Hoe werken genen?
Genen hebben geen directe invloed op gedrag, maar hebben wel een asscociatie met gedrag. Zij maken deel uit van het DNA (desoxyribonucleïnezuur), die het erfelijke materiaal bevat en dus de opbouw van ons lichaam. Het is dus belangrijk om te weten hoe genen bijdragen aan het ontwikkelen van het zenuwstelsel, de spieren en de zintuigen. De omgeving interacteert met de genen. Bij alle langdurige gedragseffecten is een activatie van de genen betrokken.
Het genotype is de set genen die iemand geërfd heeft en Het fenotype bestaat uit de uiterlijke waarneembare kenmerken van een individu. Genen interacteren met de omgeving, hierdoor kunnen mensen met hetzelfde genotype een ander fenotype hebben. Het genetische materiaal is geordend in chromosomen. De mens heeft normaal gesproken 23 paar chromosomen waarvan 1 paar de sexe bepaalt. Als een persoon twee X-chromosomen heeft (XX) is het een vrouw. Een persoon met een X- en een Y-chromosoom (XY) is een man.
Er is veel rede om te geloven dat langdurige gedrags effecten die voortkomen uit ervaringen (ook leren) gepaart gaan met de activatie van genen.
Wat is celdeling?
Een celdeling gewone cellen heet mitose, bij geslachtscellen wordt het meiose genoemd. Hierbij wordt een exacte kopie van de chromosomen gemaakt. Tijdens meiose vermenigvuldigt elk chromosoom zich één keer, waarna de cel vervolgens twee keer gesplitst wordt. De chromosomen van elk paar komen naast elkaar te liggen en wisselen genetisch materiaal uit op een willekeurige manier. Daarna delen de cellen zich, waardoor eicellen en spermacellen maar de helft van elk chromosomenpaar bevatten.
Als een spermacel een eicel bevrucht ontstaat er een zygote, een cel die de ene helft van de chromosomenparen van de eicel heeft en de andere helft van de spermacel. De zygote heeft dus een eigen unieke genencombinatie. De genetische diversiteit die door meiose ontstaat vergroot de kansen op overleving van de soort. Eeneiige tweelingen zijn genetisch identiek en worden daarom ook wel monozygotische tweelingen genoemd. Dizygotische tweelingen ofwel twee-eiige tweelingen komen van twee verschillende zygoten en lijken genetisch niet meer op elkaar dan gewone broers en zussen. Wanneer twee genen op dezelfde locatie identiek zijn noemen we dat homozygoot op die locus (locatie/DNA regio). Als ze niet identiek zijn heet het heterozygoot op die locus. Verschillende genen die op dezelfde locatie kunnen zitten en dus mogelijk met elkaar een paar kunnen vormen heten allelen.
Welk effect hebben dominante en recessieve genen?
Dominante genen zijn zoals de naam als zegt dominant, ze koment altijd tot uitting zowel wanneer iemand heterozygoot als homozygoot is op dat allel. Recessieve genen komen alleen tot uitting als iemand homozygoot is voor dat gen. Soms zijn genenparen niet dominant over elkaar en wordt de uikomst een mengeling van beide genen. Deze theorie over domante en recessieve genen is gevonden door Gregor Mendel die experimenten met erwten plantjes deed.
Er zijn een aantal ziekten die veroorzaakt worden door een homozygoot reccesief gen. Een voorbeeld van een dergelijke ziekte is sickle-cell anemia waarbij de rode bloedcellen de vorm van een sikkel/halve maan aannemen waardoor ze kunnen opstapelen en bloedvaten kunnen blokkeren. Hoewel homozygoot gen voor veel problemen zorgt (en soms de dood) heeft een heterozygoot gen evolutionaire voordelen. Mensen met een enkel sikkelcel-gen hebben namelijk minder kans om te overlijden aan malaria, aangezien hun vervormde bloedcellen slecht zijn in de ondersteuning van de groei van een malariaparasiet.
Hoe werkt de erfelijkheid van Gedragskenmerken/Traits?
Kenmerken die door een enkel gen bepaald worden zijn categorisch, ze zijn het een of het ander. Kenmerken daarintegen zijn continu. De persoon valt niet in de ene of andere groep, maar liggen op een normaaldistributie. Kenmerken die op deze manier verdeeld zijn, worden meestal bepaald door meerdere genen en heten daarom polygene kenmerken.
Deze kenmerken kunnen bij dieren onderzocht worden door selectief fokken. Hierbij wordt met dieren gefokt die hoog op het gewenste kenmerk scoren. De resultaten van selectief fokken (selective breeding) zijn zeker niet direct en worden meestal pas een aantal generaties later zichtbaar. Deze manier van fokken en kweken wordt al eeuwen uitgeoefend om bijvoorbeeld beter graan te krijgen, sterkere paarden enz.Kenmerken die afhankelijk zijn van een enkel gen noemen we ook wel Mendeliaanse kenmerken.
Robert Tryon wilde bewijzen dat gedrag mede bepaald wordt door genen. Tryon ging met ratten fokken om hun vermogen tot het leren door een doolhof te lopen te vergroten. Na een paar generaties had hij inderdaad een groep ratten die erg goed was in doolhoftests en een groep ratten die slecht was in doolhoftests. Later onderzoek wees uit dat het doolhof leren een specifieke taak is en dat de ratten die hier goed in zijn niet beter scoren op andere leertaken dan de ratten die slecht waren in het doolhof. Dit laat dus zien dat je voorzichtig moet zijn met het generaliseren van de resultaten van dergelijk onderzoek.
De meeste kenmerken van mensen waarnaar psychologen onderzoek doen zijn polygene kenmerken en de invloed van de omgeving moet ook meegerekend worden. Het is ethisch gezien natuurlijk niet mogelijk om met mensen selectief te fokken, dus hebben ze andere methoden ontwikkeld. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek dat gedaan wordt met tweelingen, zowel eeneiig als twee-eiig, zowel samen opgegroeid als op jonge leeftijd van elkaar gescheiden.
Wat is epigenetica?
Epigenetica wordt gedefinieerd als veranderigen in het fucntioneren van een gen zonder dat de structuur van het DNA aangepast wordt wat resulteerd in een actief gen (aan) of een passief gen (uit) wat omkeerbaar is. We erven namelijk niet alleen DNA van onze voorouders, maar ook diverse chemische markers die genen reguleren door ze aan of uit te zetten.
Het meest bestudeerde mechanisme van epigenetica is DNA methylatie. Als een deel DNA gemythyleerd is dat deel innactief zodat bijvoorbeeld er geen delen voor de ontwikkeling van een oog actief zijn in andere delen van het lichaam naast het oog zelf. Processen van DNA methylatie kunnen beïnvloed worden door ervaringen, het lijkt namelijk een primair mechanisme te zijn waarbij omgevingsfactoren de actie van genen veranderen en hierdoor gedrag. Sommige epigenetische markers die door methylatie gecreëerd worden kunnen worden overgeërfd. Een voorbeeld is vrouwen die zwanger waren tijdens de hongerwinter in de tweede wereldoorlog. Deze vrouwen (en hun babies) hadden een zwaar calorie tekort wat (in de eerste drie maanden van de zwangerschap). De babies werden geboren met een normaal gewicht, maar hadden wel een verhoogde kans op obesitas als volwassene. Dit gold tevens voor de kleinkinderen.
Hoe werkt natuurlijke selectie?
Natuurlijke selectie volgens Darwin zegt dat het individu dat zich het beste heeft aangepast aan de omgeving een hogere kans heeft om te overleven en te reproduceren waardoor die genen doorgegeven worden. Darwin had bedacht dat er iets was dat de erfelijke informatie via eicellen en spermacellen vervoerde, maar had geen kennis van genen.
Variatie in genen komt door het mixen van genen tijdens de reproductie, maar ook door mutaties. Mutaties zijn onvoorspelbare foutjes die voorvallen tijdens het kopiëren van het DNA. De meeste mutaties zijn schadelijk en worden door natuurlijke selectie uitgeroeid, maar sommige mutaties zijn nuttig en verhogen de overlevingskans. Dit gen kan dan doorgegeven worden aan volgende generaties waardoor het steeds verder verspreid raakt. Het idee van het erven van verworven kenmerken komt van Jean-Baptiste de Lamarck. Nu weten we uit uitgebreid onderzoek dat verworven kenmerken niet overerft kunnen worden.
Evolutie is het gevolg van veranderingen in de omgeving, als de omgeving verandert moeten de soorten zich aanpassen. De snelheid van de evolutie hangt af van hoe snel de omgeving verandert. Een misvatting over evolutie is dat het een eindpunt heeft. In evolutie wordt er niet naar een eindpunt toegewerkt. Evolutie gebeurt niet met het oog op de toekomst maar is een directe aanpassing aan een verandering in de onmiddelijke omgeving. Ook is het niet zo dat bepaalde oganismen 'verder' zijn in de evolutie. Daarnaast zijn er nog twee valkuilen namelijk de naturalistische en de deterministische valkuil. Naturalistisch, de natuur is niet goed, slecht, moreel of immoreel. Dat een kenmerk door natuurlijke selectie ontstaat zegt niks over dat het een goed of slecht dit kenmerk is.
Wat is functionalisme?
Functionalisme, de poging tot het verklaren van gedrag in termen van hoe dat gedrag nut heeft voor het individu. In deze stroming zijn er twee manieren om gedrag te verklaren. Distale (ultimate) verklaringen zijn op evolutionair niveau: welke rol heeft het gedrag van het individu in de overleving en reproductie? Proximale verklaringen over het mechanisme dat het gedrag produceert: wat gebeurt er in het dier of zijn omgeving waardoor dit gedrag tot stand komt? Deze twee soorten verklaringen vullen elkaar aan.
Wat zijn beperkingen van functionalistisch denken?
Niet alle kenmerken hebben bruikbare functies en sommige kenmerken waren ooit nuttig maar zijn het nu niet meer. Er zijn vier redenen waarom een kenmerk niet functioneel hoeft te zijn:
- Rudementaire karakteristieken. Dit zijn restanten van traits die voor voorouders een functie hadden, maar hedendaags niet meer gebruikt worden. Voorbeelden zijn het grijpreflex bij babý's en de natuurlijke behoefte aan suikers.
Neveneffect van natuurlijke selectie voor een andere trait. Voorbeeld is de navel die een neveneffect is van de navelstreng.
Genetische drift, een variatie in genen die ontstaat puur door toeval.
Effectitiveit, niet elk geëvolueerd mechanisme is bruikbaar in elke situatie. Schaamte kan zowel in je voordeel werken als in je nadeel.
Hoe passen soortspecifieke gedragingen binnen het evolutieplaatje?
Ieder dier vertoont soortspecifiek gedrag, dit houdt in dat een dier kermerkende gedragingen heeft voor zijn soort. Deze gedragingen zijn door de evolutie gevormd, maar kunnen wel beïnvloed worden door ervaringen.
Darwin erkende al de communicatieve waarde van lichaamstaal en dan voornamelijk gezichtsuitdrukkingen. Verder onderzoek door Ekman en Friesen in dit veld toonde aan dat er zes universele basisemoties zijn namelijk: verbaasd, angst, walging, verdrietig, blijheid en boosheid. Eibl-Eibesfelt deed onderzoek naar de wenkbrauw flash, het verhogen van de wenkbrauwen bij het groeten van een bekende, en vond dat deze combinatie van verrassing en blijheid universeel wordt gebruikt als begroeting van vrienden. Hoewel we vanuit onze biologie universele emoties vertonen, kunnen we onze uitdrukkingen veranderen en nieuwe aanleren. Een aantal non-verbale uitdrukkingen zijn universeel, alleen het gebruik ervan kan verschillen per cultuur. Een wittekroon spreeuw leert alleen zijn soortspecifieke zang als hij het in zijn de eerste zomer hoort.
Soortspecifiek gedrag is dus min of meer aangeboren, alleen het vermogen om te leren speelt in cruciale rol in het vertonen van soortpecifiek gedrag. Soortspecifieke gedragingen vereisen een hoge mate van biologische voorbereiding (preparedness), dat wil zeggen dat alle benodigde lichamelijke mechanismen aanwezig moeten zijn.
Wat is het belang van het vergelijk van soortspecifiek gedag tussen diersoorten?
Er zijn twee categorieën overeenkomsten tussen soorten: homologieën en analogieën. Een homologie is een overeenkomst tussen soorten vanwege gemeenschappelijke voorouders. Een analogie is een overeenkomst tussen soorten door convergente evolutie. Convergente evolutie wil zeggen dat diersoorten die een zelfde manier van leven of leefgebied hebben, onafhankelijk van elkaar dezelfde kenmerken ontwikkelen. Bij de analogie is de overeenkomst gebaseerd op functie en de grote vormen. Bij homologie op de onderliggende constructie en mechanismen. Bij onderzoek naar de fysiologische mechanismen van gedrag zijn homologieën bruikbaarder dan analogieën, omdat die immers gaan over de onderliggende structuren. De mens heeft homologieën met verschillende zoogdieren, waardoor we door deze soorten te bestuderen veel kunnen leren over de mens. Ook zijn homologieën bruikbaar bij het bestuderen van de evolutie van soortspecifiek gedrag door een naast familielid van de diersoort te onderzoeken.
Darwin gebruikte homologieën om de grondslagen van soortspecifieke emotionele uitdrukkingen van de mens te onderzoeken. De mens glimlacht op twee manieren: als hij oprecht blij is, en om aan de andere persoon te laten merken dat hij hem/haar aardig vindt. In de laatste situatie wordt de glimlach vaak gebruikt om bijvoorbeeld spanning weg te nemen. De onderliggende mechanismen van de verschillende soorten glimlachen zijn ook anders. Al vanaf jonge leeftijd maken mensen onderscheid in de manier waarop ze naar anderen glimlachen, afhankelijk van de situatie. Ook niet menselijke primaten tonen hun tanden aan elkaar op twee manieren. De eerst is de silent bared-teeth display (deze lijkt op de menselijke glimlach) en de tweede is de relaxed open-mouth display/play face. Het lijk niet alleen op elkaar, het heeft vaak zelfs een overlappende functie.
Wat is het belang van verschillende soorten paringspatronen?
Paringsgedrag is het meest fundamentele sociale gedrag en belangrijk vanuit evolutionair oogpunt. Een manier van classificatie is om te kijken naar hoevel paringspartners het mannetjes of vrouwtje heeft waarin 4 klassen te onderscheiden zijn:
Polygynie, één mannetje met meerdere vrouwtjes
Polyandrie, één vrouwtje met meerdere mannetjes
Monogamie, één mannetje met één vrouwtje
Polygynandrie, meerdere mannetjes met meerdere vrouwtjes in een groep
Triver ontwikkelde de theorie van parental investment (ouderlijke investering) om sekseverschillen te verklaren als het gaat om paringspatronen. Parental investment is de tijd, energie en risico’s die het een ouder kost om de nakomelingen te verzorgen, te voeden enzovoort. Als de ouderlijke investering ongelijk is, zijn er twee principes die opkomen: de sekse die het meest investeert is kritischer met het zoeken naar een partner en de sekse die het minst investeert zal intensievere strijd moeten leveren om een partner te vinden. Per paringspatroon is de ouderlijke investering anders. Bij polygynie is er een grote investeering voor vrouwtjes en een lage investering voor mannetjes. De vrouwtjes zijn selectieven in het kiezen van een partner, als je maar een beperkt aantal nakomelingen kunt krijgen wil je wel de beste genen voor ze. De mannetjes zijn vaak competatief om in de gunst van een vrouwtje te komen en zijn hierdoor vaak groter dan de vrouwtjes. Polyandrie komt voornamelijk voor bij vogels. Dit is ontstaat wanneer het vrouwtje meerdere eitjes per paringsseizoen kan leggen. Zij dropt de eitjes dan bij het mannetje die er voornamelijk voor zorgt. Bij dit paringspatroon zie je vaak dat de vrouwtjes groter, sterker en feller gekleurd zijn. Bij monogamie is de ouderlijke investering ongeveer gelijk en dus is ook de competitie binnen een sekse voor een partner ongeveer gelijk. In deze situatie is het meestal zo dat er twee ouders nodig zijn om de nakomelingen groot te brengen. Dit zie je bijvoorbeeld bij veel vogelsoorten en sommige zoogdieren (vooral carnivoren en knaagdieren). De grootte- en sterkteverschillen tussen de seksen is vaak gering. Sociale monogamie, dus het samen grootbrengen van de jongen, staat niet gelijk aan seksuele monogamie. Bij polygynandrie de ouderlijke investering met de groep gedeeld. Deze dieren, in het bijzonder chimpansees en bonobo’s, leven dan ook in groepen. Als een vrouwtje in haar vruchtbare periode zit maakt ze dit duidelijk en paart in die periode met de meeste mannetjes van de groep. Omdat het op deze manier niet duidelijk is wie de vader is, wordt de zorg voor de jongen met de groep gedeeld en ontstaat er geen ruzie tussen de mannetjes of tussen de vrouwtjes. Vrouwtjes die met hun jongen naar een andere groep vertrekken lopen de kans dat hun jongen gedood worden door de mannetjes omdat zij niet de vader kunnen zijn van de jongen (en dus dat de jongen niet hun genen hebben).
Promiscuïteit is het paren met meerdere partners en komt veel voor bij chimpansees en bonobo’s. De groepen zijn groot, 24 tot 36 volwassenen van beide geslachten en hun kinderen. Om iedereen in harmonie met elkaar te laten leven paren de vrouwtjes in beide groepen met de meeste mannetjes van de groep, hoewel zij actief mogen kiezen met wie zij vaker willen paren en met wie minder vaak. Wat voortkomt uit Promiscuïteit is ouderlijke verwarring. Normaal dood een primaat een jong wat niet van hemzelf is, maar aangezien je in de groep niet weet welk jong van jou is gebeurt dit niet en zorgen ze als groep voor de jongen.
Mensen vallen tussen monogamie en polygynie. In niet-westerse culturen komt polygynie regelmatig voor (vaak heeft de man dan bijvoorbeeld meerdere huwelijken), in de westerse wereld is het monogame huwelijk ideaal. Kinderen vereisen een lange en intensieve investering van hun ouders. In de meeste culturen zijn het de vrouwen die voor de kinderen zorgen, maar meestal spelen ook de mannen een rol in de opvoeding, vooral als kostwinner. Dat er ook wat polygynie in het menselijke paringspatroon zit blijkt uit de grotere investering van de vrouw en het feit dat mannen over het algemeen wat groter en sterker zijn. Romantische liefde en seksuele jaloezie komen voort uit hersenmechanismen die te maken hebben met onze paringspatronen. De liefde zorgt voort de totstandkoming van een paar, de jaloezie moet vreemdgaan voorkomen. Dit zie je ook bij monogame vogelsoorten (dus een analogie).
Wat is het belang van het vertonen van agressie en het geven van hulp?
Competitie om bronnen vormt de basis voor agressie en wordt gedefinieerd als vechten en de dreiging van een gevecht tussen leden van detzelfde soort. Dieren en mensen hebben hersenmechanismen die agressief gedrag bevorderen om bronnen voor overleving en voortplanting veilig te stellen. Bij de meeste zoogdieren zijn de mannetjes veel agressiever dan vrouwtjes. De vrouwtjes kunnen agressief zijn om voorzieningen te krijgen of om hun jongen te beschermen
Seksuele jaloezie is het meest voorkomende motief van moorden die door mannen gepleegd worden. Status is ook een van de oorzaak van agressie tussen mannen, net als de behoefte om vrouwen te onderdrukken en te controleren. Bonobo’s zijn een uitzondering, over het algemeen zijn bonobo’s heel vreedzaam. Bij bonobo's domineren vrouwtjes de mannetjes, ondanks dat de mannetjes groter en sterker zijn. De reden dat de vrouwtjes domineren is dat ze onderling een sterke band ontwikkelen en elkaar helpen in ruzies met mannetjes. Dit soort verbonden komen soms ook voor bij vrouwen, in gemeenschappen waarbij vrouwen zulke verbonden hebben komt minder huiselijk geweld voor.
Helpen is elk gedrag dat de kans op overleving en reproductie van een ander vergroot. Coöperatie is het helpen van een ander terwijl het individu ook zichzelf helpt. Coöperatie is het idee twee kunnen meer dan één en dee kosten van coöperatie zijn lager dan de opbrengsten. Altruïsme is wanneer een individu een ander helpt terwijl dat zijn eigen kansen op overleving en voortplanting verkleint. Dit komt minder vaak voor dan coöperatie.
De kin selectie theorie van Hamilton stelt dat altruïsme door natuurlijke selectie komt, omdat het individu bij voorkeur naaste familie helpt omdat deze genetisch sterk op het individu lijken. Op deze manier kunnen de genen van een individu overleven zelfs als het individu het zelf niet overleeft. Dieren helpen inderdaad eerder familie dan niet-familie en hoe naaster de familie, hoe groter de kans op hulp. De reciprociteit theorie van Trivers stelt dat altruïsme ook voorkomt bij niet-familieleden, als een soort coöperatie op de lange termijn. Dit kan alleen als het individu zich kan herinneren wie in het verleden hem geholpen heeft en het individu de neiging heeft anderen niet te helpen die in het verleden hem hulp geweigerd hebben. Eigenlijk is het helpen van een ander dus egoïstisch omdat het de kans vergroot dat het individu later hulp ontvangt als hij het nodig heeft. Deze vorm van altruïsme komt veel voor in de dieren- en de mensenwereld. Mensen hebben emoties zoals dankbaarheid die reciprociteit bevorderen.
Bulletpoints
Genen hebben geen directe invloed op gedrag, maar hebben wel een asscociatie met gedrag. Zij maken deel uit van het DNA (desoxyribonucleïnezuur), die het erfelijke materiaal bevat en dus de opbouw van ons lichaam. Het is dus belangrijk om te weten hoe genen bijdragen aan het ontwikkelen van het zenuwstelsel, de spieren en de zintuigen. De omgeving interacteert met de genen. Bij alle langdurige gedragseffecten is een activatie van de genen betrokken.
Epigenetica wordt gedefinieerd als veranderingen in het functioneren van een gen zonder dat de structuur van het DNA aangepast wordt wat resulteert in een actief gen (aan) of een passief gen (uit) wat omkeerbaar is. We erven namelijk niet alleen DNA van onze voorouders, maar ook diverse chemische markers die genen reguleren door ze aan of uit te zetten.
Natuurlijke selectie volgens Darwin zegt dat het individu dat zich het beste heeft aangepast aan de omgeving een hogere kans heeft om te overleven en te reproduceren waardoor die genen doorgegeven worden. Darwin had bedacht dat er iets was dat de erfelijke informatie via eicellen en spermacellen vervoerde, maar had geen kennis van genen.
Functionalisme, de poging tot het verklaren van gedrag in termen van hoe dat gedrag nut heeft voor het individu. In deze stroming zijn er twee manieren om gedrag te verklaren. Distale (ultimate) verklaringen zijn op evolutionair niveau: welke rol heeft het gedrag van het individu in de overleving en reproductie? Proximale verklaringen over het mechanisme dat het gedrag produceert: wat gebeurt er in het dier of zijn omgeving waardoor dit gedrag tot stand komt? Deze twee soorten verklaringen vullen elkaar aan.
Ieder dier vertoont soortspecifiek gedrag, dit houdt in dat een dier kermerkende gedragingen heeft voor zijn soort. Deze gedragingen zijn door de evolutie gevormd, maar kunnen wel beïnvloed worden door ervaringen.
Paringsgedrag is het meest fundamentele sociale gedrag en belangrijk vanuit evolutionair oogpunt. Een manier van classificatie is om te kijken naar hoevel paringspartners het mannetjes of vrouwtje heeft waarin 4 klassen te onderscheiden zijn: 1) Polygynie, één mannetje met meerdere vrouwtjes 2) Polyandrie, één vrouwtje met meerdere mannetjes 3) Monogamie, één mannetje met één vrouwtje 4) Polygynandrie, meerdere mannetjes met meerdere vrouwtjes in een groep
Competitie om bronnen vormt de basis voor agressie en wordt gedefinieerd als vechten en de dreiging van een gevecht tussen leden van dezelfde soort. Dieren en mensen hebben hersenmechanismen die agressief gedrag bevorderen om bronnen voor overleving en voortplanting veilig te stellen. Bij de meeste zoogdieren zijn de mannetjes veel agressiever dan vrouwtjes. De vrouwtjes kunnen agressief zijn om voorzieningen te krijgen of om hun jongen te beschermen
Tentamentickets
- De werking celdeling en dominante/recessieve genen is vrij abstract om te begrijpen. Het makkelijkste is als je er een filmpje van opzoek. Er zijn veel goede filmpjes die de basis van genen uitleggen.
- Functionalisme is een term die belangrijk is. In de psychologie wordt namelijk veel verklaard vanuit de functie die het heeft.