Hoofdstuk 14 - Wat is persoonlijkheid en hoe komt dit tot stand?

Persoonlijkheid is de algemene interactiestijl van een persoon met de wereld. Een eigenschap (trait) is een relatief stabiele neiging van een persoon om zich op een bepaalde manier te gedragen. Deze persoonlijkheidstrekken zijn deel van de persoon, al komt de uiting van die eigenschappen vaak voor in reactie op een situatie. Een stemming (state) is een emotionele of motivationele staat die net als een eigenschap gedefinieerd kan worden als een innerlijke entiteit waarover we conclusies kunnen trekken aan de hand van observeerbare gedragingen. Het verschil tussen een stemming en een eigenschap zit hem in de duur. Persoonlijkheidstrekken zijn relatief vaststaand, stemmingen zijn tijdelijk. Een eigenschap is wel een voorspeller van de waarschijnlijkheid waarmee een persoon in een bepaalde stemming zal zijn.

 

Wat zijn persoonlijkheidstrekken?

Er zijn verschillende theorieën over persoonlijkheidstrekken met allemaal hetzelfde doel, namelijk het specificeren van een overzichtelijk aantal persoonlijkheidsdimensies die gebruikt kunnen worden om de fundamentele psychologische verschillen tussen mensen te beschrijven. Hiervoor wordt een factoranalyse gebruikt. Dit is een methode voor het analyseren van correlaties om wiskundige factoren te kunnen identificeren. Als eerste wordt er data verzameld van een grote groep mensen waarna er correlatie tussen de scores worden uitgerekend. Deze correlaties worden weergeven in een matrix. Bij factor extractie worden factoren die erg overlappen onder een dimensie samengevoegd. Deze dimensies geef je een naam en meestal geven ze een bepaald persoonlijkheidstrek aan.

 

Wat is het 5-factor model van persoonlijkheid?

Catell was een van de eerste die een theorie opstelde over eigenschappen. Zijn theorie was het 5-factor model of the Big Five. De vijf factoren zijn extraversie-introversie, vriendelijkheid (agreeablenees-antagonism), nauwkeurigheid (conscientiousness-undirectedness), openheid voor ervaringen (openness to experience- non-openness) en emotionele stabiliteit (neuroticism-stability). Scores op deze dimensies zouden in staat zijn iemands persoonlijkheid duidelijk te omschrijven. Volgens de Big Five theorie bestaat elke factor uit zes facetten, ondergeschikte dimensies van die persoonlijkheidstrek. Er bestaan veel verschillende vragenlijsten om persoonlijkheidstrekken te meten. De NEO Personality Inventory is het meest gebruikt om de Big Five- persoonlijkheidstrekken te meten. Andere onderzoekers vinden dat er een zesde eigenschap toegevoegd moet worden, eerlijkheid-nederigheid (honesty-humility). Hier komt dan de HEXACO uit voort.

 

Wat zijn Grit en Dark Triad?

Angela Duckworth en collega's vonden een nieuwe persoonlijkheidstrek die onafhankelijk was van IQ, maar wel voorspellend was voor succes op verschillende gebieden. Deze eigenschap wordt grit genoemd en kan ook wel omschreven worden als doorzettingsvermogen en passie voor goals op lange termijn. Grit is het hard werken voor je goal, je goal niet veranderen ook al zijn er tegenslagen. Duckworth ontwikkelde een 8-item schaal om de twee factoren van grit te meten, perseverance of effort en consistency of interest.

De dark triad is een trio van sociaal aversieve eigenschappen bestaand uit:

  • narcisisme: groot egoïsme, een behoefte aan erkennig en bewondering.
  • machiavellisme: hierin manipuleert de persoon anderen vaak door bedrog.
  • psychopathie: amoreel en antisociaal gedrag gepaard met gebrek aan empathie en moeite met het vormen van persoonlijke relaties.

Als mensen hoog scoren op de dark triad test, hebben ze vaak wat voordeel van hun antisociale gedrag in sommige situaties.

 

Wat is de relatie tussen de persoonlijkheids testen en het gedrag van mensen?

Hoe valide zijn deze persoonlijkheidstesten nou? De testen zijn valide in de zin dat de scores voor een bepaalde eigenschap correleren met het gedrag van de persoon in de echte wereld. Verschillen in persoonlijkheidstrekken beschrijven de psychologische verschillen, maar verklaren ze niet. Uit onderzoek is gebleken dat persoonlijkheid redelijk stabiel blijft tijdens de volwassenheid. Hoewel de persoonlijkheid niet verandert, gaat het ouder worden vaak wel gepaard met verhoogde vriendelijkheid en nauwkeurigheid en een vermindering op neuroticisme en openheid voor ervaringen. Hoewel persoonlijkheid vrij stabiel is, is uit onderzoek gebleken dat het op zeker hoogte nog wel kan veranderen ongeacht de leeftijd van een persoon. Deze veranderingen gaan meestal gepaard met grote veranderingen in iemands leven.

 

Zijn persoonlijkheidstrekken ook genetisch aangelegd?

Persoonlijkheidstrekken zijn in ieder geval deels genetisch bepaald. Uit verschillende onderzoeken is naar voren gekomen dat de erfelijkheidscoëfficiënt ongeveer .50 is voor de persoonlijkheidstrekken. De effecten van de familie op de persoonlijkheid van het kind zijn verwaarloosbaar. Broertjes en zusjes die in hetzelfde gezin opgroeien hebben dus niet meer overeenkomsten in hun persoonlijkheid dan wanneer ze in verschillende families opgroeien. Er wordt gedacht dat genen de persoonlijkheid beïnvloeden door invloed uit te oefenen op de neurotransmitters in de hersenen. Recentelijk zijn er kleine, maar significante correlaties gevonden tussen specifieke persoonlijkheidstrekken en specifieke genen.

 

Helpt persoonlijkheid bij aanpassing aan leefcondities?

Er zijn twee manieren waarop psychologen persoonlijkheidsverschillen proberen te verklaren, namelijk door proximate verklaringen en door ultimate verklaringen. Proximate verklaringen richten zich op manieren waarop verschillende genen en ervaringen ons verschillend maken. Ultimate verklaringen richten zich op de functies en de waarde voor de overleving van deze verschillen. Het feit dat we op dit punt in de evolutie nog steeds van elkaar verschillen duidt er op dat er evolutionaire voordelen zijn van deze verschillen. Door verschillen is de kans kleiner dat de genen van een individu geheel uitsterven als zijn nakomelingen genetisch van elkaar verschillen. De genetische verschillen kunnen namelijk het ene individu in staat stellen zich aan te passen aan nieuwe situaties en het andere individu niet.

Als individuele verschillen in persoonlijkheid voordelig zijn voor het overleven zouden we kunnen verwachten dat we deze door het gehele dierenrijk te vinden zijn. Het blijkt dat de persoonlijkheidstrekken ‘extraversie, neuroticisme en vriendelijkheid geïdentificeerd kunnen worden bij diverse soorten, maar dat nauwkeurigheid alleen geïdentificeerd kan worden bij chimpansees en mensen.

 

Wat is de invloed van de sociale omgeving op persoonlijkheid?

Buss heeft correlaties gevonden tussen de scores op de Big Five en de strategie die iemand gebruikt bij het zoeken naar een partner. Vanuit evolutionair oogpunt kun je de persoonlijkheid zien als algemene strategieën voor het oplossen van problemen rond het overleven en voortplanten. De eerste sociale omgeving waaraan een mens zich moet leren aanpassen is de familie. Veel persoonlijkheidspsychologen hebben dan ook de nadruk gelegd op de vroege familieomgeving en de invloed hiervan op de ontwikkeling van iemands persoonlijkheid. Andere psychologen stellen dat deze invloed niet zo groot is als dat er in het verleden wel gedacht werd. Kinderen die in dezelfde omgeving opgroeien, kunnen deze omgeving heel verschillend waarnemen en verschillend ervaren, hierdoor zouden broertjes en zusjes die in hetzelfde gezin opgroeien van elkaar kunnen verschillen. Ook bepaalde gebeurtenissen kunnen er voor zorgen dat de persoonlijkheden van familieleden zich verschillend ontwikkelen, net als de keuzes die ze maken.

De nadruk die binnen de familie wordt gelegd op de verschillen tussen broertjes en zusjes noemen we sibling contrast. Tevens bestaat er een split-ouder identificatie, dat wil zeggen dat de verschillende kinderen in het gezin zich meer identificeren met een van beide ouders. Schachter stelt dat zowel split-ouder-identificatie als het sibling contrast mechanismen zijn om rivaliteit tussen broers en zussen te verkleinen. Dergelijke rivaliteit kan het functioneren van het gezin namelijk behoorlijk verstoren. Vanuit een evolutionair oogpunt kun je ook stellen dat het overleving promoot door variëren van ouderlijke investering. Beide fenomenen zijn sterker als de kinderen van dezelfde sekse zijn en als ze opeenvolgend in het gezin gekomen zijn (dus sterker tussen het oudste en het op een na oudste kind dan tussen het oudste kind en het derde kind). Ook zijn de fenomenen sterker wanneer de kinderen weinig in leeftijd verschillen.

Kinderen moeten zich ook leren aanpassen aan hun gender. Een deel van de gender is waarin we onze plaats moeten vinden en wordt bepaald door biologische verschillen tussen mannen en vrouwen. De rest van de verschillen zijn sociaal bepaald, er zijn culturele verschillen in mannelijke en vrouwelijke rollen. Vrouwen scoren vaak hoger op vriendelijkheid, neuroticisme en nauwkeurigheid. Op de andere factoren zitten de verschillen meer op facetten binnen deze factoren dan in scores op de factoren als geheel. Gender beïnvloedt ook de relatie tussen persoonlijkheid en tevredenheid met het leven. Persoonlijkheidstrekken die ingaan tegen de stereotypes kunnen emotionele kosten hebben.

Bepaalde verschillen tussen mannen en vrouwen zijn universeel en bestaan al generaties lang. Het is dus logisch dat hiervoor een evolutionaire verklaring gezocht kan worden. Deze verklaring kan zijn dat mannen en vrouwen verschillende uitdagingen hebben voor de voortplanting en dat deze uitdagingen beter op te lossen zijn met bepaalde persoonlijkheidstrekken en dat deze hierdoor dan ook zijn ontstaan. Het is duidelijk te zien dat mannen en vrouwen meestal verschillend reageren op stressvolle situaties: mannen worden agressiever, vrouwen worden meer zorgend. Taylor stelt dat verschillen in hormoonproductie tussen de genders ook bijdragen aan de verschillen in persoonlijkheid. Cultureel psychologen leggen juist de nadruk op de invloed die de cultuur waarin iemand opgroeit heeft op genderverschillen in de persoonlijkheid. Sommige genderverschillen in persoonlijkheid zijn veranderd over de loop van de tijd om pas te houden met de veranderende sociale rollen en verwachtingen. Dit levert bewijs voor de culturele verklaring. Zowel de culturele verklaring als de evolutionaire verklaring op zichzelf zijn niet compleet en vullen elkaar aan.

 

Wat kunnen we leren van Freud?

Sigmund Freud is een grondlegger van de klinische psychologie en een grondlegger van de klinische benadering van persoonlijkheid. Freud stelde dat oorzaken van gedrag gevonden konden worden in het onbewuste.

Freuds psychoanalyse was de eerste theorie van de stroming die we tegenwoordig psychodynamische theorieën noemen. Twee aannames van de huidige psychodynamische theorieën zijn: mensen zijn zich vaak onbewust van hun motieven en mensen hebben verdedigingsmechanismen die onacceptabele en beangstigende gedachten en motieven buiten het bewustzijn houden. Volgens psychodynamische theorieën liggen verschillen in persoonlijkheid in de variaties van de onbewuste motieven van mensen, en in de manier waarop mensen zichzelf tegen angst beschermen. Om een cliënt te kunnen helpen was het nodig dat Freud inzicht kreeg in het onbewuste van een cliënt. Freud stelde dat hij dit kon doen door bepaalde aspecten van hun spraak en andere gedragingen te analyseren. Uit al deze aanwijzingen trok hij vervolgens conclusies over de onbewuste oorzaken van iemands bewuste gedachten en gedragingen. Uitgaande van het idee dat de bewuste mind logisch werkt, ging Freud ervan uit dat de minst logische dingen aanwijzingen boden voor het onderbewustzijn.

Freud zag verschillende soorten drang als fysieke energie die zich opbouwt en op de een of andere manier vrijgelaten moet worden. Volgens Freud moesten met name de drang tot agressie en de drang naar seksualiteit onderdrukt worden en zich op indirecte manieren uiten. Persoonlijkheidsverschillen worden dan ook gezien als verschillen tussen mensen in de manier waarop ze proberen deze soorten drang te verbergen en te kanaliseren. De drang naar seksualiteit is volgens Freud de voornaamste plezier zoekende en leven zoekende drang, terwijl de drang naar agressie achter alle destructieve gedragingen schuil gaat.

Adler stelde een psychodynamische theorie op die draait om de drang van een individu om zich competent te voelen. Volgens hem kunnen mensen die overweldigd worden door een gevoel van inferioriteit een inferioriteit complex ontwikkelen en door het leven gaan door te doen alsof zij incompetent en afhankelijk zijn (een superioriteit complex) en door het leven gaan om te proberen alsof zij moeten bewijzen beter te zijn dan anderen. Op deze manier zouden zij hun inferioriteit proberen te maskeren.

Misschien wel de meest ‘sociale’ van de volgers van Freud was Erik Erikson die de psychosociale theorie van ontwikkeling opstelde. Erikson geloofde in de psychoseksuele fasen die opgesteld waren door Freud en ook in zijn drie-componenten structuur van de geest. Tevens geloofde hij in het onderbewustzijn. Hij verschilde echter van Freud in de belang dat hij hechtte aan de rol van de maatschappij in het vormen van persoonlijkheid. Zo geloofde hij dat kinderen belangrijke mijlpalen moeten bereiken om zich als volwassene te kunnen ontwikkelen. Hij stelde acht fasen voor van psychosociale ontwikkeling:

  1. basaal vertrouwen vs. wantrouwen (geboorte tot 1 jaar)

  2. autonomie vs. schaamte en twijfel (1-3 jaar)

  3. initiatief vs. spijt (3-6 jaar)

  4. industrie vs. inferioriteit (6 jaar tot puberteit)

  5. identiteit vs. identiteit verwarring (12-18 jaar)

  6. intimiteit vs. isolatie (jong volwassenheid)

  7. generatief vs. stagnatie (midden volwassenheid)

  8. integriteit vs. wanhoop (latere volwassenheid).

 

Wat zijn verdedigingsmechanismen?

Verdedigingsmechanismen zijn mentale processen die bedoeld zijn om het individu zelf te misleiden. Anna Freud, de dochter van Sigmund Freud was de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de theorie van verdedigingsmechanismen. Verplaatsing (displacement) is wanneer een onbewuste wens of drang die niet door de bewuste mind geaccepteerd zal worden in een andere, meer acceptabele richting wordt geduwd. Sublimatie is een vorm van verplaatsing waarbij de energie (de drang) gericht wordt op activiteiten die door de maatschappij sterk gewaardeerd worden. Bij projectie ervaart iemand bewust een onbewuste drang of wens, maar niet als van zichzelf, maar als van een ander. Onderdrukking (repression) is een mechanisme dat angstopwekkende gedachten buiten de bewuste mind houdt. Rationalisatie is het gebruik van bewuste redenering om angstopwekkende gedachten of gevoelens weg te redeneren. Reactie formatie is het omzetten van een beangstigende wens in een veiliger tegenovergestelde wens.

Het idee van de psychologische verdedigingsmechanismen is vandaag de dag een van de meest geaccepteerde ideeën van Freud. Uit onderzoek is dan ook gebleken dat een aantal van de verdedigingsmechanismen die Anna en Sigmund Freud voorstelden, daadwerkelijk bestaan en dat aan het bestaan van andere mechanismen wordt getwijfeld. Veel modern onderzoek naar verdedigingsmechanismen richt zich op individuele verschillen in verdedigingsstijlen. Het meest volledig onderzochte verdedigingsmechanisme is repressive coping.

Freuds theorie van onderdrukking (repression) was gericht op het idee dat mensen vaak herinneringen van traumatische of extreem verontrustende gebeurtenissen zo hevig onderdrukken, dat ze enkel via psychotherapie weer naar boven kunnen komen. Er zijn veel verhalen bekend van mensen waarbij tijdens psychotherapie onderdrukte traumatische ervaringen bovenkwamen. Maar zolang dit trauma niet door derden kan worden bevestigd blijft het gissen of de traumatische herinneringen echt zijn of dat ze in de therapie gecreëerd zijn. Uit onderzoek blijkt tevens dat mensen van wie bewezen is dat ze een traumatische ervaring hebben meegemaakt, deze ervaring graag zouden willen vergeten, maar dit niet kunnen.

Vergeten van traumatische herinneringen is net als het vergeten van andere herinneringen. Je vergeet traumatische herinneringen sneller als ze voor het zevende levensjaar plaatsgevonden hebben en je vergeet ze sneller als je er nauwelijks bewust aan denkt. Of onderdrukking van traumatische ervaringen wel of niet bestaat blijft een punt van discussie. Wel is er behoorlijk wat bewijs gevonden voor het bestaan van onderdrukking van emotionele gevoelens die gepaard gaan met vervelende gebeurtenissen. Uit onderzoek is gebleken dat er mensen zijn die zich werkelijk onbewust zijn van hun eigen negatieve emoties. Deze mensen noemen ze onderdrukkers (repressors). Het idee is dat deze mensen stress ervaren als iets fysieks in plaats van als een bewuste emotie.

Vaillant deelt de verschillende verdedigingsmechanismen in drie categorieën in. De eerste categorie wordt gevormd door de onvolwassen verdedigingen. Deze vertekenen de werkelijkheid het meest en leiden tot het minst effectieve gedrag, zoals projectie. Intermediaire verdedigingen (neurotische verdedigingen) leiden tot wat effectievere coping en leiden tot minder vertekening van de werkelijkheid, hieronder valt onder andere reactie formatie. Volwassen verdedigingen leiden tot de minste vertekening en het meest aangepaste gedrag. Hieronder valt bijvoorbeeld suppressie, het bewust vermijden van negatief denken. Uit enkele longitudinale onderzoeken trok Vailliant de conclusie dat volwassen verdedigingsmechanismen vaak gepaard gaan met succesvolle aanpassing. Naarmate iemand ouder wordt gaat hij steeds meer gebruik maken van volwassen verdedigingsmechanismen en minder van intermediaire en onvolwassen verdedigingen.

 

Welke humanistische theorieën bestaan er?

De humanistische theorieën ontstonden deels als reactie op de toen dominante psychodynamische theorieën. Humanistische theorieën gaan ervan uit dat mensen in staat zijn om zichzelf bewust te begrijpen en te begrijpen dat ze zelf de capaciteit hebben om hun eigen pad te kiezen. Fenomenologie is de studie van bewuste waarnemingen. Fenomenologische realiteit in humanistische theorieën verwijst naar het bewuste begrip dat iemand heeft van zijn of haar omgeving. Carl Rogers is een van de kopstukken van de humanistische stroming. Hij stelde de zelf-theorie op door het besef dat het zelfconcept een cruciaal onderdeel is van iemands fenomenologische realiteit.

Een belangrijke dimensie van individuele verschillen is volgens Rogers de mate waarin iemand het gevoel heeft zijn of haar eigen leven onder controle te hebben. Als je een beslissing ziet als die van jezelf, is de kans ook veel groter dat je door zet. Bovendien voelen mensen die hun eigen verlangens volgen zich gelukkiger en productiever dan mensen die aan de sociale druk toegeven om iets te doen. Zelfactualisatie is het proces van het worden van iemands volledige zelf en het realiseren van je eigen dromen en vermogens. Niet iedereen volgt dezelfde weg naar zelfactualisatie, maar voor iedereen geldt dat het uit jezelf moet komen.

Maslow is een ander kopstuk uit de humanistische stroming. Hij stelde een hiërarchie op van menselijke behoeften. Voordat je je kunt richten op de behoeften van een volgend niveau moeten eerst de behoeften van een lager niveau tot een bepaald niveau vervuld zijn. Van onder naar boven zijn de vijf verschillende niveaus: fysiologische behoeften (eten en drinken), veiligheidsbehoeften (veilige plek om te slapen), behoefte aan liefde en om ergens toe te behoren, esteem-behoeften (zelfrespect en respect van anderen) en als hoogste niveau de behoefte aan zelfactualisatie. Deze hiërarchie is logisch als je vanuit evolutionair oogpunt kijkt.

 

Welke sociaal cognitieve theorieën bestaan er?

Sociaal cognitieve theorieën van persoonlijkheid maken gebruik van kennis uit de praktijk en kennis vanuit onderzoek. Sociaal cognitieve theorieën leggen de nadruk op de door eigen sociale ervaring verworven overtuigingen en gewoontes van denken. Rotter stelde dat iemands gedrag niet alleen afhangt van de objectieve relatie tussen hun gedrag en de beloning, maar ook van de subjectieve overtuigingen over die relatie die het individu erop na houdt. De mate waarin we controle hebben over beloningen is niet altijd even duidelijk. Rotter stelt dat mensen een gegeneraliseerde neiging (persoonlijkheidstrek) ontwikkelen door eerdere ervaring. Sociaal cognitieve theoretici stellen dat je niet alleen de persoonlijkheidstrekken van iemand moet weten, maar ook moet weten in welke context deze trekken zich normaal gesproken het meest uiten. Mischel stelt dat dezelfde persoonlijkheidstrek zich in verschillende situaties heel anders kan uiten.

Locus van controle is de overtuiging dat beloning wel of niet door de eigen inspanningen wordt gecontroleerd. Mensen die geloven dat ze zelf invloed uitoefenen op de beloning hebben een interne locus van controle, mensen die geloven dat ze zelf geen enkele invloed hebben op de beloning hebben een externe locus van controle. In onderzoek zijn er correlaties gevonden tussen de scores op de locus van controle schaal van Rotter en werkelijk gedrag. Mensen met een interne locus van controle werken vaak hard om hun eigen leven te bepalen, terwijl iemand met een externe locus van controle dat niet doet.

Bandura kwam met de term self-efficacy. Deze term verwijst naar het geloof dat mensen hebben in hun eigen capaciteiten voor het volbrengen van specifieke taken. Bij hoge self-efficacy geloven mensen dat ze de taak kunnen uitvoeren. Bij lage self-efficacy geloven mensen dat ze het niet kunnen. Hoge self-efficacy gaat vaak, maar niet altijd, samen met een interne locus van controle. In verschillende onderzoeken is aangetoond dat het verhogen van de self-efficacy leidt tot betere prestaties op de taak.

Een andere overtuigingsdimensie die door sociaal cognitieve theoretici wordt onderzocht, omvat de mate van kneedbaarheid van iemands eigen persoonlijke kwaliteiten. Sommige mensen zien zichzelf als redelijk vaste (fixed) entiteit. Dat wil zeggen dat ze geloven dat ze een zekere mate van intelligentie, een bepaald niveau van atletische vaardigheden, en redelijk onveranderlijke persoonlijkheidskenmerken hebben. Tegenover deze vaste entiteiten staan mensen die een relatief kneedbare visie van zichzelf hebben. Zij zien zichzelf op ieder moment als veranderlijk, in ontwikkeling en verbeterend. Hun intelligentie is niet vastgelegd, maar is iets dat kan groeien of verminderen, afhankelijk van hun eigen inspanning of gebrek aan inspanning. Hun persoonlijkheidskenmerken zijn kneedbaar en niet al bepaald. Dweck heeft ontdekt dat mensen die zichzelf als kneedbaar zien, meer kans hebben om te streven naar zelfverbetering op alle gebieden dan degenen die zichzelf meer als vaste entiteiten zien.

Mensen die een positieve en optimistische manier van denken hebben zijn vaak beter in staat om met de stress van het leven om te gaan. Waarschijnlijk komt dat omdat deze mensen hun energie richten op het oplossen van hun problemen, terwijl pessimisten dat niet doen omdat ze geloven dat het toch geen zin heeft. Misschien wel de meest optimistische wezens op de planeet zijn jonge kinderen. Zo beschrijven zij zichzelf vaak als de slimste, meest populaire en meest aantrekkelijke van de hele klas. De neiging van kinderen om hun bekwaamheden en kenmerken te overschatten vergroot hun zelfvertrouwen en geeft hen het vertrouwen om dingen te proberen die zij anders nooit zouden doen. Optimisme kan echter ook gevaarlijk zijn, omdat het ervoor zorgt dat mensen het gevaar van dingen niet inzien. Ook zorgt het ervoor dat mensen hun eigen tekortkomingen niet zien en er dus ook niet aan kunnen werken. Dit soort optimisme noemen we defensief optimisme. Pessimisme is niet alleen negatief, maar kan ook adaptief werken. Een bekend voorbeeld zijn studenten die het in het verleden goed gedaan hebben en er toch elke keer weer vanuit gaan dat ze de volgende toets niet gaan halen en daardoor heel hard gaan werken om te voorkomen dat ze het echt niet halen. Op de lange termijn zijn mensen met een adaptief optimisme beter af dan mensen met een adaptief pessimisme.

 

Is er sprake van crossculturele verschillen met betrekking tot persoonlijkheid?

Als we de persoonlijkheid bekijken vanuit sociaal cognitief oogpunt, dan zou je verwachten dat mensen die in verschillende culturen opgroeien verschillende persoonlijkheden hebben. Allocentrisme is de manier van denken en gedragen van collectivistische culturen. Het is gericht op persoonlijke relaties en het promoten van de interesses van de groep waartoe het individu behoort. Ideocentrisme is de manier van denken en doen in individualistische culturen. Het is gericht op de eigen interesses en vermogens. Allocentrisme-ideocentrisme kun je zien als een persoonlijkheidsdimensie. In verschillende culturen wordt de significantie van persoonlijkheid verschillend beoordeeld. Ook verschillen culturen in welke persoonlijkheidstrekken zij waarderen. Mensen uit Oost-Aziatische culturen hechten minder waarde aan persoonlijkheid en ook gebruiken zij heel andere termen om persoonlijkheidstrekken te omschrijven.

 

Bulletpoints

  • Catell was een van de eerste die een theorie opstelde over eigenschappen. Zijn theorie was het 5-factor model of the Big Five. De vijf factoren zijn extraversie-introversie, vriendelijkheid (agreeablenees-antagonism), nauwkeurigheid (conscientiousness-undirectedness), openheid voor ervaringen (openness to experience- non-openness) en emotionele stabiliteit (neuroticism-stability). Scores op deze dimensies zouden in staat zijn iemands persoonlijkheid duidelijk te omschrijven. Volgens de Big Five theorie bestaat elke factor uit zes facetten, ondergeschikte dimensies van die persoonlijkheidstrek. Er bestaan veel verschillende vragenlijsten om persoonlijkheidstrekken te meten. De NEO Personality Inventory is het meest gebruikt om de Big Five- persoonlijkheidstrekken te meten. Andere onderzoekers vinden dat er een zesde eigenschap toegevoegd moet worden, eerlijkheid-nederigheid (honesty-humility). Hier komt dan de HEXACO uit voort.

  • Buss heeft correlaties gevonden tussen de scores op de Big Five en de strategie die iemand gebruikt bij het zoeken naar een partner. Vanuit evolutionair oogpunt kun je de persoonlijkheid zien als algemene strategieën voor het oplossen van problemen rond het overleven en voortplanten. De eerste sociale omgeving waaraan een mens zich moet leren aanpassen is de familie. Veel persoonlijkheidspsychologen hebben dan ook de nadruk gelegd op de vroege familieomgeving en de invloed hiervan op de ontwikkeling van iemands persoonlijkheid. Andere psychologen stellen dat deze invloed niet zo groot is als dat er in het verleden wel gedacht werd. Kinderen die in dezelfde omgeving opgroeien, kunnen deze omgeving heel verschillend waarnemen en verschillend ervaren, hierdoor zouden broertjes en zusjes die in hetzelfde gezin opgroeien van elkaar kunnen verschillen. Ook bepaalde gebeurtenissen kunnen er voor zorgen dat de persoonlijkheden van familieleden zich verschillend ontwikkelen, net als de keuzes die ze maken.

  • Freuds psychoanalyse was de eerste theorie van de stroming die we tegenwoordig psychodynamische theorieën noemen. Twee aannames van de huidige psychodynamische theorieën zijn: mensen zijn zich vaak onbewust van hun motieven en mensen hebben verdedigingsmechanismen die onacceptabele en beangstigende gedachten en motieven buiten het bewustzijn houden. Volgens psychodynamische theorieën liggen verschillen in persoonlijkheid in de variaties van de onbewuste motieven van mensen, en in de manier waarop mensen zichzelf tegen angst beschermen. Om een cliënt te kunnen helpen was het nodig dat Freud inzicht kreeg in het onbewuste van een cliënt. Freud stelde dat hij dit kon doen door bepaalde aspecten van hun spraak en andere gedragingen te analyseren. Uit al deze aanwijzingen trok hij vervolgens conclusies over de onbewuste oorzaken van iemands bewuste gedachten en gedragingen. Uitgaande van het idee dat de bewuste mind logisch werkt, ging Freud ervan uit dat de minst logische dingen aanwijzingen boden voor het onderbewustzijn.

  • Verdedigingsmechanismen zijn mentale processen die bedoeld zijn om het individu zelf te misleiden. Anna Freud, de dochter van Sigmund Freud was de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de theorie van verdedigingsmechanismen. Verplaatsing (displacement) is wanneer een onbewuste wens of drang die niet door de bewuste mind geaccepteerd zal worden in een andere, meer acceptabele richting wordt geduwd. Sublimatie is een vorm van verplaatsing waarbij de energie (de drang) gericht wordt op activiteiten die door de maatschappij sterk gewaardeerd worden. Bij projectie ervaart iemand bewust een onbewuste drang of wens, maar niet als van zichzelf, maar als van een ander. Onderdrukking (repression) is een mechanisme dat angstopwekkende gedachten buiten de bewuste mind houdt. Rationalisatie is het gebruik van bewuste redenering om angstopwekkende gedachten of gevoelens weg te redeneren. Reactie formatie is het omzetten van een beangstigende wens in een veiliger tegenovergestelde wens.

  • Sociaal cognitieve theorieën van persoonlijkheid maken gebruik van kennis uit de praktijk en kennis vanuit onderzoek. Sociaal cognitieve theorieën leggen de nadruk op de door eigen sociale ervaring verworven overtuigingen en gewoontes van denken. Rotter stelde dat iemands gedrag niet alleen afhangt van de objectieve relatie tussen hun gedrag en de beloning, maar ook van de subjectieve overtuigingen over die relatie die het individu erop na houdt. De mate waarin we controle hebben over beloningen is niet altijd even duidelijk. Rotter stelt dat mensen een gegeneraliseerde neiging (persoonlijkheidstrek) ontwikkelen door eerdere ervaring. Sociaal cognitieve theoretici stellen dat je niet alleen de persoonlijkheidstrekken van iemand moet weten, maar ook moet weten in welke context deze trekken zich normaal gesproken het meest uiten. Mischel stelt dat dezelfde persoonlijkheidstrek zich in verschillende situaties heel anders kan uiten.

 

Tentamentickets

  • Zoals je merkt (en nog gaat merken in de volgende hoofdstukken) komt freud en zijn ideeën vaak terug.
  • The big five wordt ook vaker aangehaald in de psychologie. Veel andere theoriën zijn hier ook van afgeleid

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: NaomiW (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
4093
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector