Hoe zit het brein in elkaar?
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit het ruggenmerg en de hersenen. De zenuwen buiten het ruggenmerg vormen het perifere zenuwstelsel. Een zenuw is een groep axonen van verschillende neuronen. Zenuwen zijn de verbindingen tussen het centrale zenuwstelsel en de zintuigen en spieren.
Er zijn drie verschillende soorten neuronen:
- sensorische neuronen geven informatie door van de zintuigen naar de hersenen.
- motorischen neuronen geven signalen vanuit de hersenen naar de spieren.
- interneuronen vind je alleen in het centrale zenuwstelsel. Ze geven signalen van de ene neuron door aan de andere neuron.
Alle neuronen zijn opgebouwd uit dezelfde basis elementen. Het cellichaam is het grootste deel en bevat de kern en andere mechanismen die in alle celkernen in het lichaam te vinden zijn. De dendrieten ontvangen informatie en sturen deze door naar de celkern. Ze hebben vaak een netwerk van takken die het oppervlakte vergroten waardoor ze signalen van vele omliggende neuronen kunnen ontvangen. Axonen zijn uitlopers van het cellichaam en versturen het signaal naar omliggende neuronen. Elk axon eindigt in een axon terminal die chemische transmitters bevat. Sommige axonen bevatten een myelineschede, dit is een vettige substantie die en versnelt het doorgeven van signalen.
Hoe geeft een neuron een singaal door?
Elk neuron heeft een celmembraan, een permeabel omhulsel dat bepaalde chemicaliën wel door laat en andere niet. Het water en de opgeloste chemicaliën binnen het membraan heet intracellulaire vloeistof, de vloeistof buiten het membraan heet extracellulaire vloeistof. De intracellulaire vloeistof bevat vooral negatief geladen proteïne moleculen (A-) en potassium ionen (K+). De extracellulaire vloeistof bevat vooral natrium-ionen (Na+) en chloride-ionen (Cl-). De verdeling van de geladen deeltjes rondom de celmembraan heeft een negatieve binnenkant en een positieve buitenkant tot gevolg, wat resulteert in een potentiaalverschil. Dat wil zeggen dat de binnenzijde van de cel in rust (de neuron is dus inactief) negatief geladen is ten opzichte van de buitenzijde: er is sprake van een elektrische spanning langs het membraan. De spanning als het neuron inactief is heet het rustepotentiaal (-70mV).
Een actiepotentiaal is een verandering in de spanning (elektrische geladenheid) van het mebraan. Natrium poorten openen waardoor de stof de cell in kan en de cell voor even positief geladen wordt wat de depolarisatie fase genoemd wordt. Natrium poorten sluiten, maar Kalium poorten openen die op hun beurt de cel uitgaan. Dit wordt de repolarisatie fase genoemd. De Natrium-kaliumpomp zorgt ervoor dat de balans wederkeert. De energiebron voor de pomp is ATP (Adenosinetrifosfaat, een drager van chemische energie). Wanneer er geen impuls over de zenuwcel gaat zijn de natrium- en de kaliumpoorten gesloten - er is dan wel sprake van enige diffusie van natrium en kalium, maar niet via de poorten. De kalium-natriumpomp pomt het gediffundeerde kalium terug naar binnen en het gediffundeerde natrium terug naar buiten, waardoor de binnenkant van de zenuwcel negatief geladen blijft ten opzichte van de buitenkant van de celmembraan.
Niet bij elk verschil in spanning ontstaat er een actiepotentiaal, er moet een drempelwaarde (-65mV) overschreden worden voordat het actiepotentiaal start. Elke keer als een actiepotentiaal ontstaat, vermindert de spanning van het membraan op het volgende stuk axon tot de drempelwaarde en zet de natriumkanalen open. Aan het eind van het axon wordt het actiepotentiaal doorgegeven aan alle omliggende axonen. De snelheid van het actiepotentiaal wordt bepaald door de diameter van het axon en of het wel/niet een myelineschede heeft.
Hoe vindt synaptische communicatie plaats?
De synaptische spleet is de spleet tussen een axonterminal en het cellichaam of de dendriet van het ontvangende neuron. Het zendend neuron bevat het presynaptische mebraan en het ontvangende neuron het postsynaptische membraan. Als een actiepotentiaal de axonterminal bereikt geeft de terminal een chemische substantie (neurotransmitter) af, deze stof gaat de synaptische spleet in en beïnvloed het ontvangende neuron. Een excitatory synaps opent de transmitter de natriumkanalen waardoor er sneller een actiepotentiaal op het ontvangend neuron ontstaat. Bij een inhibitory synaps opent de transmitter potassiumkanalen waardoor de kans op een actiepotentiaal verminderd (hyperpolarisatie, extra negatief).
Hoe ontwikkelen neuronen zich?
Neurogenesis is het proces waarbij nieuwe neuronen gecreeerd worden in de eerste 20 weken na geboorte. Na 20 weken gaat het de laatste fase in differentiatie, waarbij de neuronen groeien en het aantal dendrieten, axonen en synapsen toeneemt. De vorming van synapsen is het snelst gedurende de eerste maanden na de geboorte, maar wanneer de piek van de groei wordt bereikt verschilt per hersengebied. Apoptose of selectieve celdood is de benaming die we gebruiken voor het afsterven van neuronen. De dood van neuronen en de pruning (snoeien) van synapsen zorgen ervoor dat niet-effectieve neuronen en synapsen verdwijnen zodat alleen effectieve neuronen en synapsen overblijven. Hoewel volwassenen minder neuronen hebben, hebben ze wel grotere en sterkere neuronen.
spiegelneuronen zijn georganiseerde systemen om sociaal leren te bevorderen. Ze helpen ons om spiegelen wat we observeren of ervaren en zijn te vinden in delen van cerebrale cortex. ze zijn zowel actief als we gedrag uitvoeren als observeren. Het is een theorie die onze neurologische basis voor immiteren en sociaal leren verklaard.
Hoe is ons zenuwstelsel georganiseerd?
Er zijn twee aparte, maar samenwerkende hiërarchieën: de motorische controle hiërarchie is betrokken bij de controle van beweging en de sensorische perceptuele hiërarchie is betrokken bij informatieverwerking. De verwerking van de eerste hiërarchie is voornamelijk top-to-bottom, van de tweede met name van bottom-to-top.
Het perifere zenuwstelsel bestaat uit twee soorten zenuwen: craniale zenuwen, die direct vanuit de hersenen projecteren, en spinale zenuwen die vanuit het ruggenmerg projecteren. De zenuwen zijn paren, een voor de linkerhelft van het lichaam en een voor de rechterhelft.
Sensorische neuronen verzamelen data om de staat van de externe en de interne omgeving te analyseren. Informatie van de gespecialiseerde zintuiglijke organen in het hoofd gaat via de craniale zenuwen naar de hersenen. De sensorische informatie van de rest van het lichaam gaat via de spinale zenuwen en sommige craniale zenuwen naar de hersenen. Somatosensatie is alle sensorische informatie van het lichaam.
Motorneuronen sturen twee groepen structuren aan: skeletspieren, spieren die aan de botten vastzitten en observeerbare bewegingen produceren en de inwendige spieren en klieren. Autonome motorneuronen wijzigen de activiteit van de inwendige spieren in plaats van ze te beginnen. Het autonome gedeelte heeft twee afdelingen: de sympathische en de parasympathische deel. Het sympathische deel reageert op stressvolle situaties en bereidt het lichaam voor om te vluchten of te vechten. De parasympathische divisie heeft functies als regeneratie, het bevorderen van de groei en het behouden van energie.
Het ruggenmerg heeft een opgaand pad dat de informatie naar de hersenen vervoert en een dalend pad dat de informatie van de hersenen naar de spieren vervoert. Wanneer je zenuwen vlak onder je brein doorgesneden zijn ben je dus verlamd vanaf je nek. Sommige reflexen worden alleen door het ruggenmerg uitgevoerd, deze reflexen blijven dus bestaan bij een verlamming. Een refelex dat in tact blijft is het flex-reflex, waarbij de spieren van een ledemaat het ledemaat naar het lichaam toetrekken (flexen). Dit gebeurt bijvoorbeeld als het ledemaat in aanraking komt met grote hitte of met andere beschadigende stimuli. Het ruggenmerg is in staat aanhoudende, georganiseerde bewegingen te produceren, zonder dat de bewegingen een reactie zijn op stimuli. Netwerken van neuronen, die we patroongeneratoren noemen, activeren motorneuronen in het ruggenmerg die een ritmische serie spierbewegingen produceren.
Hoe kunnen de hersenen bestudeerd worden?
Er zijn verschillende methoden om de functies van een specifiek hersengebied te bestuderenj of te ontdekken. Een manier is om een hersenbeschadiging te observeren en te kijken wat de persoon wel en niet meer kan. Zo kun je concluderen dat een bepaald hersengebied bijdraagt aan een bepaald vermogen. Kijk wel uit met het trekken van conclusie aangezien je niet weet of op wat voor manier dit hersengebied bijdraagt aan het gedrag.
Met behulp van TMS (transcraniale magnetische stimulatie) kunnen specifieke, tijdelijke ‘beschadigingen’ in de hersenen worden gecreëerd door een elektrische stroom de hersenen in te sturen. Deze methode werkt alleen bij de cerebrale cortex, het gedeelte van de hersenen dat direct onder de schedel ligt. Met TMS kunnen dus de functies van de cerebrale cortex in kaart gebracht worden, maar de effecten van tijdelijke actievatie kunnen zo ook bestudeerde wordne.
Met een EEG (electroencephalogram) kan de elektrische activiteit gemeten worden door elektroden op iemands hoofd te plaatsen waardoor men hersenactiviteit kan meten, bestuderen en vastleggen. EEG wordt ook gebruikt als index van slaap en waakstaten. Event-related potentials (ERP’s) zijn een verandering in de EEG direct na de aanbieding van een stimulus. Op deze manier kun je een beeld krijgen van activatiepatronen in de hersenen als reactie op stimuli.
Bij PET (positron emission tomography) wordt er een radioactieve stof in het bloed gespoten. Vervolgens wordt de radioactiviteit van elke hersengebied gemeten. Veel bloed meer activiteit en dus meer radioactieve stof.
Bij fMRI (functional magnetic resonance imaging) worden radiogolven met een bepaalde frequentie gemeten die worden afgegeven door zuurstofrijke hemoglobine moleculen. Met behulp van een computer kan er een 3-D beeld worden gemaakt van de hersenen en hersenactiviteit bij zowel PET als fMRI. Meestal krijgt fMRI de voorkeur vanwege de betere spatiële resolutie.
Bij dieren worden er vaak andere methoden gebruikt om de hersenen te bestuderen. Deze methoden omvatten het opzettelijk beschadigen van gebieden en het gevolg observerden. Deze methoden kunnen dus om ethische redenen niet bij mensen worden toegepast.
Hoe zijn onze hersenen opgebouwd?
De hersenstam ligt het dichtst bij het ruggenmerg en is een soort verdikking van het ruggenmerg. Daarboven liggen de medulla, de pons en de middenhersenen. De hersenstam lijkt qua functie en qua anatomie sterk op het ruggenmerg alleen dan uitgebreider. De medulla en de pons zijn verantwoordelijk voor de posturale reflex (balans) en de vitale reflexen (het reguleren van de ademhaling en dergelijke). De middenhersenen zijn verantwoordelijk voor veel soort- specifieke bewegingspatronen.
Een hersenstamdier (waarbij het centrale zenuwstelsel is doorgesneden boven de hersenstam) kan normale instinctieve gedragingen vertonen, maar alleen als reactie op onmiddellijke stimuli. Het dier kan geen spontane of goal georienteerde acties meer uitvoeren.
De basale ganglia zijn een set van structuren aan weerszijde van de thalamus. Het cerebellum (de kleine hersenen) ligt boven de thalamus. Beide gebieden zijn belangrijk voor het uitvoeren van geleerde, precieze en goed gecoördineerde bewegingen. Ze gebruiken allebei sensorische informatie, de basale ganglia als feedback, het cerebellum als feed forward.
Het limbische systeem scheidt het evolutionair gezien ‘oude’ gedeelte van de hersenen (de hiervoor genoemde structuren) van het ‘nieuwe’ gedeelte (de cerebrale cortex). Het limbische systeem is betrokken bij het reguleren van basale driften en emoties. De structuur ligt om de thalamus en de basale ganglia heen en bevat onder andere de amygdala en de hippocampus. De amygdala is betrokken bij regulatie van emoties en basale driften. De hippocampus is cruciaal voor spatiele locatie en het vertalen van bepaald herinneringen. Het limbische systeem ontvangt ook input van alle sensorische organen en is direct verbonden met de basale ganglia. De hypothalamus ligt direct onder de thalamus en is nauw verbonden met het limbische systeem. De hypothalamus speelt een belangrijke rol bij het reguleren van het interne milieu van het lichaam. De hypothalamus speelt een grote rol in regulatie van de basale driften "four Fs" genoemd: fighting, fleeing, feeding, and fornicating.
De cerebrale cortex zijn alle brein delen behalve de hersenstam en het cerebellum. Het is het buitenste gedeelte van het brein en ook het grootste gedeelte. De cortex is in twee hemisferen gedeeld en die zijn elk weer in vier kwabben verdeeld. Van voor naar achteren liggen de frontale kwab, pariëtale kwab, occipitale kwab enbij de slaap zit de temporale kwab. Er zijn drie categorieën van functionele gebieden: het primaire motorgebied dat axonen naar het ruggenmerg en naar de hersenstam stuurt en het primaire sensorische gebied dat informatie ontvangt van sensorische zenuwen en tracts. De rest van de cortex bestaat uit associatiegebieden, deze zijn betrokken bij het nemen van beslissingen en bij perceptie.
Het principe van topografische organisatie is dat sensorische en motorgebieden daar liggen waar ze de beste verbindingen hebben met de neuronen die ze nodig hebben. Het gedeelte van de cortex dat betrokken is bij een lichaamsdeel hangt af van de fijnheid van de bewegingen die het lichaamsdeel uit kan voeren en van de fijngevoeligheid van het lichaamsdeel. Daarom hebben de vingers een relatief groot gedeelte van de cortex tot hun beschikking, in ieder geval geldt dit bij mensen. Het primaire motorgebied is vooral actief bij de fijnstelling van signalen naar de kleine spieren. Het premotorische gebied ligt direct voor het primaire motorgebied. Dit gebied is betrokken bij het kiezen van bewegingen. Om dit te kunnen doen, moet het gebied nauw verbonden zijn met delen van de frontale kwab, het cerebellum, de basale ganglia en de motorcortex.
De frontale gebieden van de frontale kwab zijn betrokken bij plannen en het vormen van strategieën. Dat we weten waar bepaalde processen plaatsvinden, wil niet zeggen dat we weten hoe de processen plaatsvinden. Het gedeelte van de cerebrale cortex die in vergelijking tot andere dieren bij mensen het meest is uitgebreid, is de prefrontale cortex. Deze bestaat uit de gehele frontale kwab voor de premotorische gebieden. Dit gedeelte van de hersenen is betrokken bij allerlei planningen, zowel op korte als op lange termijn.
Hoe interacteren hormonen met het zenuwstelsel?
Het bloed vervoert chemicaliën, zoals hormonen, die bijdragen aan gedrag en fysieke groei. Hormonen zijn chemische boodschappers, sommige hormonen worden afgescheiden door hormoonklieren (endocrine klieren) en andere door organen. Ze worden door het lichaam vervoerd naar het doelweefsel via het bloed. Hormonen beïnvloeden groei van lichaams structuren zoals botten en spieren, ze beïnvloeden het metabolisme en zo ook de energie. Deze twee factoren dragen bij aan hoe je je kunt gedragen. Daarnaast hebben ze ook functies in het brein waardoor ze driften en stemmingen beïnvloeden.
De hypofyse (pituitary gland) in de hersenen produceert hormonen die de hormoonproductie van andere klieren stimuleert. Het achterste gedeelte van de hypofyse bevat neurosecretoire cellen, die afscheidende (releasing) factoren produceren die in de anteriore hypofyse zorgen voor het aanmaken en afscheiden van hypofysehormonen.
Hormonen hebben ook een grote invloed op geslachtsdrift (sex drive). Testosteron is een cruciaal hormoon voor geslachtdrift bij mannen. De hoeveelheid die van dit hormoon in de bloedstroom aanwezig is heeft te maken met de psychologische condities. Condities die zelfvertrouwen verhogen gaan vaak gepaard met een hogere productie van testosteron. Oestrogeen en progesteron worden uitgescheiden door de eierstokken van een vrouw na de puberteit en veroorzaken de menstruatie cyclus. Vooral de oestrogeen cyclus beïvloed de geslachtsdrift van een vrouw.
Wat is het verschil in functie van bepaalde hersengebieden?
De hersenen zijn opgesplitst in twee hemisferen die onderling verbonden zijn door het corpus callosum, een dikke bundel axonen. Elke hemisfeer heeft dezelfde primaire sensorische en motorfuncties, alleen voor andere helften van het lichaam. Meestal is het zo dat de linker hemisfeer de rechter lichaamshelft controleert en andersom.
Wat hebben we geleerd van split-brain patiënten?
De linker hemisfeer is gespecialiseerd in taal, de rechter in non-verbale, visuospatiële informatie. In de jaren ’60 gingen Gazzaniga en collega’s mensen waarbij het corpus callosum was doorgesneden bestuderen. Het corpus callosum werd soms doorgesneden bij mensen met ernstige epilepsie om deze conditie te controleren, dit werd alleen gedaan als er geen enkele andere behandeling aansloeg. Hij toonde aan dat de twee hemisferen verschillende vermogens hebben.
Bij split-brainpatiënten is het mogelijk de kennis van één hemisfeer te onderzoeken door de persoon een taak te laten uitvoeren met de tegenovergestelde hand of door visuele stimuli aan te bieden alleen in het tegenoverliggende visuele veld. Eén van de conclusies is dat zonder het corpus callosum de hemisferen niet op de hoogte zijn van de kennis van de andere hemisfeer. Eén van de dingen waarin split-brainpatiënten van elkaar verschillen is de mate waarin de rechter hemisfeer in staat is taal te begrijpen. Bij ongeveer 15% van de linkshandigen zit het taalcentrum in de rechter hemisfeer en bij ongeveer 4% van de rechtshandigen is dit het geval. Dit geldt ook bij mensen met een intact corpus callosum. Ondanks een doorgesneden corpus callosum kunnen de meeste split-brainpatiënten zich vaak redelijk redden in het dagelijks leven. Dit komt doordat het vaak mogelijk is dat beide hemisferen dezelfde informatie ontvangen van verschillende bronnen (cross-cuing), ook zijn niet alle hersengebieden verbonden via het corpus callosum, dus deze kunnen gewoon met elkaar blijven communiceren. Opvallend is dat split-brainpatiënten vaak niet eens verbaasd zijn over de tegengestelde acties die hun twee hemisferen genereren, er wordt een logische, maar valse, verklaring gegeven voor hun gedrag. De linker hemisfeer functioneert hier als een soort taalcentrum dat de acties van de andere hemisfeer interpreteerd, logisch maakt (een verhaal) en in woorden vertaald.
Welke gebieden zijn betrokken bij taal?
Een groot gedeelte van de linker hemisfeer is op de één of andere manier bij taal betrokken. Beschadiging van deze gebieden leidt tot afasie (verlies van taalvermogen).
Het gebied van Broca ligt in de linker frontale kwab, vlak voor het motorgebied. Schade aan dit gebied heet afasie van Broca. Hierbij neemt het taalgebruik van de persoon een telegramstijl aan, de zinnen zijn kort en patiënten gebruiken meestal alleen werkwoorden en zelfstandig naamwoorden.Het lijkt er dus op dat het gebied van Broca betrokken is bij het vloeiend maken van taal. Mensen met afasie van Broca hebben ook moeite met het begrijpen van grammaticaal complexe zinnen.
Het gebied van Wernicke ligt in de linker temporale kwab. Beschadiging van dit gebied leidt tot afasie van Wernicke. Deze patiënten hebben moeite met het vinden van de juiste woorden om zich uit te drukken en ze hebben moeite met het begrijpen van de betekenis van woorden die ze horen. Afasie van Wernicke wordt ook wel vloeiende afasie genoemd omdat de patiënten wel vloeiend kunnen praten, maar wat ze zeggen heeft weinig betekenis.
Met behulp van neuro-imaging technologie is gebleken dat het zien van woorden leidt tot activiteit in de occipitale kwab, het horen van woorden levert activiteit van de temporale kwab op, het herhalen van woorden leidt tot activiteit in de primaire motorcortex en het genereren van woorden leidt tot activiteit in de frontale kwab (dus ook in het gebied van Broca) en in de temporale kwab (vlak achter het gebied van Wernicke).
Wanneer worden er nieuwe neuronen gevormd en wanneer sterven ze?
Een hersengebied dat gebruikt wordt groeit, een gebied dat niet gebruikt wordt sterft af. In de hersenen worden constant nieuwe neuronen aangemaakt, vooral in de hippocampus. De hoeveelheid neuronen in de hersenen die betrokken zijn bij een bepaalde vaardigheid wordt uitgebreid als deze vaardigheden worden getraind.
Long-term Potentiation (LTP) is een proces waarbij herhaalde activatie van synapsen resulteert in het sterker worden van deze synapsen. Heb was de eerste die stelde dat neuronen die tegelijkertijd vuren onderling sterker verbonden raken. LTP is betrokken bij leren, hiervoor is bewijs gevonden in verschillende experimenten. Bij LTP worden de axonterminals groter en komen er nieuwe receptoren op het post-synaptische membraan, soms groeien er zelfs nieuwe synapsen.
Hoe is het brein geëvolueerd?
Het brein verandert niet alleen gedurende de ontwikkeling, maar verandert ook over langere tijdsperioden in het algemeen. Wat aanzienlijk veranderd is gedurende de loop van de tijd is het volume van de associatieve gebieden van het brein in vergelijking met de sensorische en motorische gebieden. Zo neemt de associatiecortex enorm toe in vergelijking met deze gebieden.
Het meest prominente kenmerk van het menselijk brein is zijn grootte. In vergelijking met andere zoogdieren is het brein van mensen veel groter in verhouding tot het lichaam. Harry Johnson bedacht een formule voor het evalueren van de verwachte ratio tussen hersengewicht en lichaamsgewicht: de encephalization quotiënt (EQ). Dieren die hersenen hebben dat precies in verhouding staat met hun lichaamsgewicht hebben een EQ van 1.0. Dieren die kleinere hersenen hebben dan wat verwacht wordt gezien hun lichaamsgewicht hebben een EQ kleiner dan 1.0 en dieren met grotere hersenen dan wat verwacht wordt gezien hun lichaamsgewicht hebben een EQ groter dan 1.0. Mensen hebben een EQ van ongeveer 7.6. Het EQ is gedurende de evolutie enorm toegenomen
Bulletpoints
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit het ruggenmerg en de hersenen. De zenuwen buiten het ruggenmerg vormen het perifere zenuwstelsel. Een zenuw is een groep axonen van verschillende neuronen. Zenuwen zijn de verbindingen tussen het centrale zenuwstelsel en de zintuigen en spieren.
Er zijn drie verschillende soorten neuronen: sensorische neuronen geven informatie door van de zintuigen naar de hersenen, motorische neuronen geven signalen vanuit de hersenen naar de spieren en interneuronen vind je alleen in het centrale zenuwstelsel. Ze geven signalen van de ene neuron door aan de andere neuron.
De synaptische spleet is de spleet tussen een axonterminal en het cellichaam of de dendriet van het ontvangende neuron. Het zendend neuron bevat het presynaptische membraan en het ontvangende neuron het postsynaptische membraan. Als een actiepotentiaal de axonterminal bereikt geeft de terminal een chemische substantie (neurotransmitter) af, deze stof gaat de synaptische spleet in en beïnvloed het ontvangende neuron. Een excitatory synaps opent de transmitter de natriumkanalen waardoor er sneller een actiepotentiaal op het ontvangend neuron ontstaat. Bij een inhibitory synaps opent de transmitter kaliumkanalen waardoor de kans op een actiepotentiaal verminderd (hyperpolarisatie, extra negatief).
Er zijn twee aparte, maar samenwerkende hiërarchieën: de motorische controle hiërarchie is betrokken bij de controle van beweging en de sensorische perceptuele hiërarchie is betrokken bij informatieverwerking. De verwerking van de eerste hiërarchie is voornamelijk top-to-bottom, van de tweede met name van bottom-to-top.
Het bloed vervoert chemicaliën, zoals hormonen, die bijdragen aan gedrag en fysieke groei. Hormonen zijn chemische boodschappers, sommige hormonen worden afgescheiden door hormoonklieren (endocrine klieren) en andere door organen. Ze worden door het lichaam vervoerd naar het doelweefsel via het bloed. Hormonen beïnvloeden groei van lichaam structuren zoals botten en spieren, ze beïnvloeden het metabolisme en zo ook de energie. Deze twee factoren dragen bij aan hoe je je kunt gedragen. Daarnaast hebben ze ook functies in het brein waardoor ze driften en stemmingen beïnvloeden.
De hersenen zijn opgesplitst in twee hemisferen die onderling verbonden zijn door het corpus callosum, een dikke bundel axonen. Elke hemisfeer heeft dezelfde primaire sensorische en motorfuncties, alleen voor andere helften van het lichaam. Meestal is het zo dat de linker hemisfeer de rechter lichaamshelft controleert en andersom.
De linker hemisfeer is gespecialiseerd in taal, de rechter in non-verbale, visuospatiële informatie. In de jaren ’60 gingen Gazzaniga en collega’s mensen waarbij het corpus callosum was doorgesneden bestuderen. Het corpus callosum werd soms doorgesneden bij mensen met ernstige epilepsie om deze conditie te controleren, dit werd alleen gedaan als er geen enkele andere behandeling aansloeg. Hij toonde aan dat de twee hemisferen verschillende vermogens hebben.
Een groot gedeelte van de linker hemisfeer is op de één of andere manier bij taal betrokken. Beschadiging van deze gebieden leidt tot afasie (verlies van taalvermogen
Een hersengebied dat gebruikt wordt groeit, een gebied dat niet gebruikt wordt sterft af. In de hersenen worden constant nieuwe neuronen aangemaakt, vooral in de hippocampus. De hoeveelheid neuronen in de hersenen die betrokken zijn bij een bepaalde vaardigheid wordt uitgebreid als deze vaardigheden worden getraind.
Tentamentickets
- Parasympatisch = rest and digest
- Orthosympatisch = fight or flight