Wie was Slimme Hans en wat leert zijn verhaal ons?
Binnen de psychologie is het vaak moeilijk te beslissen welke data je moet verzamelen, hoe je de data moet verzamelen en welke conclusies je uit de data kunt trekken. Het verhaal van het paard slimme Hans (Kluger Hans) bewijst hoe makkelijk het is om hierin fouten te maken.
Wilhelm von Osten wilde bewijzen dat dieren intelligent zijn en probeerde daarom zijn hengst Hans wiskunde bij te brengen met een verbluffend resultaat. Het paard kon rekensommen beantwoorden (door met zijn voet te stampen) en ja/nee vragen beantwoorden (door knikken en schudden). Andere waren sceptische en testen het paard zelf, maar ook door deze proeven kwam hij heen. De psycholoog Oskar Pfungst testte vervolgens verder. Hij zette het paard in een ruimte zonder publiek. Eerst stelde de eigenaar van het paard vragen aan het dieren, daarna deden anderen hetzelfde wat prima ging. Het ging alleen mis als de vragenstellen zelf het antwoord niet wist of als Hans de vragensteller niet kon zien. Dat ging prima, maar wanneer Hans de vragensteller niet kon zien ging het mis. Pfungst ging daarop de vragensteller observeren. Hij ontdekte dat alle vragenstellers minieme uitdrukkingen of bewegingen maakte waardoor Hans wist wanneer hij het goede antwoord had of wat de goede beweging was (knikken of schudden). De conclusie: Hans pikte de verandering in de vragensteller op en wist zo wanneer hij het goede antwoord had bereikt.
Het geval van Clever Hans leert ons een aantal belangrijke lessen over wetenschappelijk onderzoek:
- De waarde van het kritische denken (scepticisme). In plaats van een hypothese te bewijzen moeten we proberen de hypothese onderuit te halen. Echt bewijzen kan nooit, het tegendeel bewijzen kan wel. De hypothese die we voor waar aannemen kunnen nog wel fout (blijken te) zijn, maar tot nu toe hebben ze alle pogingen om dat aan te tonen overleefd.
De waarde van nauwkeurige observaties onder gecontroleerde condities. Door de condities systematisch te veranderen kan men ontdekken in welke situaties een theorie wel op gaat en in welke situaties niet.
Het observer-expectancy effects probleem. Bij onderzoek met mensen en dieren is het mogelijk dat de onderzoeker onbewust aan de proefpersoon laat blijken wat hij als uitkomst verwacht waardoor de proefpersonen beïnvloed kunnen worden om zich op een bepaalde manier te gedragen. Onderzoeker moeten hun verwachtingen niet laten zien aan de proefpersonen.
Welke termen zijn belangrijk voor het begrijpen van onderzoeksmethoden?
Voor het begrijpen van onderzoeksmethoden is het belangrijk een aantal termen te kennen. De belangrijkste termen staan hieronder gedefinieerd:
Observatie, een objectieve opvatting gebaseerd op een directe observatie waarover de meeste redelijke observatoren het met elkaar eens zijn. Binnen de psychologie bestaan ze meestal uit gedragingen of gedragspatronen.
Theorie, een model om bekende observaties te verklaren en voorspellingen te doen over nieuwe nog te ontdekken observaties.
Hypothese, een voorspelling die voortvloeit uit een theorie. Deze voorspellingen zijn specifiek en bij voorkeur goed te testen. Observaties leiden tot nieuwe theorieën, die leiden weer tot nieuwe hypothesen en die kunnen weer tot nieuwe observaties leiden.
Variabele, alles dat kan variëren. Een variabele kan dus werkelijk van alles zijn, van de temperatuur in een kamer tot het aantal uren studie in de week.
Wat voor onderzoeksstrategieën bestaan er?
Er bestaan verschillende onderzoeksstrategieën. Een nuttige manier om deze verschillende strategieën te categoriseren, is door ze te zien als variërend over de volgende drie dimensies:
Het onderzoeksdesign, experimenten, correlationele studies en descriptieve studies.
De setting waarin het onderzoek wordt uitgevoerd, het veld en het laboratorium.
Het dataverzamelingsmodel, zelfrapportage en observatie.
Welke onderzoeksdesigns bestaan er?
Experiment, een procedure waarin een onderzoeker een onafhankelijke variabele systematisch manipuleert en kijkt of er dan ook veranderingen in de afhankelijke variabelen optreden. Dit is de meest directe en beste manier om een hypothese te testen en conclusies te trekken over een mogelijke oorzaak- en gevolgrelatie. De onafhankelijke variabele is de variabele die door de onderzoeker gemanipuleerd wordt. De afhankelijke variabele is de variabele die beïnvloed wordt door de onafhankelijke variabele. De onderzoeker kan zowel meer dan één afhankelijke variabele gebruiken als meer dan één onafhankelijke variabele. Behalve de onafhankelijke variabele(n) en de afhankelijke variabele(n) moeten alle andere variabelen gelijk gehouden worden. Alleen op die manier kan de onderzoeker conclusies trekken over een oorzaak- en gevolgrelatie.
Er bestaan verschillende soorten experimenten. In een within-subject-experiment wordt de proefpersoon blootgesteld aan alle verschillende onafhankelijke variabelen. In een between-groups-experiment worden de verschillende condities verdeeld over verschillende groepen proefpersonen. Bij een between-groups design worden de proefpersonen bijna altijd random toegewezen aan de verschillende condities. Hierdoor kan je verschillen tussen condities bekijken.
Correlationeel onderzoek, hierin manipuleert de onderzoeker geen variabelen maar observeert deze alleen maar. Door het meten van een aantal variabelen is het mogelijk een verband te ontdekken tussen deze variabelen: het is alleen niet mogelijk de richting van dit verband aan te tonen. Correlatie staat niet gelijk aan causaliteit.
Descriptieve onderzoek, puur beschrijvend onderzoek. Er wordt geen relatie tussen specifieke variabelen bestudeerd. Er zijn verschillende vormen van descriptief onderzoek. Denk aan het beschrijven van paringsrituelen van dieren of het tellen van het aantal kinderen met griep op een basisschool.
Wat is de onderzoek setting?
Er zijn twee settingen voor onderzoek namelijk laboratorium- en veldonderzoek. Bij laboratoriumonderzoek worden de proefpersonen onderworpen aan het onderzoek in een speciaal daarvoor bestemde ruimte. Bij veldonderzoek worden de proefpersonen in hun natuurlijke omgeving geobserveerd.
Onderstaande tabel geeft de voor- en nadelen van de twee settingen weer.
Laboratorium | Veld |
Voor | Tegen | Voor | Tegen |
De rest van de variabelen kan constant gehouden worden. Er kunnen oorzaak- en gevolgconclusies getrokken worden. | Kunstmatige omgeving: Dit kan het gedrag van mensen beïnvloeden. | Natuurlijke omgeving: dus minder kans op vertekend gedrag De conclusies hebben vaak een praktische betekenis. | Het is niet mogelijk om andere variabelen constant te houden. |
Welke dataverzamelingsmethoden bestaan er?
Je hebt verschillende vormen voor het verzamelen van data. De eerste is zelfrapportage, hierin beschrijven mensen hun eigen gedrag of geestelijke toestand door een interview, het invullen van een vragenlijst of introspectie. Een vragenlijst kan ook ingevuld worden door andere personen die het individu kennen. introspectie zijn persoonlijke observaties van iemands eigen gedachten, percepties en gevoelens. Deze methode werd veel gebruikt door de oprichters van de moderne psychologie, met name Wilhelm Wundt, maar werd bekritiseerd om zijn hoge subjectieve gehalte. Hoewel het subjectief is zijn zulke sensorische, cognitieve en emotionele staten zijn van groot belang. Door de hedendaagse technologie kunnen we introspectie correleren met de neurale activiteiten waardoor het objectiever en observeerbaar gedrag wordt.
observationele methoden omvatten alle procedures waarbij onderzoekers gedrag observeren en registreren. Er is de naturalistische observatie (de observator observeert alleen) en de tests (de observator geeft de proefpersonen tests en observeert hoe ze daarmee omgaan). Er moet wel uitgekeken worden voor het Hawthorne effect, het veranderen van het gedrag van een individu omdat hij/zij weet dat ze geobserveerd wordt. Om dit effect te verminderen kan je het fenomeen habituatie gebruiken. Dit is de afname van een respons wanneer een stimulus herhaaldelijk of continu wordt gepresenteerd. Na een tijdje habitueren is de proefpersoon gewend aan de observeerder waardoor ze weer hun natuurlijke gedrag vertonen.
Wat zijn de statistische methoden?
Om verzamelde data te kunnen interpreteren, moeten we een manier vinden om deze data samen te vatten en te bepalen wat de kans is dat geobserveerde patronen in de data al dan niet simpelweg het gevolg zijn van toeval. De statistische procedures die gebruikt worden voor deze doeleinden kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën: (1) beschrijvende statistiek (2) inferentiële statistiek.
Onder beschrijvende statistiek vallen alle cijfermatige methoden om gegevens samen te vatten. Veel gebruikte maten zijn het gemiddelde (som van alle scores gedeeld door het aantal scores), de mediaan (de middelste score in een rij waarin de scores van hoog naar laag geordend zijn) en de spreiding (liggen de scores allemaal vlak bij het gemiddelde, of zijn de scores veel breder verdeeld?). De meest gebruikte maat voor de spreiding is de standaarddeviatie, hoe verder een score van het gemiddelde afligt hoe hoger de standaarddeviatie. Een correlatie wordt meestal uitgedrukt in een correlatiecoëfficiënt die alle waarden tussen –1 en +1 kan aannemen. De – of + duidt op de richting van de correlatie en hoe dichter de coëfficiënt bij -1 of +1 ligt, hoe sterker het verband.
Bij elk onderzoek is er de kans dat het gevonden effect (deels) op toeval berust. Inferentiële statistiek onderzoekt of er ook nog een effect bestaat als er gecorrigeerd is voor de kans op toeval. Bij het gebruik van inferentiële methoden wordt het significatieniveau (p) uitgerekend. Meestal worden de resultaten van een onderzoek statistisch significant genoemd als de waarde van p kleiner is dan 0,05. In andere woorden: er wordt gekeken of er meer dan 5% kans is dat het geobserveerde effect op kans berust. In een test van statistische significantie wordt er met verschillende eenheden rekening gehouden:
De grootte van het geobserveerde effect.
Het aantal proefpersonen in het experiment
De spreiding van de data binnen elke groep (wanneer er groepen met elkaar worden vergeleken).
Wat is bias en hoe vermijd je bias?
Bias zijn effecten die veroorzaakt worden door factoren buiten het experiment. Een biased sample is als de ene groep systematisch verschilt van de andere groep(en). Dit kan tegengegaan worden door random toewijzing van de proefpersonen aan de groepen. Daarnaast kan het ook nog zo zijn dat je groep die je hebt onderzocht niet representatief is voor de populatie. Conclusies kunnen dan niet gegeneraliseerd worden naar de populatie.
daarnaast moeten metingen betrouwbaar en valide zijn. Betrouwbaar wil zeggen dat wanneer een meting herhaald wordt onder dezelfde omstandigheden, er vergelijkbare resultaten moeten worden behaald. Er zijn verschillende vormen van betrouwbaarheid namelijk replicability (repliceerbaarheid) en iterobserver reliability (interbeoodelaars betrouwbaarheid). Bij repliceerbaarheid moet keer op keer hetzelfde resultaat gevonden worden als het onderzoek met dezelfde instrumenten en onder dezelfde condities herhaald wordt. Recent onderzoek heeft laten zien dat veel belangrijke studies niet repliceerbaar zijn. Bij interbeoordelaars betrouwbaarheid moet het gedrag dat het individu vertoon niet verschillen tussen beoordelaars. Deze vorm van betrouwbaarheid behoeft een operationele definitie, een definitie die iets definieert in termen van operaties waarin iets geobserveerd en gemeten zou kunnen worden. Valide wil zeggen dat de gebruikte meting ook daadwerkelijk meet wat het hoort te meten. Niet-valide metingen kunnen leiden tot valse conclusies en bias. Je hebt face validity en criterion validity. Face valitdity de mate waarin het lijkt alsof een experiment meet wat het hoort te meten. bij criterion validity correleert men de scores van een bepaalde meting met de scores van een andere meting.
Bias kan ook voortkomen uit de verwachtingen van observatoren en proefpersonen. De mogelijke effecten van de verwachtingen van de observator zijn hierboven al besproken. De beste manier om observer-expectancy effects te voorkomen is door de observator niet in te lichten over met welke conditie hij te maken heeft, oftewel blind te houden. Niet alleen de verwachtingen van observatoren kunnen voor een bias zorgen, de verwachtingen van de proefpersonen zelf ook. Als proefpersonen denken dat de onderzoeker een bepaalde reactie van ze verwacht, dan kunnen ze zich hiernaar gaan gedragen. Om dit te voorkomen is een dubbelblind-experiment de beste oplossing. Hierbij zijn zowel de onderzoeker als de proefpersoon niet ingelicht over de conditie waar de proefpersoon in zit.
In dubbelblinde medicijnenstudies wordt vaak gebruik gemaakt van een placebo, een pil zonder actieve bestanddelen. Het effect dat dan gevonden wordt moet dan ook het resultaat zijn van de effectiviteit van de echte pil. Helaas is het niet altijd mogelijk om proefpersonen blind te houden over de conditie waarin ze zitten.
Met welke ethische kwesties moet je rekening houden wanneer je onderzoek doet?
Psychologen hebben behalve met wetenschappelijke kwesties ook te maken met ethische kwesties bij het ontwerpen van hun onderzoek. In onderzoek met mensen is er een aantal kwesties waar rekening mee gehouden moet worden:
De mogelijkheid van ongemak of schade.
Het recht op privacy. Je mag dus niet zonder toestemming van de proefpersoon hun persoonlijke gegevens publiceren en moeten proefpersonen een informed consent ondertekenen.
Het gebruikt van misleiding. Soms wordt een proefpersoon misleid met white lies, maar is er dan nog wel sprake van een informed consent? Deze ethische kwestie is een van meest controversiële, hoe ver kan je/ mag je gaan?
Bij onderzoek met dieren zijn experimenten mogelijk die we vanwege ethische redenen niet bij mensen kunnen worden uitgevoerd. Hoewel ook bij dieren geldt dat er een weloverwogen afweging gemaakt moet worden tussen het mogelijke nut van het onderzoek en het ongemak of de schade aan het dier.
De American Psychological Association (APA) heeft ethische principes opgesteld voor psychologisch onderzoek. In veel landen zijn deze principes vereist voor het verkrijgen van financiering en het mogen publiceren van de resultaten. De regels worden steeds strenger. Veel van de beroemde psychologische onderzoeken zouden vandaag de dag niet meer mogen worden uitgevoerd.
Bulletpoints
Het geval van Clever Hans leert ons een aantal belangrijke lessen over wetenschappelijk onderzoek: 1) De waarde van het kritische denken (scepticisme). In plaats van een hypothese te bewijzen moeten we proberen de hypothese onderuit te halen. Echt bewijzen kan nooit, het tegendeel bewijzen kan wel. De hypothese die we voor waar aannemen kunnen nog wel fout (blijken te) zijn, maar tot nu toe hebben ze alle pogingen om dat aan te tonen overleefd. 2) De waarde van nauwkeurige observaties onder gecontroleerde condities. Door de condities systematisch te veranderen kan men ontdekken in welke situaties een theorie wel op gaat en in welke situaties niet. 3) Het observer-expectancy effects probleem. Bij onderzoek met mensen en dieren is het mogelijk dat de onderzoeker onbewust aan de proefpersoon laat blijken wat hij als uitkomst verwacht waardoor de proefpersonen beïnvloed kunnen worden om zich op een bepaalde manier te gedragen. Onderzoeker moeten hun verwachtingen niet laten zien aan de proefpersonen.
Er bestaan verschillende onderzoeksstrategieën. Een nuttige manier om deze verschillende strategieën te categoriseren, is door ze te zien als variërend over de volgende drie dimensies: 1) Het onderzoeksdesign, experimenten, correlationele studies en descriptieve studies. 2) De setting waarin het onderzoek wordt uitgevoerd, het veld en het laboratorium. 3) Het dataverzamelingsmodel, zelfrapportage en observatie.
Bias zijn effecten die veroorzaakt worden door factoren buiten het experiment. Een biased sample is als de ene groep systematisch verschilt van de andere groep(en). Dit kan tegengegaan worden door random toewijzing van de proefpersonen aan de groepen. Daarnaast kan het ook nog zo zijn dat je groep die je hebt onderzocht niet representatief is voor de populatie. Conclusies kunnen dan niet gegeneraliseerd worden naar de populatie.
Psychologen hebben behalve met wetenschappelijke kwesties ook te maken met ethische kwesties bij het ontwerpen van hun onderzoek. In onderzoek met mensen is er een aantal kwesties waar rekening mee gehouden moet worden: 1) De mogelijkheid van ongemak of schade. 2) Het recht op privacy. Je mag dus niet zonder toestemming van de proefpersoon hun persoonlijke gegevens publiceren en moeten proefpersonen een informed consent ondertekenen. 3) Het gebruikt van misleiding. Soms wordt een proefpersoon misleid met white lies, maar is er dan nog wel sprake van een informed consent? Deze ethische kwestie is een van meest controversiële, hoe ver kan je/ mag je gaan?
Tentamentickets
- Wat voor de psychologie (maar ook onderzoek in het algemeen) belangrijk is, zijn de lessen die je uit het verhaal van Kluger Hans kan trekken. Het idee dat je een theorie nooit echt kan bewijzen en de waarde van het kritisch denken. Dit is een houding die van je verwacht in universitair onderzoek.
- APA is een term die ook nog veel vaker terug gaat komen. Tegenwoordig is het heel belangrijk dat je ethische kwesties meeneemt in het opstellen van een onderzoek en dat je dit ook altijd in gedachten houdt bij het uitvoeren van een onderzoek.