Studiegids voor artikelsamenvattingen bij Kindermishandeling en verwaarlozing over de levensloop: een introductie aan de Universiteit Leiden

Artikelsamenvattingen bij Kindermishandeling en verwaarlozing over de levensloop: een introductie aan de Universiteit Leiden

Inhoudsopgave

  • Samenvattingen bij 20+ van de voorgeschreven artikelen in studiejaar 2024-2025

Drie uitgelichte Tips & TentamenTickets bij de voorgeschreven artikelen:

  • bij Emotional abuse and neglect: focus op de verschillende factoren die het risico op het voorkomen van emotionele kindermishandeling en/of verwaarlozing vergroten. + Richt je op de vijf categorieën in het FRAMEA raamwerk en probeer een voorbeeld voor elk van deze te onthouden.
  • bij Decision making in child protection: Verdiep je voor dit artikel in het bijzonder in de conclusies die konden worden getrokken over Nederlandse hulpverleners.
  • bij Prospective associations: concentreer je extra op de negatieve consequenties die in dit onderzoek significant gecorreleerd zijn aan het meemaken van partnergeweld.

Image

Check: summaries and supporting content in full
Artikelsamenvatting bij The battered child syndrome van Kempe e.a. - 1985

Artikelsamenvatting bij The battered child syndrome van Kempe e.a. - 1985

Kindermishandeling is een klinische conditie waarbij jonge kinderen fysiek mishandeld worden door een ouder of andere bekende. Het trauma wordt vaak niet gevonden en kan leiden tot een beperking of de dood.

Incidentie

Onderzoek naar de incidentie is gedaan onder 71 ziekenhuizen waar in één jaar tijd 302 gevallen van kindermishandeling waren. In 33 van de gevallen, overleed het kind en 85 kinderen hadden last van permanente hersenbeschadiging. In een derde van de gevallen werd kindermishandeling geconstateerd en werd actie ondernomen.

Klinische manifestatie

De manifestatie van kindermishandeling is heel breed en kan van variëren van milde tot ernstige trauma. Bij de mildere gevallen worden signalen van mishandeling vaak over het hoofd gezien of aan een andere oorzaak toegeschreven. Er hoeft niet altijd sprake te zijn van verwondingen, kinderen kunnen ook een stilstand in de ontwikkeling laten zien.

Kindermishandeling vindt voornamelijk plaats op jonge leeftijd, bij kinderen jonger dan drie jaar. Er kan sprake zijn van een- of meermalig trauma. Daarnaast kunnen een slechte gezondheid of tekenen van verwaarlozing wijzen op kindermishandeling. Er moet ook gekeken worden naar eerdere trauma’s. Als de verwondingen niet overeenkomen met wat de ouder vertelt, dan kan er sprake zijn van mishandeling. De alarmbellen moeten tevens gaan rinkelen als het kind geen nieuwe verwondingen oploopt wanneer ouder en kind in de gaten gehouden worden. Daarnaast kunnen bloeduitstortingen wijzen op mishandeling.

Psychiatrische aspecten

Er is weinig kennis over de psychiatrische factoren die een rol kunnen spelen. Daarnaast bemoeilijkt de variatie in vormen van mishandeling de zoektocht naar bepalende factoren. Bepaalde onderzoeken wijzen uit dat de lage intelligentie van de ouder een rol speelt. Daarnaast kunnen alcoholmisbruik, promiscuïteit, onstabiele huwelijken en delinquentie voorkomen bij mishandelende ouders. Daarnaast blijkt dat mishandelende ouders vaak zelf ook mishandeld zijn in hun jeugd. De mishandeling kan als een vorm van wraak gezien worden, omdat zij hun kinderen anders willen opvoeden maar dit niet lukt door hun eigen eerdere ervaringen. Opvoedpatronen worden vaak van de ene generatie doorgegeven aan de andere.

Een psychopathische persoonlijkheid gaat niet samen met mishandeling, net als een lage sociaaleconomische status. Mishandeling komt namelijk ook voor bij goed opgeleide mensen, met een stabiele financiële situatie en een goede sociaaleconomische status.

Er wordt verwacht dat er sprake is van een defect in het karakter, waardoor mensen moeite hebben met het reguleren van hun emoties en hun gedrag.

Vaak is het moeilijk om informatie van ouders te krijgen over de mishandeling. Ouders ontkennen dat er sprake is van verwonding en nemen een onschuldige houding aan. Ontkenning kan een bewuste manier zijn om zichzelf te beschermen, maar kan ook komen door psychologische onderdrukking, zoals een vorm van amnesie.

Daarnaast kan het moeilijk zijn om in te gaan op het probleem van verwaarlozing en mishandeling. Dokters vinden het moeilijk om te geloven dat een ouder zijn of haar eigen kind zou kunnen mishandelen en vinden het moeilijk om goede vragen te stellen over het onderwerp. Dit kan komen door de gevoelens die een mishandelingszaak bij de dokter oproepen en het onrecht dat wordt aangedaan. Daarnaast heeft een dokter niet de juiste training gehad om mensen te ondervragen over mishandeling.

Bepaalde vragen kunnen inzicht geven in de situatie en informatie geven over eventuele mishandeling. Hierbij kan een ouder gevraagd worden naar ongewoon of twijfelachtig gedrag van de partner wanneer deze bezig is met het kind. Daarnaast kunnen er vragen gesteld worden over het kind zelf, bijvoorbeeld of het kind veel huilt. Ook kan gevraagd worden hoe de ouders zelf zijn opgevoed en hoe zij hun kinderen willen opvoeden. Gesprekken met grootouders of andere bekenden kunnen extra informatie bieden. Daarnaast kunnen psychologische testen of observaties uitgevoerd worden.

Tot nu toe is er weinig tot geen behandeling mogelijk van ouders die hun kind(eren) mishandelen. De behandelingen die gedaan worden, zijn niet succesvol. De enige mogelijkheid is om ouder en kind van elkaar te scheiden.

Evaluatietechnieken

Dokters moeten bedacht zijn op mishandeling bij bloeduitstortingen, onverklaarbare fracturen met verschillende fases van genezing, als een kind niet vooruitgaat, als er beschadigingen op de huid zichtbaar zijn, als de verwonding niet overeenkomt met wat er bekend is of als een kind plots overlijdt. De dokter kan het misbruik ter sprake en de confrontatie aangaan over de excuses die ouders aandragen. Het is te allen tijde belangrijk dat het gesprek op een sympathieke en rustige manier verloopt. Daarnaast is het belangrijk een volledig onderzoek te doen. Er moet in gedachte gehouden worden dat de mishandelende ouder vaak de meest normale indruk geeft.

Radiologische kenmerken

Onderzoek met behulp van radiologie kan handig zijn om gevallen van mishandeling te vinden en als begeleiding voor het management. Om kindermishandeling te constateren wordt gekeken naar de combinatie van de leeftijd, de aard van de verwonding, de tijd die tussen de verwonding en de hulp zit en of er sprake is van eenmalig of meermalig trauma. Een jong kind bezit veel kraakbeen dat niet gezien wordt met radiologie.

Daarom worden beschadigingen aan botvlies pas later opgemerkt en dit kan tot vervorming van het bot leiden. Verwondingen bevinden zich vaak op de armen en benen, omdat dit de plekken zijn waar een ouder het kind beetpakt. Er moet gekeken worden wat er gebeurt in de tijd na de verwonding. Dit is belangrijk omdat het bot pas enkele dagen na de verwonding gaat reageren. Abnormale groei van het bot kan wijzen op mishandeling. Ten slotte kan gekeken worden of verwondingen vaker voorkomen. Als deze op dezelfde plek voorkomen, dan zal er extra botgroei ontstaan. Als de verwondingen op verschillende plekken zijn, dan zijn er verschillende verwondingen en verschillende genezingsfases te zien, waarmee aangetoond kan worden dat mishandeling vaker plaatsvindt.

Om vast te kunnen stellen of het gaat om mishandeling moeten alternatieve diagnoses uitgesloten worden. Hierbij moet gedacht worden aan scheurbuik, syfilis, osteogenesis imperfecta (imperfecte botgroei), infantiele corticale hyperostose of andere condities. Deze ziektes gaan (ook)gepaard met extra botgroei. Blinde mensen en mensen die geen pijn voelen verwonden zich regelmatig en houden hier abnormale botgroei aan over, zonder dat er sprake is van mishandeling.

Management

Het is belangrijk dat een dokter de juiste diagnose stelt. Als aan de hand van deze diagnose blijkt dat er sprake is van kindermishandeling dan moet de dokter de politie of de kinderbescherming inlichten en een rapport schrijven waarin alle feiten beschreven worden. Het is belangrijk dat de dokter kennis heeft over de hulp die geboden kan worden. Daarnaast kan het zijn dat er een rechtszaak aangespannen wordt om het kind tijdelijk of permanent uit huis te kunnen plaatsen. Naast het wettelijk onderzoek wordt ook gekeken naar psychologische en sociale factoren. Het belangrijkste is dat toekomstige verwondingen voorkomen worden. Daarom wordt afgeraden het kind met de ouders mee naar huis te laten gaan.

Conclusie

Het mishandeld-kind syndroom is een klinische conditie waarbij jonge kinderen te maken krijgen met fysieke mishandeling, met permanente verwonding of dood als gevolg. Er moet gekeken worden naar andere vormen van trauma of verwaarlozing of tegenstrijdigheid tussen de verwonding en wat er verteld is. Radiologie kan helpen bij het vinden van signalen. Daarnaast kunnen psychiatrische factoren een rol spelen. Dokters spelen een belangrijke rol bij het herkennen en adresseren van mishandeling.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Emotional abuse and neglect (psychological maltreatment): A conceptual framework van Glaser - 2002

Artikelsamenvatting bij Emotional abuse and neglect (psychological maltreatment): A conceptual framework van Glaser - 2002

Wat is de doelstelling van dit artikel?

Emotionele mishandeling en emotionele verwaarlozing zijn veelvoorkomende vormen van kindermishandeling. Beide veroorzaken ze substantieel leed aan de ontwikkeling en het functioneren van een kind. Wetenschappers zijn het er niet over eens wat de exacte definities van emotionele mishandeling en emotionele verwaarlozing zijn. Dit gebrek aan definities leidt tot een gebrek aan herkenning van dit soort casussen, wat onnodig veel leed veroorzaakt. Deze paper onderzoekt de conceptuele raamwerken van emotionele mishandeling en verwaarlozing van kinderen, en borduurt voort op een ouder raamwerk, namelijk het FRAMEA.

Wat zijn de problemen in het formuleren van een definitie van emotionele mishandeling en verwaarlozing?

Één van de grootste problemen rondom emotionele mishandeling is het formuleren van een definitie ervan. De verschillende definities omschrijven emotionele mishandeling al dan niet als emotionele verwaarlozing of psychologische mishandeling. Dit leidt tot onzekerheid over welke entiteit wordt aangesproken in het onderzoek ernaar. Consensus zou nu suggereren dat er onvoldoende rechtvaardiging is om onderscheid te maken tussen de termen 'psychologisch' en 'emotioneel'. Het is echter belangrijk om zowel omissie (verwaarlozing) als misbruik (commissie) op te nemen. Volgens sommige definities moet er bewijs van schade aan het kind aanwezig zijn. Het nadeel van een eis om bewijs van schade aan het kind op te nemen in de definitie is dat dit preventieve interventie zou kunnen uitsluiten wanneer er aanwijzingen zijn van schadelijke interacties die (nog) geen daadwerkelijke schade hebben veroorzaakt. De schade aan het kind is echter duidelijk van belang bij het meten van de ernst, bij het beoordelen van de voortgang in therapeutische interventie en, uiteindelijk, bij het bepalen van het doel voor wat moet worden verbeterd.

Emotionele mishandeling en verwaarlozing bevinden zich op het continuüm van interacties tussen verzorger en kind, die varieert van volledig bevredigend tot zeer schadelijk. De vraag is waar de grens ligt tussen wat bevredigend of alleen onwenselijk is en wat daadwerkelijk schadelijk is voor een kind en daardoor om een professionele reactie en interventie vraagt. Drempels bepalen op welk punt er moet worden ingegrepen. De ernst zal de urgentie aangeven waarmee een dergelijke interventie moet worden ingesteld en kan ook richtinggevend zijn voor de aard van de interventie. In de praktijk kan de ernst worden gemeten aan de hand van de intensiteit en chroniciteit van de mishandeling, maar ook aan het effect op het kind. Dit wordt echter niet alleen bepaald door aspecten van de mishandeling, maar ook door factoren binnen het kind en externe beschermende en risicofactoren.

Er is algemene consensus dat bewijs van intentie om het kind te schaden niet vereist is voor de definitie van emotionele mishandeling en verwaarlozing. Het wordt erkend dat de meeste schade die door alle vormen van kindermishandeling wordt veroorzaakt, gedragsmatig, emotioneel en psychologisch is. Bovendien gaan emotionele mishandeling en verwaarlozing vaak samen met andere vormen van mishandeling, met name fysieke mishandeling en verwaarlozing. FRAMEA is tot een werkdefinitie gekomen van emotionele mishandeling en verwaarlozing als 'aanhoudende, niet-fysieke, schadelijke interacties met het kind door de verzorger, die zowel commissie als omissie omvatten.'

Welke vormen van emotionele mishandeling en verwaarlozing onderscheiden we?

Het FRAMEA raamwerk onderscheidt vijf categorieën van schadelijke ouder-kind interacties:

  1. Emotionele onbeschikbaarheid, ongevoeligheid en verwaarlozing. Deze categorie weerspiegelt de schending van de basisbehoefte en het recht van het kind op erkenning van zijn/haar bestaan.
  2. Interactie met het kind met vijandigheid, verwijten, minachting, afwijzing of zondebokken. Deze interactie is meestal gericht op een bepaald kind en is vaak gebaseerd op de overtuiging dat het kind deze reactie verdient vanwege fundamentele negatieve attributies aan het kind. Deze categorie weerspiegelt de schending van de basisbehoefte en het recht van het kind om gewaardeerd en geliefd te worden om wat het is.
  3. Ontwikkeling ongepaste of inconsistente interacties met het kind. Deze omvatten verwachtingen die boven of onder de ontwikkelingscapaciteit van het kind liggen; harde en inconsistente discipline; en blootstelling aan verwarrende of traumatische gebeurtenissen en interacties, in het bijzonder huiselijk geweld. Deze categorie weerspiegelt ongepast ouderschap dat niet gericht is op een bepaald kind.
  4. Het niet herkennen of erkennen van de individualiteit van het kind en de psychologische grens tussen ouder en kind. Er is een onvermogen om onderscheid te maken tussen de realiteit van het kind en de overtuigingen en wensen van de volwassene; het kind wordt gebruikt voor het vervullen van de behoeften van de ouders als een virtueel verlengstuk van de ouder. Dit komt voor wanneer er kinderen  betrokken zijn bij bijvoorbeeld ouderlijke geschillen. Een gefabriceerde of geïnduceerde ziekte (Munchausen by Proxy) waarbij de verzorger het nodig heeft dat zijn kind als ziek wordt erkend, is een ander voorbeeld.
  5. Het niet bevorderen van de socialisatie van het kind binnen de context van het kind, door ofwel actieve mis-socialisatie of corruptie; door het kind te isoleren of door onvoldoende stimulering en leermogelijkheden te bieden.

De basisbehoeften van het kind, de schending waarvan de categorieën schadelijke interactie tussen verzorger en kind omvatten, zijn universeel en overstijgen cultuur of etniciteit. Bij het tegenkomen van schadelijke interacties in een gezin uit een andere cultuur, is het belangrijk om vast te stellen of deze interacties daadwerkelijk cultureel gebaseerd zijn.

Wat is het belang van kinderbescherming in het geval van emotionele mishandeling en/of verwaarlozing?

Anders dan bij seksueel misbruik, zijn de zorgwekkende interacties bij emotionele mishandeling en verwaarlozing duidelijk waarneembaar en te beschrijven. Beschrijvingen van de schadelijke interacties tussen verzorger en kind vormen het bewijs van emotionele mishandeling en verwaarlozing. Beschrijvingen zijn veel nuttiger dan algemene termen zoals emotionele mishandeling, vooral in interprofessionele communicatie en bij het beschrijven van zorgen aan ouders en kinderen. 

Wat zijn de risicofactoren die het risico op emotionele mishandeling en verwaarlozing vergroten?

Er is altijd een context waarbinnen verzorgers met het kind omgaan. Van bijzonder belang zijn familie- en omgevingsfactoren en ouder- of verzorger-factoren. Moeilijkheden op deze gebieden vormen risicofactoren voor emotionele mishandeling en verwaarlozing. Zo zijn bijvoorbeeld sociaal isolement, armoede, ernstige huisvestingsproblemen en een problematische immigratiestatus risicofactoren die de kans op het voorkomen van emotionele mishandeling of verwaarlozing bij kinderen vergroten. Mentale gezondheidsproblemen bij de ouder of verzorger vergroten daarnaast ook het risico. Informatie over kinderen en gezinnen wordt in eerste instantie niet systematisch ingewonnen en verzameld. Het is eerder een complex verhaal van moeilijkheden en sterke punten.

Hoe gaan professionals om met casussen van emotionele mishandeling en/of verwaarlozing?

Er zijn verschillende aspecten aan de professionele reactie op emotionele mishandeling en verwaarlozing. In grote lijnen zijn ze gericht op het terugdringen van de mishandeling, het voorkomen van herhaling en het verminderen van de schadelijke effecten. Tijdens de beoordeling van casussen, ligt de nadruk op het onderscheiden van de lagen en het ordenen van de informatie in de juiste lagen. Het specificeert de aard en omvang van de schadelijke interacties tussen verzorger en kind, en de effecten op het kind, en onderscheidt deze van moeilijkheden bij het kind die niet te wijten zijn aan emotionele mishandeling en verwaarlozing. Het belangrijkste is dat het beoordelingsproces ook een in de tijd beperkte therapeutische proef met interventie omvat om het vermogen van de zorgverleners om te veranderen te meten. Als er duidelijke sociale en omgevings- of ouderlijke risicofactoren zijn, bijvoorbeeld dakloosheid of duidelijke psychische problemen, zal het waarschijnlijk nodig zijn om eerst zoveel mogelijk in te grijpen op deze contextuele problemen, voordat het mogelijk is om zinvol aan de slag te gaan met de benodigde therapeutische interventies. 

We onderscheiden verschillende interventies op basis van de categorie(ën) van schadelijke interacties tussen verzorger en kind:

  1. In het geval van emotionele onbeschikbaarheid, hebben verzorgers vaak last van hun eigen moeilijkheden die het opvangen van en reageren op de emotionele behoeften van het kind in de weg staan.
  2. Vijandigheid jegens het kind is vaak gebaseerd op negatieve overtuigingen die de verzorger heeft over het temperament of de persoonlijkheid van het kind en die moeilijk te veranderen zijn. Dit vereist vakkundig werk met de verzorgers.
  3. In situaties van ongepaste ontwikkelingsverwachtingen, inconsistent en/of hard ouderschap en blootstelling aan huiselijk geweld, zijn verzorgers zich meestal niet bewust van de ontwikkelingsbehoeften van het kind aan consistente, niet-bestraffende grenzen stellen en belonen, en aan bescherming tegen blootstelling aan huiselijk geweld.
  4. Verzorgers die hun kind gebruiken om aan de behoeften van henzelf te voldoen zijn niet in staat om de psychologische grens tussen het kind en zichzelf te onderscheiden. Deze interacties worden gevonden binnen onopgeloste echtelijke of partnerconflicten.
  5. In situatie waarin de socialisatie van het kind niet wordt bevorderd, is het onwaarschijnlijk dat de verzorgers rekening hebben gehouden met de effecten van hun interacties met het kind op de eigen ervaringen en interacties van het kind binnen de leeftijdsgenoten en educatieve omgeving van het kind, buiten het gezin.

Als de zorgverleners niet kunnen of willen deelnemen aan een trial for change, moeten wettelijke maatregelen worden ingeroepen. Als het kind in het gezin blijft maar de emotionele mishandeling voortduurt, heeft hij/zij bekwame en voortdurende ondersteuning nodig om de onopgeloste mishandeling het hoofd te bieden. De effecten van emotionele mishandeling en/of verwaarlozing op de kinderen zijn divers. Er zijn een aantal algemeen erkende interventies die rechtstreeks met het kind werken voor de soorten moeilijkheden die de kinderen ontwikkelen, zoals depressie, een laag zelfbeeld en agressief of antisociaal gedrag. Sommige van deze interventies zijn evidence-based. Deze therapeutische benaderingen zijn echter niet specifiek gerapporteerd met betrekking tot emotionele mishandeling en verwaarlozing.

 

Samenvatting van Emotional abuse and neglect in Bullets

  • Het doel van dit artikel is om ons begrip van emotionele mishandeling en verwaarlozing verder te ontwikkelen. Voortbouwend op eerder wetenschappelijk onderzoek, beschrijft dit document de verdere ontwikkeling van een conceptueel kader voor de herkenning en beheersing van emotionele mishandeling en verwaarlozing. Het paper bespreekt ook kort recent wetenschappelijk onderzoek over aspecten van de definitie van emotionele mishandeling en emotionele verwaarlozing, en de mogelijke schade die het veroorzaakt. 
  • Het paper komt tot een werkdefinitie van emotionele mishandeling en verwaarlozing als 'aanhoudende, niet-fysieke, schadelijke interacties met het kind door de verzorger, die zowel commissie als omissie omvatten'. Er zijn vele vormen van schadelijke interacties tussen verzorger en kind, die in vijf categorieën zijn onder te verdelen, waarbij elke categorie de vervulling van een van de psychosociale basisbehoeften van het kind weerspiegelt en een andere therapeutische benadering vereist voor de verlichting ervan.
  • De ouder-kindrelatie is ingebed in de psychosociale context. Er wordt gesuggereerd dat er meer duidelijkheid kan worden verkregen over het kind en het gezin wanneer de informatie wordt gesorteerd op de juiste niveaus van bezorgdheid: Niveau 0 – Sociale en omgevingsfactoren, niveau I – Risicofactoren voor verzorgers, niveau II – Interacties tussen verzorger en kind en niveau III – Het functioneren van het kind.
  • Verder wordt gesuggereerd dat interventie weliswaar vereist is, maar gericht is op bescherming en niet zozeer op het bieden van onmiddellijke bescherming van het kind. Het werk neemt de vorm aan van een in de tijd beperkte proef van therapeutisch werk om het vermogen van de zorgverleners om te veranderen te meten. Dit eerste werk richt zich op de niveaus 0 tot en met II.
  • Mogelijk zijn wettelijke maatregelen nodig om de mantelzorgers aan te moedigen om deel te nemen. Als er onvoldoende vooruitgang wordt geboekt, kan actieve kinderbescherming nodig zijn, waaronder plaatsing van het kind in een alternatief gezin. Sommige kinderen, meestal de oudere, zullen echter in de emotioneel gewelddadige omgeving blijven en zullen voortdurende hulp en ondersteuning nodig hebben. 
  • De conclusie van het paper is dat, hoewel een beter begrip van emotionele mishandeling en verwaarlozing nu mogelijk is, een verdere evaluatie van het nut hiervan eerst nodig is. 

TentamenTickets bij Emotional abuse and neglect

  • Maak voor jezelf een lijstje van de verschillende factoren die het risico op het voorkomen van emotionele kindermishandeling en/of verwaarlozing vergroten.
  • Schrijf de vijf categorieën in het FRAMEA raamwerk op en geef een voorbeeld voor elk van deze.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij The prevalence of child maltreatment across the globe van Stoltenborgh e.a. - 2015

Artikelsamenvatting bij The prevalence of child maltreatment across the globe van Stoltenborgh e.a. - 2015

In deze recensie worden resultaten van meerdere meta-analyses vergeleken over de prevalentie van seksuele, fysieke en emotionele mishandeling en fysieke en emotionele verwaarlozing. De overall verwachte prevalentie waren: 4/1000 voor seksueel misbruik, 3/1000 voor fysieke en emotionele mishandeling. Kindermishandeling is een wereldwijd fenomeen wat de levens van miljoenen kinderen over heel de wereld beïnvloed, dit is in contrast met de rechten van het kind.

Honderden studies zijn gedaan naar de prevalentie van kindermishandeling, de range ligt tussen de 0-90%. De variantie komt door de verschillende soorten kindermishandeling, verschillen tussen gender of verschillende geografische achtergronden. Om een globaal prevalentie cijfer te geven zijn er verschillende meta-analyses gedaan naar verschillende types van kindermishandeling.

Seksueel misbruik wordt gezien als een seksuele verrichtingen die kinderen niet helemaal begrijpen of onvrijwillig gebeuren. Fysieke mishandeling is het toebrengen van fysieke schade door een verzorger, door interacties of door een gebrek aan interacties. Emotionele mishandeling is het falen om een goede emotionele en sociale ontwikkeling te stimuleren. Verwaarlozing is het falen om het kind in een veilige leef conditie op te laten groeien, voorbeelden zijn gebrek aan gezondheid, school, emotionele ontwikkeling. Voor al deze vormen van kindermishandeling is de globale overall prevalentie berekend.

In deze review zijn resultaten van onze meta-analyses van de prevalentie van alle bovengenoemde vormen van mishandeling gecombineerd en vergeleken, het is erg belangrijk te weten hoe vaak kindermishandeling voorkomt. Dit zorgt ervoor dat er conclusies getrokken kunnen worden over de prevalentie van de verschillende soorten mishandeling.

Er zijn drie zoekmethodes gebruikt om geschikte literatuur te vinden tussen januari 1980 en januari 2008. Allereerst zijn elektronische databases als PubMed, Psychinfo etc. doorgezocht. Als tweede is er elektronisch gezocht naar gespecialiseerde tijdschriften als Child Abuse & Neglect en Child Maltreatment. Als derde is er gekeken naar de referenties van verzamelde papers.

Resultaten en discussie

In figuur 1 is te zien dat seksuele mishandeling het meest gerapporteerd wordt door het slachtoffer, vervolgens fysieke mishandeling en als laatst fysieke verwaarlozing.

Figuur 2 laat zien dat er vroeger vooral onderzoek werd gedaan naar seksueel misbruik, later is fysieke mishandeling pas onderzocht. (De meeste prevalentie cijfers komen uit Noord Amerika en Europa).

Er kunnen drie conclusies getrokken worden uit de verdeling van kindermishandeling over types, tijd en geografische gebieden. Ten eerste is onderzoek naar kindermishandeling vooral gefocust op seksueel misbruik, dit is dan ook het eerste waar onderzoekers zich mee bezig hielden en komt het meest voor (terug te zien in figuur 2).

De minste studies zijn gedaan naar emotionele mishandeling en verwaarlozing. Een van de redenen waarom onderzoek naar seksueel misbruik zo vaak voorkomt is omdat seksueel misbruik de zwaarste gevolgen heeft voor de ontwikkeling, ook kan het beter geoperationaliseerd worden dan de andere soorten mishandeling, er zijn duidelijke grenzen tussen goed en fout.

Een tweede conclusie die getrokken kan worden is dat onderzoek naar kindermishandeling geconcentreerd is in landen met een Westerse cultuur. De grote meerderheid van de samples in de studies komen uit landen in Noord Amerika en Europa, onderzoek in niet-westerse culturen loopt ver achter (5% van de wereldpopulatie wordt maar meegenomen).

Als laatst kan er geconcludeerd worden dat het aantal informanten studies maar een fractie is van het aantal zelf-rapportage studies. Informanten zijn waarschijnlijk te duur en minder makkelijk uit te voeren dan zelf-rapportage studies.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting van Annual Research Review: Umbrella synthesis of meta-analyses on child maltreatment antecedents and interventions: differential susceptibility perspective on risk and resilience van Van IJzendoorn e.a. - 2020

Artikelsamenvatting van Annual Research Review: Umbrella synthesis of meta-analyses on child maltreatment antecedents and interventions: differential susceptibility perspective on risk and resilience van Van IJzendoorn e.a. - 2020

Wat is kindermishandeling?

Kindermishandeling wordt gedefinieerd als elke interactie of gebrek aan interactie die redelijkerwijs binnen de controle van een ouder of verzorger valt, die (mogelijke) schade toebrengt aan de gezondheid van het kind of fysieke, mentale, morele, geestelijke of sociale ontwikkeling in de context van de omgeving waarin het kind opgroeit. Er zijn verschillende soorten mishandeling, waaronder seksueel misbruik, emotionele mishandeling, fysieke mishandeling, fysieke verwaarlozing, emotionele verwaarlozing, educatieve verwaarlozing en getuige zijn van huiselijk geweld. Er bestaat een hoge mate van comorbiditeit, gelijktijdig optreden en polyvictimisatie bij kindermishandeling.

Wat zijn risicofactoren voor kindermishandeling?

Vanuit een evolutionair perspectief kan worden betoogd dat mensen een aangeboren neiging hebben om iemands inclusieve fitheid te bevorderen, wat gepaard kan gaan met misbruik en kindermoord op baby's die concurreren met de voortplanting van iemands eigen nageslacht. Ook kan de verdeling van schaarse middelen aan het kind met de beste overlevingskansen ertoe leiden dat minder fitte en passieve baby's worden verwaarloosd.

  • Intergenerationele overdracht van mishandeling. Ouders die het slachtoffer zijn geworden van kindermishandeling lopen een verhoogd risico om hun kinderen te mishandelen.
  • De spillover-hypothese stelt dat de kwaliteit van het huwelijk gerelateerd is aan de kwaliteit van de ouder-kindrelatie. Interpersoonlijk of intiem partnergeweld is voorspellend voor kindermishandeling.
  • Psychologische en neurologische factoren. Ouderlijke kenmerken en psychopathologie kunnen de normatieve zorg voor jonge kinderen verstoren. Denk aan een lage remmende controle, een lage drempel voor agressie, een depressieve stoornis of een borderline persoonlijkheidsstoornis.
  • Nieuw onderzoek geeft aan dat kinderen met bepaalde neurologische ontwikkelingskenmerken, zoals de aanwezigheid van een leerstoornis en/of een autismespectrumstoornis, een verhoogd risico lopen op mishandeling.
  • Ontregeling van de neurofysiologie van dader-ouders zou hen meer vatbaar maken voor misbruik. Als de balans tussen het sympathische en parasympathische systeem ontregeld is, kan over- of onderreactiviteit op stressvolle stimuli leiden tot verwaarlozing of hard ouderschap.
  • Alleenstaand ouderschap.
  • Gebrek aan sociale steun.
  • Lage sociaaleconomische status.

Wat zijn beschermende factoren van kindermishandeling?

Beschermende factoren kunnen fungeren als moderatoren van het verband tussen risicofactoren en mishandeling. Ze kunnen de kans op kindermishandeling verkleinen, zelfs als er risicofactoren aanwezig zijn. De volgende beschermende factoren worden geïdentificeerd:

  • Een sociaal ondersteuningsnetwerk.
  • Interventie.
  • De aanwezigheid van stabiele, veilige en warme relaties met intieme partners.
  • Hoge niveaus van moederlijke warmte.

Wat is de overkoepelende synthesebenadering?

Een overkoepelende synthese omvat de systematische verzameling en beoordeling van meerdere meta-analyses die over een specifiek onderwerp zijn gepubliceerd. De resultaten van de meta-analyses worden geïntegreerd en beoordeeld volgens een uniforme aanpak om vergelijking mogelijk te maken. Deze benadering leidt tot vergelijkbare schattingen van gecombineerde meta-analytische effectgroottes, een systematische stratificatie van het bewijsmateriaal, een evaluatie van de heterogeniteit en mogelijke vooroordelen, en gevoeligheidsanalyses om mogelijke vooroordelen in de rapportage te identificeren.

Welke antecedenten van kindermishandeling zijn er op basis van de overkoepelende synthese geïdentificeerd?

Vijf categorieën van antecedenten van kindermishandeling werden geïdentificeerd, namelijk ervaring van ouders met kindermishandeling, persoonlijkheidskenmerken van ouders, ervaring van ouders met partnergeweld, fysiologie en fysiologische reactiviteit van ouders, en sociaaleconomische status.

Welke interventies kunnen risico's op kindermishandeling voorkomen of verminderen?

Effectieve interventies bleken opvoedprogramma's met oudertraining, zoals multisysteemtherapie bij kindermishandeling en -verwaarlozing, en ouder-kindinteractietherapie. Verpleeghuisbezoeken verminderden het aantal meldingen van kindermishandeling niet, maar leidden wel tot verbeteringen in andere domeinen, zoals gezondheid en cognitieve ontwikkelingen. Uit de overkoepelende synthese bleek dat bepaalde interventies er niet in slaagden het risico op kindermishandeling te verminderen, waaronder interventies die alleen steun boden aan gezinnen, gezond gedrag tijdens zwangerschap en vroeg ouderschap promootten, sociale steunnetwerken opzetten en screenen op ontwikkelingsachterstand.

Waarom zou er meer kennis moeten worden vergaard over de antecedenten van kindermishandeling?

Van de antecedenten waarvan is aangetoond dat ze verband houden met kindermishandeling, zijn de onderliggende mechanismen nog onduidelijk. Bovendien verklaren de gevonden antecedenten slechts een klein percentage van de variantie in kindermishandeling. Ten slotte is er een gebrek aan reproduceerbaar bewijs over mogelijk uiteenlopende voorlopers van verschillende vormen van mishandeling.

Waarom zou toekomstig onderzoek meer informatie moeten verzamelen over de neurobiologische antecedenten van kindermishandeling?

Er bestaat geen meta-analyse bewijs van ouderlijke neurale of genetische antecedenten van kindermishandeling. Ook kan intergenerationele overdracht van mishandeling optreden als gevolg van erfelijke kenmerken van ouder en kind. Als ouders zelf zijn mishandeld, kunnen preventie-inspanningen nuttig zijn, ongeacht de genetica achter de overdracht.

Wat wordt aanbevolen met betrekking tot huidige en toekomstige interventies gericht op het terugdringen en voorkomen van kindermishandeling?

Er moeten effectievere interventies worden ontwikkeld om meer kinderen te beschermen en meer gezinnen te ondersteunen. Op dit moment zijn interventies nauwelijks in staat om kindermishandeling en verwaarlozing bij de volgende generatie te voorkomen of te verminderen. Onderzoek naar de effecten van het veranderen van de sociaal-economische omstandigheden van gezinnen in omgevingen met weinig middelen is noodzakelijk. Beperkte sociale en materiële middelen voor gezinnen zijn een van de sterkst gecorreleerde risico's op mishandeling. Universele gezondheidszorg, betaalbaar onderwijs, betaald ouderschapsverlof en meer en beter betaalde banen kunnen leiden tot minder stress en een betere omgang van ouders met uitdagend gedrag van kinderen, wat kan leiden tot lagere basale fysiologische niveaus en lagere risico's op mishandeling.

Hoe kan de vicieuze cirkel van mishandeling en het uitblijven van effectieve interventies worden doorbroken?

Er worden twee manieren aanbevolen. Ten eerste moeten ouders in staat worden gesteld om gevoeliger om te gaan met uitdagend gedrag van kinderen en om zachte maar consistente grenzen te stellen aan oppositionele en dwingende interacties. Ten tweede moet aandacht worden besteed aan differentiële gevoeligheid. Differentiële gevoeligheid verwijst naar het idee dat sommige individuen meer openstaan voor omgevingsinvloeden dan andere. De effectiviteit van interventie-effecten op kindermishandeling kan verborgen zijn in gevoelige subgroepen van deelnemers, wat nu onopgemerkt blijft door de evaluatie van de gemiddelde effecten van alle betrokken ouders.

Wat onderscheidt volgens de differentiële susceptibiliteitstheorie de meer vatbare van de minder vatbare individuen?

Differentiële susceptibiliteitstheorie stelt drie markers voor op de niveaus van genetische, stressregulerende en temperamentvolle makeup.

  • Genetische markers zijn gevonden in genen die betrokken zijn bij het dopaminerge en serotonerge systeem. De dragers van de dopaminereceptor D4 7-repeat-allelen lijken open te staan voor de omgeving en dit genotype kan zijn ingebed in grotere dopamine-gerelateerde genetische routes of polygenetische gevoeligheidsscores.
  • Individuen kunnen een biologische gevoeligheid hebben voor context, met verhoogde stress en immuunreactiviteit voor negatieve stimuli in een chaotische en stressvolle omgeving.
  • Individuen kunnen verschillen in temperamentvolle moeilijkheid. Moeilijkheidsgraad wordt grofweg gedefinieerd als het omvatten van negatieve emotionaliteit, overgave en inspannende controle. Het voorspelt hogere niveaus van internaliserende en externaliserende gedragsproblemen, evenals een verhoogde openheid voor de invloed van verandering in de omgeving ten goede.

Hoe verklaart de differentiële susceptibiliteitstheorie waarom er niet altijd sprake is van intergenerationele overdracht van kindermishandeling?

Volgens deze theorie worden veerkrachtige individuen gekenmerkt door een lagere mate van gevoeligheid voor de omgeving. Minder gevoelige individuen kunnen vertrouwen op hun constitutionele veerkracht die is geworteld in een minder reactief temperament en neurobiologische samenstelling. Meer vatbare personen moeten daarentegen meer vertrouwen op een ondersteunende omgeving als buffer tegen tegenslagen. Deze individuen kunnen het heel goed doen als ze opgroeien in een warme en gevoelige zorgsteiger, wat de rol van sociale context in veerkracht benadrukt.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Annual Research Review: Umbrella synthesis of meta‐analyses on child maltreatment antecedents and interventions: differential susceptibility perspective on risk and resilience van Van IJzendoorn - 2020

Artikelsamenvatting bij Annual Research Review: Umbrella synthesis of meta‐analyses on child maltreatment antecedents and interventions: differential susceptibility perspective on risk and resilience van Van IJzendoorn - 2020

Wanneer spreken we van kindermishandeling?

Kindermishandeling in de gezinscontext is een wijdverbreid fenomeen dat het leven van miljoenen kinderen over de hele wereld beïnvloedt. Algemeen gedefinieerd, verwijst kindermishandeling naar elke interactie of gebrek aan interactie die redelijkerwijs binnen de macht van een ouder of persoon in een positie met zorgverantwoordelijke verantwoordelijkheid valt, die (potentiële) schade toebrengt aan de gezondheid van het kind of aan fysieke, mentale, spirituele, morele of sociale ontwikkeling in de context van de samenleving waarin het kind opgroeit. Er zijn duizenden empirische onderzoeken gedaan naar de prevalentie, antecedenten en gevolgen van kindermishandeling, evenals honderden onderzoeken naar (preventieve) interventies van kindermishandeling. Deze onderzoeken zijn beoordeeld en kwantitatief gecombineerd in een heterogene verzameling meta-analyses voor verschillende soorten mishandeling en met variërende aantallen onderzoeken. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beschrijft de verschillende vormen van kindermishandeling in het Report of the Consultation on Child Abuse Prevention. Dit rapport maakt een onderscheid tussen de volgende vormen van mishandeling: seksueel misbruik van kinderen, lichamelijke mishandeling, emotionele mishandeling, verwaarlozing inclusief lichamelijke verwaarlozing, emotionele verwaarlozing en verwaarlozing van het onderwijs, en getuige zijn van huiselijk geweld dat onlangs is toegevoegd aan de lijst van vormen van mishandeling, en voorgesteld om mogelijk ernstige ontwikkelingsgevolgen hebben.

Hoe vaak komt kindermishandeling voor?

De globale geschatte prevalentiecijfers voor zelfgerapporteerde onderzoeken naar mishandeling waren 127/1.000 voor seksueel misbruik, 226/1.000 voor lichamelijke mishandeling, 363/1.000 voor emotionele mishandeling, 163/1.000 voor lichamelijke mishandeling en verwaarlozing, en 184/1.000 voor emotionele verwaarlozing. Een belangrijk punt bij het inschatten van de prevalentie van kindermishandeling is het grote verschil in schattingen tussen zelfrapportages en informantenrapporten. Informele meldingen zijn meestal meldingen van professionals zoals leraren die de kinderbescherming waarschuwen. De totale geschatte prevalentiecijfers voor onderzoeken met informanten waren 4 per 1.000 voor seksueel misbruik en 3 per 1.000 voor zowel fysieke als emotionele mishandeling. Informantenrapporten kunnen de prevalentiecijfers van kindermishandeling onderschatten, terwijl zelfrapportagestudies de prevalentie zouden kunnen overschatten.

Welke beschermende factoren en welke risicofactoren van kindermishandeling onderscheiden we?

We onderscheiden enkele factoren die het risico op het voorkomen van kindermishandeling kunnen vergroten:

  • Extreme stress veroorzaakt door armoede en andere benarde situaties zou ouders ertoe kunnen dwingen een deel van hun nakomelingen aan institutionele zorg over te laten.
  • Bovendien lopen ouders die het slachtoffer zijn geworden van kindermishandeling een verhoogd risico om hun nakomelingen te mishandelen. Studies naar de intergenerationele overdracht van mishandeling zijn overvloedig, hoewel twijfelachtig in hun bevindingen.
  • Naast ervaren kindermishandeling, kan de ervaring van ouders met interpersoonlijk of intiem partnergeweld (IPV) en echtelijke conflicten in het verlengde daarvan ook hun interactie met het kind schaden.
  • Psychologische en neurologische ontwikkelingsfactoren kunnen ook risicofactoren zijn voor mishandeling, zowel bij de ouder als bij het kind. Ouderlijke kenmerken, zoals een lage drempel voor agressie of lage remmende controle, en psychopathologie, zoals een depressieve stoornis of borderline persoonlijkheidsstoornis, kunnen de normatieve zorg voor jonge kinderen verstoren.
  • Mogelijk gerelateerd aan enkele van de bovengenoemde antecedenten, kunnen neurobiologische factoren van de ouders een rol spelen bij het verhogen van het risico op kindermishandeling.
  • Als contextfactoren zijn alleenstaand ouderschap, gebrek aan sociale steun en een lage sociaaleconomische status in verband gebracht met een verhoogd risico op kindermishandeling.

Waar risicofactoren de kans op mishandeling in het leven van het kind vergroten, verkleinen beschermende factoren deze kans, zelfs als er risicofactoren aanwezig zijn. Daarbij fungeren beschermende factoren als moderatoren van het verband tussen risicofactoren en mishandeling:

  • Het risico op mishandeling in gezinnen die in armoede leven – een risicofactor voor fysieke verwaarlozing – kan bijvoorbeeld worden verminderd als en wanneer een sociaal ondersteuningsnetwerk of interventie aanwezig is.
  • Op individueel niveau kan een ouder bijvoorbeeld onverstoorbaar blijven door de stressvolle gevolgen van dagelijkse beslommeringen, of een kind veroorzaakt misschien geen mishandeling van de kant van zijn/haar gestresste ouders vanwege zijn/haar gemakkelijke temperament.
  • Bescherming op het niveau van de sociale context kan de invloed van ouder- of kind-risicofactoren bufferen, en longitudinale studies hebben aangetoond dat de intergenerationele cyclus kan worden doorbroken, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van veilige, stabiele en koesterende relaties met intieme partners en een hoge mate van moederlijke warmte jegens kinderen.

Kunnen we door middel van interventies kindermishandeling terugdringen?

Er is een aantal meta-analyses uitgevoerd naar de effectiviteit van interventieprogramma's die gericht zijn op het verminderen van het potentieel voor kindermishandeling of kindermishandeling, sommige met alleen gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken, andere met een mix van zowel gerandomiseerde als niet-gerandomiseerde onderzoeken. In onze overkoepelende synthese van 16 meta-analyses van relevante onderzoeken naar interventies op het gebied van mishandeling hebben we ons gericht op het beste bewijs dat beschikbaar is in dit gecompliceerde maar cruciale onderzoeksgebied, afgeleid van gerandomiseerde onderzoeken.

Wat is de methode van het huidige onderzoek?

In de loop der jaren zijn honderden empirische onderzoeken gedaan naar de antecedenten van kindermishandeling en naar (preventieve) interventies bij kindermishandeling. Het is moeilijk geworden om een overzicht te krijgen van de snel groeiende empirische literatuur en om het beste bewijs uit het zeer heterogene werk te distilleren. Hier komen meta-analyses in het spel.

Gericht op twee kernelementen van preventie, namelijk antecedenten voor mishandeling en de effectiviteit van (preventieve) interventies, hebben we een overkoepelende review uitgevoerd van meta-analyses die zijn gepubliceerd tussen 1 januari 2014 en 17 december 2018. Meta-analyses werden systematisch uitgevoerd. verzameld, beoordeeld en geïntegreerd volgens een uniforme aanpak om vergelijking tussen domeinen mogelijk te maken.

Wat waren de resultaten van het huidige onderzoek?

Uit deze analyse van duizenden onderzoeken met bijna 1,5 miljoen deelnemers werden de volgende risicofactoren afgeleid: ervaring van de ouders met mishandeling in de eigen kindertijd (d = 0,47), lage sociaaleconomische status van het gezin (d = 0,34), afhankelijke en agressieve ouderlijke persoonlijkheid (d = .45), intiem partnergeweld (d = .41), en hogere baseline activiteit van het autonome zenuwstelsel (d = .24). De effectgrootte voor autonome stressreactiviteit was niet significant (d = 0,10).

De overkoepelende review van interventies om kindermishandeling te voorkomen of te verminderen toonde een bescheiden effectiviteit van de interventies (d = 0,23 voor interventies gericht op het potentieel van kindermishandeling of gezinnen met zelfgerapporteerde mishandeling en d = 0,27 voor officieel gemelde gevallen van kindermishandeling).

Ondanks talrijke studies over kindermishandeling, bestaan ​​er enkele grote hiaten in onze kennis van antecedenten. Neurobiologische antecedenten zouden meer onderzoeksinvesteringen moeten krijgen. In combinatie met op het gezin gebaseerde interactiegerichte interventies, kunnen grootschalige sociaaleconomische experimenten, zoals proeven met geldoverdracht en experimenten met vouchers om naar een gebied met minder armoede te verhuizen, worden getest om kindermishandeling te voorkomen of te verminderen. Prevalentie, antecedenten en preventieve interventies van prenatale mishandeling verdienen voortdurende wetenschappelijke, klinische en beleidsaandacht.

Samenvatting bij Differential susceptibility perspective on risk and resilience in bullets

  • Kindermishandeling in de gezinscontext is een wijdverbreid en alomtegenwoordig fenomeen in veel moderne samenlevingen. Het wereldwijde plegen van kindermishandeling en -verwaarlozing staat in schril contrast met de bijna universele veroordeling ervan, zoals geïllustreerd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.
  • Er is veel werk besteed aan preventie, maar een grootse synthese van de literatuur ontbreekt.
  • Gericht op twee kernelementen van preventie, namelijk antecedenten voor mishandeling en de effectiviteit van (preventieve) interventies, hebben we een overkoepelende review uitgevoerd van meta-analyses die zijn gepubliceerd tussen 1 januari 2014 en 17 december 2018. Meta-analyses werden systematisch uitgevoerd. verzameld, beoordeeld en geïntegreerd volgens een uniforme aanpak om vergelijking tussen domeinen mogelijk te maken.
  • Uit deze analyse van duizenden onderzoeken met bijna 1,5 miljoen deelnemers werden de volgende risicofactoren afgeleid: ervaring van de ouders met mishandeling in de eigen kindertijd (d = 0,47), lage sociaaleconomische status van het gezin (d = 0,34), afhankelijke en agressieve ouderlijke persoonlijkheid (d = .45), intiem partnergeweld (d = .41), en hogere baseline activiteit van het autonome zenuwstelsel (d = .24). De effectgrootte voor autonome stressreactiviteit was niet significant (d = 0,10).
  • De overkoepelende review van interventies om kindermishandeling te voorkomen of te verminderen toonde een bescheiden effectiviteit van de interventies (d = 0,23 voor interventies gericht op het potentieel van kindermishandeling of gezinnen met zelfgerapporteerde mishandeling en d = 0,27 voor officieel gemelde gevallen van kindermishandeling).
  • Ondanks talrijke studies over kindermishandeling, bestaan ​​er enkele grote hiaten in onze kennis van antecedenten. Neurobiologische antecedenten zouden meer onderzoeksinvesteringen moeten krijgen.  
  • In combinatie met op het gezin gebaseerde interactiegerichte interventies, kunnen grootschalige sociaaleconomische experimenten, zoals proeven met geldoverdracht en experimenten met vouchers om naar een gebied met minder armoede te verhuizen, worden getest om kindermishandeling te voorkomen of te verminderen.
  • Prevalentie, antecedenten en preventieve interventies van prenatale mishandeling verdienen voortdurende wetenschappelijke, klinische en beleidsaandacht.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Decision making in child protection van Benbenishty e.a. - 2015

Artikelsamenvatting bij Decision making in child protection van Benbenishty e.a. - 2015

Hoe gaat het besluitvormingsproces van kinderwelzijnsprofessionals in zijn werk?

Kinderwelzijnsprofessionals zijn moreel en juridisch belast met handelen in het belang van kinderen, en nemen regelmatig cruciale beslissingen die een aanzienlijke impact hebben op kinderen en hun families. Dergelijke beslissingen omvatten het al dan niet weghalen van een vermeend mishandeld kind uit huis, het thuishouden van het kind, ook al zijn er zorgen over zijn of haar welzijn, of het herenigen van een pleegkind met hun biologische familie. Dergelijke beslissingen kunnen zowel positieve als negatieve gevolgen hebben voor kinderen op korte en lange termijn. Gezien het belang van deze beslissingen is het noodzakelijk om te begrijpen hoe ze worden genomen en welke factoren ze beïnvloeden.

De huidige studie maakt gebruik van het Judgments and Decision Processes in Context-model (JUDPIC) om domeinen te onderzoeken die verband houden met oordelen en beslissingen in gevallen van vermeende kindermishandeling. Dit is een internationale studie die beoefenaars uit vier verschillende landen vergelijkt.

  • Volgens dit model vormen professionals hun oordeel op basis van casusinformatie over het kind en het gezin.
  • Verder wordt volgens het model de informatie over deze casuskenmerken verwerkt door professionals in sociale instanties die worden beïnvloed door hun persoonlijke kenmerken. Deze oordelen leiden tot interventie beslissingen. Dit verband tussen oordeel en beslissingen wordt gemodereerd door een groot aantal factoren, zoals beleid met betrekking tot welke drempel plaatsing van kinderen rechtvaardigt, beschikbare kennis en bewijsmateriaal dat verband houdt tussen casuskenmerken en passende interventies, en waarden en attitudes met betrekking tot de relatieve voordelen van bescherming het kind en het onderhouden van de gezinseenheid.
  • Ten slotte kan het verband tussen oordelen en interventies worden bemiddeld door beschikbare middelen en beperkingen; een bepaald risiconiveau kan leiden tot pleegplaatsing op de ene plaats, maar niet op een andere plaats waar pleegplaatsingen schaars zijn.

Zoals dit model beschrijft, zijn oordelen en beslissingen in gevallen van vermeende mishandeling het resultaat van complexe interacties tussen casuskenmerken en de kenmerken van de professionals die deze beslissingen nemen in een specifieke context. Er is ook sterk empirisch bewijs dat de contexten waarin de beslissingen en oordelen worden genomen een sterke impact hebben.

Wat is de methode van deze studie?

De steekproef bestond uit 828 beoefenaars uit vier landen. Deelnemers kregen een vignet te zien van een geval van vermeende kindermishandeling en werden gevraagd om vast te stellen of mishandeling gegrond was, het risico te beoordelen en een interventie aan te bevelen met behulp van gestructureerde instrumenten. De houding van de deelnemers aan het welzijn van kinderen werd beoordeeld.

Wat zijn de belangrijkste conclusies die getrokken kunnen worden op basis van het huidige onderzoek?

Het onderzoek onderzocht de relaties tussen drie onafhankelijke domeinen: casuskenmerk, behandelaarkenmerk en beschermende systeemcontext; en drie afhankelijke factoren: onderbouwing van mishandeling, risicobeoordeling en interventieadvies. De casus die kenmerkend is voor moeders wens tot verwijdering had geen invloed op oordelen en beslissingen. Daarentegen werd de houding van hulpverleners op het gebied van kinderwelzijn geassocieerd met onderbouwing, risicobeoordelingen en aanbevelingen. Bij de meeste maatregelen waren er aanzienlijke verschillen tussen landen.

De huidige studie gebruikt het JUDPIC-model om oordelen en besluitvorming te vergelijken in gevallen van vermeende mishandeling door besluitvormers in vier verschillende landen. Dit model stelt dat klantkenmerken van invloed zijn op oordelen en beslissingen. In de huidige studie werden twee versies van een vignet gepresenteerd aan de beoefenaars - in de ene had de moeder sterk bezwaar tegen het idee van plaatsing, en in de andere was de moeder bereid een plaatsing te accepteren als de maatschappelijk werker dit voorstelde. Deze klantinformatie had geen invloed op oordelen en beslissingen van werknemers uit de vier landen. Dit repliceert bevindingen uit Israël, wat suggereert dat dit een algemene trend kan zijn die niet beperkt is tot Israëlische professionals. Wij vinden dit een zorgelijke bevinding. Hoewel men kan begrijpen dat professionals de wensen van ouders negeren in extreme gevallen van misbruik, werd het huidige vignet door veel deelnemers niet beoordeeld als een weerspiegeling van extreme risiconiveaus. In tegenstelling tot het gebrek aan effect van cliëntkenmerken, waren behandelaarkenmerken geassocieerd met hun oordelen en beslissingen. Het JUDPIC-model stelt dat, hoewel de basiscomponenten van het beslissingsproces voor kinderbescherming en de onderlinge relaties daartussen universeel zijn, de context waarin ze worden gemaakt, ze op meerdere manieren beïnvloedt. Deze internationaal vergelijkende studie onderschrijft sterk het belang van de landencontext. Beoefenaars uit de deelnemende landen verschilden significant in alle onderzoeksvariabelen: attitudes op het gebied van kinderwelzijn, onderbouwing van mishandeling, risicobeoordelingen en aanbevolen interventies. Interessant is dat er bevindingen zijn die worden gedeeld door professionals uit verschillende landen en anderen die een onderscheid maken tussen hen.

Wat zijn de conclusies van het huidige onderzoek over Nederlandse professionals?

Nederlandse beoefenaars hebben een sterke houding tegen verwijdering, maar het totale aantal aanbevelingen voor verwijdering is veel lager en ligt dicht bij de Israëlische beoefenaars. Dit lijkt een weerspiegeling te zijn van de Nederlandse gezinsservice-oriëntatie die wordt gekenmerkt door meer preventief werk en gezinsondersteuning in een vroeg stadium, in de veronderstelling dat misbruik het gevolg is van een familieconflict veroorzaakt door sociale, economische en/of psychologische problemen. In het Nederlandse beleid wordt uithuisplaatsing gezien als de meest extreme vorm van ingrijpen om de veiligheid van het kind te waarborgen; daarom zijn gezinsgerichte zorg en ambulante programma's de voorkeursinterventie-alternatieven. Congruent met dit model lijken Nederlandse beoefenaars in dit onderzoek het meest tegen verwijdering te zijn, samen met de Noord-Ieren. Nederlandse professionals hadden de neiging om vermeende mishandeling in mindere mate te onderbouwen dan anderen. De huidige bevindingen zijn in lijn met het Nederlandse overheidsbeleid dat sterk de nadruk legt op plaatsingspreventie en het vermijden van opname in pleeggezinnen of residentiële zorg. Het principe van 'pedagogische civil society' wordt gezien als leidend voor problemen met het welzijn van kinderen en gezinnen, waardoor een extra terughoudendheid ontstaat voor een indringende interventie zoals uithuisplaatsingen. Een meer verrassende bevinding is dat Nederlandse beoefenaars in dit onderzoek significant minder steun toonden voor de participatie van kinderen en ouders dan beoefenaars in de andere drie deelnemende landen. Dit ondanks het feit dat de Nederlandse jeugdzorg het belang van participatie van jongeren en hun ouders in besluitvormingsprocessen benadrukt. Deze schijnbare discrepantie kan het gevolg zijn van de eenzijdige aandacht die gedurende vele jaren is besteed aan de professionalisering van hulpverleners ten nadele van het betrekken van kinderen en ouders bij zorgbeslissingen. Groen voerde bijvoorbeeld aan dat “. . .de wens voor jongerenparticipatie zet het hele traditionele idee van de professional onder grote druk. Als een jongere (gezien) wordt als co-expert, hoe positioneert de professional zich dan met zijn kennis en ervaring? Op dat moment is de professional niet meer de deskundige die de jeugd vertelt wat goed voor hem of haar is”. Bovendien heeft de massale media-aandacht voor familiedrama's zoals de Savannah-zaak vermoedelijk de terughoudendheid van beoefenaars om ruimte te geven aan ouderlijke stemmen in gevallen van sterke vermoedens van kindermishandeling versterkt. Sterker nog, de Nederlandse maatschappelijk werker, die geen afstand namen van de wens van de ouders van Savannah om het kind in het gezin te houden, werd voor de rechter gebracht na de dood van het kind; een gebeurtenis die de gemeenschap van Nederlandse kinderbeschermingswerkers schokte.

BulletPointsamenvatting bij Decision making in child protection

  • Jeugdzorgprofessionals nemen regelmatig cruciale beslissingen die een grote impact hebben op kinderen en hun families.
  • De huidige studie presenteert het Judgments and Decision Processes in Context-model (JUDPIC) en gebruikt het om de relaties tussen drie onafhankelijke domeinen te onderzoeken: casuskenmerk, behandelaarkenmerken en beschermende systeemcontext; en drie afhankelijke factoren: onderbouwing van mishandeling, risicobeoordeling en interventieadvies.
  • De steekproef bestond uit 828 beoefenaars uit vier landen. Deelnemers kregen een vignet te zien van een geval van vermeende kindermishandeling en werden gevraagd om vast te stellen of mishandeling gegrond was, het risico te beoordelen en een interventie aan te bevelen met behulp van gestructureerde instrumenten. De houding van de deelnemers aan het welzijn van kinderen werd beoordeeld.
  • De casus die kenmerkend is voor moeders wens tot verwijdering had geen invloed op oordelen en beslissingen. Daarentegen werd de houding van hulpverleners op het gebied van kinderwelzijn geassocieerd met onderbouwing, risicobeoordelingen en aanbevelingen. Bij de meeste maatregelen waren er aanzienlijke verschillen tussen landen.
  • De bevindingen ondersteunen de meeste voorspellingen die zijn afgeleid van het JUDPIC-model. De significante verschillen tussen beroepsbeoefenaars uit verschillende landen onderstrepen het belang van de context bij de besluitvorming over kinderbescherming.
  • Training moet het bewustzijn van beroepsbeoefenaars vergroten van de impact die hun houding en de context waarin ze zijn ingebed op hun oordelen en beslissingen hebben.

TentamenTickets bij Decision making in child protection

  • Verdiep je voor dit artikel in het bijzonder in de conclusies die konden worden getrokken over Nederlandse hulpverleners.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Prospective associations between early childhood intimate partner violence exposure and middle childhood internalizing and externalizing psychopathology van Lee e.a. - 2022

Artikelsamenvatting bij Prospective associations between early childhood intimate partner violence exposure and middle childhood internalizing and externalizing psychopathology van Lee e.a. - 2022

Wat zijn de gevolgen van partnergeweld voor kinderen?

Het meemaken van partnergeweld (IPV) vóór de leeftijd van 18 is in verband gebracht met risico op psychopathologie, waaronder internaliserend, externaliserend en PTSS symptomen. Voor kinderen die ook in de systemen van jeugdzorg zitten komen gelijktijdig voorkomende tegenslagen, waaronder blootstelling aan IPV, vaak voor. De relatieve associaties tussen gelijktijdig optredende tegenslagen in de vroege kinderjaren, zoals verwaarlozing en getuige zijn van IPV, en latere psychopathologie bij jeugdzorg-betrokken kinderen blijven minder duidelijk.  Groeiend bewijs suggereert dat blootstelling aan IPV en gelijktijdig voorkomende mishandeling de ontwikkeling van kinderen op talloze manieren kan verstoren, waardoor het risico op psychopathologie toeneemt. nfancy vertegenwoordigt een gevoelige en snelle ontwikkelingsfase van het kind. Blootstelling aan IPV in de kindertijd wordt specifiek geassocieerd met verhoogde percentages van vroege sociaal-emotionele en cognitieve problemen en externaliserend gedrag. Veel van de huidige literatuur over de associaties tussen soorten tegenspoed bij kinderen en psychopathologie in de kindertijd maakt vaak gebruik van retrospectieve rapportage van tegenspoed in de kindertijd.

Wat is het doel van het huidige artikel?

Negatieve gevolgen van IPV-blootstelling in de vroege kinderjaren, die de tegenspoeddimensie van dreiging weerspiegelen, omvatten een verhoogd risico op latere psychopathologie, maar minder studies hebben de specifieke associaties tussen vroege IPV-blootstelling en psychopathologie onderzocht met behulp van een dimensionale benadering . De huidige studie probeerde deze hiaten in bestaand onderzoek aan te pakken door secundaire analyses uit te voeren van gegevens uit een gerandomiseerde gecontroleerde studie van een opvoedingsinterventie voor jonge kinderen voor gezinnen met jeugdzorg-betrokkenheid. Met behulp van een prospectief ontwerp onderzochten we de associaties tussen IPV-blootstelling in het vroege leven en psychopathologie in de vroege kinderjaren, rekening houdend met gelijktijdig optredende deprivatie. We veronderstelden dat vroege blootstelling aan IPV geassocieerd zou zijn met zowel internaliserende als externaliserende psychopathologie in de midden-kindertijd wanneer rekening wordt gehouden met de associaties tussen deprivatie en latere psychopathologie.

Wat zijn de resultaten van het huidige onderzoek?

Life adversities variabelen werden gecodeerd uit gegevens die werden verzameld toen kinderen baby's waren (N = 249, Mage = 7,97 maanden) tot en met 48 maanden durende beoordelingen; internaliserende en externaliserende psychopathologie werden gemodelleerd als latente variabelen die het gemiddelde weerspiegelen van gegevens van jaarlijkse beoordelingen tussen 8 en 10 jaar.

Het doel van de huidige studie was om de prospectieve associaties tussen IPV-blootstelling in de vroege kinderjaren en internaliserende en externaliserende symptomen in de midden-kindertijd bij jeugdzorg-betrokken kinderen te onderzoeken. We breidden bestaand onderzoek uit dat de schadelijke effecten aantoonde van vroege IPV-blootstelling op kinderuitkomsten door het Dimensionale Model van Tegenspoed en Psychopathologie toe te passen. In het bijzonder hebben we de blootstelling aan IPV opgevat als een weerspiegeling van de dimensie van dreiging en rekening gehouden met deprivatie, een andere kerndimensie van tegenspoed, bij het onderzoeken van de verbanden tussen IPV-blootstelling en opkomende psychopathologie. In overeenstemming met onze hypothese lieten de resultaten significante associaties zien tussen IPV-blootstelling in het vroege leven en internaliserende en externaliserende symptomen in de middenkindertijd wanneer rekening wordt gehouden met deprivatie en covariaten die demografische kenmerken en depressie van de verzorger weerspiegelen. De paden van deprivatie naar internaliserende en externaliserende symptomen waren niet significant. In de huidige steekproef varieerden de aanbevelingen van slachtofferschap of daderschap van IPV door verzorgers in het afgelopen jaar toen kinderen nog baby's waren, van 37% voor fysieke agressie tot 23% voor seksuele dwang tot 16% voor letsel. Deze vroege blootstellingen waren prospectief gekoppeld aan het risico op verhoogde internaliserende symptomen op de leeftijd van 8, 9 en 10 jaar, wat suggereert dat blootstelling aan IPV in de eerste paar levensjaren kan worden beschouwd als een onafhankelijke risicofactor voor de ontwikkeling van psychopathologie bij jeugdzorg-betrokken kinderen. Hoewel we de mechanistische paden tussen IPV-blootstelling en latere kinderpsychopathologie niet direct hebben onderzocht, suggereert onderzoek dat kind-, ouder- en familiefactoren elk een significante rol kunnen spelen, waarbij de ontwikkeling van internaliserende en externaliserende symptomen die zowel gemeenschappelijke als duidelijke delen vertonen. mechanismen na blootstelling aan IPV.

BulletPointsamenvatting bij Prospective associations

  • Gelijktijdige tegenslagen in het leven komen vaak voor bij jonge kinderen die betrokken zijn bij kinderbeschermingsdiensten (CPS), met een hoge mate van blootstelling aan intiem partnergeweld (IPV) in deze populatie.
  • Ondanks uitgebreid onderzoek dat de blootstelling aan IPV bij kinderen koppelt aan latere psychopathologie, hebben minder studies de prospectieve associaties tussen IPV-blootstelling en psychopathologie onderzocht met behulp van een dimensionale benadering.
  • In dit onderzoek voerden Lee en haar collega's secundaire analyses uit van gegevens uit een gerandomiseerde, gecontroleerde studie van een opvoedingsinterventie voor CPS-betrokken kinderen, waarbij we de associaties onderzochten tussen IPV-blootstelling in de vroege kinderjaren, gelijktijdig optredende deprivatie en internaliserende en externaliserende symptomen in de kindertijd.
  • Life adversities variabelen werden gecodeerd uit gegevens die werden verzameld toen kinderen baby's waren (N = 249, Mage = 7,97 maanden) tot en met 48 maanden durende beoordelingen; internaliserende en externaliserende psychopathologie werden gemodelleerd als latente variabelen die het gemiddelde weerspiegelen van gegevens van jaarlijkse beoordelingen tussen 8 en 10 jaar.
  • De resultaten van ons structurele vergelijkingsmodel toonden aan dat, rekening houdend met de effecten van gelijktijdig optredende deprivatie, IPV-blootstelling significant geassocieerd was met zowel internaliserende en externaliserend symptomen.
  • De resultaten suggereren verbanden tussen IPV-blootstelling in de vroege kinderjaren en latere psychopathologie. Bevindingen ondersteunen screening en interventie-inspanningen om de ontwikkelingsgevolgen van IPV-blootstelling bij CPS-betrokken kinderen te verminderen.

TentamenTickets bij Prospective associations

  • Maak een lijstje van de negatieve consequenties die in dit onderzoek significant gecorreleerd zijn aan het meemaken van partnergeweld.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Maternal abuse history, postpartum depression and parenting; links with preschoolers internalizing problems van Madigan e.a. - 2015

Artikelsamenvatting bij Maternal abuse history, postpartum depression and parenting; links with preschoolers internalizing problems van Madigan e.a. - 2015

Welke invloeden spelen een rol bij internaliserende gedragsproblemen bij kinderen?

Interacties met verzorgers vertegenwoordigen een van de vroegste en sterkste invloeden op meerdere domeinen van het functioneren van kinderen, waaronder sociale en emotionele ontwikkeling. Variabiliteit in het type en de kwaliteit van de zorg die kinderen van ouders ontvangen, wordt zelf bepaald, althans gedeeltelijk, door de eigen vroege ervaringen van de verzorgers. In de huidige studie hebben we een procesgericht ecologisch raamwerk voor de ontwikkeling van kinderen aangenomen om te bepalen hoe de vroege ervaring van een verzorger werd geassocieerd met het internaliserende gedrag van kinderen door meer proximale invloeden van ouderlijke psychopathologie en opvoedingsgedrag.

We maken onderscheid tussen individuele, proximale en distale invloeden op internaliserende problemen bij kinderen.

  • Er zijn aanwijzingen dat individuele genetische factoren verantwoordelijk zijn voor het verband tussen temperamentkenmerken, negatieve emotionaliteit en internaliserende symptomen bij kinderen en adolescenten.
  • De proximale invloeden van ouders zijn consequent in verband gebracht met de regulatie van affect in de kindertijd en de daaropvolgende internaliserende problemen. De kwaliteit van de zorg, het troostende en kalmerende gedrag van ouders wanneer baby's aangeven dat ze een dergelijke reactie nodig hebben, kunnen zowel het leed van baby's reguleren als adaptieve processen modelleren voor het reguleren van emoties. In de afgelopen 2 decennia is een grote hoeveelheid literatuur verschenen die de mediërende rol van opvoedingsgedrag op de relatie tussen depressieve symptomen van ouders en internaliserende problemen van het kind onderstreept. Deze onderzoeken zijn gebaseerd op de observatie dat depressieve ouders minder warmte en gevoeligheid en meer negativiteit jegens hun kinderen tonen dan niet-depressieve moeders.
  • Een distale factor die in verband is gebracht met depressieve symptomen van ouders is de voorgeschiedenis van misbruik door ouders. Vroege tegenspoed is in verband gebracht met gevoelens van hopeloosheid, die op hun beurt patronen van cognitieve beoordeling, begrip van emoties, perceptie van emoties van anderen en andere vormen van psychopathologie kunnen beïnvloeden

Wat is het doel van de huidige studie?

De genoemde literatuur suggereert een complex en niet volledig opgehelderd pad waarin internaliserende problemen van kinderen worden beïnvloed door familiesocialisatiefactoren zoals opvoedingsgedrag. Deze opvoedingspraktijken zijn zelf meervoudig bepaald en worden beïnvloed door de eigen emotionele moeilijkheden en psychopathologie van de ouders. In omgekeerde volgorde zijn depressieve symptomen van ouders een gevolg van talrijke psychosociale stressoren, waaronder een geschiedenis van misbruik. De huidige studie breidt eerder werk uit door de invloed van fysiek en seksueel misbruik op depressieve symptomen van moeders en opvoeding te onderzoeken, en de resulterende invloed van deze factoren op internaliserende problemen van kinderen. We onderzoeken een dergelijk traject over een ontwikkelingsperiode van 36 maanden om een ​​temporele cascade te verklaren die de geschiedenis van moeders met mishandelingservaringen verbindt met de internaliserende problemen van hun kinderen. Lichamelijk en seksueel misbruik werden onderzocht als afzonderlijke voorspellers in het cascademodel, omdat de literatuur over de onafhankelijke bijdragen van deze misbruikervaringen op de geestelijke gezondheid en het gezinsfunctioneren inconsistent is.

Samenvattend werd de hypothese geopperd dat de geschiedenis van moeders van zowel fysiek als seksueel misbruik geassocieerd zal zijn met hogere niveaus van depressieve symptomen van moeders, dat depressieve symptomen van moeder geassocieerd zullen zijn met lagere niveaus van responsief ouderschap en dat minder responsief ouderschap zal worden geassocieerd met geassocieerd met hogere niveaus van internaliserende problemen van kinderen.

Wat is de methode van het huidige onderzoek?

De deelnemers bestonden uit 490 moeder-kind-dyades, beoordeeld op drie tijdstippen waarop kinderen gemiddeld 2 maanden oud waren op Tijd 1 (T1), 18 maanden op Tijd 2 (T2) en 36 maanden op Tijd 3 (T3). De voorgeschiedenis van moedermishandeling en depressieve symptomen werden beoordeeld via vragenlijsten op T1. Observaties van responsief ouderschap werden verzameld op T2 en werden gecodeerd met behulp van een gevalideerd codeerschema. De internaliserende problemen van kinderen werden beoordeeld in de voorschoolse periode met behulp van gemiddelde ouderrapporten.

Wat zijn de belangrijkste conclusies die kunnen worden getrokken uit het huidige onderzoek?

Met behulp van een ecologisch raamwerk hebben we de geschiedenis van moedermishandeling geconceptualiseerd als een distale factor die zijn effect uitoefent op de emotionele aanpassing van kleuters door middel van proximale processen zoals depressieve symptomen van de moeder en responsief ouderschap. Met behulp van padanalyse werd ons volledige cascademodel niet ondersteund; dat wil zeggen, het effect van de mishandelingsgeschiedenis van moeders (fysiek of seksueel misbruik) op de internaliserende problemen van kinderen werkte niet opeenvolgend via depressieve symptomen 2 maanden postpartum en hun responsieve opvoedingsgedrag na 18 maanden. We hebben echter aangetoond dat de voorgeschiedenis van fysieke mishandeling van moeders hen specifiek een verhoogd risico op depressieve symptomen gaf 2 maanden postpartum, wat op zijn beurt werd geassocieerd met het feit dat hun kinderen meer internaliserende problemen vertoonden na 36 maanden. Bovendien werkte de associatie tussen de geschiedenis van fysiek misbruik van moeders en hun responsieve ouder indirect via depressieve symptomen van de moeder.

In tegenstelling tot onze hypothesen, vonden we geen contextuele cascade waarin de geschiedenis van misbruik gerelateerd was aan de internaliserende problemen van kinderen door opvoedingsgedrag; dat wil zeggen, het effect werkte alleen via de depressieve symptomen van de moeder, en dit effect werd niet verder gemedieerd door opvoeding. Deze bevinding staat in contrast met empirisch en theoretisch onderzoek dat suggereert dat responsief opvoedingsgedrag, dat inhoudt dat men is afgestemd op de signalen van dwang van kinderen en helpt bij het effectief reguleren van stress, gezonde affectexpressie en regulatie bij kinderen bevordert. We vonden echter wel een indirect effect van de geschiedenis van fysiek misbruik op responsief opvoedingsgedrag dat via depressieve symptomen van moeders werkte.

Een verrassende bevinding in de huidige studie was dat de veronderstelde cascade die seksueel misbruik verbindt met het internaliserende gedrag van kinderen niet significant was. In het bijzonder was er, na controle voor SES en voorgeschiedenis van fysiek misbruik, geen direct verband tussen de geschiedenis van seksueel misbruik van moeders en het internaliserende gedrag van kinderen, en geen indirect effect van de geschiedenis van seksueel misbruik op de internaliserende problemen van kinderen door depressieve symptomen van de moeder of opvoedingsgedrag.

BulletPointsamenvatting bij Maternal abuse history

  • De huidige studie onderzocht een temporele cascade die de geschiedenis van mishandeling van moeders verbindt met de internaliserende problemen van hun kinderen door middel van proximale processen zoals postnatale depressieve symptomen van de moeder en responsief ouderschap.
  • De deelnemers bestonden uit 490 moeder-kind-dyades, beoordeeld op drie tijdstippen waarop kinderen gemiddeld 2 maanden oud waren op Tijd 1 (T1), 18 maanden op Tijd 2 (T2) en 36 maanden op Tijd 3 (T3). De voorgeschiedenis van moedermishandeling en depressieve symptomen werden beoordeeld via vragenlijsten op T1. Observaties van responsief ouderschap werden verzameld op T2 en werden gecodeerd met behulp van een gevalideerd codeerschema. De internaliserende problemen van kinderen werden beoordeeld in de voorschoolse periode met behulp van gemiddelde ouderrapporten.
  • Path-analyse onthulde dat fysieke mishandeling van de moeder geassocieerd was met depressieve symptomen postnataal, die op hun beurt geassocieerd waren met het internaliserende gedrag van kinderen op de leeftijd van 36 maanden.
  • We ontdekten ook dat de associatie tussen fysiek misbruik en responsief ouderschap indirect werkte via depressieve symptomen van de moeder. Deze bevindingen bleven na correctie voor covariabelen, waaronder sociaaleconomische status, geslacht van het kind en leeftijd.
  • Na rekening te hebben gehouden met de geschiedenis van fysiek misbruik, was de geschiedenis van seksueel misbruik niet geassocieerd met internaliserende problemen van kinderen, direct of indirect door depressieve symptomen van de moeder en/of opvoedingsgedrag.
  • De voorgeschiedenis van fysiek misbruik van moeders is dus een risicofactor voor een relatief slechte geestelijke gezondheid, die zelf voorspellend is voor zowel het latere opvoedingsgedrag als de internaliserende problemen van kinderen.

TentamenTickets bij Maternal abuse history

  • Schrijf voor jezelf op wat de belangrijkste conclusie van het huidige onderzoek is. Voeg dit bij het materiaal wat je hebt geschreven over de andere artikelen voor dit vak.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij The effect of maltreatment experiences on maltreating and dysfunctional parenting: A search for mechanisms van Alink e.a. - 2019

Artikelsamenvatting bij The effect of maltreatment experiences on maltreating and dysfunctional parenting: A search for mechanisms van Alink e.a. - 2019

Waarom is het belangrijk om te kijken naar risicofactoren voor intergenerationele overdracht?

De verstrekkende gevolgen van kindermishandeling zijn goed gedocumenteerd en kunnen de overdracht van tegenspoed en risico op volgende generaties omvatten. Onderzoek heeft aangetoond dat een voorgeschiedenis van kindermishandeling van invloed kan zijn op de mate waarin ouders worstelen met het dagelijkse ouderschap en ook het risico van ouders op mishandeling van hun eigen kind kan vergroten. Om effectieve interventies te ontwikkelen om mishandeling in volgende generaties te voorkomen, is dringend meer kennis nodig over de bemiddelende en modererende mechanismen die ten grondslag liggen aan de intergenerationele overdracht van mishandeling. Het vergroten van het begrip van de mechanismen van intergenerationele mishandeling is ook noodzakelijk voor het ontwikkelen en testen van theorieën. Tot op heden zijn verschillende mogelijke theoretische transmissiemechanismen voorgesteld, maar weinigen zijn voldoende getest en/of bevestigd.

Welke verschillende theorieën verklaren het proces van intergenerationele overdracht?

Verschillende ontwikkelingswetenschappers hebben theoretische mechanismen beschreven die het effect van vroege mishandelingservaringen op opvoedingsgedrag zouden kunnen verklaren, waaronder sociale leertheorie, sociale informatieverwerking, gehechtheidstheorie, neurofysiologische modellen, ontwikkelingspsychopathologie en erfelijkheidsmodellen.

  • De sociaal leren theory van Bandura stelt dat ouders het opvoedingsgedrag van hun eigen ouders imiteren. De onnauwkeurig waargenomen 'positieve effecten' van deze opvoedingspraktijken motiveert ouders om dit gedrag te herhalen in interactie met hun eigen kinderen. Onderzoek dat aantoont dat lichamelijke mishandeling het risico op later hard ouderschap of lichamelijke mishandeling van de eigen kinderen vergroot of het risico op latere agressie in het algemeen, biedt ondersteuning voor de theorie van sociaal leren.
  • Een ander model, dat vooral wordt gebruikt om de overdracht van lichamelijke mishandeling te verklaren, is het sociale informatieverwerkingsmodel van Milner. Dit sociale informatieverwerkingsmodel stelt dat ouders cognitieve, aandachts- en attributietekorten kunnen hebben in de verwerking van het gedrag van kinderen en bijgevolg hun reactie op dit gedrag. In het bijzonder zouden gewelddadige ouders minder aandachtig zijn en zich bewust zijn van het gedrag van het kind, en meer geneigd zijn om dubbelzinnig valentiegedrag als negatiever en verwijtbaarder te interpreteren in vergelijking met andere ouders.
  • De gehechtheidstheorie stelt dat kinderen gehechtheidsrelaties aangaan met hun ouders en dat de kwaliteit van deze relaties sterk afhangt van de opvoeding die ze ontvangen. De gehechtheidsrelatie van het kind met de primaire verzorgers fungeert als blauwdruk voor andere sociale interacties en relaties later in het leven. Uit onderzoek blijkt dat de gehechtheidsrelatie van mishandelde kinderen vaker onzeker of ongeorganiseerd is dan die van niet-mishandelde kinderen. Op hun beurt worden onveilige of onopgeloste gehechtheidsrepresentaties van volwassenen later in het leven geassocieerd met opvoedingsproblemen en mishandelingsgedrag.
  • Er zijn verschillende neurofysiologische processen die anders kunnen werken als onderliggende mechanismen van het effect van mishandelingservaringen op het ouderschap. Neurofysiologische modellen zijn voor een groot deel geworteld in dieronderzoek dat effecten aantoont van stress in het vroege leven op veranderde stressregulatie, wat gedeeltelijk kan worden verklaard door verhoogde methylering van stressgerelateerde genen. Meta-analytische bevindingen wijzen op verhoogde niveaus van het basaal autonoom zenuwstelsel, maar recente studies hebben ook aangetoond dat afgestompte stressreactiviteit verband kan houden met mishandeling en een gebrek aan betrokken ouderschap.
  • Een ander mechanisme met mogelijk verschillende functies, afhankelijk van het type mishandeling, en heel relevant in de huidige context, is psychopathologie. Het ecologisch-transactioneel perspectief en het ontwikkelings-psychopathologische raamwerk stellen dat individuen zich binnen het “normale bereik” ontwikkelen als ze worden gepresenteerd met een gemiddeld verwachte omgeving. Onderzoek heeft aangetoond dat ouders met bepaalde vormen van psychopathologie risico lopen op mishandeling.
  • Er is enig bewijs uit gedragsgenetische studies bij mensen die gedeeltelijke erfelijkheid van lijfstraffen, misbruik en verwaarlozing aantonen. Deze gedragsgenetische studies tonen aan dat de ervaring van mishandeling gedeeltelijk erfelijk kan zijn. Kennis over de mate waarin mishandeling en opvoedingsproblemen erfelijk zijn, is nodig om richting te geven aan interventie-inspanningen. Bovendien, omdat sommige van de omgevingsmechanismen gedeeltelijk erfelijk kunnen zijn, is het belangrijk om een schatting te hebben van de erfelijkheid van opvoedingsproblemen en mishandeling om op milieu gebaseerde mechanismen in perspectief te kunnen plaatsen.

Hoe kunnen modererende variabelen het voorkomen van intergenerationele overdracht beïnvloeden?

De bovengenoemde theoretische kaders gaan er allemaal van uit dat de intergenerationele overdracht van mishandeling en de effecten van ervaren mishandeling op opvoedingsproblemen in bredere zin milieugemedieerd zijn of gedeeltelijk verklaard kunnen worden door erfelijkheid. Maar naast het bemiddelen van mechanismen, is een beter begrip van modererende processen noodzakelijk om de theorie over risico en veerkracht te informeren en om de praktijk te sturen die gericht is op het voorkomen van mishandeling. Er is terecht opgemerkt dat gehechtheidstheorie krachtig kan zijn in het voorspellen van wettige discontinuïteit in ontwikkeling. In de afgelopen decennia hebben onderzoeken vrij consequent aangetoond dat veilige, stabiele en koesterende relaties de potentie hebben om de cirkel van mishandeling te doorbreken. Hoewel deze kennis van het grootste belang is voor interventie-inspanningen, kan het vergroten van kennis over mogelijke factoren die ouders met een voorgeschiedenis van mishandeling kunnen beschermen tegen het ervaren van moeilijkheden in de opvoeding van hun eigen kinderen, het theoretische begrip van continuïteit en discontinuïteit vergroten, en kan ook de instrumenten verbeteren die beschikbaar worden gesteld aan clinici om risicocycli effectief te doorbreken. een persoon die in zijn kinderjaren mishandeld is, loopt het risico dit problematische gedrag jegens zijn eigen kinderen te herhalen wanneer ze ouder worden. In onderzoek tot nu toe is het bewijs dat mediatoreffecten ondersteunt vaak indirect. Studies hebben associaties aangetoond tussen kindermishandeling en mogelijke mediërende factoren, of ze hebben een verband aangetoond tussen een mogelijke mediërende factor en het potentieel om het risico op disfunctioneel ouderschap of mishandeling te vergroten.

Welke modererende variabelen kunnen een rol spelen bij intergenerationele overdracht?

Verschillende onderzoeken hebben significante modererende factoren aangetoond die een rol kunnen spelen bij het proces van intergenerationele overdracht.

  • Augustijn et al. (2019) toonden aan dat het verband tussen ervaren en gepleegde mishandeling, algemeen gemeten, gemedieerd werd door delinquentie van adolescenten en twee vroegtijdige overgangen, schooluitval en zelfstandig wonen, evenals de opeenstapeling van vroegrijpe overgangen en probleemgedrag.
  • Met behulp van een soortgelijk perspectief, Capaldi et al. (2019) vonden geen bewijs voor delinquentie of middelengebruik als mediërende mechanismen voor de overdracht van lichamelijke mishandeling in het bijzonder; de relatie tussen ernstig ervaren mishandeling en delinquentie op volwassen leeftijd was echter significant.
  • Adams et al. (2019) en Labella et al. (2019) vonden steun voor partnerrelatieproblemen (romantische competentie en relatiegeweld) als een mechanisme van het effect van ervaren mishandeling op (gebrek aan) ondersteunend ouderschap (Labella et al., 2019) en gepleegde mishandeling (Adams et al., 2019 ; Labella et al., 2019).
  • Zajac et al. (2019) toonden aan dat in gezinnen die betrokken zijn bij de kinderbescherming, afwijzende en onopgeloste hechtingstoestanden op basis van het volwassen gehechtheidsinterview gerelateerd waren aan gevoeligheid, maar ervaringen met kindermishandeling waren niet significant gerelateerd aan gevoeligheid.
  • Daarnaast focussend op neurobiologische mechanismen, ontdekten Oosterman et al. (2019) dat een groot aantal ongunstige ervaringen in de kindertijd een zwaardere discipline voorspelde, maar dit werd niet gemedieerd door de periode vóór de ejectie of respiratoire sinusaritmie als reactie op het luisteren naar een huilende baby. Bovendien was een groot aantal ongunstige ervaringen van kinderen gerelateerd aan minder reactiviteit van de sinusaritmie van de luchtwegen, wat een toename van depressieve symptomen voorspelde, maar het indirecte effect was niet significant.
  • Dan meldden Choi et al. (2019) dat het verband tussen emotionele en seksuele ervaringen van moeders en de blootstelling van hun kind aan mishandeling werd gemedieerd door depressie van de moeder (postpartum en later, maar het effect werd veroorzaakt door latere depressie).
  • Tot slot, in hun paper over de erfelijkheid van kindermishandeling, Pittner et al. (2019) rapporteren dat genetische factoren significant hebben bijgedragen aan emotioneel misbruik, maar niet aan fysieke mishandeling en emotionele verwaarlozing. Daarom zal het in toekomstig onderzoek belangrijk zijn om te onderzoeken waarom mechanismen die ten grondslag liggen aan de effecten van emotionele mishandeling genetisch kunnen worden verklaard, terwijl fysieke mishandeling en emotionele verwaarlozing dat misschien niet zijn.

BulletPointsamenvatting bij The effect of maltreatment experiences

  • Onderzoek heeft aangetoond dat een voorgeschiedenis van kindermishandeling van invloed kan zijn op de mate waarin ouders worstelen met het dagelijkse ouderschap en ook het risico van ouders op mishandeling van hun eigen kind kan vergroten.
  • Om effectieve interventies te ontwikkelen om mishandeling in volgende generaties te voorkomen, is dringend meer kennis nodig over de bemiddelende en modererende mechanismen die ten grondslag liggen aan de intergenerationele overdracht van mishandeling.
  • Verschillende ontwikkelingswetenschappers hebben theoretische mechanismen beschreven die het effect van vroege mishandelingservaringen op opvoedingsgedrag zouden kunnen verklaren, waaronder sociale leertheorie, sociale informatieverwerking, gehechtheidstheorie, neurofysiologische modellen, ontwikkelingspsychopathologie en erfelijkheidsmodellen.
  • Studies hebben associaties aangetoond tussen kindermishandeling en mogelijke mediërende factoren, of ze hebben een verband aangetoond tussen een mogelijke mediërende factor en het potentieel om het risico op disfunctioneel ouderschap of mishandeling te vergroten.
  • Verschillende onderzoeken hebben significante modererende factoren aangetoond die een rol kunnen spelen bij het proces van intergenerationele overdracht.

TentamenTickets bij The effect of maltreatment experiences

  • Maak een lijstje van de modererende variabelen die volgens wetenschappelijk onderzoek het voorkomen van intergenerationele overdracht significant beinvloeden.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Identifying effective components of child maltreatment interventions: A meta-analysis van Van der Put e.a. - 2018

Artikelsamenvatting bij Identifying effective components of child maltreatment interventions: A meta-analysis van Van der Put e.a. - 2018

Hoe kunnen we de effectiviteit van interventies voor het voorkomen of de afname van kindermishandeling beoordelen?

Kindermishandeling is een ernstig probleem dat veel kinderen over de hele wereld treft. Een recente reeks meta-analyses toonde aan dat de wereldwijde prevalentiecijfers van kindermishandeling varieerden van 0,3% op basis van onderzoeken met meldingen van mishandeling van professionals tot 36,6% op basis van zelfrapportageonderzoeken. Kindermishandeling gaat gepaard met ernstige negatieve gevolgen op korte en lange termijn, zoals lichamelijke, gedrags- en psychische problemen, wat leidt tot hoge kosten voor het individu en de samenleving. Het aantal interventies gericht op het voorkomen of terugdringen van kindermishandeling is in de loop der jaren gegroeid. Verschillende meta-analyses over de effectiviteit van deze interventies lieten echter slechts een beperkt effect zien. Daarom is het van groot belang om interventiecomponenten die bijdragen aan de effectiviteit van interventies te ontrafelen van componenten die niet bijdragen aan (of zelfs een negatieve invloed hebben op) de interventie-effectiviteit. In een aantal meta-analyses zijn resultaten gesynthetiseerd over de effectiviteit van interventies gericht op het voorkomen of verminderen van kindermishandeling. Andere meta-analyses hebben geprobeerd kenmerken van interventies voor kindermishandeling te identificeren die verband houden met de effectiviteit van interventies door potentiële moderatoren van het gemiddelde effect van interventies te onderzoeken.

Het belangrijkste doel van deze meta-analyse was om te bepalen of en hoe interventiecomponenten de effectiviteit van interventies voor kindermishandeling beïnvloeden. Daarbij kan belangrijk inzicht worden verkregen in welke componenten bijdragen aan de effectiviteit van interventies en daarmee hoe interventies voor kindermishandeling het beste kunnen worden ontworpen om een ​​optimale effectiviteit te bereiken.

Welke methode heeft deze meta-analyse toegepast?

Deze meta-analyse is op drie niveaus uitgevoerd waarin we interventiecomponenten hebben getest als mogelijke moderators van het (gemiddelde) effect van interventies voor kindermishandeling. Omdat we streefden naar een uitgebreide meta-analyse, hebben we (a) twee soorten interventies opgenomen: preventieve interventies gericht op de algemene bevolking of gezinnen met een risico op kindermishandeling en curatieve interventies gericht op mishandelende gezinnen die gericht zijn op het terugdringen van mishandeling, (b) gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken (RCT's) evenals quasi-experimentele onderzoeken van hoge kwaliteit, en (c) recent uitgevoerde onderzoeken, aangezien eerdere meta-analyses onderzoeken omvatten die tot 2013 zijn gepubliceerd.

Literatuuronderzoek leverde 121 onafhankelijke onderzoeken op die de effecten van interventies op het voorkomen of verminderen van kindermishandeling onderzochten. Uit deze onderzoeken werden 352 effectgroottes geëxtraheerd.

Wat waren de resultaten van het huidige onderzoek?

De totale effectgrootte was significant en klein van omvang voor zowel preventieve interventies (d = 0.26, p < .001) als curatieve interventies (d = 0.36, p < .001). Cognitieve gedragstherapie, huisbezoek, oudertraining, gezinsgericht/multisystemisch, middelenmisbruik en gecombineerde interventies waren effectief in het voorkomen en/of verminderen van kindermishandeling.

Voor de resultaten maken we onderscheid tussen preventieve interventies en curatieve interventies:

  • Voor preventieve interventies werden grotere effectgroottes gevonden voor kortetermijninterventies (0-6 maanden), interventies gericht op het vergroten van het zelfvertrouwen van ouders en interventies die alleen door professionals werden uitgevoerd.Verder namen de effectgroottes van preventieve interventies toe naarmate de follow-upduur toenam, wat kan wijzen op een slaperig effect van preventieve interventies.
  • Voor curatieve interventies werden grotere effectgroottes gevonden voor interventies gericht op het verbeteren van opvoedingsvaardigheden en interventies die sociale en/of emotionele steun bieden.

Uit deze meta-analyse kan worden geconcludeerd dat interventies effectief kunnen zijn in het voorkomen of verminderen van kindermishandeling.  

BulletPointsamenvatting bij Identifying effective components of child maltreatment interventions

  • Er is een gebrek aan kennis over specifieke onderdelen die interventies effectief maken in het voorkomen of terugdringen van kindermishandeling. Het doel van de huidige meta-analyse was om deze kennis te vergroten door bevindingen over effecten van interventies voor kindermishandeling samen te vatten en door mogelijke moderatoren van dit effect te onderzoeken, zoals interventiecomponenten en onderzoekskenmerken.
  • Het identificeren van effectieve componenten is essentieel voor het ontwikkelen of verbeteren van kindermishandelinginterventies.
  • Literatuuronderzoek leverde 121 onafhankelijke onderzoeken op die de effecten van interventies op het voorkomen of verminderen van kindermishandeling onderzochten. Uit deze onderzoeken werden 352 effectgroottes geëxtraheerd.
  • De totale effectgrootte was significant en klein van omvang voor zowel preventieve interventies (d = 0.26, p < .001) als curatieve interventies (d = 0.36, p < .001). Cognitieve gedragstherapie, huisbezoek, oudertraining, gezinsgericht/multisystemisch, middelenmisbruik en gecombineerde interventies waren effectief in het voorkomen en/of verminderen van kindermishandeling.
  • Voor preventieve interventies werden grotere effectgroottes gevonden voor kortetermijninterventies (0-6 maanden), interventies gericht op het vergroten van het zelfvertrouwen van ouders en interventies die alleen door professionals werden uitgevoerd.
  • Verder namen de effectgroottes van preventieve interventies toe naarmate de follow-upduur toenam, wat kan wijzen op een slaperig effect van preventieve interventies.
  • Voor curatieve interventies werden grotere effectgroottes gevonden voor interventies gericht op het verbeteren van opvoedingsvaardigheden en interventies die sociale en/of emotionele steun bieden.
  • Interventies kunnen dus al met al effectief zijn in het voorkomen of verminderen van kindermishandeling.  

TentamenTickets bij Identifying effective components of child maltreatment interventions

  • Focus bij het studeren van dit onderzoek op de conclusies die we kunnen trekken over de effectiviteit van preventieve en curatieve interventies.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Inquiries into Fatal Child Abuse in the Netherlands: A Source of Improvement? van Kuijvenhoven & Kortleven - 2010

Artikelsamenvatting bij Inquiries into Fatal Child Abuse in the Netherlands: A Source of Improvement? van Kuijvenhoven & Kortleven - 2010

Als kinderen fataal worden mishandeld terwijl ze bekend zijn bij organisaties als Jeugdzorg, wordt niet alleen de dader maar worden ook de bij het gezin betrokken professionals aangekeken op de dood van het kind. Dit kan leiden tot officiële onderzoeken naar de professionele praktijk, zoals veel voorkomt in het Verenigd Koninkrijk. Ook in Nederland gebeurt dit, bij de zaak van Savanna werd de betrokken gezinsbegeleider zelfs aangeklaagd wat zorgde voor groot protest bij andere jeugdwerkers.

Onderzocht: de rol van professionals

Het officiële onderzoek heeft een belangrijke rol in het trekken van de aandacht van het publiek en de politiek. Het doel van die onderzoeken is het verbeteren van de professionele praktijk waardoor de kans op fataal kindermisbruik verkleint wordt. Er is echter reden om aan te twijfelen of die onderzoeken daar wel echt aan bijdragen. Uit Brits onderzoek blijkt dat ze er niet in slagen de praktijk te verbeteren en soms zelfs contraproductief kunnen zijn door een verkeerde focus. In dit artikel word gekeken of Nederland daarin verschilt van het Verenigd Koninkrijk. Daarvoor worden alle zeven gepubliceerde Nederlandse onderzoeken (uitgevoerd door de Inspectie Jeugdzorg) naar de rol van professionals bij fataal kindermisbuik kritisch onderzocht.

Vergeleken met het Verenigd Koninkrijk heeft Nederland een korte geschiedenis van onderzoek naar de praktijk na kindermishandelingszaken. De eerste was de Bolderkar-affaire in 1988 waarbij kinderen ten onrechte uit huis werden geplaatst vanwege vermoeden van seksueel misbruik. Pas vanaf 2000 worden sommige onderzoeken openbaar gemaakt, het zijn er echter pas zeven omdat het kind bekend moet zijn bij Jeugdzorg en de zaak eerst op verschillende interne niveaus bekeken wordt voordat het landelijk onderzocht wordt. Het is gokken waarom het ene onderzoek wel publiek toegankelijk wordt gemaakt en het andere niet, maar factoren die de kans daarop vergroten zijn media aandacht, onderzoeken op verzoek van de regering en als het onderzoek bepaalde problemen in organisaties of overheid boven tafel brengt.

Resultaten

Uit de onderzoeken blijkt dat een aantal factoren problematisch zijn in de zorg voor jeugd. Wanneer meerdere professionals bij een gezin betrokken zijn, wordt er veel langs elkaar heen gewerkt en lijkt niemand de ‘eindverantwoordelijkheid’ te hebben/nemen. Er wordt slecht informatie uitgewisseld tussen de hulpverleners waardoor problemen ontstaan als er beslissingen genomen moeten worden. Daarnaast is er slechte documentatie van observaties en signalen die wijzen op mishandeling of verwaarlozing, beslissingen en activiteiten. Er worden geen doelen gesteld en geen evaluaties uitgevoerd.

Behalve problemen met de documentatie van signalen van kindermishandeling, zijn er ook problemen met het opmerken en interpreteren van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling. Vaak wordt gedacht dat zorgen niet ernstig genoeg zijn om te melden bij het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Verder zijn er problemen in het omgaan met ouders. Vaak wordt er te weinig aandacht besteed aan de problemen van de ouders/het gezin, die ook invloed hebben op het kind. Soms wordt ten onrechte aangesloten bij het perspectief van een van de ouders, waardoor de zorg voor het kind vermindert. Ook zijn er problemen op managementniveau: er wordt niet gemonitord en niet goed overlegd. Tot slot worden de wachtlijsten in de zorg en het tekort aan personeel als probleem genoemd.

Conclusies

Dit beeld van de Nederlandse onderzoeken lijkt erg op de conclusies uit Britse onderzoeken. In de Nederlandse onderzoeken wordt een grotere nadruk gelegd op het ‘probleem van het systeem’, zoals de wachtlijsten en tekort aan personeel, dan in de Britse onderzoeken. In Britse onderzoeken ligt een grotere nadruk op de rol van de algemene dienstverlening in het beschermen van kinderen.

Het doel van de onderzoeken naar problemen in de jeugdzorg is het verbeteren van de praktijk en het voorkomen van herhaling. Ze zouden een waarschuwende functie kunnen hebben voor professionals. In de aanbevelingen wordt gezegd dat er meer gemonitord moet worden, dat professionals hun houding moeten veranderen en dat er protocollen moeten ontstaan om de kwaliteit te verbeteren. Er wordt nergens gezegd dat er meer training moet komen voor professionals om om te gaan met extreme situaties en er worden nergens middelen toegekend om de wachtlijsten te verkleinen. Er ligt een grote nadruk op het herkennen van tekenen van kindermishandeling en daarbij handelen in het belang van het kind, waarmee niet meer bedoeld wordt dat het kind zolang mogelijk bij zijn ouders moet blijven wonen. De aanbevelingen zijn vooral bureaucratisch: nieuwe protocollen en betere assessment. Dat zorgt voor een formalisering van de praktijk, waardoor het bereik van de professionele discretie wordt beperkt.

In het Verenigd Koninkrijk wordt er op een meer juridische manier onderzoek gedaan en zijn er ook geen problemen mee om in ieder geval een deel van de verantwoordelijkheid bij een individuele professional neer te leggen. Nederland is daarin veel terughoudender, de betrokken professionals blijven veelal zelfs anoniem. Toch geeft ook Nederland aan dat veranderingen in de jeugdzorg herhaling kunnen voorkomen, maar de verantwoordelijkheid voor problemen wordt gelegd bij de organisaties in plaats van de individuen.

Nederlandse en Britse onderzoeken naar fataal kindermisbruik lijken veel op elkaar. Dezelfde problemen worden genoemd en dezelfde soort bureaucratische oplossingen worden aangedragen. In het Verenigd Koninkrijk heeft dit tot nu toe het probleem nog niet opgelost. Dat heeft er voor een deel mee te maken dat de media daar erg kritisch zijn op de jeugdzorg en individuele gezinsbegeleiders.

De bureaucratische oplossingen kunnen contraproductief werken omdat ze jeugdwerkers opzadelen met nog meer administratief werk. Daarnaast ligt er een te grote nadruk op het volgen van protocollen en assessment voor risicofactoren: het is niet zo dat als je de protocollen e.d. maar volgt dat het aantal dode kinderen door kindermishandeling dan afneemt. De Nederlandse onderzoeken dragen dus waarschijnlijk ook niet veel bij aan de verbetering van de praktijk. Daarvoor moet duidelijk zijn dat niet alles bureaucratisch op te lossen is en dat bureaucratische oplossingen samen moeten gaan met betere vaardigheden van professionals. Er moet meer aandacht komen voor de menselijke kant van de jeugdzorg. Daarvoor moeten wel middelen beschikbaar zijn.

Access: 
Public
The effect of VoorZorg, the Dutch Nurse Family Partnership, on child maltreatment and development - Mejdoubi et al (2015) - Artikel

The effect of VoorZorg, the Dutch Nurse Family Partnership, on child maltreatment and development - Mejdoubi et al (2015) - Artikel

Achtergrond

Kindermishandeling is een groot probleem die ernstige negatieve gevolgen met zich meebrengt op het gebied van fysieke en mentale gezondheid en ontwikkeling. Hiernaast zorgt het meemaken van mishandeling in de kindertijd voor meer problemen en moeilijkheden in de adolescentie, de volwassenheid en zelfs tijdens de ouderschap. Er wordt veronderstelt dat de sterfte- en ziektecijfers die geassocieerd zijn met kindermishandeling voorkomen kunnen worden. Verschillende programma’s richting zich echter vooral op de secundaire preventie in plaats van de primaire preventie van kindermishandeling.

Eén programma die wel gericht is op de primaire preventie van kindermishandeling is ‘The Nurse Family Partnership (NFP)’, een evidence-based programma in Amerika dat ontwikkeld is door Olds et al. Het gaat hier om een verpleegkundige huisbezoekingsprogramma waarbij zwangere vrouwen met een verhoogd risico goed gestructureerde huisbezoeken krijgen vanaf de zwangerschap tot het tweede verjaardag van het kind. Ondanks dat dit programma effectief is gebleken in de Verenigde Staten, is het nooit elders gerepliceerd. In deze studie wordt daarom de effectiviteit van het programma VoorZorg, de Nederlandse versie van NFP, op de primaire preventie van kindermishandeling beschreven.

Methoden

De NFP is vertaald en op culturele wijze aangepast tot VoorZorg. Het onderzoek hiernaar is gedaan met behulp van een enkele blinde, parallel-groep en gerandomiseerde gecontroleerde trial (RCT). Voor deze RCT zijn er 460 participanten geworven met een selectieprocedure die uit 2 fasen bestond. In de eerste fase zijn uit verschillende gemeenten in Nederland vrouwen geworven die voldeden aan vijf criteria, namelijk onder 26 jaar, een lage opleidingsniveau, eerste zwangerschap, maximaal 28 weken draagtijd en met enig begrip van de Nederlandse taal. Vrouwen die aan alle 5 eisen voldeden gingen verder naar de tweede fase waarin ze door verpleegkundigen van VoorZorg geïnterviewd werden om te bepalen of ze minstens één van de negen risicofactoren hadden (bijv. alleenstaand, ongewenste zwangerschap, financiële problemen etc.).

Alle vrouwen zijn random toegewezen aan een controlegroep of een interventiegroep. De controlegroep kreeg de gewone zorg, terwijl de interventiegroep de gewone zorg en het VoorZorg programma kreeg. Het programma bestond uit 10 huisbezoeken tijdens de zwangerschap, 20 huisbezoeken tijdens het eerste levensjaar van het kind en 20 bezoeken tijdens het tweede levensjaar van het kind door opgeleide en ervaren verpleegkundigen van VoorZorg. De verpleegkundigen bieden onder anderen gezondheidsvoorlichtingen en ouderschapsvaardigheden aan en bouwen een langdurige en vertrouwelijke relatie met de participanten op.

De primaire uitkomstmaat was het bestaan van een meldingsrapport bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en het secundaire uitkomstmaat was de omgeving en ontwikkeling van het kind.

Resultaten

Primaire resultaten

Vanaf de zwangerschap tot het derde levensjaar van het kind hadden er in de controlegroep 31 van de 164 (19%) van de kinderen een meldingsrapport bij het AMK. In de interventiegroep was dit aantal 18 van de 168 (11%); wat significant lager is dan in de controlegroep.

Secundaire resultaten

Van 6 tot 18 maanden na de geboorte is er zowel in de controlegroep als de interventiegroep een toename te zien in de scores op de IT-HOME (The Home Observation Measurement of The Environment). Het verschil tussen groepen was echter niet significant. Op 24 maanden na de geboorte waren de IT-HOME scores in de interventiegroep significant hoger dan in de controlegroep. Verder is de prevalentie van kinderen met internaliserende problemen op 24 maanden significant lager in de interventiegroep. Er was geen significant verschil tussen groepen te vinden op het gebied van externaliserende problemen.

Conclusie

Het aantal meldingsrapporten bij het AMK was bij de interventiegroep significant lager dan bij de controlegroep. Hiernaast was er een verbetering te zien in de thuisomgeving op lange termijn; ook was het internaliserend gedrag van kinderen in de interventiegroep lager.

VoorZorg is een effectieve interventie voor jonge, risicovolle zwangere vrouwen, die mishandeling voorkomt en voor een verbetering zorgt in de thuisomgeving en gedragsproblemen van kinderen. Concluderend kan gezegd worden dat huisbezoeken door verpleegkundigen een effectieve strategie is voor de primaire preventie van kindermishandeling en NFP en VoorZorg zijn evidence-based programma’s die dit bereiken.

 

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Traumaverwerking: Waarom niet? van Bicanic e.a. - 2015

Artikelsamenvatting bij Traumaverwerking: Waarom niet? van Bicanic e.a. - 2015

Waarom kiezen sommige psychotherapeuten voor onnodig lang stabiliseren?

Stabiliseren houdt in dat er interventies worden ingezet om iemand voor te bereiden op de verwerking van een of meerdere trauma's. Deze methode wordt vooral ingezet bij chronisch of complex getraumatiseerde kinderen.

De richtlijn voor de behandeling van PTSS-klachten, die het gevolg zijn van het beleven van een trauma, is om trauma-behandeling in te zetten. Deze behandeling is gefocust op het verwerken van de trauma's. Voor trauma-behandeling is eerst een stabilisatiefase vereist, waarin de traumatische herinneringen worden verwerkt. Hierna volgt de integratie. De genoemde richtlijnen voor de behandeling van trauma's geeft echter niet aan hoe gestructureerd de stabilisatiefase zou moeten zijn. Hierdoor ontstaat er in de klinische praktijk veel verwarring. Soms speelt bij de keuze voor stabilisatie de angst van behandelaars om kinderen te hertraumatiseren een rol, of vrezen zij dat een confrontatie met de traumatische herinneringen tot verslechtering of voortijdige uitval gedurende de behandeling leidt. Niet zelden geldt de complexiteit van de casuïstiek als argument om van de PTSS- richtlijnen af te wijken: “Deze casus is te complex om een simpele protocollaire behandeling op los te laten".

Welke missers worden er in de praktijk vaak gemaakt als het gaat om trauma-behandeling?

In Slapende honden (Struik, 2010) zijn de criteria voor stabilisatie concreet gemaakt aan de hand van het Zes Testen Formulier. In de praktijk blijkt dat die criteria veel strikter gehanteerd worden dan nodig. Een van de meest voorkomende missers is dat een behandelaar het ontbreken van voldoende emotieregulatie in het dagelijks leven ziet als een teken van onvoldoende stabiliteit, terwijl dat nu juist een symptoom is van onverwerkte herinneringen. Beter zou zijn als zij eerst zouden onderzoeken of de traumagerelateerde klachten kunnen worden bewerkt volgens de geldende PTSS-richtlijnen. Anders ontstaat onderbehandeling, waardoor traumagerelateerde klachten onnodig lang aanhouden en traumatische herinneringen de verdieping van veilige hechtingsrelaties tegenhouden, met alle schade van dien.

Wat moet er volgens dit artikel anders worden aan de procedure van trauma-behandeling?

De wetenschap onderbouwt vooralsnog onvoldoende dat stabilisatie noodzakelijk is voor effectieve traumaverwerking bij kinderen en volwassenen. Integendeel, een recente review toont aan dat trauma-behandelingen waarbij blootstelling aan de traumatische herinnering plaatsvindt zonder voorafgaande stabilisatie, geen ontoelaatbare risico’s geven en dat kinderen ervan profiteren.

Er is een omslag nodig in het denken van behandelaars. Het uitgangspunt bij teambesprekingen zou moeten zijn: ‘Traumaverwerking, waarom niet?’.
Bij een beperkte subgroep van de getraumatiseerde kinderen zal een stabilisatiefase voorafgaand aan de behandeling nodig blijven, waarbij behandelaars concreet omschrijven welke stabiliseringsinterventies per se noodzakelijk zijn om het kind voor te bereiden op de traumaverwerking-sessies, met een heldere formulering van het doel van elke stabiliseringsinterventie en het ingeschatte aantal sessies. De criteria hiervoor zullen met behulp van resultaten van wetenschappelijk onderzoek verder onderbouwd moeten worden.

BulletPointsamenvatting bij Traumaverwerking: Waarom niet?

  • Volgens Amerikaans onderzoek nemen psychotherapeuten nemen de behandelrichtlijnen voor posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij kinderen te weinig in acht.
  • Het is niet bekend in hoeverre die richtlijnen in Nederland nageleefd worden bij getraumatiseerde kinderen.
  • Onderzoek heeft wel uitgewezen dat de meerderheid van de kinderen met klachten als gevolg van kindermishandeling vervolgens geen trauma-behandeling krijgt. Daar zijn uiteenlopende redenen voor; over één belangrijke reden, namelijk het onnodig lang willen stabiliseren, gaat dit betoog.

TentamenTickets bij Traumaverwerking: Waarom niet?

  • Schrijf voor jezelf in enkele zinnen op wat de onderzoekers van dit artikel bedoelen met de titel 'Traumaverwerking: Waarom niet?" Vermeld hierbij duidelijk de probleemstelling en de beargumentatie van de onderzoekers.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Negative parental attributions mediate associations between risk factors and dysfunctional parenting: A replication and extension van Beckerman e.a. - 2018

Artikelsamenvatting bij Negative parental attributions mediate associations between risk factors and dysfunctional parenting: A replication and extension van Beckerman e.a. - 2018

Waarom is het belangrijk om de etiologie van kindermishandeling te onderzoeken?

Wereldwijd zijn miljoenen kinderen het slachtoffer van kindermishandeling en verwaarlozing. Hierdoor ervaren veel van deze kinderen ernstige gevolgen zowel op korte als op langere termijn, met een verhoogd risico op lichamelijke, psychische en gedragsproblemen. Om dergelijke problemen op latere leeftijd te voorkomen, is het belangrijk om de etiologie van kindermishandeling te onderzoeken. Volgens het SIP-model (Social Information Processing) zijn negatieve attributies van ouders belangrijke voorspellers van latere disciplinaire maatregelen en mogelijk hard of gewelddadig ouderschap. Ouders die het kind verantwoordelijkheid en vijandige bedoelingen toeschrijven en het gedrag als ernstiger en fouter beoordelen, lopen risico op kindermishandeling. Bovendien zijn onevenredig hoge kindgerelateerde verwachtingen, een positieve houding ten opzichte van fysieke discipline, hoge stressniveaus en de ervaring van kindermishandeling door hun eigen ouders, potentiële risicofactoren voor negatieve attributies. We ontdekten dat de associatie tussen de huidige ervaring met opvoedingsstress en harde en beledigende discipline werd gemedieerd door negatieve ouderlijke attributies. Dergelijke associaties werden niet gevonden voor de andere stressfactoren of voor mishandeling in de kindertijd.

Op welke wijze hebben ouderlijke attributies invloed op het risico op kindermishandeling?

Ouderlijke attributies worden gedefinieerd als de interpretatie en evaluatie van het gedrag van het kind door de ouder. Het SIP-model stelt dat oordelen over kindergedrag van ouders die risico lopen op kindermishandeling, zowel kwantitatief als kwalitatief verschillen van oordelen van ouders zonder een dergelijk risico. Risico-ouders rapporteren niet alleen meer negatief gedrag van kinderen in dagelijkse situaties, ze vertonen ook verschillen in evaluaties en toeschrijven van intentionaliteit van gedrag van kinderen in vergelijking met andere ouders. Ouders die risico lopen op kindermishandeling, kunnen het ondeugende of onhandige gedrag van kinderen vaker associëren met interne en stabiele kenmerken van het kind en vijandige bedoelingen (bijvoorbeeld: "hij heeft de limonade gemorst omdat hij me terug wil pakken"). Van deze ouders wordt ook verwacht dat ze minder goed in staat zijn om alternatieve verklaringen voor het gedrag van het kind te bedenken (bijvoorbeeld: "hij heeft de limonade gemorst, omdat hij te jong is om de beker recht te houden"). Als gevolg hiervan zullen ouders die risico lopen op kindermishandeling het kind meer verantwoordelijkheid toeschrijven en het gedrag van het kind als ernstiger, fouter en meer verwijtbaar beoordelen in vergelijking met andere ouders, wat op zijn beurt het risico verhoogt dat disfunctionele opvoedingsstrategieën worden gevolgd. 

Men denkt dat stress de copingvaardigheden van een individu beïnvloedt, wat resulteert in automatische en rigide in plaats van gecontroleerde en flexibele informatieverwerking. Bij automatische verwerking zullen ouders minder snel rekening houden met situationele informatie. Als gevolg hiervan zijn ouders minder in staat om het gedrag van het kind in de context te begrijpen en zullen ze het kind meer verantwoordelijkheid toeschrijven en het gedrag van het kind als meer verkeerd beoordelen.

Wat is nieuw aan de benadering van het huidige onderzoek?

Een groot aantal onderzoeken heeft de veronderstelde verschillen bevestigd in de attributies door ouders van ouders die risico lopen op misbruik of ouders die misbruik maken, versus ouders met een laag risico en niet-misbruikende ouders. Veel minder onderzoek heeft ouderlijke attributies onderzocht in relatie tot huidige stress en kindermishandeling, en de mogelijke bemiddelende rol tussen risicofactoren en hard en gewelddadig ouderschap. In de vorige studie werd onderzocht waarin ouderlijke attributies werden onderzocht als een mogelijk mediërend mechanisme tussen dagelijkse stressoren (zoals lage SES, partnergerelateerde stress en opvoedingsstress), de geschiedenis van de ouder van kindermishandeling en hard en gewelddadig ouderschap in een algemene populatie steekproef. Negatieve attributies van ouders medieerden de associatie tussen de huidige ervaring met opvoedingsstress en harde en beledigende discipline. Dit suggereert dat het type stress dat ouderlijke attributie beïnvloedt, vrij specifiek kan zijn voor stressoren die direct verband houden met het kind of met het ouderschap. Verschillende beperkingen van deze studie roepen echter vragen op over de robuustheid van deze resultaten. Echter was de steekproef van dit vorige onderzoek erg klein. Het doel van de huidige studie is om de vorige studie te repliceren met een grotere steekproef, en om de bevindingen uit te breiden door ook vaders te betrekken, met behulp van een extra risicofactor (dat wil zeggen een algemeen risico op kindermishandeling), en inclusief geobserveerd ouderschap naast de vragenlijst. gegevens.

Welke methodes zijn toegepast in de huidige studie?

Aan dit onderzoek deden 105 gezinnen mee. Gegevens zijn verzameld tijdens een reeks huisbezoeken, waarvan de eerste twee relevant zijn voor het huidige onderzoek. De verzamelde gegevens bestaan uit informatie over de sociaal-economische status, ouderlijke stress, stress tussen de ouders onderling, verwaarlozing, het risico op kindermishandeling, de mate van harde discipline in de opvoeding, negatieve ouderlijke attributies, en observaties. 

Wat zijn de resultaten van de huidige studie?

Voor zowel moeders als vaders waren meer negatieve attributies gerelateerd aan meer opvoedingsstress en meer harde en gewelddadige discipline. Moeders die meer partnergerelateerde stress rapporteerden en hoger scoorden op het risico van kindermishandeling, uitten ook meer negatieve attributies. Ouderschapsstress was positief geassocieerd met hard en beledigend ouderschap voor zowel moeders als vaders. Voor moeders was partnergerelateerde stress ook positief gecorreleerd met hard en gewelddadig ouderschap; terwijl voor vaders familie SES negatief correleerde met hard en gewelddadig ouderschap. Familie SES was positief gerelateerd aan ondersteunende aanwezigheid voor zowel moeders als vaders. Familie SES was negatief gerelateerd aan het risico op kindermishandeling van vaders. Alle andere risicovariabelen (d.w.z. partnergerelateerde stress, opvoedingsstress, kindermishandeling en risico op kindermishandeling) waren positief gecorreleerd voor vaders en moeders, behalve de opvoedingsstress van vaders met de ervaringen van vaders met mishandeling in de kindertijd en met het kind van vaders misbruik risico. Wat betreft de achtergrondvariabelen (zoals leeftijd ouder, leeftijd kind, geslacht kind, aantal kinderen), was de leeftijd van het kind positief gerelateerd aan zowel negatieve attributies van de vader als harde en beledigende discipline gerapporteerd door de vader, dus werd het toegevoegd als covariate in daaropvolgende mediatieanalyses.

Welke factoren bleken volgens de huidige studie invloed te hebben op de relatie tussen ouderlijke stress en harde disciplinaire opvoeding?

Ouderschapsstress, partnergerelateerde stress en misbruikrisico waren individueel gerelateerd aan disfunctioneel ouderschap door negatieve attributies voor moeders. Niet alle indirecte effecten waren volledige mediatie-effecten zoals gevonden in onze vorige studie. Wat betreft hard en gewelddadig ouderschap werd partiële bemiddeling gevonden voor de risicofactoren opvoedingsstress en partnergerelateerde stress. Dit geeft aan dat de relatie tussen de risicofactoren en hard en gewelddadig ouderschap niet volledig werd verklaard door negatieve attributies. Bovendien waren, in tegenstelling tot onze verwachtingen, SES en kindermishandeling niet gerelateerd aan ouderlijke attributies.

Om de verschillende soorten stressoren die ouderlijke attributies beïnvloeden te begrijpen, werpt onze studie bovendien enig licht op overeenkomsten en verschillen in ouderlijke attributies tussen moeders en vaders. Rekening houdend met hard en gewelddadig ouderschap, was er voor zowel moeders als vaders een indirect effect van opvoedingsstress via negatieve ouderlijke attributies. Voor ondersteunende aanwezigheid werd dit indirecte effect alleen gevonden bij moeders. Rekening houdend met partnergerelateerde stress en het risico op kindermishandeling, werd een indirect effect op disfunctioneel ouderschap via ouderattributies opnieuw alleen gevonden voor moeders.

Welke aanbevelingen doet het huidige onderzoek voor de toekomst?

Samen met onze eerdere studie leveren deze replicatie en uitbreiding aanvullend bewijs dat de effecten van stress (met name opvoedingsstress) op verschillende aspecten van negatief ouderschap (zoals hard en gewelddadig ouderschap, en niet-ondersteunend) (gedeeltelijk) kunnen worden verklaard door negatieve attributies van ouders. Daarom bevelen wij aan dat interventies die gericht zijn op het voorkomen of verminderen van kindermishandeling ook gericht zijn op negatieve attributies van ouders.

BulletPointsamenvatting bij Negative parental attributions

  • Het primaire doel van de huidige studie was om onze eerdere studie te repliceren waarin werd gevonden dat negatieve attributies van de moeder de associatie tussen opvoedingsstress en harde en beledigende discipline mediëren. Daarnaast hebben we deze associatie bij vaders onderzocht en observationele opvoedgegevens toegevoegd.
  • Tijdens twee huisbezoeken werden moeders en vaders geobserveerd met hun kinderen, vragenlijsten ingevuld en de Parental Attributions of Child Behavior Task ingevuld.
  • Net als in onze vorige studie, medieerden negatieve attributies van ouders de relatie tussen opvoedingsstress en zelfgerapporteerd hard en gewelddadig ouderschap voor zowel moeders als vaders. Voor moeders werd dit mediatie-effect ook gevonden in de relatie tussen opvoedingsstress en lagere niveaus van geobserveerd ondersteunend opvoeden in een uitdagende disciplinaire taak.
  • Bovendien werd de relatie van partnergerelateerde stress en misbruikrisico met hard, misbruikend en (laag) ondersteunend ouderschap ook gemedieerd door negatieve attributies van de moeder. Wanneer opvoedingsstress, partnergerelateerde stress en misbruikrisico in één model werden bestudeerd, bleef alleen opvoedingsstress significant.
  • De resultaten worden besproken in termen van het belang van het richten op ouderlijke attributies voor preventie- en interventiedoeleinden in gezinnen die stress ervaren.

TentamenTickets bij Negative parental attributions

  • Teken een blokkenschema met aan de ene kant ouderlijke stress en aan de andere kant harde en disciplinaire opvoeding. Er tussen schrijf je negatieve attributies. Dit blokkenschema stelt een mediatie model voor. 
  • Maak onder dit mediatie model een lijstje van de significante factoren die van invloed zijn op de relaties binnen dit schema.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Etiology of child maltreatment van Belsky - 1993

Artikelsamenvatting bij Etiology of child maltreatment van Belsky - 1993

Er zijn meerdere factoren te onderscheiden die bijdragen aan het ontstaan van kindermishandeling. Deze factoren kunnen historisch, hedendaags, cultureel of situationeel zijn. Tevens kunnen dit factoren zijn die te maken hebben met de ouders en met het kind. Verschillende modellen houden zich bezig met kindermishandeling, zoals psychologische modellen, sociologische modellen en sociaal-interactionele of effect-van-kind-op-verzorger modellen. Echter is geen van deze modellen passend. Daarom wordt tegenwoordig veel gebruik gemaakt van het ecologisch model van Bronfenbrenner. Hierbij is sprake van meerdere factoren op meerdere niveaus in de ecologie van de ouder-kindrelatie. Hierbij moet sprake zijn van een balans tussen risico- en protectieve factoren, die tevens de kans bepalen op het voorkomen van kindermishandeling. Als er meer risicofactoren dan protectieve factoren zijn, dan is de kans op kindermishandeling groter. Echter blijkt dat er geen enkele factor is die mishandeling kan voorspellen. Tegelijkertijd is er ook geen enkele oplossing en dit is een voordeel. Er zijn meerdere doelen waarop een interventie zich kan richt. Echter is nog niet bekend welke interventie het meest effectief zijn.

Binnen onderzoek wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt tussen verwaarlozing en misbruik, deze worden vaak samengenomen. Dit zorgt ervoor dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen de etiologie van misbruik en de etiologie van verwaarlozing. Daarnaast is er vaak sprake van comorbiditeit, wat inhoudt dat meerdere vormen van mishandeling samengaan. Ook kan er geen onderscheid in etiologie gemaakt worden door problemen met het definiëren. Een kind of een gezin krijgt label van een bepaalde vorm van mishandeling. Echter is niet duidelijk op welk gedrag dit label gebaseerd wordt. Daarnaast spelen er nog andere problemen. Etiologisch onderzoek is vaak niet in staat te voorspellen, er zijn steekproeven die een bias hebben en klein zijn en de controle groepen sluiten niet goed aan qua karakteristieken bij de interventiegroep. Ook heeft het onderzoek naar etiologie te maken met methodologische moeilijkheden die veroorzaakt worden door de beladenheid van het onderwerp dat onderzocht wordt en de mensen die eraan deelnemen.

De ontwikkelingspsychologische context: de bijdrage van de ouder en het kind

Ouderfactoren

De focus op ouderfactoren heeft zich voornamelijk gericht op de jeugd van mishandelende ouders, hun persoonlijkheid en psychologische middelen. Hierbij is voornamelijk onderzoek gedaan bij moeders, omdat zij de meeste tijd met hun kinderen doorbrengen. Echter als gekeken wordt naar de verhoudingen tussen vaders en moeders, blijkt dat vaders vaker kinderen fysiek mishandelen.

Ontwikkelingsgeschiedenis en intergenerationele overdracht

In de jaren ’70 werd vastgesteld dat ouders die mishandelen vaak zelf ook mishandeld zijn in hun jeugd. Alhoewel er veel ondersteunend bewijs is, gaan deze onderzoeken gepaard met beperkingen. Er wordt vaak gebruikt gemaakt van retrospectieve rapporten, kleine steekproeven en er zijn geen adequate controle groepen. Bij de goed uitgevoerde onderzoeken is er sprake van 30% intergenerationele overdracht, waarbij de spreiding tussen de 7% en 70% ligt. Dus slechts een derde van de ouders die mishandeld is, mishandelt zijn of haar eigen kind. Echter is de ontwikkelingsstatus in dit onderzoek niet meegenomen, waardoor er vanuit gegaan wordt dat kinderen die op dat moment niet mishandeld worden, nooit mishandeld worden. Dit is natuurlijk niet het geval, omdat deze kinderen hun hele jeugd het gevaar lopen mishandeld te worden.

Ook kan niet gesteld worden dat het merendeel van de mensen niet mishandeld is in hun kindertijd. Door de onbetrouwbaarheid van retrospectieve rapporten is zowel overschatting als onderschatting mogelijk. Het kan zijn dat ouders de mishandeling niet meer kunnen of willen herinneren. Ook hoeft het niet te betekenen dat als ouders een kind niet op jonge leeftijd mishandelen, dat zij nooit een kind zullen mishandelen.

Het overbrengen van kindermishandeling van de ene generatie op de andere kan gebeuren door middel van mechanismen van transmissie. Er wordt gesteld dat agressieve en antisociaal gedrag aangeleerd wordt in de kindertijd en geuit in de volwassenheid bij het uitoefenen van het ouderschap. Er kunnen verschillende types van leren worden onderscheiden, zoals modeling, directe reinforcement, coercion training en inconsistentie theorie. De inconsistentie theorie stelt dat neerwaartse spiraal, die ontstaat door wederzijds negatief gedrag, houvast biedt voor het kind.

Daarnaast blijken de ideeën die ouders hebben over discipline van invloed. Geloof in strikte, harde discipline medieert de link tussen de ervaring van harde discipline in de jeugd en het gebruik van harde discipline als ouder.

Ook kunnen de problemen met emotieregulatie, agressie en empathie door mishandeling in de jeugd voor een vijandige persoonlijkheid zorgen, wat vervolgens de oorzaak is voor kindermishandeling.

Er kan tevens gekeken worden vanuit een intern werkmodel. De ervaringen van de ouders die zij met hun eigen ouders hebben, zijn bepalend voor de interne representatie. Ouders kunnen responsief, afwijzend of ambivalent geweest zijn. Deze interne representatie bepaalt hoe open ouders zelf staan voor de signalen van hun kinderen. Ouders die afwijzend of ambivalent gedrag heb ervaren, hebben moeite om zich in te leven in hun kinderen en kunnen zich bedreigd voelen bij angstige gedragingen van het kind.

De cyclus van intergenerationele overdracht kan doorbroken worden. Dit kan bijvoorbeeld doordat ouders de negatieve ervaringen uit hun jeugd vergeten zijn of niet geïntegreerd hebben in hun interne representatie. De hechtingstheorie speelt hierbij een belangrijke rol. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat mishandelde ouders die zelf niet hun kinderen mishandelen vaker een emotioneel ondersteunende relatie hebben bijvoorbeeld met de niet-mishandellende grootouder of een echtgenoot. Deze ervaringen zorgen ervoor dat de gehechtheidsvorm kan veranderen. Diegene die een ondersteunende relatie hadden bleken ook goede schoolprestaties en ervaringen te hebben. Daarnaast lijkt aantrekkelijkheid een rol te spelen. Het is de uiterlijke aantrekkelijkheid, maar ook de sociale vaardigheden die hier mee gepaard gaan die ervoor zorgen dat zij een ondersteunende man vinden en daardoor de cyclus kunnen doorbreken.

Persoonlijkheid

Eerder werd gedacht dat mishandelende ouders last moesten hebben van mentale problemen of stoornissen. Echter is gebleken dat de meeste ouders die mishandelen hier geen last van hebben. Wel wordt gedacht dat persoonlijkheid een rol kan spelen. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat depressie, vijandigheid en angst correleren met kindermishandeling. Daarnaast speelt laag zelfvertrouwen een rol. Al deze aspecten kunnen verzameld worden onder het label neurotisch. Uit de genetica blijkt dat dit kenmerk erfelijk is.

Psychologische middelen

In de laatste onderzoeken is geprobeerd om er achter te komen hoe persoonlijke karakteristieken kunnen leiden tot mishandeling. Hierbij blijken twee aspecten belangrijk namelijk negatieve reacties en attributie stijl. Het blijkt dat mishandelde kinderen negatiever reageren op vijandige gebeurtenissen, zoals het huilen van een kind. Deze heftige reactie kan verklaren waarom mishandelde kinderen agressiever, met minder empathie en met afkeer reageren op bepaalde situaties. Echter alleen deze heftige reactie is niet genoeg om mishandeling te verklaren. Daarnaast speelt namelijk de attributie stijl van de ouder ook nog een rol. De attributie stijl bepaalt hoe mensen hun eigen gedrag en dat van anderen verklaren. Bij ouders die het succes van opvoeden eerder verklaren door externe factoren (bijvoorbeeld toeval) en minder aan interne factoren (bijvoorbeeld vaardigheden), is te zien dat zij heftiger reageren op vijandig gedrag van het kind. Naast deze attributie stijl is ook een oriëntatie op het affect van belang. Kindermishandeling kan niet verklaard worden door één factor, maar daar een combinatie tussen oorzaken zoals affectieve attributie, negatieve reactiviteit, negatieve affectieve persoonlijkheidskenmerken en problematisch kindgedrag.

Kindfactoren

Zoals eerder genoemd kan probleemgedrag van kinderen een rol spelen. Daarom zullen de verschillende aspecten van kinderen verder uitgelegd worden.

Leeftijd

Het aantal mishandelingsgevallen neemt af naarmate de kinderen ouder worden, waarbij jonge kinderen onder de drie jaar het vaakst slachtoffer zijn. Dit komt door verschillende redenen. Ten eerste is fysiek geweld makkelijk tegen hen te gebruiken. Daarnaast spenderen jonge kinderen veel tijd bij hun verzorger en zijn zij zowel fysiek als psychologisch afhankelijk van diegene. Ten derde zijn jongere kinderen kwetsbaarder, waardoor zij eerder verwondingen oplopen.

Daarnaast hebben jongere kinderen nog moeite met het reguleren van hun emoties waardoor het verliezen van deze controle een vijandige reactie bij de ouder op kan roepen. Tevens kunnen de pogingen naar autonomie voor weerstand zorgen bij de ouder.

Echter wordt de meeste kindermishandeling pas ontdekt als kinderen tussen de drie en de acht jaar oud zijn, want dan gaan veel kinderen naar school en komen zij in het zicht van beschermingsinstanties. Ook werd lange tijd de mishandeling onder tieners niet gerapporteerd omdat zij niet onder beschermingsinstanties vielen. Daardoor kan het lijken alsof mishandeling minder voorkomt onder ouder kinderen, maar dit hoeft dus niet zo te zijn.

Fysieke gezondheid

Er wordt gedacht dat het vroeg geboren worden van kinderen en een laag geboortegewicht kunnen bijdragen aan de kans op mishandeling. Vooral in het geval van een laag geboortegewicht is het zo dat kinderen er minder aantrekkelijk uit zien en huilen met een hoge toon. Echter is het onderzoek hiernaar niet eenduidig. Daarnaast moet gezegd worden dat het grootste gedeelte van deze kinderen niet mishandeld wordt. Dit zelfde geld voor kinderen met perinatal en neonatale problemen, gehandicapte kinderen en kinderen met een slechte fysieke gezondheid. Deze factoren kunnen echter wel bijdragen aan het ontstaan van kindermishandeling.

Gedrag

Het is mogelijk dat er sprake is van wederzijdse beïnvloeding tussen ouder en kind, waardoor het gedrag van het kind mishandelingsgedrag op kan roepen bij de ouder. Daarnaast is het natuurlijk ook mogelijk dat mishandeling het gedrag van het kind beïnvloed. Echter is het niet mogelijk om in onderzoek onderscheid te maken tussen oorzaak gevolg. Wel is dit op andere manieren te onderzoeken, namelijk door een mishandelende moeder te laten interacteren met het kind van een andere moeder. Hieruit blijkt dat storend gedrag van het kind inderdaad storend gedrag bij de ouder op kan roepen. Daarnaast kan er longitudinaal onderzoek uitgevoerd worden, waarbij gekeken wordt naar het gedrag van het kind voor en na de mishandeling. Uit dit onderzoek is gekomen dat het gedrag van het kind een gevolg is van de mishandeling. Ten slotte kan onderzoek gedaan worden door interventies te geven en te kijken of en hoe het gedrag van ouder of kind verandert. Na afloop van de interventie, gericht op de sensitiviteit en responsiviteit van de ouder, nam het probleemgedrag van het kind af. De ouder blijkt dus meer bij te dragen aan het ontstaan van mishandeling dan de kenmerken van het kind.

De naaste omgeving: Opvoeding en de ouder-kindrelatie

De kwaliteit van het opvoeden verschilt tussen mishandelende ouders en niet mishandelende ouders en daardoor wordt gedacht dat zij ook verschillen laten zien in de interactie met het kind. Echter is de vraag of dit veroorzaakt wordt door individuele factoren of door andere. Bij het bestuderen van de ouder-kind interactie is het ook de bedoeling verschillen te vinden tussen mishandelende en verwaarlozende ouders. Uit onderzoek is gebleken dat verwaarlozende ouders minder responsief waren en daarbij minder vaak de interactie begonnen en minder op initiatieven het kind reageerden.

Onderzoeken onder oudere kinderen liet zien dat er mindere sociale interactie was vanuit de ouder en zij minder prosociaal gedrag lieten zien. Deze ouders bleken zelfs negatiever te zijn dan misbruikende ouders. Voor misbruikende ouders geldt grotendeels hetzelfde, echter geven zij daarnaast weinig steun en controle, interveniëren zij veel en laten vijandig gedrag zien.

Misbruikende ouders laten meer negatief of vijandig gedrag zien. Echter worden deze verschillen niet in alle onderzoeken gevonden.

Ook de disciplineringsmethodes verschillen tussen mishandelende en niet mishandelende ouders. Mishandelende ouders maken vaker gebruik van fysieke straf en negatieve handelingen. Tevens hebben deze ouders verschillende soorten straffen voor verschillende misdragingen.

Deze manier van disciplineren zorgt samen met negatief affect en heftige emotionele reacties voor een grotere kans op kindermishandeling. Deze ouders worden zo opgewonden en gefrustreerd door het gedrag van het kind, dat hij of zij de controle kan verliezen bij het geven van een straf.

De bredere context

Gemeenschap en sociale steun

Sociale ondersteuning is goed voor het fysieke en psychologisch welzijn en kan daarnaast een buffer zijn voor stress. Een gebrek aan ondersteuning gaat dan ook gepaard met problemen in het ouderschap.

Mishandelende ouders hebben minder sociale ondersteuning en zijn hierdoor meer geïsoleerd. Tevens is de kwaliteit van de relaties die zij hebben minder. Door het gebrek aan steun zijn deze ouders strenger en afwijzender zijn naar hun kinderen toe. Het gebrek kan ook een gevolg zijn van verandering in het leven van deze ouders, bijvoorbeeld door verhuizing. Het is dus mogelijk dat deze ouders het sociale isolement zelf veroorzaken, bewust of onbewust. Zij maken minder gebruik van voorzieningen in de gemeenschap, nemen geen deel aan activiteiten in de buurt en bespreken hun problemen met niemand.

Tevens kan het gedrag van de ouder de sociale ondersteuning verminderen. Mishandelende ouders beschreven hun buurt als onvriendelijk en niet behulpzaam. Echter beschreven de buren de buurt juist als vriendelijk en behulpzaam. Het gebrek van wederkerigheid in de relaties van mishandelende ouders zorgt ervoor dat buren op afstand blijven. Daarnaast zorgt de mishandelende jeugd van deze mishandelende ouders er voor dat zij moeite hebben met het aangaan van relaties en op afstand blijven. Het idee dat de ouder heeft over de sociale ondersteuning draagt gedeeltelijk bij aan de mishandeling. Daarnaast speelt het gemeenschapsklimaat of de sociaal economische status van een buurt mee. Als er meer verschillende sociale groepen in een wijk wonen, dan is er minder sociale coherentie. Tegelijkertijd is er een groep waarin de sociaal economische status gelijk is, meer sociale cohesie.

Sociaal-culturele context

In Amerika spelen bepaalde sociaal-culturele aspecten mee bij kindermishandeling, zoals de houding die een maatschappij aanneemt ten opzichte van geweld, fysieke straffen, kinderen en de geschiedenis van de slavernij. Geweld is in Amerika een groot probleem. De mate waarin ouders dit geweld accepteren en tolereren, vergroot de kans op familiegeweld en daarmee op kindermishandeling. Daarnaast is het fysiek straffen van kinderen geoorloofd. In andere landen waar dit niet mag, zoals in Zweden, komt kindermishandeling minder voor. Daarnaast speelt het idee dat de maatschappij over kinderen heeft een rol. Er heerst het idee dat kinderen bezit zijn van hun ouders. Deze gedachte ontstond in de tijd van de Romeinse wetten, die opgeschreven zijn door Aristoteles. Deze culturele geschiedenis is nog steeds op de dag van vandaag van invloed op hoe er naar kinderen en hun rechten gekeken wordt. Zolang deze ideeën bestaan wordt het bestrijden van kindermishandeling moeilijk, omdat het zorgen voor kinderen hierdoor als niet belangrijk gezien wordt en de capaciteiten van de ouders overschreden wordt.

Als laatste speelt de geschiedenis die Amerika heeft met betrekking tot slavernij een rol. Het blijkt dat Afrikaans-Amerikanen hun kinderen vaker mishandelen dan blanke Amerikanen. In de tijd van de slavernij werden de opvoedingspraktijken aangepast om de kans op overleven te vergroten in de vijandige en harde omgeving waarin zij leefde. Tegelijkertijd zorgt het behoren tot een minderheid ervoor dat mensen meer moeite moeten doen om te overleven. Deze manieren van leven hebben hen geholpen de slavernij te overkomen en zijn doorgegeven aan latere generaties.

Evolutionaire context van kindermishandeling

In de huidige samenleving wordt mishandeling als iets afschuwelijks gezien. Mensen hebben het idee dat kinderen kwetsbaar zijn en verzorging nodig hebben. Echter in het dierenrijk wordt mishandeling als iets wat normaal is gezien. Vanuit een evolutionaire perspectief komen de belangen van de ouder niet altijd overeen met de belangen van het kind. Het belang van de ouders is reproductive fitness (het doorgeven van genen aan de volgende generatie) de manier om succesvol te zijn op biologisch gebied. Door een conflict tussen belangen kan er een echt conflict ontstaan met mishandeling als gevolg. Uiteindelijk gaat het belang van de groep boven het belang van het individu. Hierdoor is het mogelijk dat de ouder een jonger kind mishandeld of verwaarloosd om een ouder kind een grotere kans op overleven te geven. In dit perspectief wordt ervan uit gegaan dat ouders hun gedrag hebben aangepast om een grotere reproductive fitness te hebben, mishandeling de kans op reproductive fitness kan vergroten en dat de context het belang van een conflict bepaald.

Omstandigheden zoals instabiliteit, onvoorspelbaarheid en ontoegankelijkheid van de middelen die nodig zijn voor het behouden en produceren van leven zorgen ervoor dat mishandeling vaker voorkomt. Onder zulke omstandigheden is mishandeling een keuze om ervoor te zorgen dat oudere kinderen die een groter reproductief potentieel hebben, dus sneller kinderen zullen krijgen om hun genen door te geven. Mishandeling is daarbij een manier om de vraag van jongere kinderen om middelen neer te slaan om de middelen daarna optimaal te kunnen verdelen.

Problemen die vandaag de dag voor kindermishandeling kunnen zorgen zijn armoede, een laag inkomen, lage educatie en werkeloosheid. Er is sprake van een oorzakelijke relatie tussen het verliezen van een baan, gebrek aan werk of onvoldoende werk en kindermishandeling. Mishandeling ontstaat wanneer er meer middelen nodig dan aanwezig zijn. Met betrekking tot het onderwerp vruchtbaarheid, spelen ongeplande zwangerschappen, een grote familie en weinig tijd tussen de geboortes een rol bij het ontstaan van kindermishandeling. Jonge moeders die ongepland zwanger zijn geraakt, waarbij kleine tijd tussen meerdere kinderen zit en die een groter gezin krijgen, hebben het probleem dat dit ervoor zorgt dat de middelen minder en minder worden per individu. Daarnaast is de kans minder groot dat zij als alleenstaande moeders zullen trouwen en steun zullen ontvangen van een echtgenoot. Als laatste wordt de kans kleiner dat de moeder hulp krijgt van anderen. Hierdoor kan de stress te veel worden voor ouder, waardoor de kans op mishandeling groter wordt.

De vraag is of biologische banden ook een rol spelen bij kindermishandeling. Hierbij gaat het dan voornamelijk om stiefkinderen en stiefouders omdat zij geen genen delen. Alhoewel veel onderzoek deze relatie laat zien, geven niet alle onderzoeken hetzelfde resultaat. Een nadeel van de onderzoeken die gedaan zijn, is dat zij op zoek zijn gegaan naar hoofdeffecten, waardoor contextuele factoren niet zijn meegenomen. Contextuele factoren kunnen namelijk van invloed zijn op reciprocal altruism (belangeloos middelen uitwisselen) en daarmee op het ontstaan van mishandeling. Echter moet onderzocht worden of deze factoren een rol spelen bij mishandeling onder stiefouders en -kinderen. Hetzelfde geldt voor zieke, gehandicapte of andere kinderen die volgens de het evolutionaire perspectief een grote kans lopen om mishandeld te worden doordat de kans op voorplanting kleiner is. De contexten die de kans op mishandeling vergroten zorgen voor ecologische onstabiliteit.

De gevonden resultaten dat oudere kinderen minder vaak mishandeld worden dan jongere kinderen, kunnen tevens verklaard worden door het evolutionair perspectief. Oudere kinderen zullen sneller in staat zijn om zich te reproduceren, daarom is de kans groter dat zij een voorkeursbehandeling krijgen in tegenstelling tot jongere kinderen waarbij het langer zal duren voordat zij zich kunnen voortplanten. Echter is het onderzoek hiernaar niet eenduidig. Volgens de wet van gebrek (law of parsimony) zorgen karige omstandigheden voor een grotere kans op mishandeling.

Vanuit het evolutionair perspectief zou de leeftijd van de ouder, voornamelijk van de moeder, een rol moeten spelen. Wanneer een vrouw ouder wordt nadert zij de tijd waarin zij zich niet meer kan reproduceren. Op dat moment wordt het zorgen voor de jongere kinderen belangrijker, omdat zij na deze kinderen mogelijk geen kinderen meer kan krijgen. Hierbij zal de kans op mishandeling kleiner worden. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die bij een familielid of bekende woonde die zelf geen kinderen meer konden krijgen, minder vaak mishandeld werden dan kinderen die leefde bij jongere vrouwen die zich nog konden reproduceren.

Conclusie en toekomstige richtingen

Misbruik en verwaarlozing worden veroorzaakt door verschillende factoren op verschillende niveaus. Mishandeling ontstaat als er meer stressoren en meer risicofactoren dan protectieve factoren zijn. In de toekomst zal minder onderzoek gedaan moeten worden naar de hoofdfactoren en meer onderzoek naar factoren die bijdragen. Daarnaast zou apart onderzoek verricht moeten worden voor misbruik en verwaarlozing. Echter blijft dit moeilijk vanwege de comorbiditeit. Uit onderzoeken waarin deze vormen apart onderzocht werden, bleek dat er meer overeenkomsten waren dan verschillen. Daarnaast zou gekeken moeten worden of de factoren die bijdragen aan mishandeling verschillen per subpopulatie, dus tussen groepen met een andere etniciteit, herkomst en woonplaats (stedelijk of landelijk). Tevens zal het handig zijn als in de toekomst meer aandacht is voor de ernst van de mishandeling, omdat dit aspect mogelijk meer duidelijkheid kan geven over het ontstaan en voorkomen van mishandeling. Hierdoor kan mogelijk ook iets gezegd over de chroniciteit van mishandeling. Uit de weinige onderzoeken die hiernaar gedaan zijn, blijkt dat mishandeling vaak langdurig is, tenzij het kind onder de zorg van iemand anders. Ook kan toekomstig zich richten op de verschillende mishandelaren. In eerder onderzoek is onderscheid gemaakt in zes verschillende soorten mishandelaren, variërend van vijandig-agressief naar passief-afhankelijk. Daarnaast kan onderscheid gemaakt worden op basis van de verzorging die zij geven en de chroniciteit van de mishandeling. Vanwege de veelzijdige oorzaken, is het doel waarop preventie zich moet richten moeilijk te bepalen. Echter zijn er enkele factoren aan te wijzen die bijdragen, maar deze zijn moeilijk te voorkomen. Toekomstige preventie zal zich moeten richten op het plannen van zwangerschappen, educatie, werk en economische bijstand. Andere interventie en preventie moeten zich richten op het vergroten van de sociale en emotionele steun.

Daarnaast moeten er strategieën en tactieken ontworpen worden om mishandeling tegen te gaan. Deze programma’s moeten zich op meerdere factoren richten. Daarom stelt de schrijver twee programma’s voor. Ten eerste een programma waarbij het doel is armoede en slechte educatie onder ouders te verminderen. Dit wordt gedaan door meisjes om te zoveel tijd te testen op zwangerschap. Wanneer zij niet zwanger zijn, krijgen zij een bedrag geschonken op een spaarrekening. Het bedrag neemt toe als zij ervoor zorgen dat zij niet zwanger zijn. Uiteindelijk wordt het bedrag uitbetaald en krijgen zij extra geld als zij besluiten een vervolg opleiding te gaan doen. Mogelijk zal het ook jongens motiveren, omdat zij ook een geld bedrag zullen krijgen. Alhoewel er wordt verwacht dat deze oplossing veel voordelen met zich meebrengt, is nog niet uit onderzoek gebleken of deze manier van belonen helpt. Daarnaast zal deze methode ook nadelen met zich meebrengen, zoals een lager zelfvertrouwen en externe motivatie in plaats interne motivatie. Ondanks dit programma zullen er nog steeds meiden zijn die op jonge leeftijd zwanger worden. Daarom zou een algemeen programma die zich op alle vrouwen richt, kunnen helpen.

Daarnaast is er een bestaand programma dat zou kunnen helpen bij het verminderen van mishandeling, namelijk huisbezoeken door getrainde verpleegsters. Deze mensen kunnen ouders helpen met emotionele ondersteuning, educatie over gezondheid en opvoeding en kan het sociaal isolement helpen doorbreken.

Het is belangrijk dat de verpleegsters gemotiveerd en goed getraind zijn. Daarnaast moet geprobeerd worden een verpleegster van dezelfde etniciteit te hebben als de ouders die deelnemen. Ondanks de hoge kosten, zal dit programma veel langdurige voordelen hebben. Als laatste is het belangrijk dat kinderopvang van een hogere kwaliteit is en makkelijker toegankelijker is voor ouders. Dit zal de stress onder ouders verminderen en ten goede komen van de ontwikkeling van het kind.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Risk factors for child neglect: A meta-analytic review van Mulder e.a. - 2018

Artikelsamenvatting bij Risk factors for child neglect: A meta-analytic review van Mulder e.a. - 2018

Waarom is het belangrijk om verwaarlozing van kinderen te bestuderen?

Vergeleken bij andere soorten kindermishandeling, heeft verwaarlozing een zeer hoge prevalentie. De impact van verwaarlozing op de gezondheid en de ontwikkeling van een kind is groot en tenminste net zo negatief als de effecten van andere soorten kindermishandeling. Gezien de ernstige gevolgen van kinderverwaarlozing is zowel wetenschappelijke kennis als klinisch bewustzijn van risicofactoren voor kinderverwaarlozing essentieel. Vanuit een wetenschappelijk perspectief kan inzicht in risicofactoren en hun effecten meer licht werpen op de etiologie van kinderverwaarlozing, terwijl vanuit een klinisch perspectief de procedures voor het beoordelen van risico's en zorgbehoeften kunnen worden verbeterd.

Wat is het doel van deze meta-analyse?

Hoewel in de wetenschappelijke literatuur verschillende risicofactoren voor kinderverwaarlozing werden onderzocht, werden in de primaire onderzoeken verschillende populaties, methoden en onderzoeksopzet gebruikt. Dit beperkt de mogelijkheid om niet alleen uitsluitsel te geven over de factoren die als risicofactor kunnen worden aangemerkt, maar ook over de sterkte van het effect van deze risicofactoren. Om dit probleem op te lossen, zijn systematische en meta-analytische integraties van resultaten van primaire onderzoeken naar de effecten van risicofactoren nodig om een "algemeen" (of gemiddeld) effect van risicofactoren te schatten, evenals variabelen die deze algemene effecten kunnen matigen. Het doel van de huidige studie was om zo'n meta-analytische review uit te voeren.

Wanneer spreken we van verwaarlozing van een kind?

Twee belangrijke problemen dragen echter bij aan problemen bij het definiëren en operationaliseren van verwaarlozing. Ten eerste wordt door wetenschappers gedebatteerd of verwaarlozing alleen daadwerkelijke schade of ook potentiële schade zou moeten omvatten. Ten tweede is er een voortdurende discussie over de vraag of verwaarlozing moet worden gezien als het niet voldoen aan de basisbehoeften van een kind vanuit het perspectief van het kind, of dat verwaarlozing moet worden gezien als ouderlijk verzuim in de zorg. Bovendien verschillen de wettelijke definities van verwaarlozing per rechtsgebied en tussen landen.

Welke theoretische modellen zijn er die verwaarlozing te verklaren?

Er zijn verschillende theoretische modellen ontwikkeld om kinderverwaarlozing te verklaren, en in het algemeen wordt kinderverwaarlozing gezien als het resultaat van een complex samenspel van risicofactoren die aanwezig zijn bij kinderen en hun opvoedingsomgeving.

  • Bijvoorbeeld, in het theoretische model van Belsky wordt het voorkomen van kindermishandeling (inclusief verwaarlozing) verklaard door een disbalans tussen risico- en beschermende factoren.
  • Een tweede theoretisch model is het transactionele model van Cicchetti en Rizley (1981), waarin de wederzijdse interacties tussen een kind, de verzorger(s) en hun omgeving een centrale rol spelen. Dit model benadrukt niet alleen het belang van risicofactoren waarvan de aanwezigheid in de tijd kan fluctueren, maar ook het belang van beschermende factoren, die het risico op verwaarlozing van kinderen kunnen verminderen.
  • Een laatste theoretisch model is dat van Wolfe (1991), die stelde dat kindermishandeling een escalerend proces is, gelegen aan het onaangepaste einde van een continuüm van opvoedingsgedrag.

Waarom is het belangrijk om naar risicofactoren te kijken in het geval van kindermishandeling en verwaarlozing?

Kennis over risicofactoren is niet alleen van belang voor het verbeteren van het inzicht in de etiologie van kinderverwaarlozing, maar ook voor het verbeteren van de klinische praktijk gericht op het voorkomen van (herhaling van) verwaarlozing. Een theoretisch model dat vaak wordt toegepast in de forensische (jeugd)zorg en waarin risicofactoren een centrale rol spelen, is het Risk-Need-Responsivity-model. Het RNR-model wordt veel gebruikt in het strafrecht als methode voor de beoordeling en behandeling van criminelen met als doel de recidive te verminderen.

Stith et al., (2009) waren de eersten die meta-analytisch het effect van risicofactoren voor verschillende vormen van kindermishandeling onderzochten. Er waren echter wat limitaties in deze studie. Het doel van deze studie is om meta-analytisch de effecten van risicofactoren voor het slachtofferschap van kinderverwaarlozing te onderzoeken. Een tweede doel is om verschillende variabelen te onderzoeken als mogelijke moderatoren van de effecten van risicofactoren. De huidige studie is relevant vanuit zowel wetenschappelijk als klinisch perspectief, aangezien bijgewerkte kennis over (effecten) van risicofactoren voor het slachtoffer worden van kinderverwaarlozing ons begrip van de etiologie van kinderverwaarlozing en de klinische praktijk kan verbeteren in termen van risico- en behoeftenbeoordeling van kinderen. en hun gezinnen. Om het effect van een (potentiële) risicofactor voor kinderverwaarlozing te kwantificeren, werd de Pearson-product-momentcorrelatiecoëfficiënt (r) berekend voor elke associatie tussen kinderverwaarlozing en een variabele voorafgaand aan de episode(n) van kinderverwaarlozing die kon worden geëxtraheerd uit de primaire studies.

Welke risicofactoren bleken aan de hand van deze meta-analyse significant?

Met behulp van een meta-analytische benadering op meerdere niveaus onderzochten we de effecten van meerdere domeinen van risicofactoren voor kinderverwaarlozing. In totaal zijn 315 effectgroottes van (potentiële) risicofactoren opgehaald uit 36 primaire onderzoeken en geclusterd in 24 risicodomeinen. Het totale effect was significant voor 15 risicodomeinen, met een grootte variërend van klein (r = .110 voor het domein van problematisch gezinsgedrag en cognities) tot gemiddeld (r = .372 voor het domein van ouderlijke voorgeschiedenis van antisociaal gedrag of strafbaar feiten plegen). Over het algemeen vonden we dat meerdere risicofactoren een rol speelden bij het optreden van kinderverwaarlozing. Deze bevindingen bevestigen dat verwaarlozing van kinderen waarschijnlijker wordt bepaald door meerdere oorzaken dan door één specifieke risicofactor. In het algemeen blijkt uit deze review dat de sterkste voorspellers van kinderverwaarlozing te vinden zijn in ouderlijke kenmerken, zoals een voorgeschiedenis van antisociaal/criminele delicten, een voorgeschiedenis van psychische/psychiatrische problemen en een laag opleidingsniveau. Deze bevindingen zijn in overeenstemming met ecologische modellen, bijvoorbeeld van Bronfenbrenner en Belsky, die stellen dat de ontwikkeling van een kind meer wordt beïnvloed door naaste dan door distale sociale systemen. Aangezien ouders of verzorgers het meest naaste – en belangrijkste – sociale systeem vormen dat een kind beïnvloedt, is het niet verwonderlijk dat we de sterkste effecten vonden voor ouderlijke en familie-gerelateerde risicofactoren. We vonden ook bewijs voor de intergenerationele overdracht van kinderverwaarlozing, aangezien een ouderlijke geschiedenis van kindermishandeling een significant risicodomein leek te zijn. Hoewel het effect van dit risicodomein statistisch klein was, kan worden gesteld dat kinderen die zijn opgevoed door ouders die in hun eigen jeugd mishandeld en/of verwaarloosd zijn, het risico lopen slachtoffer te worden van kinderverwaarlozing.

De huidige resultaten komen over het algemeen overeen met de bevindingen van Stith et al. (2009), die ook de sterkste effecten vonden voor ouder- en gezins-gerelateerde risicofactoren: zoals huidige mentale/psychiatrische problemen, een voorgeschiedenis van mentale/psychiatrische problemen, een voorgeschiedenis van kindermishandeling, leeftijdsfactoren, alleenstaande ouder zijn, lage gezins-SES, een grote gezinsomvang en problematisch gezinsgedrag.

Deze meta-analyse heeft geen bewijs gevonden voor het bestaan van moderating factoren, wat aangeeft dat het algehele effect van risicofactoren in het algemeen op zijn minst tot op zekere hoogte robuust is. Dit betekent echter niet dat effecten van individuele risicodomeinen robuust zijn, aangezien potentiële modererende variabelen niet in elk risicodomein zijn onderzocht. Echter, de resultaten toonden wel aan dat het effect van moeder-gerelateerde risicofactoren iets groter kan zijn dan het effect van vader-gerelateerde risicofactoren, wat impliceert dat de eerste sterker gerelateerd kan zijn aan kinderverwaarlozing dan de laatste.

Wat zijn de implicaties van de bevindingen uit dit onderzoek?

Onze bevindingen hebben drie belangrijke klinische implicaties.

  • Ten eerste moeten instrumenten die zijn ontworpen voor het beoordelen van risico's en behoeften van kinderen en adolescenten met betrekking tot verwaarlozing van kinderen items bevatten over risicofactoren op kindniveau, het ouderlijke niveau, en het gezinsniveau.
  • Ten tweede moeten (preventieve) interventies die gericht zijn op het verminderen van het risico op het slachtoffer worden van verwaarlozing door kinderen vooral gericht zijn op de dynamische risicofactoren met de sterkste effecten, zoals mentale/psychiatrische problemen van ouders, mentale/lichamelijke/gedragsproblemen van een kind, en fysieke geweld in de huiselijke omgeving van een kind.
  • Ten derde, gezien de relatief grote effecten van een aantal statische risicofactoren, zoals een ouderlijke voorgeschiedenis van antisociaal/crimineel gedrag en een ouderlijke voorgeschiedenis van psychische/psychiatrische problemen, stellen wij dat het belangrijk is om cliëntinformatie bij te houden in casemanagement. 

BulletPointsamenvatting bij Risk factors for child neglect

  • Kennis van risicofactoren en hun effecten is essentieel voor het succesvol voorkomen en verminderen van kinderverwaarlozing.
  • Deze studie biedt een meta-analytische update van onderzoek naar risicofactoren voor kinderverwaarlozing. In totaal zijn 315 effectgroottes geëxtraheerd uit 36 ​​primaire onderzoeken en ingedeeld in 24 risicodomeinen.
  • Effecten van 15 risicodomeinen waren significant en varieerden van klein (r = .110) tot groot (r = .372) in omvang. De meeste risico's werden gevonden op ouderlijk niveau, zoals een voorgeschiedenis van antisociaal gedrag/crimineel gedrag (r = .372); een voorgeschiedenis hebben van psychische/psychiatrische problemen (r = . 259); mentale/lichamelijke problemen hebben (r = .207); en ervaringen van misbruik in de eigen kindertijd (r = .182).
  • Het effect van moedergerelateerde risicofactoren was niet significant verschillend van het effect van vadergerelateerde risicofactoren.
  • Geconcludeerd wordt dat kinderverwaarlozing wordt bepaald door meerdere risicodomeinen en dat vooral ouder-gerelateerde risicofactoren belangrijk zijn bij het voorkomen en verminderen van kinderverwaarlozing.
  • Er zijn enkele implicaties van deze resultaten voor de klinische praktijk.

TentamenTickets bij Risk factors for child neglect

  • Maak voor jezelf een lijstje van de risicofactoren die volgens deze meta-analyse significant het risico op het voorkomen van verwaarlozing vergroten. 
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Social information processing and physical child abuse van Milner e.a. - 2000

Artikelsamenvatting bij Social information processing and physical child abuse van Milner e.a. - 2000

Wat is het doel van het huidige artikel?

In een poging om ouderlijke cognities die geassocieerd kunnen worden met fysieke kindermishandeling te ordenen en te beschrijven, wordt een sociaal informatieverwerkingsmodel voorgesteld. Informatieverwerkingsmodellen zijn recentelijk gebruikt om cognitieve activiteiten in andere aanvalspopulaties te beschrijven. Hoewel informatieverwerkingsmodellen op zich niet zijn toegepast op fysieke kindermishandeling, hebben informatieverwerkingstheorieën onderzoekers van gezinsgeweld beïnvloed en zijn er aanzienlijke inspanningen geleverd om de cognities van ouders die misbruik maken te integreren in modellen van fysieke kindermishandeling. Hoewel bestaande modellen een rol hebben beschreven voor cognitieve factoren bij fysieke kindermishandeling, lag hun focus op geselecteerde cognities, zoals het bewustzijn van de ouder van kind-gerelateerde gebeurtenissen of de kind-gerelateerde verwachting van de ouder. Aangezien een groot aantal cognitieve factoren is beschreven in de literatuur over huiselijk geweld, maar er geen integratief cognitief model bestaat voor fysieke kindermishandeling, is er behoefte aan een alomvattend model dat de gewelddadige ouders organiseert. cognities. Verder is er behoefte om meer adequaat te beschrijven hoe verschillende cognities zich tot elkaar kunnen verhouden en hoe cognitieve activiteiten kunnen worden beïnvloed door persoonlijkheidsfactoren en door gebeurtenissen van andere ecologische niveaus. Uiteindelijk moet de ontwikkeling van een alomvattend cognitief model het onderzoek naar de interacties van cognitieve, persoonlijke en sociale factoren vergemakkelijken, wat kan leiden tot de ontwikkeling van verbeterde interventies voor fysieke kindermishandeling. Het model dat wordt voorgesteld in dit artikel is uitgewerkt op de information processing theory door McFall. McFall's informatie verwerkingsmodel beschrijft drie stadia in de ontwikkeling van sociale vaardigheden. De drie componenten zijn de decoderingsfase, de besluitvormingsfase en de coderingsfase.

  • De decoderingsfase omvat de perceptie en interpretatie van informatie.
  • De besluitvormingsfase omvat de selectie van een antwoord.
  • De coderingsfase omvat de uitvoering en monitoring van de respons.

Wat zijn de kenmerken van het informatie verwerkingsmodel dat Milner voorstelt?

Een vierdelig sociaal informatieverwerkingsmodel dat bestaat uit drie cognitieve verwerkingsfasen en een vierde cognitieve/gedragsmatige fase van responsuitvoering wordt voorgesteld. De drie cognitieve stadia zijn percepties van sociaal gedrag; interpretaties, evaluaties en verwachtingen die betekenis geven aan sociaal gedrag; en de fase van informatie-integratie en responsselectie. De vierde fase omvat het proces van reactie-implementatie en monitoring. Aangenomen wordt dat cognitieve activiteiten in een of meer van de eerste drie fasen gebeurtenissen in de fase van implementatie en monitoring van de respons bemiddelen.

  • Fase 1 van het model; percepties, veronderstelt dat misbruikers, in vergelijking met niet-misbruikers, vervormingen en vooroordelen hebben in hun perceptie van het gedrag van hun kind. Er wordt voorgesteld dat ouders die fysiek geweld gebruiken, in vergelijking met niet-misbruikers, minder alert zijn op en zich minder bewust zijn van kindgerelateerd gedrag.
  • Fase 2 gaat over interpretaties, evaluaties en verwachtingen. Deze fase veronderstelt dat fysiek gewelddadige ouders, in vergelijking met niet-misbruikers, verschillen vertonen in interpretaties, evaluaties en verwachtingen van het gedrag van hun kind. Beledigende ouders worden geacht het gedrag van het kind, met name kleine overtredingen, te interpreteren als vijandiger van opzet en het gedrag als meer verkeerd of verwijtbaar te beoordelen.
  • In fase 3 vindt informatie-integratie en responsselectie plaats. Deze fase van het model veronderstelt dat gewelddadige ouders, in vergelijking met niet-misbruikers, er niet in slagen om informatie adequaat te integreren, wat van invloed is op hun responskeuze. Dit verwerkingsverschil wordt gezien als een bemiddelende factor bij de beslissing om een ​​antwoord te kiezen, los van de bijdragen van vervormde en bevooroordeelde cognities. Er wordt voorgesteld dat ouders die fysiek geweld gebruiken minder geneigd zijn om situationele informatie te gebruiken bij hun evaluatie van het gedrag van hun kind.
  • Ten slotte, in fase 4, vindt er implementatie en monitoring van reacties plaats. Dit omvat het vermogen van de ouder om een ​​opvoedingsvaardigheid adequaat te implementeren en het bijbehorende vermogen om het gedrag van de ouders te controleren en aan te passen indien nodig. minder vermogen om een ​​reactie te controleren en te wijzigen. Ook wordt aangenomen dat veel factoren van invloed zijn op de uitvoering en monitoring van het opvoedingsgedrag door de ouder.

Welke rol spelen automatische verwerkingsprocessen in het model van Milner?

Automatische verwerking, zoals beschreven door Shiffrin en Schneider, is een cognitief proces dat kan worden gestart zonder dat de ouder zich daarvan bewust is. Het kan zo zijn dat automatische verwerking bijvoorbeeld plaatsvindt in fase 1, bij de perceptie van het kind, en daarom direct leidt tot fase 4; een ouderlijke reactie. Het gedrag van een kind dat door de ouder als ongewenst wordt beschouwd, kan dus een automatische verwerkingsreeks initiëren die direct leidt tot een specifieke respons-selectie. Hoewel voorbeelden van ouderlijke verwerkingsactiviteiten gemakkelijk kunnen worden gegenereerd met behulp van deze beschrijvingen van automatische en gecontroleerde verwerking, mag er niet worden geconcludeerd dat alle verwerkingsrelaties eenvoudig en duidelijk zijn. Tijdens informatieverwerking kan er een groot aantal automatische en gecontroleerde verwerkingsgebeurtenissen plaatsvinden binnen en tussen de fasen. Bovendien wordt voorgesteld dat automatische en gecontroleerde verwerkingsgebeurtenissen zowel nomothetisch als idiografisch van aard zijn, waardoor een volledige uiteenzetting van de ouderlijke informatieverwerkingsgebeurtenissen met betrekking tot fysiek kindermisbruik onwaarschijnlijk is.

Welke bestaande cognities hebben veel mishandelende ouders ten opzichte van hun kinderen?

Het voorgestelde sociale informatieverwerkingsmodel veronderstelt dat reeds bestaande cognitieve schema's of informatiestructuren de percepties van kinderen beïnvloeden, evenals cognitieve activiteiten in andere verwerkingsstadia. Deze visie gaat ervan uit dat ouders globale en specifieke kind-gerelateerde overtuigingen en waarden ontwikkelen en handhaven die hun opvoedingsgedrag sturen.

  • Een globale reeds bestaande reeds bestaande cognitie kan het geloof van de gewelddadige ouder in de waarde van lijfstraffen zijn. Trickett en Susman (1988) rapporteerden dat gewelddadige moeders, in vergelijking met andere moeders, meer waarde hechten aan fysieke straffen en geloven dat redeneren een minder effectieve disciplinaire techniek is. Trickett en Susman meldden ook dat gewelddadige vaders niet meer waarde hechtten aan slaan dan vergelijkingsvaders.
  • Mishandelende ouders blijken een aantal specifieke overtuigingen te hebben die verband houden met de kenmerken van hun eigen kinderen. Er wordt bijvoorbeeld gemeld dat ouders die geweld gebruiken, geloven dat hun kinderen minder intellectuele vermogens hebben, meer problematisch zijn,  hyperactief, agressief en gedragsstoornissen dan andere kinderen.

Welke persoonlijkheidskenmerken zijn van invloed bij de verwerking van sociale informatie?

Aangenomen wordt dat sociale informatieverwerkingsactiviteiten bij fysieke kindermisbruikers worden beïnvloed door een verscheidenheid aan persoonlijkheidsfactoren, waarbij persoonlijkheid wordt gedefinieerd als de som van de fysieke, mentale, emotionele en sociale kenmerken van de ouder. Alcohol consumptie, een gebrekkige kennis van sociale normen, hyperactiviteit, depressie en een vergrote focus op wangedrag van het kind, zijn allemaal kenmerken die het risico op mishandeling vergroten. 

Welke aanbevelingen doet Milner voor de klinische praktijk?

Als ouderlijke nood een factor is, moeten interventies zoals stressmanagement mogelijk worden geïmplementeerd voordat de ouder kan profiteren van cognitieve interventies. Voor zover verschillende componenten van het model worden ondersteund, zal de beoordeling van fysiek gewelddadige ouders een evaluatie moeten omvatten van cognitieve, persoonlijke en omgevingsfactoren en hun interacties voor elke ouder. Deze idiografische beoordelingen kunnen vervolgens worden gebruikt om de selectie van specifieke behandelingsbenaderingen te begeleiden en om een optimale volgorde voor interventies te plannen.

BulletPointsamenvatting bij Social information processing and physical child abuse

  • Om ons begrip van ouderlijke cognities geassocieerd met fysieke kindermishandeling te vergroten, wordt in dit artikel een sociaal informatieverwerkingsmodel beschreven. Bestaande paradigma's voor het verwerken van menselijke informatie worden gebruikt om de ontwikkeling van een organisatiemodel te begeleiden dat de cognitieve activiteiten van ouders beschrijft waarvan wordt aangenomen dat ze verbale en fysieke agressie tegen kinderen bemiddelen.
  • Als onderdeel van het voorgestelde model worden automatische en gecontroleerde verwerking gebruikt om te beschrijven hoe cognities gerelateerd kunnen zijn.
  • Na specificatie van het model wordt een kritische beoordeling van de ondersteunende literatuur gegeven.
  • Hierna volgt een beschrijving van mogelijke relaties tussen persoonlijkheidsfactoren en sociale informatieverwerkingsactiviteiten.
  • Tijdens de discussie worden modelbeperkingen en suggesties voor het testen van modellen gepresenteerd.
  • Het artikel wordt afgesloten met een korte beschrijving van modelimplicaties voor de beoordeling en behandeling van ouders die hun kinderen fysiek mishandelen.

TentamenTickets bij Social information processing and physical child abuse

  • Teken een overzicht van de vier fases van het sociale informatie verwerkingsmodel van Milner. Schrijf hierbij wat in elk van deze fases gebeurd.

Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Child Witnesses to Domestic Violence: A Meta-Analytic Review van Kitzman - 2003

Artikelsamenvatting bij Child Witnesses to Domestic Violence: A Meta-Analytic Review van Kitzman - 2003

Wat zijn de consequenties van het zijn van getuige van huiselijk geweld? 

In de afgelopen decennia hebben onderzoekers, clinici en beleidsmakers hun bezorgdheid geuit over het feit dat kinderen die getuige zijn van echtelijk geweld negatieve gevolgen kunnen ondervinden, zelfs als ze zelf niet het doelwit van geweld zijn. Omdat getuige zijn van huiselijk geweld kinderen kan terroriseren en de socialisatie van kinderen aanzienlijk kan verstoren, zijn veel onderzoekers blootstelling aan huiselijk geweld gaan beschouwen als een vorm van psychologische mishandeling. De afgelopen 20 jaar is er een stroom van onderzoek naar kinderen die getuige zijn geweest van huiselijk geweld, en talrijke kwalitatieve beoordelingen van dit onderzoek hebben geconcludeerd dat de blootstelling van kinderen aan echtelijk geweld in verband wordt gebracht met een breed scala aan psychologische, emotionele, gedrags-, sociale en academische problemen.

Wat is het doel van dit onderzoek?

Er zijn zowel praktische als conceptuele redenen om moderators van effectgroottes te onderzoeken. Informatie over moderators - met name studiekenmerken waarvan wordt vastgesteld dat ze de resultaten matigen - kan bepalen hoe toekomstig onderzoek op dit gebied wordt opgezet en geïnterpreteerd. Bovendien kunnen moderators van effectgrootte risicofactoren en beschermende factoren weerspiegelen die belangrijk zijn voor het begrijpen van het risico en de veerkracht van kinderen als reactie op stress. In de huidige meta-analyse hebben we verschillende klassen van factoren onderzocht die effectgroottes kunnen matigen in onderzoek naar kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld: (a) factoren die verband houden met onderzoeksopzet en de beoordeling van huiselijk geweld; (b) de context waarin de resultaten worden beoordeeld (d.w.z. de blootstelling van kinderen aan andere stressoren dan geweld tussen ouders); (c) de soorten beoordeelde uitkomsten van kinderen en methoden om deze te beoordelen; en (d) kenmerken van het kind zoals geslacht en leeftijd, evenals interacties tussen geslacht, leeftijd en type uitkomst.

  • De eerste vraag die we stelden was of vergelijkbare schattingen van de effectgrootte werden verkregen uit correlationele en groepsvergelijkingsontwerpen en of effectgroottes in groepsvergelijkingsonderzoeken significant varieerden, afhankelijk van de aard van de vergelijkingsgroep.
  • Een tweede klasse van mogelijke moderatoren in deze literatuur betreft de context waarin kinderen worden blootgesteld aan huiselijk geweld, dat wil zeggen het aanpassingsvermogen en de mate van middelen die kenmerkend zijn voor de gezinsomgeving van het kind.
  • De derde klasse moderators die we hebben onderzocht, betreft de beoordeling van kinderuitkomsten.
  • Ten slotte vereist een adequaat begrip van de effecten van huiselijk geweld op kinderen aandacht voor de modererende effecten van kindkenmerken, waaronder temperament, copingstrategieën, geslacht en leeftijd.

Wat zijn de belangrijkste conclusies van dit onderzoek?

tudies waarin kindgetuigen en niet-getuigen werden vergeleken, studies waarin kindgetuigen en kinderen werden vergeleken die waren blootgesteld aan verbale agressie tussen ouders, en correlationele onderzoeken lieten allemaal een significant verband zien tussen blootstelling aan geweld tussen ouders en kinderen. De gemiddelde effectgrootte op studieniveau over deze drie sets onderzoeken was d. 0,34, een waarde die zich vertaalt in een gemiddelde r. van 17. Een effectgrootte van deze omvang geeft aan dat ongeveer 63% van de kindgetuigen het slechter deden dan het gemiddelde kind dat niet was blootgesteld aan geweld tussen ouders. Met name betekent dit resultaat echter ook dat ongeveer 37% van de kindgetuigen uitkomsten liet zien die vergelijkbaar waren met of beter waren dan die van niet-getuigen. We integreerden ook de resultaten van een kleiner aantal onderzoeken waarin kindgetuigen werden vergeleken met kinderen die fysiek werden mishandeld, evenals onderzoeken waarin kindgetuigen en kinderen werden vergeleken die waren blootgesteld aan zowel huiselijk geweld als fysiek misbruik. Effectgroottes in deze twee reeksen onderzoeken waren niet significant, wat suggereert dat kinderen uit deze drie groepen vergelijkbare niveaus van aanpassingsproblemen vertoonden.  

BulletPointsamenvatting bij Child Witnesses to Domestic Violence

  • Deze meta-analyse onderzocht 118 onderzoeken naar de psychosociale uitkomsten van kinderen die werden blootgesteld aan interpatent geweld.
  • Correlatiestudies lieten een significant verband zien tussen blootstelling en problemen bij kinderen (d? ? ?0,29). Groepsvergelijkingsonderzoeken toonden aan dat getuigen significant slechtere uitkomsten hadden dan niet-getuigen (d? ? ?0.40) en kinderen uit verbaal agressieve gezinnen (d? ? ?0.28), maar de uitkomsten van getuigen waren niet significant verschillend van die van fysiek mishandelde kinderen (d ? ? 0,15) of fysiek mishandelde getuigen (d? ? 0,13).
  • Verschillende methodologische variabelen modereerden deze resultaten. Vergelijkbare effecten werden gevonden bij een reeks uitkomsten, met licht bewijs voor een groter risico bij kleuters.
  • Er worden aanbevelingen gedaan voor toekomstig onderzoek, rekening houdend met praktische en theoretische kwesties op dit gebied.

TentamenTickets bij Child Witnesses to Domestic Violence

  • Maak een lijstje van de gevolgen van het getuige zijn van huiselijk geweld die significant zijn bevonden in deze meta-analyse.
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Methodological Moderators in Prevalence Studies on Child Maltreatment: Review of a Series of Meta-Analyses van Prevoo e.a. - 2017

Artikelsamenvatting bij Methodological Moderators in Prevalence Studies on Child Maltreatment: Review of a Series of Meta-Analyses van Prevoo e.a. - 2017

Kunnen onderzoekers iets eenduidigs zeggen over de prevalentiecijfers van kindermishandeling?

De prevalentie van verschillende vormen van kindermishandeling is over de hele wereld onderzocht. Het bereik van gepubliceerde prevalentiecijfers is echter aanzienlijk; sommige studies rapporteren een lifetime-prevalentie van bijna nul procent, terwijl andere aantonen dat bijna 90 procent van de onderzochte populatie slachtoffer is geweest. De prevalentiecijfers op basis van informantenonderzoek, waarbij gebruik wordt gemaakt van rapporten van professionals, liggen veel lager dan die op basis van zelfrapportageonderzoeken, waarin rapporten van slachtoffers zelf of hun ouders worden gebruikt. Het grote aantal prevalentiecijfers kan echter niet volledig door deze factoren worden verklaard. Kenmerken van de onderzoeksmonsters en de procedures die worden gebruikt om gegevens over kindermishandeling te verzamelen, kunnen ook van invloed zijn op de uitkomsten van prevalentieonderzoeken en kunnen het brede scala aan prevalentiepercentages dat in eerdere onderzoeken is gerapporteerd, gedeeltelijk verklaren.

Welke persoonskenmerken kunnen de prevalentiecijfers van kindermishandeling in onderzoek beïnvloeden?

De prevalentiecijfers die in verschillende onderzoeken worden gerapporteerd, kunnen worden beïnvloed door andere kenmerken van de deelnemers aan de studie dan continent en geslacht.

  • De prevalentiecijfers kunnen hoger zijn voor gezinnen in problematische economische omstandigheden, omdat economische tegenspoed stress kan veroorzaken, wat op zijn beurt de kans op kindermishandeling vergroot.
  • Gezinsstress kan ook worden verhoogd door een grote gezinsgrootte. 
  • Een ander deelnemerskenmerk dat wordt beoordeeld, is het type respondent. Of de steekproef uit volwassenen of kinderen bestaat, kan een verschil maken voor de prevalentiecijfers. Bias is een belangrijk probleem in retrospectieve rapporten over ervaringen met mishandeling in hun kindertijd door volwassen respondenten, en deze bias kan leiden tot meer fout-negatieve rapporten.

In hoeverre kan de sampling methode prevalentiecijfers van kindermishandeling beïnvloeden?

Het type steekproef, de methode die wordt gebruikt om de onderzoekssteekproef te rekruteren, het responspercentage en de grootte van de steekproef zijn ook mogelijke moderatoren. Universitaire steekproeven rapporteren over het algemeen lagere prevalentiecijfers, mogelijk omdat ze een groep vormen met een betere psychologische gezondheid in vergelijking met willekeurige steekproeven die de algemene bevolking vertegenwoordigen.

In hoeverre kunnen de meetinstrumenten prevalentiecijfers van kindermishandeling beïnvloeden?

De meetgevoeligheid van een instrument hangt af van de validiteit, definitie, type en het aantal vragen. Als een instrument gevalideerd is, kunnen onderzoekers erop vertrouwen dat ze een instrument gebruiken dat meet wat het zou moeten meten. Prevalentiecijfers op basis van gevalideerde instrumenten zullen dus betrouwbaarder zijn, maar of een niet-gevalideerd instrument leidt tot hogere of lagere prevalentiecijfers kan niet worden voorspeld. Afhankelijk van de breedte van de definitie van een bepaald type mishandeling die een onderzoek hanteert, zullen er meer of minder jeugdervaringen zijn die aan deze definitie voldoen en die als mishandeling worden gerapporteerd. Studies die een bredere definitie gebruiken, zullen naar verwachting hogere prevalentiecijfers opleveren.

Welke methodologische kenmerken zijn volgens de huidige meta-analyse van significante invloed op prevalentiecijfers?

In deze meta-analyse worden de definities van kindermishandeling en verwaarlozing gehanteerd die door de World Health Organization zijn opgesteld. Voor alle geteste methodologische kenmerken werden significante moderatoreffecten gevonden.

  • De economische ontwikkeling van het land was alleen een significante moderator voor de levenslange prevalentie van seksueel misbruik van kinderen, zoals gerapporteerd door jongens, waarbij jongens uit landen met weinig middelen meer seksueel misbruik rapporteerden dan jongens uit landen met veel middelen.
  • Het type respondent was ook een significante moderator voor seksueel misbruik zoals gerapporteerd door jongens en voor fysieke mishandeling. Voor beide soorten mishandeling rapporteerden volwassen respondenten hogere prevalentiecijfers dan kinderen.
  • Het type steekproef was een significante moderator voor fysiek en emotioneel misbruik, waarbij studies met steekproeven van universiteiten de hoogste prevalentiecijfers rapporteerden. De steekproefprocedure was een belangrijke moderator voor seksueel misbruik zoals gerapporteerd door jongens, emotionele mishandeling en fysieke verwaarlozing. In gemakssteekproeven werden hogere prevalentiecijfers gerapporteerd dan in (aangepaste) gerandomiseerde steekproeven. Het responspercentage was een significante moderator voor alle vormen van mishandeling, behalve fysiek misbruik. De prevalentiecijfers waren hoger in onderzoeken waarin de respons hoger was. De steekproefomvang was een belangrijke moderator voor seksueel misbruik en lichamelijke verwaarlozing. Studies met kleinere steekproeven rapporteerden hogere prevalentiecijfers.
  • De validatie van het instrument was een belangrijke moderator voor lichamelijke verwaarlozing. Bij de validatie van het instrument werden hogere prevalentiecijfers van lichamelijke verwaarlozing gerapporteerd.
  • De definitie van misbruik was een belangrijke moderator voor seksueel misbruik zoals gerapporteerd door meisjes en voor fysiek misbruik. Er werden hogere percentages misbruik gerapporteerd wanneer een bredere definitie werd gebruikt dan wanneer een striktere definitie werd gebruikt. De prevalentie van seksueel misbruik bij meisjes was het hoogst bij gebruik van vragenlijsten op papier en potlood, het laagst bij computervragenlijsten en gemiddeld bij persoonlijke of telefonische interviews. Voor emotionele verwaarlozing werden hogere prevalentiepercentages gerapporteerd wanneer interviews werden gebruikt in vergelijking met vragenlijsten.
  • Het aantal vragen was een belangrijke moderator voor seksueel misbruik zoals gerapporteerd door meisjes, fysieke mishandeling en fysieke verwaarlozing. Hogere prevalentiecijfers werden gerapporteerd wanneer het instrument meer vragen bevatte.

Wat zijn de belangrijkste conclusies van de huidige meta-analyse?

Het huidige overzicht van meta-analyses laat zien dat de prevalentiecijfers van verschillende soorten kindermishandeling die in verschillende onderzoeken worden gevonden, worden beïnvloed door methodologische kenmerken. De effecten van elk van de moderatoren waren specifiek voor sommige soorten mishandeling en niet voor andere, en de moderators die de prevalentiecijfers beïnvloedden, waren verschillend voor elk type mishandeling.

Hogere prevalentiecijfers van seksueel misbruik worden gerapporteerd door jongens in landen met weinig middelen, wat in lijn is met de eerdere bevinding dat de prevalentiecijfers het hoogst waren voor jongens in Afrika. Economische tegenspoed in landen met weinig middelen kan stress veroorzaken, wat op zijn beurt de kans op mishandeling vergroot. Ook kan armoede de kans vergroten dat kinderen commerciële seks hebben. Volwassen mannelijke respondenten meldden hogere percentages seksueel misbruik dan mannelijke minderjarige respondenten, wat kan worden verklaard door de latere openbaarmaking van mannelijke slachtoffers van seksueel misbruik in vergelijking met die van vrouwelijke slachtoffers, waarschijnlijk omdat mannen het moeilijker vinden om over deze kwesties te praten.

De richting van modererende effecten varieerde over de indicatoren van methodologische kwaliteit. De modererende effecten van de steekproefprocedure en de steekproefomvang geven beide aan dat studies die methodologisch beter zijn (gerandomiseerde steekproeven en grotere steekproefomvang) lagere prevalentiecijfers opleveren. Daarentegen vonden we tegengestelde effecten voor twee andere indicatoren van methodologische kwaliteit, een hoge respons en validatie van het instrument. Meisjes melden mogelijk minder vaak misbruikervaringen wanneer het instrumentformaat anoniemer aanvoelt.

Hoewel eerder onderzoek heeft aangetoond dat comorbiditeit van verschillende soorten kindermishandeling veel voorkomt, hebben slechts zeer weinig studies in de eerdere meta-analyses de lifetime-prevalentie van alle soorten kindermishandeling tegelijkertijd onderzocht. Overlap in prevalentiecijfers kan daarom in ons huidige overzicht niet worden onderscheiden, wat een beperking is van deze review. Het onderwerp comorbiditeit verdient meer aandacht in toekomstige prevalentieonderzoeken. 

Een belangrijke beperking van deze review is het gebrek aan power om de gecombineerde effecten van methodologische kenmerken te onderzoeken, bijvoorbeeld grote steekproeven uit landen met veel middelen of gerandomiseerde steekproeven met een hoog responspercentage.

BulletPointsamenvatting bij Methodological Moderators

  • Inzicht in de effecten van methodologische kenmerken op gerapporteerde prevalentiecijfers van kindermishandeling kan de interpretatie van resultaten van eerdere onderzoeken vergemakkelijken en de opzet van toekomstige prevalentieonderzoeken verbeteren.
  • In deze meta analyse beoordeelden de onderzoekers de bevindingen van vier eerdere meta-analyses over methodologische moderatoren in zelfrapportageprevalentiestudies over seksuele, fysieke, en emotionele mishandeling, en fysieke en emotionele verwaarlozing. 
  • Deze studie geeft daarnaast een overzicht van de modererende effecten van deelnemerskenmerken (bijv. leeftijd), de steekproefmethode en meetkenmerken (bijv. validatie). Geen enkel kenmerk was zonder invloed, maar specifieke kenmerken waren significante moderatoren voor bepaalde vormen van misbruik en niet voor andere. Dit houdt in dat het brede scala aan 'ooit'-prevalentiepercentages dat in de literatuur wordt vermeld, deels kan worden verklaard door methodologische verschillen.
  • Onze best-bewijs synthese suggereert dat, afhankelijk van het beschouwde methodologische kenmerk, een bepaald prevalentiepercentage een over- of onderschatting van de werkelijke prevalentie kan zijn.
  • Rekening houden met de invloed van methodologische kenmerken en het kiezen van een goede methodologie kan helpen om de werkelijke prevalentie van kindermishandeling zo dicht mogelijk te benaderen.

TentamenTickets bij Methodological Moderators

  • Maak een lijstje van de variabelen die van significante invloed zijn op de prevalentiecijfers van de verschillende soorten kindermishandeling en verwaarlozing. 
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Physical Abuse of Children van Berkowitz - 2017

Artikelsamenvatting bij Physical Abuse of Children van Berkowitz - 2017

Welke casus wordt besproken in dit artikel?

Een 4-maanden oude mannelijke baby wordt door ambulancepersoneel naar de eerste hulp gebracht. Zijn moeder had 112 gebeld omdat het kind slap leek te zijn toen ze hem uit zijn bedje tilde nadat ze terugkwam van haar werk; ze had hem bij haar vriend achtergelaten terwijl ze aan het werk was. Bij aankomst op de afdeling spoedeisende hulp is de temperatuur van het kind 37°C, de hartslag 114 slagen per minuut, de bloeddruk 90/68 mm Hg en de ademhalingsfrequentie 28 ademhalingen per minuut. Het lichamelijk onderzoek is normaal, behalve een verminderde spierspanning, en er is een blauwe plek van 1 cm op zijn linkerwang. Hoe moet deze zaak worden geëvalueerd en beheerd?

Hoe moeten dit soort klinische problemen worden aangepakt?

Sinds de publicatie van "The Battered-Child Syndrome" in 1962, 
die zich richtte op de fysieke bevindingen van kindermishandeling, het begrip kindermishandeling is uitgebreid tot seksueel misbruik, emotioneel misbruik en verwaarlozing. Bij beoordelingen van kindermishandeling is de interactie van meerdere disciplines betrokken, waaronder geneeskunde, maatschappelijk werk, wetshandhaving en het gerechtelijk apparaat. Deze interdisciplinaire benadering kan een uitdaging zijn vanwege verschillende definities van kindermishandeling, verwachtingen met betrekking tot informatie die kan worden vastgesteld tijdens de medische evaluatie, of interpretaties van bevindingen. 

We onderscheiden enkele belangrijke punten in de klinische aanpak van gevallen van fysieke kindermishandeling:

  • Lichamelijk mishandelde kinderen, met name zuigelingen, kunnen zich presenteren met niet-specifieke symptomen en tekenen, zoals braken of apneu; de mogelijkheid van beledigend hoofdtrauma vereist in dergelijke gevallen aandacht.
  • Lichamelijke bevindingen, zoals blauwe plekken in het gezicht, de nek of de romp, of intraorale laesies, zoals gescheurde frenula, bij zuigelingen die nog niet ambulant zijn, moet vermoeden van toegebracht trauma wekken.
  • De evaluatie van zuigelingen en jonge kinderen op vermoedelijk toegebracht trauma dient een volledig lichamelijk onderzoek van het kind te omvatten, met bijzondere aandacht voor de huid, mondholte en buik; in beeld brengen van de hersenen; een fundusscopisch onderzoek naar retinale bloedingen; een skeletonderzoek; en meting van lever- en pancreasenzymen.
  • Artsen zijn gemandateerd om gevallen waarin zij een redelijke vermoeden van kindermishandeling.

Hoe gaat de beoordeling van een casus van fysieke kindermishandeling in zijn werk?

Er is een stappenplan omschreven voor de aanpak van een casus waarbij er sprake is van (verdenking van) fysieke kindermishandeling.

  1. De eerste stap is om te zorgen voor een zorgvuldige geschiedenis van de vermeende omstandigheden rond de verwonding. Waren er getuigen van de gebeurtenis? Wie was bij het kind aanwezig toen de gebeurtenis plaatsvond? Kan de vermeende gebeurtenis de verwondingen verklaren? Komt het ontwikkelingsniveau van het kind overeen met het voorgestelde mechanisme van letsel? Wat werd er gedaan toen de gebeurtenis plaatsvond of het kind symptomatisch werd? Was er vertraging bij het zoeken naar medische hulp?
  2. Voer dan een volledig onderzoek uit met het kind volledig ontkleed.
    Documenteer de algehele klinische status van het kind. Documenteer de aanwezigheid van kneuzingen, brandwonden of andere huidafwijkingen. Documenteer de aanwezigheid van intraorale laesies door elk frenulum zorgvuldig te controleren op letsel. Documenteer de aanwezigheid van bevindingen zoals subconjunctivale bloedingen.
    Fotografeer de bevindingen of vraag de politie om foto's te verkrijgen.
  3. Start vervolgens een diagnostisch onderzoek op basis van de bevindingen en klinische toestand van het kind. de scherpte van
    de toestand van het kind en de noodzaak van medisch ingrijpen kunnen bepalend zijn voor de volgorde waarin diagnostische onderzoeken worden verkregen. Voer CT of MRI van het hoofd uit. Voer CT van de buik uit met contrastversterking als buikletsel wordt vermoed. Verkrijg een volledig bloedbeeld, beoordeel het basismetabolische profiel, voer stollingsonderzoeken uit en meet lever- en pancreasenzymen. Voer een volledig skeletonderzoek uit. Voer ook een fundusscopisch onderzoek uit met foto's.
  4. Beheer elk acuut medisch probleem.
  5. Informeer ook de kinderbeschermingsdiensten zoals verplicht in de staat. In sommige rechtsgebieden is ook melding van rechtshandhaving verplicht.
  6. Indien nodig moet je het kind in het ziekenhuis laten opnemen.
  7. Vervolgens laat je het ziekenhuispersoneel of een maatschappelijk werker van de kinderbescherming een uitgebreide sociale evaluatie uitvoeren.
  8. Ten slotte, overweeg een extra forensisch onderzoek indien geïndiceerd of gevraagd, of verwijs de zaak door naar een kinderarts, team of centrum dat gespecialiseerd is in gevallen van kindermishandeling.

BulletPointsamenvatting bij Physical Abuse of Children

  • In dit artikel wordt de casus omschreven van een kind dat met ernstige lichamelijke klachten wordt binnengebracht in een ziekenhuis.
  • Het kind in de casus heeft een korte onverklaarde gebeurtenis meegemaakt en heeft blauwe plekken in het gezicht, bevindingen die aanleiding geven tot ernstig hoofdtrauma.
  • Het kind moet worden opgenomen in het ziekenhuis en worden beoordeeld met een MRI, een funduscopisch onderzoek naar retinale bloedingen, een skeletonderzoek, meting van lever- en pancreasenzymen en stollingsonderzoeken.
  • Er zou een uitgebreidere sociale geschiedenis moeten worden verkregen, inclusief wie voor het kind zorgde tijdens de afwezigheid van de moeder en of er andere kinderen thuis waren.
  • De zaak moet worden gemeld bij de kinderbescherming.
  • Ten slotte moeten alle bevindingen nauwkeurig worden vastgelegd in het medisch dossier van de baby.

TentamenTickets bij Physical Abuse of Children 

  • Verdiep je in het stappenplan voor de beoordeling van gevallen van fysieke kindermishandeling. Hoe gaat het in zijn werk op het moment dat er een casus binnenkomt in het ziekenhuis?
Access: 
Public
Artikelsamenvatting bij Testing the cycle of maltreatment hypothesis: Meta-analytic evidence of the intergenerational transmission of child maltreatment van Madigan e.a. - 2019

Artikelsamenvatting bij Testing the cycle of maltreatment hypothesis: Meta-analytic evidence of the intergenerational transmission of child maltreatment van Madigan e.a. - 2019

Wat houdt intergenerationele overdracht in?

De afgelopen halve eeuw is er veel onderzoek gedaan om inzicht te krijgen in de determinanten en langetermijngevolgen van kindermishandeling. De last van mishandeling voor kinderen, gezinnen en de samenleving in het algemeen is verbazingwekkend. Daarom presenteert de huidige studie een reeks uitgebreide meta-analyses over de intergenerationele overdracht van mishandeling in het algemeen, evenals over specifieke vormen van mishandeling. Op basis van de resultaten van een internationaal panel van deskundigen dat is bijeengeroepen om te overleggen over de preventie van kindermishandeling, geeft de Wereldgezondheidsorganisatie de volgende definitie: “Kindermishandeling of -mishandeling vormt alle vormen van lichamelijk en/of emotioneel ziek -behandeling, seksueel misbruik, verwaarlozing of nalatige behandeling of commerciële of andere uitbuiting, resulterend in daadwerkelijke of potentiële schade aan de gezondheid, overleving, ontwikkeling of waardigheid van het kind in de context van een verantwoordelijkheids-, vertrouwens- of machtsrelatie.” Deze brede definitie omvat een breed spectrum van gedragingen, van ernstige lichamelijke mishandeling tot aantoonbaar meer verborgen vormen van mishandeling, zoals emotionele verwaarlozing. Gezien het brede scala aan opvoedingspraktijken, culturele verwachtingen en verschillende opvattingen over wat kindermishandeling inhoudt, is de definitie van de WHO vooral handig omdat het een standaarddefinitie-instrument biedt waarmee mogelijk beledigend en verwaarloosbaar gedrag kan worden beoordeeld. In dit artikel gebruiken we, in navolging van de definitie van de WHO, de term kindermishandeling om het brede scala aan misbruik, verwaarlozing en/of schadelijk gedrag van kinderen weer te geven. Theoretische modellen suggereren dat meerdere factoren en gelaagde contexten kunnen bijdragen aan huiselijk en interpersoonlijk geweld in het algemeen, en kindermishandeling in het bijzonder.

Welke methodologische limitaties bestaan er wanneer wetenschappers conclusies trekken over intergenerationele overdracht?

Hoewel het grootste deel van het onderzoek over het algemeen bewijs heeft gevonden ter ondersteuning van de hypothese van intergenerationele mishandeling, is de associatie niet alomtegenwoordig, en de sterkte van deze associatie varieert tussen onderzoeken, zelfs met vergelijkbare steekproefkenmerken. Met name de validiteit van bevindingen is in twijfel getrokken vanwege verschillende belangrijke methodologische beperkingen en vooroordelen, waaronder het gebruik van slechte operationele definities van mishandeling, retrospectieve terugroeping, individuele informanten voor de beoordeling van mishandeling in verschillende generaties, en het ontbreken van prospectieve studies.

Er is enig bewijs om het idee te ondersteunen dat mishandeling van generatie op generatie wordt overgedragen. Onderzoekers verklaren echter ook dat ongekwalificeerde aanvaarding van deze hypothese niet alleen ongegrond, maar ook misleidend is.

Wat is het doel van het huidige onderzoek?

Alle reviews tot nu toe hebben ofwel een verhalend overzicht van de literatuur en/of de methodologische benaderingen ervan opgeleverd, ofwel een methodologische kwaliteitsevaluatie, en een daaropvolgende beschrijving van het aantal onderzoeken dat statistisch significante intergenerationele overdracht van mishandeling rapporteert, gestratificeerd naar niveaus van vooraf bepaalde methodologische validiteit. Naast het testen op methodologische kwaliteit en meetfactoren, test de huidige studie een reeks moderatoren die ook de sterkte van de intergenerationele associatie kunnen beïnvloeden, inclusief de rol van armoede en gezinsrisico, kinderleeftijd en geslacht, evenals als publicatiebias en verspreidingsmedium. Hoewel kindermishandeling alle etniciteiten en sociaaleconomische lagen (SES) doorkruist, is aangetoond dat de prevalentie van mishandeling hoger is bij minderheden en/of in groepen die worden gekenmerkt als een lage SES. in de huidige studie onderzoeken we verschillende factoren die verband houden met gezinsrisico als mogelijke moderatoren van de intergenerationele overdracht van mishandeling. Ook de kinderleeftijd, als het gaat om de intergenerationele overdracht van mishandeling, is een relevante moderator. deze studie had tot doel discrepanties en debatten op het gebied van kindermishandeling op te lossen door de literatuur meta-analytisch te synthetiseren en modererende variabelen te testen die associaties van intergenerationele mishandeling kunnen versterken of afzwakken. Om het risico van methodologische vertekening te evalueren, hebben we de methodologische kwaliteit van elke studie die in de meta-analyse is opgenomen, beoordeeld op basis van vooraf bepaalde methodologische normen, en getest of de methodologische kwaliteit op het niveau van de individuele studie van invloed is op de sterkte van intergenerationele overdracht. Dit is een kritieke onderneming, aangezien een onderzoek van de mechanismen van intergenerationele overdracht is belemmerd door een gebrek aan oplossing van deze methodologische controverse, en duidelijk bewijs met betrekking tot de status van deze zeer belangrijke vraag blijft dubbelzinnig.

In de huidige studie wordt de intergenerationele overdracht van mishandeling-hypothese onderzocht in 142 onderzoeken  die een methodologische kwaliteitsbeoordeling hebben ondergaan, evenals gegevensextractie van een aantal mogelijke moderator variabelen. Het doel van de methodologische review was tweeledig:

  • Het eerste doel was om elke studie te beoordelen op methodologische kwaliteit.
  • Het tweede doel was om te bepalen of methodologische kwaliteit effectgroottes modereert.

Welke conclusies konden uit dit onderzoek worden getrokken?

De huidige studie biedt ondersteuning voor de hypothese van de cyclus van mishandeling, hoewel de effectgroottes klein tot matig zijn. Ouders met een voorgeschiedenis van mishandeling hebben meer dan twee keer zoveel kans om kinderen te krijgen die ook mishandeld worden.  Het rapport van de verzorger en/of het besef van de geschiedenis van seksueel misbruik van hun kind zijn meestal afhankelijk van het feit dat het kind misbruik aan het licht brengt, wat veel kinderen niet graag doen. Met betrekking tot heterotypische overdracht suggereren algemene bevindingen dat wanneer een ouder een bepaald type mishandeling ervaart, opnieuw met fysieke mishandeling als voorbeeld, zijn/haar kind meer kans heeft om ook andere vormen van mishandeling te ervaren, zoals emotionele mishandeling. misbruik, seksueel misbruik of verwaarlozing. Heterotypische overdracht is consistent met onderzoek dat aantoont dat slachtoffers van kindermishandeling vaak worden blootgesteld aan meerdere, gelijktijdig voorkomende vormen van kindermishandeling.

Zoals Thornberry et al. (2012) treffend opgemerkt: "Als er inderdaad duidelijk en overtuigend bewijs is van intergenerationele continuïteit, moeten we de bemiddelende processen begrijpen die de generaties in dit opzicht verbinden". Dienovereenkomstig wordt aanbevolen dat het veld zijn aandacht heroriënteert op het blootleggen en verdiepen van het begrip van mechanismen van intergenerationele overdracht. Kennis over deze mechanismen kan de ontwikkeling van toekomstige interventie- en preventiestrategieën direct informeren en vormgeven, die dringend nodig zijn om de vicieuze cirkel van mishandeling te doorbreken en meer veiligheid en duurzame welvaart voor de volgende generaties jongeren te verzekeren.

BulletPointsamenvatting bij Testing the cycle of maltreatment

  • Er wordt al lang beweerd dat "mishandeling leidt tot mishandeling". Dit wil zeggen dat de geschiedenis van mishandeling van een ouder het risico vergroot dat zijn of haar kind ook mishandeld wordt. Er zijn echter aanzienlijke methodologische zorgen gerezen met betrekking tot bewijs dat deze bewering ondersteunt, waarbij sommigen beweren dat de associatie verzwakt in steekproeven met een hogere methodologische nauwkeurigheid.
  • In de huidige studie wordt de intergenerationele overdracht van mishandeling-hypothese onderzocht in 142 onderzoeken  die een methodologische kwaliteitsbeoordeling hebben ondergaan, evenals gegevensextractie van een aantal mogelijke moderatorvariabelen.
  • De resultaten laten een bescheiden verband zien tussen mishandeling tussen generaties. Ondersteuning voor de intergenerationele overdracht van specifieke vormen van mishandeling werd ook waargenomen.
  • Methodologische kwaliteit kwam alleen naar voren als een significante moderator van de intergenerationele overdracht van fysiek geweld, met een verzwakking van de effectgroottes naarmate de methodologische nauwkeurigheid toenam.
  • Bewijs uit deze meta-analyse bevestigt de hypothese van de cyclus van mishandeling, hoewel de effectgroottes bescheiden waren.
  • Toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op het verdiepen van het begrip van transmissiemechanismen en op het identificeren van beschermende factoren die de cyclus van mishandeling effectief kunnen doorbreken.

TentamenTickets bij Testing the cycle of maltreatment

  • Verdiep je bij het studeren van dit artikel op bij welke vormen van mishandeling en verwaarlozing intergenerationele overdracht significant vaak voorkomt.
Access: 
Public
Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
4041
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector