Samenvatting van Argumentatie: Inleiding in het analyseren en beoordelen van betogen van Van Eemeren en Snoeck Henkemans - 6e druk

Samenvatting bij Argumentatie: Inleiding in het analyseren en beoordelen van betogen

    'Argumentatie. Inleiding in het analyseren, beoordelen en houden van betogen' is geschreven door een tweetal schrijvers: Frans Van Eemeren en Francisca Snoeck-Henkemans. Zij zijn op het gebied van argumentatietheorie internationaal gerenommeerde deskundigen. Van Eemeren is emeritus hoogleraar Taalbeheersing, Argumentatietheorie en Retorica aan de Universiteit van Amsterdam. Henkemans was tot pensionering universitair hoofddocent aan dezelfde universiteit. Beide schreven vele (met name Engelstalige) artikelen en boeken over argumentatie. 'Argumentatie' vormt al vele jaren een toonaangevend boek wat betreft het analyseren, beoordelen en houden van betogen. Het is in meerdere talen uitgebracht.

    Het boek geeft een systematische inleiding in de belangrijkste leerstukken uit de argumentatieleer, waardoor men meer inzicht verkrijgt in de wijze waarop in discussies en betogen wordt geargumenteerd en hoe deze beoordeeld kunnen worden. De 'pragma-dialectische' argumentatieleer (argumentatie is gericht op het oplossen van een meningsverschil op een redelijke wijze) die in het boek uiteen wordt gezet is ontwikkeld aan de Universiteit van Amsterdam. Het eerste deel van het boek geeft een theoretische uitleg, in het tweede deel kan hiermee worden geoefend aan de hand van toetsen en oefeningen. Onderwerpen die hieraan aan de orde komen zijn: de identificatie van meningsverschillen, het expliciteren van verzwegen standpunten en argumenten, de beoordeling van de deugdelijkheid van argumentatie, het herkennen van diverse drogredenen, argumentatieschema's, argumentatiestructuur, strategisch manoeuvreren en de vereisten waaraan schriftelijke en mondelingen betogen moeten voldoen. Ten opzichte van de vorige druk zijn twee extra hoofdstukken toegevoegd. 

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Welke standpunten en meningsverschillen zijn er? - Chapter 1

    Welke standpunten en meningsverschillen zijn er? - Chapter 1

    Er is sprake van een meningsverschil wanneer iemand een standpunt inneemt en een ander zijn twijfel hierover uit. Er zijn verscheidene soorten meningsverschillen die kunnen resulteren in een discussie of betoog. Bepaalde uitdrukkingen en woorden wijzen op een standpunt of uiting van twijfel. 

    Wanneer is er sprake van expliciete en impliciete meningsverschillen?

    Een meningsverschil doet zich voor wanneer iemands standpunt niet volledig wordt gedeeld door een ander. Twijfel is voldoende, een tegenovergesteld standpunt innemen is niet nodig. Een meningsverschil bestaat altijd tussen twee partijen: eentje die een standpunt uit en eentje die het in twijfel trekt of verwerpt. 

    Er zijn twee vormen van meningsverschillen: expliciete en impliciete. Een meningsverschil is expliciet wanneer men zowel het standpunt als de kritiek erop uitdrukkelijk onder woorden brengt. Meestal is een meningsverschil impliciet: slechts een van de partijen spreekt zich uit. Dit komt vaak voor in schriftelijke vorm. Men vooronderstelt dan dat het standpunt door de ander in twijfel wordt getrokken. Als iemand meerdere argumenten voor een bepaald standpunt geeft, wordt ervan uitgegaan dat de ander het standpunt niet deelt.

    Wanneer is sprake van een positief dan wel een negatief standpunt?

    Een meningsverschil gaat altijd over een bepaalde kwestie, welke wordt verwoord in de vorm van een propositie. Een propositie komt tot uitdrukking in een voorspelling, een feitelijke constatering, een aanbeveling of een oordeel. De positie die men inneemt tegenover een propositie kan negatief, positief of neutraal zijn. Deze positie bepaalt of er sprake is van een negatief standpunt, een positief standpunt of geen standpunt (ook wel: 'nul'-standpunt). Een voorbeeld. Propositie: meditatie is zinloos.

    Kim: 'Meditatie is volgens mij zinloos.' (positief standpunt ten opzichte van de propositie).

    Sylvia: 'Meditatie is volgens mij niet zinloos.' (negatief standpunt ten opzichte van de propositie).

    Anouk: 'Ik weet niet of meditatie wel of niet zinloos is.' ('nul'-standpunt).

    Hoe onderscheiden standpunten, proposities en uitingen van twijfel zich van elkaar?

    Er kan altijd een standpunt worden ingenomen over een propositie, ook als deze betrekking heeft op een ingewikkeld onderwerp. De proposities waarover men een standpunt inneemt kunnen verschillen in onderwerp, reikwijdte en kracht. Reikwijdte ziet op de vraag op wie of wat de propositie betrekking heeft. Kracht ziet op de zekerheid waarmee een standpunt wordt ingenomen. Je kunt iets met zekerheid stellen of voorzichtig brengen ('ik ben er zeker van' versus 'ik vermoed').

    Een standpunt kan op meerdere proposities tegelijk slaan, deze zijn normaliter nauw verbonden met elkaar. Vaak worden ze samen vermeld in één zin en worden de verbindingswoorden ‘en’ of ‘maar’ gebruikt.

    Een positief standpunt wordt meestal hetzelfde onder woorden gebracht als de propositie zelf (bijvoorbeeld: 'broers zijn handig'). De positieve aard van het standpunt wordt meestal niet afzonderlijk benadrukt, waardoor het standpunt en de propositie lastig van elkaar te onderscheiden zijn. Een negatief standpunt kan lijken op een uiting van twijfel, en andersom. Vaak heeft men de neiging een negatief standpunt als uiting van twijfel te presenteren: 'Ik vraag me af of dit wel zo’n slim plan is'.

    Uitingen van twijfel hebben andere consequenties dan het innemen van een negatief standpunt. In geval van een tegengesteld standpunt is iemand verplicht deze te verdedigen, terwijl iemand die twijfel uit geen verdedigingsplicht heeft. Bij het analyseren van een discussie/betoog is het daarom belangrijk om na te gaan of iemand die zich ten opzichte van een standpunt aarzelend uitdrukt een tegengesteld standpunt inbrengt of alleen maar twijfelt.

    Welke typen meningsverschillen zijn er?

    Basisvorm van een meningsverschil: een standpunt versus een uiting van twijfel. Van de basisvorm zijn twee varianten, aangezien het standpunt negatief of positief kan zijn ('dat weet ik zo net nog niet' of 'is dat zo?'). Een meningsverschil in de basisvorm is enkelvoudig (heeft betrekking op één propositie) en niet-gemengd (tegenover de propositie wordt maximaal één standpunt ingenomen). Slechts één partij heeft een verdedigingsplicht.

    Naast een niet-gemengd enkelvoudig meningsverschil (basisvorm), zijn ook een meervoudig en een gemengd meningsverschil mogelijk. Meervoudig meningsverschil: men neemt ten opzichte van meerdere proposities een standpunt in. Je kunt bijvoorbeeld veel verschillende zaken of meerdere met elkaar samenhangende zaken ter discussie stellen. Een meningsverschil is ook meervoudig wanneer men zowel twijfel als een standpunt uit over meerdere proposities. Een voorbeeld. Anna: 'Duitse mannen zijn niet grappig, en ook niet gevoelig, maar ze zijn wel intelligent'. Angela: 'dat weet ik nog zo net niet'. Gemengd meningsverschil: ten opzichte van één propositie worden tegengestelde standpunten ingebracht. De een neemt een negatief standpunt in en de ander een positief standpunt of vice versa. Beide partijen hebben een verdedigingsplicht. Anna: 'Duitse mannen zijn niet grappig.' Angela: 'Daar ben ik het niet mee eens'. Complex meningsverschil: combinatie van meningsverschillen van de basisvorm. Een gemengd enkelvoudig meningsverschil (basisvorm). Anna: 'Jij antwoordt altijd veel te gauw.'  Angela: 'Echt niet!'

    Wanneer is er sprake van een hoofdverschil dan wel een subverschil?

    Er kunnen nieuwe geschilpunten ontstaan tijdens een discussie. Een argument dat gebruikt wordt ter verdediging van een standpunt kan zelf ook stuiten op tegenspraak of twijfel. Het hoofdverschil is het oorspronkelijke discussiepunt en het subverschil is een meningsverschil dat opkomt bij een argument over het hoofdverschil. Bij het identificeren van een meningsverschil is het belangrijk hiertussen onderscheid te maken. Een voorbeeld. 

    Dochter: 'Volgens mij is deze vla niet goed meer'. 

    Moeder: 'Dat kan niet kloppen.'

    Dochter: 'Kijk maar, er zitten beestjes in'. 

    Moeder: 'Dat zijn geen beestjes, dat zijn stukjes chocolade'. 

    Dochter: 'Ik heb zulke rare chocolade nog nooit gezien hoor'. 

    Het hoofdverschil gaat over de propositie 'Deze vla is niet goed meer' en is gemengd enkelvoudig. Er is een meervoudig gemengd subverschil ontstaan over de proposities 'Er zitten beestjes in de vla' en 'Er zitten stukjes chocolade in de vla'. 

    Meestal komt het hoofdverschil niet in één keer naar voren, maar wordt pas in de loop van de discussie duidelijk waarover van mening wordt verschild. Hetzelfde standpunt kan ook op een later moment worden herhaald in andere bewoordingen, waardoor sprake lijkt te zijn van een ander standpunt. Normaliter weergeeft de nieuwe formulering eerder het standpunt waar het hoofdverschil betrekking op heeft dan de oorspronkelijke.

    Hoe komen standpunten en twijfel tot uitdrukking?

    Bepaalde uitdrukkingen maken duidelijk dat sprake is van een standpunt:

    • 'Ons standpunt is dat', 'Ik ben de mening toegedaan dat', 'ik vind dat', 'volgens mij', 'wij kunnen niet anders dan concluderen dat', 'mijns inziens', 'ergo:', 'dus', 'daarom'. 

    In sommige gevallen blijft het bij een sterke aanwijzing dat er sprake is van een standpunt:

    • 'Kortom', 'zoals ik het zie', 'het zit namelijk zo', 'ik meen te mogen stellen dat'. 

    In andere gevallen blijkt uit een uitspraak niet duidelijk dat sprake is van een standpunt, maar wordt deze wel als zodanig geïnterpreteerd:

    • 'Met andere woorden:..', '..zouden.. moeten zijn', 'alles overwegend', 'het feit dat', 'dient'.

    Vaak is kennis van de context of achtergrondinformatie nodig om te kunnen bepalen of een uitspraak een standpunt inhoudt. 

    Twijfel is lastiger te identificeren als standpunt, omdat deze meestal impliciet tot uitdrukking komt. Uit het feit dat iemand het nodig acht zijn standpunt te verdedigen kan worden afgeleid dat deze persoon denkt dat de ander eraan twijfelt. Bepaalde uitdrukkingen wijzen op de aanwezigheid van twijfel: 'Ik weet niet of', 'Het zou zo kunnen zijn dat', 'Ik ben er niet helemaal zeker van dat', 'Ik moet er nog eens over nadenken of ik vind dat', 'Misschien is het wel niet zo dat'. 

    Access: 
    Public
    Hoe verloopt een argumentatieve discussie? - Chapter 2

    Hoe verloopt een argumentatieve discussie? - Chapter 2

    Voor het oplossen van een meningsverschil is het voeren van een argumentatieve discussie nodig. Een argumentatieve discussie bestaat uit een aantal fasen, welke geanalyseerd moeten worden aan de hand van het ideaalmodel van een kritische discussie.

    Wanneer is een meningsverschil opgelost?

    Een meningsverschil van de basisvorm is beëindigd wanneer een partij zijn standpunt intrekt of de twijfel laat varen. Let op, het einde van de onenigheid betekent niet automatisch dat het verschil van mening daadwerkelijk is opgelost. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen het beëindigen van een meningsverschil door beslechting en door een oplossing.

    Beslechting: het discussiepunt wordt op de een of andere manier uit de wereld geholpen. De ene partij is in dit geval niet overtuigd door de andere. Beschaafde manieren hiervoor zijn: voorleggen aan een buitenstaander (rechter bijvoorbeeld), het lot laten beslissen of stemmen (bijvoorbeeld bij meerderheid in geval van een politiek meningsverschil). Een onbeschaafde manier betreft intimidatie of bedreiging.

    Wanneer een discussie wordt opgelost, herziet één partij zijn mening. Deze partij is op basis van rationele afwegingen tot dezelfde overtuiging gekomen. Dit kan inhouden dat beide partijen hetzelfde standpunt innemen of zij beide twijfels hebben gekregen.

    Uit welke fasen bestaat een argumentatieve discussie?

    In een argumentatieve discussie wordt getracht om op basis van argumentatie te bepalen of een standpunt verdedigbaar is. Een informatieve discussie daarentegen heeft als doel het op de hoogte stellen van zaken tussen partijen. Vaak lopen informatieve en argumentatieve discussies door elkaar heen. 

    In een discussie is de protagonist de persoon die het standpunt verdedigt. De antagonist twijfelt aan de aanvaardbaarheid van dit standpunt. De protagonist probeert de antagonist te overtuigen en de antagonist laat zich kritisch uit. 

    Voor het oplossen van een meningsverschil op redelijke wijze moeten vier discussiefasen worden doorlopen:

    1. Confrontatiefase: partijen stellen vast dat er een meningsverschil bestaat. In geval van een niet-gemengd enkelvoudig meningsverschil van de basisvorm wordt getwijfeld aan het standpunt van de ander.

    2. Openingsfase: partijen besluiten een poging te doen het meningsverschil op te lossen. Ze maken afspraken over de manier waarop de discussie gevoerd wordt en over de uitgangspunten bij de discussie.

    3. Argumentatiefase: de protagonist beargumenteert zijn standpunt ter verdediging tegen de kritiek van de antagonist.

    4. Afsluitingsfase: partijen stellen vast in hoeverre het meningsverschil is opgelost en ten gunste van wie.

    Wat houdt het 'ideaalmodel van een kritische discussie' in?

    Een ideaalmodel van een kritische discussie geeft aan welke argumentatieve zetten in de vier discussiefasen van belang zijn voor het oplossen van een meningsverschil en welke regels hierbij gehanteerd moeten ter handhaving van de redelijkheid. 

    In de praktijk komen argumentatieve discussies vaak niet in de buurt van het ideaalmodel: de discussiefasen worden niet allemaal of niet in de juiste volgorde doorlopen, iemand concludeert dat zijn gelijk reeds bewezen is terwijl de argumentatie nog niet is voltooid of halverwege de discussie blijkt dat onduidelijk is wat het meningsverschil nu exact inhoudt. 

    De werkelijkheid komt nooit overeen met het ideaal. Het ideaalmodel is een hulpmiddel en een instrument om een discussie op een constructieve manier te analyseren. Het toont op welke punten een argumentatieve discussie is mislukt.

    Welke rol speelt het betoog in een argumentatieve discussie?

    De argumentatiefase wordt vaak gezien als de “eigenlijke” discussie en is in aanzienlijke mate bepalend voor de oplossing van een meningsverschil. Het standpunt en de uitspraken van de protagonist ter verdediging van dit standpunt vormen de hoofdbestanddelen van zijn betoog. In geval van een niet-gemengd eenvoudig meningsverschil wordt altijd slechts één betoog gehouden. De antagonist twijfelt aan de aanvaardbaarheid van het standpunt, maar neemt zelf geen standpunt in. Een betoog is daarom niet nodig. In geval van een gemengd meningsverschil brengen beide partijen een standpunt naar voren dat zij moeten verdedigen en worden er dus twee betogen gehouden. 

    Wanneer in een discussie maar één van beide partijen aan het woord komt, spreken we van een impliciete discussie. Ook al komt de andere partij niet expliciet aan het woord, er wordt wel rekening mee gehouden. In het betoog wordt bijvoorbeeld gerefereerd aan mogelijke aanvallen die de antagonist kan richten tegen het standpunt of de argumenten.

    Soms heeft het betoog de vorm van een monoloog, bijvoorbeeld een toespraak of een geschreven commentaar. De monoloog is dan onderdeel van een eenzijdige dialoog, waarin geen ruimte is voor een ander om te reageren. Een betoog is telkens gericht op het overtuigen van een ander, of deze zich nu kritisch uit of niet. Wanneer een betoog onderdeel is van een impliciete discussie of de vorm heeft van een monoloog, volstaat het presenteren van de eigen argumenten niet. In sommige gevallen moet men aan de positie van een (eventuele) antagonist of tegenpartij refereren door bekende tegenwerpingen of twijfelpunten te benoemen. Daarnaast moeten ook de overige discussiefasen worden verwerkt in het betoog. Er moet duidelijk worden gemaakt dat een meningsverschil bestaat of dreigt te ontstaan en wat dit meningsverschil inhoudt (confrontatiefase), wat de uitgangspunten zijn en soms welke discussieprocedure zal worden gevolgd voor de oplossing (openingsfase), het betoog moet worden gehouden (argumentatiefase) en afsluitend moet de protagonist aangeven in hoeverre het meningsverschil is opgelost (afsluitingsfase). Aan de hand van het ideaalmodel moet worden beoordeeld hoe de discussiefasen zijn verwerkt in het betoog.

    Access: 
    Public
    Hoe wordt argumentatie gepresenteerd? - Chapter 3

    Hoe wordt argumentatie gepresenteerd? - Chapter 3

    Zodra duidelijk is op welke standpunten het meningsverschil betrekking heeft en hoe dit meningsverschil in elkaar steekt, moet worden beoordeeld wat het betoog inhoudt. Welke argumentatieve zetten hebben plaatsgevonden? Belangrijk in dit kader zijn de argumenten: de uitspraken die zijn gedaan ter ondersteuning van het ter discussie staande standpunt om een ander te overtuigen van de aanvaardbaarheid van dit standpunt.

    Hoe kun je standpunten identificeren?

    Om na te gaan hoe in een discussie of betoog gepoogd wordt een meningsverschil op te lossen, moet worden bekeken welke argumenten zijn gebruikt. 

    Uitgangspunt: argumentatie is altijd gericht op het verdedigen van een standpunt. In geval van een positief standpunt wordt de propositie waarop het standpunt betrekking heeft gerechtvaardigd. In geval van een negatief standpunt wordt de propositie ontkracht door de argumentatie. Omdat argumentatie altijd betrekking heeft op een zeker standpunt, begin je met het identificeren van dit standpunt. Meestal volgt de argumentatie niet lang daarna. Indicatoren van een standpunt: 'volgens mij', 'naar mijn mening', 'al met al meen ik te mogen concluderen dat'. 

    Wat zijn indicatoren van argumentatie?

    Soms wordt voor- of achteraf expliciet aangegeven dat het gaat om argumentatie. Een voorbeeld: 'mijn argumentatie hiervoor is dat'. Meestal maken sprekers of schrijvers echter gebruik van indicatoren van argumentatie. Voorbeelden: daarom, aangezien, dan ook, dus, vandaar, want, immers, ergo, dientengevolge, derhalve. Indicatoren van argumentatie kunnen ook gebruikt worden om een standpunt te achterhalen, aangezien zij gewoonlijk tevens indicatoren van een standpunt zijn.

    Als een indicator terugwijst naar een standpunt dat eerder genoemd is, is er sprake van een terugwijzende presentatie (standpunt, indicator, argumentatie). Indicatoren: want, immers. Als een indicator vooruitwijst naar een standpunt dat later komt, is sprake van vooruitwijzende presentatie (argumentatie, indicator, standpunt). Indicatoren: vandaar, dus, daarom.

    Sommige woorden zijn geen indicatoren van argumentatie, maar wel handige aanwijzingen: kortom, met andere woorden, enerzijds-anderzijds, namelijk, gezien, dient. Indicatoren van argumentatie worden niet altijd argumentatief gebruikt. Het woord ‘dus’ kan ook aangeven dat enkel een conclusie wordt getrokken.

    Wat als een indicator van argumentatie ontbreekt?

    Vaak ontbreekt een indicator van argumentatie of is het onduidelijk of de presentatie terugwijzend of vooruitwijzend is. De inhoud, volgorde of aard van de uitspraken geeft niet altijd aan wat argument en wat standpunt is. Normaal gesproken worden standpunten en argumentaties duidelijk door de context waarin ze worden gebracht. In een welbepaalde context is het eenvoudig om tot een correcte interpretatie te komen. Interpretatieproblemen ontstaan doorgaans pas in een onbepaalde context.

    In geval van een onbepaalde context moeten andere hulpmiddelen worden ingezet. Bijvoorbeeld de wetenschap dat iemand die een meningsverschil wil oplossen gebaat is bij een juiste interpretatie van zijn argumentatie. Het is dan aannemelijk dat zijn uitspraken als argumenten gelden. Daarnaast kan ook de concrete situatie waarin iets beweerd wordt en de sociale en culturele achtergrond waarin dit gebeurt verhelderend zijn. Specifieke en algemene achtergrondkennis of vakkennis kunnen eveneens behulpzaam zijn bij het interpreteren van een discussie of betoog.

    Wat is het verschil tussen argumentatie en een verklaring, toelichting of uitleg?

    Bij de interpretatie van een betoog moet in eerste instantie uit worden gegaan van de precieze tekst. Pas bij interpretatieproblemen mogen andere hulpmiddelen gebruikt worden. Er moet vooral worden opgelet dat men niet naar zich toe interpreteert.

    Het woord 'omdat' wordt tegenwoordig vaak gebruikt om oorzaak-gevolg aan te geven, in plaats van een reden. In dit geval is sprake van een verklaring, uitleg of toelichting, waarbij datgene wat men zegt al aanvaard wordt. Dit is een groot verschil met argumentatie, waarbij een standpunt nog aanvaard moet worden. Soms wordt bewust geprobeerd de ander te misleiden door een standpunt voor constatering en de argumentatie voor toelichting, uitleg of verklaring door te laten gaan. Zo lijkt het alsof het standpunt geen verdediging nodig heeft. Ook als geen sprake is van een poging tot misleiding, komt het voor dat een uitspraak aanvankelijk een toelichting, uitleg of verklaring lijkt te zijn, maar door de rechtvaardigende strekking ervan een argumentatie betreft. 

    Wanneer kies je voor een maximaal argumentatieve interpretatie?

    Bij de interpretatie van een betoog is het in geval van twijfel aan te raden om te kiezen voor een argumentatieve interpretatie. Als de betreffende uitspraken worden opgevat als argumentatie, noemt men deze strategie de 'maximaal argumentatieve interpretatie'. Door het zekere voor het onzekere te nemen worden ook uitspraken die mogelijk een uitleg, verklaring, toelichting of slechts een mededeling zijn, opgevat als argumentatie. Hierdoor is de kans klein dat een uitspraak die relevant kan zijn buiten beschouwing wordt gelaten. 

    De strategie van de maximaal argumentatieve interpretatie moet eveneens gehanteerd worden in het geval waarin een zinnige interpretatie niet mogelijk is. Een voorbeeld. 'Je moet hier niet rennen. Of wil je soms vallen?' Niemand zal willen vallen, dus je kunt ervan uitgaan dat het een retorische vraag betreft die indirect wordt gebruikt als argument ('anders val je'). Het is een argument voor het standpunt 'je moet hier niet rennen'. In geval van onduidelijke vragen moet altijd worden gekozen voor een maximaal argumentatieve interpretatie.

    Access: 
    Public
    Wat zijn verzwegen standpunten en argumenten? - Chapter 4

    Wat zijn verzwegen standpunten en argumenten? - Chapter 4

    Men drukt zich in een betoog niet altijd expliciet uit. Soms is sprake van ‘verzwegen’ standpunten of argumenten welke op verantwoorde wijze expliciet moeten worden gemaakt.

    Wat zijn verzwegen onderdelen van een betoog?

    Het komt vaak voor dat in een betoog onderdelen worden weggelaten. Als het gaat om standpunten en argumenten die impliciet aanwezig zijn, gelet op hetgeen wel vermeld is, dan zijn dit mogelijk ‘verzwegen’ standpunten of argumenten. Een voorbeeld waarbij het verzwegen argument tussen haakjes staat. ‘Ik wil geen ander werk, want bij andere werkgevers kan ik mijn teckel Bas niet meenemen (en Bas moet mee naar kantoor kunnen).’

    Het verzwijgen van een onderdeel gebeurt niet altijd met de bedoeling om te misleiden. Meestal acht de betoger ze vanzelfsprekend. Een onderdeel kan impliciet besloten liggen in een wel expliciet genoemd onderdeel, ook dit is een verzwegen onderdeel waarop kritiek kan worden geleverd.

    Verzwegen onderdelen kunnen bepalend zijn voor het vervolg van een discussie en daarmee voor de mogelijke oplossing. Ook bij de beoordeling van een betoog kunnen verzwegen onderdelen van belang zijn, bijvoorbeeld bij de evaluatie van de argumentatie. Bij de analyse van het betoog moet altijd nauwkeurig worden nagegaan of er sprake is van verzwegen onderdelen en hoe je deze het beste kunt expliciteren.

    Welke spelregels gelden er bij communicatie?

    Verzwegen standpunten en argumenten zijn voorbeelden van impliciet en ‘indirect’ taalgebruik. Dit is kenmerkend voor communicatie in de gewone omgangstaal. Bij indirectheid is altijd sprake van impliciet taalgebruik. Bij ‘gewoon’ impliciet taalgebruik wordt niet geprobeerd om via een omweg iets extra’s over te brengen. Bij indirectheid bedoelt iemand niet alleen meer dan wat hij zegt, maar maakt hij ook nog duidelijk dat dit zo is. De bepalende vraag is dan ook: hoe kan de lezer of luisteraar weten dat er nog iets anders bedoeld wordt dan expliciet vermeld wordt? 

    Om onduidelijkheid te voorkomen moet iedereen zich houden aan het communicatiebeginsel. Conform dit beginsel zal iedereen die communiceert zich aan de algemene spelregels voor communicatie zal houden. De belangrijkste regels houden in dat hetgeen je meldt niet onbegrijpelijk, onoprecht, zinloos of overbodig mag zijn en het moet aansluiten bij de gedachtewisseling tussen de communicerende personen. Men moet eerlijk, duidelijk, efficiënt en ter zake zijn. Normaliter mag je ervan uitgaan dat iedereen zich hieraan probeert te houden, waardoor het direct opvalt wanneer dit niet het geval is. Iemand die iets extra's wilt overbrengen (zoals bij indirectheid) kan door het overtreden van een of meerdere spelregels duidelijk maken dat er iets anders of iets meer wordt bedoeld dan expliciet wordt vermeld. Dankzij het communicatiebeginsel en de algemene spelregels voor communicatie kunnen personen die met elkaar communiceren op herkenbare wijze indirect zijn en indirectheid herkennen. 

    Wat zijn correctheidsvoorwaarden?

    De algemene spelregels voor communicatie gelden voor elk type taalhandeling (mededeling, argumentatie, vraag, belofte, verklaring). De invulling van de regels is afhankelijk van de specifieke taalhandeling. In geval van bijvoorbeeld een belofte moet men conform de regel 'wees eerlijk' de bedoeling hebben het beloofde na te komen. Naast de identiteitsvoorwaarden (ter herkenning van het type taalhandeling) gelden correctheidsvoorwaarden. Hierin staat geformuleerd waaraan de uitvoering van de betreffende taalhandeling moet voldoen. De correctheidsvoorwaarden worden onderverdeeld in voorbereidende voorwaarden en oprechtheidsvoorwaarden. 

    De voorbereidende voorwaarden helpen een spreker of schrijver te handelen conform de spelregel van efficiëntie. Bij argumentatie wil dat zeggen: een zinvolle en niet-overbodige overtuigingspoging ondernemen. Aan de voorbereidende voorwaarden van argumentatie wordt voldaan wanneer ervan uit wordt gegaan dat de lezer of luisteraar het verdedigde standpunt niet al bij voorbaat volledig aanvaardt, de uitspraken die worden gedaan in de argumentatie wel aanvaardt en de argumentatie beschouwt als een aanvaardbare rechtvaardiging van de propositie waarover het standpunt is ingenomen.

    De oprechtheidsvoorwaarden geven aan wat de schrijver of spreker moet geloven als hij zich houdt aan de spelregel van eerlijkheid. Bij argumentatie wil dat zeggen: zonder misleiding een overtuigingspoging doen. Aan de oprechtheidsvoorwaarden wordt voldaan, wanneer de schrijver of spreker zelf gelooft dat zijn standpunt aanvaardbaar is, de uitspraken die worden gedaan in de argumentatie aanvaardbaar zijn en de argumentatie een aanvaardbare rechtvaardiging is van de propositie waarover het standpunt is ingenomen. Wie meent dat niet aan deze drie voorwaarden is voldaan, beschuldigt de schrijver of spreker van misleiding.

    Wat als de spelregels worden overtreden?

    Er ontstaan problemen als er spelregels overtreden worden, terwijl het communicatiebeginsel niet wordt opgegeven. De lezer of luisteraar neemt dan niet direct aan dat de spreker zomaar de communicatie verstoort door inefficiënt, oneerlijk, niet ter zake of onduidelijk te zijn. Hij zal dan pogen om de woorden zodanig te interpreteren dat de wijze van communicatie alsnog betekenis krijgt en de bedoeling van de overtreding duidelijk te maken. De schijnbare overtreding zou dan een reële betekenis krijgen. Het is in de praktijk lastig om evidente overtredingen van de algemene regels aan te wijzen, zonder een poging te doen deze overtreding te rechtvaardigen.

    Op welke manier kun je indirect zijn?

    Indirectheid heeft altijd een motief. Door het overtreden van algemene spelregels voor communicatie kun je indirect iets zeggen. Een gebrek aan duidelijkheid kan bijvoorbeeld een gebrek aan 'willen' uitdrukken of zelfs een weigering. Gebrek aan eerlijkheid kan door het gebruik van ironie een tegengestelde bedoeling aan het licht brengen. Door overtreding van de efficiëntieregel kan iemand iets benadrukken ('En nu moet het echt stil zijn', terwijl men wel wist stil te moeten zijn) of indirect een klacht uiten (door het stellen van een zinloze vraag bijvoorbeeld). Gebrek aan ter zake zijn kan men gebruiken om een gespreksonderwerp af te wijzen (bijvoorbeeld: 'Hoe vind je de nieuwe vriendin van je broer?' met als reactie 'Ik ga de planten maar even water geven.'). 

    Hoe maak je verzwegen standpunten expliciet?

    In een betoog geeft een schrijver of spreker niet altijd even duidelijk aan wat zijn standpunt is, er is dan sprake van verzwegen standpunten. Via argumenten of indirecte taalhandelingen zijn deze wel te achterhalen door lezers of luisteraars. Hierbij gebruikt men logica als hulpmiddel. Er moet vanuit worden gegaan dat in een betoog telkens wordt geprobeerd om logisch geldig te redeneren, anders zou het betoog zinloos zijn. 

    In het simpelste geval bestaat een betoog uit een enkelvoudige argumentatie (slechts één redenering). Is het verdedigde standpunt verzwegen, dan mist de conclusie van de redenering. De lezer of luisteraar moet deze dan zelf aanvullen door een conclusie te vinden die logisch volgt uit de naar voren gebrachte redenering. In geval van meerdere mogelijkheden wordt gekozen voor het standpunt dat het meeste recht doet aan alle spelregels voor communicatie.

    Hoe maak je verzwegen argumenten expliciet?

    Verzwegen argumenten kunnen expliciet worden gemaakt aan de hand van het communicatiebeginsel, de logica en de algemene spelregels voor communicatie. Wanneer sprake is van een verzwegen argument, wordt altijd een ongeldige redenering geuit. De redenering wordt geldig als hier een uitspraak aan wordt toegevoegd. Deze uitspraak wordt het eenvoudigst gevonden met behulp van een ‘als…dan…’- uitspraak. Deze uitspraak verbindt het expliciete argument met de gepresenteerde conclusie. Na 'als' volgt dan het argument, na 'dan' het standpunt. Door toevoeging van de uitspraak wordt de redenering logisch geldig. Als de argumenten kloppen, kan de conclusie alleen maar juist zijn.

    In geval van een verzwegen argument in een enkelvoudige argumentatie is dit de beste manier om de redenering geldig te maken. Dit is echter onvoldoende. De toegevoegde uitspraak betreft eigenlijk niet meer dan een letterlijke herhaling van wat al gezegd is, wat betekent dat het een overbodige uitspraak is en de regel van efficiëntie wordt overtreden. Als er geen aanleiding is om te menen dat het communicatiebeginsel geheel buiten beschouwing is gelaten, hoeft de schrijver of spreker de overtreding van de efficiëntieregel niet te worden aangerekend. Het is verstandiger om een uitspraak te formuleren die geen overtreding zou opleveren. Men kan de ‘als…dan…’-uitspraak vervangen door een algemenere uitspraak. Vervolgens moet worden beoordeeld welke uitspraak het best past in de context van het betoog, overeenstemt met de achtergrondinformatie en tot de gebondenheden van de schrijver of spreker kan worden gerekend. 

    Wat als een argument verzwegen is in een welbepaalde context?

    De context waarin de argumentatie plaatsvindt hoeft niet altijd onbepaald te zijn en kan een speciale invloed hebben op de invulling van het verzwegen argument. Om een vooringenomen specifieke invulling van het verzwegen argument te vermijden, geldt als regel dat er in de eerste plaats vanuit moet worden gegaan dat de argumentatie in een onbepaalde context plaatsvindt, tenzij evident is dat dit onterecht is en tot een onjuiste interpretatie leidt. 

    In geval van een onbekende context is het verband tussen argument en standpunt onduidelijk en kan de 'als...dan...'-uitspraak worden ingezet om het verzwegen argument te achterhalen. Is de context wel bekend, dan kan aan verzwegen standpunten een invulling worden gegeven die meer conform de bedoeling van de schrijver of spreker is en dus dichter bij de waarheid zal liggen. 

    Access: 
    Public
    Hoe ziet de argumentatiestructuur van een betoog eruit? - Chapter 5

    Hoe ziet de argumentatiestructuur van een betoog eruit? - Chapter 5

    Nadat is vastgesteld waarover men van mening verschilt en welke argumenten ter verdediging van het standpunt zijn aangevoerd, moet worden geanalyseerd hoe de argumentatie is gestructureerd. Hoe hangen de argumenten met elkaar en met het verdedigde standpunt samen?

    Wat is enkelvoudige argumentatie?

    Enkelvoudige argumentatie bestaat altijd uit twee uitspraken. Een uitspraak waarin het argument wordt gegeven (ter uitdrukking van de propositie) en één die de propositie verbindt met het verdedigde standpunt. In de praktijk wordt de verbindende uitspraak vaak verzwegen, waardoor het lijkt alsof enkelvoudige argumentatie uit slechts één argument bestaat. Een voorbeeld: 'Mark klaagt, want Mark is een man.' (Verzwegen: 'alle mannen klagen').

    Bestaat een betoog uit één enkelvoudige argumentatie, dan gaat het om de meest eenvoudige argumentatiestructuur: de basisstructuur. Voor het krijgen van een volledig beeld van deze structuur, is het handig om verzwegen uitspraken te expliciteren, zeker wanneer het een verzwegen argument betreft waarop in het betoog wordt doorgegaan.

    Welke combinaties van enkelvoudige argumentatie bestaan er?

    Een betoog kan een combinatie van enkelvoudige argumentaties bevatten. De argumentatiestructuur is afhankelijk van het type meningsverschil. Voor het oplossen van een meervoudig meningsverschil zijn meer enkelvoudige argumentaties nodig. Elk standpunt vereist ter verdediging minstens één enkelvoudige argumentatie. In geval van een gemengd meningsverschil worden door meerdere partijen betogen gehouden, die ieder ook weer uit meerdere enkelvoudige argumentaties kunnen bestaan. 

    De argumentatiestructuur is tevens afhankelijk van de reacties waarop in het betoog wordt geanticipeerd of geantwoord. Bijvoorbeeld: in geval van een twijfelende reactie is men genoodzaakt om de argumentatie van het standpunt weer te verdedigen (argumentatie voor argumentatie). De twijfel heeft niet altijd betrekking op de aanvaardbaarheid van de inhoud van de in de argumentatie gedane uitspraken, maar kan ook de rechtvaardigingskracht voor het standpunt betreffen. De lezer of luisteraar acht de uitspraak acceptabel, maar trekt in twijfel of deze het standpunt voldoende ondersteunt. In dat geval kan de schrijver of spreker zijn argumenten beargumenteren, maar ook zijn oorspronkelijke argumentatie aanvullen met andere argumenten. Reacties van lezers of luisteraars kunnen resulteren in argumentatie voor argumentatie of een combinatie van argumenten, maar ook in het uiten van geheel los van elkaar staande argumenten (alternatieve verdedigingen van hetzelfde standpunt). 

    Het type meningsverschil dat opgelost moet worden en de reacties van de personen die overtuigd moeten worden zijn van groot belang bij de totstandkoming van complexe argumentatie in een betoog, maar uiteindelijk bepalen de keuzes van de betoger de argumentatiestructuur van zijn betoog. Soms geeft men de voorkeur aan één enkelvoudige argumentatie en soms worden er veel aangevoerd.

    Wat is het verschil tussen meervoudige, nevenschikkende en onderschikkende argumentatie?

    Onderschikkende argumentatie is de eerste vorm van complexe argumentatie. Hierbij wordt argumentatie gegeven voor argumentatie of voor een onderdeel van de argumentatie. Een argument wordt dan ondersteund door een ander argument, welke zelf ook weer ondersteund kan worden enzovoorts. Schematisch gezien geschiedt dit trapsgewijs. Door het gebruiken van onderschikkende argumentatie wordt de argumentatie (of een onderdeel ervan) een substandpunt.

    Nevenschikkende argumentatie betreft de tweede vorm van complexe argumentatie. Bij deze vorm van argumentatie worden verschillende argumentaties naast elkaar gepresenteerd, die elkaar aanvullen en samen één samenhangend betoog vormen. De losse argumentaties zijn elk te zwak om het standpunt voldoende te verdedigen, maar samen geven ze voldoende ondersteuning.

    Meervoudige argumentatie is de derde vorm van complexe argumentatie. Het gaat hierbij om meerdere argumenten voor hetzelfde standpunt, die los van elkaar staan, gelijkwaardig zijn en na elkaar als onafhankelijke argumenten worden gepresenteerd.

    Hoe geef je de argumentatiestructuur schematisch weer?

    Schematische weergave van enkelvoudige argumentatie:
    1 standpunt
    1.1 argumentatie
    1.1 verzwegen argument dat geëxpliciteerd wordt

    Schematische weergave van onderschikkende argumentatie:
    1 standpunt
    1.1 argument
    1.1.1 subargument
    1.1.1.1 subsubargument

    Schematische weergave van nevenschikkende argumentatie:
    1 standpunt
    1.1a argumentatie verbonden met 1.1b
    1.1b argumentatie verbonden met 1.1a

    Schematische weergave van meervoudige argumentatie:
    1 standpunt
    1.1 argumentatie
    1.2 argumentatie

    Hoe wordt complexe argumentatie gepresenteerd?

    Het is belangrijk om na te gaan of een betoog enkelvoudige, meervoudige of nevenschikkende argumentatie bevat, dan wel een combinatie hiervan. Dit wordt zelden expliciet aangegeven door een schrijver of spreker. Er zijn verschillende indicatoren die wijzen op een bepaalde argumentatiestructuur. 

    De onderdelen van een onderschikkende argumentatie kunnen door de volgende indicatoren vooraf worden gegaan: want, omdat, immers, vandaar, daarom, aangezien. Niet veel indicatoren wijzen op uitsluitend onderschikkende argumentatie. Bepaalde combinaties van indicatoren doen dit wel: want aangezien, want gezien het feit dat, want immers, immers omdat, aangezien immers, omdat immers.

    Indicatoren van nevenschikkende argumentatie: vooral ook omdat, een reden temeer om, daarbij komt, zelfs, daarnaast, sterker nog. 

    Indicatoren van meervoudige argumentatie: trouwens, overigens, nog afgezien van, in de eerste plaats, niet te vergeten, ten overvloede, hiervoor pleit onder meer.

    Er zijn uitdrukkingen die niet verwijzen naar één soort complexe argumentatie, maar waarvan de kans zeer groot is dat sprake is van onderschikkende of nevenschikkende argumentatie: alles overwegend is duidelijk dat, hieruit volgt, ik concludeer, al met al, dat volgt uit, bijgevolg.

    Wat is een maximaal argumentatieve analyse?

    Nevenschikkende en meervoudige argumentatie zijn soms moeilijk uit elkaar te houden. Het wordt niet expliciet aangegeven, indicatoren ontbreken of woorden verwijzen naar beide argumentatiestructuren: verder, ook, en, en ook. Soms blijkt enkel op grond van de inhoud van de argumenten en het standpunt of er sprake is van meervoudige of nevenschikkende argumentatie. In andere gevallen is onduidelijk of er sprake is van afzonderlijke argumenten die ieder voor zich gewichtig genoeg zijn of van argumenten die gezamenlijk het standpunt ondersteunen.

    Bij de beoordeling maakt het een groot verschil of een argumentatie als nevenschikkend of meervoudig wordt gezien. Als een van de argumenten als zwak wordt gezien, staan de andere argumenten bij meervoudige argumentatie nog overeind, terwijl bij nevenschikkende argumentatie de hele verdediging wordt aangetast.

    Bij het analyseren van de argumentatie moet niet louter worden afgegaan op de verbale presentatie (aanwezigheid van specifieke indicatoren), maar ook op andere verbale middelen die aanwijzingen bieden voor de interpretatie van de argumentatie. Er moet worden gekozen voor een interpretatie die conform het communicatiebeginsel is. Valt de balans dan nog niet uit richting een meervoudige dan wel een onderschikkende argumentatie, dan wordt bij voorkeur gekozen voor meervoudige argumentatie. Als één argumentatie onderuit wordt gehaald, kunnen de overige argumentaties nog voldoende onderbouwing van het standpunt opleveren. De persoon die argumenteert wordt op deze wijze maximaal de mogelijkheid geboden om zijn standpunt voldoende te verdedigen. Dit noemt men de strategie van de maximaal argumentatieve analyse.

    Hoe moet worden omgegaan met verzwegen argumenten bij de analyse van complexe argumentatie?

    Bij onderschikkende argumentatie kan soms een verzwegen onderschikkende argumentatie worden aangewezen. In sommige gevallen wordt deze verzwegen argumentatie duidelijk door de welbepaalde context of door de welbepaalde verbale context. Bij het analyseren moet de welbepaaldheid van de context zo goed mogelijk worden benut.

    Hoe maak je een analytisch overzicht?

    Bij het analyseren van een betoog is het aan te raden een analytisch overzicht te maken. Hierin wordt een samenvatting gegeven van:

    • De discussiefasen (confrontatiefase, openingsfase, argumentatiefase, afsluitingsfase).

    • Het meningsverschil (standpunten, partijen, posities van de partijen, typering van het meningsverschil).

    • De aangevoerde argumentaties (expliciet, impliciet, verzwegen, argumentatieschema).

    • De argumentatiestructuur (enkelvoudig, meervoudig, nevenschikkend, onderschikkend en combinaties hiervan).

    • De getrokken conclusies (eindpositie protagonist en antagonist voor elk standpunt, consequenties uitkomsten voor de oplossing van het meningsverschil).

    Access: 
    Public
    Wanneer is argumentatie deugdelijk? - Chapter 6

    Wanneer is argumentatie deugdelijk? - Chapter 6

    Na het analyseren van het betoog en het maken van een analytisch overzicht moet de argumentatie worden beoordeeld. Zijn de uitspraken aanvaardbaar en de redeneringen logisch geldig? Hierna moet de deugdelijkheid, de passendheid en een correcte realisatie van elke enkelvoudige argumentatie worden gecontroleerd. 

    Wat houden aanvaardbaarheid, geldigheid en deugdelijkheid in?

    Bij het beoordelen van een betoog moet worden uitgegaan van een analytisch overzicht, waarin de inzichtelijk weergegeven argumentatiestructuur het uitgangspunt vormt. Wanneer een onderdeel van een meervoudige argumentatie geen stand blijkt te houden, heeft dit andere gevolgen voor de gehele argumentatie dan wanneer het een onderdeel van een onderschikkende of nevenschikkende argumentatie betreft. 

    Bij de beoordeling van de deugdelijkheid van argumentatie moeten alle enkelvoudige argumentaties betrokken worden. Voor iedere argumentatie moet worden bepaald of de proposities aanvaardbaar zijn, of de redenering waarop de argumentatie berust logisch geldig is of in ieder geval kan worden gereconstrueerd tot een logisch geldige redenering, en of de argumentatie een deugdelijke rechtvaardiging betreft van het verdedigde standpunt.

    Bij feitelijke uitspraken waarvan de waarheid op eenvoudige wijze kan worden gecontroleerd, kan de aanvaardbaarheid van proposities zonder problemen worden vastgesteld. Soms is over de aanvaardbaarheid van niet-feitelijke uitspraken ook snel overeenstemming te bereiken, bijvoorbeeld als het om algemene morele oordelen of principes gaat. In veel andere gevallen is het lastiger om het eens te worden over de aanvaardbaarheid van een propositie. Dit geldt met name in geval van ingewikkelde kwesties of kwesties die betrekking hebben op specifieke waarden en normen. Dergelijke proposities verlangen verdere argumentatie ter ondersteuning van het standpunt.

    Een enkelvoudige argumentatie is deugdelijk als de redenering in de argumentatie logisch geldig is of kan worden gemaakt door toevoeging van een verzwegen argument. Een ongeldige redenering wegens onvolledigheid kan altijd logisch geldig gemaakt worden, bijvoorbeeld door aan de redenering de 'als (expliciet argument, dan (standpunt)'-propositie toe te voegen. Logisch geldige redeneervormen zijn bijvoorbeeld 'modus ponens' en 'modus tollens'. Redeneringen die als volgt zijn geformuleerd, zijn altijd logisch geldig, ongeacht de aanvaardbaarheid van de gehanteerde proposities.

    Modus ponens:

    1. Als P, dan Q.
    2. P
    3. Dus: Q

    Modus tollens:

    1. Als P, dan Q
    2. niet Q
    3. Dus: niet P

    Welke argumentatietypen bestaan er?

    De deugdelijkheid van de argumentatie is afhankelijk van hoe argumenten toegepast worden in het argumentatieschema. De argumenten en het standpunt worden door het gebruikte argumentatieschema op een specifieke manier met elkaar in verband gebracht. Er moet dus worden bepaald welk argumentatieschema is gehanteerd, of deze passend is en op de juiste wijze is gebruikt. 

    Er bestaan drie argumentatietypen, namelijk argumentatie gebaseerd op:

    • een kentekenrelatie,

    • een vergelijkingsrelatie en

    • een causale relatie

    1. Koen is een echte man.

    1.1 Koen is stoer.

    (1.1') (Stoerheid is kenmerkend voor echte mannen.)

    In de bovenstaande argumentatie wordt het argument verbonden met het standpunt door te stellen dat het één (stoer zijn) een kenteken is van het ander (een echte man zijn). 

    2. Loting voor toelating op een hogeschool is belachelijk.

    2.1 Er wordt ook niet bij loting bepaald wie naar het WK atletiek gaat.

    (2.1') (Voor toelating tot een hogeschool gelden dezelfde maatstaven als in de atletiekwereld.)

    In de bovenstaande argumentatie wordt een vergelijking gemaakt tussen het één (toegelaten worden op een hogeschool) en het ander (toelaten worden tot het WK atletiek).

    3. Kyra's kiespijn zal zo wel weg zijn.

    3.1 Zij heeft een aspirine ingenomen. 

    (3.1') (Aspirine onderdrukt kiespijn.)

    In de bovenstaande argumentatie wordt het één (aspirine innemen) als de oorzaak bestempeld van het ander (het onderdrukken van kiespijn).

    Wanneer is argumentatie gebaseerd op een kentekenrelatie?

    In een op een kentekenrelatie gebaseerde argumentatie wordt een standpunt verdedigd door de verwijzing naar een bepaald kenmerk, symptoom of kenteken van hetgeen in het standpunt wordt gesteld. Met dit kenteken wordt gesuggereerd dat dit ongeveer hetzelfde inhoudt als het standpunt. Zie onderstaand voorbeeld:

    Voor A geldt B
    Want: Voor A geldt C,
    en: C is kenmerkend voor B.

    Koen (A) is een echte man (B)
    Koen (A) is stoer (C)
    Stoerheid (C) is een kenmerk voor echte mannen (B)

    De algemene kritische vraag bij deze vorm van argumentatie is: 'Is C wel kenmerkend voor B?' Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten de volgende vragen gesteld worden: 'Zijn er B’s die niet kenmerk C hebben?' en 'Zijn er niet-B’s die wel het kenmerk C hebben?'

    Argumentatie die is gebaseerd op een kentekenrelatie kan in diverse subtypen voorkomen. Iets kan bijvoorbeeld typerend worden geacht voor iemands karakter of voor een bepaalde groep,  Een ander subtype betreft de voorbeeldargumentatie waarin een generalisatie wordt gemaakt door een aantal aparte gevallen als representatief voor iets algemeens te bestempelen. 

    Indicatoren van een kentekenrelatie: 'het is typerend voor', 'het is kenmerkend voor', 'het is eigen aan', 'zijn', 'het is karakteristiek voor', 'doorgewinterde', 'prototype van', 'echte', 'typische'. 

    Wanneer is argumentatie gebaseerd op een vergelijkingsrelatie?

    In op een vergelijkingsrelatie gebaseerde argumentatie wordt het standpunt verdedigd door duidelijk te maken dat wat in het standpunt gezegd wordt, overeenkomt met iets wat in de argumentatie wordt genoemd. Het een komt ongeveer op het andere neer en op grond van deze vergelijkbaarheid zou het standpunt aanvaard moeten worden. Argumentatieschema:

    Voor A geldt B,
    Want: Voor C geldt B,
    en: C is vergelijkbaar met A.

    Loting voor toelating is belachelijk (B) op een hogeschool (A)
    Bij het WK atletiek (C) wordt ook niet door loting bepaald wie er doorgaat (B)
    Op een hogeschool (A) gelden dezelfde maatstaven als in sport (C)

    De algemene kritische vraag bij deze vorm van argumentatie is: 'Zijn er geen significante verschillen tussen C en A?' Verschillen kunnen op twee manieren worden aangewezen: C heeft een bepaalde eigenschap van A niet of andersom.

    Indicatoren van een vergelijkingsrelatie: 'is te vergelijken met', 'komt overeen met', 'doet denken aan'. 

    Wanneer is argumentatie gebaseerd op een causale relatie?

    In op een causale relatie gebaseerde argumentatie wordt een standpunt verdedigd door een oorzakelijk verband te leggen tussen het standpunt en het argument. Het een leidt tot het ander. Argumentatieschema:

    Voor A geldt B,
    Want: Voor A geldt C,
    en: C leidt tot B.

    Kyrá's kiespijn (A) zal zo wel weg zijn (B)
    Ze (A) heeft een aspirine ingenomen (C)
    Aspirine (C) onderdrukt kiespijn (B)

    De algemene kritische vraag bij deze vorm van argumentatie is: 'Leidt C wel tot B?' Om dit verder te onderzoeken kunnen de volgende vragen worden gesteld: 'Zijn er gevallen waarin C niet tot B leidt?' en 'Kan B ook door iets anders dan C veroorzaakt zijn?'

    Pragmatische argumentatie is een subtype van causale argumentatie. Hierin wordt een prescriptief standpunt waarin een zekere maatregel of handelwijze wordt aangeraden in het expliciet aangevoerde argument verdedigd door een wenselijk gevolg te noemen dat door deze maatregel of handelwijze wordt gerealiseerd. Een voorbeeld: 'Dokters moeten weer een witte jas aantrekken, want dat creëert afstand (en het is positief als er tussen patiënt en dokter afstand is).' Andersom is ook mogelijk: een zekere maatregel of handelwijze afraden door in de argumentatie een onwenselijk gevolg hiervan te benoemen.

    Indicatoren van een causale relatie: 'leidt tot', 'heeft onherroepelijk tot gevolg', 'kan niet anders dan eindigen in', 'hiervoor word je', 'schept', 'creëert', 'is ontstaan', 'dat maakt dat'. Indicatoren van pragmatische argumentatie: 'anders', 'daardoor', 'dat heeft tot gevolg dat', 'zoals dan'. 

    Access: 
    Public
    Wat zijn de eerste vijf discussieregels? - Chapter 7

    Wat zijn de eerste vijf discussieregels? - Chapter 7

    Idealiter houden de deelnemers aan een kritische discussie zich aan de tien regels voor het voeren van een redelijke gedachtewisseling. Het overtreden van een regel levert een drogreden op: een ondeugdelijke argumentatieve zet.

    Wat zijn drogredenen?

    De oplossing van een meningsverschil kan op diverse wijzen worden bemoeilijkt of verhinderd, al dan niet opzettelijk. De overtredingen van discussieregels worden drogredenen genoemd. Drogredenen zijn niet altijd makkelijk te herkennen, soms lijken overtredingen op argumentatieve zetten die wel een bijdrage leveren aan de oplossing van het meningsverschil. In twijfelgevallen is het aan te raden de gedachtewisseling te behandelen als een volwaardige kritische discussie. 

    Er gelden tien regels ten aanzien van argumentatieve discussies. Iedere regel vertegenwoordigt een bepaalde redelijkheidsnorm ter voorkoming van drogredenen. De eerste vijf gaan over de manier waarop de discussianten zich tijdens de discussie dienen te gedragen. De laatste vijf gaan over het beoordelen van argumentatie en het afsluiten van de discussie. Deze tien regels zijn voorwaarden voor het oplossen van meningsverschillen, maar geen garantie. Ze zijn te beschouwen als gedragscode.

    Wat houdt de vrijheidsregel in?

    De discussianten mogen elkaar niet beletten standpunten of twijfel naar voren te brengen. Overtredingen van de vrijheidsregel geschieden in de confrontatiefase, kunnen door elke partij worden gepleegd en hebben tot gevolg dat een meningsverschil niet of slechts deels aan het licht komt, waardoor het niet goed opgelost kan worden. De vrijheidsregel kan op twee wijzen worden overtreden: er worden beperkingen gesteld aan de vrijheid om standpunten of twijfel te uiten of er worden beperkingen gesteld aan de standpunten of uitingen van twijfel. In het eerste geval wordt de handelingsvrijheid van de andere partij beperkt, wat neerkomt op een poging om de ander uit te schakelen als discussiepartner. Dit kan gebeuren door de discussiepartner onder druk te zetten om een bepaald standpunt niet naar voren te brengen of in twijfel te trekken, bijvoorbeeld door het gebruik van geweld of het dreigen daarmee.

    Een dreigement met als doel het verhinderen dat een standpunt naar voren wordt gebracht of in twijfel wordt getrokken, noemt men een 'argumentum ad baculum' (drogreden van het dreigen met de stok). De andere partij kan ook onder druk worden gezet door een argumentum ad misericordiam (een beroep doen op het medelijden van de tegenpartij of luisteraars). Daarnaast kan geprobeerd worden de andere partij monddood te maken door een aanval op diens integriteit, kundigheid of geloofwaardigheid (argumentum ad hominem: drogreden van een misplaatste persoonlijke aanval). Persoonlijke kwaliteiten mogen enkel ter discussie worden gesteld als dit relevant is ten aanzien van de aanvaardbaarheid van het standpunt (denk aan een getuigenverklaring).

    Soorten persoonlijke aanvallen:

    • directe persoonlijke aanval (ook wel 'abusive': het rechtstreeks negatief beoordelen van iemands persoonlijke kwaliteiten). 

    • indirecte persoonlijke aanval (ook wel: 'circumstantial') door iemands motieven zwart te maken. Men suggereert dat de ander bevooroordeeld is ten aanzien van het discussiepunt. 

    • het aanwijzen van een persoonlijke inconsequentie, waardoor de geloofwaardigheid van de ander aan het wankelen wordt gebracht (iemand die eerst een andere opvatting had of niet handelde volgens zijn opvatting moet wel ongelijk hebben). Dit type drogreden wordt 'ook jij' (tu quoque) genoemd. Als inconsequenties plaatsvinden binnen één discussie, betreft dit de interne inconsistentie-drogreden. 

    Ook het stellen van beperkingen aan het naar voren brengen van de propositionele inhoud van uitingen van twijfel en standpunten leveren een overtreding van de vrijheidsregel op. Dit vindt meestal plaats in een juridische procedure of in het kader van politieke besluitvorming of vergadering. Denk aan het buiten bespreking laten van iets omdat het geen agendapunt is. Ook kan het voorkomen dat een standpunt bij voorbaat heilig of taboe is verklaard en daarom niet ter discussie mag worden gebracht.

    Wat houdt de verdedigingsplichtregel in?

    Een discussiant die een standpunt naar voren brengt, mag niet weigeren dit standpunt desgevraagd te verdedigen. Een partij is verplicht zijn standpunt te verdedigen. De protagonist hoeft zich niet aan deze regel te houden wanneer hij zijn standpunt al met succes verdedigd heeft en ondertussen niets veranderd is aan de discussieregels en uitgangspunten. De verdedigingsplicht geldt evenmin wanneer hij met een uitdager te maken heeft die zich niet aan de regels wil houden. 

    Door het overtreden van de verdedigingsplichtregel komt de discussie niet verder dan de openingsfase. De protagonist kan de overtreding begaan door de verdedigingsplicht bij de partij neer te leggen die zijn standpunt in twijfel trekt: de drogreden van het verschuiven van de bewijslast genoemd. In geval van een niet-gemengd meningsverschil is er maar één partij die iets moet verdedigen. De bewijslast verschuiven naar de antagonist is dan totaal ongerechtvaardigd. In geval van een gemengd meningsverschil hebben beide partijen een bewijslast. Er moet dan bepaald worden in welke volgorde zij hun standpunt moeten verdedigen. Deze volgordekwestie wordt vaak ten onrechte aangemerkt als keuzekwestie, waarbij geprobeerd wordt de bewijslast bij slechts één partij neer te leggen (meestal de partij die de status-quo aanvalt). De status-quo heeft dan de status van presumptie. Toepassing van het presumptiebeginsel mag niet tot gevolg hebben dat de bewijslast bij slechts één partij wordt gelegd, dit leidt namelijk tot de drogreden van het verschuiven van de bewijslast én de drogreden van het ontduiken van de bewijslast. De verdedigingsvolgorde kan worden bepaald aan de hand van het billijkheidsbeginsel: er moet begonnen worden met het standpunt dat het gemakkelijkst te verdedigen is.

    Een tweede manier om onder de verdedigingsplicht uit te komen is door het ontduiken van de bewijslast. Het standpunt wordt dan voorgesteld als iets wat geen verdediging nodig heeft. Dit kan door het standpunt als vanzelfsprekend te presenteren, het persoonlijk instaan voor de juistheid van het standpunt of door het standpunt zo te formuleren dat het niet toetsbaar is en daardoor immuun is voor kritiek.

    Wat houdt de standpuntregel in?

    Een aanval op een standpunt mag geen betrekking hebben op een standpunt dat niet werkelijk door de andere partij naar voren is gebracht. Het overtreden van de standpuntregel leidt tot een veranderde propositie en maakt van een enkelvoudig meningsverschil een meervoudig meningsverschil. 

    Praten de partijen op deze manier langs elkaar heen, dan wordt het originele meningsverschil niet opgelost en is de oplossing een schijnoplossing. Veranderingen van standpunt kunnen in alle fasen van de discussie voorkomen. Overtreding van de standpuntregel kan op twee manieren geschieden: het standpunt van de tegenpartij vertekenen of de tegenpartij een fictief standpunt in de schoenen schuiven. Dit zijn drogredenen van de stroman. In beide gevallen kiest de aanvaller de weg van de minste weerstand, omdat het veranderde standpunt eenvoudiger kan worden aangevallen.

    Het vertekenen van een standpunt kan bijvoorbeeld door het standpunt uit zijn context te halen of de inhoud van de propositie te simplificeren of te overdrijven. Er is bijvoorbeeld sprake van overdrijvng wanneer woorden als 'een paar' of 'sommige' veranderd worden naar 'alle'. Simplificatie vindt plaats door het weglaten van restricties en het afzien van nuances.

    Een fictief standpunt in de schoenen schuiven van de andere partij kan op verschillende manieren: door het zeer nadrukkelijk naar voren brengen van het tegengestelde standpunt zonder enige introductie, het verwijzen naar een groepering of partij waartoe de tegenpartij behoort, welke daardoor met het fictieve standpunt in verband wordt gebracht ('elke zakenvrouw vindt natuurlijk dat..') of door het gebruik van formuleringen als 'bijna iedereen denkt dat..' of 'je hoort de laatste tijd geregeld dat..'. 

    Wat houdt de relevantieregel in?

    Een standpunt mag niet worden verdedigd door non-argumentatie naar voren te brengen of irrelevante argumentatie. Overtredingen geschieden door de protagonist in de argumentatiefase. 

    Een standpunt kan worden aanvaard door het overtuigen (logos), het emotioneren (pathos) of het imponeren (ethos) van de ander. In geval van logos moeten argumenten naar voren worden gebracht. In de praktijk gaan ethos en argumentatie prima met elkaar samen. De drogreden misbruik van ethos doet zich voor wanneer de protagonist op incorrecte wijze schermt met zijn eigen of andermans autoriteit (integriteit, deskundigheid, geloofwaardigheid). Gebruikmaking van ethos is geoorloofd, tenzij iets wordt aangenomen op basis van de autoriteit van iemand die niet over de relevante of vereiste deskundigheid beschikt. Er is dan sprake van de drogreden 'argumentum ad verecumdiam': een misplaatst beroep op autoriteit. 

    In plaats van argumentatie kan gebruik worden gemaakt van 'pathos': het inspelen op het gevoel van het publiek. Dit is toegestaan, tenzij deze gevoelens worden gebaseerd op vooroordelen. Dit levert een overtreding van de relevantieregel op die bekend staat als de pathetische drogreden. Deze komt vaak voor in een discussie waarbij veel mensen zich betrokken voelen. Het manipuleren van de sentimenten (bezorgdheid, angst, schaamte etc.) beïnvloedt de uitkomst in sterke mate.

    Bij irrelevante argumentatie wordt een ander standpunt verdedigd dan waarover het meningsverschil bestaat. Ook dan treedt een verschuiving op in de propositie, maar hier is het de protagonist die zijn eigen standpunt vertekent zodat deze makkelijker te verdedigen is. Dit betreft de drogreden van het naar voren brengen van irrelevante argumentatie. 

    Wat houdt de verzwegen-argumentregel in?

    Men mag de tegenpartij niet ten onrechte verzwegen argumenten toeschrijven of zich aan de verantwoordelijkheid voor een van zijn eigen verzwegen argumenten onttrekken. Dit vindt plaats in de argumentatiefase. De regel kan overtreden worden door het opblazen van wat er verzwegen is en door het loochenen van een verzwegen argument.

    De drogreden van het opblazen van wat er verzwegen is wordt door de antagonist toegepast: hij geeft een invulling aan het verzwegen argument die verder gaat dan waar de protagonist aan gehouden kan worden. Bij de drogreden van het loochenen van een verzwegen argument ontkent de protagonist dat hij verantwoordelijk is voor de impliciete onderdelen van zijn betoog.

    Access: 
    Public
    Wat zijn de laatste vijf discussieregels? - Chapter 8

    Wat zijn de laatste vijf discussieregels? - Chapter 8

    De laatste vijf regels zien op de voorwaarden die vervuld moeten zijn voor het voldoende verdedigen van een standpunt. Overtreding van elke regel levert een bepaalde drogreden op. 

    Wanneer is sprake van een voldoende verdediging van een standpunt?

    Uitspraken moeten gebaseerd zijn op gedeelde uitgangspunten en door middel van logisch geldige redeneringen, passende en correct gebruikte argumentatieschema's verbonden zijn met het standpunt. 

    Wat houdt de uitgangspuntregel in?

    Men mag niet ten onrechte iets als een gemeenschappelijk uitgangspunt presenteren of ten onrechte ontkennen dat iets een gemeenschappelijk uitgangspunt is. Partijen moeten het over een aantal feiten eens zijn, anders is een discussie zinloos. De antagonist en protagonist hoeven niet met volle overtuiging te geloven dat de proposities die fungeren als gemeenschappelijk uitgangspunten aanvaardbaar of waar zijn, maar ze moeten wel bereid zijn daarvan uit te gaan. Een overtreding van de uitgangspuntregel houdt in dat ten onrechte gedaan wordt alsof iets tot de gemeenschappelijke uitgangspunten behoort of ten onrechte ontkend wordt dat dit het geval is. Dit vindt plaats in de argumentatiefase. 

    De antagonist overtreedt de uitgangspuntregel wanneer deze een propositie in twijfel trekt die conform de afspraak behoort tot de gemeenschappelijke uitgangspunten of waarvan aangenomen mag worden dat de antagonist eraan gehouden kan worden. Is een propositie tot uitgangspunt verklaard, dan mag hierover in de discussie geen twijfel worden geuit. 

    De protagonist overtreedt de uitgangspuntregel door te doen alsof een propositie een gemeenschappelijk uitgangspunt betreft, terwijl het dat niet is. Dit wordt op onopvallende wijze gedaan, bijvoorbeeld door in de discussie weinig aandacht te besteden aan de propositie of een formulering te gebruiken die eenvoudig aan de aandacht ontsnapt. Een bekende techniek is een propositie als een presuppositie (een vooronderstelling waar de spreker stilzwijgend vanuit gaat) in een andere bewering op te nemen: de presuppositie-drogreden. Bijvoorbeeld: in plaats van 'Max is verslaafd aan drank' wordt dan gezegd: 'Het is onbegrijpelijk dat Max niets doet aan zijn drankverslaving'. De drankverslaving wordt voorondersteld, waardoor het lijkt alsof de drankverslaving een vaststaand gegeven is. Dit kan ook in de vraagvorm: 'Wie heb je deze ochtend al boos gemaakt?' Hierdoor wordt de indruk gewekt dat er een gemeenschappelijk uitgangspunt is: dat iemand boos is gemaakt. Dit noemt men de drogreden van de meervoudige vraag.

    Een andere drogreden is de cirkelredenering. De protagonist voert dan ter verdediging van zijn standpunt een argument aan dat op hetzelfde neerkomt als het standpunt. Aangezien het standpunt ter discussie staat, kan een uitspraak met dezelfde betekenis nimmer een gemeenschappelijk uitgangspunt zijn. Een voorbeeld: 'Het is echt waar dat Sascha geen ouders meer heeft, want zij is een wees'. 

    Wat houdt de geldigheidsregel in?

    De redeneringen die in de argumentatie als formeel geldig worden voorgesteld mogen geen logische fouten bevatten. Overtreding geschiedt door de protagonist in de argumentatiefase. Het overtreden van de geldigheidsregel heeft altijd betrekking op het ontbreken van een logisch geldige redeneervorm of een verkeerd gebruik van de redeneervorm. De bekendste drogredenen zijn de drogreden van de bevestiging van de consequent en de drogreden van de ontkenning van het antecedent. Dit betreft twee onjuiste invullingen van de logisch geldige redeneervormen modus ponens en modus tollens. Een voorbeeld van het bevestigen van de consequent: Als je rauwe kip eet (antecedent), word je misselijk (consequent). Sanne is misselijk (bevestiging consequent). Dus: Sanne heeft rauwe kip gegeten. Een voorbeeld van het ontkennen van het antecedent: Als je rauwe kip eet (antecedent), word je misselijk (consequent). Sanne heeft geen rauwe kip gegeten (ontkenning antecedent). Dus: Sanne is niet misselijk. De ongeldigheid van deze redeneringen zit in het feit dat er ook andere oorzaken kunnen zijn voor Sanne's misselijkheid.

    Een andere overtreding van de geldigheidsregel betreft het ten onrechte toekennen van een eigenschap van onderdelen aan het geheel (compositie-drogreden) of van het geheel aan een onderdeel (divisie-drogreden, ook wel drogreden van de verkeerde verdeling genoemd). Niet alles wat voor de samenstellende onderdelen geldt, geldt ook voor het geheel (en andersom). Als een maaltijd uit lekkere voedingsmiddelen bestaat, betekent dit nog niet dat de maaltijd zelf ook smakelijk is. Een voorbeeld van de divisie-drogreden: De directie is besluiteloos. Dus: alle directieleden zijn besluiteloos. Het geheel is besluiteloos, maar dit betekent niet dat alle individuele directieleden ook besluiteloos zijn. Misschien komen zij als geheel niet tot een besluit, omdat ze het niet met elkaar eens zijn.

    Wat houdt de argumentatieschemaregel in?

    Een niet door een logisch geldige redenering onderbouwd standpunt mag niet als voldoende verdedigd worden gezien als de verdediging niet plaatsvindt aan de hand van een passend en juist toegepast argumentatieschema. Uitspraken kunnen voor beide partijen aanvaardbaar zijn, maar als zij het standpunt niet ondersteunen op een adequate wijze, is er geen sprake van een voldoende verdediging. De argumentatieschemaregel wordt overtreden wanneer de protagonist een ongeschikt schema toepast of een schema niet correct toepast.

    Soms wordt het argumentatieschema van 'populistische argumentatie' ten onrechte gebruikt ter verdediging van een standpunt. Veel mensen zijn het eens met het standpunt, dus het moet aanvaard worden. Het gebruik van dit argumentatieschema (doen van een beroep op de massa) is ondeugdelijk en niet passend en levert een overtreding op: de drogreden 'argumentum ad populum'.

    Kentekenargumentatie wordt op niet-passende wijze gebruikt als een beroep wordt gedaan op een autoriteit terwijl voorafgaand aan de discussie of het betoog expliciet is afgesproken dat dit niet zou gebeuren. Dit noemt men 'misplaatste autoriteitsargumentatie', een variant van de drogreden 'argumentum ad verecundiam'. 

    In sommige gevallen wordt vergelijkingsargumentatie gebruikt wanneer dit niet is toegestaan, bijvoorbeeld in ons strafrecht. Dit wordt de drogreden 'misplaatste analogie' genoemd.

    Bij de drogreden argumentum ad consequentiam wordt verkeerd gebruikgemaakt van een causale relatie. Feiten en normen worden door elkaar gehaald. Ter ondersteuning van een feitelijk standpunt met een feitelijke propositie wordt een argument aangevoerd met een normatief karakter, doordat het wenselijke of juist onwenselijke consequenties van het standpunt noemt.

    In geval van een vergelijkingsrelatie, moet de vergelijking ook daadwerkelijk opgaan. De vergeleken gevallen moeten vergelijkbaar zijn, anders is sprake van de drogreden van de verkeerde vergelijking.

    Een andere fout betreft een verkeerde toepassing van pragmatische argumentatie, een subtype van causale argumentatie. Dit leidt tot de drogreden van het hellend vak. De fout is dat ten onrechte gesuggereerd wordt dat door de inzet van een zekere maatregel iets van kwaad tot erger zal gaan, terwijl het niet vaststaat dat de voorspelde gevolgen ook daadwerkelijk zullen intreden.

    Bij de drogreden post hoc ergo propter hoc (‘daarna, dus daardoor’) wordt uit het feit dat twee gebeurtenissen na elkaar plaatsvinden, een oorzaak-gevolgrelatie afgeleid.

    Ook misbruik van autoriteit en de overhaaste generalisatie (secundum quid) zijn incorrecte toepassingen van een argumentatieschema gebaseerd op een kentekenrelatie. Misbruik van autoriteit (argumentum ad verecundiam): iemand wordt in de argumentatie ten onrechte opgevoerd als een autoriteit, bijvoorbeeld omdat de persoon geen expert is in de kwestie. Overhaaste generalisatie: een algemene uitspraak wordt afgeleid uit een te beperkt aantal waarnemingen.

    Wat houdt de afsluitingsregel in?

    Een onvoldoende verdediging van een standpunt mag niet leiden tot de handhaving van dit standpunt en een voldoende verdediging van een standpunt mag niet leiden tot de handhaving van twijfel aan het standpunt. De afsluitingsregel wordt overtreden als een partij twijfel aan een standpunt blijft handhaven nadat deze op voldoende wijze verdedigd is. Dit leidt tot de antagonisme-drogreden. 'Ik kan er niets tegenin brengen, maar toch blijf ik het daarmee oneens'. Als een partij na een mislukte verdediging een standpunt blijft handhaven, leidt dit tot de protagonisme-drogreden. 

    Andere overtredingen komen erop neer dat aan een succesvolle aanval of verdediging te sterke gevolgen worden verbonden. Hiervan is sprake wanneer de protagonist beweert dat zijn standpunt waar is, omdat het met succes verdedigd is. Dat een standpunt met succes verdedigd is betekent nog niet dat dit ook waarheid is. Andersom geldt ook dat de antagonist niet kan beweren dat de onwaarheid van een standpunt bewezen is, of dat het tegengestelde standpunt waar is, wanneer de verdedigingspoging is mislukt. Wie dat wel doet maakt zich schuldig aan de drogreden argumentum ad ignorantiam.

    Bij overtreding van de afsluitingsregel worden de rollen van antagonist en protagonist geregeld door elkaar gehaald. In een gemengde discussie hebben beide protagonisten een verdedigingsplicht: de plicht van de één vervalt niet als de andere het tegengestelde standpunt niet voldoende kan verdedigen. 

    Een veelvoorkomende fout betreft het er ten onrechte vanuit gaan dat ten opzichte van een propositie altijd een positief of een negatief standpunt moet worden ingenomen: drogreden van het creëren van een vals dilemma (een onterechte tweedeling). De mogelijkheid om voor de middenweg te kiezen (neutrale positie) wordt dan buiten beeld gelaten. 

    Wat houdt de taalgebruikregel in?

    Het in de discussie gebruikte taalgebruik mag niet onvoldoende duidelijk of verwarrend meerduidig zijn, geen inconsistenties bevatten en niet opzettelijk verkeerd of slordig worden geïnterpreteerd. Overtreding van de taalgebruikregel kan in alle discussiefasen plaatsvinden. Hierdoor ontstaan in de confrontatiefase schijngeschillen en in de afsluitingsfase leidt het tot een schijnovereenstemming. 

    Taalgebruik bevat inconsistenties wanneer uitspraken worden gedaan die elkaar uitsluiten of tegenstrijdig zijn. Dit leidt tot de drogreden 'logische inconsistentie'. Er is sprake van de 'pragmatische inconsistentie-drogreden' wanneer uitspraken niet strijdig zijn met elkaar, maar in de praktijk onverenigbaar blijken, omdat de gebondenheden die eruit voortvloeien niet samen kunnen gaan. Bijvoorbeeld: 'Ik zet je af met de auto' en 'ik kan niet autorijden'. Strikt logisch gezien zijn deze uitspraken niet strijdig, maar in de praktijk zijn zij onaanvaardbaar. 

    Als misbruik wordt gemaakt van onduidelijke formuleringen ter verbetering van de eigen positie, is er sprake van de onduidelijkheidsdrogreden. Gaat het om meerduidige formuleringen, dan betreft het de ambiguïteitsdrogreden. Beide drogredenen komen vaak voor in combinatie met overtredingen van één of meerdere andere discussieregels.  

    Op tekstueel niveau kan sprake zijn van problemen met de opbouw van een tekst (een onlogische volgorde of samenhang). Op zinsniveau kan een viertal hoofdtypen worden onderscheiden, namelijk onduidelijkheid als gevolg van: implicietheid, onbepaaldheid, onbekendheid en vaagheid. In geval van implicietheid zijn meerdere interpretaties mogelijk door bijvoorbeeld gebrek aan context en situatie, onbekendheid van woorden of zaken, onduidelijke referentie, of vaagheid van begrippen.

    Semantische ambiguïteit; woorden en uitdrukkingen kunnen meerdere betekenissen. Syntactische ambiguïteit: de dubbelzinnigheid is veroorzaakt door de zinsopbouw of het gebruik van een woord dat naar verschillende onderdelen van de tekst of zin kan verwijzen

    Access: 
    Public
    Wat houdt strategisch manoeuvreren in? - Chapter 9

    Wat houdt strategisch manoeuvreren in? - Chapter 9

    Het streven naar effectiviteit en redelijkheid in een discussie of betoog verlangt dat alle argumentatieve zetten strategisch gemanoeuvreerd worden. Drogredenen kunnen strategisch manoeuvreren in de weg staan.

    Hoe combineer je redelijkheid en effectiviteit?

    Bij het oplossen van een meningsverschil door middel van een argumentatieve gedachtewisseling wordt altijd een beroep gedaan op redelijkheid. Door duidelijk te maken dat er goede redenen zijn ter aanvaarding van het standpunt wordt geprobeerd de twijfelaar over te halen. Voor een succesvolle poging hiertoe moeten de argumentatieve zetten zowel redelijk als effectief zijn. In alle argumentatieve zetten moet het streven naar effectiviteit en redelijkheid worden gecombineerd, maar in de praktijk zijn deze strevens soms lastig verenigbaar. Dit noemt men het 'argumentatieve probleem'. 

    Er wordt recht gedaan aan het argumentatieve probleem wanneer bij de beoordeling van argumentatie rekening wordt gehouden met de redelijkheidsdimensie en de effectiviteitsdimensie van argumentatieve zetten. Een argumentatieve discussie is gericht op het oplossen van een meningsverschil door middel van argumentatieve zetten die effectief en redelijk zijn. Het tegelijkertijd nastreven van effectiviteit en redelijkheid kan spanning opleveren, daarom moet door de antagonist en de protagonist gezocht worden naar een evenwicht tussen beiden. Bij iedere argumentatieve zet moet daarom 'strategisch gemanoeuvreerd' worden.

    Wat wordt bedoeld met het dialectisch en het retorisch perspectief?

    Als het gaat om strategisch manoeuvreren, vullen het dialectisch en het retorisch perspectief elkaar aan. Bekeken vanuit het dialectisch perspectief is het louter zinvol om aandacht te schenken aan de effectiviteit van argumentatieve zetten wanneer de effectiviteit binnen de grenzen van de redelijkheid blijft. Bekeken vanuit het retorisch perspectief is het louter zinvol om redelijkheidsnormen vast te stellen als dit gekoppeld wordt aan inzicht in de wijze waarop geprobeerd wordt om effectiviteit te bewerkstelligen. Een argumentatieve discussie of betoog kan geanalyseerd en beoordeeld worden door het retorisch perspectief te incorporeren in het dialectisch perspectief. 

    In alle stadia van het oplossingsproces ten aanzien van een meningsverschil wordt strategisch gemanoeuvreerd. In elke zet wordt gepoogd om de nagestreefde effectiviteit te verenigen met de handhaving van de redelijkheid. In elke fase moet een partij erop uit zijn om door redelijk handelen het dialectische doel van het discussiestadium te realiseren en tegelijkertijd effectief te zijn in het bereiken van een optimaal retorisch resultaat. Elk dialectisch doel moet zijn retorische tegenhanger hebben. Om dit te bereiken moet er dus strategisch gemanoeuvreerd worden. 

    Wat zijn de drie aspecten van strategisch manoeuvreren?

    Strategisch manoeuvreren betreft een complex begrip. Het omvat verscheidene aspecten van het nastreven van effectiviteit en redelijkheid. Drie aspecten van strategisch manoeuvreren komen tot uitdrukking in iedere strategische manoeuvre die wordt uitgevoerd in een argumentatieve zet:

    1. De selectie uit het topisch potentieel (de keuze uit alle mogelijke argumentatieve zetten). Bijvoorbeeld de keuze voor een bepaald vertrekpunt in de openingsfase of een bepaald argumentatietype in de argumentatiefase. 

    2. De keuze van presentatiemiddelen (gebruikmaking van de non-verbale en verbale uitdrukkingsopties die de schrijver of spreker heeft). Bijvoorbeeld de keuze voor het expliciet formuleren van het meningsverschil of het brengen van de conclusie op emotionele wijze.

    3. De aanpassing aan het referentiekader van het auditorium (het afstemmen van de argumentatieve zetten op de voorkeuren en opvattingen van lezers/luisteraars).

    Strategisch manoeuvreren verwijst naar zowel de uitvoering hiervan (het maken van keuzes binnen de drie bovenstaande aspecten) als de tekstuele uitkomst (het verbale product dat het resultaat vormt). De drie aspecten komen in iedere argumentatieve zet tezamen tot uitdrukking en openbaren zich altijd tegelijkertijd. De onderlinge afhankelijkheid van de aspecten wordt weergegeven in de zogenaamde strategisch-manoeuvrerendriehoek.

    Welke soorten argumentatieve strategieën zijn er?

    Het gezamenlijk uitvoeren van meerdere strategische manoeuvres kan een 'argumentatieve strategie' opleveren. Hiervan is sprake wanneer de strategische manoeuvres plaatsvinden conform een systematische coördinatie. Deze coördinatie moet plaatsvinden op het niveau van de drie aspecten van een strategische manoeuvre. De keuzes die gemaakt moeten worden bij de selectie uit het topisch potentieel, het benutten van presentatiemiddelen en de afstemming op het referentiekader van het auditorium moeten met elkaar in overeenstemming zijn ('harmoniëren'). Het geselecteerde argument moet op een daarbij passende wijze gepresenteerd worden. Coördinatie op het niveau van de opeenvolging van strategische manoeuvres houdt in dat deze manoeuvres zodanig worden uitgevoerd dat zij tezamen bevorderen dat het nagestreefde resultaat wordt bereikt. De strategische manoeuvres in alle argumentatieve zetten moeten dus goed bij elkaar aansluiten. 

    Sommige argumentatieve strategieën beïnvloeden de discussie als geheel: de algemene discussiestrategieën. Daarnaast bestaan er argumentatieve strategieën die uit een serie argumentatieve manoeuvres bestaan die enkel in een bepaalde discussiefase worden gedaan. Confrontationele strategieën kunnen in de confrontatiefase worden gebruikt en hebben betrekking op de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van het reservoir aan mogelijke geschilpunten dat bij aanvang van de gedachtewisseling aanwezig is. Openingsstrategieën kunnen in de openingsfase worden gebruikt en hebben betrekking op het bepalen van de ‘overeenstemmingszone’ die als vertrekpunt dient. Argumentatieve strategieën kunnen in de argumentatiefase worden gebruikt en hebben betrekking op de aanvals- en verdedigingslijnen. Afsluitingsstrategieën kunnen in de afsluitingsfase worden gebruikt en hebben betrekking op het bepalen van de uitkomst van de discussie.

    Hoe ontstaan drogredenen bij strategisch manoeuvreren?

    Strategisch manoeuvreren is gericht op het wegnemen van spanning tussen het streven naar effectiviteit en het streven naar redelijkheid. Deze strevens moeten met elkaar verenigd worden, maar in de praktijk zijn zij zelden volledig met elkaar in evenwicht. Uit vrees om als incompetent te worden gezien kan men zich soms teveel concentreren op redelijkheid en te weinig op effectiviteit, wat tot retorisch slecht strategisch manoeuvreren kan leiden. Erger is wanneer iemand zich teveel richt op effectiviteit en te weinig op redelijkheid. Als hierbij regels voor het voeren van een kritische discussie worden overtreden, ontspoort het strategisch manoeuvreren in drogredelijkheid.

    Al deze ontsporingen die het oplossen van een meningsverschil in de weg staan, zijn drogredenen. Een drogreden is dan een argumentatieve zet die niet in overeenstemming is met de regels voor het voeren van een kritische discussie, maar een strategische manoeuvre vormt die sommigen ten onrechte in overeenstemming met de regels achten. Omdat het belangrijk is goed onderscheid te maken tussen deugdelijke en drogredelijke argumentatieve zetten, worden er technische namen voor de drogredenen gebruikt, zoals argumentum ad hominem en argumentum ad verecundiam. Algemene typen hebben neutrale namen, zoals persoonlijke aanval en argument van autoriteit.

    Het is van belang dat drogredenen worden opgespoord. Het belangrijkste probleem hierbij is dat drogredenen in de praktijk vaak niet opgemerkt worden. Dit komt allereerst doordat niemand in een discussie een onredelijke indruk wil maken en daarom onredelijkheden zoveel mogelijk verbergt. Daarnaast wordt van iedereen verwacht redelijkheid te handhaven en is automatisch aan elke argumentatieve zet de presumptie van redelijkheid verbonden, zelfs als deze misschien ondeugdelijk is.

    Als een partij de grenzen van redelijkheid overschrijdt, zal hij daarbij zo veel mogelijk gebruik blijven maken van de argumentatieve middelen. Er zijn twee kenmerken van strategisch manoeuvreren die daarbij van pas komen:

    • Deugdelijke en drogredelijke manifestaties van dezelfde soort strategische manoeuvre manifesteren zich op dezelfde wijze en er is niets in hun verschijningsvorm dat ze van elkaar onderscheidt. Ze hebben dezelfde kenmerken en zijn soms lastig uit elkaar te houden.
    • Sommige soorten strategische manoeuvres vormen een continuüm dat zich uitstrekt van duidelijk deugdelijk tot duidelijk drogredelijke strategische manoeuvres, met allerlei minder duidelijke gevallen daartussen. Het kan soms lastig zijn om definitief vast te stellen of iets wel of niet drogredelijk is.
    Access: 
    Public
    Hoe wordt strategisch gemanoeuvreerd in de verschillende communicatieve activiteitstypen? - Chapter 10

    Hoe wordt strategisch gemanoeuvreerd in de verschillende communicatieve activiteitstypen? - Chapter 10

    Wat zijn communicatieve activiteitstypen?

    Strategisch manoeuvreren vindt plaats in verscheidene soorten communicatieve praktijken. Bij de analyse en beoordeling van een discussie of betoog moet ten eerste rekening gehouden worden met het communicatieve domein (bijvoorbeeld het academische, politieke of juridische domein) waarin de argumentatie plaatsvindt. Ten tweede moet rekening gehouden worden met het communicatieve activiteitstype (bijvoorbeeld een rechterlijke uitspraak, parlementair debat of academische speech) waarin dit gebeurt. Communicatieve activiteitstypen zijn communicatieve praktijken waarin de gang van zaken is afgestemd op de institutionele vereisten van het communicatieve domein.

    Communicatieve activiteitstypen zijn sociaal en cultureel in de samenleving geïntegreerde communicatieve praktijken die een bepaalde mate van formaliteit hebben, afhankelijk van de institutionele vereisten. Deze vereisten worden bepaald door de bestaansreden van het activiteitstype. Bij een rechterlijke uitspraak is dat bijvoorbeeld de noodzaak om recht te spreken. Om recht te doen aan de institutionele bestaansredenen wordt in de praktijk een specifiek genre van communicatieve activiteit ingevoerd. Elk genre vertegenwoordigt een sociaal aanvaarde manier om door een specifieke vorm van verbale communicatie een bepaald type sociale activiteit te verrichten. Hiertoe behoren bijvoorbeeld:

    • beschikken (in het juridische domein)

    • socialiseren (in het interpersoonlijke domein)

    • beraadslagen (in het politieke domein)

    • informeren (in het domein van de nieuwsmedia)

    • disputeren (in het academische domein)

    Een voorbeeld van de relaties hiertussen: bij academische communicatie (communicatief domein) is disputeren een aanvaarde manier van communicatie (genre van communicatieve activiteit), waaronder bijvoorbeeld een boekbespreking of een wetenschappelijk artikel valt (communicatieve activiteitstypen).

    Hoe wordt een communicatief activiteitstype argumentatief gekarakteriseerd?

    Een communicatief activiteitstype wordt gedefinieerd door diens bestaansreden, de specifieke doelen die het nastreeft, de institutionele conventies en de overige kenmerken die het betreffende activiteitstype van de andere onderscheidt.

    In communicatieve gebeurtenissen zal al snel argumentatie worden gebruikt. Daarom moeten relevante kenmerken van de communicatieve gebeurtenissen en communicatieve activiteitstypen worden betrokken in de analyse en beoordeling van argumentatie. Als argumentatie in een activiteitstype een belangrijke rol speelt, is het nuttig om dit type een argumentatieve karakterisering te geven.

    Door de verschillende bestaansredenen en de verschillende institutionele vereisten wordt de argumentatieve dimensie in de verschillende typen op diverse wijzen vormgegeven. Er zijn vier punten waarop de argumentatieve karakterisering van de communicatieve activiteitstypen betrekking moeten hebben:

    1. de beginsituatie (in de confrontatiefase),

    2. de uitgangspunten (in de openingsfase),

    3. de argumentatieve middelen en kritiek (in de argumentatiefase) en

    4. de uitkomsten (in de afsluitingsfase).

    Welke institutionele voorwaarden gelden bij het strategisch manoeuvreren?

    Bij de analyse en beoordeling van argumentatieve zetten in een bepaald communicatief activiteitstype moet gelet worden op de institutionele voorwaarden die hieraan gesteld worden. De argumentatieve karakterisering van het activiteitstype levert een beschrijving op die bruikbaar is als startpunt bij de vaststelling van de institutionele voorwaarden. 

    De primaire institutionele voorwaarden hebben meestal een procedureel karakter: zij zijn officieel en formeel. Bijvoorbeeld de regels uit het reglement van orde die gelden in een Tweede Kamer-debat. De secundaire institutionele voorwaarden hebben een materieel karakter: zij zijn onofficieel en informeel. Beide soorten institutionele voorwaarden kunnen in alle discussiefasen het strategisch manoeuvreren beïnvloeden. Dit geldt voor alle drie de aspecten van strategisch manoeuvreren. In het academisch domein sluiten primaire institutionele voorwaarden persoonlijke aanvallen in een wetenschappelijk debat uit. In het domein van de nieuwsmedia geldt de secundaire institutionele voorwaarde dat het nieuws niet te abstract mag worden gebracht zodat de kijkers het kunnen begrijpen.

    Wat geldt ten aanzien van kritische vragen in argumentatie?

    Om te voldoen aan de institutionele voorwaarden moeten de algemene kritische vragen die bij een bepaald soort strategisch manoeuvreren horen in sommige activiteitstypen preciezer worden gemaakt. Dit zorgt voor verschillende specifieke vragen voor verschillende communicatieve activiteitstypen. Specifieke kritische vragen zijn namelijk afhankelijk van de bijzondere vereisten van een specifiek communicatief activiteitstype.

    Dit betekent dat de beoordeling van de drogredelijkheid van argumentatieve zetten uiteindelijk afhankelijk is van contextgebonden overwegingen. Dat het gebruik van een bepaald soort strategische manoeuvre deugdelijk kan zijn in het ene communicatieve activiteitstype en in het andere drogredelijk is, verklaart weer extra waarom drogredenen eenvoudig over het hoofd worden gezien.

    Access: 
    Public
    Waaraan moet een schriftelijk betoog voldoen? - Chapter 11

    Waaraan moet een schriftelijk betoog voldoen? - Chapter 11

    Een adequaat betoog voldoet aan twee basisvoorwaarden: effectiviteit en redelijkheid. Het analytisch overzicht van een argumentatieve discussie is behulpzaam bij het (her)schrijven van een betoog. Een geschreven betoog heeft een neutrale argumentatieve stijl of een geëngageerde argumentatieve stijl.

    Wat houden de basisvoorwaarden effectiviteit en redelijkheid in?

    Door middel van een betoog wordt geprobeerd om de lezer of luisteraar op een effectieve en redelijke manier op andere gedachten te brengen. Wie een betoog houdt, neemt altijd deel aan een discussie met een ander, ongeacht of deze hierbij aanwezig is.

    Een betoog is redelijk wanneer hierin geen argumentatie wordt gebruikt die het bereiken van een oplossing onmogelijk maakt of bemoeilijkt. Uitgangspunt vormen de tien discussieregels (vrijheidsregel, standpuntregel, verdedigingsplichtregel, verzwegen-argumentregel, relevantieregel, geldigheidsregel, uitgangspuntregel, taalgebruiksregel, argumentatieschemaregel, afsluitingsregel).

    Een betoog is effectief wanneer alle onderdelen duidelijk gepresenteerd worden en op elkaar aansluiten. Het moet duidelijk zijn welk standpunt wordt verdedigd, wat de relevante uitgangspunten zijn, welke argumenten ter verdediging worden aangevoerd en hoe deze met elkaar en met het standpunt samenhangen. Het gebruikte taalgebruik moet daarom zo begrijpelijk mogelijk en mag geen storende formuleringen bevatten.

    Een geslaagd betoog moet in ieder geval voldoen aan de algemene spelregels voor communicatie, tenzij men iets extra’s probeert over te brengen door iets opzettelijk achterwege te laten.

    Hoe kan het analytisch overzicht dienen als hulpmiddel bij het (her)schrijven van een betoog? 

    Als je een conceptbetoog hebt geschreven, kun je deze voorafgaand aan de presentatie optimaliseren door hiervan een analytisch overzicht op te stellen. Je begint met het duidelijk aangeven van het standpunt dat je gaat verdedigen. Hierna volgen de uitgangspunten en een opsomming van de argumenten. Heeft een tegenpartij ook een standpunt ingenomen (gemengd meningsverschil), dan moet je deze en de argumenten ervoor eveneens vermelden door ook hiervan een analytisch overzicht te maken. Heeft de tegenpartij geen standpunt ingenomen, maar wel kritiek geleverd op je argumentatie, dan hoef je van het betoog van de tegenpartij geen analytisch overzicht te maken, maar houd je rekening met de kritiek bij het herschrijven van je betoog.

    De argumenten in een analytisch overzicht geef je schematisch weer. Het is soms nuttig ook de verzwegen argumenten hierin op te nemen, bijvoorbeeld wanneer bepaalde onderdelen van betoog nog onduidelijk of dubieus zijn. Word een verzwegen argument ondersteund door een ander argument, dan moet deze expliciet worden opgenomen in het analytisch overzicht.

    Een analytisch overzicht maakt de relevante informatie voor het (her)schrijven van het betoog overzichtelijk. Hieruit moet blijken welk meningsverschil moet worden opgelost, de aanvaardbaarheid van welk standpunt in twijfel wordt getrokken, wat de relevante uitgangspunten en argumenten zijn en wat de beoogde argumentatiestructuur is. Als je dit op een rijtje hebt gezet, kun je beoordelen in hoeverre je betoog bestand is tegen aanvallen. Is je argumentatie conform het redelijkheidsvereiste? Kan de effectiviteit van het (schriftelijke) betoog worden vergroot door het aan te passen?

    Wat houden een neutrale en een geëngageerde argumentatieve stijl in?

    Je houdt een betoog om een ander te overtuigen van de aanvaardbaarheid van je standpunt. De ‘argumentatieve stijl’ betreft de specifieke manier waarop het standpunt verdedigd wordt. Deze stijl moet effectief en redelijk zijn. De argumentatieve stijl komt onder meer tot uitdrukking in de gekozen presentatiemiddelen. Het gebruik van een zekere stijl kan het volledige betoog beslaan (algemene argumentatieve stijl) of een aantal onderdelen hiervan.

    Er zijn meerdere argumentatieve stijlen, maar de meesten zijn afgeleid van twee categorieën: de neutrale en de geëngageerde argumentatieve stijl. Zij vormen in een paar opzichten elkaars tegenpool.

    Kenmerken van een neutrale argumentatieve stijl:

    • Objectiviteit: de selectie uit het beschikbare topische potentieel heeft een objectieve uitstraling;

    • Openheid en onafhankelijkheid: de keuze van presentatiemiddelen straalt openheid voor een onafhankelijk oordeel uit;

    • Betrouwbaarheid: de aanpassing aan het auditorium komt betrouwbaar over.

    Deze kenmerken komen in de verschillende fases van het betoog naar voren. In het begin blijken zij uit een zakelijke selectie van de te bespreken punten en een eenvoudige feitelijke presentie. Bij de vaststelling van de uitgangspunten zijn zij herkenbaar aan de duidelijk te verifiëren vertrekpunten en een presentatie in de vorm van een overzicht. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van pragmatische argumentatie en weldoordacht spraakgebruik van deskundigen. De uitkomst wordt onpartijdig aangegeven, bijvoorbeeld door het expliciet trekken van een conclusie op basis van formeel redeneren. Het auditorium wordt benaderd met logica, op niet-confronterende of opdringerige wijze.

    Kenmerken van een geëngageerde argumentatieve stijl:

    • Betrokkenheid: de selectie uit het beschikbare topisch potentieel heeft een betrokken uitstraling;

    • Inclusiviteit: de keuze van presentatiemiddelen komt inclusief over;

    • Gemeenschappelijkheid: de aanpassing van het auditorium draagt gemeenschappelijkheid uit.

    Deze kenmerken komen in het begin van het betoog tot uitdrukking doordat de betoger zijn betrokkenheid toont aan de hand van de selectie van discussiepunten. Er wordt expliciet een verbinding gelegd met hetgeen voor het auditorium relevant is en de keuze van presentatiemiddelen die betrokkenheid uitdragen. Bij de vaststelling van het uitgangspunt wordt uitgegaan van een normatief vertrekpunt dat toont hoezeer de kwestie de betoger persoonlijk raakt. De inclusiviteit blijkt uit het gebruik van presentatiemiddelen (bijvoorbeeld retorische vragen). Daarnaast wordt gebruikgemaakt van analogie-argumentatie en emotioneel en persoonlijk taalgebruik. De uitkomst wordt expliciet als het best bereikbare resultaat beschouwd, welke het gevolg is van een gezamenlijk doorlopen procedure. De conclusie wordt verfraaid met aansprekende metaforen en presentatiemiddelen.

    Hoe wordt de redelijkheid bewaakt?

    De redelijkheid wordt bewaakt met behulp van het analytisch overzicht van het te herschrijven betoog. Hierin zijn alle cruciale onderdelen van de argumentatie reeds geordend. Dit maakt het opsporen van drogredenen makkelijker. Zo kun je eenvoudig vaststellen welke redeneringen zijn gebruikt, of deze logisch geldig zijn, welke argumentatieschema’s zijn gebruikt en of deze passend zijn en op de juiste manier zijn toegepast. Een overtreden discussieregel kan tijdens het herschrijven hersteld worden.

    Daarnaast helpt een analytisch overzicht bij het controleren of rekening is gehouden met alle mogelijke bezwaren of twijfel bij de lezer. Is dit niet zo, dan moeten bijvoorbeeld uitgangspunten worden geëxpliciteerd, nieuwe argumenten worden toegevoegd of originele argumenten worden aangevuld of beter onderbouwd.

    Hoe wordt de effectiviteit bevorderd?

    Een betoog is effectief wanneer de cruciale onderdelen voor de lezer duidelijk zijn. Uit een geschreven betoog moeten het standpunt en de standpunten duidelijk blijken. In de praktijk gaat het hier vaak mis. Sommige uitspraken worden zo geformuleerd dat ze zowel standpunt als argument kunnen zijn. Een voorbeeld. ‘Bart is erg stipt. Hij is nooit te laat.’ Dit kan worden gelezen als: ‘Bart is erg stipt. Dus hij komt nooit te laat.’ of ‘Bart is erg stipt. Hij komt immers nooit te laat.’ In het eerste geval is ‘Hij is nooit te laat’ het standpunt en in het tweede een argument. De context en achtergrondinformatie scheppen niet altijd duidelijkheid.

    Het duidelijk weergeven van de standpunten en argumenten houdt niet in dat deze expliciet genoemd moeten worden. Vaak is een betoog voldoende begrijpelijk door een impliciete vermelding. De begrijpelijkheid van het betoog is een noodzakelijke voorwaarde voor de effectiviteit ervan. Een standpunt dat bijvoorbeeld zeer stellig naar voren wordt gebracht behoeft geen expliciete argumentatie.

    Bij het (her)schrijven van het betoog is het verstandig om alle argumenten en standpunten in de bewerkte versie van het analytisch overzicht te markeren. Bewerkingen die de effectiviteit van het betoog bevorderen:

    • Onderdelen weglaten die bij nader inzien niet te handhaven, overbodig of voor de lezer vanzelfsprekend zijn of de tekst omslachtig maken.

    • Elementen toevoegen, zoals het aanvullen van de argumentatie, het geven van meer achtergrondinformatie of toevoeging van een retorische vraag of kreet.

    • Aanpassen van de volgorde van onderdelen, bijvoorbeeld wanneer argumentatie door elkaar heen loopt.

    • Herformuleringen. Door de tekst begrijpelijker en aantrekkelijk te maken, wordt ook de effectiviteit vergroot. Vage, onduidelijke en te stellige formuleringen kunnen beter herschreven worden. Een afwisseling van impliciete en expliciete uitingen.

    Een betoog met een neutrale argumentatieve stijl wordt op een zakelijke manier herschreven, terwijl een geëngageerde argumentatieve stijl een meer persoonlijke (informele) presentatie verlangt. In het eerste geval wordt een opsomming met nummering gebruikt, terwijl de argumenten in het tweede geval verhalend worden gebracht. De inleiding wordt persoonlijker gemaakt door te beginnen met een vraag, dat toont meer betrokkenheid en is publieksgerichter (‘Vindt u ook niet dat..’). Een herschrijving in een geëngageerde argumentatieve stijl is ook te herkennen aan het toevoegen van bijvoorbeeld verontwaardigde kreten. Het veranderen van de volgorde van argumenten past bij beide stijlen. Wat betreft herformuleringen kan gebruik worden gemaakt van informeler taalgebruik: in plaats van ‘werkgelegenheid’ gebruik je ’personen die hun werk verloren hebben’, dat toont meer betrokkenheid.

    Access: 
    Public
    Waaraan moet een mondeling betoog voldoen? - Chapter 12

    Waaraan moet een mondeling betoog voldoen? - Chapter 12

    Mondelinge argumentatie wordt aangevoerd in een betoog waarin enkel de protagonist aan het woord is of een discussie waarin de antagonist direct kan reageren op de argumentatieve zetten van de protagonist.

    Welke twee vormen van mondelinge argumentatieve gedachtewisselingen zijn er?

    Een argumentatieve gedachtewisseling kan zowel schriftelijk als mondeling plaatsvinden. In geval van mondelinge communicatie is het meestal eenvoudiger om direct te reageren, maar mondelinge argumentatie vindt niet alleen plaats in een expliciete dialoog waarin zowel antagonist en protagonist aan het woord komen. In geval van een toespraak of pleidooi op tv is de antagonist luisteraar en is het betoog onderdeel van een impliciete discussie. Kan de antagonist meteen reageren, dan betreft het een (expliciete) volwaardige discussie.

    Een betoog is een vorm van argumentatieve gedachtewisseling: een eenzijdige dialoog waarin één partij aan het woord komt (de protagonist). Degene die het betoog houdt, neemt normaliter aan dat sprake is van een niet-gemengd meningsverschil, waarbij het auditorium louter twijfel heeft omtrent de aanvaardbaarheid van het standpunt. Is direct duidelijk dat de luisteraar een tegengesteld standpunt inneemt, dan betreft het een gemengd meningsverschil. In deze gevallen wordt een verschillende aanpak van het betoog verlangd. De spreker moet dus nagaan welke positie de luisteraar (vermoedelijk) inneemt en wat hij met zijn betoog wilt bereiken (aanzetten tot handelen of alleen maar van gedachten doen veranderen).

    De tweede vorm van argumentatieve gedachtewisseling betreft de discussie die gehouden wordt om een oplossing van het meningsverschil te bereiken. Het is belangrijk de argumentatieve discussie te onderscheiden van de meningsvormende of zuiver informatieve discussie. De grens hiertussen is niet altijd scherp, soms lopen discussies in elkaar over of bevatten gedachtewisselingen elementen van meerdere typen discussies. Aan de hand van het ideaalmodel van een kritische discussie kun je de argumentatieve onderdelen van elke gedachtewisseling herkennen.

    Hoe bereid je een mondeling betoog voor?

    Een betoog houden is enkel zinvol wanneer het auditorium een standpunt niet deelt en de spreker er belang bij heeft om het auditorium te overtuigen van de aanvaardbaarheid van dat standpunt. 

    Allereerst moet de reikwijdte van het standpunt duidelijk zijn. Heeft het enkel betrekking op bepaalde personen, groepen of op iedereen? In het laatste geval is het standpunt verdedigen zinloos. Dit geldt ook als het standpunt de woorden ‘eigenlijk’ of ‘in wezen’ bevat. Een standpunt moet duidelijk zijn en zich lenen voor een kritische toetsing.

    Het voorbereiden van het houden van een betoog is enkel zinvol als de omstandigheden geschikt zijn, de luisteraars belang hebben bij het te verdedigen standpunt, het auditorium serieus wilt luisteren en het standpunt op een adequate wijze is geformuleerd. De spreker moet dus bedenken hoe hij/zij interesse wekt bij het auditorium, hoe de argumentatie geformuleerd moet worden, welk soort argumenten in de context verstandig zijn om te gebruiken en welk resultaat hij/zij het auditorium wilt voorhouden ter afsluiting van het betoog. Het opstellen van een analytisch overzicht is hiervoor een geschikt hulpmiddel.

    Het mondeling betoog moet aantrekkelijk beginnen, zodat je interesse voor je gedachtegang wekt bij de luisteraars. Dit kan door gebruikmaking van een anekdote, citaat, persoonlijke ervaring, actuele gebeurtenis of een algemeen bekend voorval. Ook het stellen van een vraag zorgt voor betrokkenheid van de luisteraars bij je betoog. Uiteraard moet de inleiding relevant zijn voor de rest van het betoog. Daarnaast moet het standpunt altijd duidelijk worden geïntroduceerd in de inleiding. In de inleiding leg je uit welke positie je inneemt en wat je gaat bespreken. Verwacht je veel weerstand? Dan is het aankaarten van de belangrijkste argumenten mogelijk een goed idee. Tevens moet je in de inleiding alle achtergrondinformatie verstrekken die noodzakelijk is voor een goed begrip van je betoog. Ga je een lang betoog houden, dan kun je kort de indeling hiervan aangeven.

    Bij de verdediging van je standpunt moet je alle argumenten noemen die hiervoor pleiten en deze indien nodig ondersteunen of toelichten. Hierbij ga je uit van het analytisch overzicht. Als je betoog aan tijd gebonden is, kies dan niet voor een snelle opsomming van veel argumenten, maar benoem en onderbouw alleen je sterkste argumenten, bij voorkeur in het begin of in het slotstuk van je betoog. In het eerste geval wordt de visie van de luisteraar beïnvloed en wat als laatst komt, wordt goed onthouden. In sommige gevallen moet je ook kritiek op je eigen standpunt of argumenten voor het tegenovergestelde standpunt weerleggen. Je moet dan een keuze maken ten aanzien van de volgorde van argumenten. Meestal wordt eerst aangegeven wat tegen het standpunt van de tegenstander pleit en volgen daarna de argumenten voor je eigen standpunt. 

    In het slot van het betoog benadruk je de bereikte conclusie en de consequenties ervan nogmaals. Wanneer je merkt dat hieraan behoefte is bij het auditorium, kun je een samenvatting van de belangrijkste argumenten geven. Het slot moet niet gebruikt worden als herhaling van de verdediging. Ook nieuwe punten mogen hierin niet worden genoemd. Een effectief betoog eindigt met een duidelijk en aantrekkelijk slot. Je kunt bijvoorbeeld terugwijzen op een uitspraak uit de inleiding. Meestal wordt de tekst van een mondeling betoog vooraf uitgeschreven. Zorg dan dat je spreektaal gebruikt en geanimeerd kunt voorlezen. Het is verstandig om slechts wat punten te noteren, dan komt je verhaal natuurlijker over. Heb je weinig spreekervaring, dan kun je de inleiding en het slot voor de zekerheid geheel uitschrijven. In het analytisch overzicht moet je de hoofdargumenten van de rest van het betoog onderscheiden. Om de structuur van je verhaal in het oog te houden (en zo je luisteraars er goed bij te houden), kun je de aankondiging van een argument en een tussentijdse samenvatting geheel uitschrijven.

    Hoe houd je een goed mondeling betoog?

    De gebruikte argumenten moeten effectief zijn in de context van het betoog. Het betoog moet zijn afgestemd op het intellectuele niveau en het referentiekader van de luisteraars. Zij moeten het moeiteloos kunnen volgen en het mag geen irritatie bij hen opwekken. Je moet dus rekening houden met de gelegenheid en auditorium waarvoor je het betoog gaat houden. Zijn de luisteraars leken, laat vaktermen en technische bewoordingen dan achterwege. Doorgaans is het verstandig om een mondeling betoog niet formeler te maken dan nodig is. Vermijd schrijftaal, bijvoorbeeld de woorden ‘desalniettemin’, ‘echter’ en ‘niettegenstaande’. Je kunt voorkomen dat het lijkt alsof je een tekst voorleest door zinnen te verkorten, omslachtige formuleringen te vervangen, moeilijke woorden te vervangen door gewone woorden, te zorgen voor een gevarieerde zinsopbouw en zinstype (vragend, mededelend), de lijdende vorm niet te gebruiken (‘ik zal in dit betoog..’ in plaats van ‘in dit betoog wordt..’, het publiek geregeld direct toe te spreken (‘nu denkt u wellicht..’), indicatoren van standpunten en argumentatie (omdat, dus) en verbindingswoorden (en, maar) te gebruiken, aan lastig te begrijpen uitspraken concrete voorbeelden toe te voegen, op een natuurlijke wijze aan te geven dat er een citaat volgt (‘zoals X eens zei..’ in plaats van ‘nu volgt een citaat’) en door duidelijk aan te geven op welk punt van je betoog je exact bent en de belangrijkste punten kernachtig te herhalen.

    Een adequaat betoog kan door tijdgebrek alsnog verkeerd uit de verf komen. Het is verstandig je betoog vooraf enkele keren te oefenen en de tijd op te nemen. Als punten niet behoorlijk behandeld kunnen worden, laat ze dan achterwege in plaats van ze af te raffelen. Zeg niet continue dat je veel meer wilt vertellen maar de tijd daarvoor ontbreekt, wees niet kritisch of minachtend richting het auditorium, zorg dat je geen onvoorbereide indruk wekt, wees niet te bescheiden, verontschuldig je niet als dit niet hoeft en stop het verhaal niet abrupt. Vermijd clichés als ‘dit was het dan’ of ‘hier wil ik het bij laten’.

    Hoe bereid je een discussie goed voor?

    Een goede voorbereiding verlangt dat je je grondig verdiept in het discussieonderwerp en dat de eigen positie wordt bepaald door alle voor en tegens te analyseren. Naast de punten die je zelf wilt aandragen, moet je ook bedenken wat de bijdrage van de andere deelnemers kan zijn zodat je hierop kunt anticiperen. Vraag jezelf af: ‘Wat is exact mijn standpunt?’, ‘Wat zijn mijn belangrijkste standpunten?’, ‘Wat is het standpunt van mijn (potentiële) tegenstander?’, ‘Met welke argumenten zal mijn tegenstander komen?’, ‘Welke argumenten kan mijn tegenstander inbrengen tegen mijn eigen argumenten?’ Maak gebruik van een analytisch overzicht.

    Als volledig onduidelijk is welke tegenstander je kunt verwachten, moet je in de voorbereiding proberen je eigen standpunt zo sterk mogelijk te verdedigen. Met behulp van het analytisch overzicht loop je alle argumenten na ter verbetering. Tevens kun je bij voorbaat een reactie bedenken op mogelijke kritische vragen. Deze noteer je in het analytisch overzicht bij de argumentatie. Je kunt er ook voor kiezen om voor de hand liggende kritische reacties op je argumenten zelf te benoemen en direct te weerleggen. 

    Hoe behoor je deel te nemen aan een discussie?

    Deelnemers bepalen normaliter zelf hoe de discussie gevoerd zal worden. Een discussie is redelijk en efficiënt wanneer de deelnemers hun bedoelingen zo duidelijk mogelijk overbrengen en de bijdrage van de anderen zo goed mogelijk interpreteren. Met name in de confrontatiefase is het van belang om zo goed mogelijk te formuleren en interpreteren, dit voorkomt het ontstaan van (verbale) schijngeschillen. Deelnemers aan de discussie zijn het dan eigenlijk met elkaar eens, maar praten langs elkaar heen waardoor een onnodige discussie wordt gevoerd.

    Een meningsverschil is louter verbaal als de ene partij zegt ergens tegen te zijn en de andere partij er juist voor is, terwijl ze allebei een ander begrip hebben van het discussiepunt en het eigenlijk met elkaar eens zijn. Het preciseren van de uitspraak waarop het meningsverschil betrekking heeft kan dit oplossen. Precisering betekent dat uit diverse mogelijke interpretaties van een uitspraak één interpretatie als de bedoelde wordt verklaard. Om te verzekeren dat discussianten het over hetzelfde hebben, kunnen zij de betekenis van de ter discussie staande term vastleggen in een definitie.

    Spraakverwarring over de betekenis van een gehanteerde term kan ook leiden tot een schijnovereenstemming, waardoor geen discussie wordt gevoerd. Partijen lijken het eens te zijn, maar zijn dit niet omdat zij ieder een andere betekenis geven aan een bepaalde term.

    Voor een correct verloop van een discussie moet je enkel het woord nemen als je daadwerkelijk iets te melden hebt over het discussiepunt, niet veel tegelijk aandragen om het overzicht te behouden, duidelijk maken waarop je reageert en waarom, geen bijzaken erbij halen, de discussie niet rekken, je niet te afwachtend opstellen en de discussie op een ondubbelzinnige wijze afsluiten.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: this content refers to
    Communication, marketing, pr and sales - Theme
    Psychology and behavioral sciences - Theme
    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Communicatiewetenschappen en kennisoverdracht: De beste studieboeken samengevat

    Onderwijswetenschappen en Didactiek: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries

    Image

    Share: this page!
    Follow: Social Science Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    5963
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector