Emoties worden vaak gelijkgesteld aan gevoelens. Ontwikkelingsideologen kijken naar emoties aan de hand van een meer complexe benadering. Zij zien emoties als bestaande uit meerdere componenten: neurale responses, de fysiologische factoren (hartslag, ademhalingen, hormoonniveaus), subjectieve gevoelens, emotionele expressie en het verlangen om actie te ondernemen (vluchten, toenaderen, of veranderen van mensen of dingen in de omgeving). Er is echter nogal wat discussie over of emoties aangeboren zijn of zijn aangeleerd.
Welke theorieën zijn er met betrekking tot de aard en de ontwikkeling van emoties?
De discrete emotietheorie stelt dat emoties zijn aangeboren en vanaf de geboorte van elkaar te onderscheiden zijn en dat iedere emotie gepaard gaat met een specifieke set van lichamelijke reacties en gezichtsuitdrukkingen. Dit is afgeleid van het idee van Darwin. Volgens deze theorie zijn emotionele reacties voornamelijk automatisch en niet gebaseerd op cognitie. Baby's hebben een set herkenbare emoties, zonder dat er actief geleerd kan zijn over deze emoties, daarnaast zijn bepaalde expressies van emoties over de wereld hetzelfde. De functionalistenbenadering stelt echter dat emoties afhankelijk zijn van de omgeving, en dat de functie van emoties is om acties te ondernemen om een bepaald doel te bereiken. Emoties zijn hier niet discreet van elkaar te onderscheiden en zijn gedeeltelijk gebaseerd op de sociale omgeving. Deze twee benaderingen zijn het erover eens dat cognities en ervaringen de emotionele ontwikkeling beïnvloeden.
Hoe komen emoties tot stand?
Onderzoekers zijn het erover eens dat er verschillende basisemoties zijn die universeel zijn in alle menselijke culturen. Deze basisemoties hebben belangrijke overlevings- en communicatiefuncties. Ze zijn al heel vroeg in het leven te zien, wat de discrete emotietheorie ondersteunt.
In de eerste maand glimlacht een baby soms tijdens de slaap. Deze vroege glimlachen zijn reflexief en worden niet opgewekt door sociale interactie. Vanaf de derde tot de achtste week glimlacht een baby vanwege externe stimuli. Als ze ongeveer 6-7 weken zijn gaan ze lachen naar anderen, dit wordt sociaal glimlachen genoemd. In de zevende maand gaan baby’s lachen naar bekende mensen. Dit is bedoeld om de band te versterken. Aan het einde van het eerste levensjaar laten baby’s zien dat ze plezier beleven aan onverwachte dingen, zoals mama met een gekke hoed op.
Vanaf de vierde maand lijken baby's al bewust te zijn van onbekende objecten en gebeurtenissen. Als ze zes of zeven maanden oud zijn beginnen de eerste tekenen van angst te komen, voornamelijk angst voor vreemden. Dit verdwijnt normaal rond het tweede levensjaar. In de achtste tot de dertiende maand tonen baby’s angst wanneer ze gescheiden worden van de primaire verzorgers. Dit wordt scheidingsangst genoemd. Dit wordt ook minder naarmate ze ouder worden.
Boosheid is de reactie van een kind op frustrerende of dreigende situaties en is vaak een interpersoonlijke ervaring. Bij baby's is boosheid vaak versmolten met verdriet, pas vanaf het eerste levensjaar wordt boosheid als losstaande emotie gezien bij kinderen. De aanleidingen voor boosheid veranderen als kinderen ontwikkelen, omdat ze meer leren begrijpen over de intenties en motieven van anderen. Jonge kinderen tonen dat ze overstuur zijn wanneer ze geen controle hebben over bepaalde situaties. Als kinderen nog ouder worden tonen zij verdriet wanneer ze bijvoorbeeld worden gescheiden van hun ouders.
De meeste baby's laten verrassing voor het eerst zien als ze ongeveer zes maanden zijn. Vaak is deze emotie echter kort en verandert deze snel in een andere emotie. Over walging wordt gezegd dat dit een evolutionaire basis heeft, omdat het zou voorkomen dat je vergiftigde dingen eet. Echter, individuen leren wat wordt beschouwd als walgelijk.
Bovenstaande emoties worden beschouwd als aangeboren. Zelfbewuste emoties ontwikkelen zich tijdens het tweede en derde levensjaar. Zelfbewuste emoties zijn emoties zoals trots, schaamte, schuldgevoel en verlegenheid. Deze zelfbewuste emoties zijn gerelateerd aan ons zelf en ons bewustzijn van andermans reacties op ons. Schuldgevoel is geassocieerd met empathie voor anderen en andermans gevoelens, omdat men spijt heeft van het eigen gedrag. Zo wil men de gevolgen van het eigen gedrag ongedaan maken, omdat men spijt heeft. Schaamte ontstaat echter wanneer de aandacht naar onszelf gaat, wanneer we het gevoel hebben dat we blootgesteld zijn en ons willen verstoppen. Deze zelfbewuste emoties verschillen per cultuur, zo zijn de situaties die deze emoties opwekken en de frequentie waarmee ze voorkomen verschillend.
Om te bepalen of emoties aangeboren of aangeleerd zijn, hebben onderzoekers onderzocht of baby's herkenbare emoties laten zien in reactie op externe stimuli. AFFEX is een systeem voor het coderen van emoties bij baby's waarbij bepaalde gezichtsexpressies en bewegingen van gezichtsspieren gelinkt worden aan bepaalde emoties. Dit systeem heeft links laten zien tussen emotionele expressies van kinderen en hun emotieregulatievaardigheden en sociale gedragingen. Uit een recente studie blijkt dat hoe meer kinderen boosheid en verdriet lieten zien, hoe meer mentale gezondheidsproblemen en gedragsproblemen ze lieten zien zes maanden later.
Hoe kunnen we emoties van anderen identificeren?
De eerste stap in het begrijpen van emoties, is de herkenning van verschillende emoties bij anderen. Al op de leeftijd van drie maanden kunnen baby's onderscheid maken tussen verschillende gezichtsexpressies. Sociaal refereren is het gebruiken van de gezichtsexpressie of vocale cues van een ouder of andere volwassene om te beslissen hoe om te gaan met nieuwe, ambigue of mogelijk dreigende situaties. De vaardigheid om te onderscheiden tussen emoties en verschillende emoties te kunnen benoemen helpt kinderen om gepast te reageren op hun eigen emoties en die van anderen.
Emotionele intelligentie is de vaardigheid om informatie over emoties cognitief te verwerken en deze informatie te gebruiken om zowel gedachten als gedrag te sturen. Het bevat ook de vaardigheid om de eigen emoties en emoties van anderen te begrijpen door gezichtsexpressies, lichaamstaal en spreektoon. Kinderen met een hoge emotionele intelligentie kunnen beter hun emoties reguleren en vertonen minder vaak agressief gedrag. Ook voorspelt emotionele intelligentie zelfvertrouwen, persoonlijkheid en cognitieve intelligentie. Dit heeft ertoe geleid dat het promoten van emotionele intelligentie gebruikt wordt als interventie voor agressief en antisociaal gedrag.
Het weten van de oorzaken van emoties is ook belangrijk voor het begrijpen van het eigen gedrag en de eigen motieven en die van anderen. Het is de sleutel tot het reguleren van het eigen gedrag en daarmee voor sociale competentie. Vanaf een leeftijd van vier tot zes jaar kunnen kinderen accurate verklaringen geven voor waarom hun leeftijdsgenootjes negatieve emoties laten zien. Met de leeftijd leren kinderen ook begrijpen dat mensen bepaalde emoties kunnen voelen doordat dingen uit het verleden herinnerd worden. Ze worden bewust van cognitieve processen die gerelateerd zijn aan emotie en van het feit dat emotionele intensiteit afneemt na een tijdje. Ze leren ook dat mensen meerdere emoties tegelijk kunnen ervaren.
Hoe kunnen we echte van valse emoties onderscheiden?
Het begrijpen van echte en valse emoties is ook een belangrijk ontwikkelingsproces. Een kind moet leren begrijpen dat de emoties die mensen laten zien niet per se hun ware gevoelens laten zien. Om valse emoties te leren begrijpen, moet er een groeiend inzicht in display regels ontstaan. Dit zijn de normen in een bepaalde sociale groep over wanneer, waar, en hoe vaak iemand zijn emoties laat zien en wanneer iemand deze moet onderdrukken of maskeren. Kinderen van anderhalf jaar kunnen al overdreven en neppe emoties herkennen. Met de leeftijd leren kinderen steeds beter om displayregels te volgen, kinderen van vier jaar kunnen dit nog niet, terwijl meer dan de helft van de achtjarigen het wel kan.
Het reguleren van emoties is erg belangrijk om je eigen doelen te bereiken. Emotieregulatie is een set van zowel bewuste als onbewuste processen die gebruikt worden om emotionele ervaringen en expressies te monitoren en moduleren.
Hoe ontwikkelt emotieregulatie?
De emotionele staten van jonge baby's worden extern gereguleerd met behulp van co-regulatie, waarbij een verzorger de benodigde comfort of afleiding aan het kind geeft, zodat verdriet verminderd wordt. Als kinderen ongeveer vijf maanden zijn, laten ze oppervlakkige emotieregulatie zien door bijvoorbeeld zelf-comforting gedrag, wat repetitieve acties zijn die arousal reguleren door een positieve fysieke sensatie te bieden, zoals het zuigen op de vingers. Een andere strategie is zelf-afleiding, waarbij weggekeken wordt van de verontrustende stimulus om zo het arousallevel te reguleren. Vanaf 9-12 maanden worden kinderen bewust van de eisen van ouders en gaan zichzelf daarnaar gedragen. Hun naleving groeit hard in het tweede levensjaar. Waar jonge kinderen voornamelijk gedragsstrategieën gebruiken om hun emoties te reguleren, gebruiken oudere kinderen voornamelijk cognitieve strategieën en probleemoplossen.
Kinderen leren over de tijd welke cognitieve strategieën of gedragsstrategieën geschikt zijn om te gebruiken in een bepaalde situatie. Oudere kinderen zijn zich er bijvoorbeeld meer bewust van dan jongere kinderen dat er situaties zijn waar ze geen controle over hebben en dat het in dat geval makkelijker is om hun emotie te reguleren door zich aan te passen aan de situatie in plaats van de situatie te veranderen.
Hoe verhoudt emotieregulatie zich tot sociale competentie en aanpassingsvermogen?
Sociale competentie is de vaardigheid om persoonlijke doelen te behalen in sociale interacties terwijl tegelijk een positieve relatie wordt behouden met anderen. Onderzoek laat zien dat kinderen die de vaardigheid hebben om ongepast gedrag te inhiberen, om voldoening uit te stellen en om cognitieve methoden te gebruiken voor emotieregulatie, beter aangepast zijn en meer gemogen worden door hun leeftijdsgenoten en volwassenen.
Wat is de invloed van de kwaliteit van de ouder-kindrelatie?
De relatie die het kind met de ouders heeft beïnvloed het veiligheidsgevoel en hoe het kind zich voelt over zichzelf en anderen. Deze gevoelens beïnvloeden op hun beurt welke emoties geuit worden. Kinderen die veilig gehecht zijn en dus een vertrouwde relatie met de ouders hebben van hoge kwaliteit, zullen meer blijheid en minder sociale angst en boosheid laten zien dan kinderen die onveilig gehecht zijn en dus weinig vertrouwen en ondersteuning ervaren in de relatie met de ouders.
De expressies van emoties van ouders beïnvloeden hoe kinderen zichzelf en anderen zien in hun sociale wereld. Ze leren welke emoties gepast en effectief zijn. Als er weinig emoties getoond worden, kan een kind bijvoorbeeld het idee krijgen dat emoties slecht zijn en vermeden moeten worden. In huizen waar veel positieve emoties aanwezig zijn, zijn kinderen vrolijker en onder andere minder agressief. Als er in hevige mate veel boosheid is, zijn kinderen minder sociaal competent en ervaren ze zelf ook meer negatieve emoties.
Wat is de invloed van socialisatie van ouders op de emotionele responses van kinderen?
De emotionele ontwikkeling van kinderen wordt ook beïnvloed door de emotionele socialisatie, dit is het proces waardoor kinderen de waarden, standaarden, vaardigheden, kennis en gedragingen krijgen aangeleerd dat gepast is voor hun huidige en toekomstige rol in hun cultuur. In dit proces wordt ook de sociale competentie van hun kinderen beïnvloedt.
Hoe ouders reageren op de emoties van hun kinderen beïnvloedt de emotie-expressie van de kinderen, hun sociale competentie en hun sociale aanpassing. Emotionele support is van belang voor een gezonde ontwikkeling van de emoties en de expressie van emoties. Ouders die kritisch zijn op uitingen van verdriet en angst communiceren daarmee naar hun kinderen dat die emoties niet valide zijn.
Het hebben van familieconversaties over emoties is een ander belangrijk aspect van de emotionele socialisatie. Door het praten over emoties, leren de ouders kinderen wat emoties betekenen, wanneer emoties wel en niet geuit moeten worden en wat de consequenties zijn van het wel of niet uiten van emoties. Aanvullend kan de kinderen geleerd worden hoe ze om moeten gaan met emoties. Deze kinderen zijn meer sociaal competent, meer empathisch en laten minder probleemgedrag en depressie zien.
Er zijn culturele verschillen in emotionele expressie. De Europees-Amerikaanse cultuur is onafhankelijk, assertief en moedigt de expressie van emoties aan. Dit leidt ertoe dat kinderen in deze landen meer negatieve emoties tonen. In bijvoorbeeld China zijn mensen onderling afhankelijk van elkaar, kinderen van deze cultuur willen graag bij een groep horen en werken naar harmonieuze interpersoonlijke relaties toe. Dit leidt ertoe dat ze minder negatieve emoties tonen. In China worden negatieve emoties vermeden en wordt schaamte veel vaker gezien dan in Westerse culturen.
Er bestaan individuele verschillen in emoties en de regulatie ervan. Er zijn veel overeenkomsten te vinden, maar toch ook veel verschillen in de ontwikkeling van emoties en zelfregulatiecapaciteiten. Sommige mensen zijn erg oppervlakkig in emoties, terwijl andere mensen juist erg emotioneel zijn. Dit heeft onderzoekers ertoe geleid om het concept van temperament te ontwikkelen. Temperament verwijst naar individuele verschillen in emotie, activiteitslevel en aandacht, die in verschillende contexten gezien worden en aanwezig zijn vanaf de babytijd, waardoor gedacht wordt dat het genetisch bepaald is. Omgevingsfactoren zijn ook deels van invloed op het temperament.
Thomas en Chess bedachten een experiment waarin baby’s worden opgedeeld in groepen, gebaseerd op de mate van temperament: makkelijke baby’s (40%) passen zich snel aan in bepaalde situaties of routines. Moeilijke baby’s (10%) passen zich langzaamaan in bepaalde situaties of routines en laten vaak sneller negatieve reacties zien. Baby's met een langzaam op te warmen temperament (15%) hebben eerst moeite om zich aan te passen in bepaalde situaties of routines, maar door herhaaldelijk contact met nieuwe objecten, mensen of situaties passen ze zich steeds sneller aan. Het overige percentage van de baby’s past niet in een van de bovenstaande groepen. Tegenwoordig proberen onderzoekers in plaats van een tussen-personen-benadering een binnen-personen-benadering te gebruiken om ontwikkeling te begrijpen. Op basis van deze benadering heeft elk kind een bepaald niveau van elke dimensie van temperament. Niet alle onderzoekers zijn het erover eens hoeveel dimensies er zijn, Rothbart is echter een leidende expert op dit gebied en zij heeft vijf hoofddimensies van temperament geïdentificeerd: angst, stress/woede/frustratie, aandachtsspanne, activiteitsniveau en (glim)lachen. Ratings van temperament blijken vrij stabiel te zijn over tijd en situaties en voorspellen latere ontwikkeling op gebieden als gedragsproblemen, angststoornissen en sociale competentie.
Kinderen met verschillende temperamenten laten verschillen zien in hartslag. EEG-metingen laten zien dat activatie in de linker frontaalkwab is geassocieerd met benaderingsgedrag, positief affect, exploratie en socialisatie. Activatie in de rechter frontaalkwab is echter geassocieerd met terugtrekken, onzekerheid en angst. Kinderen met meer activiteit in de rechter frontaalkwab reageren met meer angst en vermijding dan individuen met meer activiteit in de linker frontaalkwab.
Veranderingen in hoeveel en wanneer temperament wordt geuit op verschillende leeftijden is waarschijnlijk te wijten aan genen die aan- en uitgezet worden tijdens de ontwikkeling.
Wat zijn de determinanten van temperament?
Dat temperament een genetische component heeft, blijkt uit vele studies, zoals tweelingstudies die laten zien dat identieke tweelingen meer gelijk zijn aan elkaar qua emotie(regulatie) dan twee-eiige tweelingen. De omgeving speelt echter ook al vanaf de geboorte een belangrijke rol. Het gedrag van de ouders is van sterke invloed, kinderen die opgroeien in onstabiele gezinssituaties en een minder warme opvoeding krijgen, hebben meer problemen met zelfregulatie en emotie-expressie. Kinderen beïnvloeden echter ook hun ouders, kinderen die meer sociaal zijn en meer regulatie hebben kunnen meer warmte oproepen bij hun ouders.
Een combinatie van genetische factoren en omgevingsfactoren dragen samen bij aan individuele verschillen in de emoties van kinderen en gerelateerd gedrag.
Welke rol speelt temperament in sociale vaardigheden en onaangepast gedrag?
Een van de redenen van de interesse in temperament is dat het een belangrijke rol speelt in het bepalen van de sociale aanpassing van kinderen. De manier waarop kinderen zich aanpassen aan nieuwe situaties hangt niet alleen af van het type temperament dat kinderen hebben, maar ook van hoe goed dat temperament past in een bepaalde omgeving waarin ze zich bevinden. Dit wordt ook wel goodness of fit genoemd, dit is de mate waarin het individuele temperament past in de verwachtingen van de sociale omgeving van het kind of het gedrag van de ouders. Sommige temperamenten maken kinderen sterk reactief op zowel positieve als negatieve familieomgevingen. Deze kinderen laten een karakteristiek zien die differentiële vatbaarheid wordt genoemd, wat betekent dat hetzelfde kenmerk dat kinderen sterk risico laat lopen op negatieve uitkomsten als ze blootgesteld worden aan een ruwe omgeving er óók voor zorgt dat ze bloeien als de thuisomgeving positief is.
Mentale gezondheid is een belangrijk component van de emotionele ontwikkeling. Het weerspiegelt het welzijn van het kind, zowel intern (emoties en stress) als extern (relatie met familie en vrienden).
Welke invloed heeft stress?
Als kinderen in situaties of omgevingen komen die ze waarnemen als beangstigend, bedreigend of overweldigend kunnen ze stress ervaren, een fysiologische reactie op veranderingen of bedreiging in de omgeving. Hierbij verhoogt de hartslag, worden stresshormonen vrijgelaten, wordt er meer bloed naar de hersenen gebracht en is er een verhoogd gevoel van angst en alertheid. Stress kan nuttig zijn om het kind te mobiliseren actie te ondernemen en bijvoorbeeld goed te leren voor een toets. Echter, als stress chronisch is, kan het problematisch worden. Kinderen ervaren dan veel negatieve emoties. Soms kan een enkele heftige negatieve gebeurtenis een traumatische stress veroorzaken.
Toxische stress is de ervaring van overweldigende niveaus van stress zonder de ondersteuning van volwassenen om de effecten te helpen verzachten. Als een kind zoveel stress heeft, worden de hersengebieden die angst reguleren overladen, waardoor er atrofie en krimping zal optreden. Sommige veranderingen zijn permanent en kunnen langetermijn veranderingen in reacties op stress veroorzaken. Er zijn verschillende bronnen van stress: mishandeling, armoede en oorlog. Hoe meer van zulk soort ervaringen, hoe meer kans op hoge stresslevels, depressie, angst, obesitas, roken en alcoholisme. Er is wat bewijs dat blootstelling aan niet-stressvolle omgevingen en behandeling deze effecten wat kunnen terugdraaien.
Hoe ontstaan internaliserende mentale problemen?
Als een kind herhaaldelijk blootgesteld wordt aan stress of traumatische stress ervaart, kan dit leiden tot de ontwikkeling van mentale stoornissen. Dit zijn chronische condities die blijvend zijn in de kindertijd en volwassenheid, het is een staat van het hebben van problemen met emotionele reacties op de omgeving en met sociale relaties op een manier waarop het het dagelijks leven beïnvloedt. Er is geen specifiek pad naar een bepaalde stoornis. Equifinaliteit is het concept dat verschillende oorzaken kunnen leiden tot dezelfde mentale stoornis. Multifinaliteit is het concept dat bepaalde risicofactoren niet altijd leiden tot een mentale stoornis.
Depressie is een mentale stoornis die wordt gekenmerkt door een verdrietige of geïrriteerde stemming die samengaat met fysieke en cognitieve veranderingen die het dagelijks leven beïnvloeden. Om de diagnose te krijgen moet bij een kind sprake zijn van een verdrietige of geïrriteerde stemming voor ten minste twee weken, fysieke en cognitieve symptomen zoals slaapproblemen, significante veranderingen in het gewicht, onvermogen om te concentreren of een verlies van interesse in activiteiten. Sommigen hebben ook zelfmoordneigingen of -gedachten. Er zijn zowel genetische factoren als omgevingsfactoren van invloed op de kans dat een kind depressie krijgt. Kinderen van wie de ouders een verleden hebben met depressie, hebben meer kans om ook depressie te krijgen, de erfelijkheid is 40%. De omgeving heeft ook invloed, weinig gevoeligheid, ondersteuning en acceptatie van de ouders zorgt voor hogere levels van depressie bij kinderen. Vaak is het een combinatie van persoonlijke kwetsbaarheid en externe stressvolle factoren.
Angststoornissen zijn een set van mentale stoornissen die gekenmerkt worden door het onvermogen om angst en zorgen te reguleren. Deze angst blijft dagen of maanden aanhouden, waardoor het het dagelijks functioneren van de persoon beïnvloedt. In jonge kinderen is de meest voorkomende stoornis de scheidingsangststoornis, wat een aanhoudende angst is om gescheiden te worden van een verzorger of dat een verzorger in gevaar komt. Dit is tot op zekere hoogte normaal, maar als het blijft en interfereert met gedrag, wordt het als stoornis gezien. Ook bij angststoornissen zijn zowel genetische invloeden als omgevingsinvloeden bijdragend.
Hoe kunnen internaliserende mentale problemen worden behandeld?
Drugtherapie voor depressie bij kinderen en adolescenten in combinatie met cognitieve gedragstherapie (CBT) lijkt effectief te zijn voor het verminderen van depressieve symptomen. Drugtherapie alleen kan ook helpen voor depressie, maar er zijn ernstige bijwerkingen bekend, zoals het vergroten van het risico op suïcidaal gedrag. CBT alleen is zowel effectief voor het behandelen van depressie als angst, hierbij wordt de kinderen geleerd maladaptieve gedachten te herkennen en te leren hoe ze deze gedachten kunnen modificeren.
Als kinderen ouder worden, vergroot het risico op depressie. Meisjes hebben echter een sneller vergrotend risico dan jongens, zodanig dat ze op de leeftijd van 17 jaar 2-3 keer zoveel kans hebben op depressie. Een reden voor dit sekseverschil is dat meisjes in de periode voor het vergrotende risico meer internaliserende emoties laten zien dan jongens. Een andere reden is dat de biologische veranderingen in de puberteit moeilijker zijn voor meisjes dan voor jongens. Meisjes worden ook meer beïnvloed door chronische stress van sociale interacties, wat depressieve symptomen voorspelt. Belangrijke stressoren zijn zorgen om het lichaam en het voorkomen. Voor jongens is een risicofactor dat de puberteit later start dan bij leeftijdgenoten. Ruminatie is het focussen op de eigen negatieve emoties en negatieve zelfwaardering en op de oorzaken en consequenties hiervan zonder moeite te doen om de situatie te verbeteren. Hoe meer dit gedrag voorkomt, hoe meer kans er is op depressie. Dit komt meer voor bij meisjes. Co-ruminatie is het uitgebreid bespreken van emotionele problemen met een ander. Ook dit komt vaker voor bij meisjes.