Welke theorieën bestaan er over de hechting van kinderen? - Chapter 11

Kinderen ontwikkelen bepaalde vormen van hechting. Hechting is een emotionele band met een specifiek persoon, die constant blijft over tijd. Vaak wordt er over hechting gesproken in de vorm van de relatie tussen kind en verzorger, maar hechting kan ook voorkomen in volwassenheid.

Welke hechtingsstijlen zijn er?

Wat is de hechtingstheorie?

De hechtingstheorie is bedacht door Bowlby. Deze theorie stelt dat kinderen een biologische aanleg hebben om zich te hechten aan de verzorgers, om daarmee de kans van eigen overleving te verhogen. Later breidde en testte Ainsworth de ideeën van Bowlby. Volgens Freud worden de ontwikkelingen van kinderen gevormd door de vroege relaties die ze hebben met hun moeder. Bowlby was het hiermee eens, maar veranderde het idee van Freuds behoeftige ,afhankelijke kind in een competent, gemotiveerd kind, dat zijn verzorger beschouwt als een veilige basis. Deze veilige basis is gebaseerd op het idee dat de aanwezigheid van een vertrouwde verzorger een kind een gevoel van veiligheid kan bieden en dit maakt het mogelijk voor het kind om de omgeving te verkennen.

Het hechtingsproces heeft een aangeboren basis, maar de ontwikkeling en kwaliteit ervan zijn afhankelijk van de ervaringen van het kind met de verzorgers. De ontwikkeling van hechting vindt volgens Bowlby via de volgende stappen plaats:

  1. Voorhechting: vindt plaats vanaf de geboorte tot de leeftijd van 6 weken. Hier produceren baby’s aangeboren signalen, zoals huilen. De baby wordt vervolgens gerustgesteld.
  2. Hechting in de maak: vindt plaats tussen de leeftijd van zes weken tot zes tot acht maanden. Hier gaan baby’s reageren op bekende mensen, bijvoorbeeld door te glimlachen, hardop te lachen, of te brabbelen. Ze worden sneller rustig en bouwen een vertrouwen op in die persoon.
  3. Duidelijke hechting: vindt plaats tussen de leeftijd van 6-8 maanden en 1,5 jaar. Hier zoeken baby’s actief contact met de verzorger. Baby’s groeten de moeder als ze tevoorschijn komt, maar ervaren stress als ze weer weggaat, dat heet separatieangst.
  4. Wederzijdse relaties: vinden plaats vanaf de leeftijd van anderhalf tot twee jaar. Hier ontwikkelen kinderen cognitieve en taalmogelijkheden om de gevoelens, doelen, en motieven van hun ouders te begrijpen. Er ontstaat hierdoor een wederzijdse relatie, waarin het kind een actieve rol speelt. De separatieangst wordt ook minder in deze fase.

De uitkomst van deze stappen is uiteindelijk een emotionele band tussen kind en verzorgers. Daarbij ontwikkelt het kind een intern werkmodel van hechting. Dit is de mentale presentatie dat het kind van zichzelf heeft, van het hechtingsfiguur en van relaties in het algemeen. Deze mentale representatie is dus ontstaan door ervaringen met de verzorgers. Dit interne werkmodel begeleidt de interacties van het kind met andere mensen, ook wanneer het kind ouder wordt.

Hoe meten we de veiligheid van de hechting?

Ainsworth onderzocht de moeder-kindrelatie tijdens exploraties en separaties van de moeder in Oeganda. Op deze manier werd de kwaliteit van de hechting van het kind met de ouder/verzorger gemeten. Aan de hand van haar observaties kwam ze tot de conclusie dat twee hoofdfactoren inzicht geven in de kwaliteit van de hechting: de mate waarin het kind de verzorger als een veiligheidsbasis gebruikt, en de reactie van het kind op scheiding van en hereniging met de verzorger. Later ontwierp Ainsworth aan de hand van deze factoren een test, de Vreemde Situatietest. Bij deze test wordt het kind blootgesteld aan zeven momenten van drie minuten, waarin separaties van de moeder, terugkomst van de moeder, en aankomst van een onbekend persoon elkaar afwisselen. Ainsworth identificeerde uit dit onderzoek drie hechtingsstijlen:

  1. Veilige hechtingsstijl: hierbij heeft het kind een positieve, vertrouwelijke relatie met het hechtingsfiguur. Het kind is overstuur bij de afwezigheid van de verzorger en blij bij de terugkomst van de verzorger. Deze kinderen gebruiken de verzorger als een veilige basis voor exploratie.

  2. Onveilige ambivalente hechtingsstijl: hierbij is het kind aanhankelijk en blijft dichtbij de verzorger in plaats van dat het de omgeving verkent. Het kind huilt intens bij de afwezigheid van de moeder en is lastig te troosten bij terugkomst, het zoekt zowel troost als dat het weerstand biedt tegen troostpogingen van de verzorger.

  3. Onveilige vermijdende hechtingsstijl: hierbij lijkt het kind onverschillig en vermijdend te zijn tegenover de verzorger voordat deze weggaat en is ook onverschillig en vermijdend als deze weer terugkomt. Als het kind overstuur raakt, kan het net zo makkelijk getroost worden door een vreemde als door een verzorger.

Omdat een klein percentage niet past in één van de drie bovenstaande hechtingsstijlen, ontstond er een nieuwe hechtingsstijl:

  1. Onveilige gedesoriënteerde hechtingsstijl: hierbij heeft het kind geen consistente manier om om te gaan met de stress van de Vreemde Situatietest. Hun gedrag is verwarrend en soms zelfs tegenstrijden, vaak lijken ze verdwaast en gedesoriënteerd.

In de loop der tijd zijn er nog andere middelen ontwikkeld om hechting te meten. Een veelgebruikt alternatief is de Attachment Q-short, hierbij worden kaartjes met uitspraken over gedragingen gesorteerd, waarbij het kind uiteindelijk gekarakteriseerd wordt op een continuüm van veilig tot onveilig. Hechting is geen vaststaand kenmerk, er is wel stabiliteit in de veiligheid van de hechting, maar dit kan veranderen tijdens de kindertijd. Er zijn ook testen ontwikkeld om hechting in de volwassenheid te meten en met behulp van vragenlijsten.

Er is onderzocht of afwezigheid van primaire verzorgers en de verzorging door niet primaire verzorgers interfereert met de vaardigheid van de kinderen om een veilige hechting te vormen. Het is gebleken dat kinderen van 15 en 36 maanden in de kinderopvang net zoveel kans hadden om veilig gehecht te zijn aan hun moeder dan kinderen die niet naar de kinderopvang gingen. De sensitiviteit van de moeder was hierbij een belangrijke predictor. Hoge kwaliteit kinderopvang kan als compensatie functioneren voor insensitieve en niet-responsieve moeders. De enige manier waarop kinderopvang kan interfereren met de hechting is wanneer de kwaliteit laag is.

Welke factoren bepalen individuele verschillen in hechting?

Er zijn weinig cultuurverschillen gevonden in de categorisatie van de hechtingsstijlen. Wel is er verschil in percentageverdeling, dus hoe vaak bepaalde hechtingsstijlen gevonden werden.

Er zijn twee belangrijke bronnen voor de verschillen in hechting, namelijk sensitiviteit van de ouders en genetische predisposities. Een belangrijk aspect van de opvoeding die gelinkt is aan hechting is sensitiviteit van de ouders, dit is zorgzaam gedrag met expressie van warmte en responsiviteit jegens het kind wanneer ze bijvoorbeeld assistentie nodig hebben of wanneer ze in nood zijn. Een veilig gehecht kind heeft ouders die reageren op de signalen van het kind, die liefdevol en expressief zijn en die frequent hecht contact met het kind initiëren. Een onveilig ambivalent gehecht kind heeft ouders die inconsistent zijn in hun reacties en overspoeld lijken met verzorgingstaken. Een onveilig vermijdend gehecht kind heeft ouders die ongevoelig zijn voor de signalen van het kind, die hecht contact vermijden en de pogingen tot contact vanuit het kind negeren en die boos, prikkelbaar of ongeduldig zijn. Een onveilig gedesoriënteerd gehecht kind heeft ouders die opdringerig en emotioneel afwezig zijn, die gedissocieerd zijn of in een trance-achtige staat, die het kind verwarren of bang maken en die ruw en kwetsend zijn. Andere factoren zullen ook een rol spelen bij de soort hechtingsstijl die kinderen ontwikkelen, bijvoorbeeld conflicten tussen de ouders. Ondanks dat ouders niet consistent sensitief zijn, kan een kind toch een veilige hechting ontwikkelen.

Er zijn verschillende interventies ontwikkeld voor het promoten van een veilige hechting. Als ouders meededen aan een interventie, was de kans drie keer zo groot dan kinderen veilig gehecht zouden zijn, voornamelijk wanneer de interventie al in de vroege babytijd werd toegepast. Een bekende interventie is de Circle of Security, waarbij ouders op hun eigen mentale representaties moeten reflecteren over hoe ouders en kinderen zouden moeten interacteren, waarna begeleiding gegeven werd bij het veranderen van maladaptieve representaties. Een andere interventie is de Attachment and Biobehavioral Catch-Up, die speciaal is voor moeders die risico lopen hun kinderen te mishandelen. De interventie focust op het veranderen van het gedrag en blijkt heel effectief te zijn. Deze interventies laten zien dat elke problematische ouder-kindrelatie kan worden verbeterd met duidelijke verbeteringen voor de veiligheid van de hechting.

Ook de genen zijn van invloed bij de hechting. Een recente studie focust op de mogelijke invloed van allelische varianten van het serotonine transporter gen, SLC6A4, op het gedrag in de Vreemde Situatietest. Er is ook onderzoek waaruit blijkt dat het DRD4 gen, betrokken bij het dopaminesysteem, geassocieerd is met gedesorganiseerde hechting als een kind in stressvolle omgevingen is, maar het is geassocieerd met veiligere hechting in een minder stressvolle omgeving. 

Wat is de relatie tussen hechting en de sociaal-emotionele ontwikkeling bij kinderen?

De manier van hechting voorspeelt de latere sociaal-emotionele ontwikkeling. Als kinderen veilig gehecht zijn, ervaren ze betere aanpassing en meer sociale vaardigheden dan onveilig gehechte kinderen. Een verklaring hiervoor is dat kinderen met een veilige hechting meer kans hebben op het ontwikkelen van positieve en constructieve interne werkmodellen van hechting en omdat ze meer kans hebben om te leren dat het acceptabel is om emoties te tonen. Veilig gehechte kinderen hebben onder andere meer hechte en harmonieuze relaties dan onveilig gehechte kinderen. Hechting kan veranderen, bijvoorbeeld als aspecten van de omgeving veranderen, in zulke gevallen voorspellen ouder-kindinteracties of opvoedingsgedrag de sociale en emotionele competentie van het kind op die leeftijd beter dan metingen van hechting op jongere leeftijd.

Hoe ontwikkelt het zelfconcept?

De definitie van het zelfconcept omvat je eigen gedachtes en houdingen over jezelf. De ontwikkeling van het zelf is belangrijk, omdat dit de gevoelens van welzijn en zelfvertrouwen beïnvloeden wanneer er confrontatie is met kritiek. Deze ontwikkeling loopt van de babytijd tot in de adolescentie:

Het zelfconcept als baby: het kind moet zich differentiëren van de omgeving, wat gebeurt door het ontwikkelen van het gevoel dat ze fysieke wezens zijn. Kinderen leren dit door te interacteren met hun omgeving. Zelfconcept wordt meer duidelijk rond acht maanden en herkenning van het zelf wordt duidelijk rond de 18-20 maanden, als kinderen zichzelf gaan herkennen in de spiegel. Hierin zijn culturele verschillen die te linken zijn aan verschillen in opvoeding.

Het zelfconcept in de kindertijd: jezelf begrijpen wordt complexer. Het zelfgevoel is grotendeels een sociale constructie die gebaseerd is op de observaties en evaluaties van anderen, voornamelijk van verzorgers. Kinderen beginnen hun zelfconcept te verfijnen op de basisschool, deels omdat ze meer doen aan sociale vergelijking, het proces waarbij een kind aspecten van het eigen psychologisch, gedragsmatig of fysiek functioneren vergelijkt met dat van anderen om zichzelf te evalueren. De veranderingen in het zelfconcept van oudere kinderen weerspiegelen cognitieve vooruitgang in hun vaardigheid om hogere-orde concepten te gebruiken die meer specifieke gedragskenmerken van het zelf integreren.

Het zelfconcept ontwikkelt zich in de adolescentie, waardoor je abstracter leert denken en jezelf leert beschrijven, bijvoorbeeld als extravert of juist introvert. Adolescenten ontwikkelen vaak meerdere zelven, bij hun ouders zijn ze anders dan bij hun vrienden. Denken over jezelf is in de vroege adolescentie in eerste instantie egocentrisch, dit wordt persoonlijke fabel genoemd. Dit is een vorm van adolescent egocentrisme dat overtuigingen over de uniekheid van eigen gevoelens en gedachtes omvat. Deze vorm van egocentrisme zorgt er ook voor dat veel adolescenten gepreoccupeerd zijn met wat anderen van hen denken. Dit wordt het hebben van denkbeeldig publiek genoemd. Denkbeeldig publiek is een overtuiging uit adolescentie dat ieder ander is gericht op jouw gedrag en verschijning. Ook zijn adolescenten erg introspectief, ze denken na over wie ze eigenlijk zijn. Naarmate men ouder wordt, denkt men minder na over wat anderen over hen denken en wil men meer aan de eigen doelen werken.

Kinderen met een autisme spectrum stoornis (ASS) hebben verschillende cognitieve en emotionele moeiten, waaronder beperkingen in de ontwikkeling van ToM (theory of mind) en in hun vaardigheid om zich te identificeren met anderen. De vraag is of dit deels kan komen door een beperking in het zelfbewustzijn. Onderzoekers hebben gevonden dat kinderen met ASS vaak naar zichzelf verwijzen in de derde persoon en moeite hebben om zichzelf te differentiëren van anderen. Interventies die zich richten op het verbeteren van het zelfbewustzijn van kinderen met ASS, laten zien dat met de juiste begeleiding het zelfbewustzijn kan verbeteren zonder dat de eigenwaarde omlaag gaat.

Hoe ontwikkelt de eigenwaarde?

De eigenwaarde is een algemene evaluatie van de waarde die een individu zichzelf toekent en de gevoelens die door deze evaluatie opgewekt worden. Eigenwaarde doet zich pas voor als kinderen ongeveer 8 jaar zijn. Mensen met een hoge eigenwaarde voelen zich goed over zichzelf en zijn over het algemeen hoopvol. Mensen met een lage eigenwaarde voelen zich vaak waardeloos en hopeloos. Lage eigenwaarde wordt vaak geassocieerd met problemen als agressie, depressie, drugsgebruik, sociale vermijding, zelfmoordideeën en verschillende problemen in de volwassenheid.

Er zijn verschillende bronnen die individuele verschillen veroorzaken in eigenwaarde. Een voorbeeld is leeftijd. Eigenwaarde lijkt hoog te zijn in de kindertijd, te verminderen in de adolescentie om vervolgens weer op te leven in de volwassenheid. Aantrekkelijke mensen hebben vaak een hogere eigenwaarde dan minder aantrekkelijke mensen. Geslacht is een andere bron. Jongens lijken een hogere eigenwaarde te hebben dan meisjes, alhoewel dit wel afhangt van het domein. Zo hebben meisjes een hogere zelfwaarde als het gaat om gedrag en moreel-ethische zelfwaarde en jongens een hogere zelfwaarde als het gaat om atletiek, uiterlijk en zelfgenoegzaamheid. De meest belangrijke bron voor eigenwaarde is de goedkeuring en ondersteuning van anderen, voornamelijk van de ouders. Zo hebben veilige hechting en acceptatie van de ouders een positieve invloed op de eigenwaarde. De invloed van leeftijdsgenootjes wordt over de kinderperiode steeds belangrijker. De neiging om zichzelf te evalueren op basis van wat leeftijdsgenootjes vinden, is onder andere geassocieerd met een preoccupatie voor goedkeuring en lage eigenwaarde. Hiernaast zijn de standaarden en waarden van belangrijke personen en culturele groepen waarvan men deel uitmaakt belangrijk voor de eigenwaarde, alsmede de school- en buurtomgevingen. 

Er zijn ook hier culturele verschillen te vinden. Zo is de Westerse cultuur vooral gericht op het individualisme, terwijl de Aziatische cultuur vooral gericht is op het collectivisme. Voor mensen die in een Westerse cultuur leven, is eigenwaarde gerelateerd aan individuele prestaties en promoties. Voor mensen die in een Aziatische cultuur leven, is eigenwaarde vooral gerelateerd aan andermans welzijn en sociale interafhankelijkheid.

Velen geloven dat kinderen geprezen moeten worden om te zorgen dat ze een positief beeld van zichzelf krijgen. Onderzoekers hebben veel onderzoek gedaan naar een specifiek soort prijzen, namelijk opgeblazen prijzen. Deze overdreven manier van prijzen zorgt ervoor dat kinderen met een lage eigenwaarde minder uitdaging-zoekend gedrag laten zien. Kinderen met een lage eigenwaarde die op een normale manier geprezen werden, lieten dit gedrag wel zien. Het overdreven prijzen kan de lat hoog leggen, kinderen kunnen daardoor activiteiten gaan vermijden waarin ze mogelijk falen, een vorm van zelfprotectie. Het beste is om een kind te prijzen om de moeite die het ergens in gestoken heeft, op deze manier worden ze gestimuleerd om door te blijven gaan als ze voor uitdagingen te komen staan.

Hoe ontwikkelt de identiteit?

De identiteit is de beschrijving van het zelf die vaak extern opgelegd is, zoals door het lid zijn van een bepaalde groep. Iedereen heeft meerdere identiteiten die aanwezig zijn op bepaalde momenten of in bepaalde situaties. Erikson stelde dat alle adolescenten een identiteitscrisis ervaren in de fase van de ontwikkeling die hij de identiteit versus rolverwarring fase noemde: tijdens deze fase ontwikkelt de adolescent ofwel een identiteit of een incompleet en soms incoherent zelfgevoel. Het succesvol oplossen van deze crisis resulteert in identiteitsverwezenlijking, dit is de integratie van verschillende aspecten van jezelf die een coherent geheel vormen en stabiel zijn over tijd en in elke situatie. Later werd het idee verworpen dat elke adolescent een identiteitscrisis doorloopt. Meer recent hebben onderzoekers meer additionele verschillen in identiteit afgebakend. Tijdens een toestand van moratorium verkent een individu verschillende occupationele en ideologische keuzes en heeft nog geen duidelijke verbintenis met hen gemaakt. Ze verkennen deze mogelijke verbintenissen op twee manieren: in de breedte (verschillende kandidaatidentiteiten proberen voordat er een gekozen wordt) en in de diepte (continu monitoren van huidige verbintenissen om ze meer bewust te maken).

Identiteitsdiffusie is een periode waarin een individu geen vaste verbintenissen heeft wat betreft bepaalde kwesties en geen vorderingen maakt om deze te ontwikkelen. Identiteitsexecutie is een periode waarin een individu geen identiteitsexperimentatie heeft gedaan en een vocationele of ideologische identiteit tot stand heeft gebracht die gebaseerd is op keuzes of waarden van anderen.

Een hoofdfactor die van invloed is op de identiteitsformatie is de benadering van ouders, hierbij is warmte en ondersteuning erg belangrijk. De identiteitsformatie wordt ook beïnvloed door de grotere sociale context en de historische context.

Etnische en raciale identiteit is de opvattingen en houdingen die een individu heeft over de etnische of raciale groep waar ze bij horen. Etniciteit verwijst naar de relaties en ervaringen die een kind heeft die gelinkt zijn aan hun culturele of etnische afkomst, terwijl ras verwijst naar de ervaringen die een kind heeft die het resultaat zijn van hun lidmaatschap, wat toegeschreven kan zijn door anderen, in historische raciale groepen zoals 'blanken' en 'zwarten'. Vanaf de geboorte heeft een kind nog geen besef van deze componenten, maar kinderen tussen de vijf en acht jaar zijn zich ervan bewust dat ze behoren tot een bepaald(e), onveranderlijk(e) etniciteit of ras. Mensen uit minderheidsgroepen staan tijdens de adolescentie voor een moeilijke keuze: of ze kiezen voor de normen en waarden van de etnische groep waartoe ze oorspronkelijk behoren, of ze kiezen voor de normen en waarden van de dominante cultuur waarin ze op dat moment leven. Uiteindelijk kunnen deze jonge mensen ook bi-cultureel worden: ze zijn tevreden met een identiteit die zowel de meerderheid van een (bijvoorbeeld) Westerse cultuur weergeeft, maar hun identiteit kan ook de minderheid van hun eigen, oorspronkelijke etnische cultuur weergeven.

Etnische en raciale identiteiten zijn gelinkt aan de eigenwaarde. Ondanks het feit dat Afrikaans Amerikaanse mensen vaker discriminatie en stereotypering ervaren, hebben ze vaker een hogere eigenwaarde, wat kan komen doordat deze identiteit een belangrijk deel is van hun zelfconcept. Vaak is acceptatie van familie, buren en vrienden belangrijker dan reacties van vreemdelingen en de maatschappij in het algemeen. Zo hebben Latinos ondanks armoede en vooroordelen een niet veel andere eigenwaarde dan bijvoorbeeld Europeanen. Dit is deels vanwege het feit dat ouders de kinderen hun identificatie laten zoeken in familie en de grotere etnische groep.

Hoe ontwikkelt de seksuele identiteit?

De individuele identiteit bevat ook de seksuele identiteit, het zelfgevoel van het zijn van een seksueel wezen. De seksuele identiteit bevat de seksuele oriëntatie: de voorkeuren voor danwel mannen, danwel vrouwen als object voor erotische gevoelens. De meest waarschijnlijke tijd dat jongeren gevoelens van seksuele aantrekkingskracht beginnen te voelen is in de puberteit. Huidige theoretici geloven dat het feit of deze gevoelens zich richten op dezelfde sekse of de andere sekse deels erfelijk zijn en gebaseerd op biologische factoren.

De meeste adolescenten zijn heteroseksueel, ze voelen zich aangetrokken tot mensen van het andere geslacht. De zogenaamde seksuele-minderheid jeugd zijn de adolescenten die zich aangetrokken voelen tot mensen van hetzelfde geslacht of tot beide geslachten. Ondanks de groeiende acceptatie van lesbiennes, homo's en biseksuelen, ervaren ze toch vaak discriminatie. Ze voelen zich vaak anders. Het kan lang duren voordat ze erkennen dat ze lesbisch, homo of biseksueel zijn, dit proces begint met de zogenaamde eerste herkenning, een eerste realisatie dat ze wat anders zijn dan anderen. Dan is er een periode waarin ze dit idee exploreren, vervolgens accepteren ze het feit dat ze op hetzelfde geslacht vallen, en uiteindelijk integreren zij dit in hun identiteit en komen er ook voor uit naar de omgeving toe.

Wanneer ze hiervoor uitkomen, vertellen ze het vaak eerst aan een goede vriend, vervolgens aan de moeder en uiteindelijk aan de vader. Ouders reageren meestal ondersteunend op de coming out, maar het is niet ongebruikelijk dat er ook dreigementen en fysiek geweld aan te pas komt. Vaak is er ook sprake van pesten door leeftijdsgenoten en anderen in de gemeenschap, wat de hogere mate van spijbelgedrag kan verklaren bij deze jongeren. Het is dan ook niet verrassend dat deze jongeren vatbaar zijn voor onder andere depressie, lage eigenwaarde en een verminderd gevoel van controle over hun romantische relaties. Er is ook meer kans op zelfmoord onder deze jongeren, wat heeft geleid tot de opkomst van het It Gets Better Project, waaruit blijkt dat het verbinden met andere seksuele-minderheid jeugd helpt. 

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2571
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector