Sociale psychologie houdt zich bezig met vragen over hoe mensen elkaar zien en hoe mensen elkaar beïnvloeden. Persoonsperceptie is hoe mensen elkaar en zichzelf zien en begrijpen. Attitudes zijn de evaluatieve overtuigingen die mensen hebben over hun sociale wereld.
Hoe vormen wij een impressie van anderen?
Heider noemt alle mensen naïeve psychologen omdat we (bijna) allemaal van nature geïnteresseerd zijn in de persoonlijkheid en attitudes van anderen, het wordt ook wel folk psychology genoemd. Attributies zijn claims die wij maken over de oorzaak van iemands gedrag. Het gedrag is observeerbaar, de gedachten niet. Met het bedrijven van folk psychologie komen ook verschillende biases kijken.
De persoon bias is de neiging om te veel de nadruk te leggen op de persoonlijkheid en te weinig op de omgevingsfactoren. Er kwam zoveel bewijs voor het bestaan van de persoonsbias dat Ross het de fundamentele attributiefout noemde. Het lijkt er op dat de persoonsbias veel vaker voorkomt in westerse culturen.
De aantrekkelijkheidsbias stelt dat we fysiek aantrekkelijke mensen vaak positiever beoordelen. Beoordelingen over persoonlijkheid kunnen invloed hebben op de beoordeling over iemands uiterlijk. Vriendelijke mensen beoordelen we vaak als aantrekkelijker. Ook de aantrekkelijkheidsbias lijkt vooral voor te komen in de westerse culturen. Is er echter bewijs dat aantrekkelijke mensen werkelijk intelligenter zijn dan minder aantrekkelijke mensen? Zebrowitz en collega’s verzamelden foto’s en IQ-scores van mensen die geboren waren tussen 1920 en 1929 die mee hadden gedaan in drie longitudinale studies. Een jury werd gevraagd om de aantrekkelijkheid en intelligentie te voorspellen van deze mensen op basis van hun foto’s. De foto’s waren op verschillende momenten in het leven genomen (bijvoorbeeld kindertijd, adolescentie en volwassenheid). De correlaties tussen waargenomen aantrekkelijkheid en IQ-scores was aardig hoog en gelijk voor alle leeftijden.
De baby-face bias houdt in dat mensen met een babyface gezien worden als vriendelijk, hulpeloos, eerlijk en naïef. Vrouwen hebben over het algemeen meer een babyface dan mannen en worden dan ook sneller beoordeeld als vriendelijk, minder dominant en emotioneler. Mensen reageren instinctief beschermend en zorgend op kinderlijke gezichtstrekken. Een mogelijk evolutionair gevolg van de baby-face bias is de manier waarop mensen angst en woede uiten. Onderzoekers hebben gevonden dat de gezichtsuitdrukking van angst de neiging heeft de babyachtige kenmerken van het gezicht te versterken. De gezichtsuitdrukking van woede daarentegen, lijkt deze kenmerken te verminderen. Een belangrijke functie van de menselijke uitdrukking van angst is de behoefte aan bescherming en positieve benadering van anderen uit te stralen.
Hoe wij impressies vormen van mensen op het internet verschilt van hoe we dat face-to-face doen. Veel mensen zijn vaak opener tegen mensen die ze online leren kennen en vinden mensen die ze eerst online hebben leren kennen aardiger dan mensen die ze meteen in persoon hebben leren kennen, tenminste als het gaat om kennismakingsbijeenkomsten. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt doordat mensen openhartiger zijn in een online kennismaking. Bovendien voorkomt een online kennismaking dat we een bias vormen op basis van uiterlijk. Mensen kunnen niet alleen hun ‘werkelijke’ zelf laten zien op het internet, maar zij kunnen tevens nieuwe identiteiten ‘uitproberen’. Dit gebeurt met name gedurende de adolescentie, genaamd ‘identiteitsexperimenten’.
Wat is zelfbewustzijn?
Zelfbewustzijn is een uniek kenmerk van de mens. Na ongeveer 18 maanden beginnen kinderen zichzelf te herkennen in de spiegel, daarvoor zien ze eigenlijk een vreemde. Het zelfconcept is een sociaal product, om je bewust te zijn van jezelf, zul je je ook bewust moeten zijn van anderen. Het zelfbewustzijn van mensen gaat verder dan de zelfherkenning die ook sommige dieren hebben. Mensen zijn zich niet alleen bewust van hun eigen uiterlijke verschijning, maar ook van hun eigen gevoelens, karakter en gedachten.
Cooley kwam met de term spiegelzelf (looking glass self). Hierbij bedoelt hij de spiegel van de reacties van anderen op ons. We trekken conclusies over wat anderen van ons denken op basis van hun reacties op ons. Deze conclusies gebruiken we vervolgens om een zelfconcept op te bouwen.
Een self-fulfilling prophecy is dat de verwachtingen van anderen onbewust een effect kunnen hebben op jouw gedrag waardoor hun verwachting bevestigd wordt. Dit wordt ook wel het Pygmalion-effect genoemd. De film My Fair Lady is een heel duidelijk voorbeeld van een Pygmalion-effect. De self-fulfilling prophecy is ook de reden waarom veel kinderen in achterstandswijken vervallen in patronen van criminaliteit, prostitutie en geweld: als anderen verwachten dat er toch niets van je terecht gaat komen, komt er vaak ook niets van je terecht. Omgekeerd werkt het ook: als mensen grote verwachtingen van je hebben ga je er zelf ook in geloven en is de kans dus groter dat je grootse prestaties levert. Zo gaat het met veel eigenschappen en vaardigheden, als jou steeds verteld wordt dat je heel nauwkeurig werkt, ga je nauwkeuriger werken. Dit werkt vooral bij jonge kinderen en mensen die nog geen duidelijk zelfconcept ontwikkeld hebben.
Wat is de functie van zelfwaarde?
Zelfvertrouwen is het gevoel van goedkeuring, acceptatie en waarderen van jezelf. Leary stelt dat self-esteem voortkomt uit zelfbeoordeling, die ontstaat door de indrukken die iemand heeft over de attitudes die anderen over hem of haar hebben. Dit wordt ook wel de sociometertheorie genoemd. De sociometertheorie is bedoeld om een evolutionaire verklaring te geven voor de functie van zelfvertrouwen: voor onze overleving is het belangrijk dat anderen ons accepteren en bereid zijn om met ons samen te werken. Een zelfbeeld dat heel erg verschilt van hoe anderen ons zien kan dan ook schadelijk werken. De evolutionaire functie van zelfvertrouwen volgens de sociometertheorie is het motiveren tot gedragingen die ervoor zorgen dat anderen ons accepteren.
We accepteren niet zomaar het beeld dat een ander over ons heeft, nee we proberen dat beeld actief te beïnvloeden. Sociale vergelijking is het proces waarin we onszelf vergelijken met anderen om onze vermogens en unieke kenmerken te identificeren en te evalueren. Mensen identificeren zichzelf vaak in termen van wat hen anders maakt dan andere. Sociale vergelijking is afhankelijk van de referentiegroep, als je met veel oudere mensen bent zie je jezelf als jong en omgekeerd als oud. De invloed van de referentiegroep is ook terug te zien in de big-fish-in-small-pond effect: academisch capabele studenten op niet-selectieve scholen hebben over het algemeen een hogere academische zelfconcepten dan gelijkwaardige academisch capabele studenten op erg selectieve scholen.
Mensen hebben vaak de neiging zichzelf te overschatten en als bovengemiddeld te zien. Deze bias komt vooral terug in de westerse cultuur. Hoewel het belangrijk is dat we een realistisch beeld hebben van onszelf, voelt het beter om heel positief over jezelf te denken (positieve illusie bias). Dit wordt deels behouden omdat we ons succes toeschrijven aan onze unieke kenmerken (interne factoren) en ons falen toeschrijven aan de situatie (externe factoren). Dit noemen we ook wel de self-serving attributiebias. Deze bias verklaart ook dat mensen die een serieuze fout maken meestal de situatie de schuld geven of een ander die er mee te maken heeft. Over het algemeen krijgen mensen meer positieve dingen over zichzelf te horen dan negatieve dingen. We creëren een positief gebiased zelfbeeld in de mate waarin we geloven in de positieve uitingen van anderen over ons.
Onderzoek heeft aangetoond dat mensen over het algemeen een beter lange termijn geheugen voor positieve gebeurtenissen en successen in hun leven hebben dan voor negatieve gebeurtenissen en mislukkingen. Dit vergroot het positieve beeld wat wij van onszelf hebben. Deze zelfde bias heeft geen betrekking op de herinneringen aan successen en mislukkingen van andere mensen. Een valkuil van het opkrikken van het self esteem kan zijn wanneer mensen hun zelfbeeld zo erg vergroten in tegenstelling tot de werkelijkheid dat de uitkomst uiteindelijk niet adaptief is.
Wat zijn attitudes?
Een attitude is een overtuiging of mening met een evaluatief aspect. Attitudes verbinden een persoon cognitief en emotioneel met zijn of haar hele sociale wereld. Onze meest centrale attitudes noemen we waarden. Deze waarden helpen ons de gepastheid van hele categorieën acties te beoordelen. In onze maatschappij wordt er een hoop aan gedaan om onze attitudes te veranderen, denk maar aan alle reclame. Attitudes zijn vaak het gevolg van de verschillende vormen van leren.
Naast het onderscheid tussen expliciete en impliciete stereotypen, bestaat er ook een onderscheid tussen attitudes in het algemeen. Expliciete attitudes zijn bewuste, mondeling beweerde evaluaties. Ze worden gemeten door traditionele attitudetests waarin mensen op verschillende manieren wordt gevraagd om hun mening te geven over een bepaalde stelling. Expliciete attitudes beïnvloeden het gedrag alleen als de benodigde informatie daarvoor uit het lange termijn geheugen wordt gehaald. Impliciete attitudes zijn attitudes die gemanifesteerd zijn in automatische mentale associaties. Ze worden gemeten door impliciete associatietests. Impliciete attitudes beïnvloeden ons gedrag automatisch. Deze invloed ligt vooral op het emotionele vlak en niet op het vlak van bewuste gedachte.
Wat is de cognitieve dissonantietheorie?
Festinger ontwikkelde de cognitieve dissonantietheorie. Deze theorie stelt dat we ingebouwde mechanismen hebben die een gevoel van dissonantie creëren. Dit ongemakkelijke gevoel komt voor wanneer we een onregelmatigheid ontdekken tussen de verschillende attitudes, overtuigingen en kennis die we mentaal opgeslagen hebben. Om dit ongemakkelijke gevoel weg te krijgen proberen we deze tegenstrijdigheden of onregelmatigheden op te lossen. Inconsistentie ontstaat doordat wij een fout maken/hebben gemaakt. Die fout kan gevaarlijk zijn voor je voortbestaan en het is dus evolutionair gezien belangrijk om op te lossen. Hoewel dit een logische verklaring is, is het reduceren van cognitieve dissonantie is niet altijd functioneel.
Mensen gaan dissonantie ook graag uit de weg. Ze lezen, luisteren, zien bepaalde dingen niet omdat dat dissonantie veroorzaakt. We kiezen liever voor het bekijken, beluisteren en lezen van informatie die ons oogpunt versterkt. Veel van de beslissingen die we nemen in ons leven, nemen we zonder dat we absolute zekerheid hebben over de uitkomsten van deze beslissing. Vaak twijfelen we voor we een beslissing nemen, maar verdwijnen onze twijfels als sneeuw voor de zon. Dit kun je ook verklaren met de cognitieve dissonantie theorie. Om niet onzeker over onze keuze te voelen, zetten we de twijfels van ons af.
Soms doen we dingen die tegenstrijdig zijn met onze attitudes, om dissonantie te voorkomen kunnen we dan alleen onze attitudes aanpassen. De verandering in attitude in een dergelijk geval noemen we ook wel het onvoldoende verantwoordingseffect (insufficient-justification effect). Een vereiste voor het optreden van dit effect is dat er geen duidelijke, hooggewaardeerde beloning mag zijn voor het uitvoeren van de gedraging die ingaat tegen de eigen attitudes. En de persoon moet de gedraging zien als een gedraging die voortkomt uit zijn of haar eigen vrije wil.
Wat is de functie van sociale identiteit?
Andere mensen maken ook deel uit van de inhoud van ons zelfconcept, want we beschrijven onszelf ook als lid van bepaalde sociale groepen. Dit noemen we ook wel de sociale identiteit van een persoon. De persoonlijke identiteit is de beschrijving van de persoon als individu. Ons zelfconcept is relatief consistent, maar zeker niet onveranderlijk. Natuurlijke selectie heeft ons mechanismen gegeven om een balans te vinden tussen onze persoonlijke identiteit en onze sociale identiteit en tussen deze beide identiteiten te wisselen om aan onze behoefte tot overleven te voldoen.
Wanneer we naar andere kijken in termen van sociale identiteit, zien we mensen al deel van de in-group of out-group. Mensen die bij de out-group behoren, zie we vaak als allemaal hetzelfde. Dit schema dat we in ons hoofd hebben over een bepaalde groep mensen wordt ook wel stereotype genoemd. Stereotype beelden verkrijgen we vaak vanuit onze cultuur en de manier waarop die cultuur bepaalde sociale groepen ziet en beschrijft. Stereotypen kunnen karaktereigenschappen goed weergeven, erg overdrijven of zelfs verzonnen zijn. Stereotypes kunnen bruikbaar zijn omdat ze ons van wat eerste informatie over iemand voorzien, maar stereotypes leiden ook tot vooroordelen, discriminatie en sociale onrechtvaardigheid.
Wat is het verschil tussen impliciete en expliciete stereotypen?
Er bestaan drie niveaus van stereotypes.
- publieke niveau gaat het om wat we over een groep zeggen tegen anderen.
- persoonlijke niveau gaat het om stereotypes die iemand zelf bewust geloofd, maar meestal niet tegenover anderen uit.
- impliciete stereotypes gaat het om mentale associaties die onze oordelen over mensen van een groep kunnen beïnvloeden zonder dat we ons daar bewust van zijn. Het kan zelfs zo zijn dat deze impliciete stereotypes in gaan tegen iemands bewuste overtuigingen.
Zowel stereotypes op het publieke niveau, als stereotypes op het persoonlijke niveau zijn expliciete stereotypes. Dat wil zeggen dat je de stereotypes bewust gebruikt om over anderen te oordelen. Impliciete stereotypes kunnen ervoor zorgen dat mensen zich op een bevooroordeelde manier gedragen, ondanks het feit dat ze zich helemaal niet bewust zijn van hun vooroordelen en de beste bedoelingen hebben. Impliciete stereotypes kunnen op deze manier in het dagelijks leven grote gevolgen hebben. Het kan zelfs dodelijk zijn, zo zijn er in de VS zaken geweest waarbij agenten een zwarte man doodden omdat ze vonden dat hij zich verdacht gedroeg, terwijl hij in werkelijkheid niets verkeerds deed. Bij dit soort zaken is het vaak de vraag of het ook gebeurd was als de man blank was geweest. Expliciete stereotypes kun je veranderen door opzettelijk leren en logica. Impliciete vooroordelen zijn gebaseerd op primitieve emotionele processen en kunnen veranderd worden door klassieke conditionering. Als mensen positieve associaties hebben met mensen van een stereotype groep, kan dat het impliciete vooroordeel verminderen.
Wat is het effect van geobserveerd en geëvalueerd worden?
Een bekend onderwerp in de sociale psychologie is het gedrag beïnvloed wordt door de sociale omgeving waarin het voorkomt. sociale druk is een set van psychologische factoren die invloed op ons uitoefenen door de oordelen, voorbeelden, verwachtingen en eisen die andere op ons leggen. Deze kunnen zowel echt zijn als ingebeeld. Sociale druk komt voort uit de manier waarop we de omgeving interpreteren en erop reageren. Het heeft een evolutionaire functie aangezien het ons helpt sociaal geaccepteerd gedrag te vertonen.
Geobserveerd worden kan zowel een positief als een negatief effect hebben op de prestatie. Als het een positief effect heeft wordt het sociale faccilitatie genoemd en als het een negatief effect heeft sociale interferentie of sociale inhibitie. Zajonc stelde de volgende algemene regel op, de aanwezigheid van andere versterkt de prestatie van dominantie acties en vermindert de prestatie van niet-dominante acties. Dominante acties zijn actie die simpel, soortspecifieke of zo goed geleerd zijn dat ze automatisch worden. Niet-dominante acties hebben juist veel bewuste gedachten en aandacht nodig. Ook stelde Zajonc dat de aanwezigheid van andere een verhoogde drive veroorzaakte.
Sociale inhibitie is eigenlijk een subcategorie van een groter phenomeen wat bezwijken onder druk (chocking under pressure) genoemd wordt. Bezwijken komt vaker voor bij taken die veel van de capaciteit van het werkgeheugen in beslag nemen. De niet-dominante taken zijn taken die veel van de capaciteit innemen. Druk en stress zorgen dus voor een slechtere prestatie doordat zij een deel van die benodigde capaciteit in beslag nemen. Stereotype threat is wanneer een stereotype groep herinnerd wordt aan het negatieve stereotype van de groep waartoe zij behoren. Dit komt vaak voor bij academische testen. Van de stereotype groep wordt niet verwacht dat zij goed scoren, waardoor (wanneer eraan herinnert) je ook minder goed scoort. Stereotype threat is een voorbeeld van een self-fulfilling prophecy.
Door de sociale druk passen wij ons gedrag bewust of onbewust aan om het beeld dat andere van ons hebben te beïnvloeden. Dit wordt ook wel impressie management genoemd. Deze neiging om ons aan te passen wordt door wetenschappers ook wel gezien als acteren/ rollenspel of als politici die zichzelf en hun agenda promoten. Het hangt af van de omgeving welke rol we aannemen. We balanceren (bewust of onbewust) steeds tussen onszelf promoten en tegelijkertijd bescheiden overkomen.
Welke invloed hebben verzoeken van anderen op ons gedrag?
De meningen en verwachtingen van anderen hebben invloed op ons gedrag. De informatieve invloed is de sociale invloed die aanwijzingen biedt over de objectieve aard van een situatie of gebeurtenis. De normatieve invloed is de sociale invloed die werkt door het verlangen van iemand om bij een groep te horen of om geaccepteerd te worden door anderen. Conformiteit kan er toe leiden dat mensen zich op een manier gaan gedragen die soms gewoon zelfs lachwekkend is.
Asch deed onderzoek naar conformiteit door zijn proefpersonen tussen zijn acteurs te zetten en per groep stimuli aan te bieden. Er was een lijn die je moest vergelijken met drie andere lijnen waarbij het de bedoeling was dat je de lijn aanwees die evenlang is. De proefpersoon en de acteurs moesten om de beurt hun antwoord hardop zeggen, waarbij de acteurs op een gegeven moment unaniem het verkeerde antwoord gaven. In meer dan een derde van de trials waarbij de acteurs het verkeerde antwoord gaven, gaf de proefpersoon ook het verkeerde antwoord. Blijkbaar wil de proefpersoon liever conform aan de groep antwoorden dan juist antwoorden. Als er ook maar één acteur ook een ander antwoord gaf verdween de behoefte om te conformeren aan de groep. Uit de opmerkingen van de proefpersonen na het experiment lijkt het erop dat hier sprake is van informatieve invloed.
Veel boodschappen die bedoeld zijn voor het grote publiek hebben als doel om slechte gedragingen af te leren. Toch zit in die boodschap vaak een tegenstrijdigheid die de effectiviteit van de boodschap sterk vermindert. Roken is slecht voor je, maar veel mensen roken. De boodschap zegt dus dat het slecht voor je is, maar ook dat het normaal is. Cialdini is een expert op het gebied van overtuigen zegt hierover deze boodschappen effectiever worden wanneer de nadruk gelegd wordt op het gewenste gedrag als normatief.
Het bystander effect stel dat hoe meer mensen er aanwezig zijn bij een noodsituatie, hoe minder mensen zullen helpen. Dit kan resulteren uit zowel informationele als normatieve invloeden. Emotionele besmettelijkheid (contagion) zorgt ervoor dat leden van een groep zich als een eenheid gedragen en hun acties coördineren. Succesvolle leiders zijn dan ook vaak goed in hun emoties uitten en andere laten delen in hun emoties.
Hoe werkt sociale druk in groepsdiscussies?
Groepen die informatie uitwisselen worden ook altijd door elkaar normatief beïnvloed. Groepspolarisatie wil zeggen dat discussie er meestal toe leidt dat de meerderheid van de groep een meer extreem oogpunt ontwikkelt dan voor de discussie. Groepsdiscussie leidt er vaak toe dat het gat tussen voor- en tegenstanders van een stelling groter wordt.
Janis schreef het boek ‘Groupthink’. Janis definieert groepsdenken als: ‘een manier van denken waarin mensen vervallen wanneer ze nauw betrokken zijn bij een cohesieve (nauw verbonden) groep en wanneer het streven van de leden naar unanimiteit hun motivatie om realistische alternatieven in beschouwing te nemen overschaduwt’.
Wat zijn Caildini's principes?
Cialdini probeert observaties uit de echte wereld te combineren met laboratoriumonderzoek. Hij leerde de technieken van verkopers en ging deze vervolgens onderzoeken. Cialdini vond dat er een aantal verkooptechnieken zijn die gebruik maken van cognitieve dissonantie.
- lage bal techniek: nadat een klant toestemt het product te kopen komt met een verhaal dat het echt niet mogelijk is om het product voor zo'n lage prijs te verkopen en dat de prijs dus omhoog moet. Nadat de klant de eerste deal heeft toegezegd, probeer die de dissonantie te verminderen door de kwaliteiten van het product op te hemelen. Hierdoor zal die helemaal overtuigd van zijn keuze en is de kans groot dat hij het product zelfs voor de hogere prijs wel koopt.
- voet-tussen-de-deur techniek: de verkoper vraagt de klant eerst om een kleine gunst. Als de klant ingaat op dit kleine verzoek is de kans groter dat ze later ingaan op een groter verzoek. Deze techniek werkt vaak, omdat het voldoen van het kleine verzoek leidt tot een gevoel van vertrouwen, medelijden of verbinding met de verkoper.
Wat kunnen we leren van Milgram?
Milgram deed onderzoek naar ongehoorzaamheid. Zijn onderzoeken zijn tegenwoordig legendarisch en zouden vandaag de dag vanwege ethische redenen niet meer uitgevoerd mogen worden. Hij wilde graag ontdekken welke vormen van psychologische druk ten grondslag liggen aan de bereidheid van mensen om een kwaadwillige order uit te voeren.
In zijn beroemde experiment liet hij proefpersonen naar het laboratorium komen en vertelde ze dat ze deel zouden nemen aan een onderzoek over de effecten van straf op leren. De proefpersonen moesten onder toezicht van de onderzoeker schokken toedienen als er een fout antwoord gegeven werd waar van de sterktes opliepen van 15 tot 450 volt. Het opvallende resultaat van dit onderzoek is dat 65% van de proefpersonen door ging met het experiment tot het einde ondanks het feit dat ze er van overtuigd waren dat ze de leerling ontzettend veel pijn deden. Veel proefpersonen vonden het moeilijk om vol te houden, maar deden dat wel onder de invloed van de onderzoeker.
Milgram vond een aantal factoren die volgens hem bijdroegen aan de psychische druk om gehoorzamen:
- de norm van gehoorzaamheid aan legitieme autoriteiten
- de zelfverzekerdheid en de verantwoordelijkheid/aansprakelijkheid van de onderzoeker
- de nabijheid van de onderzoeker tot de proefpersoon
- de afwezigheid van een alternatief schema van gedrag
- de oplopende natuur van de druk. Het was steeds maar een kleine stap tot een hoger voltage.
Er is veel kritiek geleverd op de onderzoeken van Milgram. Natuurlijk werden er behoorlijke vraagtekens gezet bij de ethische aspecten van de onderzoeken. De psychologische stress die de personen in het experiment van Milgram ervaren hebben is enorm geweest. Na afloop van het experiment had Milgram een uitgebreid gesprek met de proefpersonen om ze de bedoeling van het onderzoek uit te leggen en om uit te leggen dat ze niet daadwerkelijk iemand schokken gegeven hadden. Ook vertelde Milgram dat hun reactie een heel normale reactie was en herinnerde hij de proefpersonen aan hun twijfel om door te gaan. Ook bleef de vraag of de resultaten gegeneraliseerd konden worden.
Wat is een sociaal dilemma?
Volgens Tomasello bestaan er twee soorten van prosociaal gedrag. Altruïsme zijn de gedragingen waarbij een persoon een ander individu helpt om een bepaald doel te behalen hetgeen kosten met zich meebrengt voor de helpende persoon. Mutualisme of coöperatie zijn gedragingen waarbij één of twee individuen hun acties coördineren om een wederzijds voordelige uitkomst te produceren. Hardin schreef een allegorie genaamd de tragedie van de commons (gemeenschappelijk weiland). Elk persoon zet een koe in gezamenlijke het weiland denkend dat die ene koe weinig invloed zal hebben, maar het collectieve effect kan rampzalig zijn.
Mensen kiezen in sociale dilemmaspelletjes als ze de keuze hebben ook het liefst voor een partner die al een reputatie heeft opgebouwd dat hij of zij samenwerkt. In het dagelijks leven zijn we al snel geneigd om anderen te helpen, vooral als het ons niet zo veel moeite kost. Ook zijn we vaak meer geneigd tot samenwerking dan verwacht mag worden als hun keuzes alleen gebaseerd zijn op onmiddellijk eigenbelang. Dit komt omdat we ook de lange termijn consequenties en belangen meenemen in onze overweging. Bovendien lijken mensen overal ter wereld een sterk gevoel voor rechtvaardigheid te hebben die verder gaat dan direct zelfbelang. Dit gevoel voor rechtvaardigheid kun je testen door ultimatum spelletjes.
Altruïstische straf is wanneer iemand een deel van zijn eigen opbrengsten opoffert om de ander, die niet genoeg bijdroeg aan de gemeenschappelijke pot, te straffen. Dit levert uiteindelijk gewin op voor de hele groep. Blijkbaar zijn we geneigd om valsspelers te straffen en ervaren we wraak op de valsspeler als plezierig. Een sociale identiteit bevordert samenwerking binnen de groep, maar zorgt voor competitie tussen groepen.
Een beroemd experiment naar competitie tussen groepen is uitgevoerd door Sherif et al. tijdens een jongenskamp in Robbers Cave Park. De jongens werden in twee groepen gedeeld die elk hun eigen slaapgebouw hadden en hun eigen taken moesten uitvoeren. Binnen een paar dagen waren de groepen duidelijk te onderscheiden sociale groepen met eigen namen. De groepen gingen tegen elkaar strijden in allerlei soorten sport en spel. Het viel de onderzoekers op dat er veel solidariteit was binnen de eigen groep, maar dat de interactie tussen de groepen vijandig was en dat elke groep een negatief stereotype beeld van de andere groep ontwikkeld had. Het was een moeilijkere taak om de vijandigheid tussen de groepen te reduceren dan om het te veroorzaken. Alleen een samenwerkingopdracht waarbij de groepen echt samen moesten werken om het doel te bereiken verminderde de vijandigheid.
Bulletpoints
Heider noemt alle mensen naïeve psychologen omdat we (bijna) allemaal van nature geïnteresseerd zijn in de persoonlijkheid en attitudes van anderen, het wordt ook wel folk psychology genoemd. Attributies zijn claims die wij maken over de oorzaak van iemands gedrag. Het gedrag is observeerbaar, de gedachten niet. Met het bedrijven van folk psychologie komen ook verschillende biases kijken.
Zelfbewustzijn is een uniek kenmerk van de mens. Na ongeveer 18 maanden beginnen kinderen zichzelf te herkennen in de spiegel, daarvoor zien ze eigenlijk een vreemde. Het zelfconcept is een sociaal product, om je bewust te zijn van jezelf, zul je je ook bewust moeten zijn van anderen. Het zelfbewustzijn van mensen gaat verder dan de zelfherkenning die ook sommige dieren hebben. Mensen zijn zich niet alleen bewust van hun eigen uiterlijke verschijning, maar ook van hun eigen gevoelens, karakter en gedachten.
Zelfvertrouwen is het gevoel van goedkeuring, acceptatie en waarderen van jezelf. Leary stelt dat self-esteem voortkomt uit zelfbeoordeling, die ontstaat door de indrukken die iemand heeft over de attitudes die anderen over hem of haar hebben. Dit wordt ook wel de sociometertheorie genoemd. De sociometertheorie is bedoeld om een evolutionaire verklaring te geven voor de functie van zelfvertrouwen: voor onze overleving is het belangrijk dat anderen ons accepteren en bereid zijn om met ons samen te werken. Een zelfbeeld dat heel erg verschilt van hoe anderen ons zien kan dan ook schadelijk werken. De evolutionaire functie van zelfvertrouwen volgens de sociometertheorie is het motiveren tot gedragingen die ervoor zorgen dat anderen ons accepteren.
Een attitude is een overtuiging of mening met een evaluatief aspect. Attitudes verbinden een persoon cognitief en emotioneel met zijn of haar hele sociale wereld. Onze meest centrale attitudes noemen we waarden. Deze waarden helpen ons de gepastheid van hele categorieën acties te beoordelen. In onze maatschappij wordt er een hoop aan gedaan om onze attitudes te veranderen, denk maar aan alle reclame. Attitudes zijn vaak het gevolg van de verschillende vormen van leren.
Zowel stereotypes op het publieke niveau, als stereotypes op het persoonlijke niveau zijn expliciete stereotypes. Dat wil zeggen dat je de stereotypes bewust gebruikt om over anderen te oordelen. Impliciete stereotypes kunnen ervoor zorgen dat mensen zich op een bevooroordeelde manier gedragen, ondanks het feit dat ze zich helemaal niet bewust zijn van hun vooroordelen en de beste bedoelingen hebben. Impliciete stereotypes kunnen op deze manier in het dagelijks leven grote gevolgen hebben. Het kan zelfs dodelijk zijn, zo zijn er in de VS zaken geweest waarbij agenten een zwarte man doodden omdat ze vonden dat hij zich verdacht gedroeg, terwijl hij in werkelijkheid niets verkeerds deed. Bij dit soort zaken is het vaak de vraag of het ook gebeurd was als de man blank was geweest. Expliciete stereotypes kun je veranderen door opzettelijk leren en logica. Impliciete vooroordelen zijn gebaseerd op primitieve emotionele processen en kunnen veranderd worden door klassieke conditionering. Als mensen positieve associaties hebben met mensen van een stereotype groep, kan dat het impliciete vooroordeel verminderen.
Geobserveerd worden kan zowel een positief als een negatief effect hebben op de prestatie. Als het een positief effect heeft wordt het sociale faccilitatie genoemd en als het een negatief effect heeft sociale interferentie of sociale inhibitie. Zajonc stelde de volgende algemene regel op, de aanwezigheid van andere versterkt de prestatie van dominantie acties en vermindert de prestatie van niet-dominante acties. Dominante acties zijn actie die simpel, soortspecifieke of zo goed geleerd zijn dat ze automatisch worden. Niet-dominante acties hebben juist veel bewuste gedachten en aandacht nodig. Ook stelde Zajonc dat de aanwezigheid van andere een verhoogde drive veroorzaakte.
Volgens Tomasello bestaan er twee soorten van prosociaal gedrag. Altruïsme zijn de gedragingen waarbij een persoon een ander individu helpt om een bepaald doel te behalen hetgeen kosten met zich meebrengt voor de helpende persoon. Mutualisme of coöperatie zijn gedragingen waarbij één of twee individuen hun acties coördineren om een wederzijds voordelige uitkomst te produceren. Hardin schreef een allegorie genaamd de tragedie van de commons (gemeenschappelijk weiland). Elk persoon zet een koe in gezamenlijke het weiland denkend dat die ene koe weinig invloed zal hebben, maar het collectieve effect kan rampzalig zijn.
Tentamentickets
- Milgram's experiment is een klassiek voorbeeld. Samen met het gevangenis experiment, maakt het veel los in de psychologie.
- Cialdini heeft nog veel meer principes die veel gebruikt worden in de verkoop en reclames. Als je erin geïntereseerd bent, heb je mooie voorbeelde en filmpjes online.