Wat zijn probleemoplossingsstrategieën en wat is intelligentie? - Chapter 13

Wat zijn algemene probleemoplossingsstrategieën?

Onderzoekers beschrijven probleemoplossing als een proces van zoeken, net als een rat in een doolhof. Men zoekt hierbij naar een manier om een doel te bereiken. Een voorbeeld hiervan is het Hobbits en Orcs probleem: "Vijf orks en vijf hobbits zitten op de oostelijke oever van de Modderige Rivier. Zij moeten oversteken naar de westelijke oever en hebben een boot gevonden. Bij elke reis, moet er minimaal één wezen in de boot zitten, maar er passen niet meer dan drie wezens tegelijk in de boot. Ook is het belangrijk om te weten dat als het aantal orks meer is dan het aantal hobbits, dat de orks de hobbits dan opeten. Hierdoor moet er gelet worden op dat er nooit meer orks zijn dan de hobbits. De vraag is nu hoe de wezens naar de westelijke oever kunnen gaan, zonder dat er hobbits worden opgegeten." Alle mogelijke opties kunnen vervolgens weergegeven worden in een 'boom', met alle opties er in. Elke stap heeft verbindingen met andere stappen. Al deze takken samen wordt de 'probleemruimte' genoemd.

Om het probleem van de orks en hobbits op te lossen, zou iemand zich door de hele probleemruimte kunnen bewegen. Dit geeft garantie op het vinden van een oplossing. Echter is dit niet altijd mogelijk. Een voorbeeld hiervan is schaken. Er zijn te veel mogelijke opties voor een mens om te zien, dus dan wordt het aangeraden om het zoeken door een probleemruimte te versmallen, door middel van een probleemoplossing heuristiek.

Algemene probleemoplossing heuristieken

Een vaak toegepaste probleemoplossingsstrategie is de 'bergbeklimming heuristiek'. Hierbij moet je je voorstellen dat je door het bos wandelt en dat je moet uitzoeken welke weg leidt tot de top van de berg. Dus wanneer jij wordt geconfronteerd met meerdere paden, dan kies jij het pad dat naar boven leidt. Ditzelfde geldt voor het oplossen van problemen: op elk moment  kies je de optie die leidt naar boven (naar je doel). Deze strategie is echter gelimiteerd bruikbaar, omdat het soms belangrijk is om juist even afstand te nemen van je doel. Vaak kan dan alleen vanuit deze nieuwe positie het probleem worden opgelost. Toch passen veel mensen deze heuristiek toe. Zij hebben dan vaak moeite met zich terugtrekken, zelfs wanneer dit benodigd is voor het behalen van hun doel. In plaats daarvan kiezen ze er meestal voor om een andere strategie toe te passen.

Een andere probleemoplossingsstrategie is de middelen-doelen strategie. Hierbij vergelijken mensen hun huidige staat met hun ideale staat (doelen). Ze vragen zich dan af: welke middelen heb ik om mijn huidige staat en mijn ideale staat meer gelijk te maken?

Afbeeldingen en diagrammen

Er zijn ook andere manieren voor het oplossen van problemen. Zo is het vaak nuttig om een probleem in concrete termen te beschrijven door middel van een mentale afbeelding of foto. 

Wat is de invloed van ervaring?

Probleemoplossing door middel van analogie

Vaak lijkt een nieuw probleem op een probleem uit het verleden. Dan kan je dus door middel van de ervaring die je hebt met het oude probleem, het nieuwe probleem oplossen. Het oude probleem dient dan als een 'analogie' voor het nieuwe probleem. 

Een voorbeeld is 'het tumor probleem'. Hierbij was het probleem: "Veronderstel dat je een arts bent die geconfronteerd wordt met een patiënt die een kwaadaardige tumor in de maag heeft. Het is onmogelijk om de patiënt te opereren, maar als de tumor niet vernietigd wordt, zal de patiënt sterven. Er bestaat een straling die de tumor kan vernietigen, maar alleen als de stralen de tumor met een voldoende hoge intensiteit kunnen bereiken. Jammer genoeg moet de intensiteit hiervoor zo hoog zijn dat de stralen ook het gezonde weefsel waar ze doorheen moeten, vernietigen. Bij lagere intensiteiten zijn de stralen schadeloos voor gezond weefsel, maar hebben ze ook geen impact op de tumor. Welke procedure zou gevolgd kunnen worden om de tumor met de stralen te vernietigen zonder tegelijkertijd het gezonde weefsel te vernietigen?

Hierbij kregen de proefpersonen ook een verhaal te lezen, een analogie: "Een klein land werd vanuit een fort geregeerd door een dictator. Het fort lag in het midden van het land, omgeven door boerderijen en dorpen. Veel wegen leidden vanuit het land naar het fort. Een opstandige generaal zwoer om het fort in te nemen. Hij wist dat een aanval enkel succes kon hebben indien hij het fort met zijn volledige leger aanviel. Hij verzamelde zijn leger aan het begin van de hoofdweg en was klaar voor de aanval, toen hij te horen kreeg dat de dictator mijnen gelegd had op alle wegen. Deze mijnen waren zo ingesteld dat kleine groepjes mensen er ongestoord over konden lopen, maar een volledig leger zou zoveel gewicht op de straat leggen dat deze zou ontploffen en het leger vernietigen, samen met grote delen van de dorpen. Het leek daarom onmogelijk om het fort aan te vallen met een groot leger. Toen kreeg de generaal een lumineuze inval: in plaats van met zijn volledige leger over één straat te marcheren, verdeelde hij het in kleine groepjes en verspreidde deze over de verschillende straten die naar het fot leidden. Toen iedereen klaar was, gaf hij het signaal en elk groepje marcheerde op hetzelfde moment naar het fort, waardoor iedereen gelijktijdig aankwam. Op die manier kon de generaal het fort innemen en de dictator gevangen zetten. Door middel van deze analogie kon vijfenzeventig procent van de mensen het probleem oplossen. Zonder deze analogie was dit maar tien procent.

Echter gebruiken mensen analogieën vaak niet uit zichzelf. Als iemand dit probleem ziet, dan vraagt hij of zij zichzelf af: "wat weet ik nog meer over tumoren?". Dit helpt om andere situaties te herinneren, maar helpt niet om een hulpvolle analogie te bedenken. Om goed gebruik te maken van analogieën, is het belangrijk om verder te kijken dan alleen de oppervlakkige karakteristieken van een probleem. Het wordt dus aangeraden om naar "de diepe structuur" van een probleem te kijken, om zo de onderliggende principes van het probleem te begrijpen. Een analogie kan vervolgens alleen gebruikt worden wanneer mensen in staat zijn om een eerdere ervaring te vertalen naar het huidige probleem. Men moet dus bijvoorbeeld in staat zijn te begrijpen hoe een generaal met zijn leger past bij een tumor die vernietigd moet worden.

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in staat zijn om analogieën te gebruiken, betere probleemoplossers zijn vergeleken met mensen die dat niet doen. Ook blijkt dat probleemoplossing verbeterd kan worden door mensen te stimuleren zich te richten op de onderliggende structuur van problemen.

Experts in probleemoplossing

Experts lijken vaak problemen aan te pakken door te kijken naar de diepere structuur van het probleem. Ook gebruiken ze vaker analogieën. Hiervoor is wel specifieke expertise in een relevant domein nodig. Ook zijn experts goed in het gebruik van subdoelen om een probleem op te lossen en zijn ze goed in het organiseren van relevante informatie en kennis, waardoor ze meer kunnen onthouden. Zo richten ze hun aandacht op de relaties tussen bepaalde eenheden, waardoor ze een idee hebben van de brede strategieën en zich niet te veel bezig houden met irrelevante details. Ook weten experts simpelweg meer.

Wat houdt probleemdefinitie in?

Er zijn dus goede en slechte manieren om een probleem te definiëren. 

Slecht en goed gedefinieerde problemen

Veel problemen zijn duidelijk gedefinieerd, wat wil zeggen dat het doel en de opties duidelijk zijn. Echter zijn er ook problemen die onduidelijk zijn, wat inhoudt dat het niet duidelijk is hoe het doel zou kunnen worden bereikt of wat het doel precies is. Een voorbeeld van slecht gedefinieerde problemen zijn: "geld sparen voor studie" of "een goede tijd hebben op vakantie". Hierbij is het niet duidelijk hoe het gewenste einddoel er precies uitziet en hoe dit einddoel eventueel bereikt zou kunnen worden. In andere woorden, het zijn vaag gedefinieerde doelen en wensen.

Om met slecht gedefinieerde problemen om te gaan, is het nuttig om subdoelen te creëren. Vaak hebben slecht gedefinieerde problemen namelijk verschillende onderdelen en door deze onderdelen één voor één op te lossen, kan er naar een algehele oplossing worden toegewerkt. 

Functionele vastheid

Er zijn vaak meerdere manieren om tot een probleemoplossing te komen. Soms is het voor het oplossen van een probleem vereist dat je verder denkt dan dat je initieel zou doen. Een voorbeeld hiervan is het 'kaars probleem': Je hebt twee kaarsen, talloze punaises en een doos lucifers. Gebruik alleen deze items om uit te zoeken hoe je de kaarsen aan een muur bevestigt.

De meeste mensen gebruiken de punaises meteen om de kaarsen aan de muur te bevestigen. Als gevolg van functionele vastheid denkt men namelijk slechts aan één manier om de punaises te gebruiken. Er is echter nog een andere oplossing, namelijk dat de lucifers gebruikt worden om het onderste deel van elke kaars te smelten en gebruik de hete was om de kaars aan de luciferdoos te plakken. Zodra de kaarsen op de doos zijn bevestigd, kan men de punaises gebruiken om de doos aan de muur te bevestigen. Om tot deze oplossing te komen, moet men afstand nemen van 'functionele vastheid' en de luciferdoos zien als een 'doos', in plaats van als lucifers die bedoeld zijn om de kaars aan te steken.

Out of the box denken

De overtuigingen en assumpties die iemand heeft over een probleem, wordt zijn of haar probleemoplossing set genoemd. Een probleemoplossing set zorgt er voor dat het aantal opties voor het oplossen van een probleem, beperkt is. Nutteloze of gekke opties worden hiermee uitgesloten. Dit maakt het vervolgens makkelijker om tot een oplossing te komen.

Wat is creativiteit?

Case studies van creativiteit

Door het bestuderen van extreem creatieve artiesten zoals Pablo Picasso, Charles Darwin, Johann Sebastian Bach en Marie Cure, hebben onderzoekers veel geleerd over creativiteit. Zo blijkt dat deze mensen veel overeenkomsten hebben. Deze gedeelde kenmerken kunnen ook "vereisten" voor creativiteit worden genoemd. Deze overeenkomsten zijn dat deze individuen over het algemeen veel kennis en vaardigheden bezitten (om een goede scheikundige te zijn, moet je veel weten over scheikunde). Daarnaast moet men bezitten over een aantal kenmerken om creatief te zijn. Deze kenmerken zijn: bereid zijn om risico's te nemen, kritiek kunnen negeren, ambigue bevindingen of aparte situaties tolereren en een neiging om zich af te scheiden van de massa. Daarnaast raken hoog creatieve individuen vaak gemotiveerd doordat zij genieten van hun werk, in plaats van dat zij gemotiveerd raken door externe beloningen (zoals geld). Hierdoor werken zij extreem hard en produceren zij veel. Ten vierde zijn deze hoog creatieve individuen over het algemeen "op de juiste plaats, op de juiste tijd" geweest. Deze bevindingen geven dus twee dingen weer: zo wel de invloed van de persoon zelf, als die van de omgeving. De omgeving is van invloed doordat het kennis en middelen biedt. Door deze observatie hebben onderzoekers gesteld dat er een systematische "socio-culturele benadering" benodigd is om creativiteit te onderzoeken. Deze benadering houdt rekening met de sociale en historische context en de processen binnen een individu zelf.

Het moment van verlichting

Volgens Wallas verloopt creatief denken door vier fases. In de eerste fase, de fase van voorbereiding, verzamelt de probleem oplosser informatie over het probleem en werkt een beetje aan het probleem, maar is er niet veel vooruitgang. In de tweede fase, de fase van incubatie, zet de probleemoplosser het probleem even aan de kant en werkt er niet aan. Volgens Wallas is de probleemoplosser echter nog steeds onbewust bezig met het oplossen van het probleem. Uiteindelijk leidt dit fase drie, de fase van verlichting. In deze fase krijgt het individu een nieuw inzicht of nieuw idee, dat leidt tot de vierde en laatste fase, de fase van verificatie. In deze fase beslist de persoon dat deze oplossing de juiste is en gaat verder aan de slag met het implementeren van de oplossing.

Uit onderzoek is echter gebleken dat veel creatieve gebeurtenissen niet deze vier fasen volgen. Ook zou de fase van verlichting die Wallas beschrijft, meer een mythe zijn dan realiteit. Vaak ontstaan ontdekkingen door middel van 'mini-inzichten', die uiteindelijk langzaam leiden tot een ontdekking. 

Incubatie

Volgens Wallas is de persoon die het probleem aan de kant zet, onbewust nog bezig met het oplossen van het probleem, wat incubatie wordt genoemd. De resultaten van onderzoeken hiernaar zijn echter gemixt. Zo stellen sommige auteurs dat incubatie niet plaatsvindt als men veel druk ervaart. Anderen stellen dat de manier waarop iemand zijn of haar tijd besteed tijdens de incubatie periode, belangrijk is. Zo zou het beter zijn om tijdens de incubatieperiode je gedachten te laten dwalen. Dit 'dwalen van gedachten' in plaats van gedachten te sturen, zou kunnen leiden tot verspreidende activatie, die op zijn beurt zou kunnen leiden tot nieuwe inzichten en ideeën.

De aard van creativiteit

De beschreven hoog creatieve individuen, maakten allemaal gebruik van analogieën, hints, heuristieken en werkten allemaal heel hard. Soms kunnen mensen tot hele creatieve inzichten komen, door simpelweg te 'proberen en missen'. Ook suggereert onderzoek dat creatieve individuen een andere manier gebruiken om door hun geheugen te zoeken. Zo stellen sommige auteurs dat convergent denken belangrijk is; het zien en herkennen van patronen en verbindingen tussen ideeën. Andere auteurs benadrukken het belang van divergent denken; de vaardigheid om nieuwe, onbekende gedachten te hebben (nieuwe ideeën te krijgen).

Wat is intelligentie?

Alfred Binet en zijn collega's waren de eersten die intelligentie omschreven. Zij omschreven het als een capaciteit die belangrijk is voor veel verschillende aspecten van cognitief functioneren. Zij creëerden op basis van dit idee een test, die veel verschillende taken bevatte: iets natekenen, een rij met nummers onthouden en opnoemen, een verhaal begrijpen, etc. De prestaties op deze taken werd dan bepaald aan de hand van een composiet score: de optelsom van de score voor de verschillende taken. De testscore werd dan gezien als de ratio tussen iemand zijn of haar 'mentale leeftijd' en zijn of haar chronologische leeftijd. Deze ratio werd dan met honderd vermenigvuldigd en dan kreeg je een quotiënt. Dit werd uiteindelijk ook de term IQ: intelligentie quotiënt. Moderne testen meten niet meer met deze ratio, maar worden nog steeds IQ testen genoemd. 

Tegenwoordig wordt de Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC) en de Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS) vaak gebruikt als test. Deze testen bestaan uit ook subtesten, die bijvoorbeeld algemene kennis, vocabulaire en begrip meten. 

Er zijn ook intelligentietests met andere formats, zoals de Raven's Progressive Matrices test. Deze test is puur bedoeld om iemand zijn vaardigheid te meten in het analyseren van figuren en het ontdekken van patronen. 

Betrouwbaarheid en validiteit

Bij het ontwerpen van testen, zijn de termen betrouwbaarheid en validiteit van belang. Betrouwbaarheid refereert naar hoe consistent een test is over de tijd. Als jij een test vaker afneemt, dan wordt deze test betrouwbaar genoemd als jij altijd dezelfde score krijgt. Dit wordt de test-hertest betrouwbaarheid genoemd. Intelligentietesten hebben een hoge test-hertest betrouwbaarheid. Echter is het wel zo dat IQ-scores kunnen veranderen, vooral bij veranderingen in de omgeving. 

De validiteit van intelligentietesten, wat inhoudt of de test echt meet wat het wil meten (wordt er echt intelligentie gemeten of wordt er iets anders gemeten?) is ook belangrijk. De predictieve validiteit gaat over of de testscores die men heeft op een intelligentietest, voorspellend (predictief) zijn voor hoe die persoon het doet in bepaalde gebieden of situaties (school, werk). Er blijkt een correlatie van .50 te zijn tussen iemand zijn of haar testscores en zijn of haar academische prestaties. Ook heeft het invloed op hoe iemand het doet op zijn of haar werk. Echter is het hier wel belangrijk om rekening te houden met verschillen tussen beroepen. Bij niet-complexe beroepen is de correlatie tussen IQ-score en prestatie klein, maar bij complexe beroepen is deze correlatie hoog.

Ook zijn IQ-scores gecorreleerd met andere uitkomsten in het leven. Zo eindigen mensen met een hogere IQ-score vaak hoger met betrekking tot carrière, maar het blijkt ook dat mensen met een hogere IQ-score langer leven. Ze hebben minder auto-ongelukken en houden zich beter aan wat de dokter hen aanraadt.

Algemene tegenover gespecialiseerde intelligentie

Er zijn twee soorten antwoorden op de vraag: "wat wordt er precies gemeten met een IQ-test?". Het ene antwoord is dat het een algemene intelligentie meet: een capaciteit die belangrijk is voor elke mentale taak. Het andere antwoord is dat er niet een algemene intelligentie is. In plaats daarvan heeft elk persoon een verzameling van specifieke talenten, waardoor iemand wiskundig heel goed kan zijn, maar verbaal een stuk slechter, bijvoorbeeld. Volgens dit perspectief is een IQ-score dus een samenvatting van alle specifieke talenten die iemand bezit. 

Om er achter te komen welke van de twee perspectieven correct is, wordt er gekeken naar de subtests van de testen. Charles Spearman bedacht de factoranalyse. Met behulp van de factoranalyse wordt er gekeken naar of een test gemeenschappelijke factoren heeft (één soort intelligentie), of dat het allerlei verschillende factoren meet (meerdere soorten intelligentie). Met behulp van factoranalyse is er bevestigd dat er een gemeenschappelijke factor is, omdat de sub testen allemaal met elkaar correleren. Spearman noemde dit 'algemene intelligentie', wat hij aanduidde met de letter g. Hij stelde dat mensen met een hoge g, erg slim zijn in allerlei opzichten.

Een hiërarchisch model van intelligentie

Toch is g niet alles. Mensen hebben namelijk ook gespecialiseerde vaardigheden, zoals verbale vaardigheden en numerieke vaardigheden. Hierdoor is er een hiërarchische structuur van intelligentie. In de top van de hiërarchie, is g. In het niveau eronder zijn de specifieke vaardigheden (verbaal, numeriek, linguïstiek). In het niveau daar weer onder, bevinden zich de meer specifieke capaciteiten. Deze hiërarchie zorgt er voor dat men voorspellingen of hypothesen kan opstellen. Zo kan er verwacht worden dat wanneer men taken van verschillende categorieën (verbaal en numeriek) kiest, dat er nog steeds een correlatie is, omdat er een algemene g is. Echter zou deze correlatie hoger moeten zijn wanneer taken van dezelfde categorie zijn, omdat deze taken twee dingen overeen hebben: ze zijn beide afhankelijk van g en ze zijn beide afhankelijk van de gespecialiseerde capaciteiten voor de categorie. Data ondersteunt deze hypothesen en hierdoor kunnen we aannemen dat er een hiërarchie van intelligentie is.

Vloeibare en gekristalliseerde intelligentie

Er is ook een onderscheid tussen vloeibare en gekristalliseerde intelligentie. Vloeibare intelligentie gaat over de mate waarin iemand kan omgaan met nieuwe, onbekende problemen. Gekristalliseerde intelligentie daarentegen gaat over de kennis die iemand heeft (door scholing, ouders, boeken, etc.) over dingen waar hij of zij al eerder mee te maken heeft gehad. Deze vormen van intelligentie hebben een hoge correlatie. Toch zijn er wel belangrijke verschillen. Ten eerste neemt de gekristalliseerde intelligentie toe met iemand zijn of haar leeftijd. Vloeibare intelligentie daarentegen piekt in de jonge volwassenheid en neemt vervolgens af. Ook zijn er veel factoren (alcohol, roken, depressie) die meer invloed hebben op de vloeibare intelligentie dan op de gekristalliseerde intelligentie. 

Wat is g?

Er zijn meerdere antwoorden op de vraag wat g precies is en wat bepaalt of iemand een hoge of lagere g heeft. Eén antwoord is simpel: mentale processen gaan snel maar kosten tijd. Wellicht zijn mensen die wij zien als 'intelligent', mensen bij wie deze mentale processen snel verlopen. Bewijs voor dit perspectief komt van inspectietijd: de tijd die iemand nodig heeft om te beslissen welke van de twee lijnen langer is, of welke van de twee tonen hoger is. Hierbij is het zo dat hoe langer de inspectietijd, hoe lager de intelligentie. Er is dus een negatieve correlatie. Dit betekent ook dat hoe korter de inspectietijd, hoe hoger de intelligentie.

Een ander antwoord op de vraag is dat het werkgeheugen belangrijk is. Het werkgeheugen gaat over executieve controle: de mate waarin mensen hun eigen gedachten kunnen monitoren en sturen. Mensen met een hogere werkgeheugencapaciteit, scoren beter op intelligentie taken. Hierdoor wordt gesteld dat mensen die intelligent zijn, betere controle hebben over hun gedachten en hierdoor impulsen kunnen onderdrukken en tot betere oplossingen kunnen komen.

Wat zijn andere vormen van intelligentie?

Praktische intelligentie

Praktische intelligentie wordt ook wel 'straat intelligentie' genoemd. Dit gaat over intelligentie in alledaagse situaties. 

Rationaliteit

Soms zijn mensen volgens een IQ test erg intelligent, maar negeren zij feiten en maken zij te snel beslissingen. Ook hebben ze te veel zelfvertrouwen in hun beslissingen, terwijl die niet altijd goed zijn. Hierdoor heeft Stanovich gezegd dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen rationaliteit en intelligentie. Volgens hem is rationaliteit de capaciteit om kritisch om te gaan met informatie die iemand krijgt.

Andere typen van intelligentie

Andere onderzoekers wijzen op emotionele intelligentie. Dit is de vaardigheid om iemand zijn of haar eigen emoties en die van anderen te begrijpen en om de eigen emoties te controleren. Mensen die hoog scoren op emotionele intelligentie, creëren vaak een positieve werksfeer en hebben meer leiderschapspotentieel. 

De grootste uitdaging voor de algemene IQ tests komt van Gardner. Hij kwam met de theorie van multipele intelligenties. Hij stelt dat er acht typen van intelligentie bestaan. Van deze acht, worden er drie gemeten met behulp van normale intelligentietests:

  1. Linguïstische intelligentie.
  2. Logisch-wiskunde intelligentie.
  3. Spatiele intelligentie.

Volgens Gardner is er daarnaast ook nog sprake van:

  1. Muzikale intelligentie.
  2. Lichamelijke-kinesthetische intelligentie.
  3. Interpersoonlijke intelligentie.
  4. Intra persoonlijke intelligentie.
  5. Naturalistische intelligentie.

Bewijs voor Gardner's theorie komt van savanten: mensen die extreem laag scoren op IQ tests en dus als zwakbegaafd worden gezien, maar die wel enorme talenten hebben. Sommige savanten kunnen bijvoorbeeld deze vraag erg snel beantwoorden: "Welke dag was het op 12 maart in 1540?". 

De wortels van intelligentie

Zowel genen als omgeving hebben invloed op hoe intelligent iemand is. Ook zijn het geen aparte invloeden, in plaats daarvan interacteren ze met elkaar en zijn ze afhankelijk van elkaar. Een voorbeeld hiervan is het leven in armoede. Hoe langer een kind in een armoedige omgeving leeft, hoe meer negatieve invloed op de intelligentie. Een positieve bevinding is dat het stimuleren van de omgeving, de IQ score kan verhogen. 

Een ander bewijs van omgevingsinvloeden komt van het Flynn effect. Dit is het fenomeen dat over de gehele wereld, IQ punten stijgen met drie punten elke tien jaar. 

Vergelijken tussen groepen

Er is verschil tussen de gemiddelde IQ scores van blanke Amerikanen en Afrikaanse Amerikanen. Dit kan verklaard worden door stereotype bedreiging. Er heerst namelijk het stereotype dat Afrikaans-Amerikanen minder intelligent zijn dan blanke Amerikanen. Dit weten de Afrikaans-Amerikanen ook. Tijdens het maken van een test zijn zij dus bewust van het stereotype dat heerst over heen, en ervaren zij stress die er waarschijnlijk voor zorgt dat zij de test minder goed maken vergeleken met blanke Amerikanen.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Psychology Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2982
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector