond dat geboortecomplicaties interacteren met een paar psychosociale risicofactoren om antisociaal gedrag te produceren. Slechte voeding is ook onderzocht omdat men dacht dat het een risicofactor was voor crimineel gedrag. Het wordt echter niet goed begrepen hoe slechte voeding effect heeft op antisociaal gedrag. Het is gesuggereerd dat bepaalde proteïnen en mineralen neurotransmitters en hormonen reguleren. Het tekort aan bepaalde voedingsstoffen kan ook leiden tot tekorten in hersenfuncties en predisposities aan antisociaal gedrag tijdens de kindertijd en adolescentie. Onderzoek heeft ook aangetoond dat slechte voeding tijdens de jeugd samenhangt met agressief gedrag en aandachtsproblemen. Redelijk veel criminelen hebben traumatisch hersenletsel gehad.

    Een aanhechtingsstijl van een persoon kan gezien worden als een set van karakteristieken waarmee iemand levenservaringen en interacties probeert te verklaren. Het belangrijkste hierbij is, is dat de hechtingsstijl in het latere leven zo blijft zoals het in de eerste paar levensjaren was. Het is dus heel belangrijk dat de verzorger een goede hechtingsstijl met haar/zijn kind heeft. Een zekere hechtingsstijl zorgt voor gevoelens van veiligheid, steun en behulpzaamheid. Een negatieve hechtingsstijl doet een individu denken dat anderen hem/haar met macht proberen te controleren of te weigeren. Volgens Bowlby zorgde een onzekere hechtingsstijl ervoor dat individuen affectieloos werden. Veel onderzoek heeft uitgewezen dat het leven van criminelen gevuld is met slechte hechtingsstijlen en een geschiedenis van een tekort aan empathie. Onderzoek heeft uitgewezen dat een gedesoriënteerde hechtingsstijl (de ouders geven het kind geen zekerheid, maar juist angst) en psychosociale problemen van de moeder samenhangen met vijandig gedrag van jonge kinderen. Kinderen die vaak mishandeld zijn en agressief zijn, hebben vaak een ontwijkende hechtingsstijl (ouders zijn koud en niet emphatisch). Zij vertrouwen mensen niet zo snel en zijn agressief.

    Om te onderzoeken of er een genetische component ten grondslag ligt aan overtredingen, wordt er vaak tweelingonderzoek verricht. Veel onderzoeken hebben aangetoond dat agressief gedrag gedeeltelijk door genen en de omgeving veroorzaakt wordt. Adoptiestudies kunnen ook gebruikt worden om te kijken of genen of omgeving ten grondslag liggen aan antisociaal gedrag. Kinderen met een gedragsstoornis, waar in het vorige chapter op in is gegaan, laten dezelfde neurologische verschillen met andere kinderen zien als dat mensen met antisociale persoonlijkheidsstoornis of psychopathie met anderen laten zien.

    Welke problemen in het volwassen brein kunnen leiden tot misdadig gedrag?

    Het limbische systeem wordt het meest geassocieerd met de sociale hersenen. Het limbisch systeem bestaat uit een aantal hersenstructuren die een cruciale rol spelen in het controleren van emoties en motivaties. De amygdala is te vinden in de temporele kwabben. De functies van de amygdala hebben te maken met opwinding, het controleren van autonome responsen zoals angst, emotionele responsen en emotioneel geheugen. Ook is het betrokken bij aandacht, leren en affectie. De insulaire cortex is de bron van sociale emoties, zoals lust, trots, schuld en schaamte. De werking van deze cortex hangt samen met moraliteit en empathie. De orbitale prefrontale cortex kan gezien worden als het neurale netwerk van de sociale hersenen en het is belangrijk voor de adaptatie van gedrag als respons van veranderingen. Interne en externe informatie wordt hier samengebracht. De anterieure cingulaire cortex speelt een grote rol bij communicatie, empathie en coöperatie en het wordt ook geactiveerd als individuen of hun geliefden pijn en stress ervaren. Beschadiging aan een van deze gebieden kan leiden tot minder empathie en instrumentele agressie. Hersenonderzoek heeft aangetoond dat een reductie van de grijze materie in de hersenen en een kleiner volume van de temporale kwabben samenhangt met gewelddadig gedrag. Onderzoek heeft ook uitgewezen dat een lagere hartslag samenhangt met antisociaal gedrag en dat een lage elektrodermale activiteit van de huid samenhangt met gedragsproblemen. Het is nog niet duidelijk wat de relatie hiertussen is. 

    Ook overmatig drugs- of alcoholgebruik lijkt een oorzaak te zijn van misdadig gedrag. Zowel misdadigers als hevige gebruikers laten een verkleining van grijze massa zien en kleinere temporale kwabben dan anderen. Ook wordt de posterieure hippocampus door alcoholisme kleiner, wat voor meer antisociaal gedrag zorgt. 

    Traumatische hersenbeschadiging treedt op wanneer een externe kracht blijvende schade veroorzaakt op het brein. Afhankelijk van het soort schade, kan dit misdadig gedrag veroorzaken. 

    De gedragsstoornis, antisociale persoonlijkheidsstoornis en psychopathie, hebben ook oorzaken die in het brein liggen, zoals het niet tot volle grote ontwikkelen van delen van het brein en een defect in de amygdala. Deze stoornissen en persoonlijkheden worden sterk geassocieerd met misdaad.

    Bij alle neurologische oorzaken van misdadig gedrag, is er nog veel onderzoek om uit te wijzen hoe sterk de invloed is van structuren en defecten in het brein. Bepaald problematisch gedrag is aangeleerd of komt van andere oorzaken. Vaak is er bij misdadigers sprake van meerdere overlappende oorzaken. Ook is het lastig om vast te stellen of het brein al direct bepaalde tekortkomingen had of dat die zijn gegroeid tijdens het leven door andere invloeden van buitenaf. Wel zijn er dus duidelijke risicofactoren voor misdadig gedrag vast te stellen aan de hand van de neurowetenschap. Wat precies de rol ervan is, blijft belangrijk om te onderzoeken.

    Access: 
    Public
    Wat zijn de effecten van interpersoonlijke misdaden op de slachtoffers? - Chapter 5

    Wat zijn de effecten van interpersoonlijke misdaden op de slachtoffers? - Chapter 5

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Helaas zijn jonge kinderen het slachtoffer van veel seksuele en gewelddadige misdaden. Volwassen mannen en vrouwen kunnen ook het slachtoffer zijn van interpersoonlijke misdaden, zoals verkrachting en intiem partner geweld (seksuele en psychologische agressie gebruikt tegen een partner). De effecten van deze handelingen zijn op de lange en op korte termijn te beschouwen en te plaatsen binnen vele dimensies, zoals psychologische, sociale en fysieke dimensies.

    Wat is het gevolg van interpersoonlijke misdaden met kinderen als slachtoffer?

    Het is methodologisch moeilijk om interpersoonlijke misdaden te bestuderen. Uit onderzoek is gebleken dat veel mensen mishandelingen niet rapporteren en zelfs zorgpersonen hebben niet altijd door dat er iets speelt in een gezin. Daarnaast zien sommige mensen zichzelf niet als slachtoffer en zullen daarom ook niks rapporteren. Ook zijn er tussen onderzoeken verschillen in methodologie. Niet alle definities komen met elkaar overeen. Het is voor het onderzoeksveld daarom belangrijk dat de onderzoeken hun methodologie aan een bepaald standaard afstemmen. Fysieke, seksuele en emotionele mishandeling en verwaarlozing kunnen binnen of buiten een familie plaatsvinden. Verwaarlozing houdt in dat ouders hun kinderen niet van de basisbehoeften (zoals bescherming, emotionele steun en gezondheidszorg) kunnen voorzien. Mishandeling kan op twee manieren in kaart worden gebracht. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar hoeveel zaken er gerapporteerd zijn binnen een jaar (incidenteel). Maar volwassenen kunnen ook gevraagd worden of zij als kind mishandeld zijn (prevalentie). Per land verschilt het aantal zaken en ook welke vorm van mishandeling het vaakst voor komt. Over het algemeen kan er gesteld worden dat het risico voor baby’s het hoogst is. Ook worden er meer meisjes dan jongens mishandeld. Dit geldt echter niet voor Zuid-Afrika: daar worden bijna net zo veel meisjes als jongens mishandeld. In Frankrijk en Portugal liggen de percentages van mishandeling het laagst. Veel onderzoeken stellen ook dat sommige vormen van mishandeling, zoals seksueel en fysieke mishandeling, minder vaak voorkomen dan eerst. Verwaarlozing en getuige zijn van de mishandeling van broers en/of zussen komt helaas wel vaker voor.

    Wat zijn de effecten van mishandeling en verwaarlozing?

    De negatieve effecten van mishandeling tijdens de jeugd zijn terug te zien tijdens de jeugd, maar ook wanneer iemand volwassen is. Het is echter ook gebleken dat sommige kinderen zich goed weten te ontwikkelen, ondanks de mishandeling. Mishandeling kan zeer ernstige gevolgen hebben in de vorm van blijvende schade of zelfs de dood. De meeste kinderen die dood gaan of een handicap oplopen door mishandeling zijn jonger dan vijf jaar en het hoogste percentage van sterfte is te zien in kinderen jonger dan een jaar. Hoofdletsel, zware verwaarlozing en lichamelijke klappen zijn de grootste oorzaken hiervan. Jongens ervaren vaker fysieke mishandeling en meisjes vaker verwaarlozing. In 80% van de sterfgevallen waren familieleden (voornamelijk moeder of vader) de daders.

    Een van de grootste effecten van mishandeling tijdens de kindertijd, is de ontwikkeling van mentale gedragsproblemen en emotionele problemen. De meest prominente hiervan is depressie. Ook komen eetproblemen, angst, zelfinflictie, verslaving, een laag zelfvertrouwen en psychologische onrust vaak voor. Alle vormen van mishandeling hebben effect, maar onderzoek heeft gevonden dat psychologische mishandeling en emotionele mishandeling het meest negatieve effect hebben van allemaal. Jongens zijn meer geneigd om externaliserende symptomen te ontwikkelen. Dit zijn onder andere agressie en gedragsstoornissen. Meisjes ontwikkelen vaker internaliserende symptomen, zoals depressie. Wanneer pestgedrag en getuige zijn van de mishandeling van anderen (broers/zussen/vader/moeder) ook meegerekend worden, dan kan men stellen dat het ervaren van verschillende vormen van mishandeling voor een negatievere uitkomst zorgt. Onderzoek heeft aangetoond dat er een verhoogde kans bestaat op crimineel gedrag bij mishandelde kinderen. Toch moet er gesteld worden dat lang niet alle mishandelde kinderen later crimineel gedrag vertonen. Voor kinderen die vaak mishandeling ervaren, is het risico het grootst dat ze zelf misdadig gedrag gaan vertonen. 

    Het is belangrijk om ook te kijken naar factoren die gerelateerd zijn aan de uitkomsten. Zo hangt het sociaal functioneren samen met de distributie van incidenten met de tijd en dit suggereert dat het kind een kans krijgt om te ‘herstellen’ tussen de incidenten en zo minder problemen krijgt in het sociaal functioneren later. Een steunende opvoeder verkleint ook de kans op lange-termijn negatieve effecten. Het is helaas echter wel zo dat de meeste kinderen door familieleden mishandeld worden en dat de kans op een goede verzorger voor deze kinderen kleiner is. Onderzoek heeft uitgewezen dat mishandeling of verwaarlozing door een familielid geassocieerd is met een slechtere werken van executieve functies (werkgeheugen en verwerkingssnelheid), zelfs als er rekening gehouden werd met andere factoren, zoals socio-economische status, hersenletsel en angst. Kinderen die fysiek en seksueel mishandeld zijn voordat ze vijf jaar werden en internaliserende symptomen lieten zien, hadden gedereguleerde emoties. Er moet echter wel meer onderzoek worden gedaan naar de wegen waarlangs deze lange termijneffecten ontstaan.

    De lange termijneffecten van kindermishandeling hebben zijn ook te vinden tijdens de volwassenheid. Deze effecten zijn te zien bij de mentale en fysieke gezondheid en het sociaal en emotioneel functioneren. Veel van de problemen tijdens de kindertijd blijven ook bestaan tijdens de volwassenheid. Individuen die mishandeld zijn tijdens de kindertijd hebben een verhoogd risico om verder mishandeld te worden tijdens de volwassenheid. Zo is er meer kans dat ze seksueel misbruikt worden of intiem partner misbruik ervaren. Veel onderzoekers menen ook dat mishandelde individuen later in hun leven ook mishandelaars worden. Dit wordt ook wel de intergenerational cycle of maltreatment genoemd (ICM). De meest significante risicofactoren zijn een ouder onder de 21 jaar, een geschiedenis van mentale stoornissen of depressie en de aanwezigheid van een gewelddadige volwassene in het gezin. Deze factoren versterken samen met een slechte ouderschapsstijl de ICM. Sociale steun kan de cyclus verbreken. Het is dus heel belangrijk dat er sociale steun is voor mishandelde individuen. Er wordt ook meer onderzoek gedaan naar volwassenen die als kind mishandeld zijn en daar geen lange termijn gevolgen van hebben opgelopen, om uit te zoeken wat er nog meer kan helpen weerstand te bieden tegen de negatieve effecten. Onderzoek richt zich momenteel op de manier waarop kinderen de negatieve uitkomsten uit de weg kunnen gaan.

    Wat zijn de effecten van interpersoonlijke misdaden met volwassenen als slachtoffer?

    Er zijn veel soorten misdaden die resulteren in volwassen slachtoffers. Dit chapter richt zich voornamelijk op twee hiervan: intiem partner geweld en verkrachting. Intieme partner geweld kan verschillende typen misbruik omvatten. Onderzoek heeft aangetoond dat fysieke mishandeling, seksuele mishandeling, controlegedrag en verbale mishandeling allemaal negatieve effecten hebben voor het slachtoffer.

    Wat zijn de effecten van intiem partner geweld voor de slachtoffers?

    Het geweld dat plaats vindt binnen een relatie wordt vaak beschreven als intiem partner geweld of huiselijk geweld. Intiem partner geweld kan ook betrekking hebben op ex-partners. Slachtoffers van intiem partner geweld lijden aan fysiek letsel, meestal het gezicht, de nek en armen. Intiem partner geweld kan ook effect hebben op de lange termijn effecten van de fysieke gezondheid. Veel van deze gezondheidsproblemen zijn geassocieerd met stress.

    Intiem partner geweld heeft ook effect op de mentale gezondheid. Slachtoffers van intiem partner geweld hebben een verhoogde kans op het lijden aan mentale gezondheidsproblemen zoals depressie, posttraumatische stressstoornis, misbruik van middelen en zelfmoord. Ook kunnen ze aan meerdere gezondheidsproblemen tegelijk lijden. Vrouwen die als kind mishandeld zijn en op latere leeftijd ook intiem partner geweld meegemaakt hebben, hebben een verhoogde risico op het ontwikkelen van een depressie. Slachtoffers van intiem partner geweld misbruiken soms ook alcohol en drugs en onderzoek heeft uitgewezen dat dit ook een wederkerige relatie is: vrouwen die alcohol misbruiken hebben een grotere risico op intiem partner geweld en vrouwen die intiem partner geweld ervaren zullen een hogere kans hebben op het misbruiken van alcohol. Vrouwen die zowel fysiek als seksueel mishandeld zijn door hun partner, hadden meer gezondheidsproblemen dan vrouwen die geen fysieke geweld hebben meegemaakt. Depressieve symptomen vertonen met alle vormen van intiem partner geweld een link, maar de sterkste associatie werd gevonden met controlegedrag. Posttraumatische stressstoornis hangt het meest samen met emotionele en verbale mishandeling, maar niet met fysieke mishandeling.

    Natuurlijk worden niet alleen volwassen vrouwen mishandeld, maar ook mannen. Dit komt echter wel minder vaak voor. Fysieke klachten bij mannen zijn hetzelfde als de fysieke klachten bij vrouwen. Zo worden mannen ook geschopt, geduwd, gegrepen en zelfs gewurgd en gestoken. Mannen hebben wel minder kans om fysieke letsel op te lopen dan vrouwen, omdat veel mannen groter en sterker zijn dan vrouwen. Controlegedrag wordt ook gevonden bij deze groep alsmede bedreigingen, emotionele mishandeling en intimidatie. Controlegedrag wordt echter wel vaker gevonden bij vrouwelijke slachtoffers dan mannelijke slachtoffers. Er zijn zes keer zo veel vrouwelijke slachtoffers dan mannelijke wat controle betreft. Mannen ervaren intieme partner geweld net zoals vrouwen en het is daarom ook niet zo gek dat de effecten van intiem partner geweld overeenkomen. Mannen voelen zich ook depressief, angstig, boos en hulpeloos na de mishandeling(en). Het posttraumatisch stresssyndroom bij mannen hangt samen met de level van geweld binnen een relatie. Een onderzoek toonde aan dat intiem partner geweld bij mannen geassocieerd was met comorbiditeit van psychiatrische stoornissen en het misbruiken van verdovende middelen. Ander onderzoek heeft aangewezen dat mannen een grotere kans hadden op het ervaren van alleen externaliserende stoornissen, terwijl vrouwen meer kans hebben om zowel internaliserende en externaliserende stoornissen de ervaren.

    We weten nog niet veel over het herstelproces na intiem partner geweld. Het is wel mogelijk om te herstellen na intiem partner geweld. Het herstelproces is gelinkt met een veilige leefomgeving, autonomie in het leven, het meedoen aan de samenleving en trots zijn op het eigen uiterlijk. Slachtoffers kunnen echter wel symptomen van een posttraumatische stressstoornis ervaren, jaren nadat ze de slechte omgeving verlaten hebben. Veel slachtoffers hebben moeite met het zoeken naar hulp, met obstakels als familieveiligheid, economische afhankelijkheid en psychologische factoren zoals aanhechting, trouw en socioculturele factoren. Veel slachtoffers zoeken laat of geen hulp. Een derde van de vrouwelijke slachtoffers en twee derde van de mannelijke slachtoffers heeft nooit iemand verteld over de mishandeling. De redenen voor het niet vertellen lopen uiteen. Sommigen hebben het niet verteld omdat ze het een privékwestie vinden en anderen vertelden het niet omdat ze bang waren om weer mishandeld te worden.

    Wat zijn de effecten van verkrachting voor de slachtoffers?

    Verkrachting is gewelddadig, maar twee derde van de slachtoffers houdt er geen fysiek letsel aan over. Toch zijn er wel slachtoffers die schrammen en krassen oplopen, blauwe plekken er aan over houden of zelfs botbreuken krijgen. De kans op het oplopen van letsel in het niet-genitale gebied is groter dan de kans op letsel in het genitale gebied. Wat veel slachtoffers wel oplopen, zijn problemen met de mentale gezondheid. Verkrachting wordt geassocieerd met posttraumatische stressstoornis, depressie, slaapproblemen, angst, middelenmisbruik, angst en sociale aanpassingsproblemen. Onderzoek heeft uitgewezen dat slachtoffers van verkrachting een grote kans hebben op het ontwikkelen van posttraumatische stressstoornis dan slachtoffers van andere trauma’s en dat er bepaalde factoren zijn die hier aan bijdragen. Een paar van deze factoren zijn een geschiedenis van depressie en alcohol gebruik, jezelf de schuld geven en het ontwikkelen van verkeerde geloofssystemen. Het krijgen van negatieve reacties van anderen hangt ook sterk samen met de zwaarheid van een posttraumatische stressstoornis. Er zijn ook beschermende factoren tegen de impact van een posttraumatische stressstoornis en dit zijn onder andere het niveau van educatie van het slachtoffer en de leeftijd van het slachtoffer. Hoe ouder en hoe hoger opgeleid het slachtoffer, hoe minder heftig de posttraumatische stressstoornis over het algemeen is.

    Er wordt nog altijd gediscussieerd over of slachtoffers van verkrachting die hun mishandeling niet als verkrachting zagen even getraumatiseerd kunnen zijn als slachtoffers van verkrachting die de mishandeling wel als verkrachting zagen. Er wordt geschat dat ongeveer 42-73% van de vrouwen die verkracht zijn, het niet zien als verkrachting. Veel onderzoek heeft aangetoond dat slachtoffers die de verkrachting echt als een verkrachting zagen, ook meer posttraumatische stressstoornis symptomen hadden dan slachtoffers die de misdaad niet als verkrachting zagen en dat de eerste groep ook meer gezondheidsproblemen rapporteerde. De stress die de slachtoffers ervaren komt echter niet door hoe ze het labelen, maar door de aanranding zelf. Onderzoekers hebben gekeken naar de verschillende types van verkrachting. Slachtoffers van een verkrachting waar veel letsel en kracht aan te pas kwam, hebben veel meer kans op het ontwikkelen van een posttraumatische stressstoornis en depressie.

    Mannen worden over het algemeen gezien als de agressor en er bestaat over het algemeen het idee dat mannen kunnen verkrachten en vrouwen slachtoffer kunnen zijn. In Engeland is de wet pas in 1994 veranderd om onder slachtoffers van seksueel geweld ook mannen te kunnen laten vallen. Vrouwen zijn wel veel vaker het slachtoffer van verkrachting, maar het komt zeker ook bij mannen voor. De psychologische effecten bij de mannen lijken erg op die van de vrouwen, zoals depressie, zelfmoordpogingen, angst en het gebruik van verdovende middelen. Mannen kunnen zich ook minder mannelijk voelen en problemen krijgen met seks nadat ze verkracht zijn. Veel mannelijke slachtoffers zoeken geen hulp, omdat ze bang zijn voor de reacties van mensen. Ze zijn bang dat ze als minder mannelijk, zwak of homoseksueel worden gezien. Ook speelt het stigma dat mannen niet verkracht kunnen worden nog steeds een rol en kunnen mannen bang zijn niet serieus genomen te worden.

    Onderzoek heeft aangetoond dat slachtoffers van verkrachting (mannen en vrouwen) voor een groot deel wel herstellen van de negatieve effecten van verkrachting. Cognitieve gedragstherapie is effectief gebleken in het reduceren symptomen van een posttraumatische stressstoornis en depressie. Veel slachtoffers vinden het moeilijk om een verkrachting te rapporteren aan de politie, omdat het hun depressieve klachten nog erger maakt. Ze beleven de gebeurtenis opnieuw; dit wordt ook wel secondary victimization genoemd.

     

    Access: 
    Public
    Wat is de rol van ooggetuigen voor het bewijzen van misdaad? - Chapter 6

    Wat is de rol van ooggetuigen voor het bewijzen van misdaad? - Chapter 6

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Vaak is het bewijzen van misdaad afhankelijk van wat ooggetuigen vertellen. Ooggetuigen hebben echter altijd hun eigen perspectief van een gebeurtenis en kunnen ook door shock bepaalde aspecten van een misdaad onderdrukken in hun geheugen of überhaupt feiten vergeten. 

    Dit chapter gaat over ooggetuigen van een misdaad. Het laat zien wat het belang is van ooggetuigenverklaringen maar ook welke problemen zorgen dat getuigenissen niet altijd accuraat zijn. Hiervoor wordt uitgelegd hoe het geheugen werkt; in de drie stappen van coderen, opslaan en ophalen. In iedere fase kunnen er problemen zijn die in dit chapter worden opgenoemd. Er worden ook suggesties geopperd om de problemen die leiden tot onbedoeld valse verklaringen of juist te weinig informatie, te voorkomen of op te vangen.

    In het chapter hierna wordt uitgelegd hoe ooggetuigen het best verhoord kunnen worden.

    Hoe accuraat zijn getuigenissen van ooggetuigen?

    Geheugen doorloopt drie fases: coderen, opslaan en ophalen (encoding, storage and retrieval). Er is veel onderzoek gedaan naar het geheugen en hier zijn conclusies uit gekomen die nu door de opsporing en berechting gebruikt kunnen worden. Het is wel belangrijk om er rekening mee te houden dat de onderzoeken veel minder emotioneel zijn dat daadwerkelijk een misdaad meemaken. Vaak worden voor de onderzoeken filmpjes laten zien van misdaden en wordt daarna aan ooggetuigen gevraagd wat ze hierover onthouden hebben. Bij het kijken naar een filmpje zal minder paniek zijn dan in een echte directe situatie.

    Gary Wells heeft twee types van factoren voor de betrouwbaarheid van ooggetuigenissen onderscheiden: schattingsvariabelen en systeemvariabelen. Schattingsvariabelen hebben betrekking op de fases van coderen en opslaan van het geheugen. Dit kunnen bijvoorbeeld de emotionele staat van de ooggetuige zijn of hoe duidelijk zichtbaar iets was. Systeemvariabelen hebben betrekking op de fase van het ophalen. Dit zijn de variabelen waarop de opsporing invloed kan hebben. Hieronder vallen bijvoorbeeld het soort vragen dat wordt gesteld. Het is belangrijk dat de politie of andere professionals zo min mogelijk suggesties doen en zorgen voor een veilige omgeving om rustig terug te kunnen denken aan de gebeurtenis.

    Welke factoren kunnen invloed hebben op het coderen van herinneringen?

    Er zijn veel verschillende factoren die invloed kunnen hebben op hoe een gebeurtenis gecodeerd wordt als herinnering in het brein:

    • Stress. Tijdens misdaad is het waarschijnlijk dat ooggetuigen hoge stresslevels hebben. Dit zorgt voor minder duidelijke herinneringen omdat het lichaam in eerste instantie bezig is met overleven, niet met zo accuraat mogelijk opslaan wat er gebeurt. Toch kan stress ook juist zorgen voor een betere codering van de gebeurtenis wanneer ooggetuigen een misdaad zo heftig vonden dat ze hem weer kunnen herleven (zoals ook bij post traumatisch stresssyndroom kan gebeuren).

    • Focus op het wapen. Als er een dodelijk wapen gebruikt wordt, gaat de meeste aandacht van ooggetuigen naar dit wapen. Dit is weer een overlevingsmechanisme omdat het wapen op dat moment het grootste gevaar voor je leven is. Als er dus een wapen gebruikt wordt, kan het zo zijn dat andere dingen wegvallen en niet worden vastgelegd in het geheugen. Dit wordt ook wel het weapon focus effect genoemd.

    • Blindheid door verandering van blik. Als er veel om je heen gebeurt, zal je blik veel heen en weer gaan. Als er iets gebeurt op een bepaalde plek waar je op dat moment even niet keek, zal dit je geheugen niet goed kunnen bereiken (zelfs als je wel hoorde wat er gebeurde of dit later kon vaststellen).

    • Stereotypering. Om een heftige en ongebruikelijke situatie een plekje te geven, maken mensen gebruik van stereotyperingen. Het beeld van een misdaad kan worden ingevuld met stereotyperingen die we kennen uit boeken, films en het nieuws. Dit gebeurt vooral wanneer er veel verschillende dingen gebeuren. Dit is ook hoe negatieve stereotyperingen in stand worden gehouden. Hoe ouder de ooggetuige, hoe meer hij over het algemeen gebruik zal maken van stereotyperingen. 

    • Dronkenschap. Onder invloed van alcohol wordt de aandacht verkleind tot alleen de centrale details. Wat er buiten het middelpunt van de aandacht gebeurt, wordt niet goed opgeslagen. 

    • Leeftijd. Jongvolwassenen blijken de meest betrouwbare ooggetuigen te zijn. Hoe ouder iemand is, hoe slechter het zicht en geheugen werkt. Kinderen kunnen ook betrouwbare ooggetuigen zijn, maar die hebben vaak nog meer moeite met het plaatsen en interpreteren van gebeurtenissen.

    Welke factoren kunnen invloed hebben op het opslaan van herinneringen?

    De volgende factoren kunnen invloed hebben op het opslaan van herinneringen:

    • Informatie na de gebeurtenis. Het is belangrijk dat ooggetuigen elkaars verklaring niet horen, omdat dit veel invloed heeft op hoe iemand zijn eigen ervaring opslaat. Ook kunnen ooggetuigen het beste zo snel mogelijk verhoord worden, omdat andere informatie die na de gebeurtenis is verkregen anders wordt opgeslagen alsof het deel uitmaakte van de gebeurtenis. Informatie van anderen wordt het meest aangenomen als het komt van iemand die de ooggetuige ziet als betrouwbaarder dan zichzelf. Dit is ook waarom suggestie door politie gevaarlijk kan zijn; iemand kan aannemen dat hij iets heeft gezien als de politie zegt dat hier sprake van was. 

    • Valse herinneringen. Er is veel discussie over valse herinneringen, ook los van de criminologische psychologie. Aan de ene kant van het debat staan de onderzoekers die geloven dat heftige herinneringen onderdrukt kunnen zijn en daarna terugkomen. Aan de andere kant staan de onderzoekers die geloven dat dit geen herinneringen zijn, maar opgebouwde beelden. Op zijn minst kan gezegd worden dat herinneringen soms valse elementen bevatten die er pas na de gebeurtenis in zijn geslopen. 

    • Tijdsduur. Hoe langer na de misdaad ondervraagd wordt, hoe minder goed de herinnering hiervan opgeslagen wordt.

    • Onderdrukking. Net als dat sommige aspecten per ongeluk door ooggetuigen kunnen worden toegevoegd aan een herinnering, kunnen zeer emotionele en traumatische aspecten worden onderdrukt. 

    Welke factoren kunnen invloed hebben op het ophalen van herinneringen?

    De volgende factoren kunnen invloed hebben op de laatste fase van het geheugen, het ophalen van herinneringen:

    • Vorming van de vraag. Open vragen zorgen ervoor dat een herinnering veel meer accuraat kan worden opgehaald dan suggestieve vragen. 

    • Verbetering van het ophalen. Er zijn bepaalde psychologische methoden om ooggetuigen te helpen de gebeurtenis terug te halen. Ook is het behulpzaam om kwetsbare ooggetuigen een gevoel van veiligheid te geven als ze de herinnering ophalen. 

    • Vertrouwen. Als een ooggetuigen direct na het afleggen van een verklaring aangeeft vertrouwen te hebben in de accuraatheid van de getuigenis, is dit een indicatie dat het ook echt een accurate getuigenis is. Maar hoe meer tijd er verstrijkt, hoe meer het vertrouwen zal groeien en dit heeft geen connectie meer met de accuraatheid. 

    • Angst om iets te zeggen wat niet klopt. Ooggetuigen hebben last van een dilemma dat als ze meer details willen geven, ze ook grotere kans lopen om iets verkeerds te zeggen. Vooral tegen de politie is het eng om iets te zeggen wat later kan blijken niet te kloppen. Hierom moeten mensen zich veilig voelen en weten dat de politie er rekening mee houdt dat er kleine foutjes in het geheugen van mensen kunnen zitten. 

    In het volgende chapter wordt op deze laatste fase van het ophalen van herinneringen uitdrukkelijker ingegaan omdat dit de fase is waarin ondervragers invloed hebben.

    Access: 
    Public
    Hoe moeten ooggetuigen ondervraagd worden? - Chapter 7

    Hoe moeten ooggetuigen ondervraagd worden? - Chapter 7

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Mensen hebben wonderbaarlijke vaardigheden. Ze zien iets gebeuren en kunnen dat heel lang onthouden. Ze horen iemand iets zeggen en kunnen dat onthouden. Bepaalde geuren kunnen ook nog lang onthouden worden. Wanneer iemand getuige is van een misdaad, dan kan deze persoon op een later moment de gebeurtenis opnieuw beleven in zijn gedachten en vertellen aan politieagenten wat er is gebeurd. Dat soort geheugen noemen we episodisch geheugen. Hoe geweldig deze vaardigheden ook zijn, ze zijn niet perfect. Informatie kan worden vergeten of verkeerd worden geïnterpreteerd. Ooggetuigenverklaringen kunnen er voor zorgen dat iemand onterecht schuldig wordt bevonden. Dit is waarom er heel zorgvuldig omgegaan moet worden met ooggetuigenverklaringen en rekening moet worden gehouden met de risico's.

    In het vorige chapter is uitgewerkt wat er allemaal fout kan zijn bij een verklaring van een ooggetuige. Om problemen in het ophalen van herinneringen en in het accuraat vertellen van die herinneringen te voorkomen, wordt in dit chapter uitgelegd hoe ooggetuigen ondervraagd zouden moeten worden. Hiervoor wordt als eerst laten zien hoe traditionele ondervragingen werken. Hieruit zal blijken dat er bepaalde problemen voortkomen uit een slechte ondervraging.

    Door nieuwe inzichten over het geheugen, kunnen suggesties worden gedaan ter verbetering van de ondervraging. Het cognitieve interview is een manier van ondervragen waarin deze suggesties ter harte zijn genomen. In een cognitief interview wordt meer informatie van getuigen verkregen en is die informatie ook meer correct. Dit komt ook omdat er veel rekening wordt gehouden met de ooggetuige en of die zich op zijn gemak voelt.

    Aan het eind van het chapter wordt daarom nog specifieker ingegaan op hoe er met kwetsbare ooggetuigen, zoals kinderen, ouderen en mensen met leerstoornissen, moet worden omgegaan. Hiervoor wordt ook uitgelegd wat het verschil is in geheugen bij mensen van andere leeftijden en cognitieve vaardigheden. Geheugenstrategieën kunnen ook helpen bij het naar boven halen van accurate informatie. Vooral bij kwetsbare getuigen kan het inzetten van dergelijke strategieën helpen.

    Wat zijn de tekortkomingen van traditionele ondervragingen?

    De meeste mensen, waaronder rechters, docenten en politieagenten, hechten te veel waarde aan ooggetuigenverklaringen. Men gebruikt metaforen om te beschrijven hoe de hersenen werken. Een van de populairste metaforen is dat de hersenen werken als een videobandspeler. Je kunt bepaalde informatie opslaan en wanneer je de informatie terug wilt krijgen, hoef je alleen maar op een knopje te drukken. Wanneer je de gedachten hebt gevonden, dan worden deze gedachten gezien als accuraat. Volgens deze metafoor gebeuren geheugenfouten omdat iemand niet het goede bestand kan vinden, maar als het goede bestand is gevonden, dan is de informatie accuraat, zelfs als de film incompleet is. De metafoor is zo geïntegreerd in ons cultuur, dat de meesten denken dat het wel waar moet zijn. Toch is de videoband metafoor niet correct. Hersenen kunnen minder complete herinneringen produceren dan videobanden. Er zijn vele metaforen geweest, maar ze kunnen allen op de een of anderen manier tegen gesproken worden.

    De studies naar gereconstrueerde herinneringen begonnen in de jaren ’70 en ze werden uitgevoerd door Loftus. Loftus keek naar het reconstrueren van herinneringen en de omstandigheden waarin informatie na een gebeurtenis de meeste invloed had op het reconstrueren van de gebeurtenis. Door het onderzoek van Loftus kon het onderzoek naar herinneringen bij rechtszaken op gang worden gezet. Loftus liet bijvoorbeeld zien dat alleen al een woord er voor kon zorgen dat men zich dingen anders herinnert. Zo liet Loftus proefpersonen een film zien waarin een botsing tussen twee auto’s te zien was. Na afloop vroeg ze enkele proefpersonen hoe hard zij dachten dat de auto’s reden voordat ze elkaar raakten en andere proefpersonen vroeg ze hoe hard zij dachten dat de auto’s reden voordat ze elkaar ramden. Alleen al de woorden ‘raakten’ en ‘ramden’ zorgden voor verschillende schattingen. De proefpersonen die het woord ‘ramden’ te horen kregen, dachten dat de auto’s veel sneller gingen dan ze dat eigenlijk deden. Ook meenden sommige proefpersonen uit deze groep dat ze zich konden herinneren dat er veel glas op de grond lag. Dit was absoluut niet waar. Informatie na een gebeurtenis kan dus herinneringen beïnvloeden. De corruptie van herinneringen door informatie na een gebeurtenis wordt ook wel het misinformation effect genoemd.

    Informatie na een gebeurtenis kan ook de herinneringen beïnvloeden als getuigen van een gebeurtenis met andere getuigen praten. Als een getuige iets al verkeerd herinnert en de anderen vertelt over wat hij/zij gezien heeft, dan nemen de andere getuigen de informatie wellicht over. Dit wordt memory conformity genoemd (herinnering conformiteit). Er zijn helaas een aantal voorbeelden van echte zaken te noemen waarin een verdachte schuldig werd bevonden doordat getuigen met elkaar gepraat hadden en elkaar zo beïnvloed hadden. In Engeland werd Barry George schuldig verklaard, terwijl maar één van de zestien getuigen hem in eerste instantie aan kon wijzen als schuldige. Nadat de politie de zestien mensen die aanwezig waren bij de gebeurtenis gevraagd had te komen en tussen een aantal mannen de dader aan te wijzen, wees alleen een getuige Barry George aan. De andere getuigen waren er niet zeker van of de persoon die ze gezien hadden Barry George was. De getuige die hem aanwees had na afloop een taxi gedeeld met andere getuigen en zij hebben het over de identificatie gehad. Blijkbaar had dit de andere getuigen beïnvloed en toen de getuigen na een tijdje weer gevraagd werden om langs te komen en aan te wijzen wie ze gezien hadden, wezen de getuigen die een taxi gedeeld hadden Barry George aan. Er is de afgelopen jaren veel onderzoek geweest naar conformiteit aan herinneringen. Onderzoek heeft uitgewezen dat wanneer mensen over een gebeurtenis overleggen en andere herinneringen hebben, ze uiteindelijk toch overeen gaan komen over de herinneringen. Mensen zullen het meestal eens zijn met de persoon die in eerste instantie het meest zeker was over zijn herinneringen. Conformiteit aan herinneringen kan gebeuren doordat mensen zich een deel van de groep willen voelen of doordat men echt denkt dat de andere persoon gelijk heeft.

    Naast het vertrouwen van een getuige in de getuigenis van iemand anders, kan er nog een laatste emotie een rol spelen: angst. Door angst om een verkeerde verklaring af te leggen en zo te liegen tegen de politie of een onschuldig iemand schuldig te laten bevinden, zijn ooggetuigen over het algemeen voorzichtig. Dit is in sommige opzichten goed, maar kan er ook voor zorgen dat er bepaalde dingen niet meer teruggehaald kunnen worden. 

    Slechte ondervragingen kunnen bijdragen aan deze problemen, waardoor getuigenissen niet accuraat zijn. Dit zijn tekenen van een slechte ondervraging:

    • Er is een slechte onderlinge verstandhouding tussen de ondervrager en de ondervraagde. Dit is onder andere te zien in het onderbreken of opjagen van de ondervraagde.

    • Gebruik van complex taalgebruik, geen duidelijke uitleg voor de ondervraagde.

    • Weinig open vragen, te veel suggestieve vragen. 

    • Niet direct om uitleg vragen maar ergens laat op terugkomen.

    • Geen rekening houden met leeftijd, IQ of beperkingen van de ondervraagde. 

    Hoe moet een cognitief interview worden gehouden?

    Normaal gesproken stellen politieagenten open vragen aan ooggetuigen over de misdaad. Dit is een standaardinterview. Gesloten vragen beperken een ooggetuige en dwingen als het ware om een antwoord te geven, zelfs als een ooggetuige niet zeker is. Het cognitieve interview (CI) is ontwikkeld om meer informatie van getuigen te krijgen. Dit model is er om de getuige meer controle te geven. In het CI moet rekening worden gehouden met de sociale dynamiek, het cognitieve proces en de communicatie. Met de sociale dynamiek wordt rekening gehouden door een goede verstandhouding op te bouwen met de ondervraagde en de ondervraagde aan te moedigen. Met het cognitieve proces wordt rekening gehouden door te helpen bij het terughalen van de context, gokwerk te beperken en meerdere manieren aan te reiken om het verhaal te construeren. Met de communicatie wordt rekening gehouden door ook non-verbale technieken te gebruiken en uitweiding te stimuleren.

    Er zijn veel aanpassingen aan het cognitieve interview model geweest zodat het past bij bepaalde situaties. Zo is er het zogenaamde self-administered interview (SAI) en deze kan gegeven worden aan een grote groep ooggetuigen. Deze wordt vaak gebruikt wanneer een misdaad gebeurt waar veel ooggetuigen zijn. Politieagenten kunnen de SAI dan overhandigen aan mensen en de mensen kunnen noteren wat er is gebeurd, zonder dat ze met de andere getuigen gepraat hebben. Ook kunnen politieagenten aan de hand van de SAI beslissen welke ooggetuigen verder geïnterviewd moet worden. Uit onderzoek is gebleken dat het cognitieve interview betrouwbaar is en maar voor een klein deel niet-accurate informatie presenteert. Onderzoekers zijn wel bezig om het gebruik van het cognitieve interview te vergroten.

    Hoe kunnen kwetsbare ooggetuigen het beste ondervraagd worden?

    In de afgelopen paar jaren zijn er steeds meer kwetsbare getuigen geweest tijdens rechtszaken. Kwetsbare getuigen zijn onder andere kinderen, ouderen en mensen met leerstoornissen. Ooggetuigenverklaringen worden als heel belangrijk gezien en het is daarom nodig dat herinneringen accuraat zijn. Bij kwetsbare ooggetuigen moet er nog voorzichtiger verhoord worden. 

    De informatieverwerking theorie ziet de hersenen als een complex symbool manipuleringssysteem waar informatie doorheen gaat. Er zijn meerdere informatieverwerking theorieën. Het wordt alom geaccepteerd dat de dingen die we ons herinneren uit een combinatie van details en reconstructie bestaan. De fuzzy-trace theory stelt dat concrete herinneringen (exacte details, zoals de rode auto) en meer abstracte herinneringen (semantische en relationele informatie) parallel gecodeerd, opgeslagen en opgehaald worden. Deze theorie stelt dat valse herinneringen spontane producten zijn van de abstractere herinneringen.

    Hoe kunnen geheugen strategieën ingezet worden?

    Geheugen strategieën zijn mentale activiteiten die men gebruikt om details in het werkgeheugen te houden, informatie op te slaan en informatie te verplaatsen naar het lange termijn geheugen. Geheugen strategieën zijn dus cognitieve activiteiten die onder de controle van een individu staan. Er moet informatie uit de omgeving gecodeerd worden. Men moet bijvoorbeeld onthouden hoe een verdachte er uit zag. Nadat de informatie gecodeerd is, moet het opgeslagen worden in onze hersenen. Gecodeerde details worden dan van het korte termijn geheugen naar het lange termijn geheugen geplaatst. De nieuw opgeslagen informatie wordt in onze bestaande kennis geïntegreerd. Er zijn verschillende methoden om informatie op te slaan in onze hersenen, maar er zijn ook strategieën om informatie op te halen. Strategieën om informatie op te halen proberen informatie van het lange termijn geheugen naar het korte termijn geheugen te halen. Herkenning is de makkelijkste manier voor recollecties. Een getuige vragen om uit een reeks foto de misdadiger aan te wijzen is makkelijker dan een getuige vragen om verbaal te beschrijven hoe de misdadiger er uit zag. Foto’s dienen als een recollectie aanwijzingen.

    Waar moet rekening mee worden gehouden bij het interviewen van kinderen?

    Er is veel gedebatteerd over de betrouwbaarheid van jonge ooggetuigen. In veel landen werden kinderen als onbetrouwbare ooggetuigen gezien. Voor de jaren ’80 van de vorige eeuw werden kinderen gezien als slechte getuigen die dingen verzinnen, ten prooi vallen aan suggestiviteit en fantasie en realiteit niet van elkaar kunnen scheiden. Onderzoek heeft uitgewezen dat jonge kinderen meer ten prooi vallen aan suggestiviteit dan oudere kinderen. Ook zullen zij meer fouten maken wanneer er misleidende vragen gesteld worden. De afgelopen twintig jaar is het wel anders. Er is veel onderzoek gedaan naar kinderen als ooggetuigen. Dat onderzoek is belangrijk omdat er nu veel experts zijn die hun mening geven tijdens rechtszaken over ooggetuigenverklaringen. Ook werden er twintig jaar geleden meer incidenten van kindermisbruik doorgegeven aan de politie dan in de jaren daarvoor. Deze zaken werden niet goed vervolgd. Het is dus eigenlijk wel belangrijk om een kind uit te horen over een gebeurtenis. De vraag die veel mensen zich echter wel af moeten vragen, is hoe betrouwbaar zo’n verklaring van een kind nou eigenlijk is. Volgens onderzoekers hangt de betrouwbaarheid van verklaringen van kinderen van een aantal dingen af. Wanneer kinderen op een goede manier geïnterviewd worden, dan kunnen ze politieagenten nuttige informatie verschaffen. Bij mishandelingszaken zijn de verklaringen van een kind meestal het enige bewijs dat ze hebben tegen een dader. Wanneer kinderen een verklaring afleggen, moet er rekening gehouden worden met hun mogelijkheden en limitaties. Zo hebben kinderen een mindere geheugencapaciteit, communiceren minder dan volwassenen en vallen meer voor suggestiviteit. Volwassenen moeten ervoor zorgen dat de interviews op een goede manier afgelegd worden.

    Wanneer kinderen vrijuit mogen vertellen wat er is gebeurd, dan vertellen ze dingen die vrij accuraat zijn. Ze vertellen echter niet veel en politieagenten zullen daarom specifieke vragen moeten stellen om meer informatie te krijgen. Het stellen van vragen zal minder accuraat zijn voor jonge kinderen dan vrije recollectie. Ook het hebben van bepaalde kennis voorafgaande aan de gebeurtenis kan de herinneringen van kinderen aantasten. Kinderen zullen meer fouten maken wanneer ze gevraagd worden informatie die inconsistent is met de kennis die ze al hadden te herinneren. Ook het begrip en de productie van taal hebben een invloed op de getuigenissen van kinderen. Een ander factor die dingen kan beïnvloeden is dat kinderen gehoorzaam willen zijn, vooral aan autoriteitsfiguren. Ze zullen dus eerder geneigd zijn om de informatie die de politieagenten gesuggereerd hebben rapporteren. Ook kunnen het de interviewers zelf zijn die de getuigenissen beïnvloeden. Een interviewer kan een gesprek zo sturen, dat alleen de details gerapporteerd worden die conformeerden wat de interviewer geloofde. Een interviewer kan dit bewust of onbewust doen. Ook worden kinderen herhaaldelijk geïnterviewd en hierdoor kunnen ze denken dat het antwoord dat ze de eerste of tweede keer gaven, niet goed was. Jonge kinderen zijn geneigd om hun antwoord daardoor te veranderen of te zeggen dat ze het niet weten.

    Het meest gebruikte protocol om kinderen te ondervragen in het Verenigd Koninkrijk is de National Institute of Child Health and Human Development (NICHD). Het NICHD bestaat uit twee primaire delen: de presubstantieve fase en de substantieve fase. De presubstantieve fase bestaat uit een aantal elementen. Zo worden kinderen tijdens de introductiefase voorbereid op hun rol als informant. Ze worden verteld dat het niet erg is als je iets niet weet en dat je mag zeggen dat je iets niet weer. Ook wordt kinderen verteld dat ze niet dingen moeten gokken als ze het antwoord niet weten. Onderzoek heeft namelijk aangetoond dat kinderen liever een antwoord geven (ook al is het een onzin antwoord) dan dat ze toegeven dat ze iets niet hebben begrepen. Daarnaast moet er ook getest worden of kinderen wel echt het verschil weten tussen leugens en waarheden. Vervolgens moeten kinderen kunnen oefenen door neutrale herinneringen op te halen. De onderzoekers kunnen bijvoorbeeld vragen wat de kinderen tijdens de vakantie hebben gedaan. Dit dient als het ware als een warming-up. De kinderen kunnen zo wennen aan de interviewer en de interviewer kan wennen aan de level van detail van het kind. Het kind raakt wat meer vertrouwd met de omgeving en onderzoek heeft uitgewezen dat het kind op die manier meer welwillend is om mee te werken. In de substantieve fase worden de echte punten besproken. De interviewer start met open vragen over de reden van het interview. Het kind moet vertellen waarom hij/zij daar is. Wanneer het kind wat informatie geeft, kunnen de interviewers overgaan op specifiekere vragen. Toch zullen ze proberen de meeste informatie te verkrijgen door het kind zo lang mogelijk te laten vertellen. Suggestieve vragen mogen absoluut niet gebruikt worden. Deze kunnen er namelijk voor zorgen dat de herinneringen verstoord worden en dat kan ernstige gevolgen hebben (iemand beschuldigen van iets wat hij/zij niet gedaan heeft). Oudere kinderen vertellen meer dan jongere kinderen, maar dit betekent niet dat wat ze vertellen meer accuraat is. Jongere kinderen hebben alleen wat meer aanwijzingen nodig. Onderzoek heeft uitgewezen dat de NICHD een hele goede en betrouwbare methode is.

    Onderzoekers maken zich niet alleen druk om de limitaties en capaciteiten van kinderen, maar ook om de manier waarop het bewijs van de kinderen gepresenteerd gaat worden tijdens een rechtszaak. Er moet niet te veel stress zijn voor het kind. Sommige kinderen doen mee aan een voorbereidingsprogramma of ze krijgen een hulppersoon. Een andere manier op stress te verminderen bij kinderen is om ze te laten getuigen vanuit een andere kamer. Dit wordt closed circuit television (CCTV) genoemd. Zo kan het kind reageren op vragen en dingen vertellen zonder de verdachte te hoeven zien. De informatie die het kind geeft wordt live afgespeeld in de kamer waar de rechtszaak plaats vindt. Kinderen zullen hierdoor ook een lagere cognitieve belasting ervaren en zullen daardoor meer cognitieve middelen vrij hebben om herinneringen op te halen en dingen accuraat te beschrijven. Observatoren hebben opgemerkt dat kinderen er wat meer relaxt uitzien als ze vanuit een andere kamer mogen getuigen. Ze worden door professionals ook als zelfverzekerder, consistenter en blijer gezien. CCTV wordt niet zo vaak in Amerika toegepast, omdat er daar een regel bestaat dat de verdachte het recht heeft om een getuige voor hem te zien (niet door middel van een tv).

    Voor elke getuige geldt, volwassenen en kinderen, dat niet alleen het geheugen belangrijk is. Voor een succesvol interview is het belangrijk dat ooggetuigen hun ervaringen willen delen. Er zijn vast getuigen die niet alles willen vertellen om iemand te beschermen. Het legale systeem moet dus niet alleen rekening houden met valse beschuldigingen, maar ook met valse ontkenningen. Ook zijn er getuigen die hun bekentenis terug trekken en daardoor kunnen sommige verdachten niet meer vervolgd worden. Onderzoek heeft uitgewezen dat er ook vrij veel mensen zijn die pas na een aantal jaren spreken. Zo vertellen er vrij veel kinderen niet dat ze misbruikt zijn en komen pas naar buiten met het verhaal als ze volwassen zijn. Ongeveer 23% van de kinderen die gezegd hebben misbruikt te zijn, trekt hun verklaringen weer in. Dit zijn voornamelijk jongere kinderen, kinderen die een (of beide) van hun ouders beschuldigd hebben en kinderen die geen steun krijgen van de niet-misbruikende ouder (meestal moeder). Terugtrekking gebeurde zelfs in gevallen waar er medisch bewijs of ander bewijs was.

    Waar moet rekening mee worden gehouden bij het ondervragen van kwetsbare volwassenen?

    Ouderen vormen een speciale groep van getuigen. In veel landen worden mensen steeds ouder en door de goede gezondheidszorg kunnen ouderen langer actief blijven in de samenleving. Hierdoor zal het dus voorkomen dat ouderen wel eens getuigen zouden kunnen zijn van een misdaad. Ook kunnen ze zelf slachtoffers zijn van misdaden. De mishandeling van ouderen wordt steeds vaker gerapporteerd. Vooral ouderen die ouder dan 75 jaar zijn, zijn kwetsbaar. Mannen en vrouwen zijn even kwetsbaar. Onderzoekers houden zich bezig met het verkrijgen van getuigenissen die forensisch relevant zijn van ouderen. Er zijn echter maar een paar onderzoeken geweest die de accuraatheid van getuigenissen van ouderen hebben getest. Deze onderzoeken hebben uitgewezen dat de herinneringen minder compleet en minder accuraat zijn in vergelijking met de herinneringen van jongere volwassenen.

    Individuen met leerstoornissen worden ook gezien als kwetsbare getuigen. Deze individuen doen er langer over om informatie te coderen, op te slaan en op te halen dan normaal ontwikkelende volwassenen. Dit betekent echter niet dat de dingen die ze zeggen, niet accuraat zijn. Individuen met leerstoornissen noemen minder details, maar de dingen die ze noemen zijn net zo accuraat als de dingen die normaal ontwikkelde volwassenen noemen. Individuen met een leerstoornis hebben vooral moeite met het ophalen van informatie uit herinneringen. Mensen met een leerstoornis zijn eerder geneigd om ‘ja’ te antwoorden op vragen, ongeacht de inhoud van de vraag. Volwassenen met leerstoornissen zijn ook meer geneigd om antwoorden te verzinnen. Individuen met leerstoornissen vallen (daardoor) ook voor suggestiviteit. Interviewers moeten daarom goed uitkijken wanneer ze deze mensen interviewen.

    Access: 
    Public
    Hoe moeten verdachten ondervraagd worden? - Chapter 8

    Hoe moeten verdachten ondervraagd worden? - Chapter 8

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In de voorgaande twee chapters is ingegaan op de ondervraging van ooggetuigen. Dit chapter gaat over de ondervraging van verdachten. Hiervoor wordt weer eerst uiteengezet hoe een dergelijke ondervraging, meestal een politieverhoor, tegenwoordig verloopt. Vaak wordt in een politieverhoor gezocht naar een bekentenis. Dit stuurt de vragen en het gedrag van de vrager en ondervraagde. Dit heeft tot gevolg dat er bekentenissen worden uitgelokt in plaats van dat er naar de waarheid wordt gezocht.

    Om valse bekentenissen zo veel mogelijk te voorkomen maar wel de accurate bekentenissen te verkrijgen, moeten ondervragers bewust worden van hun vraagtechnieken en de invloed die deze hebben. Aan het eind van het chapter wordt uitgelegd hoe onderzoekend geïnterviewd moet worden. Het doel van een verhoor zou moeten zijn om de waarheid over de zaak te achterhalen, niet om de verdachte koste wat het kost schuld te laten bekennen. Bij de objectieve waarheidsvinding speelt het PEACE model van plannen, uitleggen, ophelderen, uitdagen, afronden en evalueren een grote rol. 

    Welk advies krijgen agenten die verdachten moeten ondervragen?

    Er zijn voor veel beroepen handleidingen. Men kan de instructies opvolgen en zo goed werk leveren. Ook voor politie-interviews zijn er handleidingen. Er zijn verschillende handleidingen op de wereld en bij sommige lijkt het alsof de politie niet geïnteresseerd is in het verkrijgen van informatie over de waarheid, maar meer geïnteresseerd is in het verkrijgen van een bekentenis. Handleidingen uit de Verenigde Staten domineren de markt en deze handleidingen leggen de nadruk op de manier waarop een bekentenis gekregen kan worden. Veel van deze handleidingen zijn beïnvloed door de Reid techniek. Dit is een stappenplan van negen stappen waarmee de weerstand van de verdachte om te bekennen afgebroken wordt. Veel handleidingen vinden dat er eerst een interview moet komen en daarna een ondervraging. Het interview is er om informatie te verkrijgen over het wel of niet schuldig zijn van de verdachte. Tijdens het interview moet het niet lijken alsof de verdachte onder vuur staat. Wanneer een interviewer denkt dat de verdachte niet de waarheid heeft verteld tijdens het interview, dan kan er overgegaan worden op een ondervraging. Aan het begin moet vooral de interviewer aan het woord zijn en hij/zij moet geen vragen stellen aan de verdachte omdat het zo anders lijkt alsof de interviewer onzeker is over de schuld van de gedachte.

    Het enige doel van een ondervraging is dus volgens vele handboeken om een bekentenis te krijgen. Aanhangers van de Reid techniek gebruiken een stijl van ondervragen dat al uitgaat van de schuld van de verdachte. Dit is dus wat agenten geadviseerd krijgen te doen, waar vooral in Europa veel kritiek op is maar wat toch nog veel opgevolgd wordt.

    Hoe wordt een bekentenis verkregen?

    Een van de technieken om een bekentenis te krijgen is thema-bouwen. Dit is één van de onderdelen van de Reid techniek. Het idee hierachter is om de verdachte een morele manier om uit zijn/haar situatie te komen te geven, maar hier is wel een bekentenis voor nodig. De interviewer maakt een nep verhaal dat overeenkomt met de details van de misdaad van de verdachte. Als de verdachte het eens is met het verhaal dan heeft hij of zij min of meer toegegeven dat hij/zij schuldig is. De politieagent kan bijvoorbeeld zeggen "Je hebt het geld genomen omdat je je baby moest voeren. Je was vast wel van plan om het geld terug te geven, toch?"

    Andere technieken die gebruikt kunnen worden zijn het dreigen met nep bewijs of bewijs introduceren dat niet bestaat. Het probleem met deze technieken is dat verdachten die onschuldig zijn, maar wel snel voor suggesties of de autoriteit/macht van de agent vallen, een misdaad kunnen bekennen die zij niet begaan hebben. In sommige culturen lijkt het erop dat politieondervragingen juist voor problemen zorgen, in plaats van het oplossen van problemen.

    Een lastig punt van de handleidingen is de manier waarop verschillende handleidingen het woord interview en ondervraging gebruiken. Normaal gesproken wordt de interviewfase gezien als een conversatie waarin naar informatie gezocht wordt. Veel handleidingen vertellen niet veel over interviews, maar de handleidingen die wel spreken over interviews wijzen erop dat communicatie belangrijk is in deze fase. Helaas zijn er ook handleidingen die vermelden dat de interviewers niet aan de verdachten mogen laten blijken dat ze verdacht zijn. Dit spreekt eigenlijk de rechten van de mens van de Verenigde Naties tegen, omdat elk persoon het recht heeft om de reden voor zijn/haar arrestatie of beschuldiging te weten. De ondervragingsfase wordt in principe beschreven als een confrontatieproces dat ervoor moet zorgen dat interviewers een bekentenis krijgen.

    Veel handleidingen bevatten methodes die eigenlijk illegaal zijn. Dit zijn voornamelijk methoden die met misleiding te maken hebben. Veel handleidingen hebben impliciete tegenstellingen die de lezer doen afvragen of ze een humane benadering moeten volgen of dat ze ruig moeten doen om meer effectief te zijn. Zo stellen sommige handleidingen voor om stress te veroorzaken bij de verdachte, omdat een gestreste verdachte meer aanwijzingen zou blootgeven (volgens de handleiding).

    Handleidingen spreken elkaar ook tegen met de mate waarin informatie door de interviewer aan de verdachte gegeven moet worden. Sommige onderzoekers menen dat alle informatie aan het begin van het interview verteld moet worden en dat de verdachte hierdoor eerder bekent. Dit komt doordat de verdachte denkt dat de politie al zoveel weet, dat het geen zin meer heeft om te ontkennen. Sommige onderzoeken laten zien dat dit klopt. Alle informatie blootgeven aan het begin kan echter wel voor problemen zorgen. Als de interviewer alles heeft verteld, dan kan hij niet de juistheid van de informatie controleren. Als de informatie niet gegeven wordt, dan kan de verdachte dingen vertellen die alleen de verdachte zou kunnen weten. Dit kan dienen als bewijs, terwijl een bekentenis die voort kan komen uit suggestie eigenlijk niet meer mag gelden als bewijs (maar wel vaak als bewijs wordt gebruikt).

    Hoe gedragen interviewers zich?

    Er zijn nog steeds veel agenten die naar een bekentenis zoeken en de interviewstijl dan ook afstemmen hierop. Deze interviewers luisteren niet naar wat de verdachte zegt, maar onderbreken hem of haar steeds. Deze interviewers kunnen ook agressief en provocatief worden. Onderzoekers hebben onderzocht welk effect zo’n confronterende en bekentenis-zoekende ondervragingsstijl heeft. Ten eerste zal de agent een geloofssysteem hebben en zich er aan willen houden. De agent zal zeker van zijn zaak zijn en alles wat zijn overtuiging ook maar tegenspreekt, wordt als valse informatie gezien. Ten tweede zal de verdachte het vervelend vinden dat de politieagent hem op een vervelende manier uithoort. Een verdachte zal dan besluiten om helemaal geen antwoord meer te geven. Agenten kunnen ook heel veel informatie over een zaak krijgen en zij zullen dan niet naar nog meer informatie zoeken. Wat sommige agenten doen is het zoeken naar een bepaalde hoeveelheid informatie dat genoeg is om aan de theorie van de agenten te voldoen. Dit zal meer bijdragen aan het idee dat de verdachte schuldig is en het zal de interviewtechniek van de agent beïnvloeden. Er komt een soort tunnelvisie naar belastende informatie over de verdachte en ontlastende informatie wordt niet meer gezien. Onderzoek laat zien dat wanneer interviewers een vermoeden van schuld aannamen, ze ook meer schuldgerichte vragen stelden en meer druk uitoefenden om een bekentenis te krijgen. Dit kan voor weerstand en ontkenning bij de verdachte zorgen. Een ander gedrag van interviewers dat voor problemen kan zorgen, is het stellen van te veel vragen. Mensen hebben nou eenmaal een limiet aan het procederen van mentale middelen. Wanneer mensen te veel vragen gesteld worden, hebben hun hersens niet genoeg de tijd om zich even te herstellen. Verdachten zullen alleen oppervlakkige antwoorden kunnen geven als ze te veel vragen in een keer gesteld krijgen. Een interviewer kan ook denken dat de pauzes die de verdachte neemt om te antwoorden, aarzeling en tegenzin laten zien. Veel vragen stellen kan er ook voor zorgen dat de verdachte door de war raakt en zijn herinneringen niet meer op een rijtje heeft.

    Interviewtechnieken kunnen ervoor zorgen dat mensen schuld bekennen terwijl ze eigenlijk onschuldig zijn. Er zijn veel voorbeelden van echte rechtszaken waarbij een onschuldige persoon toch heeft bekend. Bij een zaak hebben zelfs 200 mensen bekend dat ze een kind ontvoerd hadden! De voornaamste redenen voor valse bekentenissen zijn het beschermen van anderen, om onder de politiedwang uit te komen en om opsluiting te voorkomen. Valse bekentenissen komen nog altijd voor en het is daarom belangrijk om erachter te komen hoe ze werken en voorkomen kunnen worden.

    Volgens onderzoekers zijn er drie vormen van valse bekentenissen:

    1. vrijwillige valse bekentenissen (voluntary false confession),

    2. gedwongen-inschikkelijke valse bekentenissen (coerced-compliant false confession),

    3. gedwongen-geïnternaliseerde valse bekentenissen (coerced-internalised false confession).

    Een persoon kan ook zonder externe druk een valse bekentenis geven. Dit kan hij of zij doen om een ander (de echte dader) te beschermen. Een andere reden om valse bekentenissen te geven, is om eventjes beroemd te worden. Ook zijn er mensen die fantasie en werkelijkheid moeilijk van elkaar kunnen scheiden en denken dat ze iets hebben gedaan wat ze eigenlijk niet gedaan hebben. Ook kunnen mensen met een mentale stoornis zomaar valse bekentenissen maken. Wanneer een verdachte in zekere zin gedwongen wordt door agenten om een bekentenis te maken, dan zal hij of zij dat wellicht doen. Een reden hiervoor is om onmiddellijke beloningen te krijgen. Zo wil een verdachte misschien wel uit een vreselijke situatie (verhoring) ontsnappen. Anderen denken dat ze er een beloning mee krijgen. Bij deze soort valse bekentenissen weet de verdachte dat hij onschuldig is. Het derde type van valse bekentenissen vindt plaats als een verdachte tijdelijk of permanent denkt dat hij of zij schuldig is. Deze persoon zal geen herinneringen aan de daad hebben en het is daarom makkelijker om valse herinneringen te creëren. Het creëren van valse herinneringen gebeurt omdat het individu twijfelt aan zijn/haar autobiografische herinneringen en in een staat van suggestiviteit verkeert. Hij of zij werkt mee en heeft vertrouwen in politieagenten die opzettelijk of onbewust bepaalde hints geven die leiden tot valse herinneringen. Politieagenten moeten hier bewust van worden en tactieken vermijden die valse herinneringen kunnen creëren.

    Hoe zou onderzoekend geïnterviewd moeten worden? 

    In de geschiedenis zijn dreigementen en mishandeling veel gebruikte manieren geweest om bekentenissen te onttrekken aan getuigen. Getuigen werden zowel fysiek als mentaal mishandeld. Ze werden onttrokken van licht of kregen juist te veel licht en ze werden besproeid met water. Vanaf 1930 begon het gebruik van deze manieren van ondervragen af te nemen. Agenten probeerden vanaf dat moment het vertrouwen van verdachten te winnen en lieten ze vrijuit spreken. Ook kwam er meer belangstelling voor de emoties van de mens en hoe deze invloed hadden op het interview. Er werd ook steeds meer gekeken naar de rol die persoonlijkheid speelde tijdens interviews. In de jaren ’60 van de vorige eeuw werden misleidende tactieken helaas weer populair.

    In de jaren ’80 van de vorige eeuw ontwikkelde de psycholoog Shepherd een script voor het handelen van politieagenten. Hij noemde dit conversation management (CM). CM gaat over het gedrag voor, tijdens en na het interview. In de pre-interview fase moet de officier objectief te werk gaan en mag hij of zij geen bias hebben. De officier moet de zaak zo gedetailleerd mogelijk bestuderen en vragen bedenken. Tijdens de interviewfase moet de officier zich bezig houden met het begroeten, uitleggen, samenwerken en afsluiten. Shepherd meende dat het belangrijk was om menselijke gevoelens aan de verdachten te uiten en op een ethisch manier interviews af leggen. Volgens hem was dit nodig om de communicatie en interactie tussen agent en verdachte te versoepelen. Ook andere onderzoekers waren voor een wat ethischer benadering en meenden dat verdachten ook hun verhaal mochten vertellen. Toch toonden onderzoeken uit de vorige eeuw aan dat politieagenten zochten naar een bekentenis wanneer het bewijs tegen de verdachte sterk was, in plaats van een informatie-zoekende benadering aan te hangen. Uiteindelijk werd het onderzoekend interviewen populair. Dit is een eerlijke, dualistische en communicatieve manier van ondervragingen om accurate en betrouwbare informatie te krijgen.

    Wat is het PEACE model?

    Het onderzoekend interviewen was rond 1990 ontwikkeld en het werd geplaatst in het zogenaamde PEACE model van interviewen. In het PEACE model worden de volgende dingen gehanteerd: plannen en voorbereiden, uitleggen, ophelderen, uitdagen, afronden en evalueren. . Volgens het PEACE model moeten interviewers eerst plannen hoe ze het interview aan gaan pakken. Dit is volgens het model één van de cruciale punten van een interview. Er moet informatie over de zaak verkregen worden, maar ook over de verdachte. Na informatie ingewonnen te hebben kunnen agenten bedenken hoe ze het interview vorm gaan geven. Tijdens het interview moeten de agenten de verdachte vertellen over de aantijgingen, zijn rechten en hoe het interview zal verlopen. De interviewers moeten de verdachten proberen te motiveren en actief deel te laten nemen. Verdachten worden gevraagd hun kant van het verhaal te vertellen en de agenten kunnen hier vragen over stellen of deze beweringen uitdagen. In het afsluitingsproces moeten agenten alles wat een verdachte heeft gezegd samenvatten en kijken of de verdachte het er mee eens is. In de laatste fase, de evaluatie fase, evalueren agenten de informatie die ze tijdens het interview hebben gekregen.

    Het doel van het PEACE model is om de waarheid te achterhalen. Veel onderzoeken laten zien dat een ethische aanpak en het open staan voor wat de verdachte zegt een goede werking heeft. Verdachten zijn meer bereid om te bekennen. In dat geval gaat het om echte bekentenissen, niet om valse. Een verdachte die op een humanitaire manier geïnterviewd werd, was eerder bereid om echte bekentenissen af te leggen dan verdachten die op een dominante manier geïnterviewd werden. Studies hebben aangetoond dat verdachten die beter behandeld werden, een beter psychologische welzijn hadden dan verdachten die slecht behandeld werden (bedreigd, angstig gemaakt, gedwongen om dingen te zeggen). Zelfs wanneer de verdachten eerlijk toegaven dat ze een misdaad hadden begaan en goed behandeld werden, hadden ze een beter psychologische welzijn dan verdachten die niet goed behandeld werden. Het toegeven van een misdaad kan een verdachte ook helpen met de verwerking ervan. Het is dus zowel voor de waarheidsvinding als voor het welzijn van verdachten goed om dit PEACE model te gebruiken. In de toekomst kan de focus van agenten hierdoor weer komen te liggen op het achterhalen van de waarheid, in plaats van op het uitlokken van een bekentenis.

    Access: 
    Public
    Wat is er bekend over de mogelijkheid om erachter te komen of iemand liegt? - Chapter 9

    Wat is er bekend over de mogelijkheid om erachter te komen of iemand liegt? - Chapter 9

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In de voorgaande chapters is het over verhoren gegaan en wat er bij het ophalen van herinneringen fout kan gaan, zowel bij getuigen als bij verdachten. Dit chapter gaat niet om onbewuste fouten die problemen voor de waarheidsvinding veroorzaken, maar om bewuste deceptie.

    Eerst wordt uitgelegd wat we onder liegen verstaan. Dan wordt vanuit verschillende benaderingen gekeken naar hoe het kan dat iemand liegt.  Vervolgens worden aanwijzingen voor deceptie uiteengezet; hoe leugenaars ontmaskerd kunnen worden. Hiervoor is het ten eerste belangrijk om goed te begrijpen hoe liegen psychologisch werkt. Toch zijn mensen veel slechter in het achterhalen of iemand liegt, dan zij zelf denken. Er moeten dus objectieve technieken worden gebruikt om deceptie te detecteren. In dit chapter wordt uitgelegd hoe detectie van deceptie kan gaan aan de hand van verbale inhoud, computer-gebaseerde linguïstische analyse en psychologische inzichten.

    Ook wordt ingegaan op de interpretatie van de signalen van deceptie. Om te voorkomen dat onschuldige mensen voor leugenaars worden gezien, zijn er namelijk een aantal dingen om rekening mee te houden. Tenslotte worden een aantal nieuwe manieren om deceptie te achterhalen getoond, zoals fMRI, intentie-onderscheiding en training van leugendetectie.

    Wat is deceptie?

    Het definiëren van deceptie is moeilijk. De schrijvers zien deceptie als een actie om een ander iets te laten geloven waarvan de leugenaar weet dat het niet waar is. Als je je iets echt niet kunt herinneren, dan is dat dus geen deceptie. Verder zijn er drie vormen van deceptie: falsificatie (alles wat verteld wordt is onwaar), distorsie (de waarheid wordt veranderd om te passen bij het doel van de leugenaar) en verborgenheid (de leugenaar houdt de waarheid verborgen). Wat het detecteren van deceptie betreft, wordt heel vaak de ‘lie-catcher’ techniek gebruikt. Een persoon wordt geïnterviewd en hier wordt een video-opname van gemaakt. Dit wordt vervolgens aan observatoren laten zien en zij moeten oordelen of de persoon in beeld liegt of niet. Onderzoekers zijn al bijna veertig jaar bezig om deceptie en het detecteren van deceptie te bestuderen.

    Er zijn een aantal verschillende benaderingen die gebruikt worden om erachter te komen of iemand liegt:

    • De emotionele benadering stelt dat liegen emoties veroorzaakt die anders zijn dan de emoties tijdens het vertellen van de waarheid. Het ervaren van emoties kan gedrag veranderen. Angst voor het betrapt worden zorgt voor stress, opwinding, meer blozen, zweten, meer versprekingen, stemverhoging en schuldgevoelens zorgen ervoor dat de leugenaar zijn ogen afwent. Volgens deze benadering zorgen sterke emoties ervoor dat deze emoties zullen ‘lekken’ en dat het zichtbaar wordt dat iemand aan het liegen is.

    • De cognitieve lading benadering stelt dat liegen mentaal meer vergt van iemand dan het vertellen van de waarheid. Liegen kan moeilijker zijn dan het vertellen van de waarheid, omdat de leugenaar een verhaal moet vertellen dat overeenkomt met de feiten die bekend zijn bij de interviewer. Daarnaast moet het een gedetailleerd verhaal zijn, want het moet wel lijken alsof de verdachte het echt heeft meegemaakt, maar het moet toch simpel genoeg zijn om het te kunnen onthouden. Onderzoek heeft uitgewezen dat taken die cognitief veel vergen van een persoon, ervoor kunnen zorgen dat iemand wegkijkt. Het kan namelijk afleidend zijn om te kijken naar een conversatiepartner. Deze benadering stelt dat iemand minder lichaamsbewegingen zal hebben als hij/zij bezig is met een taak die cognitief belastend is. Deze mensen zullen ook lange pauzes tussen stellingen hebben en zullen niet snel antwoorden op de vragen van de onderzoeker.

    • De controle benadering stelt dat leugenaars weten dat interne processen (zoals emoties) kunnen resulteren in deceptie. Zij zullen daarom proberen deze tekenen te minimaliseren om detectie te ontwijken. Gek genoeg zorgt het proberen om het gedrag te controleren er voor dat er juist aanwijzingen van deceptie te zien zullen zijn.

    • Vanuit het zelf-presenterende perspectief wordt er gekeken naar de overeenkomsten tussen leugenaars en personen die de waarheid vertellen. Zelfpresentatie wordt gedefinieerd als het reguleren van het gedrag om een bepaalde impressie op anderen achter te laten. Leugenaars en personen die de waarheid vertellen worden gezien als mensen met hetzelfde doel: eerlijk lijken. Het verschil tussen deze twee groepen is dat mensen die de waarheid vertellen echt grond hebben om op te staan en ze blijven binnen de grenzen van de waarheid. De consequentie hiervan is dat leugenaars en eerlijke mensen cognitief en gedragsmatig op twee manieren verschillen. Ten eerste zorgen leugens voor een negatief gevoel en dit zorgt ervoor dat leugenaars er meer gestrest en minder prettig uitzien. Ten tweede weten leugenaars dat ze dingen vertellen die niet op waarheid zijn gebaseerd en ze zullen daarom opzettelijk hun best doen om geloofwaardig over te komen. Hun pogingen om het gedrag te controleren zullen ervoor zorgen dat hun acties minder geloofwaardig en meer gespannen overkomen.

    Wat zijn objectieve aanwijzingen voor deceptie?

    Uit meta-analyses blijkt dat er maar enkele objectieve aanwijzingen zijn voor deceptie en dat gedragingen die met deceptie te maken hebben geen sterke voorspellende waarde hebben. Leugenaars zijn meer gespannen dan personen die de waarheid vertellen. Hun pupillen zijn meer verwijd en hun toon is hoger. Mensen die gevraagd worden om te oordelen over leugenaars en mensen die de waarheid spreken (ze zijn niet op de hoogte wie de leugenaars zijn) oordelen dat de leugenaars nerveuzer en meer gespannen zijn dan de personen die de waarheid vertellen. Leugenaars zien er ook minder coöperatief uit dan mensen die de waarheid vertellen en hun gezichten zijn minder plezierig. Er zijn ook enkele aanwijzingen die aantonen dat de verhalen van leugenaars verschillen van de verhalen van mensen die de waarheid vertellen. Leugenaars praten korter en vertellen minder details dan vertellers van de waarheid. De verhalen van leugenaars zijn ook minder logisch en minder plausibel. Ze klinken ook onzekerder en zijn minder direct en minder persoonlijk tijdens het gesprek. Leugenaars verbeteren zichzelf spontaan en zeggen minder vaak dat ze iets niet weten. De verhalen van de leugenaars lijken kleine imperfecties te missen, die elk verhaal nodig heeft. De resultaten ondersteunen de zelfpresentatiebenadering, de cognitieve-lading-benadering en de controlebenadering. Dit zijn allemaal dingen die slechts over het algemeen te zien zijn bij leugenaars. Het blijft moeilijk en kan zelfs gevaarlijk zijn om hierop een individu van deceptie te beschuldigen. Dit is de 'lie-catcher' techniek. 

    Uit onderzoek blijkt dat ongeveer in iets meer dan 50% van de gevallen mensen goed kunnen voorspellen wie de waarheid vertelt en wie niet. Dit is iets meer dan kansniveau. Politieagenten en rechters zijn ook onderzocht en agenten denken zelf dat zij beter zijn in het herkennen van leugens dan ‘normale’ mensen. Ze denken dat ze een goede lie-catcher performance hebben. Onderzoek laat echter zien dat dit niet correct is. Agenten en rechters zijn net zo goed in het detecteren van leugens als normale mensen. Sterker nog, er zijn vrijwel geen individuele verschillen in het detecteren van deceptie. Sommige onderzoekers stellen dat mensen slecht zijn in het detecteren van leugens omdat ze verkeerde beelden over de eigenschappen van deceptie hebben. Ze combineren objectieve en subjectieve kenmerken van deceptie met elkaar. Mensen denken vaak dat leugenaars oogcontact ontwijken, twijfelen, langzaam spreken, langere en meer frequente pauzes en een verhoging van zelf-manipulatieve gedragingen, zoals hand/voet en vinger bewegingen. Dit gedrag wordt gezien als nerveusheid. Echter, leugenaars zijn niet nerveuzer dan mensen die de waarheid vertellen. Er is kritiek geweest op de externe validiteit van deceptie detectie onderzoek. Zo krijgen mensen in zulke onderzoeken alleen maar een video-opname van de verdachte te zien en kunnen niet echt met hem/haar interacteren. Ze kunnen geen vragen stellen en krijgen geen achtergrondinformatie. Politieagenten die echt met een verdachte te maken hebben krijgen juist wel achtergrondinformatie en kunnen wel interacteren met een verdachte.

    Hoe kan deceptie aan de hand van verbale inhoud worden gedetecteerd?

    Statement validity analysis (SVA) is de meest gebruikte methode om de waarheid van verbale stukken te detecteren. Het is ontwikkeld in Duitsland en Zweden om te achterhalen of kinderen wel echt de waarheid vertelden over seksueel misbruik. De onderliggende techniek is de Undeutsch hypothese welke stelt dat wanneer een bewering van een kind echt gebaseerd is op de herinneringen aan de echte gebeurtenis, het zal verschillen in kwaliteit en inhoud van een bewering die gefabriceerd is. SVA bestaat uit vier fases. In de eerste fase wordt de zaak geanalyseerd en er kunnen hypotheses gemaakt worden over de bron van de bewering. In het tweede deel wordt een interview gedaan, waarin het kind zijn of haar kant van het verhaal kan vertellen. Dit verhaal wordt opgenomen. De beweringen zullen vervolgens op hun geloofwaardigheid getoetst worden met behulp van een zogenaamde criteria-based content analysis, CBCA (bestaat uit 19 criteria). Tenslotte zal er met behulp van een validiteitschecklijst gekeken worden of er alternatieve verklaringen zijn voor de uitkomsten van de CBCA. CBCA is vrij accuraat gebleken en het kan ook gebruikt worden om de beweringen van volwassenen te toetsen. Reality monitoring is al jaren gebruikt bij het onderzoek naar herinneringen en dit proces probeert de echte herinneringen van de verzonnen te onderscheiden. Herinneringen van echte gebeurtenissen bevatten meer perceptuele informatie (smaak, gevoel, reuk) dan herinneringen van verzonnen gebeurtenissen. Herinneringen van verzonnen gebeurtenissen bevatten meer cognitieve handelingen (‘Ik moest wel moe geweest zijn, want het was laat’). Reality monitoring kan ook gebruikt worden om te kijken of anderen gebeurtenissen hebben verzonnen. Volgens onderzoek is RM vrij accuraat in het voorspellen van leugens.

    De scientific content analysis (SCAN) techniek gaat er ook vanuit dat herinneringen van een echte ervaring anders zijn dan van een verzonnen ervaring. SCAN gebruikt geschreven beweringen en deze moeten geschreven worden door de onderzochte persoon. De lijst van de SCAN criteria is lang en bevat dingen als emoties, verandering van taalgebruik en ontkenning. Er is niet veel onderzoek gedaan naar SCAN, maar het onderzoek dat wel gedaan is, is niet erg positief.

    Hoe kan deceptie aan de hand van computer-gebaseerde linguïstische analyse worden gedetecteerd?

    Een andere benadering om deceptie te detecteren is om de linguïstische structuur van iemands verhaal te bekijken. Er zijn methoden die naar de taalstructuur van beweringen kijken. Linguistic inquiry and word count (LIWC) is een techniek waarbij alle woorden worden opgedeeld in klassen. Onderzoek heeft uitgewezen dat een paar woorden minder vaak voorkomen in beweringen van een leugenaar (persoonlijke voornaamwoorden) en sommige woorden juist vaker voorkomen (negatief emotionele woorden).

    Ook kan er gekeken worden naar de stem van de verdachte. Door te kijken naar de spieren die verantwoordelijk zijn voor spraak, kan er met behulp van elektronen gekeken worden of een verdachte stress heeft. Dit kan gezien worden aan de hand van micro spierbewegingen. Dit heet de voice-stress analysis (VSA). Tegenwoordig is er ook een layered voice-stress analysis ontwikkeld. Hierbij bouwt een computer programma een waarheidswaarde op aan de hand van 'foutjes' in de spraak die door een mens niet zou worden opgevat. Voor deze methode is er echter niet veel wetenschappelijk bewijs.

    Hoe werkt psychofysiologische detectie van deceptie?

    Iedereen heeft wel van een leugendetector gehoord. Dit is een instrument waarmee fysiologische processen gemeten kunnen worden. Met deze gegevens zou men dan kunnen bepalen of iemand liegt of niet. De moderne leugendetectortest meet drie fysiologische systemen die alle drie door het autonome zenuwstelsel gestuurd worden. Dit zijn galvanische huidresponsen (zweten van de palmen), cardiovasculaire activiteit, zoals de bloeddruk, en ademhalingspatronen. Het is moeilijk om exacte informatie te geven over hoe en waar de leugendetector wordt gebruikt, maar het is veilig om te zeggen dat het veel wordt gebruikt over de hele wereld. In veel landen speelt het gebruik van leugendetectors een grote rol in het rechtssysteem. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de validiteit van een leugendetectortest gelimiteerd is.

    Er zijn twee verschillende types leugendetectors. De test die het meest gebruikt wordt, is de control question test (CQT). De eerste fase bij deze test is het verkrijgen van informatie waarbij de verdachte wordt gevraagd om zijn kant van het verhaal te doen. Er worden vragen opgesteld en de onderzoeker en verdachte nemen de vragen samen door. De verdachte moet namelijk we begrijpen wat elke vraag inhoudt. Na deze fase komt de vraagfase. Elke vraag wordt een paar keer gesteld en van de antwoorden worden gemiddelden opgemaakt. Verdachten krijgen vragen die over drie verschillende categorieën vallen. De eerste categorie bestaat uit neutrale vragen, zoals het vragen naar de achternaam van de vader. Daarnaast zijn er de relevante vragen die direct over de misdaad gaan. Tenslotte kunnen er ook nog controlevragen gesteld worden die over gebeurtenissen uit het verleden gaan. Deze vragen forceren iedereen om een leugen te vertellen, omdat ze vaag geformuleerd zijn. Deze laatste categorie vragen is er om de leugens met een bepaalde drempelwaarde te kunnen vergelijken. Het verschil in de fysiologische responsen bepaalt wat de uitkomsten van de test zijn. Het idee is dat schuldige mensen sterker zullen reageren bij relevante vragen dan bij controlevragen. Veldstudies en laboratoriumonderzoek laten zien dat leugendetectortests goed zijn in het detecteren van deceptie, maar ook dat er soms valse positieven worden gegeven. Dit betekent dat onschuldige mensen als leugenaars worden gezien.

    De tweede soort test is de concealed information test of guilty knowledge test (GKT). Het idee spreekt voor zich: het proberen te detecteren van verborgen informatie die alleen de schuldige heeft. Dit wordt gedaan door een vraag te presenteren met verschillende alternatieven, waarvan een alternatief juist is. Het idee is dat de schuldige, die het goede antwoord herkent, meer fysiologische opwinding ervaart wanneer het goede antwoord opgenoemd wordt. Een onschuldige persoon zal op dezelfde manier op alle vragen reageren. De GKT lijkt beter te zijn in het classificeren van onschuldige mensen dan leugenaars. Veel psychologen geloven ook dat de GKT een wetenschappelijkere methode is dan de CQT. Toch zijn er enkele kanttekeningen die er bij het gebruik van de GKT gemaakt moeten worden. Zo kan de validiteit van de test uitgedaagd worden als het goede antwoord opvalt naast de andere antwoorden. Ook moeten onschuldige mensen het goede antwoord niet weten, anders worden ze wellicht schuldig bevonden. Er moet dus goed rekening gehouden worden met wat mensen al weten over de zaak (door de media). Ook kan het zo zijn dat de schuldige persoon een bepaald detail niet opgemerkt heeft en dus een onschuldig antwoord geeft. Deze condities zorgen ervoor dat de toepasbaarheid van deze methode aangetast wordt. Deze methode is bij minder dan 10% van de FBI zaken toepasbaar!

    Onderzoekers debatteren al heel lang over de mate waarin het mogelijk is voor verdachten om de leugendetectortests te beïnvloeden. Al deze acties noemen we tegenmaatregelen. Tijdens de CQT zou iemand kunnen proberen om reacties tijdens de controlevragen te verhogen. Mensen die gecoacht zijn in tegenmaatregelen, konden de betrouwbaarheid van de leugendetector beperken. De tegenmaatregelen waren fysiek, zoals het bijten van de tong, en cognitief, zoals dingen tellen. Als leugendetectors dus veel gebruikt blijven worden en mensen dit weten, zouden ze zich zo kunnen voorbereiden op een test dat de uitslag niet meer betrouwbaar is.

    Hoe kunnen signalen in leugendetectie zo goed mogelijk worden geïnterpreteerd?

    Waar het vaak fout gaat in de detectie van deceptie, is dat er verkeerde signalen worden geïnterpreteerd als signalen dat iemand liegt. Om te voorkomen dat hierdoor onschuldige mensen als leugenaars gezien worden, kan het goed zijn om de verkeerde signalen zo veel mogelijk in te perken en de correcte signalen te verduidelijken.

    Dit kan ten eerste door de cognitive load approach. Hierbij krijgen mensen tijdens het vertellen van hun verhaal een andere taak, zoals het moeten blijven aankijken van degene die hen ondervraagt. Omdat liegen meer van iemand vereist dan eerlijk zijn, kan het hierdoor duidelijker worden wanneer het iemand te veel wordt. Fouten die nu optreden in het verhaal, zijn duidelijkere indicaties dat iemand liegt. 

    Ten tweede is er de unanticipated questions approach. Leugenaars bereiden zich meestal zo goed mogelijk voor op een interview. Het gedrag wat iemand vertoont in vooraf geoefende beantwoording van de vragen, kan een misleidend beeld geven. Daarom is het goed om ook vragen te stellen die de ondervraagde niet verwacht kon hebben. Als zijn gedrag in het beantwoorden van die vragen erg verschilt dan van de rest van de vragen, kan dit een indicatie zijn van voorbereiding en dus leugens. 

    Ten derde is er de verifiability approach. Er zijn twee aannames die hierbij een rol spelen: leugenaars vertellen minder details maar zijn zich wel bewust van het feit dat ze details moeten vertellen en leugenaars vertellen liever geen details die gecontroleerd zouden kunnen worden. Deze twee dingen leiden tot een dilemma in leugenaars: wel details moeten vertellen om geloofwaardig over te komen maar geen details kunnen vertellen die controleerbaar zijn. De verifiability approach stelt dat leugens te zien kunnen zijn in het feit dat leugenaars veel meer niet-controleerbare details noemen dan anderen en veel minder tot geen controleerbare details.

    Welke nieuwe manieren van onderzoeken of iemand liegt zijn er?

    Er zijn vele manieren om de hersenen van mensen te scannen. Een van die manieren is fMRI. Deze methode laat de neurale activiteit zien tijdens cognitieve handelingen. De fMRI is ook enkele keren gebruikt om deceptie op te sporen. De bevindingen van het onderzoek toonden aan dat de neurale activiteit tijdens het liegen anders is dan tijdens het vertellen van de waarheid. fMRI laat een verhoogde activiteit in de prefrontale cortex (executieve functies, probleem oplossend) zien tijdens deceptie. Dit sluit weer aan bij het idee dat liegen cognitief meer vergt dan de waarheid vertellen. Er moet echter wel meer onderzoek komen naar fMRI en deceptie voordat het op grotere schaal toegepast kan worden.

    Een andere nieuwe techniek is het onderscheiden van echte en valse intenties. Dit bouwt voort op de techniek van de onverwachte vragen. Het gaat ervan uit dat leugenaars veel minder te zeggen hebben over de planningsfase omdat ze niet willen toegeven dat ze ooit iets gepland hebben. Mensen die de waarheid spreken, kunnen niet-belastende feiten vooraf aan een misdaad wel noemen. Leugenaars willen niks vertellen wat als aanleiding gezien kan worden tot de misdaad en bereiden dit dus ook niet voor. Op vragen zoals "waarom wilde je naar die plek toegaan" als de plek het plaats delict was, zal iemand die de waarheid vertelt veel meer details geven en minder gestrest zijn dan iemand die liegt. 

    Er worden ook meer en uitgebreidere trainingen gegeven in het detecteren van deceptie. Volgens een analyse van Frank en Feeley hebben die een zeer klein positief effect in de betrouwbaarheid van leugendetectie. Een analyse van Hauch, Sporer, Michael en Meissner laat zien dat dit positieve effect ligt in het aanwijzen van meer daadwerkelijke leugenaars en niet in het aanwijzen van meer daadwerkelijk eerlijke mensen. 

     

    Access: 
    Public
    Hoe werken daderprofilering en misdaadkoppeling? - Chapter 10

    Hoe werken daderprofilering en misdaadkoppeling? - Chapter 10

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Er is een relatief klein groepje mensen verantwoordelijk voor het merendeel van alle misdaden. Deze chronische misdadigers zijn ook grotendeels verantwoordelijk voor de meer serieuze vormen van misdaad. Sommige misdadigers worden als seriële misdadigers gezien, die twee of meer misdaden van hetzelfde type tegen verschillende slachtoffers op verschillende momenten plegen. DNA is een betrouwbare manier om een verdachte te identificeren, maar het wordt helaas niet altijd achtergelaten op de plaats delict. Het is daarom belangrijk dat er nog iets is waarmee politieagenten verder kunnen komen met het vinden van een verdachte. Het profileren van overtreders en misdaadkoppeling zijn twee psychologische procedures die zouden kunnen helpen bij het identificeren van daders.

    In dit chapter wordt uitgewerkt hoe misdaadkoppeling werkt en welke theorieën hierachter liggen. Ook wordt uitgelegd hoe misdaadkoppeling het beste werkt en hoe fouten voorkomen kunnen worden. Vervolgens wordt profilering op eenzelfde manier behandeld. Er zijn drie benaderingen die profilering kunnen sturen. Deze worden allemaal uitgewerkt. Vervolgens worden de aannames die achter misdaadkoppeling en profilering liggen,  behandeld. Hier wordt met een kritische houding naar gekeken. Er zijn immers veel onderzoeken die pleiten voor misdaadkoppeling en profilering, omdat hierdoor meer misdadigers gevonden worden. Maar er is ook veel kritiek op het gebruik van de procedures, omdat er vaak vooroordelen insluipen en het kan leiden tot meer onschuldige mensen die vals beschuldigd worden.

    Wat zijn misdaadkoppeling en profilering?

    Misdaadkoppeling is een vorm van gedragsanalyse die gebruikt wordt om de misdaden die door dezelfde persoon zijn begaan te identificeren door middel van hun gelijkenissen in gedrag en soms door de geografische of temporele nabijheid. Het profileren van misdadigers is het voorspellen van karakteristieken van de misdadiger aan de hand van de misdaad die gepleegd is. Ook kan het profileren gebruikt worden om de toekomstige dreiging van een misdadiger in te schatten of te vertellen aan agenten hoe ze een verdachte het beste kunnen interviewen. Daarom wordt er ook soms niet gesproken van profileerders, maar van gedrag onderzoekende adviseurs. Misdaadkoppeling en profilering worden het vaakst toegepast voor serieuze vormen van misdaad, zoals seriemoord en verkrachting. De meeste onderzoekers vinden dat profilering alleen toegepast moet worden bij gewelddadige misdaden, misdaden waarbij de overtreder zijn persoonlijkheid laat zien of waar er sprake zou kunnen zijn van psychopathologie. De afgelopen paar jaren zijn er ook onderzoekers bij die pleiten voor een breder gebruik van profileren (bijvoorbeeld bij overvallen).

    Hoe werkt misdaadkoppeling?

    Misdaadkoppeling wordt in veel landen gedaan door politiemedewerkers, zoals misdaadanalisten, officiers en academische psychologen. Het is gericht op het identificeren van misdaden die door dezelfde overtreder begaan worden. Meestal wordt deze analyse gelimiteerd tot een specifiek type van misdaad. Om zo goed mogelijk een misdaad te kunnen identificeren die door dezelfde overtreder wordt begaan, is het nodig voor overtreders om zich elke keer op dezelfde manier te gedragen wanneer ze een misdaad van een bepaald type plegen. Dit wordt de overtreder-consistentie hypothese (offender consistency hypothesis) genoemd. Natuurlijk is het vrij lastig om een misdaad op exact dezelfde manier te doen als de misdaad ervoor, omdat de omgeving anders is en de interpersoonlijke karakteristieken ook. Het is dus nodig dat overtreders relatief gezien consistent zijn en iets typerend hebben voor hun stijl. Als dieven hun overvallen op precies dezelfde manier zouden doen, dan zouden we de ene dief niet van de andere kunnen onderscheiden. Deze voorwaarde wordt behavioural distinctiveness of discriminatie genoemd. Sommige misdaadtypes, zoals verkrachters, zijn moeilijk om te vervolgen en de betrouwbaarheid van het slachtoffer speelt een grote rol in het vervolgen van de misdadiger. Als er door misdaadkoppeling een overtreder vervolgd kan worden voor een serie van overtredingen, dan krijgt elk slachtoffer meer geloofwaardigheid door de anderen.

    Voor misdaadkoppeling moet de plaats delict gedetailleerd bestudeerd worden en waar mogelijk moeten er ook ooggetuigen vertellen hoe de overtreder zich gedroeg. Vaak wordt er een misdaadkoppeling analist ingeschakeld als politieagenten veel overeenkomsten hebben aangetroffen bij misdaden en dus het idee hebben dat het door dezelfde persoon is uitgevoerd. Analisten kunnen ook ingeschakeld worden als er één erg serieuze misdaad is gepleegd waarvan politieagenten denken dat het door een seriemoordenaar is gedaan. Wanneer de analist denkt dat er twee of meer misdaden zijn begaan door dezelfde persoon, dan voert hij een gedetailleerde analyse uit van het gedrag dat getoond werd bij de verschillende plaats delicten. De analist probeert gedrag te identificeren dat bij beide plaatsen overeen kwam en het gedrag dat niet overeen kwam. Als er gedrag met elkaar overeen komt, dan moet de analist goed nadenken of dit gedrag bij alle overtreders voorkomt. De analist kan ook kijken naar de geografische locatie van de overtredingen en hoe dichtbij ze bij elkaar liggen. De geografische proximiteit van overtredingen wordt als een vrij betrouwbare indicator gezien om te bepalen of misdaden door dezelfde overtreder zijn begaan. Overtreders begaan hun misdaden in gebieden waar ze bekend mee zijn. In sommige landen heeft de politie een database waar overeenkomend gedrag, geografische locatie en de tijd/datum wanneer de misdaad gepleegd is opgeslagen is.

    Natuurlijk moet er heel goed uitgekeken worden bij het maken van misdaadkoppelingen. Psychologen willen dat analisten voorzichtig handelen. Ze moeten niet zomaar uitgaan van overeenkomsten in gedrag. Er moet gekeken worden naar de best passende theorie en het beste bewijs dat er op dat moment beschikbaar is. Het is belangrijk dat de principes die ten grondslag liggen aan misdaadkoppeling empirisch gesteund moeten worden. Moderne modellen van persoonlijkheid herkennen dat gedrag een product is van persoonlijkheid en de situatie. Psychologische kenmerken van een situatie activeren of remmen mentale representaties en dit produceert gedrag. Er wordt verondersteld dat situaties met dezelfde psychologische kenmerken hetzelfde gedrag zullen produceren omdat ze dezelfde mentale representaties activeren. Persoonlijkheidssystemen ontwikkelen zich met de tijd en vooral tijdens de kindertijd en adolescentie. Ze zijn uniek voor het individu wat de patronen en sterkte van associaties tussen mentale representaties betreft. Deze modellen voorspellen gedragsconsistenties, maar ook inter-individuele variaties van gedrag. Psychologen hebben deze soort modellen ook getest en ze hebben gevonden dat een persoon inderdaad hetzelfde gedrag vertoont in een soortgelijke situatie en dat verschillend gedrag geproduceerd wordt door verschillende mensen in dezelfde situatie. Er is echter nog niet heel veel onderzoek gedaan naar gedragsconsistentie van crimineel gedrag. Het onderzoek dat er gedaan is, wijst uit dat voor veel soorten crimineel gedrag er gedragsconsistentie optreedt bij dezelfde situaties. Sommige vormen van criminaliteit (zoals het stelen van goederen) kunnen volgens onderzoek het beste bestudeerd worden met geografische proximiteit. Het gebruik van geografische proximiteit wordt vaak als goed gezien, want de locatie van misdaden is objectief en minder open voor interpretatie vergeleken met het gedrag dat er tijdens de misdaad vertoond werd. Misdaadkoppeling kan dus effectief zijn als de goede indicatoren worden gebruikt.

    Hoe werkt het profileren van overtreders?

    Het profileren van overtreders is veel bekender dan misdaadkoppeling. Profileren van misdadigers komt in veel boeken voor en is ook vaak te zien in de media. Er bestaan veel sterke meningen over het profileren van overtreders en het is een uitdagende richting. Er is veel debat in de wetenschappelijke wereld over profileren. Zo vraagt men zich af of het als een kunst of als wetenschap gezien moet worden. Voor psychologen moet ons handelen gebaseerd zijn op bewijs en het is daarom belangrijk dat er empirisch onderzoek naar het profileren van overtreders is.

    De geschiedenis van het profileren gaat terug naar de 19de eeuw. Daar had Dr. Thomas Bond de politie zijn ideeën verteld over hoe Jack the Ripper er uit zou zien, wat hij zou dragen, zijn motivatie en zijn mentale staat (dit was in 1880). Maar het profileren werd pas bekend door de FBI. Het gebruik van het profileren van overtreders om politieonderzoek te helpen is door andere landen overgenomen. De mensen die zich bezighouden met het profileren hebben verschillende achtergronden, van forensische, klinische en academische psychologen, forensische en klinische psychiaters tot politie officieren. Deze mensen hebben allemaal als experts opgetreden tijdens rechtszaken. Ze kijken vooral naar de motivatie van een misdaad, of het gedrag overeenkomt met een bepaalde persoonlijkheidseigenschap en of er bewijs is voor het koppelen van meerdere misdaden. Met zo’n lange geschiedenis zou je verwachten dat het profileren van overtreders vaak wetenschappelijk onderzocht is. Toch is dit niet gedaan en de meeste artikelen die erover beschikbaar zijn, baseren hun conclusies niet op empirische feiten maar op rationele kennis. Empirisch onderzoek is nodig om het profileren als een legitieme studie te zien binnen psychologie.

    Wanneer mensen praten over het profileren van overtreders dan kunnen ze het hebben over drie verschillende scholen van profileren:

    • De criminele onderzoeksbenadering: dit wordt ook vaak wel de FBI benadering genoemd. Het profileren bij deze benadering wordt vaak mogelijk gemaakt door de kennis van de onderzoeker. Deze kennis heeft hij/zij vergaard door het blootgesteld te zijn aan veel misdaden en ervaring met crimineel onderzoek. De FBI heeft opgepakte moordenaars en verkrachters geïnterviewd en aan de hand hiervan konden ze een typologie van overtreders opstellen. Er moet zo veel mogelijk data vergaard worden over een misdaad en de misdaad wordt vervolgens geclassificeerd in een bepaald type. Er wordt daarna nagedacht hoe de misdaad ontwikkeld is en hoe het plaats heeft gevonden. Met behulp van de eigenschappen van de overtreder, de socio-economische status van de overtreder, persoonlijkheid, gewoontes en alle informatie over de misdaad wordt het profiel gegenereerd.

    • De klinische benadering: de klinische benadering is er niet om een zaak op te lossen, maar om ons inzicht te geven over zowel de zaak als de misdadiger. Onderzoekers van deze benadering gebruiken psychologische theorieën en hun ervaring met misdadigers. Ze werken namelijk vaak samen met cliënten in een forensische mentale gezondheidskliniek. Er kunnen voorspellingen over de persoonlijkheid van misdadigers gemaakt. De klinische onderzoeker moet proberen om te begrijpen wat er is gebeurd en de criminele activiteit als het ware reconstrueren. De klinische onderzoeker zal kijken naar emoties, verlangens, stemmingen en psychopathologie. Vervolgens zal hij een persoonlijkheidstheorie opstellen die de misdaad helpen uit te leggen.

    • De statistische benadering: deze benadering is gebaseerd op de multivariate analyse van gedrag en andere informatie die gevonden is op de plaats delicten wordt gebruikt om de eigenschappen van de overtreder te voorspellen. De eerste die deze benadering gebruikte was Canter en hij ziet profileren als een onderdeel van de psychologie. De statisticus zal statistische relaties tussen het gedrag op de plaats delict en de karakteristieken van de overtreden bekijken. Er zal gekeken worden in de database naar gelijksoortige zaken om voorspellingen te maken over de eigenschappen van de verdachte. De statistische benadering is onderzoeksgeoriënteerd.

    Misdaadkoppeling en het profilering van overtreders delen twee dingen met elkaar. Gedragsconsistentie is één van die dingen. Verder denkt profilering dat er een relatie is tussen de manier waarop iemand zich gedraagt op de plaats delict en de persoonlijkheid van de dader. Dit wordt ook wel de A(ctions) -> C(haracteristics) relatie genoemd. Dit stelt dat als er echt zo’n relatie bestaat, dat overtreders die op dezelfde manier handelen wanneer ze een misdaad begaan ze ook dezelfde eigenschappen hebben. Dit wordt de homologie assumptie genoemd. Er is echter niet veel steun gevonden voor de homologie assumptie. De schrijvers van dit boek menen dat er niet goed gekeken is naar de rol die situationele factoren spelen. Er moet een theoretisch raamwerk zijn dat uitlegt waarom we zouden verwachten dat bepaalde sociaal-demografische variabelen geassocieerd worden met bepaald gedrag tijdens een misdaad.

    Er is ook veel kritiek op de inhoud van de profielen van overtreders. Een onderzoek werd gedaan naar de profielen die gebruikt zijn in de Verenigde Staten en Europa en deze bevatten 880 rapportages over de karakteristieken van overtreders. Deze rapportages werden bekritiseerd omdat meer dan de helft van die karakteristieken niet geverifieerd konden worden na de uitspraak (zoals hoe de overtreder zich voelde tijdens de misdaad). Ook waren veel beweringen vaag en open voor interpretatie en ze legden niet uit hoe de analist tot een bepaalde conclusie/advies gekomen is. Alhoewel er niet veel bewijs is voor het profileren, wordt het toch vaak gebruikt. Veel agenten of criminologen die er ervaring mee hebben geven ook aan dat ze het zullen blijven gebruiken.

    Access: 
    Public
    Wat zijn de gevaren van huiselijk geweld en stalken en hoe kunnen die verkleind worden? - Chapter 11

    Wat zijn de gevaren van huiselijk geweld en stalken en hoe kunnen die verkleind worden? - Chapter 11

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Dit chapter richt zich op de misdaden van intiem partnergeweld en stalking. Dit zijn veelvoorkomende misdaden die vaak in de relationele sfeer plaatsvinden (jegens een partner of ex-partner). Eerst worden de beide termen uitgelegd en wordt beschreven hoe vaak de misdaden voorkomen. Daarna worden theorieën over intiem partnergeweld en stalking uitgelegd: het nested ecological model, de feministische theorie, de sociale leertheorie en de attachment theory. Uit deze theorieën volgt welke factoren het risico op de misdaden kan vergroten.

    Beide misdaden worden nog verdeeld in subtypes. Bij intiem partnergeweld worden de types bepaald door het soort dader: de algemeen gewelddadige/antisociale dader, de dysforische/borderline dader en de alleen-familiedader. Ook stalking kan worden opgedeeld aan de hand van wie de dader is en wat voor doelen deze heeft.

    Wat houden intiem partnergeweld en stalking in?

    Professionals kunnen alleen op een goede manier actie ondernemen bij intiem partner geweld, vaak huiselijk geweld genoemd, en stalken als er overeenstemming is over wat de termen inhouden.

    Wat is intiem partnergeweld?

    Intiem partnergeweld vindt plaats tussen een stel en het maakt niet uit wat hun etniciteit, sociale status, schoolniveau of geslacht is. Intiem partnergeweld kan fysieke, psychologische en seksuele agressie zijn. Ook het controlerende gedrag hoort bij intiem partnergeweld. Dit is het in de gaten houden van de ander door hem of haar te volgen, e-mails lezen of telefoongesprekken afluisteren. Onderzoek wijst uit dat controle gedrag voorafgaat aan agressie en dat veel mensen dit vervelender vinden dan psychologische agressie. Ook heeft onderzoek uitgewezen dat geweld kan plaatsvinden bij stellen die daten, stellen die vervreemd van elkaar zijn en stellen van hetzelfde geslacht. Intiem partnergeweld hoort dus niet bij een enkele subsectie van de populatie. Alle relatietypes kunnen intiem partnergeweld ervaren en ook alle geslachten. Zwaar en chronisch geweld komt maar bij een klein deel voor en er moet dus goed onderscheid gemaakt worden tussen agressie (handelingen die geen verwondingen opleveren) en geweld (handelingen die wel verwondingen opleveren).

    Wat is stalken?

    Stalken werd als term ingevoerd nadat er zaken in de media verschenen van enkele bekende mensen die lastig werden gevallen door iemand. Bij het woord stalken denken de meeste mensen aan iemand achtervolgen, maar dit is slechts een deel van het gedrag. Stalken is de roofzuchtige achtervolging van een persoon. Er kunnen veel gedragingen horen bij de term stalken, omdat de definitie wordt gehaald uit de perceptie van slachtoffers. Dit is de reden waarom er in verschillende boeken ook verschillende termen worden gebruikt. Er wordt wel vaak de nadruk gelegd op het woord ‘obsessief’ om stalken te definiëren. Het lijkt er op dat de herhaalde gedachten over het doelwit het stalkgedrag veroorzaken. Er zijn echter ook andere woorden die hetzelfde gedrag omvatten. Intimidatie wordt ook gebruikt om persistente, ongewilde gedrag dat angst kan veroorzaken uit te drukken.

    Vaak wordt de term erotomanie ook verkeerd gebruikt. Erotomanie is een psychiatrische stoornis waarbij de persoon waanideeën heeft dat een andere persoon (meestal met een hoge status) verliefd is op hen. De meeste mensen met erotomanie hebben ook andere psychiatrische aandoeningen en het is daarom niet duidelijk in hoeverre erotomanie leidt tot stalkgedrag. Er worden weinig stalkers gediagnosticeerd met erotomanie en weinig mensen met erotomania vertonen stalkgedrag en dit laat zien dat de stoornis niet echt relevant is voor stalkgedrag.

    Waar de verschillende definities van stalken het wel over eens zijn, is dat het slachtoffer angstig moet worden door het gedrag. Dit maakt stalkgedrag dus subjectief, want de ene persoon zou iets als bedreigend zien terwijl een andere persoon dat misschien niet zou doen. Als een persoon niet ziet dat hij of zij gestalkt wordt, dan gebeurt stalken eigenlijk niet. Onderzoek wijst uit dat er echter wel consistentie is onder mensen in de perceptie van stalken. De meeste mensen zien stalken als ongewenste en herhaalde acties gericht op een specifiek individu en die acties veroorzaken angst en zorgen.

    Hoe veel komen intiem partnergeweld en stalking voor?

    Uit onderzoek is gebleken dat intiem partnergeweld een internationaal, sociaal probleem van significante grootte is. De meeste vragenlijsten gebruiken nationale representatieve steekproeven, maar hun ontwerp wordt bepaald door vrouwelijke perspectieven. Dit zorgt er voor dat vooral vrouwen gevraagd worden en er kan hierdoor niet veel geleerd worden over de mannen die slachtoffer zijn van intiem partnergeweld. Ook heeft onderzoek uitgewezen dat mannen agressie in hun relatie niet als crimineel gedrag zien en ze zien hun ervaringen ook niet als gewelddadig. Dit kan ervoor zorgen dat mannen niet door hebben dat zij het slachtoffer zijn van intiem partnergeweld.

    Het onderzoek naar stalken wijst uit dat 23% van de vrouwen in Engeland en 15% van de mannen in Engeland wel eens gestalkt zijn in hun leven (sinds hun 16de). Van deze mensen werd het merendeel gestalkt door iemand die ze niet kenden. Vrouwen worden meer dan mannen gestalkt door een (ex)-intieme partner en mannen worden meer dan vrouwen gestalkt door een vreemdeling. Meer mannen dan vrouwen zijn stalkers. Er moet echter welk rekening gehouden worden met het feit dat mannen niet zo bereid zijn als vrouwen om toe te geven dat iemand ze achterna zit en angst opjaagt en ze zien niet altijd de mate van de bedreiging in en zullen het gedrag dus minder snel als stalken ervaren.

    Welke risicofactoren en theorieën zijn er over intiem partnergeweld en stalking?

    Er zijn vrij veel risicofactoren gevonden die betrokken zijn bij intiem partnergeweld en stalken. Deze factoren zijn geïdentificeerd door het vergelijken van de eigenschappen van de individuen die intiem partnergeweld of stalken vertonen met mensen die het niet vertonen. Volgens het nested ecological model worden risicofactoren geïdentificeerd door hun relatieve nabijheid tot het individu. Volgens dit model vinden risicofactoren op een van de vier levels plaats: macrosysteem (sociale en culturele invloed), mesosyteem (invloed van sociale groepen, zoals school), microsysteem (invloed van interpersoonlijke relaties) en ontogenetische systeem (individuele ontwikkeling/ interne invloeden).

    De feministische theorie heeft de meeste invloed gehad bij intiem partnergeweld, ondanks het feit dat er weinig empirisch bewijs is voor deze positie. Dit perspectief ziet intiem partnergeweld als iets wat mannen bij vrouwen doen omdat de sociale regels in onze samenleving menen dat mannen dominant zijn en vrouwen onderdanig horen te zijn. De feministen accepteren dat er vrouwen zijn die ook gewelddadig zijn tegen hun man, maar zij denken dat dit komt doordat vrouwen zichzelf willen beschermen of om wraak te nemen. Geweld tegen vrouwen wordt door feministen als speciaal gezien en niet gerelateerd aan andere vormen van geweld. Er is echter niet veel empirische steun voor deze theorie. Sterker nog, onderzoek heeft uitgewezen dat fysieke agressie bijna even vaak vertoond wordt door vrouwen als mannen. Vrouwen raken echter vaker gewond.

    De sociale leertheorie van Bandura wordt ook gebruikt om intiem partnergeweld uit te leggen. Volgens deze theorie wordt gewelddadig gedrag en gewelddadige overtuigingen geleerd tijdens de kindertijd door de directe ervaring of de observatie van dit gedrag door anderen, meestal de ouders. Gewelddadig gedrag tussen ouders dat geobserveerd is door de kinderen zal ervoor zorgen dat kinderen ook sneller geweld zullen gebruiken in intieme relaties. Dit staat ook wel bekend als de intergenerationele transmissie van geweld. Echter, ook deze theorie wordt niet ondersteund door empirisch bewijs.

    De attachment theory is een theorie die gericht is op het aangaan van relaties tijdens de kinderjaren en de implicaties die deze relaties hebben op relaties in het latere leven. Volgens deze theorie moeten kinderen een zekere aanhechting hebben met een verzorger en ze moeten zich veilig voelen bij deze persoon. Sommige onderzoekers denken dat intiem partnergeweld te maken heeft met een onzekere hechtingsstijl die ontwikkeld is tijdens de kindertijd. Dit wordt geassocieerd met verlatingsangst en woede. Sommige persoonlijkheidstrekken die samenhangen met onzekere aanhechting, komen ook overeen met trekken van intiem partnergeweld. Angstige attachmentstijl was gerelateerd aan angst, jaloezie en trauma. Mannen die intiem partnergeweld gebruiken, vertonen ook jaloezie en verlatingsangst. Veel vormen van attachment worden ook geassocieerd met stalken. Er is bewijs dat stalken geassocieerd is met angstige aanhechting en dit wordt gemedieerd door boosheid en jaloezie.

    Welke subtypes van intiem partnergeweld zijn er?

    Empirisch onderzoek heeft de aanwezigheid van verschillende types misdadigers aangetoond. Holtzworth-Munroe en Stuart hebben een typologie van intiem partnergeweld met subtypes opgesteld. Volgens deze onderzoekers zijn er drie types daders die het subtype van het intieme partnergeweld bepalen:

    • Algemeen gewelddadige/antisociale dader: Deze persoon heeft verschillende risico factoren die de kans om gewelddadig te reageren vergroten. Dit kan zowel binnen het gezin als erbuiten zijn. Deze personen zijn tijdens hun jeugd veel blootgesteld geweest aan geweld, hebben hoge impulsiviteit, zijn betrokken bij andere buiten de normale samenleving vallende personen, zijn narcistisch, gebruiken genotsmiddelen, hebben negatieve attitudes over vrouwen en hebben geen goede vaardigheden om conflicten op te lossen. Ze vertonen weinig empathie, psychologische stress, depressie en woede. Zij zullen het vaakst geweld vertonen in situaties waarin ze de controle proberen te behouden of te verkrijgen.

    • Dysforische/borderline dader: Deze persoon vertoont gematigd tot veel geweld aan gezinsleden. Ze zullen tijdens hun jeugd hoogstwaarschijnlijk enige vorm van geweld hebben meegemaakt. Ze vertonen van alle drie types het meeste stress, depressie en woede. Ze vertonen weinig tot matige levels van empathie, zijn vijandelijk tegen vrouwen, vertonen matige levels van impulsiviteit en vertonen weinig communicatievaardigheden. Ze vertonen karakteristieken van een borderline stoornis en angstige attachment. Ze zullen met woede reageren als ze zich afgewezen of verlaten voelen. Dreigementen over separatie kunnen resulteren in stalken of het lastig vallen om te proberen de intieme relatie te herstellen.

    • De alleen-familie dader: Deze dader is alleen gewelddadig tegen familieleden en handelt niet heel zwaar en frequent. Hij laat van alle drie types de minst criminele gedragingen zien. Hun geweld is waarschijnlijk het resultaat van een samenwerking van vele lage risico level factoren, zoals het blootgesteld zijn aan enige familiegeweld in de kindertijd, slechte communicatieve vaardigheden met de partner, lichte impulsiviteit, alcohol en drugsmisbruik en een afhankelijkheid van de partner.

    Welke subtypes van stalking zijn er?

    Stalken in intieme relaties valt in de dysforische/borderline subgroep. Maar er zijn ook specifieke subtypes van stalkers. Zo is er de stalker die denkt dat het slachtoffer smoorverliefd op hem of haar is. Het stalkgedrag wordt daarom gebruikt als gedrag om aandacht te trekken zodat het slachtoffer weet dat de stalker bestaat. Dit gedrag wordt vaak bij vrouwen gezien die mannen met een hoge status proberen te krijgen. Simpel obsessioneel stalken ontstaat normaal gesproken door een intieme relatie of met een kennis van werk. Motieven voor deze subgroep zijn het willen behouden of herstarten van een intieme relatie of voor het nemen van wraak. Liefde-obsessioneel stalken gebeurt wanneer het slachtoffer de stalker kent, maar geen intieme relatie met hem/haar heeft gehad.

    Er werken veel professionals (politieagenten, psychologen, advocaten en sociale werkers) mee om te achterhalen hoeveel risico iemand loopt op stalking door een ex-partner. Risicobeoordeling is belangrijk voor slachtoffers, maar ook voor daders. Als men weet hoeveel risico een dader met zich meebrengt, dan kunnen ze een goed behandelplan voor hem/haar opstellen. De validiteit en betrouwbaarheid van risico beoordeling is daarom belangrijk. Er zijn vele methoden gebruikt om risicobeoordeling te benaderen. De meeste risicobeoordeling tests zijn ontwikkeld aan de hand van studies die de agressie van mannen tegen vrouwen bestudeerd hebben (en geen agressie van vrouwen tegen mannen of agressie binnen homoseksuele relaties). Toch hebben al deze studies gekeken naar verschillende factoren in het leven van de dader of slachtoffer en hebben dus hun conclusies getrokken uit verschillende theoretische perspectieven in plaats van het vertrouwen op één perspectief. Dit zorgt er voor dat er een begrijpelijke en strakke risico beoordeling haalbaar is en dit is natuurlijk belangrijk voor het opstellen van een behandelplan.

    Access: 
    Public
    Wat kan de forensische psychologie vertellen over terrorisme? - Chapter 12

    Wat kan de forensische psychologie vertellen over terrorisme? - Chapter 12

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Dit chapter gaat over terrorisme. Er wordt uitgelegd wat terrorisme precies inhoudt en hoe we erover praten. Daarna wordt de psychologie achter terrorisme uitgelegd, voor zover mogelijk. Er is helaas zeer weinig goed onderzoek naar het onderwerp, dus veel is nog niet bewezen. Wel zijn er psychologische processen die kunnen bijdragen aan het worden van een terrorist en de keuze om te stoppen of juist betrokken te blijven bij terrorisme. Omdat radicalisatie tot terroristische misdaden kan leiden, wordt uitgelegd wat radicalisatie is, waarom het zich kan voordoen en welke factoren eraan bijdragen.

    Tenslotte wordt zelfmoordterrorisme uitgewerkt. Voor de suggesties hierover is al helemaal weinig bewijs, omdat niemand die succesvol een zelfmoordaanslag heeft gepleegd, het kan navertellen. Wat we weten over de psychologische achtergrond van zelfmoordterrorisme komt van onderzoek met gefaalde zelfmoordterroristen. Maar het feit dat het niet is gelukt en de gevolgen van de poging, kleuren het beeld dat iemand van zijn motieven had.

    Wat is terrorisme?

    Voordat we kunnen beginnen met het verband tussen terrorisme en forensische psychologie te leggen, moeten we weten wat terrorisme is. Zowel het woord ‘terrorisme’ als het woord ‘terrorist’ zijn termen die geen universele definitie hebben. Het zijn de sociale en culturele contexten die beïnvloeden wat iemand uit een bepaalde samenleving ziet als terrorisme. Ditzelfde is het geval met het woord ‘misdaad.’ Terrorisme is echter nog complexer. Terrorisme is een misdaad, maar heeft ook een politieke context en misdaad heeft dit niet. Daarnaast heeft het een meer denigrerend dan objectief beschrijvend label. Ondanks deze onzekerheden over wat terrorisme precies is, maakt terrorisme al lange tijd deel uit van de samenleving.

    Soms kan het verwarrend zijn om de activiteiten van een bepaalde staat als legitiem te zien en individuele activiteit (bewapende mannen die de staat uitdagen) als illegaal te zien. Dit bemoeilijkt ons begrip van terrorisme. Zoals eerder gezegd is er geen universele definitie voor terrorisme. Toch zijn de meeste samenlevingen het er over eens dat terrorisme voorbedacht, politiek gemotiveerd geweld tegen mensen die geen krijgers zijn door subnationale groepen of clandestiene agenten. Om iets als terrorisme te zien is het dus nodig om een politiek motief te hebben en het geweld moet gericht zijn op mensen die geen krijgers zijn. In Europa wordt terrorisme vanuit een civiele context benaderd, maar in Amerika wordt het meer vanuit een militair perspectief bekeken.

    Wat is de psychologie achter terrorisme?

    Forensische psychologie heeft een relatief kleine rol gespeeld bij de analyse van terrorisme. De meeste onderwerpen van forensische psychologie hebben een achtergrond met bewijs, maar de studie van terrorisme heeft niet veel substantief bewijs en heeft relatief gezien weinig psychologische analyse aangetrokken. Na de aanval op de Twin Towers is de academische studie van terrorisme uitgebreid, maar de meeste uitbreiding vond plaats bij politieke wetenschappen. Vroege psychologische studies naar terrorisme hebben zich gericht op waarom terroristen geweld vertonen. Deze verklaringen waren geraamd in termen van abnormaliteit, psychopathologie of individuele persoonlijkheidstrekken. Echter, de meeste visies zien deze benadering als onbehulpzaam en denken niet dat het bijdraagt aan ons begrip van terrorisme. Er is weinig bewijs voor mentale stoornissen of psychopathologie als een onderliggende factor voor terrorisme.

    De meeste huidige theorieën zien de significantie van leren en situationele contexten voor gedrag als factoren van de ontwikkeling van terrorisme. De sociale leertheorie van Bandura heeft een bijdrage geleverd aan dit idee. Deze benadering legt de nadruk op de rol van observatie in leren en de sociale context waarin leren kan plaatsvinden. Andere benaderingen hebben gekeken naar cognitieve theorieën, vooral theorieën van agressie en sociale cognitie. Sommige wetenschappers denken dat sociale cognities op terroristen slaan, omdat de acties van terroristen gebaseerd zijn op subjectieve interpretaties van de wereld en geen objectieve realiteit zijn. Percepties van politieke en sociale omgevingen zijn gefilterd door overtuigingen en houdingen die ervaring en geheugen reflecteren. Een implicatie van deze benadering is dat het suggereert dat de terrorist een soort bewuste keuze maakt om een terrorist te worden. Dit komt echter niet overeen met wat we weten over hoe terroristen te maken krijgen met terroristische activiteiten. Onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat terroristen zelden een bewuste keuze maken om een terrorist te worden. De meeste betrokkenheid bij terrorisme resulteert uit blootstelling en socialisaties richting extreem gedrag. Ook als er gekeken wordt naar de kenmerken van terroristen, dan zijn er weinig overeenkomsten en er is geen relatie met structurele factoren, zoals discriminatie of economische achterstand. Terroristen zelf geven vaak verschillende antwoorden over waarom ze betrokken zijn geraakt bij terrorisme en deze antwoorden relateren meer aan de context van de vraag dan aan de realiteit. Dit zorgt er voor dat het methodologisch moeilijk is om de reden voor terrorisme te begrijpen.

    Wat voor psychologische processen liggen er achter terrorist worden, blijven of juist stoppen met terroristische betrokkenheid?

    Wat wel naar voren komt uit interviews met terroristen is dat er een geleidelijke socialisatie naar terrorisme is en een bepaald gevoel van betrokkenheid door geleidelijke toenames in verplichtingen. Groepsfactoren kunnen ook een grote rol spelen bij de betrokkenheid. Het betrokken zijn bij terrorisme bestaat uit drie verschillende elementen: het betrokken raken bij terrorisme, het betrokken blijven bij terrorisme en het niet meer betrokken zijn bij terrorisme. Dit wordt ook wel het boogmodel van betrokkenheid bij terrorisme genoemd.

    De mensen die direct aan terroristische geweldactiviteiten deelnemen, zijn maar een paar mensen uit de hele terroristische beweging. Er staat een heel organisatorische structuur achter deze mensen. De IRA (Irish Republican Army) is een Ierse paramilitaire organisatie die door terroristische activiteiten een verenigd Ierland hoopt te bereiken. Deze organisatie had een complexe structuur en er waren mensen die over de logistiek gingen, anderen die over de financiën gingen en weer anderen die betrokken waren met onderzoek (naar het maken van bommen). Terroristische bewegingen kunnen gekenmerkt worden door het hebben van verschillende rollen en met verschillende soorten betrokkenheid. De zichtbare terrorist (die aanslagen pleegt) is maar een klein deel van een groter, ondersteunend geheel.

    Hoe raakt en blijft iemand betrokken bij terrorisme?

    De verschillende rollen binnen terroristische netwerken bieden onderzoekers een manier om te begrijpen hoe een individu betrokken kan raken bij een organisatie. Het worden van een terrorist is een geleidelijke progressie in bepaalde rollen. Het betrokken raken bij terrorisme is een dynamisch proces van veranderingen. Dit perspectief ziet het betrokken zijn bij terrorisme niet als een staat of conditie waarin iemand zich kan bevinden, maar als iets wat sommige leden van een beweging doen. Het is daarvoor belangrijk om te weten welke rollen terroristen kunnen aannemen. Dat is tegenwoordig wel moeilijk, omdat er zoveel nieuwe vormen van terrorisme bij zijn gekomen. Zo is er de globale Salafi jihad, georganiseerde misdaad terrorisme en internet terrorisme. Niet alle rollen zijn illegaal, maar na de aanval op de Twin Towers wordt al kleine betrokkenheid bij een terroristische organisatie als iets groots gezien. Tegenwoordig zijn er ook veel meer ‘lone wolf terrorists’. Dit zijn terroristen die een terroristische activiteit in hun eentje uitvoeren zonder lid te zijn van een formele terroristen groep (de verdachten van de Boston bombing aanslag). De meeste terroristen maken echter onderdeel uit van een grote groep en het lijkt er op dat groepsfactoren gedrag kunnen beïnvloeden. Deze factoren kunnen leden verleiden om bij een groep te horen en hun betrokkenheid vergroten. Extreme conformiteit en strikte gehoorzaamheid zijn kwaliteiten die de effectiviteit en het behouden van een geheim vergroten. Illegaliteit is een grote factor die ervoor zorgt dat er controle en conformiteit blijft en samen met een gevoel van eenheid en een duidelijke vijand de groepscohesie faciliteert. Er zijn ook andere groepsfactoren, zoals conformiteit aan sociale normen, identificatie en de diffusie van verantwoordelijkheid (in een groep denken mensen dat ze minder verantwoordelijk zijn voor hun daden) die een grote rol spelen bij terroristisch gedrag.

    De schuld geven aan slachtoffers en de slachtoffers als niet menselijk zien zijn ook processen waarmee terroristisch gedrag begrepen kunnen worden. Volgens Post zijn er twee soorten terroristische groepen en zij verschillen in de relatie die ze met de omgeving hebben. De anarchistische-ideologie groep is een kleine groep die het huidige politieke en sociale regime om wil gooien uit ideologische redenen. De leden van deze groepen raken vervreemd van hun familieleden en gemeenschap. De nationalistische-separatistische groep heeft leden die niet vervreemd zijn geraakt van hun familieleden en ze beweren de interesses van de gemeenschap te representeren. Veel radicale islamitische groepen en de IRA behoren tot deze tweede groep. Veel samenlevingen zien de leden van deze groep die de interesses van de gemeenschap proberen te behouden als helden. De leden van de Hamas worden door de Palestijnen als helden gezien. Hierdoor kunnen de leden hun acties meer rechtvaardigen. Het lid worden van een terroristische groep kan de sociale positie van een persoon en zijn familie vergroten. Nieuwelingen zullen bij sommige groepen ook met veel respect behandeld worden.

    Wanneer treedt radicalisatie op?

    Radicalisatie is een term die vaak gebruikt wordt bij terrorisme. Radicalisatie kan gezien worden als de blootstelling aan en sympathie voor radicale ideologieën. Het woord wordt vaker gebruikt, vooral in de media. Uit onderzoek is gebleken dat mensen vier verhalen vertellen wanneer ze hun radicalisatie proberen te verantwoorden:

    1. Verhalen met een politiek thema; de terroristische daden zijn nodig tegen oneerlijke distributie van middelen, machtsmisbruik of aanvallen.

    2. Verhalen met een moreel thema; de terroristische daden zijn nodig om de eigen normen en waarden te beschermen en normen en waarden die hier afbreuk aan doen tegen te gaan.

    3. Verhalen met een religieus thema; de terroristische daden zijn nodig om goed te zijn voor God.

    4. Verhalen met een sociaal-psychologisch thema; de terroristische daden zijn nodig om het goede "wij" te beschermen tegen het slechte "zij".

    Het zijn niet alleen deze verhalen die voor gewelddadige radicalisatie zorgen, maar ook de persoonlijke, situationele en organisatorische factoren spelen allemaal een rol hierin. Onderzoek heeft wel enkele factoren gevonden die bijdragen aan radicalisatie. Deze factoren relateren echter wel aan een islamitische context:

    • Ideologie: de factoren die significant zijn voor islamitische ideologieën en het radicaliseren zijn onder andere jihadisme (een heilige oorlog), een nadruk leggen op martelaars en de dehumanisering van de vijand.

    • Sociale context: een identificatie met een sterke groep is heel belangrijk. Leden moeten zich verbonden voelen met en gesteund voelen door de groep.

    • Leiderschap: de betrokkenheid van charismatische leiders van een groep is van belang. Teruggekeerde jihadisten spelen een belangrijke rol als inspirerende leden.

    • Situationele en persoonlijke context: recent onderzoek wijst uit dat een sterk transformerende gebeurtenis belangrijk kan zijn als onderdeel van de weg naar radicalisatie, maar niet zozeer naar geweld. Gerelateerd hieraan is het feit dat een individu boos is vanwege een gebeurtenis en wraak wil nemen.

    Het is belangrijk om nog een keer te benadrukken dat al deze factoren afzonderlijk geen voorspellende waarde hebben en dus niet kunnen voorspellen waarom mensen terroristen worden. Wanneer deze factoren echter allemaal samen worden genomen, dan hebben ze wel een hoge voorspellende waarde. De betrokkenheid bij terrorisme is een geleidelijk proces. Het is heel lastig om de geheimen van zo’n hechte groep te ontrafelen en we leren het meest door naar de levensverhalen van terroristen te luisteren. Echter, deze verhalen worden vanuit het perspectief van de dader verteld en hij/zij zal hoogstwaarschijnlijk zijn/haar acties proberen te rechtvaardigen. Ze vertellen ons misschien niet wat er echt is gebeurd. Uitgaande van de verhalen beginnen terroristen eerst wel met wat onbelangrijkere taken en krijgen ze steeds meer en meer te doen. Op een gegeven moment mogen ze een actieve taak vervullen en dan voelen ze zich echt lid van de groep. Hierdoor zal hun betrokkenheid ook groter worden. Over het weggaan uit een terroristische groep is niet veel bekend. Onderzoek kan hierover nog weinig zeggen.

    Wat kunnen we weten over de psychologie achter zelfmoordterrorisme?

    Het is natuurlijk moeilijk om zelfmoordterrorisme te bestuderen, aangezien de mensen die dit uitgevoerd hebben, dood zijn. Merari heeft een artikel gepubliceerd dat waarschijnlijk de meeste informatie bevat over zelfmoord terrorisme. Merari had toegang tot gefaalde zelfmoordterroristen en wervers van zelfmoordterroristen gehad. Hij heeft deze mensen geïnterviewd en ze psychologietests laten afleggen. Ook gebruikte hij niet-zelfmoord terroristen als controlegroep. Vergeleken met de niet-zelfmoord terroristen waren er meer zelfmoordterroristen die hun middelbare school af hebben gemaakt. Ook kwamen zelfmoordterroristen vaker van lagere socio-economische achtergronden, waren religieuzer en hadden vaker ervaring met gewelddadige activiteiten. De wervers waren vaak ouder dan de zelfmoordterroristen. Zelfmoordterroristen waren vaker ook depressiever dan de controlegroep. Niet alle onderzoekers ondersteunen dit, omdat zij denken dat het opgepakt worden ook een invloed heeft op hoe het individu terugkijkt op de gebeurtenis. Er kan verder onderscheid gemaakt worden tussen politieke zelfmoord en zelfmoordterrorisme. Zelfmoordterrorisme neemt niet-krijgers mee de dood in. Politieke zelfmoord wordt vanwege een politiek standpunt uitgevoerd en neemt geen andere slachtoffers mee. Politieke zelfmoord gebeurt vrij vaak; uit onderzoek blijkt dat het twee keer per week voorkomt.

    Access: 
    Public
    Hoe verlopen juridische strafprocessen? - Chapter 13

    Hoe verlopen juridische strafprocessen? - Chapter 13

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In dit chapter wordt uitgelegd hoe een juridisch strafproces verloopt. Eerst worden verschillende procesvormen geschetst: het accusatoire en inquisitoire proces. Dan wordt duidelijk gemaakt wat de rol is van de rechter en van de jury. De verschillen tussen een strafproces en een burgerlijk proces worden ook opgenoemd om een duidelijker beeld van het strafproces te krijgen.

    De psychologische achtergrond van een strafproces wordt laten zien. Hierbij wordt ingegaan op wat er verkeerd kan gaan als juryleden die geen juridische achtergrond hebben, over iemands schuld of onschuld bepalen. Ook rechters kunnen fouten maken, dus deze worden niet over het hoofd gezien. Mensen laten zich nou eenmaal snel leiden door bijvoorbeeld vooroordelen of suggesties. Dit chapter hoopt mensen hier bewust van te maken en mogelijke oplossingen voor verkeerde beslissingen aan te dragen.

    Hoe kan het strafproces eruit zien?

    De twee belangrijkste procesvormen van het Westen zijn het accusatoir en inquisitoir proces. Het accusatoir proces is gebaseerd op de principes van de algemene wetten die in Engeland ontstonden en nu in veel Westerse landen overgenomen zijn. Het accusatoir proces is een gestructureerd proces waarbij een dispuut tussen twee groepen door de rechtbank (jury, rechter of magistraat) wordt bepaald. In Engeland zijn juryleden niet betrokken bij het onderzoek naar de zaken, maar ze kunnen wel bepalen wat er gepresenteerd kan worden als bewijs. Juryleden kijken als het ware naar de eerlijkheid van de zaak, niet naar de uitkomst. De juryleden of rechters spelen volgens dit model een passieve rol. In andere landen spelen juryleden wel een grotere rol en zij kunnen de uitspraak bepalen. Serieuzere criminele zaken worden dan bepaald door juryleden die geen training hebben gehad in rechten. Hierop is veel kritiek. In veel Europese landen wordt daarom een meer inquisitoir proces gebruikt. Hierbij moeten juryleden achter de waarheid komen door hun eigen onderzoek. Voordat de rechtszaak begint moet er een onderzoek in worden gesteld. Zo moeten de getuigen geïnterviewd worden en de zaak van de verdediging moet bestudeerd worden. Of de zaak verder komt of niet wordt bepaald door de rechter.

    De grootste verschillen tussen het inquisitoire en accusatoire proces zijn wanneer en hoe het bewijs gepresenteerd wordt en de rol van de rechter: passief in het accusatoir proces en een leiderschapsrol in het inquisitoir proces. In een inquisitoir proces is de verdachte geen gelijkwaardige procespartij, maar onderwerp van het onderzoek. In een accusatoir proces heeft de verdachte gelijke rechten en bevoegdheden als de aanklager. In een inquisitoir proces gaat de rechter actief op zoek naar informatie en in een accusatoir proces laat hij de procespartijen de informatie aandragen en interpreteert hij deze alleen. In realiteit is geen enkel systeem alleen accusatoir of inquisitoir. In recente jaren hebben sommige accusatoire processen elementen van een inquisitoir proces ingevoerd. Nederlandse processen worden gezien als accusatoir met steeds meer inquisitoire elementen, vaak gematigd accusatoir genoemd.

    Wat is het verschil tussen een strafproces en een civiel proces?

    Zowel het accusatoir proces als het inquisitoir proces maken een onderscheid tussen strafrecht en civiel recht. Deze twee processen verschillen van elkaar in onder andere regels over het bewijs. Bij civiel recht staan burgers tegenover elkaar en strafrecht gaat over individuen die iets hebben gedaan tegen de Staat, in Nederland vertegenwoordigd door het Openbaar Ministerie. In Engeland is het civiele recht gebaseerd op de balans van kans. Als er gedacht wordt dat iets waarschijnlijker wel is gebeurd dan niet, dan zal het waarschijnlijk wel gebeurd zijn. Bij strafrecht moet er zorgvuldiger omgegaan worden met het bewijs. Men mag na het presenteren van het bewijs niet echt veel twijfelen aan iemands onschuld of schuld. In de meeste Westerse landen geldt de onschuldpresumptie: onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Toch kan er wetenschappelijk vaak niet met zekerheid gezegd worden of iemand schuldig is. In civiel recht worden meestal zaken over persoonlijk materiaal bevochten, bij strafrecht gaat het om iemands schuld of onschuld.

    In Engeland en Wales worden de meeste strafzaken in zogenaamde magistrates’ courts gehoord. De minst serieuze delicten worden voor een magistrates’ court gehouden en zelfs de serieuze vergrijpen komen eerst voor een magistrates’ court en gaan vervolgens naar een crown court. Deze twee verschillende systemen hebben een ander dynamiek en de meeste mensen denken dat iemand eerder vrijgesproken wordt door een crown court dan door een magistrates’ court. 90% van de verdachten zegt schuldig te zijn bij een magistrates’ court, in tegenstelling tot 70% bij een crown court. Bij magistrates’ court krijgen alle leden alle stukjes bewijs te horen en kiezen welk bewijs gebruikt zal worden of niet. Of het bewijs nou wel of niet gebruikt mag worden maakt niet zo veel uit. De mensen hebben het al gehoord en hun beslissingen zullen onbewust ook wel het gevolg zijn van de bewijsstukken die niet gebruikt mochten worden. Bij crown courts beslist een rechter welk bewijs naar voren gebracht worden en wat niet. Bij crown courts komt er daardoor ook minder vooroordeel voor.

    Wat kan er fout gaan bij de beslissingen over schuld van juryleden? 

    Dit boek is geschreven door Engelse auteurs en kijkt vooral naar hoe het gaat in het Verenigd Koninkrijk. Wees ervan bewust dat het volgende stuk dus geldt voor rechtssystemen met een volksjury en dat dit ook meteen is waarom onder andere Nederlandse juristen vaak kritiek hebben op een dergelijk systeem waarbij niet-juristen belangrijke beslissingen nemen in het strafproces. Rechters zijn opgeleid om, tot op zekere hoogte, zonder vooroordelen te kijken naar verdachten, juryleden niet.

    Onderzoek heeft uitgewezen dat de aantrekkelijkheid van een verdachte een invloed heeft op de uitspraak. Als een verdachte als aantrekkelijk wordt gezien, dan zal hij/zij eerder onschuldig bevonden worden. De verdachten die schuldig zijn bevonden en aantrekkelijk zijn, zullen minder zware straffen krijgen dan verdachten die dezelfde soort vergrijp hebben gepleegd maar minder aantrekkelijk zijn. Dit wordt ook wel het ‘halo effect’ genoemd en het stelt dat het oordeel over aantrekkelijke mensen meer positief is dan het oordeel over onaantrekkelijke mensen. Dit effect is niet alleen te zien in het strafrecht, maar bijvoorbeeld ook bij sollicitaties waar knappe mensen sneller worden aangenomen en op scholen waar knappe kinderen hogere cijfers krijgen. 

    Een onderzoek heeft echter wel aangetoond dat andere factoren dit effect weer teniet kunnen doen, zoals etnische achtergrond, sterkte van bewijs en type misdaad. Bij een gewelddadige verkrachting zal het vooroordeel negatief zijn, ook al is nog niet zeker of de verdachte die verkrachting wel of niet heeft gepleegd. Racisme is ook nog altijd een groot probleem. Dat sterkte van bewijs meespeelt klinkt goed, maar hierbij moet ook in acht genomen worden dat hoe sterk bewijs klinkt meespeelt. Een meer bedreven jurist in de retorica kan een jury makkelijker meekrijgen in zijn verhaal dan iemand anders.  

    Er zijn ook andere karakteristieken die ervoor zorgen dat iemand minder snel als schuldig bevonden zal worden. Dit zijn onder andere verdriet en een zichtbare handicap. Mensen die eerder veroordeeld waren en een lagere moraal karakter hebben, zullen juist eerder schuldig bevonden worden. Dit heeft te maken met de gunfactor die iemand heeft; mensen zijn geneigd om voor de 'underdog' te kiezen.

    De soorten vragenstijlen die gebruikt zijn tijdens het verhoren van getuigen kunnen de manieren waarop juryleden geloofwaardigheid zien beïnvloeden. Wanneer er moeilijke woorden zijn gebruikt tijdens het verhoren van getuigen, worden de getuigen als minder betrouwbaar gezien. Ook heeft onderzoek uitgewezen dat juryleden een getuige die er zelfverzekerd uitziet eerder geloven. Er bestaat echter geen verband tussen iemands zelfvertrouwen en zijn/haar accuraatheid: een zelfverzekerde persoon kan ook liegen of minder accuraat zijn dan een persoon met weinig zelfvertrouwen. Een ander onderzoek heeft aangetoond dat, ongeacht de vraagstijl, wie als meest betrouwbaar overkomt wordt bepaald door wanneer zijn getuigenis gepresenteerd wordt: mensen geloven over het algemeen het eerste verhaal dat ze horen. Als dit dus het verhaal van de verdachte is, lijkt hij betrouwbaarder dan als ze eerst de beschuldiging horen. 

    Elke getuige moet onderzocht worden door alle partijen die betrokken zijn. Wanneer getuigen verhoord mogen worden, dan zal de tegenpartij er alles aan proberen te doen om de getuige als niet betrouwbaar over te laten komen. Ze kunnen hierbij gebruik maken van leidende vragen. Leidende vragen zijn vragen die op zo’n manier verwoord zijn, dat ze het antwoord waar naar gezocht wordt suggereren. Verhoorders mogen vragen die onwaarheden bevatten gebruiken. Zo kan er meer informatie verkregen worden en kan informatie waarover getwijfeld wordt geverifieerd worden. Leidende vragen hebben vaak gelimiteerde mogelijke antwoorden. Verhoorders proberen zo de keuzes te forceren en hopen dat getuigen hun naar de mond praten. Onderzoek heeft uitgewezen dat leidende vragen er voor kunnen zorgen dat getuigen minder accuraat lijken (terwijl de getuigen wel de waarheid spreken). De snelheid waarmee een verhoorder praat kan de getuigen intimideren en verwarren. Een uitgebreide voorbereiding van de getuigen zorgt er voor dat ze meer accuraat lijken en minder fouten maken met complexe vragen.

    Het publiek kan over bepaalde zaken veel te horen krijgen via de media. Veel mensen maken zich daarom ook druk over de toegang van juryleden tot het internet tijdens zaken. Juryleden kunnen bepaalde dingen lezen die niet waar of niet relevant zijn en hierdoor beïnvloed worden. Een jurylid kan niet weten of informatie accuraat is of niet, maar onderzoek heeft uitgewezen dat mensen eerder geloven dat iemand schuldig is als hij/zij ook door de media als schuldig wordt afgeschilderd. Juryleden kunnen tegenwoordig blootgesteld worden aan vreselijke beelden en onderzoek heeft uitgewezen dat juist beelden een sterk effect hadden op juryleden. Het wapen of de verwondingen van het slachtoffer te zien krijgen, zorgt er ook voor dat sneller van de schuld van de verdachte wordt uitgegaan. Ook is uitgewezen dat er een toename van schuldig-bevindingen is wanneer juryleden blootgesteld zijn aan negatieve publiciteit voordat een rechtszaak begint. Een reden voor dit vooroordeel is de informationele sociale invloed. Wij mensen hebben de neiging om te conformeren aan bepaalde informatiebronnen omdat we denken dat de interpretaties van anderen accurater zijn dan onze eigen interpretaties. Ook heeft onderzoek uitgewezen dat emotionele opwinding voor meer schuldig-bevindingen zorgt. Daarnaast hebben legale instructies soms een averechts effect op juryleden. Juryleden kunnen gevraagd worden om bepaalde informatie niet mee te rekenen bij hun uitspraak, maar zullen het hierdoor misschien juist doen (omdat die informatie geactiveerd is in hun hersens, "niet denken aan de roze olifant").

    Wat kan er fout gaan als rechters beslissingen over schuld nemen?

    Bij civiele zaken in Engeland en bij inquisitoire processen op het vasteland in Europa nemen rechters en geen juryleden de beslissingen. Rechters proberen onbevooroordeeld te zijn en baseren hun uitspraak op het bewijs en het recht in dat land. Onderzoek wijst echter uit dat dat niet altijd het geval is. Rechters kunnen beïnvloed worden door zogenaamde anchors. Dit zijn algemene uitspraken waarvan men denkt dat ze waar zijn. Deze assumpties kunnen stereotypes zijn. Een voorbeeld hiervan is dat drugsdealers ook altijd dieven zijn. Zulke anchors zijn impliciet. Anchors ondersteunen bepaalde ideeën en komen tot stand door impressies uit de wereld, maar ze zijn niet per se correct. Een anchor binnen onze Nederlandse regelgeving is dat politieagenten nooit liegen wat werk betreft. Dit suggereert dat een bewering van een politieagent al genoeg bewijs is tijdens een rechtszaak. Ook de geloofwaardigheid van een bewering heeft invloed op de uitspraak. Zelfs groepjes bestaande uit rechters of magistraten kunnen vertekende beslissingen nemen. Zo willen groepsleden vaak aan elkaar conformeren en zullen ze het met elkaar eens zijn over de schuld of onschuld van een persoon.

     

    Hoe nemen juryleden precies beslissingen?

    In Engeland kunnen psychologen niet direct zien hoe juryleden tot een beslissing komen, want het is verboden voor andere mensen om in de jurykamer te zitten. De gegevens die psychologen weten te verkrijgen zijn geen directe observaties en er wordt vaak gedebatteerd of deze gegevens wel valide zijn. De meeste onderzoekers zijn bezorgd over het feit dat er studenten worden gebruikt bij experimentele studies en dat de studenten dus samenvattingen lezen over de zaken en niet aanwezig zijn bij een echte rechtszaak. Ook weten de studenten dat hun uitspraken en meningen geen ernstige consequenties hebben, zij hebben het leven van een persoon niet in handen. Hypothetische beslissingen zijn anders dan echte beslissingen. De studenten weten dat de toekomst van een persoon niet echt in hun handen is en hun uitspraken zullen daarom misschien minder weloverwogen zijn. Onderzoek heeft verder uitgewezen dat er meer mannen dan vrouwen in de jury zitten en dat er weinig mensen van kleur in de jury zitten. Vrouwen en etnische minderheden worden geminimaliseerd in jury’s. Het systeem waarmee bepaalde mensen opgeroepen kunnen worden of geëxcuseerd worden voor juryplicht kan een invloed hebben op de representativiteit.

    Een van de belangrijkste factoren die invloed heeft op de beslissingen van juryleden is het bewijs. Vrouwen zijn ook meer geneigd om iemand schuldig te bevinden door indirect bewijs. De eerste en laatste oordeelvellingen van mannen zijn gelijk, die van vrouwen veranderen echter. Vrouwen kunnen iemand dus eerst als schuldig zien en aan het einde van een rechtsproces niet meer (of andersom). Dit suggereert dat vrouwen meer open staan voor overtuigingen of nog een keer nadenken over de feiten. Ook heeft onderzoek uitgewezen dat witte mensen een groter percentage donkergekleurde mensen schuldig bevinden dan witte of Aziatische verdachten. Daarnaast stellen mannen hogere straffen op dan vrouwen, vooral als het slachtoffer een aantrekkelijke vrouw was. Onderzoek heeft uitgewezen dat moeilijke woorden er voor kunnen zorgen dat juryleden niet meer zo zeker zijn van hun ideeën over schuld en onschuldig. Te veel informatie en moeilijke informatie kunnen voor een hoge cognitieve lading zorgen en hierdoor zullen juryleden door de war raken en de meest logische uitkomst zoeken. Groepsdiscussie zorgt er voor dat de mening van de meerderheid van de groep overgenomen wordt. Dit kan gevaarlijk zijn, want het kan polarisatie veroorzaken. Dat betekent dat een groep extremere beslissingen maakt.

    Al met al kan er gezegd worden dat de publiciteit voor een rechtszaak geminimaliseerd moet worden. Juryleden mogen eigenlijk niet dingen lezen op het internet over de verdachte. Zowel de juryleden als rechters moeten in de gaten houden dat er een vooroordeel kan optreden bij het verwerken van de informatie. Het is lastig om uit te vinden hoe juryleden nou echt tot een conclusie komen, omdat psychologen niet bij het beslissingsproces mogen zijn. De aanwezigheid van psychologen zou de beslissingen kunnen beïnvloeden. Zelfs als er camera’s geplaatst zouden worden in de kamer waar de juryleden zitten, zouden ze misschien niet reageren hoe ze zonder camera’s gereageerd zouden hebben. In de toekomst zal er een manier gevonden moeten worden om het daadwerkelijke beslissingsproces van juryleden te onderzoeken.

    Access: 
    Public
    Hoe kunnen kwetsbare getuigen beschermd worden tijdens het strafproces? - Chapter 14

    Hoe kunnen kwetsbare getuigen beschermd worden tijdens het strafproces? - Chapter 14

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Het is eerder al gegaan over hoe er rekening gehouden kan worden met (kwetsbare) getuigen voor wat betreft het verhaal dat ze zich moeten herinneren. Het is nogal een verschil of dit verhaal verteld moet worden in een een-op-een situatie of in een rechtszaal, waar nog meer mensen met autoriteit zitten en vaak ook degene die terechtstaat, waarvan de getuige slachtoffer van kan zijn. Daarom gaat dit chapter in op de bescherming van kwetsbare getuigen tijdens het strafproces.

    Deze bescherming wordt safeguarding genoemd. Safeguarding is het beschermen van het individu tegen (meer) trauma. Omdat een strafproces, ook voor de getuigen, zeer stressvol kan zijn en eerder trauma moet worden opgerakeld, is het heel belangrijk om een veilige omgeving voor getuigen te verzorgen.

    In dit chapter worden de angsten en percepties van getuigen die een invloed hebben op hun gevoel van veiligheid, uitgewerkt. Voor kinderen zijn er nog meer stressfactoren. Daarna wordt uitgelegd hoe getuigen goed op een strafproces kunnen worden voorbereid en er tijdens het proces in kunnen worden begeleid. Ook opgenomen getuigenissen worden behandeld, omdat deze een groot deel van de stress kunnen wegnemen. Tenslotte wordt aangehaald wat er aan kritiek kan zijn op de getuigenbescherming.

    Wat is safeguarding van getuigen?

    De emoties, belangen en het welzijn van getuigen moeten beschermd worden. Hierbij mogen de rechten van de verdachte niet gecomprimeerd worden. Safeguarding is een proces waarbij individuen beschermd worden tegen nog meer achteruitgang in hun gezondheid en ontwikkeling. Hierbij wordt geprobeerd om iemand te helpen bij het verwerken van trauma en dit zeker niet groter te maken. Als iemand als getuige moet optreden in een strafzaak, is dit soms lastig: er wordt van iemand verwacht dat hij de traumatische gebeurtenis weer oprakelt. Een getuige kan kwetsbaar zijn door diens leeftijd, onmacht of omstandigheden. De leden van de volgende groepen kunnen als kwetsbaar worden gezien: kinderen, ouderen, gehandicapte mensen, mensen met leerproblemen, slachtoffers van seksueel misbruik, geïntimideerde getuigen en getuigen met mentale gezondheidsproblemen. Safeguarding in de rechtszaal betekent dat getuigen geen of zo weinig mogelijk stress ervaren door het getuigen. Daarnaast moeten de omstandigheden van het presenteren van bewijs tijdens een rechtszaak zo effectief mogelijk gemaakt worden voor kwetsbare getuigen. Tenslotte moet er ook gedacht worden aan de implicaties van de ervaringen tijdens een rechtszaak. Getuigen moeten geen problemen ondervinden in hun verdere leven door het getuigen.

    Welke angsten en percepties kunnen getuigen hebben voor en tijdens strafzaken?

    Het is belangrijk dat de angsten van getuigen om naar een rechtszaak te gaan besproken worden. Als een getuige denkt dat hij/zij niet geloofd zal worden of niet eerlijk behandeld zal worden, dan kan hij/zij besluiten om helemaal niet meer te getuigen. Onderzoek heeft aangetoond dat vrij veel zaken van kwetsbare getuigen niet volbracht worden. Veel getuigen haken af tijdens het rechtsproces en veel haken af voordat ze hun bewijs/getuigenis gepresenteerd hebben tijdens een rechtszaak. Studies hebben aangetoond dat getuigen zich schuldig voelen, verantwoordelijk voelen, geïntimideerd voelen en zich schamen en daarom afzien van het getuigen. Familieleden kunnen bewust of onbewust ook druk uitoefenen op de getuige om de getuigenis in te trekken. Kennissen van de verdachte kunnen daarnaast ook de getuige intimideren om zijn/haar getuigenis in te trekken. Intimidatie lijkt een groot probleem te zijn bij kwetsbare getuigen. Onderzoek heeft uitgewezen dat 53% enige vorm van intimidatie heeft ervaren vlak voor de rechtszaak en dat de intimidatie voornamelijk kwam van de verdachte en de familieleden van de verdachte. Er zijn veel getuigen die angsten hebben over het geven van hun getuigenis, maar niet alle getuigen ervaren daadwerkelijk angst tijdens de rechtszaak. Veel kwetsbare getuigen hebben het proces echter wel moeilijk gevonden.

    Er zijn enkele factoren die invloed hebben op kwetsbare getuigen. Zo zijn er de cognitieve, ontwikkelings- en socio-emotionele factoren waar al over is gesproken in een eerder chapter (7). Sommige kwetsbare getuigen kunnen problemen hebben met het geheugen. Zo kunnen moeilijk gestelde vragen ervoor zorgen dat er misinformatie opgehaald wordt uit het geheugen. Ook kunnen negatieve emoties ervoor zorgen dat het wat langer duurt om herinneringen op te halen. Andere kwetsbare getuigen kunnen beïnvloed worden door taalfactoren. Sommigen zijn niet goed in het communiceren en zullen hun ervaring minder goed kunnen verwoorden. Hierdoor zouden ze als minder betrouwbaar over kunnen komen. Anderen hebben geen goed ontwikkeld vocabulaire en ze begrijpen niet alle vragen die gesteld worden. Dit kan er ook voor zorgen dat een getuige als minder betrouwbaar wordt gezien. In een eerder chapter is ook besproken dat kinderen en andere kwetsbare volwassenen soms een antwoord willen geven dat autoritaire figuren graag willen horen.

    Wat zijn mogelijke stressfactoren voor kinderen?

    Naast al deze factoren zijn er ook stressfactoren die een invloed kunnen hebben op getuigen, voornamelijk op kinderen. Spencer en Flin hebben een model ontworpen waarin alle stressfactoren die invloed kunnen hebben op een kind getuige. Zo kan de misdaad zelf voor een posttraumatische stressstoornis zorgen. De herhaalde interviews, weinig kennis hebben, het wachten op een rechtszaak en het uitgesteld worden van een rechtszaak kunnen ervoor zorgen dat het kind angstig wordt, minder eet en minder slaapt. Tijdens de rechtszaak kan het kind bang, opgewonden en/of emotioneel instabiel worden door het moeten wachten in een rechtszaal, de confrontatie met de verdachte en door het verhoord worden. Dit kan ervoor zorgen dat de cognitieve en communicatieve vaardigheden van het kind verstoord worden en het kind als minder betrouwbaar over komt. Als de rechtszaak niet goed afgesloten wordt (de vervolging van de verdachte is niet geslaagd of het kind krijgt niet de kans om alles na te bespreken met verzorgers) dan kan het kind negatief-emotionele of gedragsverstoringen krijgen. Wanneer een rechtszaak wel goed afgesloten wordt, dan zal het kind opgelucht zijn.

    Er worden al wel enkele maatregelen in sommige landen genomen om kinderen minder angstig te maken tijdens rechtszaken. Zo kunnen er bepaalde schermen gebruikt worden zodat het kind niet direct geconfronteerd hoeft te worden met de verdachte. Ook kan de pers verboden worden om aanwezig te zijn (in het licht van de openbaarheid van rechtszaken kan dit alleen als de belangen van bescherming zwaarder wegen). Soms helpt het ook als de rechters en juristen hun pruiken en toga's uitdoen en er zo ‘normaler’ en minder formeel uitzien voor het kind. Ook helpt het als kinderen geholpen worden bij hun communicatie. Zoals eerder vermeld, mogen niet alle maatregelen uitgevoerd worden. Zo heeft de verdachte in sommige landen het recht om zijn beschuldiger te zien en kunnen er dus geen schermen gebruikt worden.

    Hoe kunnen getuigen het beste worden voorbereid op een strafzaak?

    Voorbereiding en het geven van sociale steun zijn mediërende factoren. Dit betekent dat zij de effecten van stressfactoren kunnen verminderen of wegnemen als ze voor een rechtszaak aangeboden worden. Voorbereiding bestaat uit activiteiten die de getuige voorbereiden op de rechtszaak, het geven van steun en het communiceren met en voor de getuige. Veel wetenschappers en sociale werkers pleiten er voor dat getuigen goed voorbereid en gesteund moeten worden vanaf het begin van hun betrokkenheid met de rechtszaak. Zulke steun kan ervoor zorgen dat kwetsbare getuigen niet nog meer slechte dingen ervaren door de rechtszaak. Er zijn verschillende activiteiten die geboden kunnen worden. Het hangt van het land en de beschikbaarheid van middelen af welke activiteiten geboden worden en aan wie. Zo kunnen getuigen voor de rechtszaak in therapie gaan, ze kunnen meer informatie krijgen, ze kunnen hun wensen en angsten over het getuigen vertellen, ze kunnen de rechtszaal bezoeken en er bekend mee worden en ze kunnen communiceren met professionals op een bepaald gebied. De meeste activiteiten worden geboden aan kinderen, maar dit is niet zonder controversie. Opponenten zijn bang dat mensen die kinderen steun bieden ze kunnen coachen naar een antwoord (bewust of onbewust). Begeleiders moeten het bewijs niet bespreken tijdens zo’n sessie met een getuige. Het gaat alleen maar om hoe de getuige denkt over het afleggen van een getuigenis tijdens een rechtszaak, niet om de inhoud van zijn/haar getuigenis. De begeleider kan communiceren met autoriteiten die betrokken zijn en ze vertellen over wat de getuige nodig heeft en een voorkeur voor heeft. Het ondersteuningssysteem heeft goed geholpen. Kinderen vonden het zelf prettig om beter geïnformeerd te worden en gesteund te worden door de begeleiders. In essentie komt het er op neer dat voorbereidingsactiviteiten ingezet worden als er een tekort is aan kennis, bij angst en problemen met de cognitieve en communicatieve vaardigheden. Ook in Nederland ligt er een veel grotere nadruk dan hiervoor op slachtoffer- en getuigenbescherming. Dit is een ontwikkeling die in veel Westerse landen te zien is.

    Hoe kunnen getuigen tijdens rechtszaken het beste beschermd worden?

    Rechters en magistraten kunnen helpen om de stress van kwetsbare getuigen te verminderen. Zoals eerder gezegd, kunnen ze hun pruiken en toga's uit doen. Een begeleider kan ook mee gaan met de getuige wanneer deze zijn/haar getuigenis aflegt om zo de angst en stress van de getuige te verminderen. In een eerder chapter is de CCTV al behandeld. Een minderjarige getuige zit hierbij in een kamertje naast de rechtszaal en is op een scherm te zien in de rechtszaal. Er is een live verbinding tussen de rechtszaal en de kamer waar het kind zit. Op deze manier kan een kind zijn/haar getuigenis afleggen zonder de dader te moeten zien. Ook zal de enge omgeving van een rechtszaal zo minder invloed op het kind hebben. Ook kunnen er afscheidende schermen geplaatst worden in een rechtszaal, zodat de getuige wel in de rechtszaal kan zitten maar niet gezien kan worden door de verdachte. Schermen zijn populairder dan de CCTV. Ze worden echter niet vaak gebruikt, terwijl ze dus wel echt zouden kunnen helpen bij een getuigenis. Toch zijn er getuigen die angstig zijn om de rechtszaal binnen te komen en deze zullen dan liever gebruik willen maken van de CCTV.

    Er zijn veel positieve evaluaties over het gebruik van CCTV gevonden. Sommige getuigen durfden alleen maar via CCTV hun zegje te doen. Als CCTV er niet geweest was, dan hadden ze wellicht nooit een getuigenis afgelegd. Onderzoekers die CCTV geëvalueerd hebben zeiden dat kinderen er zelfverzekerder uitzagen en vloeiender spraken. Natuurlijk waren er ook een paar nadelen aan deze methode, vooral in de beginjaren van het gebruik van CCTV. Zo waren er wel eens problemen met het achtergrondgeluid en getuigen hebben soms zelfs de dader te zien gekregen op het scherm. Een voordeel van de CCTV is dat getuigen hun getuigenissen af kunnen leggen zonder de verdachte te zien. Er moet dus goed gelet worden op de positie van de camera’s en dat de verdachte dus niet in beeld komt. Een ander nadeel van de CCTV kan zijn dat de getuigen op grote afstand kunnen lijken te zijn en dat hun getuigenis minder emotionele impact had op de juryleden. Doordat de getuigen op afstand een getuigenis af kunnen leggen, zullen ze ook minder vaak emotionele uitbarstingen krijgen. Onderzoek heeft uitgewezen dat getuigen die geen emotionele uitbarstingen kregen door de juryleden als minder overtuigend gezien werden. Voor de getuigen zelf is het prettiger om CCTV te gebruiken, maar het bevordert niet de uitkomst van een rechtszaak. Er zijn ook getuigen die problemen hebben met de technologie, maar dit kan verholpen worden door ze te laten wennen aan het gebruik van CCTV.

    Wat is de rol van opgenomen getuigenissen?

    CCTV kan ervoor zorgen dat getuigen minder stress ervaren en hierdoor worden andere negatieve effecten, zoals het niet kunnen ophalen van herinneringen en het niet uit de woorden komen, verholpen worden. De kinderen zijn voordat de rechtszaak begint al een paar keer geïnterviewd. Sommige professionals vinden dat het eerste opgenomen interview gebruikt kan worden in plaats van de live aanwezigheid van een kind in de rechtszaal. De tegenpartij zou het kind dan ook kunnen interviewen en dit zou ook opgenomen kunnen worden en zo hoeft het kind helemaal niet naar de rechtszaal te gaan. De interviews moeten door speciaal getrainde politieagenten die geen uniformen aan hebben of sociale werkers gedaan kunnen worden. Zo voelen de kinderen zich meer op hun gemak. Wanneer de video-interviews voorbij zijn, kunnen de kinderen therapie krijgen en hoeven ze zich niet druk te maken over de rechtszaak. Het heeft enkele jaren na dit voorstel geduurd totdat mensen het wilden gaan gebruiken. Deze video-opnames kunnen echter ook gebruikt worden voordat een kind een getuigenis tijdens de rechtszaak gaat afleggen. De opnames worden dan gebruikt om het geheugen van het kind op te frissen. Dit heeft niet altijd positieve effecten, want sommige kinderen ervaren weer de emotionele pijn opnieuw of vinden dat ze er raar uitzien of raar klinken en ze kunnen zich hierdoor gaan schamen en zich minder goed concentreren tijdens het andere gedeelte van de rechtszaak.

    Ook dit is een discussie die erg in het Verenigd Koninkrijk gecentreerd is. In Nederland mogen opgeschreven getuigenissen gebruikt worden. Hierbij hoeft de getuige dus niet eens te verschijnen in de rechtszaal en het gebeurt, voor de efficiëntie, nog maar zelden dat een getuige in de rechtszaal gehoord wordt. Meestal is er dus al sprake van 'opgenomen getuigenissen' maar dan niet eens op beeld. Het recht van het laatste woord van het slachtoffer wordt wel steeds groter in Nederland, maar het slachtoffer mag zelf kiezen of hij/zij hier gebruik van wil maken.

    Welke kritiek is er op de getuigenbescherming?

    Er zijn veel professionals die de speciale activiteiten die allemaal net besproken zijn uitdagen. Zij willen niet dat enkele dingen gebruikt of gedaan worden, omdat ze bang zijn dat het een invloed zou kunnen hebben op de uitspraak.

    Ook kan er beter een ingestudeerd verhaal worden verteld op beeld. In het echt kan de stress ervoor zorgen dat iemand niet durft te liegen. Door critici op advocaten kan dit geïnterpreteerd worden alsof advocaten liever willen dat getuigen problemen ervaren met het geheugen, taal en autoriteit, omdat dit in hun voordeel kan werken.

    Access: 
    Public
    Hoe kunnen daders geïdentificeerd worden door getuigen? - Chapter 15

    Hoe kunnen daders geïdentificeerd worden door getuigen? - Chapter 15

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Er wordt vaak gediscussieerd over de identificatie van een dader. Wanneer er geen forensisch bewijs beschikbaar is (dat is er meestal niet), zoals DNA, dan zal er tijdens een rechtszaak geëvalueerd moeten worden hoe accuraat de identificatie van de ooggetuige is. Onderzoek heeft uitgewezen dat de verkeerde identificatie een grote rol speelt bij 75% van de onterechte vonnissen. Veel mensen die schuldig zijn verklaard, terwijl ze eigenlijk onschuldig waren, zijn vrijgesproken na nieuw DNA bewijs. De geschiedenis wijst uit dat veel ooggetuigen echt zeker zijn van hun zaak, maar blijkbaar kunnen er toch fouten gemaakt worden. Het is echter wel moeilijk om de mogelijkheid op verkeerde identificatie te minimaliseren. Daarnaast moet de identificatie op een goede manier tijdens de rechtszaak worden gebruikt en de limieten van de identificatie die ooggetuigen maken moeten worden herkend.

    In dit chapter wordt eerst uiteengezet welke problemen zich bij daderidentificatie door getuigen kunnen voordoen. Vervolgens wordt ingegaan op de verschillende identificatie procedures: de show-up of confrontation en de meer open line-ups. Daarna worden de factoren behandeld die een invloed hebben op de betrouwbaarheid van het geheugen van ooggetuigen. Dit zijn schattingsvariabelen, waarop men geen invloed heeft, en de systeem variabelen, die wel te beïnvloeden zijn. Tenslotte worden de fouten die altijd gemaakt zullen blijven worden, behandeld. Het belang om hier rekening mee te houden wordt benadrukt.

    Welke problemen kunnen zich voordoen in identificatie en geheugen?

    Om herinnerd te kunnen worden, moet informatie eerst gecodeerd worden door de ooggetuigen op de plaats delict. Een ooggetuige kan zich een bepaald aspect van de gebeurtenis wellicht niet herinneren omdat hij/zij geen aandacht heeft geschonken aan de relevante details en het daarom niet gecodeerd is in het geheugen. De informatie moet opgeslagen worden, zonder dat een deel ervan verloren gaat of veranderd wordt. Het menselijke geheugen is een actief proces van het reconstrueren van een gebeurtenis van incomplete informatie die gecodeerd is in het geheugen. Beschikbare informatie zal gebruikt worden om actief de gebeurtenissen te evalueren. Deze informatie kan de voorkennis van de getuige, verwachtingen en assumpties bevatten. Gaten vullen we in met assumpties over wat er gebeurd zou moeten zijn. De persoon die zich iets probeert te herinneren is zich zelf niet bewust van dit proces en zal geen onderscheid kunnen maken tussen informatie die daadwerkelijk is herinnerd en nieuwe informatie. Verwachtingen worden gehaald uit het geheugen voor alledaagse dingen (dit noemen we scripts) of stereotypes. Wanneer we ons dingen proberen te herinneren, kunnen we ook informatie gebruiken die we hebben gekregen na de gebeurtenis. Deze informatie kunnen getuigen bijvoorbeeld krijgen door de vragen van een inspecteur of door andere getuigen.

    Ooggetuigen worden gevraagd om herinneringen over een bepaalde tijd, plaats en uiterlijke kenmerken omhoog te halen. Herinneringen van die dag kunnen door elkaar gehaald worden. Zo heeft de getuige op de dag van de gebeurtenis een Opel gezien en hij/zij kan dan foutief denken dat die auto aanwezig was op de plaats delict. Dit wordt de bron attributie fout genoemd (source attribution error). Het coderen wordt beïnvloed door de mate waarmee aandacht is besteed aan het relatieve ding en de mate van de cognitieve verwerking van het ding. Hoe meer aandacht er aan een ding besteed wordt, hoe meer details er over dit ding herinnerd kunnen worden. De mate waarin iemand zich een gebeurtenis kan herinneren kan afhankelijk zijn van de aanwijzingen die aanwezig zijn tijdens het ophalen van de herinnering. De aanwijzingen die het handigst zijn hierbij, zijn dingen die ook aanwezig waren tijdens de gebeurtenis. Wanneer getuigen gevraagd worden zich het gezicht van de dader te herinneren, dan zijn er visuele herinneren nodig. Het is echter lastig om visuele herinneringen, vooral die van gezichten, op te noemen. Het is namelijk moeilijk om elk gezicht op een unieke manier te beschrijven. Wanneer getuigen zich het gezicht van een dader proberen te herinneren, vertrouwen ze op herkenning. De politie kan enkele verdachten in een rij laten staan en de ooggetuige vragen of hij/zij iemand herkent. Er is wel een negatieve kant hieraan en dat is dat de getuige iemand herkent omdat hij/zij een gezicht ziet dat bekend voorkomt. Het impliciete geheugen zorgt er voor dat een gezicht bekend lijkt, zonder te weten wanneer het gezicht gezien werd.

    Welke identificatie procedures zijn er?

    De meest simpele identificatie procedure is om de getuige toe te staan om de verdachte of een foto van de verdachte te laten zien en te vragen of het de dader is. Dit wordt een show-up in de Verenigde Staten genoemd en een confrontation in het Verenigd Koninkrijk. Het wordt het vaakst gebruikt op of vlakbij een plaats vlak nadat er een misdaad is gerapporteerd en er niet genoeg rechtvaardiging is om een verdachte te arresteren. Dit wordt ook wel een street identification (straat identificatie) genoemd in het Verenigd Koninkrijk. Het probleem aan deze procedures is dat er niet vast gesteld kan worden of een getuige een vergissing maakt. Deze procedure is erg suggestief, want de getuige zal vast denken dat de persoon die aan hem/haar wordt gelaten zien, de verdachte van de politie is. Hierdoor zal de getuige wellicht eerder geneigd zijn om te denken dat hij/zij de verdachte daadwerkelijk heeft gezien. Een betere procedure is het laten zien van een groep mensen aan de getuige en vragen of hij/zij iemand herkent. De getuige kan wellicht niemand herkennen, de verdachte herkennen of iemand die de misdaad niet heeft gepleegd herkennen. Deze zogenaamde line-ups worden vaak in het VK en de VS gebruikt. Veel van deze line-ups zijn vervangen door video identificatie. Dit is eigenlijk hetzelfde principe, alleen krijgen de getuigen een video van mensen te zien.

    Wat zijn schattingsvariabelen?

    Schattingsvariabelen zijn factoren die de betrouwbaarheid van het geheugen van ooggetuigen kunnen beïnvloeden en die niet gecontroleerd kunnen worden door het justitiële systeem. In veel landen wordt er rekening gehouden met het feit dat er goede en slechte ooggetuige identificatie gemaakt kan worden. In Engeland is er het zogenaamde Turnball guideline opgesteld. Hierin staat waar juryleden rekening mee moeten houden, met betrekking tot de getuigenissen van getuigen. Ook wordt hierin gezegd dat rechters aan juryleden moeten vertellen dat een overtuigende getuige toch vergissingen kan maken en dat verdachten die dezelfde identificatie maken allemaal ook een vergissing kunnen maken. In de Turnball guidelines staan factoren die invloed zouden kunnen hebben op de oordelen. Zo kan het langer blootgesteld zijn aan de ene persoon ervoor zorgen dat je je hem/haar beter herinnert dan de andere persoon. Uit een studie is gebleken dat getuigen die een persoon 45 seconde mochten bekijken die persoon eerder aanwezen uit een line-up dan een persoon waar ze 12 seconden naar gekeken hebben. Ook het bekijken van mensen onder verschillende lichtsterktes kan ervoor zorgen dat sommige gezichten beter onthouden worden dan anderen. Ook de afstand tot de personen/foto’s zorgt er voor dat sommige gezichten beter onthouden worden dan anderen.

    Wanneer een getuige geconfronteerd wordt met een getrokken mes of pistool, dan zal zijn/haar aandacht getrokken worden door het wapen (weapon focus). Hierdoor zal er minder aandacht geschonken worden aan de andere dingen van de scene. Ooggetuigen kunnen daarom het wapen goed beschrijven, maar het gezicht van de dader bijvoorbeeld niet. De aanwezigheid van een wapen kan er ook voor zorgen dat de getuige stress ervaart en hierdoor zijn/haar attentie niet goed kan verdelen. Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen met minder stress een meer accurate identificatie kunnen geven dan mensen met meer stress. Een andere factor die een rol kan spelen is de etniciteit. Ooggetuigen zijn minder accuraat in het herkennen van daders die niet dezelfde etnische achtergrond hebben als zij zelf. Meer ervaring met mensen met een andere etnische achtergrond kan dit effect verminderen. Ook de leeftijd kan een rol spelen in het herkenningsproces. Studies hebben uitgewezen dat oude mensen minder vaak correcte responsen maken in tests van gezichtsherkenning. De identificatie nauwkeurigheid nam af rond het 50ste levensjaar. Een ander factor die al eerder besproken is, is zelfvertrouwen. Getuigen die zelfvertrouwen uitstralen, komen beter over op juryleden en rechters. Hun accuraatheid hangt echter niet samen met hun zelfvertrouwen. Een grootschalig onderzoek heeft uitgewezen dat de verdachte een grotere kans had op het geïdentificeerd worden als de getuige jonger dan 30 jaar was, de verdachte een witte Europeaan was, de getuige een gedetailleerde omschrijving gaf, een snelle beslissing nam bij de line-up en als de getuige de verdachte langer dan een minuut zag bij de plaats delict. Naarmate de tijd tussen het delicten het identificatieproces meer verstreek, werden er ook minder accurate identificaties gemaakt.

    Wat zijn systeem variabelen?

    Het justitiële systeem kan invloed uitoefenen op enkele aspecten van identificatie procedures. Deze invloed wordt uitgedrukt in systeem variabelen. De effecten van het presenteren van line-ups in verschillende media en het manipuleren van de rijkheid van verschillende kenmerken is verbazingwekkend genoeg relatief klein. Een mogelijke reden hiervoor is dat gezichten goed waargenomen kunnen worden van een foto met goede kwaliteit. Het extra toevoegen van kleur heeft dus geen of weinig extra voordelen. Live line-ups, video line-ups of foto’s produceren geen substantiële verschillen in de prestatie van identificatie. De video line-up heeft echter wel voordelen. Zo hoeft de getuige bijvoorbeeld niet heel lang te wachten totdat alle personen uit de line-up bij elkaar gebracht zijn en gepresenteerd worden. Bij live line-ups kunnen verdachten afwezig zijn, omdat ze gewoon niet zijn komen opdagen. Video line-ups gaan veel sneller. Meerdere getuigen kunnen in afzonderlijke kamer op hetzelfde tijdstip de videobeelden bekijken. Bij live line-ups moeten getuigen een voor een naar de line-up kijken en dit duurt langer. Video line-ups zijn dus efficiënter. Getuigen moeten goede instructies krijgen. Veel getuigen denken dat een van de personen uit de line-up de dader moet zijn geweest, want de politie moet toch wel een verdachte in de line-up hebben gestopt. Zelfs als ze iemand niet herkennen, dan proberen ze toch wel iemand uit te zoeken omdat ze denken dat de dader er tussen moet zitten. De politie moet daarom zeggen dat de verdachte er wel of niet bij kan zitten. Een getuige mag gerust zeggen dat hij/zij niemand herkent. Dat is beter dan de verkeerde aanwijzen.

    Nog een maatregel is om blinde administratie te gebruiken. De persoon die de line-up presenteert aan de getuige, mag bij blinde administratie ook niet weten wie de verdachte is. De identiteit van de verdachte weten kan er voor zorgen dat hij/zij onbewuste hints geeft aan de getuige. Zo kan de persoon als hij/zij weet wie de verdachte is langer kijken naar de foto van de verdachte. Ook kan het eerder gezien hebben van een foto en vervolgens het zien van die persoon bij de line-up er voor zorgen dat er een verkeerde identificatie wordt gemaakt. Door het zien van de foto wordt de persoon herkenbaar bij de line-up en de getuige kan onterecht denken dat hij/zij hem herkent van de plaats delict. Wanneer een gezicht wordt geïdentificeerd door een getuige, dan zullen zij toegewijd raken aan de identificatie en zullen naar alle waarschijnlijkheid het gezicht weer identificeren. In een line-up moeten meerdere personen worden gebruikt. Een goede manier om te kijken of de getuige echt de verdachte herkent, is door mensen in de line-up te gebruiken die op de verdachte lijken.

    Waar kan het fout gaan bij de identificatie door getuigen?

    Na alle waarschuwingen te hebben gekregen, worden er toch fouten gemaakt in het identificeren van een verdachte. Volgens sommige onderzoekers komt dit door het nemen van een relatieve identificatie in plaats van een absolute identificatie. Een absolute identificatie is als je echt denkt dat de verdachte de persoon is die je hebt gezien tijdens een misdaad. Er zijn echter ook getuigen die kijken naar alle personen in de line-up en de persoon die het meest lijkt op de persoon die ze zagen tijdens de misdaad eruit kiezen. De methode van sequentiële presentatie van line-up is ontworpen om dit te verhelpen. Hierbij worden foto’s of mensen een voor een gepresenteerd en de getuige moet bij elke foto/persoon zeggen of hij/zij de dader was. De getuige krijgt niet te horen hoeveel foto’s er in totaal komen en de persoon die de foto’s presenteert weet ook niet wie de verdachte is. Getuigen krijgen geen tweede kans en mogen niet terug kijken naar een foto. Zo’n presentatie zorgt voor meer conservatieve antwoorden. Een laatste factor waar agenten rekening mee kunnen houden, is dat ze geen positieve feedback op de identificatie moeten geven. Zo moeten ze niet zeggen dat iemand anders ook dezelfde persoon aangewezen had. Dit kan namelijk het vertrouwen van de identificatie vergroten en de getuige zal eerder weer dezelfde persoon aanwijzen.

    Tegenwoordig gaan veel landen ook over op het identificeren via bewakingscamerabeelden. Mensen zijn echter wel gauw vatbaar voor misleiding door camerabeelden. Mensen zijn erg goed in het herkennen van bekende individuen. Zo kunnen ze gemakkelijk hun familieleden, vrienden en collega’s herkennen via bewakingsbeelden, zelfs als de beelden een lage kwaliteit hebben. Men is echter wel slecht in het matchen van beelden van een onbekende persoon. Uit onderzoek is gebleken dat mensen behoorlijk wat fouten maken wanneer ze gevraagd wordt om camerabeelden te matchen aan het gezicht van een verdachte. Het identificeren van deze type video’s is erg onbetrouwbaar, tenzij de persoon de verdachte op de beelden kent. Onderzoekers lieten beelden van hoge kwaliteit zien van een aantal personen. Er werden gezichten en lichamen laten zien van verschillende perspectieven en de proefpersonen moesten de beelden matchen met een persoon die in die kamer stond. Een op de vijf getuigen maakte een vergissing onder ideale omstandigheden! Wanneer mensen de kans kregen om met elkaar te praten over de personen die op de beelden te zien waren, waren ze beter in het identificeren van de personen. Betere camerabeelden en vooral automatische gezichtsherkenning in aan elkaar verbonden camera's kunnen helpen om deze menselijke fouten te voorkomen.

    Access: 
    Public
    Welke rol hebben psychologen als getuige-deskundigen in een rechtszaak? - Chapter 16

    Welke rol hebben psychologen als getuige-deskundigen in een rechtszaak? - Chapter 16

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Naast getuigen die de misdaad hebben meegemaakt, wordt er in strafzaken ook vaak gebruik gemaakt van getuige-deskundigen. Dit zijn professionals met kennis van een bepaald onderwerp dat voor de waarheidsvinding of het verloop van het proces relevant zijn. Psychologen kunnen getuige-deskundigen zijn.

    In dit chapter wordt uitgelegd wat de rol van getuige-deskundigen überhaupt is, en in het bijzonder die van psychologen. Dan wordt ingegaan over het debat over psychologen als getuige-deskundigen. Zij hebben immers veel te bieden, maar kunnen ook zorgen voor beïnvloeding van juryleden die niet bedoeld is.

    Daarna wordt uitgelegd hoe psychologen als getuige-deskundigen kunnen helpen bij zaken waarin kinderen betrokken zijn. Ze kunnen immers duidelijk maken wat wel en wat niet van een kind verwacht kan worden, aanwijzingen geven om een veilige situatie voor het kind (als getuige of verdachte) te maken en de kans op verkeerde informatie te verkleinen. Tenslotte wordt nog ingegaan op teruggewonnen herinneringen. Het is namelijk nog ingewikkelder dan van andere herinneringen om vast te stellen wanneer die accuraat zijn en wanneer niet. Psychologen kunnen helpen bij dit proces.

    Wat zijn getuige-deskundigen?

    Getuige-deskundigen zijn gekwalificeerd om een professionele mening te verkondigen en dit kan door hun training, kennis en ervaring. Het gebruik van getuige-deskundigen tijdens rechtszaken is niet iets nieuws. Zulke getuigen worden al sinds de 14de eeuw gebruikt. Vroeger gaven rechtbanken de voorkeur aan deskundigen die getuigden over niet-menselijke factoren in plaats van menselijke factoren, zoals wetenschappers. Daarna gaven ze meer de voorkeur aan getuige-deskundigen die getuigden over menselijke fysieke gesteldheden dan mentale gesteldheden, zoals artsen. Wanneer getuigenissen over mentale staten wel geaccepteerd werden, gaven de rechtbanken meer voorkeur aan abnormale staten dan normale staten. Ook gaven ze daarbij meer de voorkeur aan psychiatrische experts dan klinische psychologie experts. Pas later accepteerden rechtbanken experts met een expertise in experimentele psychologie, mensen die het geheugen, perceptie en taal bestudeerden.

    Experts mogen hun getuigenis geven om te helpen om tot een redelijke beslissing te komen, maar ze mogen het niet hebben over de zaak zelf.  Dat betekent dat de expert bijvoorbeeld niet mag zeggen of het kind waar de rechtszaak over gaat naar zijn/haar idee seksueel misbruikt is. Dus een expert mag wel informatie verschaffen over seksueel misbruik, hoe kinderen reageren als ze seksueel misbruikt zijn en wat de kenmerken van seksueel misbruik kunnen zijn, maar ze mogen niet zeggen of ze denken dat het kind waar het proces over gaat misbruikt is door die specifieke verdachte in de desbetreffende situatie. Getuige-deskundigen moeten rechtbanken met wetenschappelijke of technische informatie voorzien die buiten de ervaring en kennis van een rechter, magistraat of juryleden vallen. De rol van de expert is om de rechtbank te assisteren, niet om één van de partijen te assisteren. Om beste bewijs te kunnen geven moet een expert gekwalificeerd zijn door educatie, training, vaardigheden en kennis. Deze expertise moet goed passen bij het onderwerp van de rechtszaak. Experts hoeven niet direct aanwezig te zijn tijdens een rechtszaak. Ze kunnen ook een schriftelijke rapportage schrijven over hun mening. Psychologen kunnen als getuigen opgeroepen worden om te praten over de competentie van iemand om mee te doen aan een rechtszaak of vertellen welke factoren er voor zorgen dat een getuige onbetrouwbaar wordt. Voor de eerste rol moet de psycholoog contact hebben gehad met de persoon waar het over gaat, voor de tweede rol niet. Een expert moet daarnaast een actieve onderzoeker zijn en iemand die artikelen publiceert in wetenschappelijke bladen.

    Waarom is de rol van getuige-deskundigen controversieel?

    Er zijn vrij veel bekende gevallen van verkeerde identificatie en een expert is dus echt nodig. De experimentele psycholoog weet dat er vele factoren zijn die onbekend zijn voor leken (juryleden) en zelfs voor betrokken juristen en dat deze onder hun aandacht gebracht moeten worden. Een goede expert moet de generale principes die relevant zijn voor een zaak behandelen. De conclusies die getrokken worden moeten gebaseerd zijn op bepaalde data en de experts zou moeten kunnen uitleggen waarom hij op de data vertrouwt. Een van de problemen waarmee mensen zitten bij het gebruik van psychologen als getuige-deskundigen, is dat zij scepticisme op kunnen wekken. Psychologen kunnen bijvoorbeeld vertellen dat het wel eens voor komt dat mensen de verkeerde persoon aanwijzen/een verkeerde identificatie maken. Juryleden zouden hierdoor sceptisch kunnen worden over de getuigenis van een getuige en denken dat hij/zij misschien dan wel de verkeerde persoon geïdentificeerd heeft. Uit onderzoek is echter gebleken dat de getuigenis van experts er niet voor zorgt dat juryleden sceptischer worden.

    Voor stemidentificatie geldt bijna hetzelfde als voor gezichtsidentificatie wat betreft de moeilijkheid hiervan. Stemidentificatie is echter nog complexer. Bij stemidentificatie zijn drie verschillende soorten experts betrokken:

    1. Experts die betrokken zijn met de vaardigheden van een leek om een stem van een bekende of onbekende te herkennen.

    2. Experts die betrokken zijn met perceptuele identificatie van stemgelijkenis.

    3. Experts die betrokken zijn met problemen van akoestische analyses en spraak output van bepaalde bronnen.

    Deze type experts verschillen onderling. Al deze experts moeten hun mening geven en het is maar de vraag of deze meningen overeen komen.

    Hoe kunnen psychologen als getuige-deskundigen helpen bij zaken waarin kinderen betrokken zijn?

    Er is altijd veel debat geweest over de rechten en plichten die aan kinderen moeten worden toegeschreven. Met de toegenomen levels van criminaliteit en kindermisbruik, zijn de opvattingen over kindergetuigen in veel landen veranderd. Meer kinderen mochten spreken en ook meer kinderen werden geloofd dan eerst. Net toen kinderen meer rechten begonnen te krijgen, kwamen ook meer onderzoeken tot de conclusie dat kinderen nogal voor suggestiviteit vallen door strategische vragen. Experts uit het kinderdomein hebben dus problemen met een database van onderzoeken die niet tot dezelfde conclusies komen. Er moet gekeken worden naar de aard van de vragen, niet naar de aard van de respondent. Kinderen lijken heel erg op volwassenen. Volwassenen zijn namelijk ook vormbaar door misleidende informatie en vallen ook voor suggestiviteit. Het is niet zo zeer het geheugen van de kinderen dat een problematische rol speelt bij getuigenissen, maar de manier waarop vragen gesteld zijn. Experts zijn nodig bij zaken over seksueel misbruik, want de andere aanwezigen weten niet veel over de factoren die invloed kunnen hebben op wat een kind zegt. Veel mensen zijn sceptisch over misbruik en onderzoek heeft uitgewezen dat een verdachte eerder veroordeeld wordt als een expert de kant van de misbruikte heeft uitgelegd dan wanneer alleen het slachtoffer zelf over zijn ervaring heeft gesproken. 

    Zoals eerder gezegd mogen experts alleen iets vertellen wat juryleden niet weten en wat met de zaak te maken heeft. Ze mogen niet zeggen of ze denken dat het kind waar de zaak over gaat misbruikt is. Veel onderzoekers denken ook dat experts geen goede getuigenissen over de schuld of onschuld van iemand af zouden kunnen leggen, omdat zulke getuigenissen niet valide, betrouwbaar en/of psychometrisch zwak zijn. Bovendien zijn ze gebaseerd op subjectieve meningen en niet op objectieve feiten. Dit komt doordat er geen universeel checklijst is om te kijken of een kind seksueel misbruikt is. Er is geen enkel symptoom dat bij meer dan de helft van de seksueel misbruikte kinderen voor komt. Symptomen die vaak voorkomen bij kinderen die seksueel misbruikt zijn (angst, laag zelfvertrouwen en depressie) worden ook gevonden bij kinderen die niet seksueel misbruikt zijn. Seksueel kindermisbruik is breed en varieert in aard, duur, frequentie en intensiteit en er zijn daarom zoveel verschillende modellen en checklijsten ontwikkeld. Het meeste wat een expert kan zeggen, is dat het bewijs consistent is met wat je zou verwachten als er sprake zou zijn van seksuele misbruik. Wetenschappers zijn hier niet blij mee, want het suggereert dat er wel sprake was van kindermisbruik en een expert mag dat dus niet doen. 

    Het gaat bij het gebruik van getuigenissen van experts dus altijd om de balans: psychologen en andere experts kunnen ingezet worden om bewijs aan te dragen maar rechters blijven verantwoordelijk voor de weging en interpretatie van dit bewijs. 

    Wat kunnen psychologen vertellen over teruggewonnen herinneringen?

    Het debat over teruggewonnen herinneringen is een van de grootste debatten in de wetenschappelijke wereld. Men weet dat seksueel misbruik van kinderen frequent gebeurt: 5 tot 33% bij meisjes en 3 tot 30% bij jongens. Schattingen van onderdrukte herinneringen lopen van 20 tot 40% bij volwassenen die gerapporteerd hebben dat ze als kind seksueel misbruikt zijn. Traumatische herinneringen worden op een andere manier gevormd dan normale herinneringen. Dissociatie kan voor geheugenverlies zorgen. Dissociatie is een verdedigende onderbreking in de normale connecties tussen gevoelens, gedachten, herinneringen en gedrag die bewust of onbewust opgeroepen is en bedoeld is om psychologische stress te reduceren tijdens of na een traumatische belevenis. Het geheugen kan zowel betrouwbaar als onbetrouwbaar zijn en kan worden beïnvloed door suggesties, verkeerde informatie of discussies. Het is moeilijk om een vermeende herinnering te verifiëren zonder de aanwezigheid van externe verificatie. Echte teruggevonden herinneringen zouden alleen aangetoond kunnen worden door bewijs dat er wel sprake was van misbruik, het vergeten van deze gebeurtenis en het zich weer kunnen herinneren van deze gebeurtenis zonder het op een andere manier te kunnen weten van de misbruik. Er zijn onderzoeken die aantonen dat teruggevonden herinneringen accuraat, inaccuraat of een combinatie van beide kunnen zijn. Veel dingen kunnen niet bevestigd of tegengesproken worden. Getuige-deskundigen kunnen niet echt een grote rol spelen bij zaken, omdat de wetenschappelijke wereld geen consensus heeft bereikt over het onderwerp van teruggevonden herinneringen. Getuige-deskundigen kunnen niet zeggen dat ze denken dat een teruggevonden herinnering echt is of niet, want dit suggereert dat iemand schuldig is of niet schuldig is.

    Advocaten en rechters beseffen pas sinds een korte tijd dat de overtuigingen van leken (juryleden) beïnvloed kunnen worden door bepaalde factoren en niet altijd correct zijn. Het is daarom belangrijk dat experts deze misconcepties naar voren brengen tijdens een proces. Er zullen steeds meer en meer getuige-deskundigen ingezet worden over de wereld.

    Access: 
    Public
    Welke straffen werken het beste om misdaad te bestrijden? - Chapter 17

    Welke straffen werken het beste om misdaad te bestrijden? - Chapter 17

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Individuen die schuldig zijn bevonden aan het begaan van een misdaad kunnen een straf van de rechtbank verwachten. Er is een overeenkomst tussen de grootte van de misdaad en de zwaarheid van opgelegde straffen. Zware misdaden zullen ook om zware straffen vragen. Het opleggen van straffen kan een expressieve functie hebben: het laat aan de misdadiger de reactie van het publiek op zijn of haar misstap zien. Penologie is de studie van straffen opleggen en hoe het uitgevoerd wordt. Psychologen dragen ook een steentje bij aan het systeem. Er zijn niet heel veel psychologen betrokken bij het straffen van misdadigers, maar penologie is wel steeds groter geworden in de afgelopen paar jaren.

    Voor het opleggen van straffen is het nodig dat men weet waarom een misdadiger zich op een bepaalde manier gedragen heeft en dat men probeert te bereiken dat de kansen op gelijksoortige misdaden verkleind worden. Psychologie zou eigenlijk een grotere rol moeten spelen dan nu het geval is. Het handhaven van de wetten zou als toegepaste psychologie gezien kunnen worden.

    In dit chapter zullen eerst de mogelijke doelen van straffen uiteengezet worden: retributie, machteloos maken, afschrikking, rehabilitatie en restauratie. Daarna wordt uitgelegd wanneer het straffen zijn impact verliest. Er wordt ook ingegaan op de geschiedenis van hoe er naar straffen gekeken wordt. Tegenwoordig heerst de opvatting van ‘beter voorkomen dan genezen’ bij het straffen. Daarom wordt uitgewerkt hoe misdaad en recidive voorkomen kan worden. Verschillende technieken worden met elkaar vergeleken in efficiëntie.

    Wat zijn de doelen van straffen?

    Volgens de penologie hebben straffen bepaalde doelen. Deze doelen overlappen elkaar een beetje en de kern van al deze doelen is straffen en laten zien aan de misdadiger dat de samenleving niet blij is met zijn/haar acties. Er is geen definitieve consensus over het onderwerp, maar straffen heeft tegenwoordig vijf functies die hieronder kort besproken worden.

    Hoe werkt retributie?

    De samenleving reageert op misdadigers door ze te straffen, omdat dat moet. Er is een fundamenteel principe dat verbroken wordt wanneer een individu de wetten breekt van een samenleving. Het kwaad dat veroorzaakt is door deze acties geeft de samenleving het automatische recht om de dader pijn te doen. Retributie is gelijkmaking. Dit idee is al heel oud en kwam voor bij de vroegere joden en christenen. In die tijd correspondeerden straffen aan de misdaad in type en zwaarheid (een oog voor een oog). Dit systeem wordt nog steeds gebruikt in enkele landen. De moderne versie van dit systeem is ontworpen door Immanuel Kant, in de 18de eeuw. Hij suggereerde dat door het begaan van een misdaad, een misdadiger een oneerlijke voorsprong heeft op de mensen die wel de wetten opvolgen. Bestraffing herstelt een balans tussen de dader en de rest van de samenleving. De dader is de mensen van een samenleving schuldig en moet zijn schuld terug betalen. Aan de ene kant wordt de maatschappij de laatste tijd harder en wordt het rechtssysteem opgeroepen om harder te straffen. Aan de andere kant komen er steeds meer psychologische inzichten die laten zien dat harder straffen vaak ook zorgt voor een hogere recidivekans (crimineel gedrag aanleren in de gevangenis, of wraak willen nemen/het gevoel hebben dat de maatschappij tegen je is).

    Hoe werkt machteloos maken?

    Machteloos maken duidt aan dat de dader verwijderd wordt van omstandigheden waarin ze misdaden zullen begaan. Hun vrijheid van handelen wordt tegengehouden. Dit wordt meestal gedaan door opsluiten in een gevangenis of andere detentiegebouwen. Hierdoor worden daders uit de samenleving gehaald en kunnen ze geen misdaden begaan. De maatschappij kan daders ook op een andere manier ergens buiten houden. Zo kan de toegang tot een bepaalde wijk verboden worden. Iemand mag bijvoorbeeld niet meer in de wijk komen waar hij/zij misdaden heeft begaan, of niet meer bij een bepaald persoon of bij scholen en andere gebouwen waar veel kinderen zijn. Ook kunnen mensen thuis vastzitten met een enkelband. Het is afhankelijk van het soort misdaad wat hierin het beste werkt. In de vroege geschiedenis zijn individuen die misdaden hebben begaan ook weggestuurd door hun gemeenschap. 

    Wat is het utilitair nut van straffen?

    Straffen horen crimineel gedrag te veranderen door er negatieve consequenties aan te hechten. Het idee is dat legale sancties een impact zullen hebben op het individu. De afschrikking-theorie stelt dat mensen crimineel gedrag onderdrukken door te denken aan de kosten van het begaan van een misdaad. Er wordt een verschil gemaakt tussen specifieke en generale afschrikking. Specifieke afschrikking betekent dat een persoon waarschijnlijk minder snel een nieuwe misdaad zal begaan als hij gestraft is voor het begaan voor een misdaad. Generale afschrikking heeft een wijder effect. Als de samenleving weet dat misdadigers gestraft worden, dan zullen de mensen van de samenleving minder snel een misdaad begaan. Penologen hebben gemerkt dat de objectieve kenmerken van bestraffen minder belangrijk zijn voor toekomstige overtreders dan de subjectieve en perceptuele kenmerken. Objectieve kenmerken zijn de kenmerken die genoteerd zijn door de politie of door statistici die voor de overheid werken. Zij letten bijvoorbeeld op de hoeveelheid arrestaties voor verschillende types misdaad. Subjectieve kenmerken zijn belangrijk voor het individu en het individu heeft wellicht niet veel informatie over de statistiek van criminaliteit, maar wel veel over andere mensen die ze kennen die gearresteerd zijn/waren of ontsnapt zijn aan een arrestatie. Beslissingen zullen eerder gebaseerd zijn op persoonlijke kennis dan op kennis uit een officiële database.

    Hoe werkt rehabilitatie?

    De voorgaande drie dingen die net genoemd zijn, zorgen ook voor een ander effect: rehabilitatie. Een persoon herkent dat de samenleving zijn/haar acties niet prettig vond en dit zorgt er samen met de straf voor dat een persoon zich wil hervormen en wegblijven van criminele handelingen. Sommige penologen geloven dat rehabilitatie bereikt wordt door retributie effecten. Andere penologen denken dat de straf die een rechtbank oplegt procedures moet bevatten die expliciet bedoeld zijn om rehabilitatie te ondersteunen. Dit kunnen bijvoorbeeld verschillende vormen van psychotherapie zijn of beroepstraining. Dit zorgt ervoor dat het individu niet nog meer gestigmatiseerd zal worden en dat hij/zij niet nog meer vervreemd van de samenleving zal worden. De kansen van het individu om een ‘brave’ burger te worden zullen ook toenemen. Sommige individuele verschillen zijn geassocieerd met risico’s van herhaalde betrokkenheid met misdaad. Deze risico’s komen niet door persoonlijkheidstrekken, maar door andere variabelen. Deze zijn onder andere patronen van criminele associaties, een neiging om impulsief te zijn, antisociale attitudes, slechte emotionele zelfregulatie en tekortkomingen in sociale en cognitieve vaardigheden. Als men hiermee geholpen kan worden, dan is de kant op verdere overtredingen kleiner.

    Hoe werkt restauratie?

    Relatief recent is het idee ontstaan dat men moet proberen om de relatie tussen dader en slachtoffer te herstellen. De dader moet directe reparaties doen waar het kan. Ook moet de dader inzien dat hij verkeerd zat en zijn excuses aanbieden aan het slachtoffer. Uit een onderzoek blijkt dat slachtoffers meer tevreden zijn met het herstelwerk dan met de overige meer bestraffende maatregelen. Dat deze restauratie tegenwoordig een belangrijk doel van straffen is geworden, hangt samen met het perspectief dat sowieso meer in de richting van het slachtoffer is verplaatst.

    Wanneer heeft straffen geen impact meer?

    Sommige studies laten zien dat het niet de angst voor straffen is dat mensen weerhoudt van het plegen van een misdaad. Zo is er een onderzoek gedaan naar de relatie tussen de zwaarte van straffen en de hoeveelheid misdaad in de Verenigde Staten. In Texas zijn de meeste ter dood veroordelingen, maar hier is niet minder moord dan elders.

    De meeste recente onderzoeken lijken te suggereren dat het voorkomen van recidive en genoegdoening van het slachtoffer uiteindelijk het beste werken om misdaad te voorkomen. Het doel moet dus minder op bestraffing van wat gebeurd is komen te liggen en meer op voorkomen wat er nog zou kunnen gebeuren.

    Veel opbouwende sancties die misdadigers helpen gezond (niet-crimineel) mee te doen met de samenleving, worden positief beoordeeld. Toch is uit een onderzoek van Lloyd, Mair en Hough gebleken dat veel maatregelen slechts een tijdelijk positief effect hebben. Recidive in de komende twee jaar wordt meer voorkomen met bijvoorbeeld gemeensschapsstraffen dan gevangenisstraffen, maar na die twee jaar is de kans op recidive weer gelijk. 

    Mensen houden zich ook aan de regels omdat ze bepaalde persoonlijke waarden hebben en omdat ze denken dat regels en wetten gepast zijn. Als de wet goed en rationeel is, dan zullen veel mensen zich er aan willen houden. Wanneer mensen het niet eens zijn met bepaalde wetten of wanneer ze hun ervaring als onjuist zagen, dan zullen ze minder hun best doen om zich aan de wetten te houden. Dit is waarom het belangrijk is dat de wet democratisch bepaald is en duidelijk is, en dat verdachten en misdadigers goed worden bijgestaan.

    Hoe kan de kans op misdaad verkleind worden?

    Tertiaire preventie probeert systematisch om misdaad en recidive te verminderen door te werken met veroordeelde misdadigers. Er zijn vrij veel meta-analyses geweest over tertiaire preventie. De meeste meta-analyses komen uit Noord-Amerika en de meerderheid kijkt naar mannelijke misdadigers. Dat is niet zo gek, want de meeste misdaden worden door mannen gepleegd. Ook richten de meeste studies zich op interventies met adolescenten of jongvolwassenen. Veel studies hebben gekeken naar de impact van verschillende interventiemethodes. Reviews hebben gekeken naar educatieve programma’s, naar de impact van speciaal ontworpen sociotherapeutische gevangenis regimes in Duitsland en met de effecten van therapeutische gemeenschappen. Er zijn nog andere methodes die behandeld zijn in de meta-analyses. Bij meta-analyses is de belangrijkste uitkomst de effect grootte. Er zijn verschillende manieren om de effect grootte te berekenen. Uit de meta-analyses kwam naar voren dat psychosociale interventies op crimineel recidive vrij positief zijn en op afschrikwekkende sancties zijn negatief.

    Tegenwoordig is er een consensus dat het mogelijk is om effect groottes te maximaliseren door het combineren van een aantal elementen in misdaadprogramma’s. Effectieve interventies bezitten een aantal kenmerken en dit noemden sommige onderzoekers ‘principes van mensen service’. Dit werd later geformuleerd tot het zogenaamde risk-need-responsivity (RNR) model. Dit model is een rehabilitatiemodel dat probeert de predisposities om weer een misdaad te begaan van misdadigers te reduceren door het versterken, reduceren of controleren van persoonlijkheid en/of situationele variabelen. Volgens onderzoek werkt dit model goed. Voor jonge misdadigers die serieuze overvallen hebben gepleegd, is een interventieprogramma nodig dat langer dan zes maanden duurt, met minimaal twee contactmomenten per week. In de volgende twee chapters zal meer ingegaan worden op de methodes die gebruikt worden bij verschillende type overtreders.

    Access: 
    Public
    Hoe kan het risico op crimineel gedrag ingeschat en verkleind worden? - Chapter 18

    Hoe kan het risico op crimineel gedrag ingeschat en verkleind worden? - Chapter 18

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In het vorige chapter is al verteld dat er met behulp van een grote meta-analyse gekeken is naar wat de beste manieren zijn om te werken met misdadigers. Aan de hand hiervan konden risicobeoordeling programma’s opgesteld worden.

    In dit chapter wordt nader ingegaan op hoe het risico op crimineel gedrag kan worden ingeschat. Daarvoor wordt risicobeoordeling en de methodes en instrumenten eerst uitgelegd. Dan wordt uiteengezet welke methodes en instrumenten goed werken en welke minder. Het uiteindelijke doel van de risicobeoordeling is uiteraard om het risico te verkleinen. Daarom worden in dit chapter ook de programma’s uitgewerkt die hierbij kunnen helpen. Dit zijn de generale overtreding gedragsprogramma’s, gebaseerd op de cognitieve sociale leertheorie van Bandura: het R&R programma, het ETS programma, het Think First programma, het Thinking Skills programma en het ART programma. Er wordt ook aangewezen wat er fout kan gaan bij het volgen van een generale overtreding gedragsprogramma. Het chapter eindigt dus met suggesties om deze fouten te voorkomen. Zo wordt het risico op misdaad zo goed mogelijk ingeschat en zo veel mogelijk verkleind.

    Hoe werkt risicobeoordeling?

    Het risico principe stelt dat de level van interventie die een misdadiger ontvangt overeen moet komen met de level van risico die een overtreder heeft. Mensen die een hogere risicolevel hebben, zouden ook een hogere interventielevel moeten krijgen dan mensen met een lage risicolevel. Volgens het noodzakelijkheidsprincipe moeten interventies gericht zijn op alleen die risico factoren die bijdragen aan crimineel gedrag. Zulke factoren worden ‘criminogenic needs’ genoemd. Responsiviteit gaat over de manier waarop de interventie geleverd wordt aan de dader. Het responsiviteitsprincipe stelt dat de programma’s die op een goede manier de stijl en methodes matchen aan de leerstijl van de dader het meest effectief zullen zijn.

    Risicobeoordeling met daders werkt ongeveer net zoals risicobeoordeling met andere dingen. Iemand die al jaren zijn rijbewijs heeft en nooit een botsing heeft veroorzaakt, zal minder premie moeten betalen voor de auto dan iemand die net zijn rijbewijs heeft en al twee botsingen heeft meegemaakt. Bij misdadigers moet er gekeken worden naar henzelf en hun omstandigheden om een oordeel te kunnen vellen over toekomstig gedrag. Zulke beoordelingen moeten kijken hoe waarschijnlijk het is dat een dader weer een overtreding zal begaan, anderen pijn zal doen of opnieuw veroordeeld zal worden. De efficiëntie van risicobeoordeling hangt af van de mogelijkheid om zo accuraat mogelijk toekomstig gedrag te voorspellen. Voorspellingen behoren echter niet tot de exacte wetenschap. Er zijn vier potentiële uitkomsten in relatie tot voorspelling. Wanneer een uitkomst voorspeld is plaats te vinden, dan kan het plaatsvinden (uitkomst 1) of niet plaatsvinden (uitkomst 2). Wanneer iets voorspeld is niet te gebeuren, dan kan het wel gebeuren (uitkomst 3) of niet gebeuren (uitkomst 4). De consequenties van incorrecte voorspellingen kunnen groot zijn. Als sociale werkers bijvoorbeeld denken dat iemand geen misdaden meer zal plegen, dan zou deze persoon vrij gelaten kunnen worden. Als de voorspelling incorrect was, dan zal het besluit om hem vrij te laten een grote fout zijn geweest. Er zullen nog meer slachtoffers komen en de samenleving is nog meer geld kwijt. Een vals positieve uitkomst is ook niet gewenst. Een dader wil bijvoorbeeld een begrafenis van een familielid bijwonen, maar mag dit niet omdat hij als gevaarlijk wordt voorspeld. Er moeten dus zoveel mogelijk goede voorspellingen gemaakt en de valse positieven en negatieven moeten geminimaliseerd worden.

    Welke methodes van risicobeoordeling zijn er?

    Er zijn verschillende manieren om de individuele level van risico te bepalen, maar al deze methoden vallen binnen twee categorieën: klinische en actuariële risicobeoordeling. Klinische risicobeoordeling betrekt de klinische vaardigheden van de werker om de level van risico op te stellen. Professionals moeten informatie over de dader verzamelen en kijken naar zijn gedrag. Deze informatie wordt samen met de ervaring en training van de professional gebruikt om een risico voorspelling te maken. Dit is een diagnostische beoordeling van risico. Actuariële voorspellingen zijn totaal anders dan klinische voorspellingen. Actuariële voorspellingen gebruiken statistische formules om risico scores te vinden. Zowel klinische als actuariële voorspellingen kijken naar verschillende data van het leven van een persoon. Deze gegevens kunnen statisch zijn, zoals het aantal veroordelingen van de persoon, zijn leeftijd en geslacht. Deze dingen kunnen niet veranderd worden door interventies, vandaar de naam statisch. Beide type voorspellingen kijken ook naar dynamische of theoretische factoren, zoals psychologische (attitudes), sociale (de aard van relaties met leeftijdsgenoten) of gedragsmaten (hoeveelheid getoonde agressie). De informatie van de twee types van beoordeling kan overeenkomen, maar de manier waarop de informatie gebruikt wordt verschilt. Onderzoekers zijn het er niet over eens welke methode beter is, maar uit de meta-analyses komen de actuariële voorspellingen als winnaar naar boven. Waar ze het wel over eens zijn is dat actuariële methodes meer objectief zijn en dat klinische methodes subjectief zijn. Dit wil niet zeggen dat klinische methodes afgeschaft moeten worden. Sterker nog, sommige onderzoekers zien actuariële methodes alleen maar als een eerste stap voorspeller en klinische methodes als diepergaand, omdat de conclusies gebaseerd zijn op de expertise en ervaringen van professionals.

    Welke instrumenten zijn er om risico op misdaad te beoordelen?

    De afgelopen paar jaar is er een toename geweest in het aantal mensen dat gevangen zit. Deze mensen zitten voor uiteenlopende redenen vast. Sommigen hebben fraude gepleegd, anderen iets gestolen en weer anderen zitten vast voor moord. Deze mensen hebben allemaal een ander straf opgelegd gekregen. Risicobeoordeling wordt vaak gedaan voordat er een straf is opgelegd. De straf moet passend zijn bij de risico level van een persoon. Als iemand als erg risicovol wordt gezien en de risico level op het weer begaan van een misdaad ook hoog is, dan besluit men om deze persoon op te sluiten. Wanneer professionals denken dat iemand niet een groot gevaar zal vormen voor de samenleving en de kans op recidive klein ingeschat wordt, dan kan deze persoon een taakstraf opgelegd krijgen. Er zijn verschillende beoordelingsinstrumenten en de drie belangrijkste worden hieronder besproken:

    • The Offender Group Reconviction Scale (OGRS): Deze lijst gebruikt zes delen van de criminele geschiedenis en demografische informatie om de kans te voorspellen dat iemand binnen een of twee jaar opnieuw veroordeeld zal worden. De OGRS wordt vaak gebruikt in het Verenigd Koninkrijk, omdat het gemakkelijk en snel te gebruiken is. Er is echter wel kritiek op dit instrument, want er wordt alleen maar gekeken naar statische, historische en demografische variabelen en niet naar dynamische, sociale en gedragsonderdelen. Toch is de accuraatheid van het instrument goed: 80 tot 84%

    • Level of Service Inventory-Revised (LSI-R): Dit instrument bevat 54 items en is vaak gebruikt in Europa en Noord-Amerika. Dit instrument geeft niet alleen informatie over de kans op recidive, maar ook informatie over de behandeling van de dader. De items bevatten zowel statische als dynamische factoren die tien subcomponenten vormen. Deze componenten geven informatie over de geschiedenis van een dader, zijn genoten opleidingen, banen, financiën, familie, recreatie, vrienden, alcohol/drugs problemen, attitudes en emotionele oriëntatie. Deze scoren krijgen ook een bepaald gewicht door te kijken naar hoe efficiënt ze zijn in het voorspellen van recidive. Dit instrument is valide en betrouwbaar.

    • The Offender Assessment System (OASys): Dit instrument gebruikt zowel statische als dynamische factoren. Dit instrument voorspelt de kans op het weer vervolgd worden (wat een OGP score wordt genoemd) en de kans op het weer vervolgd worden voor een gewelddadige misdaad (deze score wordt een OVP score genoemd). OVP scores voorspellen moord, wapenbezit, het stukmaken van dingen, aanranding en de OGP voorspelt andere, minder ernstige dingen. Daarnaast bevat dit instrument een vragenlijst voor de daders. Hierop wordt gevraagd wat ze zelf denken over hun straf en de kans op recidive. Uit onderzoek is gebleken dat misdadigers te optimistisch zijn over hun kans van wegblijven uit de misdaad. De OASys wordt als een goed instrument beschouwd, maar het afleggen van de OASys duurt heel lang

    • Een beoordelingsinstrument voor gewelddadige misdadigers is de Historical, Clinical, Risk Management-20 (HCR-20). Dit instrument incorporeert klinische beoordelingen om zo het toekomstige gedrag te voorspellen van individuelen in de psychiatrische en forensische populatie. Dit instrument bestaat uit twintig items: tien geschiedenis items, vijf klinische en vijf risico management factoren. Dit instrument heeft een hoog voorspellingswaarde.

    • Ook is er een beoordelingsinstrument voor seksmisdadigers. Relatief gezien zijn er niet veel seksmisdadigers en deze groep is heel erg heterogeen. De Structured Assessment of Risk and Need (SARN) wordt gebruikt om het risico op nieuwe seksmisdaden te voorspellen. Er word eerst gekeken naar statische gegevens: de hoeveelheid veroordelingen die te maken hadden met seksmisdaad, de hoeveelheid veroordelingen voor ander misdaden en de leeftijd van de persoon op het moment dat hij/zij de gevangenis mag verlaten. Daarna wordt er naar 16 dynamische factoren gekeken en deze zijn onder andere de seksuele interesse van de persoon, rare attitudes, emotioneel en sociaal functioneren en zelf management. Ook is er voor misdadigers met een mentale stoornis een meetinstrument ontworpen.

    • Er bestaat een verkeerde opvatting van mentale stoornissen. Veel mensen denken dat alle personen met een mentale stoornis ook gevaarlijk zijn en dat dit gevaar ontstaat door hun mentale stoornis. Dit is niet waar, want er zijn ook mensen met mentale stoornissen die zich wel aan de regels kunnen houden. Er is echter wel een type mentale stoornis die een grotere link heeft met misdaad dan andere: psychopathie. Dit is een mentale stoornis die resulteert in abnormaal agressief of onverantwoordelijk gedrag. De Psychopathy Checklist-Revised (PCL-R) is ontworpen om de psychopathische stoornis te diagnosticeren. Het is niet een risicobeoordelingsinstrument, maar het kan wel gewelddadige recidive voorspellen. Dit instrument kijkt naar demografische, sociale, psychologische en criminologische factoren. Het is een betrouwbaar instrument.

    Hoe kan risico op misdaad verkleind worden?

    Er zijn heel veel programma’s die gebruikt kunnen worden om misdadigers te helpen. Generale overtreding gedragsprogramma’s (general offending behaviour programmes) zijn gebaseerd de cognitieve sociale leertheorie van Bandura. Deze theorie stelt dat mensen dingen indirect kunnen leren door het observeren van een gebeurtenis. Zo ontstaan er bepaalde gedragspatronen en worden zo ook behouden. Bandura stelde dat er drie groepen mensen waren waar iemand iets van kon leren: familieleden, leeftijdsgenoten en figuurlijke modellen (mensen uit de media). Generale overtreding gedragsprogramma’s proberen slecht gedrag te reduceren door het werven van nieuwe vaardigheden. Overtreders moeten beter worden in het gebruik van hun probleem-oplossende vaardigheden, zodat ze geen alternatief gedrag (crimineel gedrag) vertonen. Deze programma’s zorgen er ook voor dat men sociale interactie vaardigheden krijgt en beter wordt in zelf management. Veel programma’s werken in groepen.

    Welke generale overtreding gedragsprogramma's zijn er?

    Dit zijn de bekendste generale overtreding gedragsprogramma's:

    • Het R&R programma (Reasoning & Rehabilitation): Dit was een van de eerste programma’s dat gebruikt werd en het is gebruikt in minimaal 17 landen. Dit programma is erop gericht op recidive te voorkomen door de problemen op te lossen die de kans hierop vergroten. Denk bij deze problemen aan trauma, drugsgebruik, een slechte omgeving en een gebrek aan zelfcontrole. Vanaf 2004 verloor het programma aan populariteit omdat er meer specifieke programma's kwamen en R&R gericht is op het oplossen van onrealistisch veel problemen. 

    • Het ETS programma (Enhanced Thinking Skills): Dit programma is ontwikkeld om het R&R programma te ondersteunen. Dit programma is geschikt voor hoge en medium level risico misdadigers. Het programma is erop gericht om de interpersoonlijke probleem-oplossende vaardigheden en de sociale en morele redenatie vaardigheden te vergroten. Er wordt mondeling verteld wat er gedaan moet worden, maar het overgrote deel van het programma bestaat uit interacties, zoals een rollenspel, discussies, groepswerk en groepsoefeningen.

    • Het Think First programma: Dit programma kijkt niet alleen naar de sociale en probleem-oplossende vaardigheden, maar ook naar de misdaad zelf. Door oefeningen moeten misdadigers hun misdaden analyseren en in detail vertellen wat er is gebeurd, wie er betrokken waren, waar het gebeurd is, wat er gebeurd is en waarom het gebeurd is. Zo worden bepaalde gedragspatronen gevonden en kunnen strategieën voor het ontwijken van deze gedragspatronen opgesteld worden.

    • Het Thinking Skills programma: Dit programma is er eerst op gericht om recidive te reduceren door de ontwikkeling van denk vaardigheden en door de management van persoonlijke factoren en de ontwikkeling van beschermende factoren. Het programma helpt de misdadiger ook om pro-sociale doelen op te stellen. Het programma richt zich op de misdaad en misdadigers moeten de patronen van misdaden exploreren om zo er achter te komen wat de risico’s en beschermende factoren in relatie tot hun misdadige gedrag zijn. Er zijn groepssessies en een individuele sessie. De groepslessen kunnen met een vaste groep gegeven worden of met een flexibele groep, waarbij er om de zoveel tijd andere groepsleden bij komen. De andere methoden werken alleen met vaste groepen.

    • Het Aggression Replacement Training (ART) programma: Dit is het meest gebruikte programma voor generaal gewelddadig gedrag. Het was eerst ontwikkeld voor jongeren, maar tegenwoordig is er ook een versie voor volwassenen. Goldstein, die het programma heeft ontwikkeld, stelde dat agressief gedrag door verschillende factoren veroorzaakt wordt. Interne invloeden op het agressieve gedrag van het individu zouden door drie factoren komen; (1) Een tekortkoming in de persoonlijkheid, interpersoonlijke vaardigheden of sociaal-cognitieve vaardigheden. Deze combinatie is verantwoordelijk voor pro-sociaal gedrag als er geen tekortkomingen zijn. (2) Sterk impulsief en agressief gedrag en weinig woedebeheersing. (3) Een onvolwassen, egocentrische en korte termijn manier van moreel redeneren. Het ART programma probeert deze drie factoren te behandelen door woedebeheersing, moreel redeneren training en vaardigheden training. Er wordt veel gebruik gemaakt van rollenspellen en discussie. Personen worden zich meer bewust van de dingen die hun boos maken en de consequenties van agressie. Ze leren om alternatieve, pro-sociale omgangsstrategieën te gebruiken. Het ART programma is getest en het is een effectieve interventie.

    Wat kan er fout gaan bij het volgen van een generale overtreding gedragsprogramma?

    Als een misdadiger niet betrokken is bij een programma, dan zal dat niet veel opleveren. Er is zelfs een niet-afronding effect. Misdadigers die mee mogen doen aan het programma, maar het niet afmaken, tonen een hogere kans op recidive dan misdadigers die niet eens meegedaan hadden aan het programma. Het is echter niet bekend waarom dit zo is. Programma’s moeten afgemaakt worden en op een goede manier uitgevoerd worden. De verzorgers van de programma’s moeten zich aan de handleiding houden en alles volgens het boekje doen. De methoden mogen ook niet zomaar veranderd worden, omdat kleine veranderingen grote gevolgen kunnen hebben voor de uitkomsten.

    Access: 
    Public
    Hoe moet worden omgegaan met gevaarlijke misdadigers? - Chapter 19

    Hoe moet worden omgegaan met gevaarlijke misdadigers? - Chapter 19

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In de voorgaande chapters is uitgewerkt hoe misdadigers ontdekt moeten worden, gestraft moeten worden, begeleid moeten worden en geholpen moeten worden. Vanaf dit chapter wordt ingegaan op ‘bijzondere’ misdadigers. In dit chapter wordt afgetrapt met de gevaarlijke misdadigers. Eerst wordt uitgelegd welke misdadigers gezien worden als gevaarlijk en in welke typen hun geweld kan vallen. Hiervoor wordt ook het verschil tussen instrumenteel en expressief geweld uitgewerkt.

    Dan wordt een raamwerk van behandelingen van gevaarlijke misdadigers, aan de hand van theoretische benaderingen van Polaschek en Collie, geschetst. De behandelprogramma’s die hieruit zijn ontwikkeld worden uitgelegd. Deze behandelprogramma’s worden onderscheiden in verschillende typen: woedebeheersing, ontwikkeling van cognitieve vaardigheden, interpersoonlijke geweldprogramma’s of multimodale benaderingen. Deze programma’s worden uitgelegd en er wordt dieper ingegaan op cognitieve gedragstherapie, terugval interventie, RNR-behandeling en het good lives model. Tenslotte wordt aangekaart welke uitdagingen er nog zijn in het omgaan met gevaarlijke misdadigers.

    Wie zijn gevaarlijke misdadigers?

    Individuen die veroordeeld zijn voor gewelddadige misdaden maken een groot deel uit van de gevangenispopulatie. Geweld kan vele vormen aannemen en er is onderling veel verschil tussen misdadigers die veroordeeld zijn voor gewelddadig gedrag. Er zijn ook verschillende dingen die het gewelddadige gedrag veroorzaakt zouden kunnen hebben. Gewelddadige misdadigers zijn mensen die hun partners hebben mishandeld, betrokken waren in een gewelddadig gevecht of iemand vermoord hebben. Er is een relatief kleine groep van gewelddadige overtreders die als volhardend gezien kunnen worden. Deze mannen (want het zijn bijna altijd mannen) hebben vaker en meer intensieve geweldplegingen dan anderen gepleegd en hebben daarnaast vaak ook meerdere niet-gewelddadige misdaden gepleegd. Bij de risicobeoordelingstests wordt in deze individuen een hoog risico op meer (gewelddadige) misdaad gezien. Deze personen moeten een goede behandeling krijgen, anders zullen ze hoogstwaarschijnlijk misdaden blijven plegen.

    Welke typen geweld en gevaarlijke misdadigers zijn er?

    Hier worden de verschillende vormen van geweld besproken. Geweld is instrumenteel of expressief. Instrumenteel geweld wordt gezien als doel-georiënteerd, opzettelijk, gecontroleerd en on-emotioneel. Expressief geweld kan gezien worden als reactief, kwaad, impulsief en emotioneel. Expressief geweld vindt vaak plaats als een individu een onprettige emotionele interne staat probeert te reduceren. Dit zijn de verschillende typen geweld:

    • Intiem partnergeweld is een vorm van geweld die vaak expressief is. Dit onderwerp is eerder behandeld en zal hier niet uitgebreid besproken worden. Intiem partnergeweld omvat fysieke agressie, maar ook emotionele agressie (vloeken, schreeuwen en beledigen).

    • Moord is een andere, zeer heftige vorm van geweld. Veel mensen denken dat moordenaars weer een moord zullen plegen als ze op vrije voeten komen, maar dit is niet vaak het geval. Moordenaars plegen zelfs niet vaak andere vergrijpen wanneer ze vrij komen. Ongeveer 2% van de individuen die vast hadden gezeten voor moord, werd opnieuw opgepakt voor een gewelddadige misdaad (geen moord). Wel kan moord zowel instrumenteel als expressief zijn (hoewel in Nederland een niet-geplande doding doodslag wordt genoemd en geen moord). 

    • Seksuele misdaden zijn ook vormen van geweld. Onder seksuele misdaden vallen het aanraken van een persoon tegen zijn/haar wil in, het tonen van geslachtsorganen en seksueel gedrag vertonen aan iemand die niet volwassen is of niet in staat is om toestemming te geven. Ook het hebben van bepaalde afbeeldingen van jonge kinderen is een seksuele misdaad. Het ligt aan het soort seksuele misdaad of het meer valt onder instrumenteel geweld of expressief geweld.

    • Verkrachting is een nog verdergaande vorm van een seksuele misdaad. Verkrachters kunnen onderverdeeld worden in een aantal groepen. Zo is er de opportunistische verkrachter, die impulsief handelt en wanneer de situatie daar is toeslaat. Deze verkrachter ziet gedwongen seks niet als moreel verkeerd. De tweede soort verkrachter is de niet-sadistische seksuele verkrachter. Deze hebben een hoge seksuele fantasie en verkeerde opvattingen over vrouwen en seks. Daarnaast is er de wraakzuchtige verkrachter die vrouwen als een vijand ziet. Het gedrag van deze verkrachter is er op gericht om het slachtoffer te degraderen en belachelijk te maken. Deze verkrachters zijn helemaal niet bezig met seksuele fantasieën. Het geweld van deze verkrachter kan zo ernstig zijn, dat het kan resulteren in moord. De laatste soort verkrachter is de pervasieve boze verkrachter. Deze verkrachter wordt gemotiveerd door woede uit allerlei aspecten van zijn leven. Deze mannen hebben een lange geschiedenis van antisociaal gedrag en verkrachting is een manier van expressie van hun gedrag.

    • Een ander vorm van geweld die twee typen omvat, is het plegen van seksueel gemotiveerde moorden. Mensen zouden dit kunnen doen omdat ze sadistisch zijn en sadistische fantasieën hebben over het vermoorden van iemand tijdens seks. Ook verkrachten sommige mensen iemand en willen ze hen daarom vermoorden. Ze zijn bang dat de slachtoffers naar de politie stappen om te vertellen dat ze verkracht zijn en ze moeten daarom dus dood. Soms worden seksuele partners vermoord omdat de dader veel opgekropte spanning had die veroorzaakt was door een andere persoon of situatie die niks met het slachtoffer te maken had.

    Wat is het raamwerk van behandelingen van gevaarlijke misdadigers?

    Polaschek en Collie hebben de behandeling van gewelddadige misdadigers gescheiden op de basis van hun theoretische benaderingen. Behandelprogramma’s kunnen onderscheiden worden op basis van woedebeheersing, ontwikkeling van cognitieve vaardigheden, interpersoonlijke geweldprogramma’s of multimodale benaderingen. Woedebeheersing en cognitieve vaardigheden behandelprogramma’s zijn korter en minder intens (normaal gesproken minder dan 150 uur) dan de anderen. Ze zijn gebaseerd op de aanname dat één factor (antisociaal denken of woede) de oorzaak is voor gewelddadig gedrag. Multimodale programma’s zijn meer intens (meer dan 300 uur) dan andere benaderingen. Ze gaan er van uit dat veel factoren betrokken zijn bij de oorzaak en behoud van gewelddadig gedrag en ze kijken naar een groot aantal psychologische factoren en gedragsfactoren (sociale vaardigheden, denkpatronen en alcohol/drugsgebruik). De verschillende behandelprogramma’s worden hieronder kort besproken:

    • Woedebeheersing. Woedebeheersing programma’s worden vaak gebruikt. Deze programma’s worden vaak in groepen gegeven en zijn vaak van korte duur (tien tot twintig uur sessies). Deze programma’s zijn er op gericht om de misdadigers bewust te maken van hun woede en de dingen die hun woede veroorzaken en ze krijgen vervolgens vaardigheden, zoals sociale training en relaxatie training. Deze benadering neemt aan dat geweld veroorzaakt wordt door woede.

    • Cognitieve vaardigheidsprogramma’s. Deze programma’s zijn gebaseerd op het beeld dat gewelddadige overtredingen veroorzaakt zijn door antisociale cognities en ze zijn gericht op het helpen van misdadigers om hun gedachtepatroon te herkennen en nieuwe manieren van denken te leren. Deze programma’s worden in groepen gegeven en zijn kort, maar wel langer dan woedebeheersing programma’s. Veel onderzoekers denken wel dat cognitieve vaardighedenprogramma’s niet echt succesvol zijn voor misdadigers met een hoog risico op misdadig en gewelddadig gedrag.

    • Intiem partnergeweld (IPV) programma’s. Deze programma’s zijn ontworpen rondom feministische theorieën over waarom intiem partnergeweld gebeurd. Ze richten zich daarom op macht en controle in intieme relaties en communicatie en stress management technieken. Deze benadering wordt door critici als te beperkt gezien, omdat er ook vrouwen intiem partnergeweld tegen mannen plegen. Het lijkt dus niet aannemelijk dat een machtige maatschappelijke positie leidt tot intiem partnergeweld. 

    • Multimodale programma’s. De meer recentere multimodale programma’s hebben een grotere intensiteit en richten zich op veel meer issues dan woedebeheersing en cognitieve vaardigheden programma’s. Deze programma’s zijn in het bijzonder geschikt voor mannen die een geschiedenis van serieus gewelddadige gedrag hebben en die gezien worden als individuen met een hoog risico. De duur van deze programma’s is minimaal twaalf maanden en het wordt in groepsvorm gegeven en daarnaast kunnen er ook individuele sessies plaats vinden als dat nodig is. De theorie achter deze programma’s is dat geweld veroorzaakt kan zijn door verschillende dingen en al deze dingen moeten dus behandeld worden tijdens de behandeling.

    Voor het plannen van een behandelprogramma moet een onderzoeker weten wat de functie van het geweld was en de oorzaken van het geweld waren. Daarnaast moet de onderzoeker ook nadenken over hoe de misdadiger voorbereid en gemotiveerd moet worden om mee te doen aan het programma. Uit onderzoek is immers gebleken dat de programma's weinig nut hebben als iemand er zelf niet achterstaat. De programma's die hieronder worden uitgewerkt, zijn vooral gericht op seksueel geweld. 

    Wat is cognitieve gedragstherapie?

    De behandeling van seksmisdadigers met cognitieve gedragstherapie richt zich voornamelijk op het behandelen van individuen die kinderen misbruiken. Er wordt soms voor verkrachters (van volwassen slachtoffers) een vergelijkbare behandeling gebruikt, maar er is nog niet veel bewijs om deze praktijk te ondersteunen. Seksmisdadigers krijgen voornamelijk cognitieve gedragsbehandelingen. Het cognitieve aspect richt zich op de opvattingen die deze misdadigers hebben en ook op de stemmingen die de kans op het begaan van overtredingen vergroten. Cognitieve gedragstherapie probeert de individuen op andere manieren te laten denken over gebeurtenissen, ze te laten zien welke patronen samen hangen met seksueel gedrag en gebruikt verscheidene methodes om het individu deze gedachtepatronen te laten revalueren. Deze methode maakt gebruik van leertheorie, gedragsmodellen en vaardigheden training. Uit onderzoek blijkt dat deze methode efficiënt is.

    Wat is terugval interventie? 

    Vaak wordt ook een terugval interventie gekoppeld aan cognitieve gedragstherapie. Dit is een zelfmanagement techniek die individuen helpt met het omgaan van de problemen van terugval. Deze techniek probeert cliënten te helpen de controle over hun seksuele afwijking (voorkeur voor kinderen of gewelddadige seks) te behouden. Er is echter wel wat kritiek op deze techniek, omdat de techniek suggereert dat iedereen dezelfde wegen volgt tot het begaan van een misdaad en dat is niet zo. Iedere misdadiger heeft andere motivaties voor zijn daden en zit anders in elkaar. Ook heeft het een negatieve focus en misdadigers moeten veel situaties uit de weg gaan om de risico’s te minimaliseren en het maakt deze techniek dus minder aantrekkelijk voor misdadigers. Hierdoor kan de motivatie verdwijnen.

    Wat is behandeling gericht op risico, benodigdheid en responsiviteit?

    De principes van risico, benodigdheden en responsiviteit zijn al in een eerder chapter behandeld. Kort samengevat kan gezegd worden dat er gekeken moet worden of een individu een hoog risico level of laag risico level heeft en wat voor psychologische problemen iemand heeft. Dan moet behandeld worden op een manier die past bij het individu en zijn achtergrond.

    Het risico level inschatten wordt met behulp van een risicobeoordelingstechniek achterhaald. De variabelen die samenhangen met seksmisdadigers kunnen in vier domeinen opgedeeld worden:

    1. Seksuele interesses, zoals anti-sociale voorkeuren.

    2. Verdraaide opvattingen, zoals vrouwen als minderwaardig zien. 

    3. Sociaal-affectief functioneren, zoals communicatie en emotieverwerking. 

    4. Zelfmanagement, de mate van controle over de andere 3 vlakken.

    Problemen in deze vier domeinen zijn gerelateerd aan terugval. De behandeling die zich hierop richt lijkt te werken, maar sommige onderzoekers vinden het geen goede behandeling omdat het zich alleen richt op seksuele factoren en niet kijkt naar de andere problemen van het individu.

    Wat is het good lives model?

    Het good lives model is opgericht om de kritiek op de behandeling aan te pakken. Het good lives model is een rehabilitatietheorie die probeert dynamische risicofactoren te verminderen door de misdadiger interne en externe middelen te geven om belangrijke persoonlijke doelen te bereiken. Er is echter niet veel empirisch bewijs voor de effectiviteit van het model. Moderne theorieën over seksmisdadigers proberen biologische, sociale en psychologische oorzaken te integreren. Behandelmethoden zijn nog niet zo ver, want zij gebruiken vrijwel alleen maar de psychologische benadering.

    Welke uitdagingen zijn er nog binnen de behandeling van gevaarlijke misdadigers?

    Er is te weinig empirisch bewijs om conclusies te trekken over de effectiviteit van behandelingen voor gewelddadige misdadigers. Iedereen ziet wel in dat het heel belangrijk is dat deze groep individuen een behandeling krijgt. Daarom krijgen gevaarlijke individuen een algemeen behandelprogramma zoals eerder uitgewerkt in het boek of ze krijgen specifieke, intensieve behandelprogramma’s. Onderzoek naar de effectiviteit van behandelprogramma’s voor gevaarlijke misdadigers spreekt elkaar tegen. Sommige studies menen dat bepaalde programma’s wel goed werken, andere studies menen van niet. De beste behandelmethode die naar voren komt voor gevaarlijke individuen is cognitieve gedragstherapie.

    Een ander probleem is dat psychopaten niet echt positief reageren op traditionele behandelprogramma’s en voor deze individuen zouden specifieke programma’s gebruikt moeten worden. Sommige onderzoekers beweerden zelfs dat psychopaten erger worden door behandelprogramma’s en dat de kans op terugval heel groot is.

    Weer andere problemen zijn dat de dader vaak niet erg gemotiveerd is om mee te doen aan het programma. Sommige individuen willen niet mee doen omdat ze leerproblemen hebben, communicatie problemen of een therapeut willen die dezelfde culturele achtergrond heeft als zij hebben. Psychologen moeten hun best doen om deze punten aan te pakken, want het is natuurlijk belangrijk om gevaarlijke individuen te behandelen. Ook moeten therapeuten goed kijken naar de factoren van een groep. Het groepsklimaat moet goed zijn, want individuen moeten niet agressief worden en elkaar aanvallen. De beste groepen zijn goed georganiseerd en hebben groepsnormen. De behandelcontext moet daarnaast goed zijn. Sommige onderzoekers zijn bang dat behandelingen in een gevangenis minder goed zijn dan behandelingen in een ander gebouw. Dit komt doordat gevangenisregels en codes andere principes respecteren dan de principes die behandelprogramma’s promoten. Ook vertrouwen veel misdadigers het gevangenispersoneel niet en dit wantrouwen kan ook overspringen op de therapeut. Zowel de misdadigers als het gevangenispersoneel moeten betere educatie krijgen over behandelprogramma’s zodat bepaalde stigma's, onzekerheden en vooroordelen uit de weg worden geruimd.

    Access: 
    Public
    Hoe moet worden omgegaan met vrouwelijke misdadigers? - Chapter 20

    Hoe moet worden omgegaan met vrouwelijke misdadigers? - Chapter 20

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In dit chapter komt een tweede groep ‘bijzondere’ misdadigers aan bod: vrouwen. Vrouwen zijn in vergelijking met mannen veel minder misdadig. Toch is het slecht dat vrouwen binnen de criminologie over het hoofd zijn gezien, omdat ze andere oorzaken voor hun misdaden hebben en anders op interventies reageren.

    In dit chapter wordt uitgelegd waarom er over vrouwelijke misdadigers heen is gekeken en wat de negatieve gevolgen hiervan zijn. Daarna wordt geschetst hoe antisociaal gedrag er bij vrouwen uitziet. Aan de hand van het feministische perspectief en de ontwikkelingscriminologie worden de verschillen van vrouwelijke misdadigers met mannen duidelijk gemaakt. Aan de hand van verschillende wegen die vrouwelijke misdadigers afgelegd kunnen hebben, wordt getoond hoe de individuele factoren voor de misdaad geïnterpreteerd kunnen worden. Dit helpt bij het opstellen van passende interventies. De vier wegen die uiteengezet worden zijn de normaal functionerende drugs/eigendom weg, de slachtofferschap weg, de arme en gemarginaliseerde weg en de antisociale agressieve weg. Door een beter begrip van de vrouwelijke misdadiger, kan zij beter geholpen worden. Dit zorgt voor een algehele vermindering van misdaad en recidive.

    Waarom is er over vrouwelijke misdadigers heen gekeken?

    In de criminologie is lange tijd niet naar vrouwen gekeken. Dat is onder andere te zien in het feit dat dit chapter bij eerdere drukken van het boek nog niet bestond. Er is veel onderzoek gedaan naar waarom mannen misdaden plegen en naar hoe misdadig gedrag bij mannen voorkomen en bestraft moet worden. Het is echter verkeerd om de resultaten uit dit onderzoek op vrouwen toe te passen, omdat er belangrijke verschillen zitten tussen mannelijke en vrouwelijke misdadigers. Er zijn wel mensen die zeggen dat gender-neutraal naar de zaak gekeken moet worden. Maar recentelijk is de opvatting ontstaan dat, juist om gelijkheid te krijgen, gender-geïnformeerd moet worden gekeken. Dit houdt in dat interventies voor vrouwen gebaseerd moeten zijn op onderzoek op vrouwen. Anders kunnen vrouwen minder goed geholpen worden dan mannen om hun leven op de rit te krijgen, wat ook voor de samenleving niet efficiënt is.

    Hoe ziet antisociaal gedrag bij vrouwen eruit?

    Mannen vertonen meer antisociaal gedrag dan vrouwen. Dit is een belangrijke reden dat het onderzoek naar antisociaal gedrag zich voornamelijk op mannen heeft gericht. Pas rond 1990 kwam er wetenschappelijke interesse naar antisociaal gedrag bij vrouwen. Over het algemeen zijn de oorzaken van antisociaal gedrag bij vrouwen hetzelfde als bij mannen: aanpassingsproblemen, drugsgebruik, slechte omgeving, slechte opvoeding of problemen van de ouders, geweld in intieme relaties, slechte educatie en internalisering van problemen.

    Er zijn zeer veel verschillende modellen om antisociaal gedrag bij vrouwen uit te leggen. In dit boek wordt vanuit een feministisch perspectief en vanuit ontwikkelingsmodellen naar het fenomeen gekeken. 

    Wat biedt het feministische perspectief aan kennis over antisociaal gedrag bij vrouwen?

    Het feministische perspectief heeft heel veel toegevoegd aan de manier waarop naar antisociaal gedrag bij vrouwen werd gekeken ten opzichte van wat al bekend was over hetzelfde gedrag bij mannen. Het benadrukt de maatschappelijke en culturele invloeden als factoren van antisociaal gedrag bij vrouwen. Denk hierbij aan verschillende socialisatieprocessen afhankelijk van of iemand man of vrouw is, gender-gebaseerde rollen, een patriarchale samenleving, onderdrukking, slachtofferschap, marginalisering en sociale klassen. Zo is vrouwelijk geweld vaak een reactie op mannelijke dominantie en misbruik en misdaad zoals diefstal een reactie op ongelijke economische mogelijkheden en financiële afhankelijkheid. Het is heel belangrijk om hiernaar te kijken om misdaad te kunnen voorkomen.

    Wat biedt de ontwikkelingscriminologie aan kennis over antisociaal gedrag bij vrouwen?

    Ontwikkelingscriminologie heeft ook bijgedragen aan het begrip van antisociaal gedrag bij vrouwen. De suggestie uit onderzoek van bijvoorbeeld Moffitt en Patterson is dat mensen verschillende paden kunnen volgen waarin antisociaal gedrag wordt ontwikkeld. Twee veelbesproken paden zijn de levensweg-persistente en de adolescentie-gelimiteerde. Bepaalde factoren zijn indicaties dat iemand antisociaal gedrag ontwikkeld om de adolescentie door te komen, maar daarna weer op het rechte pad te belanden. Dit zijn onder andere een sterke behoefte aan status, slechte controle door ouders en slechtgemanierde vrienden. Andere factoren zorgen voor de ontwikkeling van antisociaal gedrag dat het hele leven wordt meegenomen. Dit zijn bijvoorbeeld ernstige familieproblemen en neuropsychologische beperkingen.

    Deze paden waren ontwikkeld vanuit onderzoek op mannen. Hierop kwam kritiek van Silverthorn en Frick, die in hun onderzoek vonden dat vrouwen niet in een twee-paden-model pasten, maar eerder in een drie-paden-model. Zij stelden het vertraagde adolescentie begintraject voor als extra pad. De factoren zijn hier bijvoorbeeld dat vrouwen worden afgeleerd om emoties te externaliseren en in plaats daarvan geleerd worden om te internaliseren en dat vrouwen meer beschermd worden opgevoed dan mannen. Hierdoor worden vrouwen in sommige opzichten te laat volwassen en nemen ze antisociaal gedrag uit hun adolescentie mee in de volwassenheid. Door met dit derde pad van antisociaal gedrag rekening mee te houden, kunnen er nog meer factoren op tijd worden gezien om verdere problemen te voorkomen.

    Hoe wordt antisociaal gedrag bij vrouwen gezien?

    Net als bij mannen kan antisociaal gedrag zich bij vrouwen op veel verschillende manieren uiten. Wat wel een belangrijk verschil is in mannen en vrouwen, is dat vrouwen minder geneigd zijn tot ernstig en gewelddadig gedrag. Door sommige onderzoekers wordt geopperd dat we antisociaal gedrag te veel zien als gewelddadig gedrag. We zien zo andere vormen van antisociaal gedrag over het hoofd. Ook wordt agressie van vrouwen vaak niet fysiek geuit maar veel meer emotioneel en sociaal. Het is heel belangrijk dat bijvoorbeeld misbruik in intieme relaties breder wordt gezien dat fysieke mishandeling, omdat slachtoffers van emotioneel misbruik hier ook ernstige gevolgen door kunnen ervaren.

    Het rechtssysteem is veel milder over antisociaal gedrag van vrouwen dan van mannen. Vrouwen moeten worden beschermd tegen hun slechte omgeving en gevaarlijke levensstijl. Dit is anders dan hoe naar antisociale mannen wordt gekeken; daarvan moet de samenleving juist worden beschermd. Ook worden vrouwen als meer kwetsbaar gezien dan mannen, waardoor minder vaak voor heftige straffen wordt gekozen.

    Er is nog te weinig onderzoek gedaan naar welke interventies het beste werken voor vrouwen, omdat ook de meningen nog verschillen over de mate waarin vrouwen van mannen verschillen.

    Hoe kan misdaad door vrouwen worden verminderd?

    Vrouwen plegen veel minder misdaad dan mannen. Het is ook zo dat vrouwen makkelijker wegkomen met misdaad, omdat op mannen strenger wordt gereageerd. Maar zelfs als je dit meerekent, is het percentage misdadige vrouwen veel lager dan het percentage misdadige mannen. Slechts 20% van de overtredingen is door vrouwen gepleegd, 5% van de mensen in de gevangenis is vrouw, en de misdaden en overtredingen van vrouwen zijn veel minder vaak gewelddadig. Vrouwelijke misdadigers recidiveren ook veel minder vaak dan mannen, al helemaal bij de gewelddadige misdaden. Wel heeft onderzoek van Andrews, Bonta en Wormith aangetoond dat de vrouwen die wel recidiveren, in veel opzichten op mannelijke misdadigers lijken.

    Er zijn verschillende manieren waarop vrouwen richting misdadig gedrag worden gestuurd door de factoren. De belangrijkste wegen waarop dit gebeurt zijn de volgende:

    • De normaal functionerende drugs/eigendom weg. Deze weg lopen de vrouwen af die geen significante problemen hebben gehad in de ontwikkeling en tot normaal functionerende volwassenen zijn opgegroeid maar vervolgens drugs gingen gebruiken of te weinig geld hadden om voor zichzelf of hun gezin te zorgen. Misdaad lijkt, als drugs of geld nodig zijn, de enige manier om dit te verkrijgen. Deze vrouwen bezitten zelf niet veel criminologische factoren voor misdaad (in een andere situatie zouden ze geen misdaad plegen) en de kans op recidive is klein.

    • De slachtofferschap weg. Dit is de weg van misbruik als kind en/of in intieme relaties, seksueel slachtofferschap en een gevaarlijke omgeving. Vrouwen die dit pad bewandelen laten hogere mentale gezondheidsproblemen, woedeproblemen en agressieproblemen zien dan anderen.

    • De arme en gemarginaliseerde weg. Deze weg wordt gekarakteriseerd door armoede, problemen in educatie en weinig kansen op de arbeidsmarkt. De omgeving van de vrouwen op deze weg, is vaak ook meer crimineel en gebruikt meer drugs. 

    • De antisociale agressieve weg. Dit is te zien als de weg van vrouwen die zo ernstig misbruikt zijn, onveilig geweest zijn of gemarginaliseerd zijn dat ze zich alleen nog denken te kunnen beschermen door antisociaal gedrag en agressie. Deze vrouwen hebben over het algemeen serieuze mentale gezondheidsproblemen en leven in armoede.

    Het is belangrijk om in te zien welk pad een vrouwelijke misdadiger belopen heeft om te kunnen vaststellen hoe zij het beste geholpen kan worden. Voor vrouwen van de slachtofferschap weg en de antisociale agressieve weg is traumaverwerking en hulp bij het vinden van een veilige omgeving bijvoorbeeld heel belangrijk, terwijl vrouwen van de andere twee wegen vooral baat hebben bij educatie en hulp in het opbouwen van een carrière. Interventies voor vrouwen zijn in principe hetzelfde als die voor mannen, maar welke interventie wanneer gekozen moet worden, verschilt. Daarom moet naar de oorzaken van het misdadige gedrag worden gekeken. 

    Omdat zo veel vrouwelijke misdadigers getraumatiseerd zijn en verkeerde verdedigingsmechanismen hebben ontwikkeld om zich tegen mannen te weren, is het niet verstandig om vrouwen en mannen samen te voegen in behandelingsprogramma's. Wel reageren vrouwen over het algemeen goed op groepstherapie ten opzichte van op individuele therapie.

    Access: 
    Public
    Hoe moet worden omgegaan met misdadigers met intellectuele beperkingen? - Chapter 21

    Hoe moet worden omgegaan met misdadigers met intellectuele beperkingen? - Chapter 21

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    Dit chapter richt zich op misdadigers met intellectuele beperkingen. Eerst wordt de term intellectuele beperking uitgelegd. Dan wordt een antwoord gegeven op de vraag of een intellectuele beperking het risico op misdaad kan vergroten of niet. Hierover zijn de onderzoeken wel wisselend. Daarna wordt uiteengezet hoe misdadigers getest kunnen worden op intellectuele beperkingen. Omdat mensen met een intellectuele beperking kwetsbaarder zijn dan anderen, moet hier voorzichtig mee worden omgegaan. Dit geldt ook voor de behandeling van misdadigers met een intellectuele beperking. Hiervoor worden in dit chapter tips gegeven.

    Aan het eind van dit chapter wordt de intellectuele beperking iets losgelaten en wordt gekeken naar autisme. Er is namelijk veel overlap tussen misdadigers met een intellectuele beperking en misdadigers met autisme. Het onderzoek over de invloed van autisme op het risico op misdaad, is ook niet eensgezind, maar de voorzichtige conclusie is dat autisme het risico op misdaad niet vergroot, maar wel invloed heeft op de vorm van misdadig gedrag.

    Wie hebben een intellectuele beperking?

    De term intellectuele beperkingen wordt gegeven aan mensen voor wie alle drie de volgende voorwaarden gelden:

    1. Het IQ is lager dan 70.

    2. In minimaal twee gebieden van adaptief gedrag zijn tekortkomingen. Adaptief gedrag bestaat uit de vaardigheden die nodig zijn voor het uitvoeren van dagelijkse handelingen die horen bij het persoonlijk en sociaal functioneren van iemand.  

    3. De tekortkomingen moeten al zijn begonnen voordat iemand volwassen was.

    Omdat van alle drie deze voorwaarden sprake moet zijn, kan het lastig zijn om vast te stellen of iemand een intellectuele beperking heeft. Het kan bijvoorbeeld lastig te achterhalen zijn hoe iemand als kind functioneerde. Ook is het soms logistiek moeilijk om iemand zijn IQ te testen.

    Kan een intellectuele beperking het risico op misdaad vergroten?

    De prevalentie van misdadigers met intellectuele beperkingen is lastig om te bestuderen. Screeninginstrumenten vinden hogere aantallen dan psychometrische beoordeling omdat screeninginstrumenten ontworpen zijn om over-inclusief te zijn. Dit betekent dat er meer valse positieven zijn, om niemand over het hoofd te zien. De criteria die gebruikt worden spelen ook een rol, want sommige studies nemen individuen die borderline hebben met een IQ tussen de 70 en 80 mee bij de studie naar misdadigers met intellectuele beperkingen en andere studies doen dat niet. Een onderzoek liet zien dat de prevalentie van misdadigers met intellectuele beperkingen met een IQ lager dan 70 10% was en dat als individuen met borderline ook mee werden genomen, de prevalentie 30% was. Dat is toch wel een behoorlijk verschil. Ook zijn er veel grote methodologische verschillen tussen studies die ervoor zorgen dat de conclusies over de prevalentie verschillen. De methodes van de beoordeling, de locatie van de steekproef en de grootte van de steekproef spelen een grote rol bij de verschillen die te vinden zijn tussen studies. Deze methodologische verschillen zorgen er ook voor dat er verschillende karakteristieken gevonden zijn van misdadigers met een intellectuele beperking in studies.

    Het is dus lastig vast te stellen hoe groot het percentage misdadigers met een intellectuele beperking is. Wel is er door Hodgins onderzoek gedaan naar het risico op misdadig gedrag door mensen met een intellectuele beperking. Hieruit is gebleken dat dit risico hoger is dan voor mensen zonder intellectuele beperking. Er is wel veel kritiek op dit onderzoek omdat de steekproef niet representatief geweest zou zijn en er geen rekening gehouden is met verschillende soorten overtredingen. Verkeersovertredingen vielen hier namelijk ook onder, terwijl er een groot verschil zit tussen een overtreding en een misdaad. 

    Hoe kunnen misdadigers op intellectuele beperkingen getest worden?

    Het is voor de verdere behandeling van een misdadiger belangrijk om een intellectuele beperking vast te stellen of uit te sluiten. Het beoordelingsproces moet begrepen worden door de cliënten die getest worden. Dit spreekt voor de normale persoon voor zich, maar mensen met een intellectuele beperking hebben tekortkomingen in taalvaardigheden en begrip. Alle beoordelingen moeten daarom in een simpele taal en met simpele concepten gedaan worden. Dit wordt echter niet altijd gedaan. Al het materiaal moet worden voorgelezen en uitgelegd aan de individuen en er moet constant gecontroleerd worden of alles nog duidelijk is door bijvoorbeeld iets in andere woorden te laten herhalen. De consequenties hiervan zijn dat de beoordeling een stuk langer duurt. De persoon die de beoordeling aflegt zal namelijk alles mondeling moeten doen en alle antwoorden moeten aanhoren. De beoordeling zal op deze manier veel tijd vergen maar de integriteit van het proces mag niet verminderd worden door deze aanpassingen.

    Onderzoek naar misdadigers met intellectuele beperkingen heeft aangetoond dat woede en agressie de meest voorkomende problemen zijn. Er zijn verschillende schrijvers die een beoordeling hebben ontwikkeld voor dit probleem. Sommige beoordelingsschalen geven informatie over de frequentie en zwaarheid van agressie en anderen kijken naar de vaardigheden die mensen met intellectuele beperkingen gebruiken om woede in specifieke situaties te managen. Sommige behandelingen raden aan om tot tien te tellen, ontspanningstechnieken te gebruiken, hulp te vragen, rustig weg te lopen, assertief te handelen, afleidingsactiviteiten te gebruiken of cognitieve herkadering toe te passen. Tot tien tellen en ontspanningstechnieken worden het vaakst als advies gegeven, maar deze twee technieken werden het minst vaak gebruikt door misdadigers. De meeste beoordelingsmethodes die gebruikt worden blijken efficiënt te zijn.

    Ook zijn er beoordelingstests voor seksmisdadigers met intellectuele beperkingen. De Social Sexual Knowledge and Attitudes Tool (SSKAT) kijkt naar kennis en attitudes op verschillende gebieden die gerelateerd zijn aan sociale en seksuele relaties. Zo wordt er bijvoorbeeld gekeken naar romantische relaties, seksuele relaties, adolescente ontwikkeling, voorbehoedsmiddelen, soa’s en seksuele gezondheid. Seksuele kennis is erg belangrijk, want dat is een factor die het verschil kan maken tussen twee groepen seksuele misdadigers met intellectuele beperkingen. De seksuele misdadigers met intellectuele beperkingen die vaak seksuele handelingen uit hebben gevoerd met kinderen weten over het algemeen veel meer van seks af dan individuen met intellectuele beperkingen die in het openbaar gemasturbeerd hebben en bloot in het openbaar verschenen zijn. Deze tweede groep is de groep van naïeve overtreders. Cognitieve vertekeningen zijn belangrijke factoren die leiden tot seksuele misdaden en deze worden dan ook meegenomen in de beoordeling. Er zijn een aantal beoordelingen ontwikkeld voor seksuele misdadigers, maar de taal is moeilijk voor mensen met intellectuele beperkingen. Tegenwoordig zijn er wel beoordelingen voor seksmisdadigers met intellectuele beperkingen en de meest gebruikte is de Questionnaire on Attitudes Consistent with Sexual Offending (QACSO). De QACSO bevat een aantal schalen die attitudes over vrouwen, verkrachting, daten, exhibitie, stalken, kinderen en homoseksuele mishandeling evalueren.

    Er zijn weinig studies die gaan over de beoordeling en behandeling van vuurstichters met intellectuele beperkingen. Een van de weinige beoordelingstechnieken is de Pathological Fire-Setters Interview (PFSI). Dit is een gestructureerd interview met informatie van patiënten documenten, observaties van stafleden en patiënt en informant beoordeling. Er werd informatie verkregen over de demografische, persoonlijke, misdaad en familie details. Ook werd er informatie gevonden over persoonlijke, situationele omstandigheden van het misdrijf (vuur starten). De antecedenten, motieven en consequenties van het vuur stichten werden ook behandeld. Andere beoordelingstechnieken kijken naar wat zij denken dat de factoren voor het stichten van een brand zijn: populariteit bij leeftijdsgenoten, een manier om spanning te ervaren, een manier om verdriet te uiten, retributie, een manier om angst te verminderen en mentale ziektes. Uit een onderzoek is gebleken dat vuurstichters met intellectuele beperkingen voornamelijk vuur stichten omdat ze boos zijn, zich genegeerd voelen of zich depressief voelen.

    Hoe moeten misdadigers met intellectuele beperkingen behandeld worden?

    De meeste rehabilitatieprogramma’s zijn gericht op de verbetering van cognitieve vaardigheden en sociale probleemoplossingen. Cognitieve vaardighedenprogramma’s zijn er op gericht om alternatieve, pro-sociale manieren aan te leren om situaties te benaderen. Deze alternatieve denkstijlen zorgen er voor dat het individu in staat is om het denken dat voor zijn criminaliteit zorgt om te zetten in iets positiefs. Uit onderzoek is gebleken dat programma’s die gericht zijn op de denkstijl een significante reductie opleveren van recidive (7 tot 33% minder recidive). Individuen met intellectuele beperkingen hebben juist tekortkomingen in het sociaal probleemoplossend vermogen en zulke programma’s zijn ook voor hen ontwikkeld. Uit onderzoek blijkt dat deze speciale programma’s er voor zorgen dat misdadigers met intellectuele beperkingen zich positiever voelden over interpersoonlijke problemen, minder impulsief werden en minder negerend in sociale situaties werden.

    Voor woede en geweld worden gedragsinterventies het meest toegepast. Een voorwaarde voor gedragsinterventies is dat deze georganiseerd moeten worden op een consistente en betrouwbare manier. Ook moeten ze plaatsvinden in een gecontroleerde institutionele omgeving en dat is vaak heel lastig. Woedebeheersing wordt ook als een goede vorm van behandeling gezien voor deze groep mensen. Vooral woedebehandelingen die in groepsvorm worden gegeven en die psycho-educatie, rollenspellen, opwinding reductie, probleemoplossing en stressvermindering bevatten worden als goed gezien. Er zijn veel verschillende behandelingen voor seksmisdadigers, maar de meest significante ontwikkeling in dat veld is gebaseerd op cognitieve gedragstherapie.

    Een van de eerste interventies voor seksmisdadigers met intellectuele beperkingen was een probleem-oplossende interventie en hierin waren een aantal riskante situaties voorgesteld waarin misdadigers een veilige oplossing voor zichzelf en potentiële slachtoffers moesten verzinnen. Veel misdadigers leerden hierdoor beter te communiceren. Er zijn veel positieve resultaten gevonden van cognitieve gedragstherapie voor individuen met intellectuele beperkingen. De meeste studies rapporteren dat er maar enkele mensen weer de fout in zijn gegaan. Het overgrote deel is op het rechte pad gebleven. Sommige studies moeten echter wel rekening houden met de situatie van de misdadiger, wat nog te weinig wordt gedaan. In een studie werd er namelijk gekeken naar individuen die 24 uur per dag en zeven dagen in de week supervisie kregen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat deze misdadigers niet weer de fout in ging. Dit lag echter misschien niet aan de behandeling die ze kregen, maar aan het feit dat ze de hele tijd gezien werden. De effecten van een behandeling zouden eigenlijk geëvalueerd moeten worden zonder grote variabelen zoals supervisie en escort. In een uitgebreide studie van Lindsay en collega’s werd er gekeken naar seksmisdadigers met intellectuele beperkingen die toegang hadden tot de samenleving en in een bepaalde samenlevingssetting leefden, zoals een familie huis, een flat of een groepshuis. Deze personen hadden onbeperkt toegang tot het gemeenschap (ze werden niet gesuperviseerd) en de onderzoekers zagen dat 23,5% terugviel in seksuele misdaden. Het onderzoek werd nog meer uitgebreid en na 20 jaar werd er gekeken hoeveel mensen er teruggevallen waren in hun oude, slechte gewoontes. Hieruit bleek dat de reductie in recidive 95% was. Dit is een zeer mooi resultaat uit een zeer significante studie met goede effect groottes. De resultaten uit de studie waren dus betrouwbaar en dit is hoopvol voor de toekomst.

    Wat is de connectie tussen autisme en misdaad?

    De laatste jaren is er veel onderzoek gedaan naar de rol van autisme in misdadig gedrag. Met autisme wordt de autisme spectrum stoornis bedoeld. De studies hiernaar zijn echter heel uiteenlopend en spreken elkaar tegen. Iedere claim die is gemaakt, bijvoorbeeld dat mensen met autisme gewelddadiger zijn tijdens hun misdaden of dat ze ongebruikelijkere misdaden plegen, is ook weer weerlegd. 

    Wel kan gesteld worden dat autisme ervoor kan zorgen dat sociale signalen minder goed begrepen worden. Het wordt hierdoor lastiger om in te zien dat bepaald gedrag verkeerd of sociaal onwenselijk is. Ook kunnen mensen met autisme zich door de maatschappij onbegrepen voelen, wat kan resulteren in meer anti-sociaal gedrag. Ook kunnen emoties minder goed ingeschat worden door mensen met autisme, waardoor het besef dat zij iemand pijn doen, kwetsen of bang maken, te laat kan komen.

    Dit lijken echter slechts factoren die een misdaad ernstiger kunnen maken of de behandeling van een misdadiger moeilijker. Autisme lijkt geen risico te vormen voor meer misdadig gedrag. Ook is van de seksuele misdadigers juist een relatief klein deel autistisch.

    Access: 
    Public
    Hoe moet worden omgegaan met misdadigers met mentale stoornissen? - Chapter 22

    Hoe moet worden omgegaan met misdadigers met mentale stoornissen? - Chapter 22

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In dit chapter wordt gekeken naar de laatste groep van ‘bijzondere’ misdadigers: de misdadigers met mentale stoornissen. Eerst wordt uitgelegd hoe er vroeger werd omgegaan met misdadigers met mentale stoornissen. Dit was in meerdere opzichten problematisch en gelukkig is er al een duidelijke verandering in te zien.

    Vervolgens worden de verschillende mentale stoornissen en defecten uiteengezet die in forensische gezondheidsinstellingen te zien zijn: schizofrenie, major affectieve stoornissen, persoonlijkheidsstoornissen, psychopathie, intellectuele stoornissen, autisme en hersenbeschadiging. Er wordt uitgelegd wat zij inhouden en hoe zij effect hebben op de misdaad en op de behandeling van misdadigers.

    Daarna wordt naar de wetgeving rondom misdadigers met mentale stoornissen gekeken. Hierbij wordt ingegaan op de kwetsbaarheid van mentaal gestoorde misdadigers. Psychologen kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. Deze rol wordt uitgelegd en er wordt gekeken naar de best mogelijke interventies voor misdadigers met een mentale stoornis.

    Welke problemen zijn er te zien in de geschiedenis van forensische psychiatrische instellingen?

    In de afgelopen veertig jaar zijn veel forensische diensten beter geworden, maar een hele lange tijd was het allemaal niet zo goed geregeld. In het Verenigd Koninkrijk werden individuen met mentale stoornissen ‘verzorgd’ in grote gekkenhuizen die later psychiatrische ziekenhuizen werden genoemd. Het eerste ziekenhuis voor misdadigers met mentale stoornissen in het Verenigd Koninkrijk werd in 1863 in gebruik genomen. Broadmoor is een van de vier speciale beveiligde ziekenhuizen in het Verenigd Koninkrijk. De rol van de speciale ziekenhuizen is het geven van behandelingen voor de meest serieuze gestoorde misdadigers die een hoog level aan bewaking nodig hebben. Omdat er maar vier speciale ziekenhuizen waren in het Verenigd Koninkrijk, waren de mentaal gestoorde misdadigers meestal ver weg van hun huis en daardoor konden families elkaar niet vaak bezoeken. Hoewel het boek zich richt op de situatie in het Verenigd Koninkrijk, kan ervan uit worden gegaan dat het er in de rest van de Westerse wereld vergelijkbaar aan toe ging.

    Een ander probleem was het grote verschil tussen de hoge mate van bescherming en de terugkomst naar de samenleving. Doordat de gestoorde misdadigers in bescherming moesten worden genomen tegen zichzelf en de rest van de samenleving, werden ze voornamelijk binnen gehouden, weg van andere mensen. Dit zorgde voor moeilijkheden in de aanpassing van patiënten en problemen voor professionals in het identificeren of het voor individuen mogelijk zou zijn om veilig te leven in de samenleving. Men zag in dat het nodig was om meer regionale beveiligingsunits te hebben die er voor dienden dat patiënten dichter bij huis waren en dat ze behandeld konden worden in minder strenge faciliteiten. Patiënten konden zo op een geleidelijke manier rehabiliteren in de samenleving. Deze regionale beveiligingsunits werden medium secure units (MSU) genoemd. Professionals zagen ook in dat patiënten in de minst strenge mogelijke manier gemanaged moesten worden. Dit werden later de low secure units (LSU) die bestemd waren voor patiënten die lang kampten met hun mentale stoornis en niet goed reageerden op behandeling. Er werden allerlei regels opgesteld en een van de belangrijkste was dat de level van controle en bescherming zo min mogelijk beperkend was.

    Welke typen mentale stoornissen worden gezien in forensische gezondheidsinstellingen?

    Forensische mentale gezondheidsinstellingen werken met individuen die leiden aan verschillende mentale ziektes en stoornissen. Ook zijn er veel individuen die meerdere stoornissen hebben. De meeste misdadigers die leiden aan stoornissen zijn mannen, maar er zijn ook vrouwelijke misdadigers met mentale stoornissen. Hieronder worden alle mentale stoornissen behandeld die relevant zijn in forensische gezondheidsinstellingen. Er kunnen uiteraard mensen met alle mogelijke stoornissen in forensische gezondheidsinstellingen zitten, maar de volgende stoornissen hebben ook daadwerkelijk invloed op crimineel gedrag en rehabilitatie in de samenleving. 

    Wat is schizofrenie?

    Schizofrenie is de meest voorkomende diagnose binnen forensische mentale gezondheidsinstellingen. De ziekte zorgt voor grote veranderingen in het gedrag, emoties en het denken van een persoon. Het is een zware en chronische ziekte die gekarakteriseerd wordt door episodes van perceptuele verstoringen die we positieve symptomen noemen. Dit zijn positieve symptomen, in de zin dat ze zijn toegevoegd aan iemands ervaring. Deze positieve symptomen kunnen er voor zorgen dat iemand stemmen hoort, dingen ziet die er niet zijn of andere dingen gelooft of denkt over andere mensen. Hallucinaties en illusies horen bij de positieve symptomen van schizofrenie. Deze symptomen kunnen ook samen gaan met negatieve symptomen, zoals minder affectie, minder motivatie en minder plezier. Negatieve symptomen zijn symptomen die juist iets wegnemen bij het individu. Deze negatieve symptomen lijken een beetje op die van een depressie en zijn dus minder duidelijke aanwijzingen dat er sprake is van schizofrenie. Het is de combinatie van de symptomen die bepaalt of een individu schizofreen is. 

    Deze positieve en negatieve symptomen moeten minimaal een maand aanwezig zijn en niet door andere stoornissen veroorzaakt worden om de diagnose schizofrenie te krijgen. Ook moet er minimaal zes maanden een sociale disfunctie zijn. Dit betekent dat er minimaal een halfjaar sprake moet zijn van sociale en interpersoonlijke beperkingen.

    Er zijn antipsychotische medicijnen te krijgen, maar de meeste mensen krijgen toch meer dan een psychotische episode. Terugval kan komen door slecht medicatiegebruik en/of psychosociale stressfactoren. Paranoïde schizofrenie komt het vaakst voor in forensische gezondheidsinstellingen. Het wordt gekarakteriseerd door grote en achtervolgende illusies en deze psychotische episodes kunnen er voor gezorgd hebben dat iemand een misdaad heeft begaan.

    Wat zijn major affectieve stoornissen?

    Major affectieve stoornissen worden gekarakteriseerd door dramatische fluctuaties in humeur, zoals in bipolaire stoornissen of depressie te zien is. De stoornissen zitten het individueel functioneren van een individu dwars. In extreme gevallen kunnen psychotische symptomen aanwezig zijn tijdens episodes van ziektes en het grote verschil tussen deze episodes en schizofrene episodes is dat psychotische ervaringen altijd congruent zijn met het humeur. Dit houdt in dat de psychotische episodes van iemand die schizofreen is hem zomaar altijd kunnen treffen en de psychotische episodes van iemand met een major affectieve stoornis slechts als hij heel somber of juist manisch is. 

    Wat zijn persoonlijkheidsstoornissen?

    Een andere stoornis die voor komt in forensische instellingen is een persoonlijkheidsstoornis. Persoonlijkheidstheorie suggereert dat individuen stabiele karakteristieken laten zien over verschillende situaties. Deze karakteristieken zijn gevormd door een combinatie van temperament en omgevingsfactoren. Het is waarschijnlijk dat individuen geboren zijn met een biologische dispositie om persoonlijkheidsstoornissen te ontwikkelen. Bij anderen lijkt het te komen door nadelige levensgebeurtenissen. Sommige mensen met persoonlijkheidsstoornissen hebben moeilijke levenservaringen gehad die er voor hebben gezorgd dat een of meer fundamentele emotionele benodigdheden niet vervuld zijn. Het kind zal daardoor moeilijke omgangsstrategieën ontwikkelen en problemen met de aanhechting ervaren. Persoonlijkheidsstoornissen zijn vrij persistent. Niet alle onderzoekers zijn het eens over de symptomen en het is daarom soms lastig om persoonlijkheidsstoornissen te diagnosticeren.

    Wat voor stoornissen komen er nog meer voor in forensische instellingen?

    Psychopathie komt ook voor in forensische instellingen en dat is al in een van de vorige chapterken besproken. Hier wordt daar dus niet meer op ingegaan maar wees ervan bewust dat dit zeker in het rijtje hoort. 

    Misdadigers met intellectuele beperkingen zijn ook al besproken. Sommige onderzoekers denken dat het aantal individuen met intellectuele beperkingen die een misdaad begaan onder gerapporteerd wordt, omdat een paar van deze individuen aan vervolging ontsnappen omdat men hun gedrag excuseert door de beperkingen die ze hebben. Andere onderzoekers denken juist dat het aantal over gerapporteerd wordt omdat individuen met intellectuele beperkingen een grotere kans lopen om gepakt te worden in vergelijking met andere misdadigers.

    De afgelopen paar jaren worden er steeds meer mensen met een autistisch spectrum stoornis gezien in forensische instellingen. Dit komt waarschijnlijk door het feit dat we ons meer bewust zijn van autisme. Er wordt veel meer getest op autisme en het wordt sneller opgemerkt. Het is ook zo dat bepaalde karakteristieken van de stoornis bijdragen aan verhoogde instanties van riskant gedrag. Mensen met autisme hebben een slechte impuls controle en hebben tekortkomingen wat hun interpersoonlijke vaardigheden betreft. Zo kunnen ze sociale situaties niet goed interpreteren. Het is, zoals eerder besproken, nog twijfelachtig of autisme echt tot meer misdadig gedrag leidt. Maar het is wel belangrijk om bij de behandeling van een misdadiger rekening met diens autisme te houden.

    Wat is de rol van hersenbeschadiging in de forensische populatie?

    Het is lastig om de prevalentie van de forensische populatie met hersenbeschadiging te meten en conclusies te trekken over de verbanden tussen hersenbeschadiging en overtredingen. Veel incidenten van hoofdletsel worden niet gerapporteerd en de impact kan daarom onderschat worden. Verkregen hersenletsel (dus niet aangeboren hersenletsel) kan geassocieerd worden met antisociaal gedrag en impulsieve reacties. Dit komt doordat er een impact is op de cognities, persoonlijkheidsfuncties en emoties. Er kunnen tekorten in het concentratievermogen voorkomen, tekorten in het geheugen en executieve functies. Informatie kan hierdoor minder goed en snel verwerkt worden en problemen kunnen minder goed opgelost worden. Mensen met verkregen hersenletsel kunnen impulsief worden en egocentrisch. Alcohol- en drugsgebruik kunnen er ook toe leiden dat mensen agressief en abnormaal reageren. Dit gaat vaak samen met de voorgaande stoornissen die besproken zijn hierboven. Er kunnen dus enkel conclusies getrokken worden over de invloed van hersenbeschadiging op misdaad door de kennis die er over hersenbeschadiging is, toe te passen op wat we weten van risico op misdaad. Andersom kan niet goed gecontroleerd worden of er ook daadwerkelijk relatief veel mensen met hersenbeschadiging onder de forensische populatie vallen.

    Hoe is de wetgeving rondom misdadigers met mentale stoornissen geregeld?

    Misdadigers met een mentale stoornis vormen een bedreiging voor zichzelf en anderen en ze zullen daarom vaak supervisie nodig hebben totdat men denkt dat ze geen risico meer vormen voor zichzelf en anderen. Goede wetgeving is nodig om vast te stellen wat autoriteiten wel en niet mogen en wanneer ze het mogen en om te waarborgen dat individuen op een menselijke manier behandeld worden. De wetgeving omtrent misdadigers met mentale stoornissen is vaak veranderd. Er is vrijwel altijd al wetgeving geweest, maar het verandert steeds om aan de wensen van de huidige populatie te voldoen. Elk land heeft zo zijn eigen wetgeving en in deze samenvatting wordt de wetgeving van Engeland besproken, omdat dit boek in Engeland is geschreven. Over de dingen waarover gesproken wordt, heeft Nederland ook wel wetten. Ze zijn alleen anders verwoord.

    De rechten van de patiënten moeten gewaarborgd worden en ze moeten niet zomaar vastgezet worden in een ziekenhuis. In Engeland is er een speciaal tribunaal voor mensen met een mentale gezondheidsprobleem. De misdadigers kunnen hierheen als ze het niet eens zijn met het klinische team van het ziekenhuis. Het klinische team vindt vaak dat een misdadiger nog in het ziekenhuis moet blijven, maar de rechtbank mag oordelen of het individu nog vast moet zitten in het ziekenhuis of niet. Het tribunaal bestaat uit een rechtspersoon, een medisch persoon en een leek. Deze mensen krijgen het bewijs van het klinische team te horen en het individu mag ook het bewijs van het klinische team onderzoeken. De nieuwe wetgeving zorgt er ook voor dat alle gevangene patiënten toegang hebben tot een mentale gezondheidsadvocaat.

    Een ander belangrijk punt in de wetgeving betreft de capaciteit om toestemming te geven. Een patiënt kan zonder toestemming gegeven te hebben medicijnen in krijgen voor maximaal drie maanden. Na deze tijd moet de klinische werker toestemming krijgen van de patiënt om door te gaan met de medicijnen of een second opinion krijgen van een dokter. Alles moet goed uitgelegd worden aan de patiënten, want sommige patiënten hebben wellicht de capaciteit niet om toestemming te geven.

    Wat is de rol van de psycholoog?

    Psychologen zijn vaak belangrijk in forensische instellingen vanwege hun vaardigheden om een beoordeling te maken van de benodigdheden van individuen en om goede interventies op te stellen. Zij kunnen een beoordeling van het cognitief functioneren doen, persoonlijkheidsbeoordeling, beoordeling van de misdaden en beoordeling van de houding. De belangrijkste beoordeling die ze uitvoeren is de risicobeoordeling. Psychologen kunnen psycho-educatie geven aan zowel de misdadigers als de stafleden. Zo is iedereen meer op de hoogte van bepaalde stoornissen of condities en kunnen ze elkaar beter begrijpen en beter met elkaar naar een oplossing werken. Psychologen geven daarnaast ook veel interventies. Er zijn zo veel interventies die gegeven kunnen worden, maar de meest besproken interventies van dit boek zijn cognitieve gedragstherapie, woedebeheersing en sociale vaardighedentraining. Daarnaast zijn er nog vele andere trainingen en programma’s die door psychologen opgesteld en gegeven kunnen worden. Psychologen maken die interventies/trainingen aan de hand van empirische onderzoeksresultaten. Onderzoek moet valide, betrouwbaar en methodologisch goed zijn. Als uit onderzoek blijkt dat bepaalde technieken goed werken, dan zal een psycholoog voor deze technieken kiezen. Het zijn ook de psychologen (meestal) die zulke onderzoeken opstellen en rapporteren.

    Access: 
    Public
    Hoe kan rehabilitatie van misdadigers gestimuleerd worden? - Chapter 23

    Hoe kan rehabilitatie van misdadigers gestimuleerd worden? - Chapter 23

    Wat komt er in dit chapter aan bod?

    In het laatste chapter van dit boek wordt ingegaan op de laatste stap in het hele proces van misdaad: de rehabilitatie van de misdadiger. Het gehele proces is begonnen bij de psychologie achter misdadigers, wat hen tot misdadig gedrag heeft gedreven. Daarna komt de misdaad en de ontdekking ervan, waarop de misdadiger schuldig wordt bevonden. Dan wordt een geschikte straf uitgekozen. Het is, zoals we eerder hebben gezien, vooral het doel van straffen dat mensen terug in de samenleving komen op een manier die voor iedereen veilig is. Zo worden immers meer misdaden voorkomen, zonder iemand eeuwig vast te moeten houden. Hierdoor is er een zekere balans tussen iemand hard bestraffen en iemand klaarmaken om terug te keren in de samenleving. Een lange gevangenisstraf kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat iemand zijn binding met de maatschappij verliest en juist crimineel gedrag van zijn medegevangenen aanleert. Rehabilitatie is daarom een lastig onderwerp en er zijn veel onderzoeken over die elkaar tegenspreken. Wat wel zeker is, is dat dit een belangrijke stap is en dat er meer kennis over nodig is. Psychologen kunnen hier aan bijdragen. 

    Er wordt in dit chapter uitgelegd wat rehabilitatie inhoudt en hoe het werkt. Hierbij wordt ingegaan op verschillende onderzoeken die uitleggen op welke doelen iemand zich moet richten voor de beste rehabilitatie en welke factoren invloed hebben op het succes ervan. Het RNR model, die eerder al kort is besproken, wordt hier uitgewerkt. Ook de beperkingen van het RNR model worden aangetoond. Ook op het Good Lives Model dat eerder aan bod is gekomen, wordt hier dieper ingegaan. Hierop is ook kritiek die wordt aangekaart, maar minder dan op het RNR model omdat dit minder specifiek is en meer als raamwerk fungeert.

    Wat is rehabilitatie?

    Rehabilitatie verwijst naar de sociale en psychologische processen die betrokken zijn bij het assisteren van individuen om hun criminele activiteiten te stoppen en productieve, sociale levens na te streven. Er worden veel verschillende woorden gebruikt om dit proces aan te duiden (bijvoorbeeld re-integratie), maar rehabilitatie is toch wel de bekendste. Psychologen gebruiken ook liever de term rehabilitatie, terwijl criminologen het een te positieve term kunnen vinden. Het zou kunnen klinken alsof misdadigers iets toevoegen aan de samenleving, terwijl ze er vooral inbreuk op hebben gemaakt. Toch zal het voor de misdadigers zelf en hun motivatie goed zijn om hier positief naar te kijken. Rehabilitatie theorieën zijn de doelen, waarden, principes en rechtvaardigingen die gebruikt worden om forensische interventies te leiden. De meeste rehabilitatie theorieën zijn hybride theorieën, want ze bevatten theoretische, wetenschappelijke en ethische elementen. Er zijn dus ook veel verschillende disciplines betrokken bij het opstellen van goede rehabilitatie interventies en er is veel om rekening mee te houden.

    Hoe werkt rehabilitatie van misdadigers?

    Om individuen te veranderen moeten er normatieve en capaciteit bouwende processen zijn. Bij normatieve processen wordt er gekeken naar de waardering van dingen. Zo moet het individu identificeren wat echt waarde heeft in het leven om een betekenisvol leven op te kunnen bouwen. Misdadigers kunnen bijvoorbeeld het verkeerde idee hebben dat hun leven pas iets waard is als ze veel geld hebben, terwijl ze zich eigenlijk zouden moeten realiseren dat tijd met het gezin waardevoller is dan dat. Dan is er motivatie om op het goede pad te krijgen, omdat misdaad juist de waardevolle aspecten van iemands leven afpakt. Capaciteit bouwende processen zijn de hulpmiddelen en kansen die iemand heeft om een goed leven te bereiken. Zo krijgen criminelen vaardighedentraining, kennis, attitudetraining, sociale steun en misschien zelfs banen die hun helpen om waardevolle levens op te bouwen. Dit is heel belangrijk, omdat mensen vaak tot crimineel gedrag vervallen omdat ze weinig kansen hebben om iets van zichzelf te maken op een legale manier. En omdat misdadigers, als ze eenmaal in criminele wereld zitten, veel moeite hebben om hieruit te komen. Er moet veel worden opgegeven: het oude sociale leven, een inkomstenbron, slechte opingmechanismes, drugsgebruik, etc. Dit kan alleen worden losgelaten, als er iets anders voor in de plaats komt. Goede levens kunnen gezien worden als levens die gekarakteriseerd worden door individuen die een doel van het leven zien, hoge mate van welgesteldheid hebben en zich houden aan sociaal voorgeschreven normen.

    Uit een uitgebreide review van Losel is te halen dat een combinatie van effectieve rehabilitatieprogramma’s, een groter gebruik van samenlevingsmaten en het overnemen van een ontwikkelingsperspectief op preventies hoogstwaarschijnlijk zullen resulteren in lagere levels van misdaad. Programma’s werken het best als ze gericht zijn op het sociale leermodel, duidelijk gestructureerd zijn, georiënteerd zijn op het ontwikkelen van vaardigheden, goed uitgelegd en uitgevoerd worden door gekwalificeerde leden en opereren in ondersteunende omgevingen. Programma's die hieraan voldoen zullen resulteren in 10 tot 30% vermindering van het begaan van overtredingen. Ook werd er gevonden dat cognitieve gedragstherapie (georiënteerd op vaardigheden) meer effectief was dan andere behandelingstypes. Daarnaast is er gebleken dat door sociale integratie en werkintegratie, iemand minder snel weer het verkeerde pad op ging en er minder kans was op het opgaan van een verkeerd pad. Ook programma’s voor verslaving, tijd doorbrengen met vrienden en veel uren werken zorgden voor succes. Ook het hebben van hoop hing samen met lagere levels van recidive. Tevredenheid met de gezondheid en het leven zorgde er ook voor dat mensen minder vaak terug vielen op het oude gedrag. Uit onderzoeken en reviews is op te maken dat misdadigers vaardigheden moeten leren die hun manier van denken, voelen en handelen veranderen. Cognitieve transformaties en sociale banden zorgen er goed voor dat iemand op het rechte pad blijft. Ook interne factoren, zoals het bewust kiezen van een ander leven, zorgen er voor een deel voor dat iemand op het rechte pad blijft.

    Wat mensen wel vaak verwachten, maar wat niet samenhangt met succes in de rehabilitatie is het zijn van een vader/moeder, getrouwd zijn, vaak met ouders zijn en een hoger educatielevel. Sociale banden kunnen wel veel beteken voor de rehabilitatie, net als kansen op een beter leven. Maar de sociale banden kunnen dus ook met vrienden, collega's, kennissen of andere familieleden dan kinderen of ouders zijn. Voor de kansen op de arbeidsmarkt speelt het educatielevel natuurlijk wel een rol, maar mensen met een lager educatielevel nemen vaak ook sneller genoegen met een mindere baan dan mensen met een hoger educatielevel. Daarom is of mensen verwachten een baan te vinden die ze ook daadwerkelijk willen, niet afhankelijk van het educatielevel.

    Wat is het risico-benodigdheden-responsiviteit model?

    Andrews en Bonta probeerden verklaringen voor crimineel gedrag te vinden door empirische voorspellers van recidive door een persoonlijkheidsperspectief en sociaalpsychologisch perspectief te gebruiken. De auteurs gaven drie principes die het risico op recidive zouden verminderen: risico, benodigdheden en responsiviteit (risk, need and responsivity). In de forensische literatuur wordt dit ook wel het RNR model van misdadiger rehabilitatie (Risk-Need-Responsivity) genoemd. Misdadigers lopen het risico om terug te vallen op verkeerd gedrag en dat risico kan verminderd worden door het RNR model. Het risico principe stelt dat de intensiteit van interventies overeen moet komen met het risiconiveau van de misdadiger. Intensieve interventies zijn voor misdadigers die een hoog risiconiveau hebben en minder intensieve interventies zijn voor misdadigers die een laag risiconiveau hebben. Het need principe stelt dat interventies gericht moeten zijn op de criminogenic needs ofwel dynamische risico factoren en dit zijn de factoren die gerelateerd zijn aan misdaden begaan en die veranderbaar zijn. Dynamische risicofactoren zijn antisociale attitudes en antisociale kennissen en als het gaat over seksmisdaden dan komen daar ook nog aparte seksuele interesses en zelfregulatie moeilijkheden bij. Behandelingen moeten op dynamische risicofactoren gericht zijn. Het responsiviteit principe informeert hoe interventies gegeven moeten worden om de efficiëntie ervan te maximaliseren. Generale responsiviteit pleit voor gestructureerde cognitieve gedragstherapie interventies.

    Wat zijn de beperkingen van het RNR model?

    Net als de meeste modellen heeft ook het RNR model limitaties. De meeste meta-analyses hebben bewijs gevonden voor de efficiëntie van het RNR model om recidive te reduceren onder generale misdadigers en seksmisdadigers. Maar er zijn ook onderzoeken en critici die stellen dat er dingen beter zouden moeten. De kritiek kan als volgt worden opgesomd:

    • Het feit dat 12 tot 50% van behandelde kindermisbruikers opnieuw een misdaad begaan laat zien dat rehabilitatie beter kan (en moet).

    • Het model is niet zo goed is in het motiveren van misdadigers om mee te doen aan het programma. Ook verlaten veel seksmisdadigers (30 tot 50%) het programma, zonder het afgerond te hebben. Dit wordt toegeschreven aan slechte betrokkenheid bij het programma. Mensen die het programma verlaten zullen eerder in slecht gedrag terugvallen dan mensen die het programma afmaken.

    • Ook al is het empirisch ondersteund, is het moeilijk om in de realiteit het risicoprincipe op te volgen.

    • Een van de redenen waarom het programma niet zo populair is onder de misdadigers, is dat het zich meer richt op ontwijken van negatieve consequenties dan op het bereiken van positieve doelen. Mensen met een benaderingsdoel zullen langer blijven bij een programma dan mensen met een ontwijkingsdoel. Met benaderingsdoelen kan een behandeling mensen helpen om een beter leven te leiden, niet alleen maar een minder gevaarlijk leven. Onderzoek wijst uit dat een interventie waarbij iemand een doel probeert te bereiken voor meer betrokkenheid bij de behandeling zorgt dan een interventie die gericht is op het ontwijken van bepaald gedrag.

    • Ook het feit dat er geen echte therapeutische relatie bestaat tussen de behandelaar en de misdadiger zorgt er voor dat misdadigers niet echt betrokken zijn bij de behandeling.

    • Ook wordt er niet veel aandacht geschonken aan re-integratie in de samenleving (er wordt alleen maar gekeken naar welke dingen men moet ontwijken). Een misdadiger moet de kans krijgen om omgevingskansen op te bouwen en te versterken. Het RNR model schiet tekort in het zien van de mens als een beladen, betekenis zoekend, doel georiënteerd wezen.

    Wat is het Good Lives model (GLM)?

    Het Good Lives model (GLM) is ontwikkeld als een alternatieve benadering op de rehabilitatie. De aard van het GLM gaat in op de limitaties van het RNR model. Het probeert daarom vooral de misdadigers meer betrokken te krijgen en gemotiveerd om goed te rehabiliteren en iets van het leven te maken. Het GLM is een sterkte-gebaseerde rehabilitatie benadering. Deze benadering geeft respons aan de interesses, vaardigheden en verlangens van misdadigers. Het stuurt behandelaren ook expliciet om interventieplannen te construeren die de misdadigers helpen om bepaalde dingen die ze willen bereiken te bereiken. Het model gaat er van uit dat alle individuen bijna dezelfde benodigdheden en aspiraties hebben en de belangrijkste dingen die ouders, leraren en de samenleving moeten doen is om elkaar te helpen om manieren te vinden om op eigen benen te staan. Crimineel gedrag ontstaat wanneer individuen geen of weinig interne en externe bronnen hebben om hun doelen en waarden te bereiken. Rehabilitatie moet er daarom op gericht zijn om misdadigers kennis, vaardigheden, kansen en bronnen te geven die nodig zijn om doelen te bereiken die anderen niet pijn doen.

    Het GLM bevat drie sets van assumpties:

    • Generale assumpties over de doelen van rehabilitatie

    • Assumpties over de factoren die bijdragen aan het tot stand komen en in stand houden van misdadig gedrag.

    • Praktische implicaties die naar voren komen door de eerste twee sets.

    Het GLM is betrokken bij de vaardigheden van mensen om doelen te formuleren, het selecteren van plannen en het handelen volgens deze plannen. Alle mensen hebben bepaalde doelen in het leven en hebben dingen nodig om deze doelen te bereiken, maar misdadigers proberen deze doelen dus op een illegale manier te bereiken. Volgens het GLM zijn er twee routes die leiden tot misdaad: directe en indirecte routes. Het directe pad is wanneer een persoon actief probeert om zijn doelen te bereiken door misdadig gedrag. Iemand die geen intieme relaties kan bereiken met een volwassene, zou dit doel (intimiteit) proberen te kunnen bereiken door seksuele misdaden met een kind. Het indirecte pad is wanneer er, tijdens het proberen te bereiken van iets, iets mis gaat en dat leidt tot een crimineel vergrijp. Denk hierbij aan problemen proberen te vergeten met alcohol- of drugsgebruik en vervolgens onder invloed rijden en een ongeluk veroorzaken. 

    Misdadigers moeten gevraagd worden wat zij als een goed leven zien en hoe ze deze denken te kunnen bereiken. Er moet gekeken worden of er crimineel gedrag tussen het nu en het doel in de weg zit en de misdadiger moet accepteren en inzien dat het criminele gedrag het bereiken van het doel tegenhoudt.

    Er is ook kritiek op het GLM en dat is dat er niet veel empirische steun voor dit model is. Echter, het model is geen behandeltheorie maar een rehabilitatie raamwerk dat behandelaars informatie moet geven over punten waar ze zich op kunnen richten en waarden voor de praktijk. Onderzoek wijst echter wel uit dat GLM de betrokkenheid bij de behandeling vergroot en de positieve therapeutische relaties sterker maakt.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: this content refers to
    Law and public administration - Theme
    Psychology and behavioral sciences - Theme
    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Criminologie en victimologie: De beste studieboeken samengevat

    Persoonlijkheidspsychologie en ontwikkeling: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help
    Share: this page!
    Follow: Psychology Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    4193
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector