Welke onderzoekontwerpen zijn er? - Chapter 3
In het vorige hoofdstuk hebben we geleerd dat een onderzoeker moet kiezen tussen twee onderzoeksstrategieën (kwalitatief of kwantitatief). Vervolgens moeten er nog twee belangrijke keuzes gemaakt worden voordat je een onderzoek kan opzetten: het kiezen van een onderzoeksontwerp en de onderzoeksmethode. Deze twee termen worden vaak met elkaar verward: een onderzoeksontwerp weergeeft de structuur die de uitvoering van een methode en de data-analyse in bepaalde banen leidt. Het onderzoeksontwerp verschaft het kader voor de verzameling en analyse van data. Een onderzoeksmethode is simpelweg een techniek voor het verzamelen van data. Dit kan een vragenlijst, observatie of analyse van documenten of reeds bestaande data inhouden. De case study betreft een onderzoeksontwerp, maar wordt vaak onjuist als methode bestempeld. Een case study heeft betrekking op het uitgebreid bestuderen van een bepaalde case (gemeenschap, persoon, organisatie), maar je kunt geen data vergaren door het enkele selecteren van een organisatie die je gaat bestuderen. Ga je gebruikmaken van observaties, interviews, vragenlijsten of het bekijken van documenten? Je kunt een van deze of meerdere methoden gebruiken, het gaat erom dat de keuze voor een case study an sich geen data oplevert.
- Aan welke kwaliteitscriteria moet sociaal onderzoek voldoen?
- Wat houdt het experimenteel ontwerp in?
- Wat houdt het ‘cross-sectioneel’ ontwerp in?
- Wat houdt het longitudinaal ontwerp in?
- Wat houdt het ‘case study’ ontwerp in?
- Wat houdt het vergelijkende ontwerp in?
- Welke onderzoeksstrategiën en onderzoeksontwerpen gaan goed met elkaar samen?
Aan welke kwaliteitscriteria moet sociaal onderzoek voldoen?
Sociaal onderzoek wordt beoordeeld aan de hand van drie criteria:
Betrouwbaarheid (‘reliability’), dit betreft de consistentie van onderzoeksresultaten: worden dezelfde resultaten verkregen bij een meting op een ander tijdstip? Dit is nauw verbonden met de repliceerbaarheid, oftewel de herhaalbaarheid van het onderzoek.
Repliceerbaarheid. Sommige onderzoekers kiezen ervoor om eerdere studies te repliceren, bijvoorbeeld omdat ze vinden dat het origineel niet overeenkomt met andere bewijzen of om te kijken of de bevindingen na verloop van tijd hetzelfde zijn gebleven. Een studie is repliceerbaar als duidelijk is hoe het is ontworpen, wie erbij betrokken waren, welke data verzameld is en hoe de data geanalyseerd is. Een onderzoeker moet de gemaakte methodologische keuzes dus nauwkeurig rapporteren. Het repliceren van een sociaal onderzoek is vrij zeldzaam, terwijl het wel erg op prijs gesteld wordt als het onderzoek de mogelijkheid biedt tot repliceerbaarheid, vooral in kwantitatief onderzoek. Studenten die een proefschrift voorbereiden kiezen er soms voor om een klassieke studie te repliceren door te bekijken of de bevindingen tegenwoordig nog steeds toepasselijk zijn of door een andere gemeenschap of organisatie te bestuderen.
Validiteit. De validiteit betreft de integriteit van de getrokken conclusies.
Er zijn verschillende soorten validiteit:
Constructvaliditeit, ook wel ‘measurement validity’ genoemd. Meet het onderzoeksinstrument het bedoelde construct? Meet bijvoorbeeld een IQ test daadwerkelijk variaties in intelligentie? Dit heeft vooral betrekking op kwantitatief onderzoek.
Interne validiteit, dit is vooral gerelateerd aan causaliteit. Is een conclusie met betrekking tot een causale relatie houdbaar? Veroorzaakt de onafhankelijke variabele (x) echt de afhankelijke variabele (y) of is misschien een andere factor verantwoordelijk?
Externe validiteit, dit heeft betrekking op de vraag of de resultaten van een studie generaliseerbaar zijn: zijn de conclusies ook toepasbaar in andere contexten? Dit is een belangrijke reden waarom kwantitatieve onderzoekers graag steekproeven genereren.
Ecologische validiteit, dit verwijst naar de mate waarin de wetenschappelijke bevindingen toepasbaar zijn in het alledaagse leven. Een kunstmatige / onnatuurlijke testomgeving of testconditie leidt vaak tot een lage ecologische validiteit.
Inferentiële validiteit, dit heeft betrekking op de vraag of de gevolgtrekkingen en conclusies die onderzoekers hebben getrokken gerechtvaardigd zijn door het onderzoek en de bevindingen. Het houdt verband met het gebruikte onderzoeksontwerp en de manieren waarop de bevindingen zijn geïnterpreteerd. Het is bijvoorbeeld riskant en vaak fout om causaliteit af te leiden uit een onderzoek dat gebaseerd is op het cross-sectioneel ontwerp.
Wat is de relatie tussen de kwaliteitscriteria en onderzoekstrategieën?
De betrouwbaarheid, repliceerbaarheid en validiteit (constructvaliditeit, interne validiteit en externe validiteit) spelen een grote rol bij kwantitatief onderzoek. Enkel de ecologische validiteit is belangrijk bij zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek. Lincoln en Guba (1985) stellen daarom alternatieve termen en manieren voor om kwalitatief onderzoek te beoordelen. Hun criterium is betrouwbaarheid, maar zij gebruiken niet de term ‘reliability’, maar ‘trustworthiness’. Elk aspect van dit criterium is parallel aan een criterium van kwantitatief onderzoek:
Geloofwaardigheid: gelijk aan interne validiteit.
Overdraagbaarheid: gelijk aan externe validiteit.
Afhankelijkheid: gelijk aan de betrouwbaarheid
‘Conformality’: gelijk aan objectiviteit
Volgens Hammersley (1992) is ook relevantie een belangrijk criterium.
Het is aan te raden om te beginnen met een onderzoeksvraag en daarna te bepalen welke onderzoeksontwerp het meest geschikt is voor beantwoording van die vraag. Als je het ontwerp hebt gekozen, moet het worden gerechtvaardigd in het hoofdstuk over methodologie. Leg uit hoe het ontwerp verband houdt met de onderzoeksvraag of waarom je niet hebt gekozen voor het meest effectieve ontwerp (door gebrek aan tijd of middelen bijvoorbeeld). Er worden vijf onderzoeksontwerpen besproken:
Experimenteel onderzoek(en varianten hierop, zoals quasi-experimenten)
‘Cross-sectioneel’ of ‘survey’ onderzoek
Longitudinaal onderzoek
‘Case study’ onderzoek
Vergelijkingsonderzoek
Wat houdt het experimenteel ontwerp in?
Experimentele ontwerpen kunnen ruwweg worden opgedeeld in klassieke experimenten en quasi-experimenten. De laatsten hebben slechts enkele experimentele kenmerken en zijn veldexperimenten of laboratoriumexperimenten. Een veldexperiment vindt plaats in een real life-setting, bijvoorbeeld een klaslokaal of een organisatie. Deze zijn voor sociale onderzoekers van groter belang dan laboratoriumexperimenten.
Wat zijn de kenmerken van het klassieke experiment-ontwerp?
Een klassiek experiment is zeldzaam binnen de sociologie (in tegenstelling tot de quasi-experimenten), maar wordt vaak gebruikt in gerelateerde onderzoeksgebieden zoals sociale psychologie. Experimenten zijn vooral sterk in termen van interne validiteit. De reden dat sociale onderzoekers deze methode weinig gebruiken is omdat er een onafhankelijke variabele gemanipuleerd moet worden om te bepalen of deze invloed heeft op de afhankelijke variabele.
Binnen dit design wordt elke proefpersoon willekeurig toegewezen aan één van de experimentele groepen. Elke groep verschilt in de mate van de afhankelijke variabele. Binnen het experimentele design wordt onderscheid gemaakt tussen een laboratoriumexperiment (in een sterk gecontroleerde setting) en een veldexperiment (in het echte leven). Een klassiek experimenteel design wordt ook wel een gerandomiseerd experiment of een ‘randomized controlled trial’ (RCT, gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek) genoemd en bestaat uit twee groepen: een experimentele of behandelingsgroep en een controlegroep. De afhankelijke variabele wordt voor en na de experimentele manipulatie gemeten. Proefpersonen worden willekeurig toegewezen aan één van de twee groepen zodat beide groepen even representatief zijn. Een RCT wordt hoog aangeschreven in de literatuur.
Wat zijn bedreigingen voor interne validiteit?
Volgens Campbell (1957) en Cook en Campbell (1979) zijn er zeven bedreigingen voor de interne validiteit:
Geschiedenis. Gebeurtenissen anders dan de experimentele manipulatie kunnen het gevolg hebben beïnvloed.
Testen. De subjecten kunnen meer ervaren worden in het doen van testen of worden gevoelig voor het doeleinde van het experiment.
Gebruikte instrumenten. De kleinste veranderingen in een test kunnen invloed hebben op het resultaat.
Sterfelijkheid. Met name langdurige onderzoeken kunnen te maken krijgen met uitval van participanten.
Rijping. Proefpersonen 'rijpen' (veranderen) gedurende het experiment.
Selectie. Een ongelijkwaardige verdeling van de personen over de twee groepen.
Dubbelzinnigheid omtrent de richting van de causale invloed.
Wat zijn bedreigingen voor externe validiteit?
Volgens Campbell (1957) en Cook en Campbell (1979) zijn er vijf grote bedreigingen voor de externe validiteit (en daarom ook voor de generaliseerbaarheid van het onderzoek):
Selectie en behandeling: naar welke sociale en psychologische groepen kan een resultaat gegeneraliseerd worden? Hier moet gelet worden op factoren zoals etniciteit, sociale klasse, regio, geslacht en persoonlijkheid.
Setting en behandeling: is het onderzoeksresultaat generaliseerbaar naar andere settings (zoals andere scholen)?
Geschiedenis en behandeling: kunnen gegevens gegeneraliseerd worden naar het verleden en de toekomst? Zijn gegevens van een paar jaar geleden vandaag ook nog toepasbaar?
De effecten van ‘pre-testing’: na getest te zijn kunnen proefpersonen gevoelig worden voor de experimentele behandeling. De resultaten zijn daarom vaak niet generaliseerbaar naar mensen die niet eerder getest zijn.
‘Reactieve’ effecten van experimentele afspraken: mensen zijn regelmatig bewust van het feit dat ze meedoen aan een experiment. Dit beïnvloedt hun reactiviteit en leidt tot verminderde generaliseerbaarheid.
Wat zijn de voordelen en beperkingen van laboratoriumexperimenten?
Veel onderzoeken binnen de sociale psychologie zijn laboratoriumexperimenten, omdat de onderzoeker dan veel invloed heeft op de inrichting van het experiment vergeleken met een veldexperiment. Het is eenvoudiger om subjecten te onderwerpen aan bepaalde condities in een laboratorium dan in het echte leven. Er is een hoge mate van controle mogelijk, wat de interne validiteit van het onderzoek kan vergroten. Laboratoriumexperimenten zijn bovendien eenvoudiger te repliceren.
Deze methode kent ook veel beperkingen. Zo is de externe en ecologische validiteit waarschijnlijk zeer beperkt. Het zogenaamde alledaagse realisme (‘mundane realism’) van laboratoriumexperimenten is dus slecht, maar het experimentele realisme is vaak wel van toepassing. Dit houdt in dat de proefpersonen erg betrokken zijn en het experiment serieus nemen. De belangrijkste potentiële bedreigingen voor de validiteit van het experiment: subjecten zijn studenten en dus niet representatief voor de gehele populatie, de studenten zijn niet onwillekeurig geworven en de studenten ontvingen stimulansen voor deelname waardoor zij verschillen van anderen.
Wat zijn quasi-experimenten?
Een quasi-experiment is een studie die een paar kenmerken van een experimenteel ontwerp heeft, maar niet aan alle eisen van de interne validiteit voldoet. Zo is er vaak geen sprake van willekeurige toewijzing van participanten aan de groepen. Toch zijn de resultaten verkregen middels een quasi-experiment bruikbaar. Omdat geen gebruik wordt gemaakt van kunstmatige interventies in het sociale leven, is de ecologische validiteit vaak sterk. Experimentele studies en quasi-experimenten worden vooral gebruikt in evaluerende onderzoeksstudies: studies over de evaluatie van sociale (of in mindere mate organisatorische) interventies.
Een belangrijk kenmerk van elk experiment is dat het een vergelijking omvat: de resultaten van de experimentele groep worden vergeleken met de resultaten van de controlegroep.
Wat houdt het ‘cross-sectioneel’ ontwerp in?
Het cross-sectioneel ontwerp wordt ook wel 'survey design' genoemd, omdat veel mensen het associëren met vragenlijsten. Alhoewel dit een veelgebruikte methode is binnen dit onderzoek, wordt er ook gebruik gemaakt van gestructureerde observatie, dagboeken, inhoudsanalyse en officiële statistieken.
Bij sociaal onderzoek is het vaak niet mogelijk om de variabelen waarin de onderzoeker geïnteresseerd is te manipuleren. Daarom maakt kwantitatief sociaal onderzoek gebruik van een ‘cross-sectioneel’ onderzoeksontwerp. Bij een ‘cross-sectioneel’ design wordt altijd meer dan één case onderzocht (onderzoekers zijn geïnteresseerd in de variatie), op één moment (data van verschillende variabelen worden ongeveer tegelijkertijd verzameld) en kwantitatieve data wordt verzameld en vervolgens geanalyseerd in de hoop associatiepatronen te ontdekken. Binnen dit design kan alleen de relatie tussen variabelen onderzocht worden: er is immers geen sprake van manipulatie van een variabele. Dit betekent niet dat het per definitie onmogelijk is om causale conclusies te trekken, maar de geloofwaardigheid is minder dan wanneer conclusies getrokken worden naar aanleiding van een experimenteel design.
Hoe verhoudt ‘cross-sectioneel’ onderzoek zich tot de eisen van kwantitatief onderzoek (betrouwbaarheid, herhaalbaarheid en validiteit)? De betrouwbaarheid en constructvaliditeit zijn niet zozeer gerelateerd aan het onderzoeksdesign zelf, maar vooral aan de meetinstrumenten die worden gebruikt. De mogelijkheid tot replicatie is in bijna alle studies aanwezig. De interne validiteit is vaak zwak, omdat het moeilijk is om uitspraken te doen over de causaliteit. De externe validiteit is sterk zolang er gebruik wordt gemaakt van willekeurige steekproefmethodes. De ecologische validiteit kan in het gedrang komen, omdat methodes zoals observatieprogramma’s de natuurlijke omgeving kunnen verstoren.
Soms wordt het ‘cross-sectioneel’ ontwerp ook gebruikt bij kwalitatief onderzoek, bijvoorbeeld wanneer de onderzoeker op één moment veel mensen ongestructureerd of semigestructureerd interviewt.
Wat houdt het longitudinaal ontwerp in?
Het longitudinaal design vergt veel tijd en geld en wordt daarom relatief weinig gebruikt in sociaal onderzoek. Het is vaak een uitbreiding op surveyonderzoek. Wat betreft de betrouwbaarheid, herhaalbaarheid en validiteit lijkt dit ontwerp veel op het ‘cross-sectioneel’ ontwerp, hoewel het longitudinaal ontwerp iets geschikter is om causale conclusies te trekken.
Er zijn twee soorten longitudinale onderzoeken: de panelstudie en de cohortstudie. In geval van de eerste is een (willekeurig geselecteerd, nationale) steekproef de focus van de dataverzameling op minstens twee (maar vaak meer) tijdstippen. Deze steekproef kan bestaan uit mensen, maar ook uit huishoudens, scholen, etc. In geval van een cohortstudie is een heel cohort of een willekeurige selectie daarvan geselecteerd. Het cohort bestaat uit mensen of andere ‘cases’ die een bepaalde karakteristiek delen (bijv. allemaal geboren in dezelfde week). Beide soorten longitudinale onderzoeken hebben dezelfde structuur: data wordt op minstens twee tijdstippen verzameld met dezelfde participanten. Ook hebben beide studies als doel om de sociale verandering aan het licht te brengen en causale invloeden over tijd beter te begrijpen. Er zijn twee grote verschillen tussen de types onderzoek. Een panelstudie kan, in tegenstelling tot een cohortstudie, onderscheid maken tussen leeftijdseffecten (het effect van ouder worden) en cohorteffecten (effecten die ontstaan doordat een groep geboren wordt op eenzelfde moment). Bij een cohortstudie worden alle mensen min of meer op hetzelfde moment geboren, dus kan alleen gekeken worden naar leeftijdseffecten. Daarnaast heeft een panelstudie regels nodig over de omgang met nieuwe deelnemers, bijvoorbeeld wanneer een panelstudie huishoudens onderzoekt en er (door geboorte, huwelijk of mantelzorg) nieuwe leden bijkomen en anderzijds wanneer deelnemers een huishouden verlaten.
Ook wat betreft de kwaliteitscriteria voor onderzoek is het longitudinaal onderzoek vergelijkbaar met het cross-sectioneel onderzoek. De betrouwbaarheid en validiteit houden verband met de kwaliteit van de gebruikte metingen. Wat betreft de repliceerbaarheid is het belangrijk dat de rapportage informeert over de steekproef, het ontwerp en de instrumenten die gebruikt zijn voor het verzamelen van data. Het is lastig om longitudinaal onderzoek repliceerbaar te maken vanwege de kosten, tijd en schaalgrootte. Longitudinale ontwerpen kunnen een goede interne validiteit hebben. De externe validiteit is vergelijkbaar met die van cross-sectionele onderzoeken, al kunnen de panel- en cohortstudies steeds minder representatief worden.
Zowel panelstudies als cohortstudies kennen de volgende beperkingen:
De kans op uitval van deelnemers door dood, verhuizing, etc. Degenen die uitvallen kunnen op belangrijke punten verschillen van degenen die overblijven, waardoor er geen representatieve groep overblijft. Onderzoek van Berthoud (2000) suggereert dat dit probleem vermindert naarmate tijd verstrijkt: zij die na de eerste 1 á 2 metingen nog meedoen, blijven vaak tot het einde meedoen.
Er zijn weinig richtlijnen wat betreft het ‘beste moment’ om opnieuw te testen.
Veel longitudinale studies zijn niet goed doordacht, wat resulteert in een grote verzameling van data waarbij bijna geen sprake is geweest van planning.
Er kan een ‘panel conditioneringeffect’ optreden: de continue deelname in een longitudinale studie invloed heeft op hoe mensen zich gedragen.
Hoewel longitudinale studies vaak alleen geassocieerd worden met kwantitatief onderzoek, maken kwalitatieve onderzoeken ook gebruik van enkele elementen van het longitudinale ontwerp. Een voorbeeld hiervan is etnografisch onderzoek: de etnograaf is voor een lange periode op één locatie waar hij/zij meerdere keren een interview afneemt om zo uitspraken te doen over verandering.
Wat houdt het ‘case study’ ontwerp in?
In geval van een ‘case study’ ontwerp wordt een enkele ‘case’ gedetailleerd en intensief geanalyseerd. Een ‘case’ kan een persoon, gemeenschap, school, familie, organisatie of gebeurtenis zijn. Vaak wordt een ‘case’ studie onterecht uitsluitend geassocieerd met kwalitatief onderzoek. Hoewel de meeste elementen van dit onderzoeksdesignontwerp (zoals methoden als participantobservatie en ongestructureerd interviewen) behoren tot kwalitatief onderzoek, wordt deze methode ook vaak toegepast binnen kwantitatieve onderzoeken. Soms is het moeilijk om te bepalen of een onderzoek beschreven moet worden als een ‘case study’ of ‘cross-sectioneel’ onderzoeksontwerp.
Volgens Yin (2009) zijn er vijf soorten ‘cases’:
De kritische ‘case’: de onderzoeker heeft een goed ontwikkelde theorie en kiest een case die ervoor zorgt dat de omstandigheden waarin de hypothese wel en niet standhoudt beter kunnen worden begrepen.
De extreme of unieke ‘case’: de ‘case’ wordt gekozen omdat deze zo uniek is.
De representatieve of typische ‘case’: dit wordt ook wel de ‘illustrerende case’ genoemd en wordt gekozen omdat deze een bredere categorie van ‘cases’ belichaamt of omdat deze een geschikte context creëert voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen.
De openbarende (onthullende) ‘case’: deze wordt gekozen wanneer de onderzoeker de mogelijkheid heeft om een fenomeen te observeren en analyseren welke eerst niet toegankelijk was voor wetenschappelijk onderzoek.
De longitudinale ‘case’: deze wordt gekozen omdat het hierbij mogelijk is om het fenomeen op twee of meer tijdstippen te onderzoeken.
Elke case-studie kan een combinatie van bovenstaande elementen bevatten, zo is er een onderzoek waarin sprake was van een extreme case met elementen van een kritische case. Ook kan later, bijvoorbeeld na het uitvoeren van het veldwerk, blijken dat sprake is van een unieke case.
Een ‘case study’ ontwerp heeft vaak een longitudinaal element: de onderzoeker maakt vaak deel uit van een organisatie of een gemeenschap. Individuen kunnen maanden of zelfs jaren geïnterviewd worden. Ook wordt een ‘case’ vaak later nog een keer bestudeerd.
Hoe goed een case study het doet wat betreft de kwaliteitseisen hangt grotendeels af van de vraag in hoeverre een onderzoeker denkt dat validiteit, betrouwbaarheid en repliceerbaarheid passend zijn voor de evaluatie van de case-studie. Sommigen achten de criteria passend en menen dat een case-studie ontwikkeld kan worden zodat deze aan alle criteria voldoet en anderen maken er geen of amper melding van. Vooral kwalitatieve onderzoekers hebben de neiging het belang van de criteria te bagatelliseren. Eén van de meest gehoorde 'kritiekpunten' is dat de resultaten niet gegeneraliseerd kunnen worden. Dit is echter ook niet het doel van dit design.
Wat houdt het vergelijkende ontwerp in?
In geval van het vergelijkende ontwerp worden twee of meer verschillende ‘cases’ vergeleken die soortgelijke methoden gebruiken (zoals ‘cross-cultureel’ onderzoek). Dit kan plaatsvinden binnen een kwantitatief of kwalitatief kader. In geval van kwantitatief onderzoek wordt de data van elke ‘case’ vaak binnen een ‘cross-sectioneel’ kader verzameld.
In termen van betrouwbaarheid, herhaalbaarheid, validiteit en generaliseerbaarheid is een vergelijkingsstudie niet anders dan een ‘cross-sectioneel’ ontwerp. Binnen een kwalitatieve onderzoeksstrategie kan het vergelijkingsdesign de vorm aannemen van een ‘multiple-case study’. Het grootste voordeel van deze methode is dat het bijdraagt aan de theorievorming en verduidelijking kan geven over de bestaande literatuur. Dyer en Wilkins (1991) stellen echter dat de onderzoeker tijdens een ‘multi-case' study meer let op het vergelijken van de twee ‘cases’ dan op de specifieke context.
Welke onderzoeksstrategiën en onderzoeksontwerpen gaan goed met elkaar samen?
De twee onderzoeksstrategiën (kwantitatief en kwalitatief) kunnen gecombineerd worden met verschillende onderzoeksontwerpen.
Kwantitatief onderzoek:
Experimenteel onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor kwantitatieve vergelijkingen tussen experimentele en controlegroepen met betrekking tot een afhankelijke variabele.
Cross-sectioneel onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor surveyonderzoek of gestructureerde observatie op één moment of een inhoudsanalyse van documenten met betrekking tot één periode.
Longitudinaal onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor surveyonderzoek op meerdere momenten (panel- of cohortstudie) of een inhoudsanalyse van documenten met betrekking tot meerdere periodes.
Case-studie, in de vorm van surveyonderzoek inzake één case met als doel het ontdekken van belangrijke kenmerken.
Vergelijkend onderzoeksontwerp, meestal in de vorm van surveyonderzoek waarbij een directe vergelijking wordt gemaakt tussen twee of meerdere gevallen, zoals in cross-cultureel onderzoek.
Kwalitatief onderzoek:
Experimenteel onderzoeksontwerp. Hier bestaat geen typerende vorm van. Er is echter een onderzoek waarin kwalitatieve data omtrent schoolkinderen werd verzameld door middel van een quasi-experimenteel onderzoeksontwerp.
Cross-sectioneel onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor kwalitatieve interviews of focusgroepen op één moment of een kwalitatieve inhoudsanalyse van documenten met betrekking tot één periode.
Longitudinaal onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor etnografisch onderzoek gedurende een lange periode op meerdere momenten of een kwalitatieve inhoudsanalyse van documenten met betrekking tot verschillende periodes.
Case-studie, in de vorm van intensief onderzoek zoals etnografie of kwalitatief interviewen (één case, bijvoorbeeld een organisatie, familie of gemeenschap).
Vergelijkend onderzoeksontwerp, meestal in de vorm van etnografisch onderzoek of een kwalitatief interview onderzoek waarin twee of meerdere casus worden vergeleken.
In geval van de derde strategie (gemengde methoden onderzoek) wordt kwantitatief en kwalitatief onderzoek met elkaar gecombineerd. Dit kan leiden tot een gecombineerd gebruik van verschillende onderzoeksontwerpen, bijvoorbeeld een cross-sectioneel ontwerp en een meervoudige case-studie, en onderzoeksmethoden.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
- Login of registreer om te kunnen reageren
- 2637 keer gelezen
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
- Login of registreer om te kunnen reageren
- 2764 keer gelezen
- Insurance for emigrants, expats and living abroad: international insurance for expats and emigrants
- Insurance for activities abroad: Backpacking Travel abroad Intern abroad Study abroad Volunteer abroad Work abroad
- Insurance: ACS Globe Traveller Caremed Insurances Expatriate Travel Insurance IMG’s GlobeHopper World Nomads Insurance SafetyWing Insurance JoHo Special ISIS verzekering NL/BE Working Nomad verzekering NL/BE More about Insurance for abroad
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results








