Samenvatting van Bryman's Social Research Methods van Clark e.a. - 6e druk

Samenvatting bij Bryman's Social Research Methods

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Wat is ‘sociaal onderzoek’? - Chapter 1

    Wat is ‘sociaal onderzoek’? - Chapter 1

    Waarom is het belangrijk te leren over sociale onderzoeksmethoden?

    Deze samenvatting gaat over de manieren waarop sociale onderzoekers de sociale wereld onderzoeken. Hoe benaderen deze onderzoekers elke onderzoeksfase: van het formuleren van onderzoeksvragen, het kiezen van de onderzoeksmethoden, het verkrijgen van onderzoekdeelnemers tot de verzameling, beoordeling en interpretatie van data, en het delen van de bevindingen met anderen.

    Sociale wetenschappers moeten een goed begrip hebben van het scala aan sociale onderzoeksmethoden, onder meer omdat dit helpt bij het voorkomen van fouten en moeilijkheden die opdoemen bij het uitvoeren van sociaal onderzoek (zoals het kiezen van niet-passende onderzoeksmethoden bij de onderzoeksvragen, het stellen van dubbelzinnige vragen in interviews of vragenlijsten of het hanteren van een ethisch twijfelachtige werkwijze). Daarnaast is kennis over onderzoeksmethoden van belang voor het kunnen begrijpen van de onderzoeksmethoden die gebruikt zijn in andermans publicaties. Alle studies over sociale wetenschappen verlangen het lezen van veel gepubliceerde onderzoeken. Om hier zoveel mogelijk uit te halen is een goed begrip van het onderzoeksproces en bekendheid met mogelijke valkuilen belangrijk.

    Sociaal onderzoek: wat is het en waarom wordt het gedaan?

    Met de term ‘sociaal onderzoek’ doelen we op wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd door sociale wetenschappers uit diverse disciplines (zoals sociologie, politiek, criminologie, onderwijs of antropologie). Motivaties voor het uitvoeren van sociaal onderzoek zijn bijvoorbeeld veranderingen of ontwikkelingen in de maatschappij zoals de opkomst van social media en de houdingen ten opzichte van migratie. Sociaal onderzoek is essentieel voor het vergaren van nieuwe kennis en het uitbreiden van ons begrip van het hedendaagse sociale leven. 

    Researchmethoden zijn de middelen en technieken die gebruikt worden door sociale wetenschappers ter bestudering van dergelijke onderwerpen. Een middel is bijvoorbeeld een vragenlijst, interview of focusgroep, waardoor data (informatie) wordt verkregen en vervolgens geanalyseerd. Alle middelen hebben sterke en zwakke punten. Sommigen kunnen alleen of in combinatie met anderen worden gebruikt. Let op, een onderzoeksmethode verschilt van een methodologie: het laatste is een breder begrip en verwijst naar de algemene benadering die in het onderzoeksproject wordt gevolgd en de redenering achter de gekozen methoden. In een geschreven onderzoekswerk rechtvaardig je je keuze voor bepaalde onderzoeksmethoden in het methodologie-gedeelte. 

    Sociaal onderzoek wordt uitgevoerd omdat het sociale leven fascinerend is. Denk aan de complexiteit van de samenleving, het gedrag van groepen en individuen en de vorming van instellingen. Dingen kunnen snel veranderen en de digitale revolutie heeft onze wijze van communicatie enorm veranderd. Er is sprake van constante interactie en onderhandelingen tussen mensen. Men voert onderzoek uit om antwoorden te vinden, bijvoorbeeld omdat er een leemte in de academische literatuur of een inconsistentie tussen eerdere onderzoeken is ontdekt. Onderzoek wordt tevens gedaan om te beoordelen of bevindingen ook van toepassing zijn op een andere groep of in een andere setting, of de bevindingen representatief zijn of omdat we ons afvragen waarom bepaalde aspecten van het sociale leven zijn zoals ze zijn (waarom werken zo weinig mannen in peuteronderwijs?). Ook maatschappelijke ontwikkelingen vormen motivaties voor onderzoek, denk aan de toename van het social media gebruik op draagbare apparaten (in welke mate beïnvloedt dit de aard en kwaliteit van sociale interacties?). 

    In welke context worden sociale onderzoeksmethoden gebruikt?

    Sociaal onderzoek en sociale onderzoeksmethoden zijn niet hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Zij zijn onlosmakelijk verbonden met contextuele factoren: theorie en de visie van de onderzoeker over de rol ervan in het onderzoek.

    • Theorie: een groep ideeën die proberen iets uit te leggen, in dit geval: de sociale wereld. Theorieën hebben een significante invloed op het onderzoeksonderwerp, zowel wat betreft hetgeen wordt onderzocht en hoe de bevindingen worden geïnterpreteerd. Als een onderzoek bijvoorbeeld de impact van het toegenomen social media gebruik op sociale contacten wil onderzoeken, is het aannemelijk dat rekening wordt gehouden met de op dat moment heersende theorieën over dit onderwerp. De bevindingen van een onderzoek kunnen andersom ook theorieën beïnvloeden. Naast theorie kan ook de visie van de onderzoeker over de relatie tussen theorie en onderzoek invloed hebben op het te verrichten onderzoek. Sommigen menen dat theorie behandeld moet worden in het begin van het onderzoek. Een onderzoeker begint bijvoorbeeld met theoretische overwegingen en formuleert daarna een te testen hypothese (kwantitatief onderzoek) of een onderzoeksvraag (kwalitatief onderzoek). Anderen beschouwen theorie als de uitkomst van het onderzoek. 
    • Literatuur (bestaande kennis): je moet bekend zijn met wat er al onderzocht is om herhalend werk te voorkomen.

    • Epistemologische en ontologische vragen. Onze aannames en visies over hoe kennis tot stand zou moeten komen (epistemologisch standpunt) en over de aard van de sociale wereld (ontologisch standpunt) beïnvloeden het onderzoeksproces enorm. Epistemologische vragen: hoe moet de sociale wereld worden onderzocht en welke benadering moet door de onderzoeker worden gekozen: de wetenschappelijke (een hypothese formuleren en die testen middels precieze meettechnieken) of de interpretivistische (sociaal onderzoek moet rekening houden met de specifieke kwaliteiten van personen en instellingen)? Ontologische vragen: moet de sociale wereld worden beschouwd als losstaand van sociale actoren waarover we geen controle hebben en dat simpelweg bestaat of is de sociale wereld onderhevig aan een constant proces van herformulering en herbeoordeling? Zijn bepaalde fenomenen het resultaat van sociale interactie of hebben wij hier geen invloed op? 

    • Waarden, ethiek en politiek. Sommige soorten onderzoek vereisen dat rekening wordt gehouden met ethische kwesties, bijvoorbeeld als hier kinderen of kwetsbare volwassenen bij betrokken zijn. Wat betreft waarden kun je denken aan de visie dat onderzochte personen betrokken moeten worden bij het onderzoeksproces, bijvoorbeeld bij het formuleren van de onderzoeksvragen en vragenlijsten. De machtsongelijkheid tussen deelnemers en onderzoekers zou vervangen moeten worden door een samenwerking of co-productie. Daarnaast is het belangrijk er bewust van te zijn dat sociaal onderzoek plaatsvindt binnen een bredere politieke context. Veel onderzoeken worden gefinancierd door overheidsorganen, maar met 'politiek' wordt ook gedoeld op macht- en statuskwesties (grote organisaties die toegang tot onderzoek proberen te verkrijgen). De politieke context kan bovendien invloed hebben op onze training en persoonlijke waarden, hoe we sociaal onderzoek benaderen, de onderzoeksgebieden die onze interesse hebben, de onderzoeksvragen die we formuleren en de onderzoeksmethoden die we hanteren.

    Wat zijn de kernelementen van sociaal onderzoek?

    De meeste onderzoeksprojecten bestaan uit de volgende elementen:

    • Literatuuronderzoek. Een onderzoeker moet kritisch kijken naar wat er al bekend is over het onderwerp, welke concepten en theorieën zijn gevormd, welke onderzoeksmethoden al zijn gebruikt om dat onderwerp te onderzoeken, welke controversies bestaan omtrent het onderwerp en hoe deze zijn onderzocht, of en welke tegenstrijdige bewijzen er bestaan, wie de meeste toonaangevende onderzoekers zijn op dat gebied en welke gevolgen de literatuur heeft voor het eigen onderzoek. Veel onderwerpen zijn al uitgebreid bestudeerd, dus je kunt niet alle relevante literatuur lezen. Beperk je tot de belangrijkste boeken en artikelen en zorg dat je bekend bent met de opvattingen en werken van vooraanstaande personen binnen het vakgebied. Daarna moet de kennis gedeeld worden met potentiële lezers door een literatuurreview te schrijven. Dit is niet simpelweg een samenvatting van de literatuur: het moet kritisch zijn, niet louter beschrijvend. Het is niet noodzakelijk je negatief uit te laten, je moet beoordelen hoeveel betekenis elk werk heeft en hoe het past in het grotere plaatje. Dit maakt de literatuurreview een nuttig middel waarmee je de geloofwaardigheid en bijdrage van je eigen onderzoek aantoont.  

    • Concepten en theorieën. Concepten betreffen de manier waarop we de sociale wereld proberen te begrijpen. Het zijn labels die we geven aan aspecten van de sociale wereld die bepaalde kenmerken gemeen hebben en significant zijn. Het is van belang om bekend te zijn met de bestaande literatuur, omdat dit laat zien welke hoofdconcepten eerdere onderzoekers hebben gebruikt en hoe nuttig en beperkt ze zijn bij het beantwoorden van de hoofdvragen. Concepten vormen het hoofdingrediënt van theorieën. Voorbeelden zijn bureaucratie, macht, sociale controle, status en overheersing. Concepten dienen verschillende doeleinden in sociaal onderzoek. Allereerst zijn ze belangrijk voor de manier waarop we onderzoeksinteresses organiseren en bekendmaken aan de beoogde doelgroep. Daarnaast helpen ze bij het bedenken wat we willen uitzoeken en het uitwerken van de onderzoeksbevindingen. Theorieën kunnen de basis vormen van onderzoek of de uitkomst ervan (deductieve en inductieve benadering). Deze contrasterende visies over de rol van theorie binnen onderzoek hebben gevolgen voor concepten. Concepten kunnen worden beschouwd als iets waarmee wordt begonnen (data wordt verzameld ter verkenning van een concept) of concepten zijn de uitkomst van onderzoek (concepten helpen ons nadenken over en bij het organiseren van de verzamelde data). De scheidslijn tussen deze visies is echter niet duidelijk, in de praktijk komt het geregeld voor dat onderzoekers hun onderzoek starten met concepten als richtlijn voor het structureren en uitschrijven van het onderzoek en deze na het verzamelen en uitleggen van data herzien of met nieuwe concepten komen.

    • Onderzoeksvragen. Het nadenken over onderzoeksvragen dwingt ons om te kijken naar wat we werkelijk willen weten en onderzoeken. Niet alle onderzoeken beginnen met een onderzoeksvraag, bijvoorbeeld wanneer deze verkennend van aard zijn. Dit is een geldige benadering, maar men moet dan bewust zijn van de risico's. Het ontbreken van of slecht geformuleerde onderzoeksvragen kunnen resulteren in slecht onderzoek, omdat hierbij groter risico bestaat dat het onderzoek ongefocust is en je niet zeker weet waar je onderzoek over gaat en waar je data voor verzamelt. Onderzoeksvragen hebben zeven belangrijke voordelen: het leiden van de zoektocht naar literatuur, het leiden van beslissingen met betrekking tot het onderzoeksdesign, het leiden van beslissingen met betrekking tot het verzamelen van data, het leiden van de data-analyse, het leiden van de manier waarop je data rapporteert, het zorgt ervoor dat je niet onnodige zijwegen inslaat en het zorgt ervoor dat het voor de lezers duidelijk is waar het onderzoek over gaat. Tijdens het lezen van de literatuur kan het gebeuren dat je besluit de onderzoeksvragen te herzien of nieuwe bedenkt. Literatuur en onderzoeksvragen zijn met elkaar verweven. Het is verstandig om te beginnen met een vraag en er voor open te staan deze aan te passen gedurende je literatuuronderzoek. De aard van de onderzoeksvraag bepaalt hoe je onderzoek verloopt en welk onderzoeksontwerp je kiest. Als je de impact van een interventie bekijkt, kun je overwegen een experiment uit te voeren. Voor het onderzoeken van een sociale verandering in de loop der tijd is een longitudinaal ontwerp geschikter. Onderzoeksvragen over gemeenschappen, organisaties of groepen verlangen een case study. Een cross-sectioneel onderzoeksontwerp past bij het beschrijven van een hedendaagse houding of gedrag. 

    • Steekproeven. Het is zelden mogelijk om alle personen die geschikt zijn voor deelname aan het onderzoek te interviewen of observeren. Het is evenmin mogelijk om alle publicaties of social media berichten over een bepaald onderwerp te analyseren. Om tijd en kosten te besparen wordt daarom meestal een steekproef gedaan. Velen associëren steekproeven met kwantitatief onderzoek (denk aan vragenlijsten). Opiniepeilingen die vaak in het nieuws voorbijkomen zijn voorbeelden van representatieve steekproeven. Wanneer je nieuwsartikelen selecteert die je wilt analyseren of een case studie wilt onderzoeken, kun je ook gebruikmaken van steekproeven (kwalitatief onderzoek). Het criteria is dan niet representativiteit, maar geschiktheid gelet op het doel van het onderzoek. 

    • Dataverzameling. Velen beschouwen dit als de kern van het onderzoeksproject. Er zijn veel instrumenten die gebruikt kunnen worden voor de dataverzameling. Een voorbeeld hiervan is een neuropsychologische test of een gestructureerd interview. Participantobservatie en een semigestructureerd interview worden gebruikt als de onderzoeker het onderzoek wat opener wilt houden. De dataverzameling moet goed afgestemd worden op de onderzoeksvraag.

    • Data-analyse. Op basisniveau houdt dit de toepassing van statistische technieken in. De meeste typen data zijn echter niet geschikt voor een statistische analyse en als dit wel het geval is, kiezen onderzoekers vaak voor een andere benadering. Data-analyse kent verschillende aspecten: het managen van de ruwe data, het begrijpen en analyseren van de data. Managen: controleren op duidelijke fouten. Kwalitatieve interviews worden vaak opgenomen en daarna uitgetypt. De onderzoeker moet waken voor mogelijke hoorfouten die de betekenis van de antwoorden kunnen beïnvloeden. Begrijpen: het identificeren van thema's binnen de data. De data wordt opgedeeld en gecodeerd. Daarna worden verbanden gezocht. Het interpreteren geschiedt door de analyse te linken aan de onderzoeksvragen en de relevante achtergrondliteratuur. Data-analyse komt neer op datavermindering. De bulk aan informatie wordt verminderd zodat het begrijpelijk wordt. Voor het managen, analyseren en interpreteren van de verzamelde data, wordt vaak een softwareprogramma gebruikt (zoals IBM SPSS). Er wordt onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire analyse. Primaire data-analyse: data wordt geanalyseerd door de onderzoeker die verantwoordelijk was voor de dataverzameling. Secundaire data-analyse: iemand anders analyseert eerder verzamelde gegevens. Onderzoekers werkzaam voor universiteiten houden vaak data-archieven bij, welke anderen kunnen analyseren voor het beantwoorden van hun eigen onderzoeksvragen. Het gebruik van reeds bestaande data bespaart tijd en kosten. 

    • Rapporteren (opschrijven). De wijze waarop dit wordt gedaan is afhankelijk van de onderzoeksstijl (kwantitatief, kwalitatief of gemengd). De rapportage van (sociaal) wetenschappelijk onderzoek kent in ieder geval de volgende onderdelen: een introductie (onderzoeksgebied in hoofdlijnen bespreken, het belang van het onderzoek en eventueel het introduceren van de onderzoeksvragen), bespreking van de literatuur (wat is reeds bekend en dit kritisch bekijken), onderzoeksmethoden (welke zijn gebruikt en waarom?), resultaten, een discussie (wat impliceren de bevindingen met betrekking tot de literatuur en de onderzoeksvragen?) en een conclusie (benadrukt het belang van het onderzoek).

    Is het erg als je onderzoek rommelig is verlopen?

    Het uitvoeren van sociaal onderzoek verloopt meestal een stuk minder soepel dan in de boeken wordt voorgesteld. In de praktijk komen valse starten, fouten en gedwongen gewijzigde onderzoeksplannen geregeld voor. Onderzoek kan rommelig verlopen, al wordt dit zelden kenbaar gemaakt in de rapportages. De belangrijkste reden hiervoor is dat sociale onderzoekers doorgaans reflexief zijn over de beperkingen van hun onderzoeken. Wetenschappelijke stukken bespreken vaak wat bereikt is, maar niet wat niet volgens plan is verlopen.

    Het erkennen van de rommeligheid van sociaal onderzoek tast de waarde ervan niet aan. Het erkennen van de zwakke punten van de gebruikte methodes stelt nieuwe onderzoekers gerust en kan de huidige methoden verbeteren. Het publiceren van fouten is een belangrijk onderdeel van het proces. Wanneer je je eigen onderzoeksproject uitwerkt, is het goed stil te staan bij de uitdagingen en beperkingen ervan. Wat was je van plan, wat is er daadwerkelijk gebeurd en welke beperkingen kwam je tegen? Het wordt gewaardeerd als studenten naar het eigen werk kijken, aangeven wat beter had gekund en hoe ze het in de toekomst zouden doen. Je hoeft geen perfectie te laten zien, maar wel een goed begrip van de kwetsbaarheden.

    Access: 
    Public
    Wat zijn sociale onderzoeksstrategieën? - Chapter 2

    Wat zijn sociale onderzoeksstrategieën? - Chapter 2

    Sociaal onderzoek bevindt zich niet in een bubbel, afgezonderd van andere aspecten van sociale wetenschappen. Sociale onderzoeksmethoden zijn bovendien niet onafhankelijk van de visies en voorkeuren van de onderzoeker die ze gebruikt, vaak wordt gekozen voor een onderwerp waarvoor de onderzoeker persoonlijke interesse heeft. Ook zijn de gekozen onderzoeksmethoden nauw verbonden aan de verschillende ideeën over de aard van de sociale realiteit en hoe dit bestudeerd zou moeten worden en aan de ruimere sociaalwetenschappelijke context: onderzoekers verzamelen data met betrekking tot een bepaalde theorie (een idee over hoe en waarom dingen op een bepaalde manier gebeuren).

    Er zijn vele motivaties voor het uitvoeren van onderzoek, maar theorie is vaak een significante factor. Onderzoeken leveren de grootste bijdrage aan bestaande kennis wanneer ze betrekking hebben op theoretische vraagstukken. De filosofische aannames over de rol van theorie en data (wat kunnen we weten en hoe kunnen we het weten?) beïnvloeden het onderzoekontwerp, de formulering van de onderzoeksvragen en of kwalitatieve dan wel kwantitatieve data wordt verzameld (of een combinatie hiervan). 

    Hoe verhouden theorie en onderzoek zich tot elkaar?

    Het kenmerken van de band tussen theorie en onderzoek is niet eenvoudig om twee redenen. Ten eerste is het de vraag over welk soort theorie we het hebben en ten tweede of we data verzamelen om theorieën te testen (deductieve benadering) of om theorieën te vormen (inductieve benadering). Theorie is belangrijk, omdat het niet alleen een achtergrond en een rechtvaardiging voor het uitvoeren van het onderzoek verschaft, maar ook omdat het een kader biedt waarbinnen sociale fenomenen kunnen worden verklaard en onderzoeksresultaten kunnen worden uitgelegd.

    Welke soorten theorieën zijn er?

    Een theorie wordt vaak gedefinieerd als een verklaring van geobserveerde regelmatigheden (patronen of gebeurtenissen), bijvoorbeeld waarom mensen die lijden aan schizofrenie vaker uit de arbeidersklasse komen en vrouwen minder verdienen dan mannen. Sociale theorie focust zich niet op deze specifieke onderwerpen, maar op een abstractere vorm zoals structureel functionalisme, symbolisch interactionisme, kritische theorie, poststructuralisme of de structuratietheorie. 

    Er wordt een tweedeling gemaakt tussen zogenoemde theorieën van middelbare reikwijdte (proberen een specifiek aspect van de sociale wereld te begrijpen en te verklaren) en allesomvattende theorieën (abstractere, algemenere theorieën, zoals symbolisch interactionisme, posstructuralisme, etc.) die moeilijker te toetsen en moeilijker direct te relateren aan de realiteit zijn. Theorieën van middelbare reikwijdte zijn beter geschikt als focus van een empirisch onderzoek, omdat zij een beperkter domein bestrijken (zoals jeugdcriminaliteit, stemgedrag, etnische relaties, opleidingsniveau etc.). De etiketterings- of labelingstheorie is zo'n theorie die betrekking heeft op afwijkend gedrag (niet conform maatschappelijke normen). Sociologen proberen dit te begrijpen aan de hand van maatschappelijke reacties op dit gedrag. Volgens de labelingstheorie kan het labelen van iemand als 'afwijkend' leiden tot afwijkend gedrag door die persoon. Deze theorie kan worden toegepast op verschillende vormen van afwijkend gedrag, variërend van criminaliteit tot geestelijke aandoeningen.

    Het onderscheid tussen de middelbare reikwijdte-theorie en de allesomvattende theorie maakt niet volledig duidelijk wat we bedoelen met 'theorie'. De term wordt ook vaak gebruikt als verwijzing naar bestaande achtergrondliteratuur binnen een bepaald onderzoeksgebied. Zo is een onderzoek naar de relatie van kappers met hun klanten gebaseerd op een boek waarin voor het eerst de term 'emotionele arbeid' werd gebruikt. Deze literatuur vormde de achtergrond van het onderzoek en speelde een belangrijke rol bij de uitleg van de onderzoeksresultaten. Achtergrondliteratuur speelt vaak een belangrijke rol bij het opzetten van een onderzoeksproject, zo kan een onderzoeker hierin een leemte hebben ontdekt of tegenstrijdigheden tussen vergelijkbare studies of het oneens zijn met de methodologische benadering en de kwestie vanuit een ander oogpunt willen benaderen.

    Los van de aard van de relatie tussen theorie en een onderzoek moeten we ons ook afvragen welke rol theorie speelt en wat de relatie is tussen theorie en data. Tot nu toe hebben we theorie als een richtlijn en invloed beschouwd wat betreft de verzameling en analyse van data, alsof onderzoek altijd wordt gedaan om vragen te beantwoorden die uit theorie voortvloeien. Theorie kan echter ook ontstaan na de verzameling en analyse van data. De relatie tussen theorie en onderzoek wordt dus ook beïnvloed door de vraag of we verwijzen naar de deductieve of de inductieve theorie.

    Wat houden de deductieve en inductieve benadering in?

    Conform de deductieve benadering borduurt de onderzoeker voort op wat bekend is over een bepaald onderwerp en de relevante theorieën door hier een hypothese uit af te leiden (een speculatie die empirisch kan worden getest). Deductieve benaderingen komen derhalve vooral voor in kwantitatieve onderzoeken. De theorie en daaruit afgeleide hypothese vormen de drijfveer voor de dataverzameling. In de laatste stap van het onderzoek wordt de theorie herzien, hierbij is het tegengestelde van deductie betrokken: inductie. De onderzoeker reflecteert wat de gevolgen van zijn bevindingen zijn voor de theorie. De nieuwe bevindingen worden in de reeds bestaande kennis ingebracht. Het deductieproces bestaat uit de volgende stappen: theorie, hypothese, dataverzameling, bevindingen, hypothese afgewezen of bevestigd, herzien van de theorie. Let op, niet elk deductief onderzoeksproject volgt deze exacte reeks. 

    Sommige onderzoekers kiezen voor een inductieve benadering. In dat geval is de theorie de uitkomst van onderzoek, waarbij de onderzoeker gegeneraliseerde theoretische conclusies trekt uit de observaties. Dit alternatief bevat ook een deductief element: als uit data een bepaalde theorie voortvloeit, wil een onderzoeker vaak meer data verzamelen om de voorwaarden te bepalen waaronder de theorie wel en niet standhoudt. Dit noemt men de iteratieve strategie: het heen en weer bewegen van data naar theorie en vice versa. De bevindingen zijn gebaseerd op kwalitatieve data. De O'Reilly et al. (2012) studie is van belang omdat hierin de gefundeerde theorie werd gebruikt voor de data-analyse en het genereren van theorie. Deze studie verschilt van andere studies door de theoretische betekenis van de bevindingen en is illustratief voor de inductieve benadering doordat de theorie gebaseerd was op kwalitatieve data. O'Reilly en zijn collega's gebruikten veldnotities van observaties en de gedetailleerde antwoorden op dieptevragen van respondenten (semigestructureerd interview). Let wel, sommige kwalitatieve onderzoeken leiden niet tot theorie en theorie wordt vaak gebruikt als achtergrond voor kwalitatieve onderzoeken.   

    Inductieproces: observaties/bevindingen > theorie. Deductieproces: theorie > observaties/bevindingen. Het onderscheid tussen de deductieve en inductieve benadering is niet altijd scherp. Het zijn geen gefixeerde richtingen, maar eerder stromingen een bepaalde kant op. Er is nog een derde benadering welke steeds populairder wordt omdat het de beperkingen van deductie en inductie omzeilt: abductie. Een beperking van de deductieve benadering is dat het een strikt proces betreft van theorie testen middels een hypothese, maar het geeft niet aan hoe onderzoekers een theorie moeten selecteren. Een minpunt van de inducteve benadering is dat empirische data niet noodzakelijkerwijs leidt tot de vorming van theorie. De abductieve redenering begint met een observatie (iets onverwachts of een raadsel) en probeert deze op te lossen aan de hand van de meest aannemelijke verklaring en het heen en weer bewegen tussen raadsel, sociale wereld en literatuur. Dit zijn geen afzonderlijke onderzoeksfasen, de onderzoeker denkt tegelijkertijd aan data en theorie. Abductie erkent dat de conclusies die voortvloeien uit observaties plausibel zijn, maar niet volledig zeker. Het kan ook worden gezien als de gevolgtrekking van de beste verklaring. Je observeert bijvoorbeeld rook in je keuken en beredeneert dat de meest aannemelijke verklaring hiervoor is dat je eten in de oven hebt laten verbranden. Er zijn andere oorzaken denkbaar, dus de oorzaak is onzeker, maar het is wel de eenvoudigste en meest waarschijnlijke verklaring.

    Welke epistemologische vraagstukken worden geassocieerd met sociaal onderzoek?

    Wat is of zou gezien moeten worden als acceptabele kennis binnen een bepaalde discipline? Het draait vooral om het vraagstuk: kan en zou de sociale wereld volgens dezelfde principes, procedures en ethos onderzocht moeten worden als natuurwetenschappen? 

    Wat is positivisme?

    Voorstanders van positivisme nemen een positivistisch standpunt in. Positivisten trekken een scherpe scheidslijn tussen theorie en onderzoek: de rol van onderzoek is het testen van theorieën en het verschaffen van materiaal voor de ontwikkeling van 'wetten'. Dit impliceert echter dat het mogelijk is om observaties te verzamelen op een manier die onafhankelijk is van reeds bestaande theorieën. Een grotere epistemologische status wordt gegeven aan observaties dan aan een theorie. Onthoud dat positivisme geen synoniem van wetenschap is, maar een benadering ervan. De vijf principes van positivisme:

    • Fenomenalisme: alleen fenomenen (en dus kennis die bevestigd is door zintuigen) kunnen daadwerkelijk worden beschouwd als kennis;

    • Het doel van theorie is het genereren van hypothesen die getest kunnen worden (deductie);

    • Kennis wordt bereikt door het verzamelen van feiten die de basis verschaffen voor wetten (inductie);

    • Wetenschap moet worden uitgevoerd op een objectieve manier (waardevrij);

    • Er bestaat een duidelijk onderscheid tussen wetenschappelijke en normatieve verklaringen: een wetenschapper hoort alleen de eerste te gebruiken. 

    Wat is realisme?

    Realisme (specifieker kritisch realisme) is een andere filosofische positie die tracht duidelijkheid te verschaffen over de aard van wetenschappelijk onderzoek. Er is een voortdurend debat over het vraagstuk of sociale wetenschappen hetzelfde getoetst moeten worden als natuurwetenschappen waarbij aan de ene kant het positivisme staat en aan de andere kant het realisme. Aangezien veel hedendaagse modellen een sterke positivistische ondertoon hebben, lijkt het erop dat positivisme het voorlopig wint van het realisme.

    Realisme en positivisme hebben twee kenmerken gemeen: de overtuiging dat sociale en natuurwetenschappen hetzelfde soort benadering kan en zou moeten toepassen wat betreft dataverzameling en uitleg, en de visie dat er een externe realiteit bestaat waarop wetenschappers zich moeten focussen (een realiteit die afgezonderd is van onze beschrijvingen ervan). Er zijn twee hoofdvormen van realisme: empirisch realisme en kritisch realisme. Empirisch realisme is wat men meestal bedoeld wanneer er gesproken wordt van 'realisme' in algemene zin. De realiteit kan worden begrepen door het gebruik van geschikte methoden. Dit wordt ook wel 'naïef realisme' genoemd, omdat men aanneemt dat er een perfecte overeenstemming bestaat tussen realiteit en de beschrijvende term ervoor. Kritisch realisme: een specifieke vorm van realisme die poogt de realiteit van de natuurlijke orde en gebeurtenissen te herkennen (de sociale wereld is alleen te begrijpen en veranderen als de structuren achter de gebeurtenissen geïdentificeerd kunnen worden).

    Wat is interpretivisme?

    ‘Interpretivism’ is een epistemologische positie die lijnrecht tegenover positivisme staat. Het is een breed begrip, waaronder verschillende benaderingen vallen, zoals hermeneutik, fenomenologie, Weber's concept van Verstehen en symbolisch interactionisme. Zij hebben met elkaar gemeen dat de sociale wereld niet bestudeerd kan worden aan de hand van een wetenschappelijk model, omdat het onderwerp van sociale studies (mensen en instellingen) fundamenteel verschilt van het onderwerp van natuurwetenschappen. Om mensen te kunnen onderzoeken is een strategie nodig die de verschillen tussen mensen respecteert en de subjectiviteit van de sociale wereld kan omvatten.

    De fenomenologie is één van de voornaamste tradities die verantwoordelijk is voor een dergelijke antipositivistische positie. De fenomenologie is een filosofie die zich bezighoudt met de manier waarop mensen de wereld om hen heen begrijpen. Ook het symbolisch interactionisme en Weber’s versie van ‘verstehen’ dragen bij aan deze zogenoemde antipathie voor positivisme.

    Welke ontologische vraagstukken worden geassocieerd met sociaal onderzoek?

    Ontologische vraagstukken houden zich bezig met de aard van sociale entiteiten: kunnen en zouden sociale entiteiten gezien moeten worden als objectieve entiteiten die een bestaan hebben los van de sociale ‘actors’ (aanhangers van het objectivisme) of zijn zij sociale constructies die enkel en alleen gebouwd zijn op de percepties en acties van anderen (aanhangers van het constructivisme)?

    Het objectivisme is een ontologische positie die aanneemt dat sociale fenomenen en hun betekenissen een onafhankelijk bestaan hebben en buiten ons bereik of onze invloeden bestaan. Constructivisme daarentegen is een ontologische positie die stelt dat sociale fenomenen continu uitgevoerd worden door ‘actors’. In dit opzicht is kennis onbepaald, een positie die ook ingenomen wordt door het postmodernisme. Constructivisme is alleen tegen het objectivisme, terwijl het postmodernisme ook tegen het realisme is. Een vorm van constructivisme die ook recht tegenover het realisme staat is de redevoering analyse: Potter (1996:98) stelt dat de wereld wordt gevormd door diegenen die erover praten, schrijven en redeneren.

    Een prominent ontologisch standpunt dat nauw samenhangt met construstivisme is intersectionaliteit. Deze theorie is ontstaan uit het feminisme en houdt in dat elke persoon posities inneemt in diverse sociale categorieën die niet los van elkaar kunnen worden gezien. Deze categorieën zijn niet alleen belangrijk op individueel niveau, maar ook tezamen. Voorbeelden zijn geslacht, geaardheid, ras en sociale klasse. Zij hebben allen invloed op iemands ervaring. Iemands ervaring wordt niet enkel gevormd door het zijn van vrouw, maar ook door bijvoorbeeld de sociale klasse waaruit zij komt, biraciaal zijn of op vrouwen vallen. Zwarte vrouwen in het bijzonder hebben lang bepleit dat de categorie 'vrouw' verder ontleed moet worden, omdat niet alle vrouwen dezelfde afkomst of achtergrond hebben. Intersectionaliteit is niet verbonden aan specifieke methoden. Er zijn drie hoofdaspecten die elkaar kunnen overlappen: intra-categorische complexiteit (kritisch op de manier waarop categorieën worden gevormd en afgebakend), inter-categorische complexiteit (ras en geslacht zijn altijd met elkaar verbonden en kunnen niet van elkaar gescheiden blijven) en anti-categorische complexiteit (categorieën zijn kunstmatig gevormd, onstabiel en kunnen niet gescheiden worden).

    Wat zijn de verschillen tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek?

    Veel onderzoekers maken onderscheid tussen twee brede onderzoeksstrategieën: kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Simpel samengevat legt kwantitatief onderzoek de nadruk op het kwantificeren van data, betreft het een deductieve benadering van de relatie tussen theorie en onderzoek (met de nadruk op het testen van de theorie), omhelst het de praktijken en normen van het natuurwetenschappelijk model (met name het positivisme) en wordt de sociale realiteit gezien als een externe, objectieve realiteit (objectivisme). Kwalitatief onderzoek legt de nadruk op woorden, betreft een inductieve benadering van de relatie tussen theorie en onderzoek (focus ligt op het genereren van theorie), wijst de praktijken en normen van het natuurwetenschappelijk model af (in het bijzonder van positivisme) en geeft de voorkeur aan hoe individuen hun sociale wereld interpreteren en ziet de sociale realiteit als een constant verschuivende creatie van individuele sociale actoren (constructionisme).

    Het is belangrijk om te weten dat deze verschillen tussen de rol van theorie, de epistemologie en de ontologie niet zo duidelijk zijn als ze hier geschetst worden. Bovenstaande verschillen zijn dan ook geen wetten, maar normaliteiten: kwalitatief onderzoek is geneigd om theorieën te creëren, maar kan ook theorieën testen. Veel onderzoekers pleiten voor een gemengde-methodeonderzoek waarin methoden die geassocieerd worden met zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek gecombineerd worden.

    Wat is nog meer van invloed op de manier waarop we onderzoek uitvoeren?

    Vooral de theorie, epistemologie en ontologie zijn van invloed op de uitvoering van sociaal onderzoek, maar er zijn meer invloeden: waarden en praktische overwegingen.

    Hoe hebben waarden invloed op onderzoek?

    Waarden reflecteren de persoonlijke overtuigingen of gevoelens van de onderzoeker. Er zijn verschillende visies over de mate waarin zij onderzoek zouden moeten beïnvloeden: de waardevrije benadering, de reflexieve benadering en de benadering van de bewuste partijdigheid. 

    Het is vrijwel onmogelijk om onderzoek 100% objectief en dus waardevrij te houden. Dit wordt erkend door onderzoekers die de reflexieve benadering volgen. Zij proberen de invloed van hun geslacht, leeftijd, geaardheid, opleidingsniveau, etniciteit etc. op het soort data dat ze produceren en analyseren te identificeren en te herkennen. Zij betogen dat onze waarden, voorkeuren en neigingen invloed uitoefenen op veel onderzoeksfasen (keuze van het onderzoeksveld, de formulering van de onderzoeksvraag, de keuze van methoden, de data-analyse en de interpretatie van de data). De waarden van de onderzoeker kunnen het onderzoek ook verstoren wanneer er sympathie of affectie ontstaat voor de personen die onderzocht worden. Dit komt vooral voor als er gewerkt wordt met de kwalitatieve onderzoeksstrategie, met name in geval van observatie en diepte-interviews. Anderzijds kan het ook een drempel opwerpen wat betreft het kunnen begrijpen van de bestudeerde personen. Een onderzoeker die een Afrikaanse stam bestudeerde, vond hen liefdeloos en keurde het geobserveerde gedrag af op basis van zijn Westerse waarden. De reflexieve benadering komt inmiddels in veel domeinen van sociaal onderzoek voor. Tegenwoordig waarschuwen onderzoekers lezers vaak voor de manier waarop hun identiteit en sociale positie hun bevindingen heeft beïnvloed. Ook studenten worden geregeld aangemoedigd om na te denken over hun positie als onderzoeker, hun aannames en waarden.

    Aanhangers van de bewuste partijdigheid-benadering erkennen niet alleen de onvermijdelijkheid van de invloed van waarden, maar zijn hier zelfs voorstander van. Er wordt bijvoorbeeld bepleit dat in feministisch onderzoek niet de waardevrije benadering centraal moet staan, maar de bewust partijdige. Wanneer onderzoekers zich kunnen identificeren met het onderzoekssubject of een specifiek theoretisch kader schetsen, ontwikkelt hun onderzoek zich conform die waarden of theorie. Zo hebben feministische onderzoekers vaak een voorkeur voor een kwalitatieve onderzoeksstrategie, hoewel hier de laatste tijd verandering in lijkt te komen.

    Hoe hebben praktische overwegingen invloed op onderzoek?

    In dit kader moet worden gekeken naar de aard van de onderzoeksvragen, of er al eerder (veel) onderzoek is gedaan naar het onderwerp van onderzoek en naar de aard van het onderwerp en de personen die onderzocht worden. Je keuze voor een strategie, ontwerp of methode moet passen bij de onderzoeksvragen die je gaat onderzoeken. Als je het belang van verschillende oorzaken van een sociaal fenomeen wilt verkennen, zal een kwantitatieve strategie het meest geschikt zijn. Ben je geïnteresseerd in de visies van de leden van een bepaalde sociale groep, dan is de kwalitatieve strategie een betere optie. Heb je interesse in een onderwerp waar geen of weinig onderzoek naar is gedaan, dan is een kwalitatieve benadering en een verkennende houding aan te raden.

    Wat betreft de aard van het onderwerp of de onderzochte personen kun je denken aan de manier van omgaan met personen die illegale of sociaal ongeaccepteerde activiteiten verrichten. In dat geval is een vragenlijst niet de beste manier om het vertrouwen van deze personen te winnen. Onderzoekers zijn dan geneigd om kwalitatieve benaderingen te volgen.  

    Access: 
    Public
    Welke onderzoekontwerpen zijn er? - Chapter 3

    Welke onderzoekontwerpen zijn er? - Chapter 3

    In het vorige hoofdstuk hebben we geleerd dat een onderzoeker moet kiezen tussen twee onderzoeksstrategieën (kwalitatief of kwantitatief). Vervolgens moeten er nog twee belangrijke keuzes gemaakt worden voordat je een onderzoek kan opzetten: het kiezen van een onderzoeksontwerp en de onderzoeksmethode. Deze twee termen worden vaak met elkaar verward: een onderzoeksontwerp weergeeft de structuur die de uitvoering van een methode en de data-analyse in bepaalde banen leidt. Het onderzoeksontwerp verschaft het kader voor de verzameling en analyse van data. Een onderzoeksmethode is simpelweg een techniek voor het verzamelen van data. Dit kan een vragenlijst, observatie of analyse van documenten of reeds bestaande data inhouden. De case study betreft een onderzoeksontwerp, maar wordt vaak onjuist als methode bestempeld. Een case study heeft betrekking op het uitgebreid bestuderen van een bepaalde case (gemeenschap, persoon, organisatie), maar je kunt geen data vergaren door het enkele selecteren van een organisatie die je gaat bestuderen. Ga je gebruikmaken van observaties, interviews, vragenlijsten of het bekijken van documenten? Je kunt een van deze of meerdere methoden gebruiken, het gaat erom dat de keuze voor een case study an sich geen data oplevert.

    Aan welke kwaliteitscriteria moet sociaal onderzoek voldoen?

    Sociaal onderzoek wordt beoordeeld aan de hand van drie criteria: 

    1. Betrouwbaarheid (‘reliability’), dit betreft de consistentie van onderzoeksresultaten: worden dezelfde resultaten verkregen bij een meting op een ander tijdstip? Dit is nauw verbonden met de repliceerbaarheid, oftewel de herhaalbaarheid van het onderzoek.

    2. Repliceerbaarheid. Sommige onderzoekers kiezen ervoor om eerdere studies te repliceren, bijvoorbeeld omdat ze vinden dat het origineel niet overeenkomt met andere bewijzen of om te kijken of de bevindingen na verloop van tijd hetzelfde zijn gebleven. Een studie is repliceerbaar als duidelijk is hoe het is ontworpen, wie erbij betrokken waren, welke data verzameld is en hoe de data geanalyseerd is. Een onderzoeker moet de gemaakte methodologische keuzes dus nauwkeurig rapporteren. Het repliceren van een sociaal onderzoek is vrij zeldzaam, terwijl het wel erg op prijs gesteld wordt als het onderzoek de mogelijkheid biedt tot repliceerbaarheid, vooral in kwantitatief onderzoek. Studenten die een proefschrift voorbereiden kiezen er soms voor om een klassieke studie te repliceren door te bekijken of de bevindingen tegenwoordig nog steeds toepasselijk zijn of door een andere gemeenschap of organisatie te bestuderen. 

    3. Validiteit.  De validiteit betreft de integriteit van de getrokken conclusies.

    Er zijn verschillende soorten validiteit:

    • Constructvaliditeit, ook wel ‘measurement validity’ genoemd. Meet het onderzoeksinstrument het bedoelde construct? Meet bijvoorbeeld een IQ test daadwerkelijk variaties in intelligentie? Dit heeft vooral betrekking op kwantitatief onderzoek. 

    • Interne validiteit, dit is vooral gerelateerd aan causaliteit. Is een conclusie met betrekking tot een causale relatie houdbaar? Veroorzaakt de onafhankelijke variabele (x) echt de afhankelijke variabele (y) of is misschien een andere factor verantwoordelijk?

    • Externe validiteit, dit heeft betrekking op de vraag of de resultaten van een studie generaliseerbaar zijn: zijn de conclusies ook toepasbaar in andere contexten? Dit is een belangrijke reden waarom kwantitatieve onderzoekers graag steekproeven genereren. 

    • Ecologische validiteit, dit verwijst naar de mate waarin de wetenschappelijke bevindingen toepasbaar zijn in het alledaagse leven. Een kunstmatige / onnatuurlijke testomgeving of testconditie leidt vaak tot een lage ecologische validiteit.

    • Inferentiële validiteit, dit heeft betrekking op de vraag of de gevolgtrekkingen en conclusies die onderzoekers hebben getrokken gerechtvaardigd zijn door het onderzoek en de bevindingen. Het houdt verband met het gebruikte onderzoeksontwerp en de manieren waarop de bevindingen zijn geïnterpreteerd. Het is bijvoorbeeld riskant en vaak fout om causaliteit af te leiden uit een onderzoek dat gebaseerd is op het cross-sectioneel ontwerp.

    Wat is de relatie tussen de kwaliteitscriteria en onderzoekstrategieën?

    De betrouwbaarheid, repliceerbaarheid en validiteit (constructvaliditeit, interne validiteit en externe validiteit) spelen een grote rol bij kwantitatief onderzoek. Enkel de ecologische validiteit is belangrijk bij zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek. Lincoln en Guba (1985) stellen daarom alternatieve termen en manieren voor om kwalitatief onderzoek te beoordelen. Hun criterium is betrouwbaarheid, maar zij gebruiken niet de term ‘reliability’, maar ‘trustworthiness’. Elk aspect van dit criterium is parallel aan een criterium van kwantitatief onderzoek:

    • Geloofwaardigheid: gelijk aan interne validiteit.

    • Overdraagbaarheid: gelijk aan externe validiteit.

    • Afhankelijkheid: gelijk aan de betrouwbaarheid

    • ‘Conformality’: gelijk aan objectiviteit

    Volgens Hammersley (1992) is ook relevantie een belangrijk criterium.

    Het is aan te raden om te beginnen met een onderzoeksvraag en daarna te bepalen welke onderzoeksontwerp het meest geschikt is voor beantwoording van die vraag. Als je het ontwerp hebt gekozen, moet het worden gerechtvaardigd in het hoofdstuk over methodologie. Leg uit hoe het ontwerp verband houdt met de onderzoeksvraag of waarom je niet hebt gekozen voor het meest effectieve ontwerp (door gebrek aan tijd of middelen bijvoorbeeld). Er worden vijf onderzoeksontwerpen besproken:

    • Experimenteel onderzoek(en varianten hierop, zoals quasi-experimenten)

    • ‘Cross-sectioneel’ of ‘survey’ onderzoek

    • Longitudinaal onderzoek

    • ‘Case study’ onderzoek

    • Vergelijkingsonderzoek

    Wat houdt het experimenteel ontwerp in? 

    Experimentele ontwerpen kunnen ruwweg worden opgedeeld in klassieke experimenten en quasi-experimenten. De laatsten hebben slechts enkele experimentele kenmerken en zijn veldexperimenten of laboratoriumexperimenten. Een veldexperiment vindt plaats in een real life-setting, bijvoorbeeld een klaslokaal of een organisatie. Deze zijn voor sociale onderzoekers van groter belang dan laboratoriumexperimenten.

    Wat zijn de kenmerken van het klassieke experiment-ontwerp?

    Een klassiek experiment is zeldzaam binnen de sociologie (in tegenstelling tot de quasi-experimenten), maar wordt vaak gebruikt in gerelateerde onderzoeksgebieden zoals sociale psychologie. Experimenten zijn vooral sterk in termen van interne validiteit. De reden dat sociale onderzoekers deze methode weinig gebruiken is omdat er een onafhankelijke variabele gemanipuleerd moet worden om te bepalen of deze invloed heeft op de afhankelijke variabele.

    Binnen dit design wordt elke proefpersoon willekeurig toegewezen aan één van de experimentele groepen. Elke groep verschilt in de mate van de afhankelijke variabele. Binnen het experimentele design wordt onderscheid gemaakt tussen een laboratoriumexperiment (in een sterk gecontroleerde setting) en een veldexperiment (in het echte leven). Een klassiek experimenteel design wordt ook wel een gerandomiseerd experiment of een ‘randomized controlled trial’ (RCT, gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek) genoemd en bestaat uit twee groepen: een experimentele of behandelingsgroep en een controlegroep. De afhankelijke variabele wordt voor en na de experimentele manipulatie gemeten. Proefpersonen worden willekeurig toegewezen aan één van de twee groepen zodat beide groepen even representatief zijn. Een RCT wordt hoog aangeschreven in de literatuur. 

    Wat zijn bedreigingen voor interne validiteit?

    Volgens Campbell (1957) en Cook en Campbell (1979) zijn er zeven bedreigingen voor de interne validiteit:

    1. Geschiedenis. Gebeurtenissen anders dan de experimentele manipulatie kunnen het gevolg hebben beïnvloed. 

    2. Testen. De subjecten kunnen meer ervaren worden in het doen van testen of worden gevoelig voor het doeleinde van het experiment.

    3. Gebruikte instrumenten. De kleinste veranderingen in een test kunnen invloed hebben op het resultaat.

    4. Sterfelijkheid. Met name langdurige onderzoeken kunnen te maken krijgen met uitval van participanten.

    5. Rijping. Proefpersonen 'rijpen' (veranderen) gedurende het experiment.

    6. Selectie. Een ongelijkwaardige verdeling van de personen over de twee groepen.

    7. Dubbelzinnigheid omtrent de richting van de causale invloed. 

    Wat zijn bedreigingen voor externe validiteit?

    Volgens Campbell (1957) en Cook en Campbell (1979) zijn er vijf grote bedreigingen voor de externe validiteit (en daarom ook voor de generaliseerbaarheid van het onderzoek):

    1. Selectie en behandeling: naar welke sociale en psychologische groepen kan een resultaat gegeneraliseerd worden? Hier moet gelet worden op factoren zoals etniciteit, sociale klasse, regio, geslacht en persoonlijkheid.

    2. Setting en behandeling: is het onderzoeksresultaat generaliseerbaar naar andere settings (zoals andere scholen)?

    3. Geschiedenis en behandeling: kunnen gegevens gegeneraliseerd worden naar het verleden en de toekomst? Zijn gegevens van een paar jaar geleden vandaag ook nog toepasbaar?

    4. De effecten van ‘pre-testing’: na getest te zijn kunnen proefpersonen gevoelig worden voor de experimentele behandeling. De resultaten zijn daarom vaak niet generaliseerbaar naar mensen die niet eerder getest zijn. 

    5. ‘Reactieve’ effecten van experimentele afspraken: mensen zijn regelmatig bewust van het feit dat ze meedoen aan een experiment. Dit beïnvloedt hun reactiviteit en leidt tot verminderde generaliseerbaarheid.

    Wat zijn de voordelen en beperkingen van laboratoriumexperimenten?

    Veel onderzoeken binnen de sociale psychologie zijn laboratoriumexperimenten, omdat de onderzoeker dan veel invloed heeft op de inrichting van het experiment vergeleken met een veldexperiment. Het is eenvoudiger om subjecten te onderwerpen aan bepaalde condities in een laboratorium dan in het echte leven. Er is een hoge mate van controle mogelijk, wat de interne validiteit van het onderzoek kan vergroten. Laboratoriumexperimenten zijn bovendien eenvoudiger te repliceren. 

    Deze methode kent ook veel beperkingen. Zo is de externe en ecologische validiteit waarschijnlijk zeer beperkt. Het zogenaamde alledaagse realisme (‘mundane realism’) van laboratoriumexperimenten is dus slecht, maar het experimentele realisme is vaak wel van toepassing. Dit houdt in dat de proefpersonen erg betrokken zijn en het experiment serieus nemen. De belangrijkste potentiële bedreigingen voor de validiteit van het experiment: subjecten zijn studenten en dus niet representatief voor de gehele populatie, de studenten zijn niet onwillekeurig geworven en de studenten ontvingen stimulansen voor deelname waardoor zij verschillen van anderen.

    Wat zijn quasi-experimenten?

    Een quasi-experiment is een studie die een paar kenmerken van een experimenteel ontwerp heeft, maar niet aan alle eisen van de interne validiteit voldoet. Zo is er vaak geen sprake van willekeurige toewijzing van participanten aan de groepen. Toch zijn de resultaten verkregen middels een quasi-experiment bruikbaar. Omdat geen gebruik wordt gemaakt van kunstmatige interventies in het sociale leven, is de ecologische validiteit vaak sterk. Experimentele studies en quasi-experimenten worden vooral gebruikt in evaluerende onderzoeksstudies: studies over de evaluatie van sociale (of in mindere mate organisatorische) interventies.

    Een belangrijk kenmerk van elk experiment is dat het een vergelijking omvat: de resultaten van de experimentele groep worden vergeleken met de resultaten van de controlegroep.

    Wat houdt het ‘cross-sectioneel’ ontwerp in?

    Het cross-sectioneel ontwerp wordt ook wel 'survey design' genoemd, omdat veel mensen het associëren met vragenlijsten. Alhoewel dit een veelgebruikte methode is binnen dit onderzoek, wordt er ook gebruik gemaakt van gestructureerde observatie, dagboeken, inhoudsanalyse en officiële statistieken. 

    Bij sociaal onderzoek is het vaak niet mogelijk om de variabelen waarin de onderzoeker geïnteresseerd is te manipuleren. Daarom maakt kwantitatief sociaal onderzoek gebruik van een ‘cross-sectioneel’ onderzoeksontwerp. Bij een ‘cross-sectioneel’ design wordt altijd meer dan één case onderzocht (onderzoekers zijn geïnteresseerd in de variatie), op één moment (data van verschillende variabelen worden ongeveer tegelijkertijd verzameld) en kwantitatieve data wordt verzameld en vervolgens geanalyseerd in de hoop associatiepatronen te ontdekken. Binnen dit design kan alleen de relatie tussen variabelen onderzocht worden: er is immers geen sprake van manipulatie van een variabele. Dit betekent niet dat het per definitie onmogelijk is om causale conclusies te trekken, maar de geloofwaardigheid is minder dan wanneer conclusies getrokken worden naar aanleiding van een experimenteel design.

    Hoe verhoudt ‘cross-sectioneel’ onderzoek zich tot de eisen van kwantitatief onderzoek (betrouwbaarheid, herhaalbaarheid en validiteit)? De betrouwbaarheid en constructvaliditeit zijn niet zozeer gerelateerd aan het onderzoeksdesign zelf, maar vooral aan de meetinstrumenten die worden gebruikt. De mogelijkheid tot replicatie is in bijna alle studies aanwezig. De interne validiteit is vaak zwak, omdat het moeilijk is om uitspraken te doen over de causaliteit. De externe validiteit is sterk zolang er gebruik wordt gemaakt van willekeurige steekproefmethodes. De ecologische validiteit kan in het gedrang komen, omdat methodes zoals observatieprogramma’s de natuurlijke omgeving kunnen verstoren.

    Soms wordt het ‘cross-sectioneel’ ontwerp ook gebruikt bij kwalitatief onderzoek, bijvoorbeeld wanneer de onderzoeker op één moment veel mensen ongestructureerd of semigestructureerd interviewt.

    Wat houdt het longitudinaal ontwerp in?

    Het longitudinaal design vergt veel tijd en geld en wordt daarom relatief weinig gebruikt in sociaal onderzoek. Het is vaak een uitbreiding op surveyonderzoek. Wat betreft de betrouwbaarheid, herhaalbaarheid en validiteit lijkt dit ontwerp veel op het ‘cross-sectioneel’ ontwerp, hoewel het longitudinaal ontwerp iets geschikter is om causale conclusies te trekken.

    Er zijn twee soorten longitudinale onderzoeken: de panelstudie en de cohortstudie. In geval van de eerste is een (willekeurig geselecteerd, nationale) steekproef de focus van de dataverzameling op minstens twee (maar vaak meer) tijdstippen. Deze steekproef kan bestaan uit mensen, maar ook uit huishoudens, scholen, etc. In geval van een cohortstudie is een heel cohort of een willekeurige selectie daarvan geselecteerd. Het cohort bestaat uit mensen of andere ‘cases’ die een bepaalde karakteristiek delen (bijv. allemaal geboren in dezelfde week). Beide soorten longitudinale onderzoeken hebben dezelfde structuur: data wordt op minstens twee tijdstippen verzameld met dezelfde participanten. Ook hebben beide studies als doel om de sociale verandering aan het licht te brengen en causale invloeden over tijd beter te begrijpen. Er zijn twee grote verschillen tussen de types onderzoek. Een panelstudie kan, in tegenstelling tot een cohortstudie, onderscheid maken tussen leeftijdseffecten (het effect van ouder worden) en cohorteffecten (effecten die ontstaan doordat een groep geboren wordt op eenzelfde moment). Bij een cohortstudie worden alle mensen min of meer op hetzelfde moment geboren, dus kan alleen gekeken worden naar leeftijdseffecten. Daarnaast heeft een panelstudie regels nodig over de omgang met nieuwe deelnemers, bijvoorbeeld wanneer een panelstudie huishoudens onderzoekt en er (door geboorte, huwelijk of mantelzorg) nieuwe leden bijkomen en anderzijds wanneer deelnemers een huishouden verlaten.

    Ook wat betreft de kwaliteitscriteria voor onderzoek is het longitudinaal onderzoek vergelijkbaar met het cross-sectioneel onderzoek. De betrouwbaarheid en validiteit houden verband met de kwaliteit van de gebruikte metingen. Wat betreft de repliceerbaarheid is het belangrijk dat de rapportage informeert over de steekproef, het ontwerp en de instrumenten die gebruikt zijn voor het verzamelen van data. Het is lastig om longitudinaal onderzoek repliceerbaar te maken vanwege de kosten, tijd en schaalgrootte. Longitudinale ontwerpen kunnen een goede interne validiteit hebben. De externe validiteit is vergelijkbaar met die van cross-sectionele onderzoeken, al kunnen de panel- en cohortstudies steeds minder representatief worden. 

    Zowel panelstudies als cohortstudies kennen de volgende beperkingen:

    1. De kans op uitval van deelnemers door dood, verhuizing, etc. Degenen die uitvallen kunnen op belangrijke punten verschillen van degenen die overblijven, waardoor er geen representatieve groep overblijft. Onderzoek van Berthoud (2000) suggereert dat dit probleem vermindert naarmate tijd verstrijkt: zij die na de eerste 1 á 2 metingen nog meedoen, blijven vaak tot het einde meedoen.

    2. Er zijn weinig richtlijnen wat betreft het ‘beste moment’ om opnieuw te testen.

    3. Veel longitudinale studies zijn niet goed doordacht, wat resulteert in een grote verzameling van data waarbij bijna geen sprake is geweest van planning.

    4. Er kan een ‘panel conditioneringeffect’ optreden: de continue deelname in een longitudinale studie invloed heeft op hoe mensen zich gedragen.

    Hoewel longitudinale studies vaak alleen geassocieerd worden met kwantitatief onderzoek, maken kwalitatieve onderzoeken ook gebruik van enkele elementen van het longitudinale ontwerp. Een voorbeeld hiervan is etnografisch onderzoek: de etnograaf is voor een lange periode op één locatie waar hij/zij meerdere keren een interview afneemt om zo uitspraken te doen over verandering.

    Wat houdt het ‘case study’ ontwerp in?

    In geval van een ‘case study’ ontwerp wordt een enkele ‘case’ gedetailleerd en intensief geanalyseerd. Een ‘case’ kan een persoon, gemeenschap, school, familie, organisatie of gebeurtenis zijn. Vaak wordt een ‘case’ studie onterecht uitsluitend geassocieerd met kwalitatief onderzoek. Hoewel de meeste elementen van dit onderzoeksdesignontwerp (zoals methoden als participantobservatie en ongestructureerd interviewen) behoren tot kwalitatief onderzoek, wordt deze methode ook vaak toegepast binnen kwantitatieve onderzoeken. Soms is het moeilijk om te bepalen of een onderzoek beschreven moet worden als een ‘case study’ of ‘cross-sectioneel’ onderzoeksontwerp.

    Volgens Yin (2009) zijn er vijf soorten ‘cases’:

    1. De kritische ‘case’: de onderzoeker heeft een goed ontwikkelde theorie en kiest een case die ervoor zorgt dat de omstandigheden waarin de hypothese wel en niet standhoudt beter kunnen worden begrepen.

    2. De extreme of unieke ‘case’: de ‘case’ wordt gekozen omdat deze zo uniek is.

    3. De representatieve of typische ‘case’: dit wordt ook wel de ‘illustrerende case’ genoemd en wordt gekozen omdat deze een bredere categorie van ‘cases’ belichaamt of omdat deze een geschikte context creëert voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen.

    4. De openbarende (onthullende) ‘case’: deze wordt gekozen wanneer de onderzoeker de mogelijkheid heeft om een fenomeen te observeren en analyseren welke eerst niet toegankelijk was voor wetenschappelijk onderzoek.

    5. De longitudinale ‘case’: deze wordt gekozen omdat het hierbij mogelijk is om het fenomeen op twee of meer tijdstippen te onderzoeken.

    Elke case-studie kan een combinatie van bovenstaande elementen bevatten, zo is er een onderzoek waarin sprake was van een extreme case met elementen van een kritische case. Ook kan later, bijvoorbeeld na het uitvoeren van het veldwerk, blijken dat sprake is van een unieke case. 

    Een ‘case study’ ontwerp heeft vaak een longitudinaal element: de onderzoeker maakt vaak deel uit van een organisatie of een gemeenschap.  Individuen kunnen maanden of zelfs jaren geïnterviewd worden. Ook wordt een ‘case’ vaak later nog een keer bestudeerd.

    Hoe goed een case study het doet wat betreft de kwaliteitseisen hangt grotendeels af van de vraag in hoeverre een onderzoeker denkt dat validiteit, betrouwbaarheid en repliceerbaarheid passend zijn voor de evaluatie van de case-studie. Sommigen achten de criteria passend en menen dat een case-studie ontwikkeld kan worden zodat deze aan alle criteria voldoet en anderen maken er geen of amper melding van. Vooral kwalitatieve onderzoekers hebben de neiging het belang van de criteria te bagatelliseren. Eén van de meest gehoorde 'kritiekpunten' is dat de resultaten niet gegeneraliseerd kunnen worden. Dit is echter ook niet het doel van dit design.

    Wat houdt het vergelijkende ontwerp in?

    In geval van het vergelijkende ontwerp worden twee of meer verschillende ‘cases’ vergeleken die soortgelijke methoden gebruiken (zoals ‘cross-cultureel’ onderzoek). Dit kan plaatsvinden binnen een kwantitatief of kwalitatief kader. In geval van kwantitatief onderzoek wordt de data van elke ‘case’ vaak binnen een ‘cross-sectioneel’ kader verzameld.

    In termen van betrouwbaarheid, herhaalbaarheid, validiteit en generaliseerbaarheid is een vergelijkingsstudie niet anders dan een ‘cross-sectioneel’ ontwerp. Binnen een kwalitatieve onderzoeksstrategie kan het vergelijkingsdesign de vorm aannemen van een ‘multiple-case study’. Het grootste voordeel van deze methode is dat het bijdraagt aan de theorievorming en verduidelijking kan geven over de bestaande literatuur. Dyer en Wilkins (1991) stellen echter dat de onderzoeker tijdens een ‘multi-case' study meer let op het vergelijken van de twee ‘cases’ dan op de specifieke context.

    Welke onderzoeksstrategiën en onderzoeksontwerpen gaan goed met elkaar samen?

    De twee onderzoeksstrategiën (kwantitatief en kwalitatief) kunnen gecombineerd worden met verschillende onderzoeksontwerpen.

    Kwantitatief onderzoek:

    • Experimenteel onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor kwantitatieve vergelijkingen tussen experimentele en controlegroepen met betrekking tot een afhankelijke variabele.

    • Cross-sectioneel onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor surveyonderzoek of gestructureerde observatie op één moment of een inhoudsanalyse van documenten met betrekking tot één periode.

    • Longitudinaal onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor surveyonderzoek op meerdere momenten (panel- of cohortstudie) of een inhoudsanalyse van documenten met betrekking tot meerdere periodes. 

    • Case-studie, in de vorm van surveyonderzoek inzake één case met als doel het ontdekken van belangrijke kenmerken. 

    • Vergelijkend onderzoeksontwerp, meestal in de vorm van surveyonderzoek waarbij een directe vergelijking wordt gemaakt tussen twee of meerdere gevallen, zoals in cross-cultureel onderzoek.

    Kwalitatief onderzoek:

    • Experimenteel onderzoeksontwerp. Hier bestaat geen typerende vorm van. Er is echter een onderzoek waarin kwalitatieve data omtrent schoolkinderen werd verzameld door middel van een quasi-experimenteel onderzoeksontwerp. 

    • Cross-sectioneel onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor kwalitatieve interviews of focusgroepen op één moment of een kwalitatieve inhoudsanalyse van documenten met betrekking tot één periode.

    • Longitudinaal onderzoeksontwerp. Meestal wordt gekozen voor etnografisch onderzoek gedurende een lange periode op meerdere momenten of een kwalitatieve inhoudsanalyse van documenten met betrekking tot verschillende periodes.

    • Case-studie, in de vorm van intensief onderzoek zoals etnografie of kwalitatief interviewen (één case, bijvoorbeeld een organisatie, familie of gemeenschap).

    • Vergelijkend onderzoeksontwerp, meestal in de vorm van etnografisch onderzoek of een kwalitatief interview onderzoek waarin twee of meerdere casus worden vergeleken.

    In geval van de derde strategie (gemengde methoden onderzoek) wordt kwantitatief en kwalitatief onderzoek met elkaar gecombineerd. Dit kan leiden tot een gecombineerd gebruik van verschillende onderzoeksontwerpen, bijvoorbeeld een cross-sectioneel ontwerp en een meervoudige case-studie, en onderzoeksmethoden.

    Access: 
    Public
    Hoe plan je een onderzoeksproject en formuleer je onderzoeksvragen? - Chapter 4

    Hoe plan je een onderzoeksproject en formuleer je onderzoeksvragen? - Chapter 4

    In dit hoofdstuk wordt advies gegeven omtrent het uitvoeren van een kleinschalig onderzoeksproject. Het wordt steeds vaker van sociale wetenschap-studenten verlangd dat zij een onafhankelijk onderzoeksproject opzetten en uitvoeren van ongeveer 10.000-15.000 woorden. Een succesvol project begint altijd met het hebben van een helder idee over de beschikbare tijd en bronnen en welke vragen gesteld gaan worden. Je project zal aanvaard worden door je begeleider wanneer je een helder, realistisch en goed doordacht onderzoeksvoorstel hebt geschreven en het aannemelijk is dat je onderzoek betrouwbare, repliceerbare en valide resultaten zal opleveren. 

    Hoe bereid je het onderzoeksproject voor? 

    Het is belangrijk dat je precies weet welke eisen jouw instelling stelt aan onderzoek. Denk aan het maximum aantal woorden, hoe vaak je advies mag vragen aan je begeleider, hoeveel onderzoeksvragen je moet formuleren, of je een opzet moet inleveren, de regels inzake plagiaat, hoe het gepresenteerd moet worden, de deadline etc.

    Gebruik jouw begeleider optimaal, probeer positief te reageren op feedback en neem suggesties ter harte. Het komt vaak voor dat studenten die vastlopen in het begin van het project de neiging hebben hun begeleider te negeren. Dit zorgt ervoor dat zij niet de benodigde hulp ontvangen en uiteindelijk gehaast werk afleveren. Probeer dit te voorkomen door jezelf te confronteren met eventuele problemen of het feit dat je achter begint te lopen. 

    Onderzoek wordt altijd aan banden gelegd door tijd en bronnen. De volgende twee punten zijn hierbij relevant:

    1. Creëer (samen met je begeleider) een tijdschema: wanneer doe je wat? Noteer voor elke onderzoeksfase een nagestreefde begin- en einddatum. Houd hierbij rekening met een eventuele vakantieperiode en andere opdrachten. Handig om te gebruiken is de zogenaamde 'Gantt chart'. 

    2. Kom erachter welke bronnen jij tot jouw beschikking hebt. Krijg je hulp van je instelling? Denk aan toegang tot een platform voor online vragenlijsten, reiskostenvergoeding, opnameapparatuur en software voor het verwerken van data (SPSS bijvoorbeeld).

    Hoe start je het onderzoeksproject?

    Als je een onderzoeksopzet moet indienen, zul je vaak onderzoeksvragen moeten opstellen. Veel studenten willen onderzoek doen naar iets wat ze persoonlijk interesseert. Dat is niet erg, zo beginnen veel sociale onderzoekers hun project. Of je nu een kwalitatief of een kwantitatief onderzoek wilt doen, relevante onderzoeksvragen moeten ontwikkeld worden. Kwalitatief onderzoek heeft vaak een wat meer ‘open einde’ dan kwantitatief onderzoek, waardoor dit type onderzoek riskanter is en vaak leidt tot een verzameling van te veel data en verwarring. Probeer daarom jouw onderzoeksvragen te richten op kwantitatief onderzoek. De interesse voor een bepaald onderzoeksgebied kan voortkomen uit:

    • Intellectuele puzzels

    • De bestaande literatuur

    • Theorie

    • Replicatie (je kunt een onderzoeksvraag uit de literatuur overnemen) 

    • Nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen

    • Een sociaal probleem

    • Persoonlijke interesse of ervaringen

    Deze bronnen sluiten elkaar niet uit: een onderzoeksvraag kan voortkomen uit twee of zelfs meerdere bronnen.

    Onderzoeksvragen kunnen in het algemeen worden onderverdeeld in twee soorten: beschrijvende vragen (wat, waar, wanneer, wie, hoe) en verklarende vragen (waarom, hoe). Als je een onderzoeksvraag hebt bedacht, moet je dus nagaan of deze onder één van de twee categorieën valt. Het ene type vraag is niet beter dan het andere, ze zijn enkel verschillend. Soms moet een verschijnsel eerst beschreven worden voordat het onderzocht kan worden. Als je bijvoorbeeld de loonkloof tussen mannen en vrouwen als onderwerp hebt, moet je eerst beschrijven 'wat' deze loonkloof inhoudt. Gaat het over toegenomen misdaadcijfers, dan moet je beschrijven 'waar' deze toename plaatsvindt. Het is ook interessant en belangrijk om te begrijpen 'waarom' de loonkloof bestaat, 'hoe' deze verbannen kan worden, 'waarom' de misdaadcijfers zijn toegenomen en 'hoe' dit de buurtbewoners raakt. Beschrijvende vragen kunnen erg belangrijk zijn als basis voor verder uitzoekwerk. 

    Bij het opstellen van de onderzoeksvragen moeten wij ons realiseren dat wij niet alle vragen die in ons opkomen kunnen beantwoorden. Wij moeten daarom weloverwogen keuzes maken en vragen kiezen die in ieder geval gerelateerd zijn aan elkaar (om zo de focus van het onderzoek niet te verliezen). Daarnaast moeten ze aan de volgende eisen voldoen:

    • Ze moeten duidelijk zijn (begrijpelijk);

    • Ze moeten onderzoekbaar zijn;

    • Ze moeten gerelateerd zijn aan de gevestigde theorie en onderzoeken;

    • Ze moeten verband houden met elkaar;

    • Ze moeten niet te ruim en niet te strikt zijn.

    Wat moet je vermelden in je onderzoeksvoorstel?

    Vaak verwacht jouw instelling dat je een onderzoeksvoorstel inlevert voordat je begint met de uitvoering van het onderzoek. Zelfs wanneer het geen vereiste is van jouw opleiding is het voor jezelf handig om dit voorstel te maken, zodat je een duidelijk overzicht hebt van jouw onderzoek. De volgende onderwerpen moeten in ieder geval verwerkt worden in het voorstel:

    1. Wat is het onderwerp van je onderzoek en waarom is het belangrijk?

    2. Wat zijn je onderzoeksvragen?

    3. Wat zegt de literatuur over jouw onderzoeksgebied?

    4. Welke onderzoeksmethodes wil jij gaan gebruiken? (Hoe ga je data verzamelen en waarom zijn deze methodes of middelen geschikt met betrekking tot de onderzoeksvragen?)

    5. Welke middelen heb je nodig? (reiskosten, opnameapparatuur, toegang tot platform voor online vragenlijsten etc. en hoe ga je deze bekostigen?)

    6. Wat is je tijdschema voor de verschillende onderzoeksfasen?

    7. Welke potentiële problemen voorzie je gedurende het uitvoeren van je onderzoek? (bijvoorbeeld toegang verkrijgen tot organisaties of ethische problemen)

    8. Hoe ga je de antwoorden op je onderzoeksvragen vinden? (hoe ga je data analyseren?)

    Hoe zorg je ervoor dat je onderzoeksproject soepel verloopt?

    Tips voor een soepel verloop van je onderzoek:

    • Zorg voor een back-up van je data. Dataverlies is een van de grootste risico's in elke sociaal onderzoeksproject. Hou ook rekening met de veiligheids- en opslagvereisten die je instelling hanteert. 

    • Hou bij wat je doet: wie heb je gesproken binnen een organisatie, wie heeft gereageerd op je vragenlijst (en wie moet je reminders sturen), hou veldnotities bij in geval van participantobservatie en vertrouw niet op je geheugen. Het is handig om een onderzoeksdagboek bij te houden. 

    • Blijf terugkeren naar je onderzoeksvragen. Gedurende het onderzoek kun je afgeleid raken. Je moet de onderzoeksvragen altijd scherp voor ogen houden.

    • Zorg ervoor dat je bekend bent met de benodigde apparatuur en software (bijvoorbeeld opnameapparatuur of SPSS voor data-analyse).

    • Wacht niet met het coderen van data totdat je alles verzameld hebt. Voer de antwoorden op de vragenlijsten die je binnenkrijgt zo snel mogelijk in.

    • Onthoud dat het uitwerken van opgenomen interviews veel tijd in beslag neemt. Elk opgenomen uur kan neerkomen op zes uur transcriptiewerk.

    • Breng nooit je persoonlijke veiligheid in gevaar. 

    Access: 
    Public
    Hoe voer je literatuurreview uit? - Chapter 5

    Hoe voer je literatuurreview uit? - Chapter 5

    Wat houdt een literatuurreview in?

    Na het bepalen van de onderzoeksvragen is het opstellen van een literatuurreview de volgende stap. Je moet de bestaande literatuur opzoeken en hier een 'review' over schrijven. Met 'literatuur' wordt in de wetenschap gedoeld op bestaand onderzoek over een bepaald onderwerp. Met 'review' wordt gerefereerd aan een kritische evaluatie. De literatuurreview wordt gedaan om vast te stellen wat reeds bekend is over het onderwerp en om een achtergrond en rechtvaardiging te verschaffen voor het uit te voeren onderzoek.

    Er zijn twee soorten literatuurreview: het narratieve en het systematische. Een narratieve (verhalende) literatuurreview is de klassieke vorm en leidt meestal direct tot een onderzoeksproject. Een systematische literatuurreview staat meestal op zichzelf (is niet de inleiding van het onderzoek), de bevindingen ervan kunnen als een soort 'springplank' voor onderzoek dienen. De focus zal hoofdzakelijk op de narratieve review liggen, omdat deze doorgaans wordt bedoeld wanneer men het heeft over literatuurreview.

    Wat is een narratieve literatuurreview?

    Een narratieve review maakt een bepaald onderwerp of subject overzichtelijk door het uitvoeren van een uitgebreide beoordeling en kritische interpretatie van de relevante literatuur, meestal ter inleiding van het uit te voeren onderzoek. Onderzoekers doen dit om vast te stellen waarom zij onderzoek gaan uitvoeren en wat de bijdrage ervan zal zijn. Een systematische literatuurreview volgt een specifiek formeel protocol en is gericht op het verzamelen en samenvatten van alle gerelateerde onderzoeken in een bepaald gebied. Een narratieve review vat enkel de belangrijkste werken samen die door de auteur zijn geselecteerd. Dit betekent niet dat het niet uitgebreid is, maar dat de auteur de inhoud van het onderzoek bepaalt en niet een externe set van criteria. 

    Er zijn veel manieren om een narratieve literatuurreview te schrijven, maar zij moeten allemaal hetzelfde resultaat opleveren: aan het einde van de review begrijpt de lezer de huidige stand van onderzoek in het betreffende onderzoeksgebied, welke leemtes hierin bestaan en hoe het onderzoek gerelateerd is aan huidige theorieën en concepten. Het meest belangrijk is dat het voor de lezer duidelijk is welk argument de auteur geeft als rechtvaardiging voor het uit te voeren onderzoek.

    Waarom zou je een literatuurreview uitvoeren? Het is bijna altijd een verplicht onderdeel van het onderzoeksproject, maar los daarvan is het ook in je eigen belang. Door vast te stellen wat al bekend is voorkom je herhaling: je voegt iets toe aan het debat in plaats van dat je ten onrechte iets brengt als een nieuw idee. Een goed literatuuronderzoek toont ook dat je in staat bent het werk van andere onderzoekers te lezen en te begrijpen en goed ingelicht bent over het onderwerp. Het gebruik van bestaande literatuur is bovendien een manier om een argument over het belang van je onderzoek te ontwikkelen. In geval van kwantitatief onderzoek kan een literatuurreview gebruikt worden bij de ontwikkeling van een hypothese over de relatie tussen twee variabelen (bijvoorbeeld geslacht en loon of sociale klasse en opleidingsniveau). Daarnaast maakt het duidelijk welke onderzoeksmethoden- en ontwerpen passend zijn en laat het zien of sprake is van controversies, inconsistenties en onbeantwoorde onderzoeksvragen. Onderzoekers herzien of verfijnen hun onderzoeksvragen vaak gedurende of als gevolg van hun literatuurreview.

    Hoe haal je het meeste uit het leesproces?

    In het begin van het onderzoeksproces besteed je een groot deel van je tijd aan het lezen van de bestaande literatuur, dus ook deze onderzoeksfase moet goed worden voorbereid. Je haalt het meeste uit het leesproces als je beschikt over twee belangrijke vaardigheden: effectief aantekeningen maken en actief en kritisch lezen. Met het eerste doelen we op gedetailleerd en accuraat aantekeningen maken, waaronder het noteren van de relevante publicatiegegevens. Het kan erg frustrerend zijn als je op een later moment ontdekt dat je het relevante paginanummer van een boek of artikel bent vergeten op te schrijven en deze opnieuw moet opzoeken voor de vermelding in je referentielijst of bibliografie.

    Wat betreft de tweede vaardigheid: het enkele lezen, samenvatten en bekritiseren van literatuur is onvoldoende. Je moet jezelf afvragen wat het belang van het werk is: hoe verhoudt het zich tot andere werken? Wat zijn de sterkte punten en wat zijn de tekortkomingen wat betreft bijvoorbeeld de methodologie of geloofwaardigheid van de getrokken conclusies? Welke aannames doet de auteur en wat zijn de gevolgen van zijn bevindingen? Onthoud dat het literatuuronderzoek uitgevoerd moet worden met je onderzoeksvragen in gedachte. De literatuurreview moet namelijk ook gebruikt worden om aan te tonen waarom je onderzoeksvragen belangrijk zijn. Als één van je argumenten is dat er weliswaar veel onderzoek is gedaan naar een brede kwestie (bijvoorbeeld de toename van social media gebruik), maar weinig of geen naar een specifiek aspect daarvan (bijvoorbeeld de impact ervan op de mentale gezondheid), dan is het literatuuronderzoek het juiste onderdeel in je onderzoek waarin je deze stelling rechtvaardigt. 

    Belangrijkste tips bij het opstellen van een literatuurreview:

    • Probeer uitgebreid te werk te gaan. Op zijn minst moet je de meest belangrijke werken met betrekking tot het onderzoeksgebied bespreken. 

    • Overweeg om je review te verdelen in thema's en subthema's, dit zorgt voor structuur. 

    • Probeer de literatuur gebalanceerd te presenteren door te voorkomen dat bepaalde auteurs of onderzoeken meer aandacht krijgen dan anderen (tenzij je een bepaald punt wilt maken over een werk, bijvoorbeeld wanneer je de methode wilt reproduceren in een andere context). 

    • Streef ernaar om elk item in je literatuurreview te voorzien van commentaar en toon de onderlinge relevantie aan. Het beschrijven van de inhoud en een puntsgewijze presentatie is niet voldoende, je moet een argument ontwikkelen. 

    • Een argument kun je opbouwen door een 'verhaal' te vormen van de kernpunten uit de literatuur. Gebruik zoveel mogelijk je eigen woorden en vermijd quoten. 

    • Wees niet bang om de literatuur te bekritiseren op een passende wijze.

    • Probeer een conclusie te vormen over de literatuur: vertel de lezer wat de literatuurreview demonstreert (een leemte, tegenstrijdigheid of dominante benadering in het onderzoek). 

    Drie belangrijke dingen om te onthouden omtrent de literatuurreview:

    1. De literatuurreview betreft een voortdurend proces, het is niet een fase die je als afgerond van je lijstje kan strepen en vergeten. Wanneer je je bevindingen bespreekt en tot een conclusie komt, moet je terugverwijzen naar de literatuur. Ook moet je gedurende het onderzoeksproject literatuur blijven lezen. Schrijf je de literatuurreview voorafgaand aan de dataverzameling, dan moet je deze beschouwen als voorlopige versie. De kans is groot dat je wijzigingen aanbrengt naar mate het onderzoek vordert.

    2. Wees selectief in hetgeen je vermeldt in de uiteindelijke versie. Alles wat je hebt gelezen hierin verwerken is niet de bedoeling, beperk je tot het relevante werk. 

    3. Probeer de literatuur in je voordeel te gebruiken, je moet je er niet door laten leiden. Een enkele samenvatting is saai om te lezen, vertelt de lezer niet wat jouw standpunt is en maakt niet duidelijk wat de relevantie met betrekking tot je onderzoeksproject- en vragen is. 

    Wat is een systematische literatuurreview?

    Een systematische literatuurreview heeft betrekking op het hanteren van een gedefinieerde set van procedures. Hoewel reviews vaak verhalend zijn, is er een groeiende interesse in de systematische vorm. Dit heeft twee redenen. Systematisch reviewen is volgens Tranfield en collega’s (2003) een herhaalbaar, wetenschappelijk en transparant proces gericht op het minimaliseren van de bias door (1) uitputtende analyses van gepubliceerde en ongepubliceerde studies en (2) het bieden van een zogenoemde ‘audit trail’ waarin de auteur zijn/haar besluiten, procedures en conclusies aangeeft. Deze definitie is voortgevloeid uit de veronderstelling dat veel narratieve reviews niet de lading dekken en een bias bevatten. Twee voorbeelden van een systematisch review zijn de meta-analyse (omvat alleen kwantitatieve studies) en meta-etnografie (reviewprocedure voor kwalitatieve studies).

    Een systematisch review omvat vrijwel altijd uit de volgende stappen:

    1. Bepaal het doel en de omvang van jouw review (middels een onderzoeksvraag of een inleiding daarvoor).

    2. Zoek naar relevante studies lettend op het doel en de omvang van jouw review. De zoekstrategie moet omschreven worden zodat andere onderzoekers het kunnen repliceren. De reviewer moet overwegen welke publicaties hij in het literatuuronderzoek opneemt. Als je alleen studies zoekt in 'peer-reviewed' tijdschriften, negeer je andere waardevolle bronnen. Denk ook aan boeken, conferentieverslagen en rapporten van organisaties. 

    3. Beoordeel de relevantie van deze studies (reduceer het grote aantal gevonden resultaten uit stap 2).

    4. Beoordeel de kwaliteit van de relevante studies (is bijvoorbeeld een geschikt(e) onderzoeksontwerp en onderzoeksmethode gebruikt en op correcte wijze?).

    5. Vat de resultaten van elke studie kort samen en synthetiseer de resultaten. Denk aan de onderzoeksdatum en- locatie, steekproefgrootte, methode van dataverzameling en de belangrijkste bevindingen.

    Wat zijn de nadelen van een systematische literatuurreview?

    Het grootste kritiekpunt is dat onderzoeksvragen vaak niet vertaald kunnen worden in termen van het effect van een specifieke onafhankelijke variabele of dat de grenzen van het onderwerp niet duidelijk zijn afgebakend. Dit is vaak het geval in sociaal onderzoek. Een tweede kritiekpunt is dat dit soort literatuuronderzoek kan leiden tot een bureaucratisering van het reviewproces: er wordt meer en meer gelet op de technische aspecten van hoe iets tot stand komt, dan dat er daadwerkelijk gelet wordt op de analytische interpretaties. Een derde kritiekpunt betreft de toepassing ervan in kwalitatief onderzoek: vanuit het systematische perspectief kan een objectief oordeel geveld worden over de kwaliteit van een artikel, maar vooral in kwalitatief onderzoek is er over het algemeen weinig consensus over hoe de kwaliteit van studies methodologisch beoordeeld kan worden.

    Hoe zoek je naar de bestaande literatuur?

    Een effectieve zoektocht naar bestaande literatuur begint met het zorgvuldig lezen van boeken, tijdschriften en rapporten in het gebied dat je interesse heeft. De bibliografie aan het einde verwijst je naar meer relevante werken. Een onderzoeksproject vanaf nul beginnen en de juiste bronnen vinden kan uitdagend zijn. Het is aan te raden om hulp te vragen aan een bibliothecaris.

    Het zoeken van online bronnen is niet zo eenvoudig als het intypen van wat woorden, zeker als je wilt uitzoeken wat het verband tussen twee verschillende gevallen is. Het gebruik van de zogenaamde Boolean search maakt zoeken makkelijker (voeg de woorden 'en', 'of' en 'niet' toe om de gewenste resultaten te krijgen). 

    Voor een goed inzicht in de bestaande literatuur moet je grondig zoeken in online databases. Dit doe je aan de hand van trefwoorden die helpen de grenzen van je onderzoeksgebied vast te stellen. De meest gebruikte en uitgebreide online database is Web of Science (WoS) (voorheen: Web of Knowledge). Ook Google Scholar wordt vaak gebruikt. Onderzoekers uploaden hun publicaties ook op websites als Researchgate of Academia.edu, hier zijn meer dan 100 miljoen publicaties en onderzoekers te vinden. Veel instellingen bieden toegang tot Nexis, een database van kranten uit diverse landen. Mediaberichten zijn secundaire bronnen, maar kunnen wel nuttig zijn voor het verschaffen van context. Een beperking bij het gebruiken van Google en andere zoekmachines: het vindt bronnen, maar evalueert ze niet, dus kijk kritisch naar wat jij hebt gevonden (wie is de auteur, wat is de bron van het artikel, etc.). Gebruik de juiste sleutelwoorden, maak notities tijdens jouw zoektocht en ga de referenties na.

    Hoe verwijs je correct naar andermans werk?

    Het verwijzen naar het werk van een ander (citeren) is een belangrijke academische vaardigheid. Je moet bijhouden wat je hebt gelezen, waaronder alle bibliografische gegevens van elk boek en artikel dat je gaat opnemen in je referentielijst of bibliografie. Voor een relatief klein onderzoeksproject kun je dit bijhouden in Word of Excel. Begin hier niet pas aan het einde van je onderzoek mee. Er bestaat een verschil tussen een referentielijst en een bibliografie, verwar deze niet met elkaar. Een referentielijst bevat alleen de gelezen teksten die je citeert in je werk, een bibliografie omvat alle gelezen teksten (niet alleen de geciteerde). Voor de wat grotere onderzoeksprojecten kun je gebruik maken van bibliografische software als Endnote en Reference Manager. 

    Iedere institutie kent eigen richtlijnen met betrekking tot het verwijzen naar gebruikte artikelen. De twee meest gebruikte methodes zijn de Harvard oftewel auteur-datum methode (Naam, 2013) en de voetnoot in de vorm van superscript123. Ingevolge de Harvard methode plaats je de achternaam en het publicatiejaar tussen haakjes. Als je auteur(s) quote, moet je de geciteerde tekst tussen aanhalingstekens plaatsen en na het publicatiejaar het paginanummer. Alle publicaties die je citeert worden in alfabetische volgorde (achternaam auteur) aan het einde van je werk genoteerd. De Harvard methode is het meest gebruikt. Wanneer je instelling geen eisen stelt, is het aan te raden deze citeermethode te gebruiken. 

    Wat zorgt voor een goede referentielijst? De lengte ervan speelt een rol. Een langere lijst laat zien dat de auteur vrij volledig is geweest in zijn of haar zoektocht naar literatuur. Een te lange lijst is ook niet goed: een lijst moet selectief zijn. Het moet aantonen dat de auteur het belang en geschiktheid van de bronnen goed kan beoordelen. Een veelgebruikte maatstaf voor de kwaliteit van de referentielijst is de reputatie van het blad waarin het artikel is gepubliceerd, hoewel er ook relevante, goede artikelen gehaald kunnen worden uit tijdschriften met een lagere status. Het derde kenmerk van een goede referentielijst betreft secundair refereren: dit is wanneer gerefereerd wordt naar een artikel of boek wat geciteerd wordt door een ander artikel of boek en het origineel niet toegankelijk is. Echter, in het verslag moeten secundaire referenties niet centraal staan aangezien jij afhankelijk bent van de interpretatie van de originele tekst. Een ander kenmerk van een goede referentielijst is dat elke verwijzing gedaan is in de hoofdtekst en op zo'n wijze dat het aantoont dat je de tekst tot in detail hebt gelezen en de betekenis ervan begrijpt.

    Hoe voorkom je plagiaat?

    Hoewel vanzelfsprekend, moet plagiaat te allen tijde vermeden worden. Plagiaat is het nemen en gebruiken van andermans gedachten, uitvindingen of teksten alsof deze van jezelf zijn. Het lijkt erop dat plagiaat onder studenten in de afgelopen decennia is toegenomen. Een oorzaak hiervoor kan de makkelijke toegang tot online inhoud zijn. 

    In academische kringen wordt plagiaat gezien als moreel verkeerd. Een begeleider heeft het doorgaans door als grote stukken tekst uit een ander werk komen, zelfs als je er wat eigen woorden in hebt verwerkt. Afgezien van eventuele bestraffingen (het minimale cijfer ontvangen of uitgesloten worden van de cursus), maakt plagiaat geen indruk op de begeleider en is het jegens de originele auteur respectloos. Probeer altijd ideeën in eigen woorden om te zetten.

    Plagiaat voorkom je door geen grote selecties uit tekst over te nemen zonder citering. Zorg dus dat je een quote op de juiste manier citeert. Het veranderen van een aantal woorden is onvoldoende. Daarnaast moet het duidelijk zijn dat je andermans ideeën niet als zijnde van jezelf presenteert. Zorg voor een duidelijke erkenning van de bron van het idee (vermeld de naam van de auteur bijvoorbeeld). Je pleegt misschien niet opzettelijk plagiaat, maar dat is voor anderen niet vast te stellen. De beste manier om jezelf ervan te verzekeren dat je geen plagiaat pleegt is door het opzoeken en lezen van de richtlijnen van je instelling. Instellingen hebben vaak beleid over wangedrag of integriteit, maar veel studenten zijn hier niet van op de hoogte. Omdat het begrip plagiaat aan verandering onderhevig is, moet je nagaan hoe je instelling plagiaat definieert. 

    Access: 
    Public
    Wat is de rol van ethiek en politiek in sociaal onderzoek? - Chapter 6

    Wat is de rol van ethiek en politiek in sociaal onderzoek? - Chapter 6

    Er bestaan verschillende kwesties en discussies over ethiek waar alle sociale onderzoekers mee te maken hebben. Ethische kwesties vormen een essentieel onderdeel van het onderzoeksproject. Met name het toegenomen gebruik van online data in sociaalwetenschappelijk onderzoek heeft ethische gevolgen. Als onderzoeker moet je je bewust zijn van de ethische principes met betrekking tot sociaal onderzoek. Hoe moet je bijvoorbeeld omgaan met de personen met wie je het onderzoek uitvoert? De focus zal in dit hoofdstuk liggen op de principes omtrent de relatie tussen onderzoeker en participant. Aanvullend kijken we naar de 'politiek' van onderzoek. Hiermee wordt niet gedoeld op politieke partijen of bestuur, maar op hoe de uitoefening van macht invloed kan hebben op het ontwerp, de inhoud en het delen van ons onderzoek.

    Welke ethische leidraden zijn er?

    De ‘British Sociological Association (BSA)’ en de ‘Social Research Association (SRA)’ zijn organisaties die zich bezighouden met het formuleren van richtlijnen met betrekking tot ethiek in sociaal onderzoek. Hun ethische codes zijn openbaar en erg nuttig, omdat zij aangeven wat de 'best practices' zijn onder studenten. Ze helpen bij het identificeren van de ethische kwesties die kunnen opdoemen. Enkele handige ethische codes zijn 'Statement of Ethical Practice' (BSA), Ethical Guidelines (SRA), Code of Ethics and Conduct (BPS), Code of Ethics (ASA), Framework for Research Ethics (ESRC), Internet Research: Ethical Guidelines, Ethical Guidelines and Collated Resources for Digital Research (BSA), Social Media Research: A Guide to Ethics en Global Code of Conduct for Research in Resource-Poor Settings. In de laatste code ligt de focus op rechtvaardigheid, eerlijkheid, respect en zorg in onderzoek dat zich afspeelt in een setting met hoge en lage inkomens. Hierin wordt de machtsverhouding tussen onderzoeker en onderzochte expliciet erkend.

    Naast de ethische codes van professionele organisaties, moet je tevens bekend zijn met de richtlijnen van je universiteit of hogeschool. De meeste instellingen hebben richtlijnen over praktijken die als ethisch onacceptabel worden beschouwd. Meestal zijn deze gebaseerd op de codes van professionele organisaties. Een ethische benadering is bijvoorbeeld van belang als je participanten de taal niet goed machtig zijn of kinderen zijn. Daarnaast kunnen privacyregels binnen de EU invloed hebben op de manier waarop je data opslaat. Om aan bepaalde vereisten te voldoen, moet je soms uitgebreid en gedetailleerd beschrijven hoe je te werk gaat. Het komt voor dat de ethische commissie van je instelling om een onderzoeksvoorstel vraagt waarin je aan moet geven of je gebruik gaat maken van procedures of activiteiten die ethisch problematisch kunnen zijn. Er kan van je verlangd worden dat je een ethiek-formulier opstelt en/of invult. Hierop staat bijvoorbeeld de vraag of sprake is van potentiële schade, ongemak, fysieke of geestelijke risico's voor de onderzoeksparticipanten. Als je antwoord 'ja' is, moet je een volledig verslag indienen over je onderzoek en de reden voor het gebruik van de ethisch dubieuze praktijken. Voordat je goedkeuring krijgt, kan de commissie verschillende keren om meer informatie verzoeken. Hou hier dus rekening mee in je planning. 

    Hoe wordt in de literatuur gedacht over ethiek?

    Wat betreft ethiek in sociaal onderzoek geldt dat schrijvers verschillende standpunten innemen over ethische kwesties en dat de prominentie van deze kwesties verandert in de loop der tijd. Ethische kaders zijn bijvoorbeeld veranderd door de toegankelijkheid van social media data. De discussie over ethiek in sociaal onderzoek in de literatuur is vaak frustrerend vanwege vier redenen:

    1. Auteurs verschillen in wat zij ethisch acceptabel vinden;

    2. In de jaren '60 was er weinig aandacht voor ethische kwesties. Dat is een groot verschil met nu: ethiek staat tegenwoordig centraal in discussies binnen sociaal onderzoek. Sommige 'oude' onderzoeken zouden vandaag de dag nooit uitgevoerd worden. 

    3. Discussies over de ethiek gaan vaak gepaard met extreme voorbeelden van studies die ethisch niet verantwoord zijn. Hierdoor worden de subtielere onethische gevallen, die vaak voorkomen en waarmee rekening moet worden gehouden, niet besproken.

    4. Deze beruchte voorbeeldstudies gaan vaak gepaard met specifieke onderzoeksmethoden (zoals misleiding en geheime observaties). Hierdoor wordt geïmpliceerd dat ethische problemen alleen of vooral berusten op sommige methoden.

    Welke standpunten hebben schrijvers over ethiek?

    In de literatuur over ethiek binnen sociaal onderzoek komen vijf standpunten naar voren:

    1. Universalisme: ethische regels mogen nooit geschonden worden. Schendingen zijn moreel verkeerd en beschadigen sociaal onderzoek.

    2. Situatie-ethiek: dit is de tegenhanger van universalisme, ook wel principieel relativisme genoemd. Elk geval moet apart bekeken worden. Er zijn twee uitingen: 'het eindresultaat rechtvaardigt de middelen' (zonder het overtreden van de ethische regels was niets geleerd over een bepaald sociaal verschijnsel) en 'geen keuze' (soms kan iets niet onderzocht worden zonder misleiding, bijvoorbeeld als toegang nooit zou worden verkregen als de bedoeling van de onderzoeker bekend was). Soms is het niet mogelijk om informed consent te verkrijgen van alle participanten, bijvoorbeeld vanwege het grote aantal (miljoenen Twitteraars).

    3. Overtredingen van ethische regels komen vaak voor. De gedachte is dat bijna al het onderzoek elementen bevat die ethisch bedenkelijk zijn. Dit komt voor wanneer participanten niet alle details over het onderzoek ontvangen of onderling onderscheid wordt gemaakt. Als een onderzoeker compleet eerlijk is over zijn activiteiten, dan zullen ze proberen bepaalde gedragingen te vermijden. Oneerlijkheid levert eerlijke data op.

    4. 'Alles mag'. Misleidingen door sociale onderzoekers zijn onbeduidend als je het vergelijkt met misleiding door machtige instellingen in de huidige samenleving (massa media, politie, industrie). Zo beschrijft Douglas (1976) in zijn boek verschillende tactieken ter misleiding van anderen om hun vertrouwen te winnen en ze aan te moedigen zich bloot te stellen aan de onderzoeker. Weinig onderzoekers hangen deze visie aan. 

    5. Deontologische versus gevolgenethiek. Volgens de eerste stroming zijn bepaalde gedragingen op zichzelf goed of verkeerd. In geval van gevolgenethiek wordt gekeken naar de consequenties van een gedraging. De deontologische benadering heeft de voorkeur in sociaal onderzoek. Zo is bijvoorbeeld misleiding van participanten of het niet bieden van de mogelijkheid om informed consent te geven moreel verkeerd. 

    Welke schendingen van ethische principes doen zich voor bij het uitvoeren van sociaal onderzoek?

    Schendingen van ethische principes kunnen volgens Diener en Crandall (1978) onderverdeeld worden in vier categorieën: schade aan deelnemers, een gebrek aan ‘informed consent’ (in het vervolg 'geïnformeerde toestemming'), privacyschending en misleiding. Overlap komt vaak voor, het ontbreken van geïnformeerde toestemming zonder misleiding is lastig in te denken. 

    Wat wordt bedoeld met 'schade aan deelnemers'?

    Onder ‘schade’ valt fysieke schade, schade aan de ontwikkeling, een verlies van eigenwaarde, het induceren van stress en angst en het laten uitvoeren van verwerpelijke taken. In veel gevallen is daadwerkelijke of potentiële schade duidelijk, maar over bijvoorbeeld social media onderzoek bestaat discussie. Meestal is de informatie die mensen online zetten voor een specifiek publiek, ook al is het openbaar voor iedereen. Hoe zou iemand het vinden als zijn bericht in een nationale krant is terug te vinden, zeker wanneer het om een gevoelig onderwerp gaat (denk aan hatelijke inhoud of illegaal drugsgebruik)? Zelfs het gebruik van zeer openbare data (van bijvoorbeeld openbare Twitter-accounts) kan dus schade opleveren. 

    Een kernpunt in de bescherming van deelnemers tegen schade betreft de vertrouwelijkheid en beveiliging van verslagen. Dit betekent tevens dat je ervoor moet zorgen dat individuen anoniem blijven bij de presentatie van je bevindingen. Dit punt is gerelateerd aan privacyschending en specifieker: het vertrouwelijk omgaan met de verkregen data. In kwantitatief onderzoek is het relatief makkelijk om data anoniem te verwerken, maar bij kwalitatief onderzoek is dat lastiger. Het is bijvoorbeeld moeilijk (maar niet onmogelijk) om veldnotities zo te presenteren dat de persoon of de plek niet geïdentificeerd kan worden. Afgezien van het deontologische argument met betrekking tot intrinsieke onjuistheid van het schenden van vertrouwelijkheid is er ook het consequentialistische argument dat stelt dat dit het vertrouwen in de toekomstige generatie onderzoekers kan schaden. Het kan soms moeilijk te beoordelen zijn wat het mogelijke effect is op deelnemers.

    Hoe moeten onderzoekers vermijden dat schade aan henzelf wordt toegebracht?

    Het principe dat onderzoek het toebrengen van schade moet vermijden heeft ook betrekking op de onderzoeker zelf. Je moet beseffen dat het onderzoeken van illegaal gedrag (geweld, drugsgebruik, seksuele misdrijven etc.) risicovolle situaties kan opleveren. Daarnaast kunnen persoonlijke kenmerken de interactie met deelnemers beïnvloeden. Je geslacht kan een situatie opleveren waarin je voorzichtig te werk moet gaan (een jonge vrouw die onderzoek doet in een 'mannenwereld'), maar ook een minderheidsachtergrond kan een risico zijn (als je racisme onderzoekt en in contact komt met deelnemers met een intolerante visie). Een ander risico betreft het alleen te werk gaan. Sommige instellingen hebben hier een specifiek beleid voor (alleen in publieke settings data verzamelen, zorgen dat een collega weet waar je bent en wat je doet, altijd een mobiele telefoon bij je hebben). 

    Op 25 mei 2018 is de Algemene Verordening Gegevensbescherming in werking getreden. Hierin is geregeld hoe persoonlijke en gevoelige data moet worden verzameld, gebruikt en opgeslagen. Artikel 5 refereert aan het doen van academisch onderzoek. Omdat het verzamelen van persoonlijke en/of gevoelige data in de meeste sociale onderzoeksprojecten voorkomt, is het belangrijk met je begeleider te bespreken of je handelt volgens de regels. Denk aan databeveiliging en de archivering van identificeerbare informatie.

    Wanneer ontbreekt 'geïnformeerde toestemming'?

    Dit onderwerp is het meest besproken in de discussie over ethiek en sociaal onderzoek met een focus op vermomde of bedekte observatie of bedekt onderzoek, waarbij de werkelijke identiteit van de onderzoeker verborgen blijft. Bij deze vorm van observatie krijgen de deelnemers niet alle informatie die zij nodig zouden kunnen hebben bij het besluiten of ze wel of niet willen deelnemen aan het onderzoek: ze doen mee, of ze nu willen of niet.

    Het principe van geïnformeerde toestemming houdt tevens in dat zelfs als mensen weten dat zij gevraagd zullen worden voor deelname, zij volledig moeten worden geïnformeerd over het onderzoeksproces. Zij moeten ervan bewust zijn dat ze op elk moment om iedere reden kunnen weigeren mee te doen of zich terug kunnen trekken. Informatie die hun bereidheid tot deelname kan beïnvloeden mag niet worden achtergehouden. De onderzoeker moet uitleggen waar het onderzoek over gaat, wie het uitvoert en financiert, waarom het wordt uitgevoerd en hoe het wordt verspreid en gebruikt. Ook in andere gevallen (waar de deelnemers wel bewust zijn van deelname en toestemming hebben gegeven) kan sprake zijn van een gebrek aan geïnformeerde toestemming doordat zij niet volledig op de hoogte zijn gebracht van de aard van het onderzoek en de mogelijke gevolgen voor hen als deelnemer (zoals bij Milgram’s studie). Volgens Homan (1991) is het implementeren van geïnformeerde toestemming makkelijker gezegd dan gedaan:

    1. De onderzoeker kan simpelweg niet alles over het onderzoek vertellen, omdat er een grote kans is dat de antwoorden van de respondenten daardoor beïnvloed worden.

    2. In etnografisch onderzoek krijgt de etnograaf met heel veel mensen te maken. Het is praktisch onmogelijk om van iedereen geïnformeerde toestemming te krijgen, omdat dat erg zou interfereren met de dagelijkse context.

    Alhoewel schendingen van het principe van geïnformeerde toestemming (en privacy) met name in geval van geheim onderzoek in het algemeen veroordeeld worden, wordt deze methode nog wel gebruikt. De BSA laat ruimte voor ethische geheime observaties, in bepaalde omstandigheden kan hiervoor een rechtvaardiging bestaan. Er ontstaan problemen wanneer participanten hun gedrag veranderen zodra ze weten dat ze bestudeerd worden of wanneer een gebied in het sociale leven niet toegankelijk is voor sociale wetenschappers. Het observeren van personen in niet-publieke ruimtes of experimentele manipulatie die hiervan niet op de hoogte zijn, zou alleen mogen plaatsvinden wanneer het onmogelijk is om met gebruik van andere methodes essentiële data te verkrijgen. Het lastige hiervan is hoe een onderzoeker moet bepalen of dit het geval is. De leidraad wijst daarnaast op het belang van anonimiteit wanneer geïnformeerde toestemming niet kan worden verkregen. In het ideale geval proberen onderzoekers na afronding van het onderzoek toestemming te verkrijgen. 

    De situatie is nog ingewikkelder wanneer het online onderzoek betreft. Dit kan plaatsvinden in diverse settings (e-mailverkeer, chat rooms, social media etc.). In hoeverre heeft men in deze settings privacy en hoe makkelijk is het om geïnformeerde toestemming te verkrijgen? Hoe zeker is het dat de onderzoeker de 'echte' identiteit van de participanten kan vaststellen? Wanneer is misleiding of geheime observatie toegestaan? Hoe moet worden omgegaan met identificeerbaarheid? Met name in geval van social media kanalen bestaat er wrijving tussen hetgeen onderzoekers 'kunnen' doen en wat zij 'zouden moeten' doen. Volgens Beninger en anderen (2014) gaven hun onderzoeksparticipanten aan moeite te hebben met het bijhouden van de constant veranderende voorwaarden van Facebook en Twitter. De vele updates en omvang van de voorwaarden vormden een drempel voor hun begrip van de werking van de platformen. Mensen gaven aan de voorwaarden te hebben geaccepteerd zonder deze te hebben gelezen. Dit roept de vraag op of het accepteren van de gebruikersvoorwaarden telt als 'geïnformeerde toestemming'. Er is wat bewijs dat mensen steeds bewuster worden van de noodzaak om te begrijpen waar ze mee instemmen.

    De geïnformeerde toestemming wordt conform standaard gebruik verkregen met behulp van formulieren. In geval van een online vragenlijst moeten deelnemers meestal een hokje aanvinken als bevestiging dat zij de onderzoeksinformatie hebben gelezen en begrepen. Voordelen van het geïnformeerd toestemmingsformulier: participanten krijgen de mogelijkheid zich volledig te informeren over het onderzoek en de onderzoeker heeft schriftelijk bewijs. Een nadeel ervan is dat het vaak meer bezorgdheid opwekt bij de respondenten dan dat er aanvankelijk was. Daarnaast kan de richting van kwalitatief onderzoek flexibel en spontaan zijn, wat het lastig maakt om specifieke informatie te verstrekken over de aard van het onderzoek en de mogelijke gevolgen ervan voor de deelnemers. Zie voor een voorbeeld het conceptformulier van UK Data Service (UKDS), waarin rekening is gehouden met de Algemene Verordening Gegevensbescherming. 

    Wanneer is sprake van privacyschending?

    Het recht op privacy is een belangrijk principe en moet dus beschermd worden door de onderzoeker. Schendingen ervan in het kader van onderzoek worden gezien als onacceptabel. Privacy is gekoppeld aan de geïnformeerde toestemming, omdat de respondent zijn/haar privacy hierdoor voor een bepaalde tijd opgeeft. Uiteraard geeft de respondent de privacy niet volledig op, aangezien hij/zij altijd mag afzien van het beantwoorden van vragen (bijvoorbeeld over inkomen, geloof of seksuele activiteit) of van het hele onderzoek om welke reden dan ook.

    Geheime observaties worden gewoonlijk beschouwd als privacyschendingen, omdat participanten niet de mogelijkheid krijgen de inbreuk op hun privacy te weigeren. De privacykwestie houdt tevens verband met anonimiteit en vertrouwelijkheid (schade aan deelnemers). Het opnemen van informatie en bijhouden van verslagen komt in alle onderzoeksmethoden voor. Wat betreft online data heeft dit betrekking op de vindbaarheid van de quotes, zelfs als een pseudoniem is gebruikt. De voorwaarden van Twitter verlangen dat het offline tonen van tweets altijd gebeurt onder vermelding van de gebruikersnaam en de tweets mogen niet aangepast worden. Het komt ook voor dat studenten anonimiteit beloven terwijl dit niet mogelijk is. Bijvoorbeeld als in een online vragenlijst wordt gevraagd om het e-mailadres van de deelnemer zodat deze mee kan doen aan een prijsverloting. Het unieke e-mailadres wordt in dezelfde map opgeslagen als de rest van de antwoorden, waardoor ze niet langer anoniem zijn. 

    Wat wordt bedoeld met 'misleiding'?

    Misleiding vindt plaats wanneer de onderzoeker zijn/haar werk presenteert als iets anders dan dat het werkelijk is. Het experiment van Milgram is hier van een voorbeeld van (de deelnemers dachten dat zij echte elektrische schokken uitdeelden). Misleiding komt in verschillende graduaties voor, omdat onderzoekers benieuwd zijn naar natuurlijke reactie van deelnemers. Voorbeelden zijn het plaatsen van neppe datingadvertenties, leraren laten geloven dat bepaalde kinderen waarschijnlijk bovengemiddeld zouden presteren, zich voordoen als iemand met anorexia etc. Het ethisch bezwaar tegen misleiding kent vaak twee vormen: allereerst is het onaardig om mensen te misleiden. Daarnaast kan het onderzoekers afschilderen als vervelende bemoeials die mensen misleiden voor hun beroep. Dit heeft een negatief effect op de medewerking van respondenten in de toekomst (en de financiering van onderzoek). Een groot probleem met betrekking tot dit aspect is dat misleiding eigenlijk in elk onderzoek wel voorkomt en de grens tussen acceptabele en onacceptabele misleiding hierdoor soms moeilijk te bepalen is.

    Wat zijn de knelpunten bij het maken van ethische beslissingen?

    Hierboven hebben we de vier belangrijkste ethische principes besproken. Dit maakte duidelijk dat het vasthouden aan deze principes in de praktijk niet zo makkelijk is. Dit komt mede door de verschillende standpunten over wat ethische en onethische praktijken zijn binnen onderzoek. De scheidslijn hiertussen is lastig te trekken.

    Enkele knelpunten zijn: sommige mensen zijn bekend met de status van de onderzoeker, onderzoekers interviewen leden van dezelfde sociale of demografische groep als waar zij toe behoren, in geval van etnografisch onderzoek is het de vraag of een onderzoeker anderen accuraat kan informeren over de aard van het onderzoek (onderzoeksvragen zijn te breed of te specifiek), onderzoekers die gebruikmaken van social media data kunnen het lastig vinden om te bepalen wat zich in het publieke dan wel privédomein bevindt en wat gevoelige inhoud is, soms vinden geïnterviewden bepaalde vragen teveel een opinie opdringen of het discussiëren in een focusgroep te stressvol. Er zijn dus veel manieren waarop een sociale onderzoekers zich schuldig kan maken aan misleiding of het niet vragen van geïnformeerde toestemming. Ethische codes geven advies over praktijken die duidelijk ongepast zijn, maar niet over marginale gebieden van ethische besluitvorming. 

    Daarnaast komt het soms voor dat er een botsing plaatsvindt tussen hetgeen ethisch wenselijk is en het meest praktisch is. Geïnformeerde toestemming verzekeren door middel van een formulier kan bijvoorbeeld de bereidheid tot deelname aan een vragenlijst verminderen. 

    Ook het soort participant en de mate van kwetsbaarheid kan gevolgen hebben voor de ethische besluitvorming. Dit is met name het geval als er kinderen bij betrokken zijn. Ook de aard van de data kan van invloed zijn. Met betrekking tot secundaire data, online data en visuele data gelden andere ethische vraagstukken.

    Welke ethische kwesties spelen bij secundaire data?

    Secundaire data is al eerder verzamelde data. Dit soort data wordt gewoonlijk in kwantitatief onderzoek gebruikt. Het gebruik van door iemand anders verzamelde data kan veel tijd besparen en dus verstandig zijn. Als de data toegankelijk is via een website, zal de onderzoeker die de data hierop heeft geplaatst toestemming hebben om de data te delen met anderen. Als je gebruik wilt maken van secundaire data en je hebt voor het gebruik ervan een licentie verkregen, moet je onthouden dat deze licentie alleen voor jouzelf geldt. Je begeleider moet dan zelf ook toegang aanvragen.

    Welke ethische kwesties spelen bij online data?

    Online data betreft niet alleen social media data, maar heeft ook betrekking op blogs, e-mail, discussiegroepen, chatrooms etc. Elk soort platform heeft eigen voorwaarden en werkt op een eigen manier. Sommige data zijn publiek (Twitter), andere privé (Whatsapp) of zitten ergens in het midden (Facebook). Al deze kanalen kunnen worden gebruikt door onderzoekers, maar je moet reeds in het begin van je onderzoek nagaan of je toegang kunt krijgen tot de verlangde data, te beginnen met de ethische verwachtingen van de kanalen. Hebben zij een bepaald beleid over privacy en de openbaarheid van berichten? Kunnen gebruikers instellingen aanpassen zodat hun uitwisselingen privé worden? Hoe meer een platform bekend staat als publiek, hoe minder rekening hoeft te worden gehouden met vertrouwelijkheid en anonimiteit. 

    Het AoIR biedt een handig overzicht met overwegingen inzake het uitvoeren van online onderzoek en het gebruik van online data. Andere duidelijke richtlijnen over het uitvoeren van ethisch online onderzoek zijn lastig te vinden. Halford (2018) identificeert vijf factoren die online data onderscheiden van andere data wat betreft ethiek:

    1. Online data zijn reeds tot stand gekomen. Traditiegetrouw genereren onderzoekers nieuwe data met het oog op hun onderzoeksvragen. Online data bestaat onafhankelijk van onderzoek. In geval van secundaire (online) data is het niet mogelijk te garanderen dat toestemming is gegeven. 

    2. Online data vallen buiten onze controle. In geval van data verkregen middels een interview, focusgroep of vragenlijst kunnen we vertrouwelijkheid beloven. We kunnen de data beveiligen. Deze controle is er niet over online data. Het blijft voor het publiek zichtbaar, dit maakt anonimiseren lastig.

    3. Online data zijn niet permanent. Een deelnemer heeft normaliter het recht op terugtrekking, maar wat betekent dit voor iemand die zijn online post verwijdert of aanpast? Hoe kunnen we persoonlijke data accuraat en up to date houden?

    4. Onze aannames over schaal en granulariteit zijn niet toepasselijk op online data. De hoeveelheid beschikbare data maakt het lastig om een relatie met participanten te hebben. Ethiek wordt vaak besproken in verband met een individu, maar wat is de relatie tussen een Facebook-like en de individu die op de like-knop heeft gedrukt?

    5. Allerlei disciplines hebben interesse in online data. Sociaal onderzoek is niet meer het exclusieve domein van sociale wetenschappers. Andere disciplines maken uitgebreid gebruik van online data en kunnen andere ethische visies hebben over wat publieke data is en hoe ermee om moet worden gegaan.

    Welke ethische kwesties spelen bij visuele data?

    Onderzoeksmethoden waarbij gebruik wordt gemaakt van visuele data zoals foto's worden steeds populairder. Volgens goed gebruik krijg je geïnformeerde toestemming van degene die op de foto staat, maar dit is niet altijd mogelijk. Sommige personen staan op de achtergrond en zijn niet vindbaar voor de onderzoeker. Ook kan het belang van een foto pas later duidelijk worden en is het dan niet meer mogelijk toestemming te vragen. Dit kan opgelost worden door gezichten onherkenbaar te 'pixelen'. 

    Een ander potentieel ethische dilemma kan ontstaan in geval van 'foto-elicitatie'. Deelnemers wordt gevraagd zelf foto's te maken en deze dan te bespreken. Als hier andere personen op verschijnen, ben je voor de geïnformeerde toestemming afhankelijk van de onderzoeksparticipant. Ook kan het onduidelijk zijn waarvoor de foto's worden gebruikt en welke gevolgen deze hebben. 

    Wat is de rol van 'politiek' in sociaal onderzoek?

    Met 'politiek' wordt in dit kader gedoeld op status, machtsverhoudingen, machtsgebruik en niet op bestuur en politieke partijen. Ook deze thema's kunnen ethische problemen opleveren. 

    Sociaal onderzoek vindt nooit plaats in een moreel vacuüm: de onderzoeker (met normen en waarden, voorkeuren, verwachtingen, neigingen en interesses) heeft veel invloed op zijn/haar onderzoek. Geheel objectief is een onderzoek dus nooit. Sommige auteurs over sociaal onderzoek pleiten zelfs voor 'bewuste partijdigheid': onderzoekers zouden zich deels moeten identificeren met degenen die zij bestuderen. Er zijn veel manieren waarop sociaal onderzoek beïnvloed kan worden door politiek:

    • Een kant kiezen. De visie van de onderzoek over de wereld kan ertoe leiden dat een kant wordt gekozen. Dit vormt de benadering en methode. Dit kan onvrijwillig plaatsvinden (omdat gaandeweg sympathie is ontstaan) of opzettelijk (omdat hun politieke of ideologische standpunt de motivatie voor het onderzoek was en zij meer aandacht voor het onderwerp willen vragen). Het idee van partijdigheid is ontwikkeld in feministisch onderzoek.

    • De financiering van onderzoek: de organisatie die het onderzoek financiert zal voornamelijk zoeken naar resultaten die hun product of visie ondersteunen.

    • Toegang krijgen tot een onderzoeksomgeving: Reiner (2000) suggereert dat organisaties (zoals de politie) vaak moeilijk doen over het verlenen van toegang omdat ze zich zorgen maken over hoe ze gepresenteerd zullen worden. 

    • Werken in de onderzoeksomgeving: eenmaal in de organisatie is het boeken van vooruitgang hierbinnen een politiek proces op zich (mede vanwege de afhankelijkheid van medewerking).

    • Werken in een team: als onderzoek wordt gedaan in teams, is er binnen deze teams vaak sprake van een politiek spel: hoe verhouden de mensen zich tot elkaar, wie vindt wat, etc.

    • Het publiceren van bevindingen: er wordt soms veel weerstand geboden tegen de publicatie van het onderzoek.

    • Het hebben van expertise met betrekking tot bepaalde onderzoeksmethodes: de politicologie van de methoden zoals benoemd door Savage (2010). Sociale wetenschappen, met name sociologie, hebben in Engeland een zekere geloofwaardigheid, omdat onderzoekers van oudsher claimen expertise te hebben in het gebruik van bepaalde onderzoeksmethoden. Inmiddels worden de methodes ook door anderen gebruikt en is er meer aandacht voor nieuwe soorten data. Heroverwogen moet worden over welke vaardigheden en competenties een moderne wetenschapper moet beschikken. 

    Access: 
    Public
    Wat houdt kwantitatief onderzoek in? - Chapter 7

    Wat houdt kwantitatief onderzoek in? - Chapter 7

    De belangrijkste onderzoeksstrategieën betreffen kwalitatief en kwantitatief onderzoek en soms een combinatie hiervan. Elke strategie heeft zijn eigen kenmerken en wordt geassocieerd met bepaalde onderzoeksmethoden- en praktijken. 

    Wat is kwantitatief onderzoek?

    Tot halverwege de jaren '90 van de vorige eeuw was kwantitatief onderzoek de dominante strategie voor het uitvoeren van sociaal onderzoek. Daarna werd kwalitatief onderzoek steeds meer gebruikt. Ondanks deze verschuiving spelen kwantitatieve methoden nog steeds een belangrijke rol in sociaal onderzoek. In de praktijk hebben beide strategieën veel te bieden. Welke wordt gekozen hangt mede af van de doeleinden van het onderzoek.

    Kwantitatief onderzoek heeft betrekking op de verzameling van numerieke data en heeft de volgende kenmerken:

    • Deductieve benadering van de relatie tussen theorie en onderzoek (theorie komt eerst, is de drijfveer van het onderzoek);

    • Voorkeur voor de natuurwetenschappelijke benadering (met name het positivisme);

    • Objectivistische voorstelling van de sociale realiteit (sociale verschijnselen en hun betekenis bestaan onafhankelijk van sociale actoren). 

    De belangrijkste methoden voor dataverzameling zijn:

    • Vragenlijsten en enquêtes;

    • Kwantitatieve inhoudsanalyse (evaluatie van documenten en teksten);

    • Secundaire data-analyse (evaluatie van data die al eerder verzameld is door anderen);

    • Gestructureerde observatie (systematische observatie en rapportage).

    Je moet ervan bewust zijn dat kwantitatieve methoden continu evolueren en er geregeld nieuwe methoden worden ontwikkeld. Ook zijn onderzoekers niet beperkt tot het gebruik van één methode, vaak is er sprake van een multi-methode onderzoek.

    Dankzij technologische innovaties kunnen verschillende soorten statistische analyses worden uitgevoerd met behulp van software. Er is ook veel software voor het creëren van vragenlijsten en enquêtes en het verzamelen en analyseren van data. Dit heeft het doen van kwantitatief onderzoek een stuk eenvoudiger gemaakt. Daarnaast zijn er nieuwe mogelijkheden bijgekomen wat betreft secundaire data-analyse door de opkomst van 'Big Data' (afkomstig uit bronnen die zo omvangrijk zijn, zoals social media, dat ze niet verwerkt en geanalyseerd kunnen worden met conventionele methoden. 

    Wat zijn de belangrijkste bezigheden van kwantitatieve onderzoekers?

    Kwantitatieve onderzoekers houden zich bezig met vier zaken:

    1. Doen van metingen.

    2. Causaliteit. Uitleg vormt een belangrijk onderdeel van kwantitatief onderzoek. Kwantitatieve onderzoekers leggen de focus niet op beschrijven hoe dingen zijn, maar willen verklaren waarom dingen zijn zoals ze zijn. Door te werken met onafhankelijke en afhankelijke variabelen kunnen oorzaken en gevolgen ontdekt worden. Causaliteit houdt verband met interne validiteit.

    3. Generaliseerbaarheid. Kunnen de bevindingen gegeneraliseerd worden in een andere context? Met andere woorden: heeft het onderzoek voldoende externe validiteit? Of een representatieve groep generaliseerbaar is, wordt bepaald met behulp van een kanssteekproef (willekeurige selectie). Met name onderzoekers die gebruikmaken van cross-sectioneel en longitudinaal onderzoek focussen zich op generaliseerbaarheid. 

    4. Herhaalbaarheid (recipleerbaarheid). Om de invloed van vooroordelen en waarden van een onderzoeker te beperken, repliceren wetenschappers elkaars experimenten. Als de resultaten keer op keer niet gerepliceerd kunnen worden, is de validiteit ervan discutabel. Onderzoekers zijn daarom erg expliciet over de procedures die ze gevolgd hebben. Repliceren is belangrijk, maar is niet gebruikelijk in sociale en natuurwetenschappen. Het is vaak lastig om te verzekeren dat de voorwaarden precies dezelfde zijn als in de originele studie. 

    Wat zijn de belangrijkste stappen in kwantitatief onderzoek?

    Het proces van kwantitatief onderzoek bevat 12 stappen:

    1. Verdiepen in de theorie/literatuur (deductieve benadering)

    2. Formuleren van onderzoeksvragen

    3. Hypothese(s)

    4. Kiezen van onderzoeksdesign

    5. Creëren van indicatoren om concepten te meten (operationalisatie)

    6. Kiezen van een onderzoekslocatie

    7. Werven van respondenten

    8. Data verzamelen (gebruik onderzoeksinstrumenten)

    9. Data verwerken

    10. Data analyseren

    11. Bevindingen/conclusies

    12. Verslag uitbrengen van de bevindingen/conclusies.

    Hypotheses komen vooral voor in experimenteel onderzoek, maar ook in surveyonderzoek (meestal gebaseerd op het cross-sectionele ontwerp).

    Wat zijn concepten en hoe worden ze gemeten?

    Concepten zijn de bouwstenen van de theorie. Een voorbeeld van een concept is bijvoorbeeld ‘gezonde levensstijl’ of ‘cultuur’. Volgens Bulmer (1984) zijn concepten categorieën voor de organisatie van ideeën en observaties. Een concept kan een verklaring bieden voor een bepaald fenomeen of ze kunnen staan voor dingen die we juist willen verklaren. Er zijn drie belangrijke redenen voor het gebruik van meetinstrumenten/metingen:

    1. Met behulp van meetinstrumenten kunnen kleine individuele verschillen naar voren komen. Grove verschillen zijn makkelijker te herkennen, maar de fijne verschillen moeten getest worden alvorens ze herkend kunnen worden.

    2. Meetinstrumenten zorgen voor consistentie. Een meetinstrument is een maatstaf waardoor er een consistente meting over tijd kan plaatsvinden en er consistentie bestaat tussen onderzoekers onderling.

    3. Metingen zijn de basis voor preciezere schattingen van de aard van de relatie tussen concepten (door bijvoorbeeld correlatie). Als we werktevredenheid en de concepten waarmee het gerelateerd kan zijn (zoals stressgerelateerd verzuim) testen, kunnen we preciezere schattingen geven van de aard van de relatie.

    Om het concept te kunnen meten is een operationele definitie van het concept nodig: een indicator (of meerdere) die het concept goed representeert. Indicatoren kunnen bestaan uit een vraag of meerdere vragen (door een gestructureerd interview), gedrag (door gestructureerde observatie), officiële statistieken of door een uitvoerige analyse van media inhoud (inhoudsanalyse).

    Het gebruik van meerdere indicatoren (‘multi-indicatoren meting’) van een concept is nuttig als een enkele indicator niet de hele lading dekt. Ook is het nuttig als jij als onderzoeker specifieke verschillen wilt vinden. Een voorbeeld van zo’n meting is de Likert-schaal. Deze wordt gebruikt om de intensiteit van gevoelens te meten. Doorgaans bestaat deze methode uit een reeks stellingen over een bepaald thema en wordt aan respondenten gevraagd aan te geven in hoeverre zij het eens zijn met een stelling (meestal een schaal van 1 tot 5: van sterk oneens tot sterk eens). De scores worden bij elkaar opgeteld tot een totaalscore. Hieruit kan bijvoorbeeld blijken dat jongere of vrouwelijke respondenten hogere scores hadden dan oudere of mannelijke. De stellingen moeten met hetzelfde onderwerp te maken hebben en onderling verbonden zijn.

    In veel of zelfs het meeste kwantitatieve onderzoek wordt gebruikgemaakt van een enkele indicator. Dit is het meest adequaat. Er wordt vaak ten onrechte beweerd dat een enkele indicator tekort zou schieten: zolang de meting zowel betrouwbaar als een valide representatie van het te meten concept is, is het een geschikte methode.

    Wanneer voldoen metingen aan de vereisten van betrouwbaarheid en validiteit?

    De betrouwbaarheid is fundamenteel afhankelijk van de consistentie van de metingen. Deze consistentie wordt geanalyseerd door te kijken naar de stabiliteit (vaak getest door de test-hertest methode), interne betrouwbaarheid (meestal getest met Cronbach’s alfa) en inter-beoordelaar consistentie. Cronbach’s alfa is een test waarbij het gemiddelde van alle mogelijke ‘split-half’ betrouwbaarheidscoëfficiënten wordt berekend. Dit cijfer varieert tussen 1 (perfecte interne betrouwbaarheid) en 0 (geen interne betrouwbaarheid). De vuistregel is dat een waarde van 0.80 een acceptabele interne betrouwbaarheid weergeeft.

    De validiteit heeft betrekking op de vraag of een meting van een concept werkelijk dat concept meet. In dit hoofdstuk wordt de term validiteit gebruikt voor hetzelfde wat in hoofdstuk 4 ‘measurement validity’ werd genoemd en moet daarom onderscheiden worden van de andere vormen van validiteit die daar aan bod zijn gekomen. Om de ‘measurement validity’ te meten moeten de volgende aspecten bekeken worden:

    • ‘Face validity’ (indruksvaliditeit): lijkt de meting op het eerste gezicht te meten wat het moet meten?

    • ‘Concurrent validity’ (gelijktijdige validiteit): een meting wordt gerelateerd aan een criterium waarop mensen (of andere ‘cases’) verschillen en relevant is voor het concept. Bij het onderzoeken van de werktevredenheid kan bijvoorbeeld naar het verzuim gekeken worden. Twee metingen op hetzelfde moment in tijd worden met elkaar vergeleken.

    • Voorspellende validiteit: een meting wordt niet gerelateerd aan een huidig criterium (huidig verzuim), maar naar een toekomstig criterium (toekomstig verzuim). Wat is de voorspellende waarde van de meting op moment x voor de meting op moment y?

    • Constructvaliditeit (begripsvaliditeit): hoe goed voldoet de meting aan de theoretische verwachtingen? In de praktijk wordt deze validiteit zelden in overweging genomen. 

    • Convergente validiteit: in hoeverre meten andere meetinstrumenten (die bedoeld zijn om hetzelfde concept te meten) hetzelfde? De meting wordt hier vergeleken met andere, soortgelijke metingen.

    Welke kritiek wordt geuit op kwantitatief onderzoek?

    Vier veelgehoorde kritiekpunten zijn:

    1. Kwantitatieve onderzoekers erkennen niet dat mensen en sociale instituties anders zijn dan andere onderwerpen in de wereld. Sociale wetenschappers gebruiken immers vaak een natuurwetenschappelijk model voor het bestuderen van de sociale realiteit: vooral fenomenologen beschuldigen sociale wetenschappers ervan om verschillen tussen de sociale wereld en de natuurkundige wereld te negeren.

    2. Het meetproces is kunstmatig. Hier is Cicourel’s (1964) notie van ‘metingen door goedkeuring’ (‘measurement by fiat’) van toepassing waarbij gesteld wordt dat het verband tussen de metingen en de concepten gebaseerd is op aannames. Manieren om de validiteit te meten lossen dit probleem niet op, omdat deze testen ook ‘metingen door goedkeuring’ zijn.

    3. Het gebruik van de instrumenten en procedures staat in de weg van het bestuderen van de werkelijke relatie tussen onderzoek en het alledaagse sociale leven. Dit kritiekpunt refereert naar (het gebrek aan) ecologische validiteit. 

    4. De analyse van de relaties tussen variabelen creëert het gevoel dat we leven in een statische sociale wereld die afgescheiden is van de individuen die samen die wereld vormen. Dit kritiekpunt houdt verband met het eerste en derde punt. 

    Daarnaast bestaat er ook feministische kritiek. Sommige feministische onderzoekers geven de voorkeur aan kwalitatief onderzoek, omdat zij hebben gemerkt dat een kwantitatieve benadering botst met feministische waarden. Kwantitatief onderzoek zou gelinkt zijn aan 'mannelijke' controle wat resulteert in een ongelijkwaardige verhouding tussen onderzoeker en subject van het onderzoek. Anderen geven juist de voorkeur aan kwantitatief onderzoek, omdat de meeste academici dit als objectief beschouwen. Het gebruik ervan zorgt voor een overtuigender onderzoek. Ook wordt tegenwoordig steeds meer erkend dat kwantitatief onderzoek nuttig en acceptabel kan zijn, vooral als dit gecombineerd wordt met kwalitatief onderzoek. Vandaag de dag maken veel feministische onderzoekers dan ook gebruik van de gemengde onderzoeksmethoden strategie.

    Welke inconsistenties bestaan er tussen theorie en praktijk?

    Een van de problemen van het kenmerken van onderzoeksstrategieën, onderzoeksontwerpen en onderzoeksmethoden is dat we de neiging hebben een ideaalplaatje te schetsen van (de volgorde van) de te nemen stappen, terwijl een onderzoeksproces in de praktijk niet zo verloopt. Het standaardmodel van een onderzoeksproces hoeft ook niet strikt opgevolgd te worden. Theorie (ideaalmodel) en praktijk (daadwerkelijke onderzoek) vertonen diverse inconsistenties. Een voorbeeld betreft 'omgekeerd operationalisme'. Het ideaalmodel impliceert dat concepten zijn gespecificeerd en dat metingen en indicatoren op basis daarvan worden ontwikkeld. Dit is de basisgedachte van operationalisme (deductieve benadering). In deze visie wordt te weinig aandacht besteed aan de inductieve elementen van metingen. Soms zijn metingen ontwikkeld die op hun beurt bijdragen aan de totstandkoming van een concept.

    Een andere inconsistentie kan ontstaan wanneer onderzoekers niet alle aanbevolen praktijken rapporteren. Schrijvers van sociaal onderzoek brengen zelden verslag uit over de testen van de stabiliteit van hun metingen en het bewijs van validiteit. Meestal worden de procedures voor het bepalen van de stabiliteit en validiteit achterwege gelaten vanwege tijd en kosten. Ze hebben de neiging zich drukker te maken om inhoudelijke kwestie dan de meetkwaliteit. Dit geldt ook voor steekproeven. Een goede praktijk wordt geassocieerd met willekeurige of kanssteekproeven. Het meeste onderzoek is echter gebaseerd op selecte steekproeven.

    Access: 
    Public
    Hoe worden steekproeven gebruikt in kwantitatief onderzoek? - Chapter 8

    Hoe worden steekproeven gebruikt in kwantitatief onderzoek? - Chapter 8

    In dit hoofdkijk bekijken we de rol van steekproeven (sampling) in het kader van surveyonderzoek. 'Sampling' betreft het selecteren van individuen voor deelname aan onderzoek. Steekproeven kunnen ook voorkomen in andere vormen van kwantitatief onderzoek (bijvoorbeeld bij het selecteren van documenten voor een inhoudsanalyse) en vereist zijn in kwalitatief onderzoek. Hoe selecteer je participanten die je vragen wilt stellen door middel van een vragenlijst of interview?

    De stappen van surveyonderzoek:

    1. De kwestie die je wilt onderzoeken identificeren

    2. Theorie- en literatuuronderzoek

    3. Onderzoeksvragen formuleren

    4. Overweeg of een sociale survey gepast is (zo niet, kies een ander onderzoeksontwerp)

    5. Overweeg welk soort populatie gepast is en welke steekproef gebruikt zal worden

    6. Zoek uit of er een steekproefkader is dat gebruikt kan worden en bepaal de steekproefgrootte

    7. Bepaal de wijze van uitvoering

    8. Ontwikkel vragen en beoordeel de indruksvaliditeit (face vailidity)

    9. Doe een pilot met de vragen en herzie de vragen indien nodig

    10. Leg de vragen voor aan de geselecteerde personen

    11. Stuur de personen die nog niet hebben geantwoord minstens één keer een reminder

    12. Zet de voltooide vragenlijsten om in 'computertaal' (coderen)

    13. Data-analyse en interpreteren van de bevindingen, overweeg welke gevolgen deze hebben voor de onderzoeksvragen

    Stappen 5, 6 en en 11 zijn 'sampling' stappen. 

    Wat zijn steekproeven?

    Als je het gedrag, de houding of achtergrond van individuen wilt onderzoeken en daarvoor nieuwe data wilt verzamelen, kun je gestructureerde interviews afnemen of vragenlijsten versturen. Voordat je deze gaat ontwerpen, moet je nadenken over het 'sampling' proces. Een sample (geselecteerde deel van de populatie dat je gaat onderzoeken) is idealiter een klein, representatief deel van een groter geheel of populatie. Hier wordt gebruik van gemaakt als de totale populatie die aan je onderzoekscriteria voldoet te groot is. Je wilt bijvoorbeeld onderzoek uitvoeren onder universiteitsstudenten, maar jouw universiteit heeft er ruim 10.000. Vaak ontbreken de tijd en middelen om deze allemaal te ondervragen.

    Als je generaliseerbaarheid van de resultaten (voorspellingen doen over een ruimere populatie dan je sample) nastreeft, moet je sample representatief zijn: de populatie zodanig vertegenwoordigen dat het een soort miniatuurpopulatie is met dezelfde kenmerken.

    Een steekproef heeft niet alleen betrekking op primaire data (data door de onderzoeker zelf verzameld), maar ook op secundaire data. Je moet nagaan hoe de andere onderzoeker de selectie heeft gedaan en welke gevolgen dit heeft voor jouw gebruik van de data. 

    Een 'biased sample' (bevooroordeelde steekproef) doet zich voor wanneer sommige leden van de populatie weinig of geen kans hebben om geselecteerd te worden. Je moet eventuele bias zo goed als mogelijk verwijderen uit je selectieproces. Het helemaal voorkomen is erg lastig, maar het nemen van bepaalde stappen kan het wel minimaliseren. Drie bronnen van een steekproef bias:

    1. Non-respons (sommige leden weigeren deel te nemen of reageren niet, wat kan zorgen voor een niet-representatieve steekproef).

    2. Een inadequaat steekproefkader (een steekproef die niet uitgebreid of accuraat genoeg is kan de gehele populatie niet representeren). 

    3. Het gebruik van een niet-waarschijnlijkheidssteekproef (onwillekeurige methode). Als de selectiemethode niet willekeurig is, is het aannemelijk dat een menselijk oordeel van invloed is op het selectieproces (sommige leden van de populatie hebben meer kans om geselecteerd te worden). Dit kan voorkomen worden door het gebruik van een kanssteekproef (ook wel: willekeurige steekproef). 

    In sommige gevallen kunnen onderzoekers problemen met bias oplossen door 'weging' ('weighting'). Vaak is een steekproef geen mininatuurversie van de populatie door non-repons. Sommige groepen zijn daardoor onder- of overgerepresenteerd. Weging is een statistische aanpassingsmethode. Elke respondent krijgt een bepaald gewicht toegekend: de ondergerepresenteerde een cijfer groter dan 1 en een overgepresenteerde kleiner dan 1. Dit verbetert de nauwkeurigheid van de verzamelde data. 

    Welke fouten komen voor in steekproeven?

    Stel, we hebben een populatie van 200 personen en willen een steekproef van 50 personen. Een variabele is of mensen talkshows kijken. De populatie is gelijkelijk verdeeld in mensen die hier wel en niet naar kijken. De steekproef is representatief wanneer deze 50 personen ook gelijkelijk zijn verdeeld. Er is sprake van een kleine steekproeffout wanneer er in verhouding twee mensen meer zijn die wel talkshows kijken (en dus twee niet-kijkers minder zijn). Er is sprake van een behoorlijke fout (overrepresentatie) wanneer de verdeling 35 om 15 is.

    Ook in geval van waarschijnlijkheidssteekproeven kan een steekproeffout voorkomen. De kans hierop is wel een stuk kleiner. ‘Errors’ zijn onder te verdelen in twee categorieën:

    1. ‘Sampling error’ (steekproeffout): fout in de onderzoeksresultaten vanwege een verschil tussen de steekproef en de populatie. De fout is niet het gevolg van onzorgvuldigheid, maar van de gebruikte selectiemethode. 

    2. ‘Non-sampling error’: fout in de onderzoeksresultaten door verschillen tussen de populatie en de steekproef die voortkomen uit tekortkomingen in de benadering (inadequaat steekproefkader of non-respons) of door een slechte vraagstelling, interviewstijl of foutieve dataverwerking).

    Wat zijn waarschijnlijkheidssteekproeven ('probability samples')?

    Stel, je bent geïnteresseerd in het alcoholgebruik onder (fulltime) universiteitsstudenten en wilt de variabelen die gerelateerd zijn aan de verschillen in drinkniveaus onderzoeken. Je doet onderzoek binnen één universiteit. Populatie: alle studenten van die universiteit. De resultaten zijn dus alleen te generaliseren naar die studenten. Je kunt niet aannemen dat het alcoholgebruik onder andere universiteitsstudenten hetzelfde is. Er zijn 6.000 fulltime studenten. Je kunt kiezen uit vier typen waarschijnlijkheidssteeksproeven:

    1. De simpele willekeurige steekproef.

    2. De systemstische steekproef.

    3. De gestratificeerde (willekeurige) steekproef.

    4. Multilevel clustersteekproef (getrapte steekproef).

    De basisvorm van een waarschijnlijkheidssteekproef is de simpele willekeurige steekproef waarbij elke unit in de populatie een even grote kans heeft om deel uit te maken van de steekproef. Deze kans wordt uitgedrukt in de zogenoemde steekproeffractie en wordt geformuleerd als: n / N (n is de steekproefgrootte en N de populatiegrootte). Dus: als je 300 studenten wilt ondervragen van de totaal 6.000 studenten, is de steekproeffractie (300/6000) 1 op 20. De stappen die hier opgevolgd moeten worden zijn als volgt: bepaal de populatie (N), in dit geval 6.000 fulltime studenten. Creëer een steekproefkader (gebruik de gegevens van de universiteit en de selectiecriteria zodat parttime studenten buiten het onderzoek blijven). Bepaal vervolgens je steekproefgrootte (n), in dit geval 300. Geef al de studenten uit je steekproefkader een nummer van 1 tot N (6.000) en gebruik een tabel met willekeurige cijfers of een computerprogramma waarmee je n aantal (300) studenten selecteert. De 300 willekeurige nummers vormen je steekproef. Hierdoor is bijna geen kans op menselijke bias en het proces is niet afhankelijk van de beschikbaarheid van studenten. Dit soort waarschijnlijkheidssteekproef wordt als het meest betrouwbaar en eenvoudig gezien, maar soms kiezen onderzoekers voor een systematische procedure.

    Een variatie op de simpele willekeurige steekproef is de systematische steekproef. Hierbij selecteer je units direct uit het steekproefkader, dus zonder ze een willekeurig nummer toe te kennen. De gekozen steekproefgrootte betekent dat we 1 op de 20 studenten selecteren. We kiezen een willekeurig nummer tussen de 1 en 20 als startpunt en daarna de volgende met een interval van 20. Dus als je nummer 7 hebt gekozen, dan is je volgende nummer 27, daarna 47 etc. Door deze procedure hoef je niet aan alle studentnamen nummers toe te kennen en vervolgens de namen op te zoeken van de getrokken nummers. Je moet echter verzekeren dat het kader geen ordening van studenten bevat (bijvoorbeeld als de eerste 150 studenten allemaal hetzelfde vak volgen). 

    In geval van een gestratificeerde willekeurige steekproef worden leden willekeurig geselecteerd uit een populatie die opgedeeld is in categorieën ('strata'). Hiervoor kun je kiezen als je bijvoorbeeld wilt dat de studenten de verschillende faculteiten proportioneel vertegenwoordigen. De studierichting kan van invloed zijn op relevante gedragskenmerken. Het is dus mogelijk om de populatie te selecteren op basis van een criterium, in dit geval was dat studenten die een bepaalde studierichting volgen. Vervolgens kan uit die populatie een simpele willekeurige steekproef of een systematische steekproef worden genomen. Twee punten zijn relevant. Ten eerste is het gebruik van deze methode alleen verstandig als het eenvoudig is om de 'strata' te identificeren en personen hiernaar te verdelen. Als je nationaliteit als criteria wilt, moet je wel toegang tot deze informatie hebben. Ten tweede is het zo dat je meerdere stratificerende factoren kunt gebruiken, bijvoorbeeld faculteit en geslacht. 

    Als we een nationale steekproef van studenten willen (van bijvoorbeeld n is 5.000), kunnen we gebruikmaken van een clustersteekproef. Het nadeel van een nationale of andere wijdverspreide steekproef, is dat onderzoekers het hele land door zouden moeten reizen voor het ondervragen van studenten. Bij cluster ‘sampling’ wordt eerst geclusterd (groepen van personen die geselecteerd zijn op basis van een waarschijnlijkheidssteekproef, in dit geval per universiteit). De onderzoeker trekt vervolgens steekproeven uit deze clusters. Zo kan een steekproef worden getrokken uit alle universiteiten en vervolgens een steekproef uit de studenten van elke geselecteerde universiteit. Er kunnen willekeurig 10 universiteiten worden getrokken (10 clusters) en hiervan worden 500 willekeurig geselecteerde studenten ondervraagd. Die universiteiten kunnen ver uit elkaar liggen, dus het is ook mogelijk om universiteiten onder te verdelen in regio's en een steekproef te trekken van twee regio's. Uit elke regio kunnen vijf universiteiten worden getrokken en vervolgens 500 studenten. Dit is een drietrapssteekproef. Veel multi-level steekproeven maken gebruik van stratificatie, denk aan 'oude', 'nieuwe' of 'technische' universiteiten.

    Hoe worden resultaten van een willekeurige steekproef gegeneraliseerd?

    De belangrijkste reden om gebruik te maken van een waarschijnlijkheidssteekproef betreft de generaliseerbaarheid van de onderzoeksdata. Dit betekent niet dat de steekproefdata en de populatiedata gelijk moeten worden behandeld.

    Stel, we kijken naar het alcoholgebruik onder universiteitsstudenten en kiezen een steekproef van 450 studenten. We verzamelen informatie over het aantal alcoholische units dat de afgelopen zeven dagen is geconsumeerd en berekenen het gemiddelde. Dit gemiddelde kan gebruikt worden om het gemiddelde van de hele populatie te schatten, rekening houdend met foutmarges. Stel, het gemiddelde in de steekproef is 9.4 units. Hoe zeker kunnen we zijn dat dit gemiddelde ook zal worden gevonden in de hele populatie, ondanks dat een waarschijnlijkheidssteekproef is gebruikt? Als we een oneindig aantal verschillende steekproeven nemen, zullen de resultaten verschillen. Dit kan worden weergegeven door middel van een curve die eruitziet als een kerstklok ('normale distributie'). De meeste resultaten concentreren zich in het midden hiervan, met aan elke zijde de afwijkende resultaten. Data inzake gewicht of lengte bevinden zich meestal in het midden, omdat veel mensen rond de gemiddelde lengte zitten en slechts enkele bijzonder lang of kort zijn. De verschillen in steekproefgemiddelden wordt gemeten door de 'standaardfout van het gemiddelde'. Dit is het geschatte aantal dat een steekproefgemiddelde zal verschillen van het populatiegemiddelde. Hoe groter de steekproef, hoe kleiner de standaardfout. Volgens steekproeftheorie ligt 68% van alle steekproefgemiddelden ongeveer 1.00 standaardfout van het populatiegemiddelde. 95% van alle steekproefgemiddelden ligt ongeveer +1.96 of -1.96 standaardfouten van het populatiegemiddelde. Als het gemiddelde alcoholgebruik 9.4 units is en de standaardfout van het gemiddelde 1.2, dan weten we voor 95% zeker dat het populatiegemiddelde ligt tussen 9.4 + (1.96 x 1.2) = 11.75 en 9.4 - (1.96 x 1.2) = 7.05.

    Welke soorten ‘non-probability’ steekproeven zijn er?

    Non-probability steekproeven omvatten alle steekproeven die worden uitgevoerd zonder gebruik te maken van willekeurige toewijzing. Één van deze soorten, de quotasteekproef, is volgens sommige onderzoekers even nauwkeurig als een waarschijnlijkheidssteekproef. Twee andere soorten steekproeven die we bespreken zijn de ‘convenience’ steekproef (gemakssteekproef) en de sneeuwbalsteekproef.

    Wat is een gemakssteekproef?

    Een ‘convenience’ steekproef is een steekproef geselecteerd op basis van de toegankelijkheid voor de onderzoeker (bijv. een steekproef waarvan de respondenten allemaal uit dezelfde klas komen als jij). Het probleem met deze steekproefstrategie is dat de gegevens per definitie niet generaliseerbaar zijn. De groep studenten was toevallig beschikbaar, maar zal niet representatief voor alle studenten zijn. Het voordeel is natuurlijk dat deze manier van steekproef trekken geschikt (niet ideaal) kan zijn als een pilot. Het uitvoeren van de steekproef met een groep die geen onderdeel zal zijn van de hoofdstudie kan handig zijn voor het uitbrengen van een voorlopige analyse. Daarnaast kan voor deze strategie worden gekozen als zich een zeldzame kans voordoet om data te verzamelen. Je hebt plots toegang tot een populatie die normaliter lastig te bereiken is en wilt deze mogelijkheid niet voorbij laten gaan. Alhoewel dit geen definitieve data oplevert (want niet generaliseerbaar), kan het wel een springplank vormen voor verder onderzoek of verbanden leggen tussen bestaande resultaten. Deze steekproef wordt regelmatig gebruikt in organisatiestudies, omdat waarschijnlijkheidssteekproeven veel voorbereiding en kosten met zich mee brengen.

    Wat is een sneeuwbalsteekproef?

    Een sneeuwbalsteekproef is wat bepaalde aspecten betreft een vorm van een gemakssteekproef, maar in dit geval legt de onderzoeker contact met een kleine groep mensen die relevant zijn voor het onderzoeksgebied en gebruikt hen om contacten met anderen te leggen. Het probleem is dat de steekproef vaak niet representatief is voor de populatie. Dit type steekproef wordt bijna nooit binnen de kwantitatieve onderzoeksstrategie gebruikt, maar wel binnen de kwalitatieve strategie omdat daarbij minder zorgen bestaan omtrent de externe validiteit en generaliseerbaarheid. In kwalitatief onderzoek heeft een doelgerichte steekproef de voorkeur (selecteren van mensen die het beste passen bij de vereisten van de studie op basis van vooraf gedefinieerde kenmerken). Er is een betere ‘fit’ tussen sneeuwbalsteekproeven en doelgerichte steekproeven in vergelijking met de statistische steekproeven waarvoor kwantitatieve onderzoekers kiezen. Dit wilt niet zeggen dat sneeuwbalsteekproeven niet relevant zijn voor kwantitatief onderzoek. Als een onderzoeker zich bijvoorbeeld focust op relaties tussen mensen, is het opsporen van connecties via een sneeuwbalsteekproef beter geschikt dan de gebruikelijke waarschijnlijkheidssteekproef. 

    Wat is een quotasteekproef?

    Een quotasteekproef komt zelden voor in academisch sociaal onderzoek. Het wordt meestal gebruikt in marktonderzoek en politieke opiniepeilingen. Een quotasteekproef is een steekproef waarbij de respondenten worden gekozen op basis van een quota, bijvoorbeeld: de steekproef moet negen mannen van 65+ hebben met minimaal een afgerond HBO diploma (waarbij het geslacht, de leeftijd en de opleiding allemaal een apart quota zijn). Op deze manier wordt een steekproef verkregen die de populatie representeert in termen van de relatieve verhoudingen tussen mensen in bepaalde categorieën, zoals geslacht, leeftijd, sociaaleconomische klasse etc. Dit lijkt op een gestratificeerde steekproef, maar in geval van een quotasteekproef worden de personen niet willekeurig geselecteerd. De keuze voor de uiteindelijke respondenten in de steekproef is helemaal afhankelijk van de onderzoeker.

    ​​​​​Enkele kritiekpunten:

    1. De steekproef is niet representatief (ondanks de quota’s), omdat de onderzoeker uiteindelijk zelf kiest wie wel en wie niet deelneemt op basis van bijvoorbeeld hoe vriendelijk iemand is;

    2. Hierop aansluitend gebruikt de onderzoeker vaak personen in zijn omgeving en mensen die parttime werken zijn toegankelijker voor de onderzoeker (die van deur tot deur gaat).

    3. Ook maakt de onderzoeker soms foutieve aannames met betrekking tot de persoon in verhouding tot de quota’s (zoals leeftijd) waardoor besloten wordt om iemand niet te ondervragen;

    4. Er kan geen standaardfout van het gemiddelde worden berekend.

    Deze manier van steekproef trekken heeft ook voordelen: het is goedkoper en sneller dan een survey en is makkelijker te managen (de respondenten hoeven bijvoorbeeld niet teruggebeld te worden wanneer ze de eerste keer niet beschikbaar waren).

    Hoe bepaal je de steekproefgrootte?

    De grootte van de steekproef is afhankelijk van meerdere factoren. Allereerst moet in het achterhoofd gehouden worden dat de absolute grootte van de steekproef belangrijker is dan de relatieve steekproefgrootte: een steekproef van 1000 respondenten in de VS is even valide als een steekproef van 1000 in Nederland. Daarnaast wordt de waarschijnlijke precisie van de steekproef groter naarmate de steekproefgrootte groter wordt, omdat de ‘sampling error’ kleiner wordt. De mate van ‘sampling error’ die de onderzoeker tolereert in het onderzoek bepaalt dus mede de steekproefgrootte. 

    Daarnaast zijn tijd en kosten belangrijke aspecten om rekening mee te houden. Bij het samenstellen van een steekproef moet ook gelet worden op de verwachte non-respons en de heterogeniteit of homogeniteit van de populatie (bij een sterk heterogene populatie zal een grotere steekproef nodig zijn om de populatie te representeren). Ten slotte speelt de manier van data-analyse mee, aangezien voor sommige soorten data-analyse een grotere steekproef is vereist (hoe meer vergelijkingen je wilt maken tussen groepen, hoe groter de steekproef moet zijn).

    Welke problemen doen zich voor bij steekproeven in online surveys?

    In de laatste decennia is het gebruik van online surveys enorm toegenomen. In de context van steekproeven levert dit enkele uitdagingen op. Zo is niet iedereen in elke natie online actief. Problemen voor de onderzoeker zijn:

    • Veel mensen hebben meerdere e-mailadressen (het is belangrijk dat iemand slechts eenmalig deelneemt).

    • Binnen een huishouden wordt apparatuur waarmee je online kunt gaan soms door meerdere personen gebruikt (het is belangrijk dat de juiste persoon reageert).

    • Internetgebruikers worden gezien als een biased steekproef (zijn meestal hoger opgeleid, welvarender, jonger en niet representatief wat betreft etniciteit).

    • Er zijn erg weinig steekproefkaders voor de algemene online populatie en het is kostbaar om deze te verkrijgen.

    Deze kwesties bemoeilijken de mogelijkheid om online surveys uit te voeren met gebruikmaking van waarschijnlijkheidssteekproeven, maar het blijft een erg nuttige steekproefmethode en soms zijn de problemen te omzeilen. Als je bijvoorbeeld een online survey wilt voorleggen aan studenten, kun je deze sturen naar de universitaire e-mailadressen.

    De meest voorkomende vorm van online surveys die gebaseerd zijn op waarschijnlijkheidssteekproeven betreft het online panel dat vooraf gerekruteerd is. Deze groep personen heeft vooraf toegestemd deel te zullen nemen aan online surveys. Een onderzoeker is zo geen tijd kwijt aan het werven van personen. Het nadeel ervan is dat leden die al langer deelnemen aan het panel anders kunnen reageren dan nieuwe leden.

    Daarnaast is bewezen dat online surveys minder reacties opleveren (non-respons) dan schriftelijke vragenlijsten die per post worden verzonden. Je kunt de respons boosten door van te voren contact op te nemen met potentiële respondenten, degenen die nog niet hebben gereageerd een reminder te sturen of te zorgen voor een prikkel (toegang tot de resultaten, vouchers, een prijsverloting etc.). Andere factoren die deelname beïnvloeden zijn de interesse voor het onderwerp, de tijd die nodig is voor het invullen van de online survey en de hoeveelheid open vragen. Als respondenten kunnen zien hoe ver zij zijn in de vragenlijst, is de kans op afronding groter. Een 'mixed mode' survey is in de praktijk de standaard. Als potentiële respondenten de survey op meerdere manieren kunnen invullen, is de kans op een goede respons groter (denk aan toegang tot de survey op de mobiele telefoon).

    Als er geen steekproefkader bestaat, kan een geschikte steekproef worden gegenereerd door een uitnodiging tot deelname aan een vragenlijst te plaatsen op een relevant prikbord, deze te mailen naar geschikte mailingslijsten of te delen op websites of social media kanalen.

    Welke beperkingen zijn er omtrent de generaliseerbaarheid?

    Los van de methode die gebruikt is voor het verzamelen van data en het trekken van een steekproef, zijn onderzoeksresultaten alleen van toepassing op de populatie waar de steekproef uit genomen is (generaliseerbaarheid). Beperkingen om rekening mee te houden: zijn de bevindingen te generaliseren buiten de stad of het land waarin ze verkregen zijn (invloed van cultuur en gewoontes)? Zijn bevindingen van vroeger vandaag de dag nog geldig (invloed van verleden en heden)?

    Terugkijkend naar het voorbeeld over alcoholgebruik onder universiteitsstudenten, zijn de resultaten alleen van toepassing op die universiteit en niet op andere universiteiten. Er zijn meerdere factoren die invloed kunnen hebben op de drinkgewoonten van studenten (aantal cafés in de omgeving, cultuur op de universiteit, besteedbaar inkomen van de studenten etc.). Daarnaast kan de generaliseerbaarheid ook beperkt worden door een tijdslimiet van de bevindingen. Het alcoholgebruik onder studenten in 1970 is nu niet meer relevant.

    Welke fouten doen zich voor in surveyonderzoek?

    1. ‘Sampling error’ (steekproeffout, doet zich voor omdat het extreem onwaarschijnlijk is dat de onderzoeker met een werkelijk representatieve steekproef komt, zelfs wanneer ‘probability sampling’ wordt gebruikt).

    2. ‘Data-collection error’ komt door fouten in het dataverzamelingproces (bijvoorbeeld een slechte vraagstelling, slechte interviewtechnieken of gebreken in het gebruik van de onderzoeksinstrumenten).

    3. ‘Data-processing error’ komt door het foutief managen (vooral coderen) van de data.

    Access: 
    Public
    Wat houdt gestructureerd interviewen in? - Chapter 9

    Wat houdt gestructureerd interviewen in? - Chapter 9

    Interviews vormen een populaire dataverzamelingsstrategie in zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek. Er zijn veel verschillende typen. In kwantitatief sociaal onderzoek is het gestructureerde interview het meest voorkomend. 

    Wat is een gestructureerd interview?

    Het gestructureerde interview is één van de twee voornaamste meetinstrumenten binnen een surveyonderzoek en binnen kwantitatief onderzoek in het algemeen. Dit type interview wordt ook wel een gestandaardiseerd interview genoemd. Er wordt gebruikgemaakt van een interviewschema: een verzameling vragen voor de interviewer. Het doel is dat alle geïnterviewden precies dezelfde vorm van ondervraging ervaren. De vragen moeten precies dezelfde bewoordingen bevatten in dezelfde volgorde. De formulering van de vooraf vastgestelde vragen is erg specifiek en vaak kunnen geïnterviewden kiezen uit een aantal vaste antwoorden (dit is dan een gesloten, ‘pre-coded’ of ‘fixed choice’ vraag).

    Wat zijn de voordelen van het gestructureerde interview?

    Het grootste voordeel is dat zowel het stellen van vragen als het vastleggen van antwoorden gestandaardiseerd kan worden, waardoor (1) de kans op een ‘error’ als gevolg van variabiliteit tussen interviewers verminderd wordt en (2) het verwerken van de antwoorden makkelijker en accuraat is.

    Met betrekking tot (1): de meeste variabelen hebben een element van ‘error’ (slecht verwoorde vraag, verkeerde interviewstijl, onbegrip aan de zijde van de geïnterviewde, manier van dataverwerking etc.). Interviewer variabiliteit kent twee verschijningsvormen: intra-interviewer variabiliteit (een enkele interviewer is inconsistent in de wijze van vragen stellen en/of antwoorden vastleggen) en inter-interviewer variabiliteit (meerdere interviewers die onderling inconsistent te werk gaan). 

    Met betrekking tot (2): door gebruik te maken van gesloten vragen kan de onderzoeker niet alles wat de geïnterviewde zegt opschrijven, verfraaien of foutief interpreteren. Vaak wordt gevraagd een vakje aan te vinken of een antwoordoptie te omcirkelen. Hierdoor wordt het verwerken van de data veel makkelijker: antwoorden hoeven niet gecodeerd te worden opdat ze kwantitatief verwerkt kunnen worden zoals het geval is bij open vragen. Bij open vragen kan het coderen een belangrijke bron van ‘error’ zijn. Allereerst kunnen de regels die aangehouden worden voor het plaatsen van antwoorden binnen categorieën (collectief het ‘coding frame’ genoemd) gebrekkig zijn. Ten tweede kan er variabiliteit zijn in de manier waarop antwoorden worden gecodeerd. Dit kent twee verschijningsvormen: ‘intra-beoordelaar’ variabiliteit (waarbij de onderzoeker de codeermethode voor het toewijzen van antwoorden aan een categorie inconsistent toepast en ‘inter-beoordelaar’ variabiliteit (waarbij onderzoekers onderling verschillen in de wijze waarop zij de regels toepassen). In geval van een gesloten vraag worden deze problemen omzeild, omdat de respondent zichzelf in een categorie plaatst (vandaar de term ‘pre-coded’).

    Welke andere soorten interviews zijn er?

    Het gestructureerde interview is het belangrijkste, maar niet het enige type interview in surveyonderzoek waarbij een kwantitatieve benadering wordt gevolgd. Er zijn verschillende kwalitatieve vormen van interviews: het ongestructureerde interview, het semigestructureerde interview en diverse diepte-interviews.

    In welke context vindt een interview plaats? 

    Bij de meest gebruikelijke vorm van interviewen zit de interviewer tegenover de respondent tijdens het  afnemen van het interview. Er zijn echter uitzonderingen: de focusgroep, telefonische interviews of via videobellen en computer geassisteerde interviews.

    In geval van een focusgroep is er meer dan één respondent. Het is echter ongebruikelijk om gestructureerde interviews te gebruiken bij deze manier van ondervragen: in een surveyinterview is het vrijwel altijd één specifiek individu dat ondervraagd wordt en wordt de aanwezigheid van anderen gezien als stoorfactor die vermeden moet worden. Onderzoek waarbij meerdere personen worden geïnterviewd heeft de neiging om kwalitatief te zijn. 

    Telefonisch of via een videogesprek afgenomen interviews zijn vrij gebruikelijk in marktonderzoek, meestal in de vorm van CATI. In sociaal onderzoek komt het minder vaak voor. Dit heeft een aantal voordelen ten opzichte van een persoonlijk afgenomen interview:

    1. Ze zijn goedkoper en sneller af te nemen (er hoeft niet gereisd te worden).

    2. Het is makkelijker om toezicht te houden (controleren of de benadering van de interviewer bias in de hand werkt door bijvoorbeeld het herformuleren van vragen of het ongepast gebruikmaken van stimuli om meer informatie te verkrijgen).

    3. De antwoorden van de respondent worden niet (of veel minder) beïnvloed door eigenschappen (zoals geslacht) of de aanwezigheid van de interviewer.

    Er zijn ook beperkingen ten opzichte van persoonlijk afgenomen interviews:

    1. Er is kans op ‘sampling bias’ aangezien niet alle huishoudens beschikken over een telefoon of apparaat dat videobellen mogelijk maakt (komt niet vaak voor, maar betreft waarschijnlijk de armere huishoudens).

    2. Toegankelijkheid. Slechthorenden hebben meer moeite met een telefonisch interview dan met een persoonlijk interview. Een video-interview kan dit verhelpen, mits de beeld- en geluidkwaliteit goed genoeg is en de internetverbinding niet te langzaam. 

    3. Lengte van het interview. Het is onwaarschijnlijk dat respondenten langer dan 20-25 minuten telefonisch geïnterviewd willen worden, terwijl een persoonlijk interview vaak veel langer duurt. 

    4. Lagere respons. 

    5. Lastiger om vragen te stellen over gevoelige onderwerpen (alcohol- of drugsgebruik, inkomen, gezondheid etc.). Het tegenovergestelde kan echter ook voorkomen.

    6. De identiteit van de respondent is lastiger te controleren.

    7. Er kan geen observatie plaatsvinden; bij een persoonlijk interview ziet de interviewer het als de respondent de vraag lastig vindt of niet begrijpt en kan hij/zij daar makkelijker en beter (gestandaardiseerd) op inspelen.

    8. Er kunnen geen visuele hulpmiddelen (zoals kaarten waarop respondenten hun antwoord moeten aanwijzen) gebruikt worden.

    Tegenwoordig wordt er bij commercieel surveyonderzoek veel gebruikgemaakt van computer geassisteerd interviewen. De twee voornaamste vormen hiervan zijn CAPI (computer geassisteerd persoonlijk interviewen) en CATI (computer geassisteerd telefonisch interviewen). Bijna alle commerciële telefonische interviews worden gedaan met behulp van CATI. CAPI wordt binnen de commerciële context ook meer en meer gebruikt vanwege de verbeterde draagbaarheid (via laptops), betaalbaarheid en kwaliteit van softwareprogramma’s waarmee interviewprogramma’s gemaakt kunnen worden. CAPI en CATI zijn niet zo sterk geïnfiltreerd binnen de academische context van surveyonderzoek. Een groot voordeel van computer geassisteerd interviewen is dat de mate van controle over het interviewproces wordt verhoogd en dus de standaardisatie van het stellen van vragen en vastleggen van antwoorden verbetert, door bijvoorbeeld het gebruik van filtervragen waardoor programma’s naar de volgende relevante vraag springen na een gegeven antwoord terwijl een interviewer door zou gaan met het lijstje (irrelevante) vragen. Een mogelijke beperking van CAPI en CATI is dat de interviewer op de verkeerde reactie kan klikken, maar het is niet duidelijk of dit vaker voorkomt dan wanneer de interviewer pen en papier gebruikt. 

    Hoe bereid je het afnemen van een gestructureerd interview voor?

    Een grondige voorbereiding is essentieel voor het succesvol afnemen van interviews en het genereren van kwalitatief goede data. Zo moet je het interviewschema kennen, duidelijke instructies geven aan eventuele andere interviewers, de volgorde van de vragen bestuderen, bedenken of interviewtraining en toezicht nodig zijn als je iemand anders inschakelt (interviewer variabiliteit moet vermeden worden) en goed nadenken over de bewoordingen van de vragen,

    Allereerst moet de interviewer het interviewschema door en door kennen. Interviewen kan stressvol zijn en bijvoorbeeld filtervragen kunnen de interviewer nerveus maken, waardoor zij vragen overslaan of de verkeerde stellen. Het kan handig zijn een pilot uit te voeren, om wat ervaring op te doen en je vragen te testen.

    Het benaderen van potentiële respondenten is een belangrijk onderdeel van het onderzoeksproces. Deze benadering moet helderheid verschaffen over wie je bent, het onderzoek dat je uitvoert en waarom je dit doet. Een gebrek aan duidelijkheid kan participanten afschrikken. Je moet beleefd, georganiseerd en erkentelijk zijn wanneer je iemand benadert. Omdat je kostbare tijd in beslag neemt, is het belangrijk dat je een geloofwaardige beweegreden (motiverende inleiding) voor je onderzoek geeft, zeker in een tijd waarin de respons op surveyonderzoek lijkt af te nemen. Dit kan aan de hand van een informatieblad. Hierop moet het volgende staan: identiteit van de persoon die contact opneemt met de respondent, de persoon of organisatie die het onderzoek uitvoert, wie het onderzoek financiert, waar het onderzoek over gaat en waarom het belangrijk is, waarom de respondent geselecteerd is, dat deelname vrijwillig is, de respondent niet identificeerbaar is, alle verstrekte informatie vertrouwelijk wordt behandeld en op elk moment vragen mogen worden gesteld (verschaf contactgegevens). Bij het benaderen van de respondent moet de interviewer bereid zijn om te blijven bellen (of langsgaan) wanneer de respondent geen gehoor geeft, waarbij rekening moet worden gehouden met de dagindeling van de respondent (werk, vakantie, alleenstaanden bezoeken voordat het donker is). Ook moet de interviewer zelfverzekerd zijn (als de interviewer aanneemt dat de respondent meedoet met het onderzoek, zal er eerder een positieve reactie komen dan wanneer de onderzoeker aanneemt dat de persoon niet mee doet). Overtuig de respondent dat jij geen verkoper bent (begin niet met "mag ik u een paar vragen stellen?"), kleed je op een manier die in een brede context acceptabel is en maak duidelijk dat jij graag wilt afspreken op een tijdstip dat uitkomt voor de respondent. 

    Consistentie en helderheid zijn erg belangrijk. Het is cruciaal dat elke respondent precies dezelfde vragen krijgt in een gestructureerd interview, omdat variatie een error kan opleveren. De kans hierop is klein als je gebruikmaakt van een gestructureerd interview, maar het blijft afhankelijk van de interviewer (pas de vraag dus niet aan gedurende het interview, hou het bij de opgeschreven vraag). Door het zorgvuldig overwegen van de bewoordingen van een vraag kun je dit risico beperken. Zelfs kleine variaties in bewoordingen kunnen een groot verschil maken wat betreft de antwoorden die respondenten geven. Daarnaast moeten de vragen makkelijk te begrijpen zijn voor participanten. Vermijd lange woorden, het gebruik van jargon en langdradige vragen. Voor een student kunnen bepaalde termen logisch zijn, maar voor leken niet. Je kunt familie of vrienden om feedback vragen.

    Daarnaast is het vasthouden aan de volgorde van de vragen belangrijk. Hierin variëren kan leiden tot het per ongeluk overslaan van een vraag en invloed hebben op de antwoorden (risico op een error). De kwaliteit van de respons heeft de neiging af te nemen naarmate het interview vordert. Hier kun je rekening mee houden bij het opstellen van het interviewschema, wacht niet te lang met de belangrijkste vragen. De eerste vragen moeten betrekking hebben op het onderwerp van het onderzoek, idealiter wordt niet begonnen met persoonlijke vragen (leeftijd etc.). Indien mogelijk moeten vragen die voor respondenten waarschijnlijk relevant zijn in het begin worden gesteld, zodat je hun aandacht of interesse opwekt. Gevoelige vragen bewaar je voor later. In geval van een lange survey kunnen de vragen opgedeeld worden in secties. Binnen elke vragengroep begin je met algemene vragen, daarna volgen de specifieke. Soms is het aan te raden om vragen over meningen en houdingen te stellen voorafgaand aan vragen over kennis en gedrag. Soms geeft een respondent een antwoord op een vraag die later in het interview aan bod komt, deze moet dan alsnog gesteld worden, omdat de volgorde van de vragen invloed kan hebben op het antwoord. Onderzoekers moeten bovendien letten op de mogelijke implicaties van het effect van eerdere vragen op antwoorden op daaropvolgende antwoorden.

    Hoe neem je een interview af?

    Na het introduceren van het onderzoek, ga je verder met het opbouwen van een verstandhouding met de respondenten, het stellen van de vragen en het opnemen van de antwoorden. Ook als je al eerder informatie hebt verstrekt ter introductie, moet je dit nogmaals kort samenvatten voorafgaand aan het interview.

    Hoe bouw je een verstandhouding op?

    Het opbouwen van een verstandhouding met de respondent is belangrijk, omdat het diegene aanmoedigt tot deelname aan en afronding van het interview. Het is goed om vriendelijk te zijn en de ander op zijn of haar gemak te stellen, maar ga hierin niet te ver. Het interview kan hierdoor te lang gaan duren of de respondent krijgt de neiging bepaalde antwoorden te geven om de interviewer 'te plezieren'. Er mag ook niet afgeweken worden van het formele, gestructureerde schema. Het opbouwen van een verstandhouding is het makkelijkst in een persoonlijk interview (oogcontact, glimlachen).

    Hoe stel je de vragen?

    ‘Probing’ is een groot probleem voor onderzoekers die gebruikmaken van een gestructureerd interview: soms snappen de respondenten de vraag niet goed, verzoeken zij om meer informatie of geven zij een niet-passend antwoord waardoor de interviewer moet ingrijpen. Echter, de interventie kan het antwoord van de geïnterviewde beïnvloeden en interventies kunnen per interviewer verschillen. Probing is niet te elimineren, maar kan wel beperkt worden. Tactieken die hiervoor gebruikt worden:

    • Heb je meer informatie nodig (meestal in geval van een open vraag), gebruik dan gestandaardiseerde interventies, zoals “Kun jij daar iets meer over vertellen?”, “Zijn er nog meer redenen waarom jij dat denkt? of een simpel "Mmmm..?"

    • Wanneer het antwoord op een gesloten vraag niet past binnen de antwoordcategorieën, kan de interviewer de opties herhalen en aangeven dat de respondent moet kiezen uit één van die antwoorden.

    • Als de interviewer vraagt naar een specifieke kwantificatie (bijvoorbeeld: “Hoe vaak per week ga jij naar de sportschool?”) en de respondent reageert met algemene termen (zoals “niet zo vaak”), dan is het nodig dat de interviewer de vraag herhaalt en om een numerieke waarde vraagt (suggereer er niet zelf een).

    ‘Prompting’ gebeurt wanneer de interviewer een mogelijk antwoord op de vraag voorstelt. Belangrijk is dat elke respondent dezelfde ‘prompts’ moet krijgen. Het is onacceptabel als in geval van een open vraag suggesties worden voorgelegd aan sommige respondenten, bijvoorbeeld omdat zij moeite hebben de vraag te beantwoorden. De interviewer kan gebruikmaken van kaarten waarop antwoorden staan waaruit de respondent moet kiezen. Het overhandigen van kaarten kan in drie gevallen de voorkeur hebben boven het oplezen van de reeks mogelijke antwoorden:

    • Er is een lange lijst van mogelijke antwoorden (bijvoorbeeld als je vraagt welke krant iemand leest. Lees deze niet allemaal op, maar geef een lijst om uit te kiezen).

    • Verschillende groepen vragen hebben dezelfde reeks antwoordmogelijkheden en deze telkens oplezen is vervelend (bijvoorbeeld als je de Likert-schaal gebruikt). 

    • Soms delen respondenten liever geen persoonlijke gegevens (leeftijd, inkomen). Je kunt, als je geen exacte informatie nodig hebt, categorieën maken (leeftijd 20-30 bijvoorbeeld) en de respondent daaruit laten kiezen. 

    Consistentie is niet alleen belangrijk bij het stellen van de vragen, maar ook bij het noteren van de antwoorden. Deze moeten zo precies mogelijk worden opgeschreven, anders kan dit leiden tot een error. Een error zal niet snel optreden in geval van gesloten vragen. De grootste kans hierop bestaat wanneer meerdere interviewers de antwoorden op open vragen opschrijven (inter-interviewer variabiliteit). Het is daarom aan te raden het interview op te nemen.

    Hoe beëindig je een gestructureerd interview?

    Na beantwoording van de laatste vraag bedank je de respondenten voor hun tijd. Ook na het afnemen van het interview moet de interviewer zich voorzichtig gedragen en uitspreken om bias te voorkomen. Dit kan na afloop van een interview optreden wanneer een respondent in gesprek wil gaan over het doel van het onderzoek en hierover vervolgens vertelt aan een respondent die nog geïnterviewd moet worden. Hou het dus vriendelijk, maar professioneel door niet meer te vertellen dan in de introductie is vermeld.

    Welke problemen kunnen zich voordoen ten aanzien van een gestructureerd interview?

    Ten eerste suggereert veel literatuur dat de karakteristieken van de interviewer invloed kunnen hebben op de gegeven antwoorden, al kan hier geen algemene les uit worden getrokken mede omdat de effecten van de verschillende karakteristieken die een interviewer heeft (leeftijd, geslacht, sociale status en dergelijke) niet los van elkaar kunnen worden beoordeeld. Uit een onderzoek is echter gebleken dat wanneer respondenten naar hun favoriete acteur werd gevraagd, zij vaker zwarte acteurs noemden als de interviewer zwart was. De mate en aard van de invloed zijn onduidelijk en variëren van geval tot geval. 

    Ten tweede vormt de zogenaamde 'response set' een probleem. Dit houdt in dat respondenten reageren op een consistente manier die irrelevant is voor het concept wat gemeten wordt. De twee voornaamste types response sets zijn ‘acquiescence’ (oftewel: de neiging hebben om consistent “ja” of “nee” te zeggen of door bijvoorbeeld een reeks van Likert-vragen volledig met 'helemaal mee eens'  te beantwoorden zelfs als er een tegengestelde vraag in zit) en de sociale wenselijkheidbias (de antwoorden zijn afhankelijk van wat de respondenten sociaal wenselijk achten).

    Ten derde is er het probleem van betekenis waarbij aangenomen wordt dat de interviewer en de respondent dezelfde betekenis toekennen aan gebruikte termen.

    Access: 
    Public
    Welk rol speelt de 'zelf in te vullen' vragenlijst in sociaal onderzoek? - Chapter 10

    Welk rol speelt de 'zelf in te vullen' vragenlijst in sociaal onderzoek? - Chapter 10

    Een gestructureerd interview betreft een vragenlijst die wordt voorgelegd door een interviewer. Er zijn ook vragenlijsten, meestal met gesloten vragen, die door de respondenten zelf worden ingevuld. 

    Welke soorten 'zelf in te vullen' vragenlijsten zijn er?

    Zelf in te vullen vragenlijsten kunnen aan respondenten worden voorgelegd per post of e-mail. E-mail en online surveys vormen vanwege het gemak de meest gebruikte methode. In het eerste geval wordt een vragenlijst gemaild naar de respondent en in het tweede wordt de respondent verwezen naar een website waar de vragenlijst kan worden ingevuld. Dit is een stuk sneller en goedkoper vergeleken met het versturen van een vragenlijst per post. Een zelf in te vullen vragenlijst kan ook uitgedeeld worden in bijvoorbeeld een klaslokaal om na afronding ingeleverd te worden.

    Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen gestructureerde interviews en zelf in te vullen vragenlijsten?

    De zelf in te vullen vragenlijst kent veel overeenkomsten met het gestructureerde interview. Het vanzelfsprekende en centrale verschil is dat er bij de vragenlijst geen interviewer is die de vragen stelt, je moet deze zelf lezen en beantwoorden. Dit onderzoeksinstrument moet daarom ook makkelijk te volgen zijn: de vragen moeten extreem duidelijk en makkelijk te beantwoorden zijn. Dit betekent dat vragenlijsten in vergelijking met interviews meestal minder open vragen bevatten (gesloten vragen zijn namelijk makkelijker te beantwoorden), makkelijk te volgen designs hebben (zodat de respondent niet kan falen in het opvolgen de instructies of per ongeluk vragen overslaat), korter zijn (zodat respondenten niet halverwege 'antwoordmoe' worden, het wegklikken- of gooien van een vragenlijst is makkelijker dan het beëindigen van een interview).

    Wat zijn de voordelen van zelf in te vullen vragenlijsten?

    1. Het is goedkoper (bespaart reistijd- en kosten).

    2. Het is sneller af te nemen (grote hoeveelheid kan op hetzelfde moment worden verzonden, al kan de respons verschillen en reminders versturen vereist zijn). 

    3. Er is geen invloed van de interviewer (bijvoorbeeld door de karakteristieken van de interviewer en de neiging om sociaal wenselijk te antwoorden in zijn of haar bijzijn).

    4. Er is geen interviewer variabiliteit (probleem dat interviewers vragen op verschillende wijze of volgorde stellen doet zich niet voor). 

    5. Het is heel gemakkelijk voor de respondenten (aangezien ze het kunnen invullen wanneer ze willen en op hun eigen tempo).

    Wat zijn de nadelen van zelf in te vullen vragenlijsten?

    1. Er kan niet niet ge-‘prompt’ (geholpen) worden wanneer iets niet wordt begrepen

    2. Er kan niet ge-‘probed’ worden (interventie is niet altijd wenselijk, maar kan wel nuttig zijn om een vollediger antwoord te krijgen)

    3. Er kunnen niet teveel vragen gesteld worden die niet interessant zijn voor de respondent opdat hij/zij zich dan zal vervelen en zal stoppen.

    4. Respondenten worden sneller moe van het beantwoorden van vragen als deze voor hen niet relevant zijn.

    5. Het is lastig om andere soorten vragen te stellen. Open vragen worden weinig gebruikt (respondenten hebben vaak geen zin om veel te schrijven) en vragen met een complexe structuur, zoals filtervragen, moeten ook zoveel mogelijk vermeden worden, omdat ze vaak lastig te volgen zijn (dit kan opgelost worden door 'springen' naar de eerstvolgende relevante vraag mogelijk te maken).

    6. De vragenlijst kan helemaal doorgelezen worden voordat begonnen wordt, waardoor geen enkele vraag echt losstaat van een andere. Dit betekent ook dat jij er niet zeker van kan zijn dat alle vragen in dezelfde volgorde zijn ingevuld (dit kan voorkomen worden bij het ontwerpen van een online vragenlijst).

    7. De onderzoeker weet nooit zeker of de beoogde respondent de vragenlijst heeft ingevuld.

    8. Er kan geen extra data worden verzameld.

    9. Het aantal vragen moet beperkt blijven, met het oog op 'antwoordmoeheid'. Lange vragenlijsten moeten vermeden worden, omdat respondenten deze sneller staken of gehaast invullen.

    10. Mensen die moeite hebben met de geschreven taal of mensen met een beperkte woordenschat kunnen moeite hebben met het invullen.

    11. Er is een groter risico op missende data (respondenten geven op niet alle vragen een antwoord).

    12. Er zijn lagere ‘response rates’. Dit is van belang gelet op het risico op bias. Hoe lager de respons rate, hoe twijfelachtiger het is dat sprake is van representativiteit (raakt de externe validiteit van je bevindingen). In de literatuur wordt overwegend gepleit voor een response rate van minstens 50%. Tijdschriften zijn meestal echter bereid om ook onderzoeken met een lagere response rate te publiceren. Je kunt de response rate verbeteren door duidelijk uit te leggen wat je redenen voor het onderzoek zijn, waarom het belangrijk is en waarom de respondent geselecteerd is. Als je een vragenlijst per post verstuurd, voeg dan een geadresseerde envelop met postzegel toe. Stuur mensen die nog niet gereageerd hebben een reminder. Stuur zo’n twee weken na de eerste contactpoging een herinneringsbrief met vragenlijst en twee weken daarna desnoods nog één als de respondent nog niet heeft gereageerd. Kortere vragenlijsten hebben vaak een betere ‘response rate’ dan langere vragenlijsten. Laat de vragenlijst er niet onnodig volumineus uitzien. Verschaf duidelijke instructies en een aantrekkelijke vormgeving. Begin met vragen die waarschijnlijk interessant zijn voor respondenten en gebruik zo min mogelijk open vragen. Indien mogelijk en toegestaan, overweeg een beloning (klein geldbedrag). 

    Hoe ontwerp je een zelf in te vullen vragenlijst?

    Het is belangrijk om na te denken over de uitstraling van je vragenlijst, omdat de aantrekkelijkheid en duidelijkheid van het ontwerp een belangrijke impact hebben op de response rate en dus de kwaliteit van de verzamelde data. De vragenlijst mag niet onnodig omvangrijk lijken en dus kiezen de meeste onderzoekers ervoor om de vragenlijst zo kort mogelijk te presenteren.

    Volgens Dillman en collega’s (2014) is een aantrekkelijke lay-out belangrijk om de ‘response rate’ te verhogen. De vragen moeten op een duidelijke manier gepresenteerd zijn, bijvoorbeeld: een donkere of grotere print voor de vraagstelling en een lichtere of kleinere print voor de antwoorden. Dit moet natuurlijk wel met mate gebruikt worden. De meeste vragen zijn gesloten van aard en dus doemt de vraag op of de antwoorden verticaal of horizontaal gepresenteerd moeten worden. Heel vaak wordt er gebruikgemaakt van een verticale ordening, aangezien een horizontale ordening voor verwarring kan zorgen. Daarnaast is er bij een verticale ordening ook een beter onderscheid te maken tussen vragen en antwoorden en is de coderingstaak makkelijker.

    Verschaf ook duidelijke instructies over hoe er geantwoord moet worden. Als je kiest voor de Likert-schaal (serie vragen met telkens dezelfde antwoordmogelijkheden), dan kan een verticale indeling veel ruimte in beslag nemen. Je kunt dit oplossen door afkortingen te gebruiken die je aan het begin van de vragenlijst uitlegt. Als je bijvoorbeeld een reeks stellingen voorlegt die beantwoord kunnen worden met 'sterk oneens (SO), oneens (O), neutraal (N), eens (E), sterk eens (SE), dan hoef je alleen de afkortingen per stelling weer te geven welke de respondent kan omcirkelen.

    Zorg er bovendien voor dat je vraag en antwoordopties bij elkaar houdt. Deze horen niet op aparte pagina's te staan, omdat dit het risico vergroot dat respondenten de antwoordmogelijkheden vergeten en het verkeerde antwoord geven.

    Waar moet je rekening mee houden in geval van een online of e-mail survey?

    Sommige kwesties hebben enkel betrekking op digitale vragenlijsten. Onderzoekers geven steeds vaker de voorkeur aan online surveys, met name omdat er veel handige online survey websites zijn voor het ontwerpen van deze vragenlijsten.

    Wat geldt ten aanzien van e-mail surveys?

    Er bestaat een onderscheid tussen ingesloten en bijgevoegde vragenlijsten. In het eerste geval staan de vragen in het e-mailbericht zelf. Respondenten klikken op 'beantwoorden' en geven hun antwoorden in het e-mailbericht. Meestal kan worden geantwoord door een 'x' te gebruiken of antwoordopties te verwijderen. Antwoorden op open vragen kunnen uitgetypt worden. De vragenlijst wordt ingeleverd door op 'verzenden' te klikken.

    Een bijgevoegde vragenlijst heeft veel dezelfde aspecten, maar moet worden geopend vanuit de bijlage. De antwoorden worden verstrekt in het bijgevoegde document, welke wordt teruggestuurd als bijlage. Ingesloten vragenlijsten zijn toegankelijker voor respondenten, omdat er niets gedownload hoeft te worden. Sommige mensen weigeren dit te openen of een softwareprogramma voorkomt dit. Een nadeel is echter dat de uitlijning van de vragen en antwoorden verloren kan gaan, wat de overzichtelijkheid aantast. De onderzoeker is hiermee de controle over de presentatie van de vragenlijst kwijt. 

    Wat geldt ten aanzien van online surveys?

    Bij online surveys ontvangen respondenten een url waarmee zij toegang verkrijgen tot de vragenlijst. Het voordeel van online surveys ten opzichte van e-mail surveys is dat de verschijningsvorm makkelijker aangepast kan worden, diverse handige hulpmiddelen ingezet kunnen worden en de vele functionaliteiten het gebruiksgemak verhogen. Zo kan er na een filtervraag automatisch worden doorgegaan naar de eerstvolgende relevante vraag. Ook kun je de vragenlijst zo ontwerpen dat vraag voor vraag wordt getoond. Een groot voordeel voor onderzoekers is dat antwoorden automatisch in een database terechtkomen, dit scheelt erg veel codeerwerk, met name als er sprake is van een grote hoeveelheid reacties. Sommige surveyprogramma's helpen zelfs bij het analyseren van antwoorden op open vragen. Dit bespaart tijd en beperkt het risico op errors. Een bruikbare tool is bijvoorbeeld SurveyMonkey.

    Een potentieel nadeel is dat de onderzoeker niet zeker weet of de beoogde respondent de survey heeft ingevuld. Ook met technische aspecten moet rekening worden gehouden. Zo kan het zijn dat eerder gegeven antwoorden verloren gaan wanneer iemand de survey voltooid in meerdere sessies.

    Wat zijn de voordelen van gemengde surveys?

    Het is mogelijk om twee of meerdere survey modellen te gebruiken ('mixed mode surveys'). Er is een aantal studies waarin daarmee is geëxperimenteerd en daaruit blijkt dat de verschillen in resultaat niet significant zijn. Zo werd in een onderzoek gebruikgemaakt van zowel een online als een schriftelijke vragenlijst en waren de bevindingen vergelijkbaar. In een andere studie werden echter meer inconsistente antwoorden en onvolledigheden ontdekt met betrekking tot een vragenlijst op papier.

    Wat betreft open vragen, die niet vaak gebruikt worden in zelf in te vullen vragenlijsten, werd ontdekt dat de kwantiteit en kwaliteit van antwoorden op deze vragen in zowel online als in schriftelijke vragenlijsten overeenstemden. De kwaliteit van antwoorden op open vragen in online surveys kan bevorderd worden door het tekstvak waarin het antwoord getypt moet worden te vergroten, duidelijke instructies te verschaffen over wat verwacht wordt en de respondent te motiveren door op het belang van het antwoord te wijzen.

    Waar de resultaten van online en schriftelijke vragenlijsten weinig verschillen aantonen, is dit anders als de vergelijking wordt gemaakt tussen een online vragenlijst en een gestructureerd interview (in persoon). Online respondenten hebben de neiging om vaker 'weet ik niet' te antwoorden en geven minder antwoorden. Datakwaliteit kan dus lager zijn in geval van een online survey. Laat dit je er echter niet van weerhouden online surveys te gebruiken: de voordelen zijn groot en het bewijs dat online survey slechtere datakwaliteit opleveren is flinterdun. Het is wel goed om bewust te zijn van de mogelijke beperkingen, zoals dat geldt voor elke manier van dataverzameling. Je kunt het meeste halen uit zelf in te vullen vragenlijsten door een combinatie van online vragenlijsten en per post verstuurde vragenlijsten. Zo kun je bijvoorbeeld ook de mensen bereiken die geen toegang tot internet hebben en anderzijds zorgen voor een betere response rate (wie geen zin heeft om een vragenlijst via de post in te vullen, zal meer openstaan voor een online survey).

    Kortom: het is niet met zekerheid te zeggen of online surveys, vragenlijsten per post, telefonische interviews of gestructureerde interviews de meeste effectieve manier van dataverzameling zijn. Wel kun je de praktische implicaties van bepaalde methodes in gedachte houden. Zo zijn geschreven antwoorden minder makkelijk, omdat deze uitgetypt moeten worden voor een analyse. 

    Hoe kies je welke modus je gebruikt voor het uitvoeren van een survey?

    Het kan lastig zijn om te kiezen welke modus je gaat gebruiken voor het verzamelen van data, maar duidelijk is dat online en e-mail surveys tegenwoordig de voorkeur krijgen boven postale surveys. Ook het gestructureerde interview blijft populair.

    De voordelen van online en e-mail survey in vergelijking met post-vragenlijsten:

    • Ze kosten minder geld en tijd. 

    • Je krijgt sneller respons. 

    • Keuze uit een groot aantal aantrekkelijke en gebruiksvriendelijke formats.

    • De antwoorden worden automatisch opgeslagen in een database.

    • Minder onbeantwoorde vragen. 

    • Betere respons op open vragen (grotere kans op een antwoord en meer gedetailleerd).

    • Betere datanauwkeurigheid, met name in online surveys.

    De nadelen online en e-mail survey in vergelijking met post-vragenlijsten zijn:

    • Lagere respons rate. 

    • Je bent beperkt tot de online populatie (alleen mensen met toegang tot internet kunnen meedoen).

    • Vertrouwelijkheid en anonimiteit. Met name in geval van e-mail surveys zijn respondenten voorzichtiger omdat zij hieraan twijfelen.

    • Meerdere reacties. Sommige mensen vullen de vragenlijst meerdere keren in. Hierop is minder kans in geval van een e-mail survey.

    Hoe kunnen dagboeken dienen als zelf in te vullen vragenlijst?

    Met een dagboek wordt binnen deze context het type dagboek bedoeld dat Elliot (1997) het ‘researcher-driven diary’ noemt: de onderzoeker ontwikkelt een structuur voor het dagboek en het is de bedoeling dat de respondenten hun activiteiten gelijk op dat moment invullen (zoals zelfverzorging) samen met de hoeveelheid tijd die ze hieraan besteden (zoals 60 minuten). Deze methode kan gebruikt worden als de onderzoeker specifiek geïnteresseerd is in preciezere schattingen van verschillende soorten gedrag. Deze methode wordt niet vaak gebruikt, maar kan bij zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek ingezet worden. Het kan gezien worden als het equivalent van gestructureerde observatie bij kwantitatief onderzoek, hoewel de observatie geschiedt door de ‘actor’ zelf.

    Corti (1993) maakt onderscheid tussen gestructureerde dagboeken en vrije-tekst dagboeken. Het bijhouden van vrije-tekst dagboeken kost echter veel tijd en het coderen van antwoorden is een lastig karwei. Corti (1993) suggereert dat degene die de structuur voor het dagboek ontwikkelt onder andere (1) expliciete instructies meegeeft voor het invullen van het dagboek, (2) duidelijk is over de tijdsperiode waarbinnen gedrag genoteerd moet worden en (3) checklijsten meegeeft zodat de respondent extra houvast heeft.

    Wat zijn de voordelen van het gebruik van dagboeken?

    • Dagboeken geven de mogelijkheid om een precieze schatting te maken van de frequentie of de hoeveelheid tijd die gespendeerd wordt aan verschillende vormen van gedrag. Het dagboek genereert in dit geval meer valide en betrouwbaardere data dan vragenlijsten.

    • Wanneer informatie nodig is over de volgorde van verschillende vormen van gedrag, bieden dagboeken meer inzicht dan vragenlijsten of interviews.

    De voordelen kunnen suggereren dat gestructureerde observatie even geschikt zou zijn, maar dit is niet het geval wanneer het gaat om het produceren van data over erg persoonlijk gedrag, zoals seksueel gedrag.

    Wat zijn de nadelen van het gebruik van dagboeken?

    • Ze zijn duurder dan persoonlijke interviews.

    • De methode is gevoelig voor uitval van respondenten.

    • Respondenten worden minder gewillig om hun dagboek bij te houden naarmate de tijd verstrijkt.

    • Het is soms moeilijk om alle details van het gedrag zo snel mogelijk op te schrijven waardoor geheugenproblemen invloed kunnen hebben op de rapportage.

    Wat houdt de 'experience sampling' methode in?

    Experience sampling betreft een variant op de dagboekmethode, dus ook een alternatief voor de 'zelf in te vullen vragenlijst'. Het is een methode waarmee je de gevoelens, emotionele gemoedstoestand of het gedrag van respondenten vastlegt op het moment waarop hen dit wordt gevraagd. Ze moeten bijvoorbeeld aan het einde van de werkdag of direct na het ontbijt vragen beantwoorden of zodra zich iets voordoet (ze loggen in op social media of krijgen een telefoontje). Ook kunnen ze een geluidssignaal op hun mobiele telefoon ontvangen waarna ze direct vragen moeten beantwoorden. Onderzoekers kunnen zo nauwkeurige realtime data verzamelen. Het is in feite een gestructureerde dagboekmethode waarmee persoonlijke ervaringen bestudeerd kunnen worden. 

    Zo onderzochten Kross en anderen (2013) in hoeverre Facebook-gebruik invloed heeft op het subjectieve welzijn. Respondenten moesten eerst vragenlijsten invullen over hun tevredenheid met het leven, depressie, zelfvertrouwen en Facebook-gebruik. In een tijdsbestek van 14 dagen ontvingen zij dagelijks op vijf willekeurige momenten berichtjes met daarin een link naar een vragenlijst. Hierin werd gevraagd hoe zij zich voelden op dat moment (piekeren, eenzaamheid en in welke mate zij Facebook hadden gebruikt en persoonlijke interactie hebben gehad sinds het laatste berichtje). De onderzoekers ontdekten dat Facebook-gebruik geassocieerd was met hoe mensen zich voelen van het ene op het andere moment en in hoeverre zij tevreden zijn met hun leven.

    Voordelen van deze methode zijn de onmiddellijkheid van de data (participanten reageren terwijl ze bezig zijn met hun dagelijkse bezigheden), data is minder algemeen (antwoorden zijn gebaseerd op hoe men zich op dat moment voelt, niet hoe men zich voelde gedurende een bepaalde periode) en data is minder gevoelig voor geheugenissues. Deze methode wordt regelmatiger gebruikt voor het verzamelen van data omtrent gevoelens en stemmingen dan het dagboek. Beide methoden worden gebruikt voor het vergaren van data over gedrag. Dankzij smartphones zijn participanten continu te contacteren en kunnen zij overal en direct een vragenlijst invullen.

    Access: 
    Public
    Welke soorten vragen kunnen worden gebruikt in sociaal onderzoek? - Chapter 11

    Welke soorten vragen kunnen worden gebruikt in sociaal onderzoek? - Chapter 11

    De manier waarop we vragen stellen in sociale survey instrumenten, zoals het gestructureerd interview en de zelf in te vullen vragenlijst, heeft invloed op de kwaliteit en bruikbaarheid van de verzamelde data. Naast het ontwerp en de uitvoering van deze instrumenten is het ook belangrijk hoe de vragen geformuleerd zijn. Er zijn enkele regels en overwegingen met betrekking tot het ontwerpen en formuleren van vragen, welk type vraag je gaat gebruiken en het belang van het testen van vragen (pilot).  

    Wanneer kies je voor open dan wel gesloten vragen?

    Een van de belangrijkste overwegingen voor veel onderzoekers is of de survey open of gesloten vragen moet bevatten. In geval van een open vraag mag de respondent reageren hoe hij of zij wenst. In geval van een gesloten vraag moet de deelnemer uit een aantal vaste antwoordmogelijkheden het passende antwoord kiezen. Een voorbeeld hiervan is de Likert-schaal. Beide type vragen hebben een aantal voor- en nadelen.

    Wat zijn de voordelen en nadelen van open vragen?

    Alhoewel open vragen ook voordelen hebben, neigt de voorkeur van onderzoekers naar gesloten vragen. Deze leveren minder problemen wat betreft het verwerken van de antwoorden. Open vragen worden meer gebruikt in kwalitatieve interviews. De voordelen:

    • De respondenten antwoorden in hun eigen bewoordingen.

    • Er is ruimte voor ongewone antwoorden (waar de onderzoeker zelf niet aan had gedacht, waardoor je een accurater beeld krijgt van de houding of het gedrag van de respondent).

    • De vragen suggereren niet bepaalde antwoorden, waardoor er een kans geboden wordt om de kennis en het begrip van de respondenten met betrekking tot onderwerpen te meten.

    • Ze kunnen inzicht bieden in nieuwe onderzoeksgebieden of in gebieden waar de onderzoeker beperkte kennis van heeft (de respondent kan de punten aankaarten die hij of zij relevant vindt en de onderzoekers hoeft geen tijd te spenderen aan het uitzoeken van mogelijke antwoordopties).

    • Ze zijn geschikt voor het genereren van mogelijke antwoorden op gesloten vragen die in een latere onderzoekfase gebruikt kunnen worden.

    • Ze kunnen behulpzaam zijn bij het inductieve proces van theorievorming (daarom worden ze vaak gebruikt in kwalitatief onderzoek, dit is normaliter niet mogelijk in geval van gesloten vragen).

    De nadelen:

    • Ze zijn tijdrovend voor zowel onderzoeker als respondent. De respondent is meer tijd kwijt aan het opschrijven of mondeling geven van het antwoord in vergelijking met gesloten vragen. Ze worden vermeden in zelf in te vullen vragenlijsten, omdat het voor een lagere respons rate kan zorgen.

    • Antwoorden moeten gecodeerd worden wat ook veel tijd kost. Het proces is identiek aan het coderingsproces dat gebruikt wordt voor een inhoudsanalyse en wordt ook wel ‘post-coding’ genoemd om het zo te differentiëren van ‘pre-coding’. De onderzoeker moet eerst alle antwoorden doorlezen, daarna thema's identificeren die de basis zullen vormen van de codes, de data coderen en vervolgens de data invoeren in een softwareprogramma. In geval van 'pre-coding' ontwerpt de onderzoeker het codeerkader voordat hij de survey uitvoert en vaak zijn de codes reeds verwerkt in de vragenlijst.

    • Post-coding kan naast tijdrovend ook onbetrouwbaar zijn, omdat het variabiliteit en dus een meetfout (en een gebrek aan validiteit) kan opleveren.

    • In onderzoek dat gebaseerd is op gestructureerde interviews is ook variabiliteit mogelijk in de manier waarop interviewers de antwoorden noteren. Dit kan verholpen worden door het opnemen en transcriberen van de interviews.

    Hoe worden antwoorden gecodeerd?

    Coderen is een kernonderdeel van veel kwantitatief onderzoek, omdat veel vormen van data ongestructureerd zijn (zoals antwoorden op open vragen, gedrag in klaslokalen en dagbladartikelen). Deze data moet gecodeerd worden om het te kunnen kwantificeren en analyseren. Coderen bestaat uit twee fasen: het categoriseren van de data en het toekennen van nummers aan de categorieën. Er zijn drie basisprincipes van belang: de categorieën mogen elkaar niet overlappen, de lijst categorieën moet volledig zijn en alle mogelijkheden omvatten en er moeten duidelijke toepassingsregels zijn. Er is sprake van overlap als je bijvoorbeeld onderzoek doet naar de gemiddelde dagelijkse consumptie van fruit en groenten en als volgt codeert: 1: 1-2, 2: 3-4, 3: 5-6 en 4: 6 of meer. Iemand die gemiddeld 6 units eet per dag kan onder zowel code 3 als 4 vallen. Volledigheid is vereist, omdat bepaald materiaal anders niet gecodeerd kan worden. Daarom wordt vaak de categorie 'anders' toegevoegd. Duidelijke codeerregels zijn nodig om te zorgen voor consistentie in tijd en onderling wanneer meerdere mensen coderen. In het codeerkader (of codeerhandleiding) kan de lijst van codes worden beschreven die toegepast kunnen worden op ongestructureerde data en de regels voor de toepassing van die codes. Kwantitatieve data kan ook 'hergecodeerd' worden, bijvoorbeeld als data bestaat uit de exacte leeftijden van deelnemers en je deze wilt onderverdelen in groepen met leeftijdscategorieën (zoals 30-35 jaar).

    Wat zijn de voordelen en nadelen van gesloten vragen?

    De voordelen:

    • Het is makkelijk om de antwoorden te verwerken.

    • De antwoorden kunnen eenvoudiger met elkaar vergeleken worden.

    • De vaste antwoordopties kunnen de respondent helpen om de vraagstelling beter te begrijpen.

    • Deze vragen zijn sneller en makkelijk te doorlopen voor de interviewers en respondenten.

    • Gesloten vragen verminderen de kans op variabiliteit in het vastleggen van de antwoorden.

    De nadelen:

    • Er is minder spontaniteit in de antwoorden van de respondent. Respondenten kunnen een interessant antwoord op een vraag hebben die niet onder de antwoordopties valt. Dit kan opgelost worden door een open vraag toe te voegen en de antwoordcategorie ‘anders’ toe te voegen).

    • Het kan lastig zijn om overlap tussen de antwoordopties te voorkomen. Een veelgemaakte fout heeft betrekking op leeftijdscategorieën. Als een respondent 40 jaar is en de antwoordopties zijn als volgt: '30-40' en '40-50', dan weet de respondent niet welke gekozen moet worden. Beide selecteren leidt tot uitsluiting van de vraag (missende data). 

    • Het is moeilijk om de antwoordopties alomvattend te maken. Idealiter moeten deze opties alle mogelijke antwoorden beslaan, maar dat kan een enorm lange lijst opleveren. Dit kan opgelost worden door te kiezen voor 'anders' als categorie.

    • Er kan variatie zijn tussen de respondenten in de interpretatie van de antwoordopties.

    • Gesloten vragen kunnen frustraties opwekken bij respondenten wanneer ze vinden dat de antwoordopties niet goed bij hun antwoord passen.

    • Een groot aantal gesloten vragen gebruiken in een interview kan het opbouwen van een verstandhouding tussen interviewer en respondent bemoeilijken, omdat de uitwisseling onpersoonlijk voelt en er geen gesprek op gang komt (alhoewel een interview professioneel moet blijven). 

    Welke soorten vragen zijn er?

    De meest voorkomende soorten vragen zijn:

    • Persoonlijke feitelijke vragen (zoals vragen over eigen leeftijd, opleiding, beroep, gedrag etc.)

    • Feitelijke vragen over anderen (zoals vragen naar het huishoudinkomen of de leeftijd en geslacht van je partner)

    • Informant feitelijke vragen (vragen over de grootte van het bedrijf waar ze werken, wie de eigenaar is, hoe ze behandeld worden door hun leidinggevende of er specialistische functies zijn, etc.)

    • Vragen over houdingen (alledaags oordeel of normatieve visie omtrent een specifieke kwestie, wordt vaak verward met overtuigingen en waarden, de Likert-schaal wordt hier het meest gebruikt)

    • Vragen over overtuigingen (zowel religieuze als politieke overtuigingen of inzake bepaalde gebeurtenissen, zoals klimaatprotesten. In een survey over criminaliteit kun je vragen of de respondenten geloven dat bepaalde misdrijven vaker voorkomen.)

    • Vragen over normen en waarden

    • Vragen over kennis

    De meeste gestructureerde interviews en vragenlijsten bevatten meer dan één van bovenstaande soorten vragen. Het is belangrijk om het onderscheid hiertussen niet uit het oog te verliezen, zodat het voor jezelf helder blijft waar je vragen over stelt (ben je geïnteresseerd in louter persoonlijke informatie over de respondent of wil je ook iets over anderen weten?). Daarnaast helpt het voorkomen dat je een ongeschikte vraagstelling gebruikt (de Likertschaal is bijvoorbeeld geen goede keuze voor het stellen van feitelijke vragen over gedrag). Tevens moet je vermijden dat bij het gebruik van de Likert-schaal verschillende soorten vragen door elkaar gebruikt. Houding en overtuiging klinkt vergelijkbaar, maar het is verstandig om hiervoor afzonderlijke schalen te gebruiken gelet op de meetvariabiliteit.

    Wat zijn vignet vragen?

    Vignet vragen zijn een type gesloten vragen waarbij gevraagd wordt naar de normen en waarden van de respondent. Deze techniek wordt vaak gebruikt in experimenten. De interviewer presenteert één of meer scenario’s en vraagt aan de respondent hoe hij/zij hierbinnen zou reageren (waarbij gekozen moet worden uit één van de antwoordopties). 

    Zo kan in een onderzoek naar de normen over familieverplichtingen het volgende scenario worden geschetst: "Bob en Marie, beiden 41 jaar, zijn een getrouwd stel. De ouders van Bob wonen honderden kilometers van hen af en krijgen een ernstig auto-ongeluk. Ze hebben langdurig dagelijkse zorg en hulp nodig. Bob is hun enige zoon. Bob en Marie werken allebei en kunnen allebei overgeplaatst worden naar een werklocatie in de buurt van Bob's ouders. Wat moeten Bob en Marie doen?" De antwoordopties: A: Verhuizen zodat ze vlakbij Bob's ouders kunnen wonen B: De ouders van Bob in huis nemen C: Bob's ouders geld geven voor de dagelijkse zorg D: Bob's ouders zelf regelingen laten treffen E: Iets anders doen, namelijk.. F: Weet het niet. "Ze besluiten nabij de ouders van Bob te gaan wonen. De moeder van Bob overlijdt en de toestand van zijn vader verslechtert, waardoor hij fulltime zorg nodig heeft. Moeten Bob of Marie hun baan opgeven om hem te kunnen verzorgen? Zo ja, wie moet stoppen met werken: Bob of Marie?". A: Ja, Bob B: Ja, Marie. C: Nee, geen van beiden D: Weet niet / ligt eraan. In dit vignettenonderzoek zitten verschillende factoren: de aard van de zorg (lang- of kortdurend, zelf bij betrokken zijn of financieel ondersteunen), het belang van geografische nabijheid, het hebben van betaald werk, geslacht. Deze kwesties kunnen ook worden voorgelegd in de vorm van houding-vragen. "Als een werkend stel besluit dat één van hen de zorg op zich moet nemen, zou de vrouw degene moeten zijn die haar baan opzegt." Antwoordopties: Sterk mee eens, mee eens, neutraal, oneens, sterk mee oneens. Het voordeel van de vignettentechniek is dat dit een meer realistische situatie schept voor het maken van de keuze. In geval van een gevoelig onderwerp kunnen directe vragen ('Wat zou  jij..") intimiderend overkomen (als een persoonlijke aanval), dit is minder als je gebruikmaakt van andere (denkbeeldige) mensen die in een bepaalde situatie verkeren ("Wat zou Marie..?"). 

    Bij het ontwerpen van een vignettenonderzoek is het belangrijk dat je een geloofwaardig scenario schetst. Daarnaast moet in overweging worden genomen dat onduidelijk is in hoeverre respondenten aannames doen over de personen in het scenario (bijvoorbeeld over hun etniciteit) en welke invloed deze aannames hebben op de validiteit en vergelijkbaarheid van de antwoorden. Ook is het lastig na te gaan in hoeverre de antwoorden representatief zijn voor de eigen normen en hoe men zich zelf zou gedragen in de geschetste omstandigheden. Desondanks is de vignettentechniek het overwegen waard wanneer het onderzoeksgebied zich hiertoe leent.

    Welke regels gelden bij het opstellen van vragen?

    Dit is een van de onderdelen van het onderzoek waarin de meeste fouten worden gemaakt. Er zijn drie vuistregels voor het opstellen van vragen:

    • Vuistregel 1: houd altijd de onderzoeksvragen in het achterhoofd (stel respondenten geen vragen die hier geen verband mee houden).

    • Vuistregel 2: bepaal precies wat jij wilt weten ("Heb je een auto?" kan betrekking hebben op privé-eigendom, een bedrijfsauto of toegang tot een auto in een huishouden. "Hoeveel kinderen heb je?" Bedoel je dan thuiswonende, biologische kinderen etc.? "Heb je deze week auto gereden?" Bedoel je dan de afgelopen 7 dagen of de week waarin de vraag wordt gesteld?).

    • Vuistregel 3: verplaats jezelf in de positie van de respondent, hoe zou jij antwoorden?

    Wat moet je doen bij het ontwerpen van vragen?

    • Zorg ervoor dat de respondent de benodigde kennis heeft. Het heeft geen zin om vragen te stellen over iets waar men geen kennis van heeft. Bijvoorbeeld mensen die nooit met het openbaar vervoer reizen vragen naar de kwaliteit ervan. 

    • Zorg voor symmetrie tussen de gesloten vragen en de antwoorden. Ze moeten met elkaar 'matchen' en de antwoordopties moeten voldoende representatief zijn. Een vraag die uitsluitend met 'ja' of 'nee' mag worden beantwoord kan het probleem opleveren dat de respondent het met geen van beiden helemaal eens is. Sommige vragen kunnen niet beantwoord worden met 'goed, acceptabel of slecht'. 

    • Zorg ervoor dat de antwoorden op gesloten vragen in balans zijn. Op dit punt worden vaak fouten gemaakt. De volgende antwoordopties zijn niet in balans: uitstekend, goed, acceptabel, slecht. De eerste twee opties zijn positief, de derde is neutraal en alleen de laatste is negatief. Er moet dus een optie bijkomen (bijvoorbeeld 'erg slecht'). 

    • Overweeg of je een 'midden-alternatief' gaat gebruiken. Bijvoorbeeld 'niet mee eens en niet mee oneens'. Dit is een controversieel punt. Het biedt respondenten de optie om niet echt na te denken over hun antwoord. Anderzijds kan het weglaten van deze optie ertoe leiden dat respondenten een antwoord kiezen welke hun mening niet goed vertegenwoordigt of resulteren in een hogere mate van non-respons. Het is aan te raden een midden-alternatief op te nemen in de antwoordopties, tenzij er een erg goede reden is om dit niet te doen. Dezelfde controversie heerst omtrent de optie 'ik weet het niet'. Het lijkt erop dat respondenten vaker voor deze optie kiezen als deze voorkomt richting het einde van de vragenlijst, omdat ze geen zin meer hebben in het beantwoorden van vragen. Je kunt een pilot uitvoeren om dit risico te onderzoeken.

    Wat moet je vermijden bij het ontwerpen van vragen?

    Daarnaast moet geprobeerd worden bepaalde vraagstellingen te vermijden:

    • Vermijd ambiguïteit (dubbelzinnige termen). Een voorbeeld is 'vaak'. Respondenten kunnen dit anders invullen. “Hoe vaak ga je naar de sportschool?” De ene respondent vindt twee keer per week vaak, de andere zes keer per week. Indien mogelijk, vraag naar de frequentie. In geval van de volgende antwoordopties is alleen de laatste geen probleem: heel vaak, vaak, soms, nooit. Andere dubbelzinnige termen zijn bijvoorbeeld 'familie' en 'maaltijd'.
    • Vermijd lange, complexe vragen, vooral wanneer je vraagt naar houdingen. Wanneer de focus van de vraag op gedrag ligt, is het stellen van een lange vraag niet zo erg.

    • Vraag niet in één keer naar twee dingen. Voorbeeld: “Hoe vaak helpt jouw man met koken en schoonmaken?” Hij kan immers vaker helpen met het één dan met het ander.

    • Vermijd hele algemene vragen: deze zijn niet specifiek genoeg om goed te kunnen interpreteren. Bijvoorbeeld: "Hoe tevreden ben je met je baan?" Doel je daarmee op loon, voorwaarden, de inhoud, werksfeer of een combinatie hiervan? De respondent kan deze vraag of vele manieren interpreteren.

    • Vermijd sturende vragen. Voorbeeld: “Ben jij het ermee eens dat…?” Dit geeft respondenten het gevoel een bepaalde kant opgeduwd te worden. "Ben je het eens met belastingverlaging zelfs als hierdoor minder welvaart kan worden geboden aan de minima?" Dit maakt het lastiger om positief te antwoorden. Je kunt het eens zijn met belastingverlaging, maar wilt niet veroordeeld worden op basis van het tweede onderdeel van de vraag.

    • Vermijd vragen die aannames bevatten. Voorbeeld: “Op welke politieke partij heb jij vorige keer gestemd?”. Hiermee wordt aangenomen dat de respondent heeft gestemd. Dit komt neer op het stellen van twee vragen in één: Heb je gestemd? Zo ja, op welke partij?

    • Vermijd vragen met negatieve formuleringen, dus het gebruik van woorden als 'niet'. Deze zijn makkelijk over het hoofd te zien en leveren dan het tegenovergestelde antwoord op. Het gebruik van dubbele negatieve bewoordingen is helemaal uit den boze ('niet' en 'geen' bijvoorbeeld). Voorbeeld: “Ben je het ermee eens dat studenten niet zouden moeten lenen om hun onderwijs te kunnen financieren?”

    • Vermijd technische termen: gebruik simpele, alledaagse woorden en vermijd jargon. 

    • Vermijd vragen die sterk afhankelijk zijn van het langetermijngeheugen van respondenten. Als je vraagt hoe vaak men in de afgelopen 12 maanden naar de bioscoop is geweest, zal niet iedereen dit zich herinneren.

    • Vermijd het gebruik van 'kruis alles wat van toepassing is aan' in gesloten vragen. Dit kan tot een onvolledig antwoord leiden. Het is beter om te kiezen voor een 'gedwongen keuze', bijvoorbeeld door na alle opties een 'ja' en 'nee' vakje te plaatsen.

    Wat is het belang van een pilot en het vooraf testen van vragen?

    Het is wenselijk om, indien mogelijk, een pilot uit te voeren voordat de vragenlijst of het gestructureerd interview wordt afgenomen. Hiermee test je de effectiviteit van de vragen en van de survey in zijn geheel. Met name in geval van zelf in te vullen vragenlijsten is dit handig, omdat hierbij geen onderzoeker aanwezig is die het een en ander kan ophelderen. Redenen om een pilot uit te voeren zijn: je kunt hieruit antwoordmogelijkheden voor gesloten vragen in je hoofdonderzoek generen, je doet ervaring op met het gebruik van het interviewschema (geeft ook meer vertrouwen), je kunt ervaren hoe goed de vragen in elkaar overlopen en of het nodig is sommige te verplaatsen en je ontdekt of er problemen zijn met bepaalde vragen (als iedereen op dezelfde manier antwoordt, kun je de vraagstelling aanpassen zodat deze meer interessante resultaten oplevert en sommige vragen worden als ongemakkelijk, lastig te begrijpen of saai ervaren).

    De pilot moet niet uitgevoerd worden met dezelfde mensen die onderdeel zijn van de steekproef in je hoofdonderzoek. Idealiter vind je een klein aantal respondenten die vergelijkbaar zijn met personen uit de populatie waar je de steekproef uit afleidt. Soms maken onderzoekers tijdens de pilot gebruik van de cognitieve interviewmethode om te weten te komen hoe respondenten de vragen (geestelijk) verwerken en beantwoorden. Hierbij worden respondenten aangemoedigd om hardop te denken terwijl ze nadenken over de vraag. De onderzoeker kan zo nagaan of de vragen duidelijk zijn, welke uitdagingen er bestaan wat betreft het geheugen, hoe gevoelig een vraag is en of de antwoorden overeenstemmen met de verwachtingen. 

    Hoe kun je reeds bestaande vragen gebruiken?

    Naast het zelf bedenken van vragen, kun je ook overwegen om vragen te gebruiken die door andere onderzoekers zijn bedacht. Dit lijkt misschien op stelen, en het is zeker aan te raden om contact op te nemen met de bedenker, maar het is een gangbare praktijk onder onderzoekers. Zolang je duidelijk aangeeft waar de vraag vandaan komt, hoef je voor plagiaat niet te vrezen. Voordelen ervan zijn dat een pilot niet nodig is en de vorige onderzoeker de validiteit en betrouwbaarheid vaak al getest heeft. Bovendien kun je een vergelijking maken met je eigen onderzoeksresultaten. Maakt de locatie van je steekproef bijvoorbeeld verschil? Ook als je besluit niet de vragen van een ander te gebruiken, kunnen ze behulpzaam zijn bij bedenken van je eigen vragen. 

    Access: 
    Public
    Welke rol speelt de gestructureerde observatie in sociaal onderzoek? - Chapter 12

    Welke rol speelt de gestructureerde observatie in sociaal onderzoek? - Chapter 12

    De gestructureerde observatie is een methode voor het systematisch observeren van het gedrag van individuen aan de hand van een observeerschema, waarin expliciet geformuleerde regels staan omtrent de observatie en het vastleggen van gedrag. In tegenstelling tot het surveyonderzoek geeft de gestructureerde observatie de mogelijkheid tot directe observatie. Een beperking van het gestructureerde interview en de survey is dat onderzoekers geen data kunnen verzamelen in 'natuurlijke' situaties. 

    Waarom kies je voor het observeren van gedrag?

    Een surveyonderzoek is niet geschikt voor het observeren van gedrag. Het gedrag kan hierdoor niet direct worden geobserveerd en er zijn meerdere redenen om aan te nemen dat de gegeven antwoorden met betrekking tot gedrag niet accuraat zijn.

    Observatie kan verschillende vormen aannemen in sociaalwetenschappelijk onderzoek en zowel kwantitatief als kwalitatief zijn. Etnografie en participerende observatie zijn kwalitatieve vormen van ongestructureerde observatie. Het soort data dat hieruit voortkomt wordt normaliter niet statistisch geanalyseerd en er wordt niet bijgehouden hoe vaak bepaalde gebeurtenissen zich voordoen, wat wel het geval is bij de gestructureerde interviews. Het gestructureerde interview volgt een meer deductieve benadering: onderzoekers bepalen grotendeels vooraf welke gebeurtenissen en gedragingen zij gaan tellen. 

    Hoe wordt een gestructureerde observatie uitgevoerd?

    Gestructureerde observatie (ook wel systematische observatie genoemd) is een methode voor het systematisch observeren van het gedrag van individuen door het naleven van expliciet geformuleerde regels voor het observeren en noteren van gedrag. Het kan een alternatief voor of aanvulling op surveyonderzoek zijn, maar wordt weinig gebruikt in sociaal onderzoek. Het wordt gebruikt voor het bestuderen van een beperkt aantal gedragingen, bijvoorbeeld die plaatsvinden in een school. 

    De regels geven aan waar degenen die observeren op moeten letten en hoe ze dit moeten vastleggen. Elke deelnemer wordt voor een vastgestelde tijdsperiode geobserveerd. Centraal tijdens deze observatie staat het observatieschema oftewel coding schema. Dit schema specificeert de categorieën van te bestuderen gedrag en bepaalt hoe gedrag toegewezen moet worden aan deze categorieën.

    Hoe maak je een goed observatieschema?

    Bij het opstellen van een observatieschema moet aandacht worden besteed aan de volgende punten: er moet een duidelijke focus zijn (op wie en wat precies gelet moet worden), welke specifieke zaken vastgelegd moeten worden, de categorieën (zoals ‘leraar’ en ‘student’) mogen niet overlappen en moeten allesomvattend zijn, het noteersysteem moet makkelijk te hanteren zijn en - in gevallen waarin de observant moet interpreteren - er moeten er duidelijke richtlijnen inzake interpretatie zijn. Voorbeelden van categorieën met betrekking tot de leraar zijn: vragen stellen aan de groep, vragen stellen aan een individuele leerling, antwoorden op een vraag van een leerling, reageren op een opmerking van een leerling, afspraken maken, stilte. 

    Welke observatiestrategieën zijn er?

    Gedrag kan op verschillende manieren worden vastgelegd. Dit kan het vastleggen van gebeurtenissen zijn of het vastleggen binnen een korte of lange periode. In het eerste geval betekent dit dat je moet wachten tot iets plaatsvindt en dan vastlegt wat het gevolg ervan is. Voorbeelden van het tweede geval zijn de 5-minuten-observatie en de voortdurende observatie.

    Wat geldt ten aanzien van steekproeven binnen observatieonderzoek?

    Ook in geval van een gestructureerde observatie moeten onderzoekers keuzes maken over steekproeven. Dit ziet niet alleen op personen (bijvoorbeeld zes willekeurige leerlingen per klas selecteren, drie van elk geslacht), maar ook op tijd. Als je bepaalde personen observeert op meerdere momenten, dan is dit niet elke dag op hetzelfde tijdstip. Het is het beste om ook de observatieperiodes willekeurig te selecteren. Leerlingen alleen aan het einde van de schooldag observeren, wanneer ze waarschijnlijk moe zijn, geeft een valse indruk van hun gedrag. 

    Martin en Bateson (2007) hebben vier soorten steekproeven onderscheiden, waarvan de eerste twee het meest gebruikt worden:

    1. Ad libitum ‘sampling’: de observant registreert alles wat er op dat moment gebeurt.

    2. Focale ‘sampling’: één individu wordt voor een bepaalde periode geobserveerd.

    3. Scan ‘sampling’: een groep individuen wordt ‘gescand’ met vastgestelde intervallen en het gedrag van iedereen wordt telkens geregistreerd.

    4. Gedrag ‘sampling’: een hele groep wordt geobserveerd, maar alleen de personen die bepaald gedrag vertonen worden geregistreerd.

    Wat houden veldstimulaties in de vorm van gestructureerde observatie in?

    De term ‘veldstimulatie’ is geïntroduceerd door Salancik (1979) om een vorm van gestructureerde observatie te beschrijven. Hoewel hij veldstimulaties classificeerde als een kwalitatieve methode, passen ze beter binnen een kwantitatieve onderzoeksstrategie aangezien de onderzoeker de uitkomsten wil kwantificeren. Het heeft bepaalde voordelen, maar wordt niet vaak gebruikt in sociaal onderzoek.

    Het betreft een studie waarin de onderzoeker direct ingrijpt of de natuurlijke situatie manipuleert om te kunnen observeren wat als gevolg hiervan gebeurt. In tegenstelling tot de meeste gestructureerde observaties weten de deelnemers in een veldstimulatie niet dat zij bestudeerd worden. Sommige veldstimulaties nemen de vorm aan van een experimenteel design. Veldstimulaties kennen geen probleem met reactiviteit, maar kunnen problemen opleveren op ethische gronden (met name met betrekking tot misleiding).

    Hoe wordt data verkregen uit gestructureerde observaties geanalyseerd?

    Het soort analyse dat onderzoekers gebruiken is afhankelijk van het onderzoeksprobleem, de steekproefgrootte en de technieken die geschikt zijn voor het soort data. In sommige gevallen heeft de analyse de vorm van beschrijvende statistieken, bijvoorbeeld het geven van uitleg over het aantal respondenten dat bepaald gedrag liet zien. 

    Naast het beschrijven en samenvatten van de verzamelde data kan ook een aanvullende analyse worden gedaan, bijvoorbeeld vaststellen of er sprake is van een statistisch significante relatie tussen bepaalde variabelen. 

    Wat zijn de voordelen en nadelen van gestructureerde observaties?

    Hoewel het niet veel wordt gebruikt in sociaal onderzoek en het nogal controversieel is, kan het zowel waardevol zijn voor onderzoeken als stuiten op kritiek.

    Gestructureerde observaties zijn accurater en effectiever in vergelijking met het verslag dat mensen zelf uitbrengen over hun gedrag door middel van vragenlijsten. Het verschaft onder meer betrouwbaardere informatie en is nauwkeuriger wat betreft tijd, duur en frequentie. Het kan bovendien gebruikt worden om de verschillen tussen geobserveerd en gerapporteerd gedrag te onderzoeken. Het werkt goed wanneer het - voor de volledigheid - tezamen met andere methoden, zoals vragenlijsten of interviews, wordt gebruikt. 

    Zoals de meeste onderzoeksmethoden, kent ook de gestructureerde observatie een aantal beperkingen. Ten eerste zeggen gestructureerde observaties niets over de redenen voor en intenties achter gedrag, omdat observanten zich alleen concentreren op het directe gedrag. Wat betekent het gedrag? Interviews en vragenlijsten kunnen informatie opleveren over houdingen, sociale achtergronden en verklaringen voor gedrag. Ten tweede is er het risico dat een potentieel ongepast of irrelevant kader gebruikt wordt ten aanzien van de setting die geobserveerd wordt. Dit punt lijkt op het probleem dat ontstaat als er gesloten vragen gebruikt worden. Het risico is vooral groot als het gaat om een gebied waar de observant weinig van weet. Het probleem kan opgelost worden als voorafgaand aan de gestructureerde observatie eerst ongestructureerde observatie plaatsvindt, zodat passende variabelen en categorieën ontwikkeld kunnen worden. Ten derde hebben gestructureerde observaties de neiging om veel fragmenten van data te verzamelen en het samenvoegen van deze data om een algemeen beeld te krijgen kan erg lastig zijn. Kortom: het is moeilijk om alle stukjes samen te brengen tot een totaalplaatje. Ten vierde is het vaak zo dat gestructureerde observaties de context waarin het gedrag plaatsvindt negeren. Ten vijfde kunnen gestructureerde observaties stuiten op ethische kwesties. De belangrijkste ethische overwegingen zijn of toestemming van iemand vereist is (bijvoorbeeld van de schooldirectie) en of het noodzakelijk is om te vertellen dat iemand geobserveerd wordt. 

    Daarnaast zijn er issues omtrent betrouwbaarheid en validiteit. Gebruikers van gestructureerde observatie maken zich vaak zorgen om de mate van inter-observant consistentie: de mate van consistentie tussen observanten. Het tweede punt met betrekking tot de betrouwbaarheid is de intra-observant consistentie: de mate van consistentie in het gebruik van het observatieschema over tijd moet goed zijn. Soms is betrouwbaarheid moeilijk te bereiken vanwege observant ‘vermoeidheid’ of het verminderen van de aandacht. Dit moet echter niet uit proportie getrokken worden aangezien er ook onderzoeken zijn geweest die erg betrouwbare data hebben opgeleverd waarbij observanten voor lange periodes aan het observeren waren. De validiteit wordt beïnvloed door de mate waarin het meetinstrument meet wat het hoort te meten en de fouten tijdens de implementatie van het meetinstrument. Eerst moet er gekeken worden naar dezelfde vormen validiteit als bij het gestructureerd interview en vragenlijsten: ‘face’ validiteit, ‘concurrent’ validiteit, etc.. Bij fouten tijdens het implementeren moet vooral gelet worden op twee zaken: wordt het observatieschema gebruikt zoals het hoort? En: veranderen mensen hun gedrag omdat ze weten dat ze worden geobserveerd (het reactieve effect)?

    Access: 
    Public
    Wat houdt een inhoudsanalyse in? - Chapter 13

    Wat houdt een inhoudsanalyse in? - Chapter 13

    Een inhoudsanalyse is nuttig voor het ontdekken van patronen en trends. 

    Wat is een inhoudsanalyse?

    Een inhoudsanalyse is een onderzoekstechniek waarbij gevolgtrekkingen kunnen gemaakt worden door het (1) objectief en (2) systematisch analyseren van documenten en teksten (de steekproef). De inhoudsanalyse is diep geworteld binnen de kwantitatieve onderzoeksstrategie. Een inhoudsanalyse wordt vaak gecontrasteerd met twee andere benaderingen die ook de inhoud van communicatieve boodschappen trachten te analyseren, namelijk semiotiek (de wetenschap van tekens) en etnografische oftewel kwalitatieve inhoudsanalyse (waar de nadruk ligt op de betekenis van en in teksten).

    Hoe wordt een inhoudsanalyse uitgevoerd?

    Net als bij andere kwantitatieve onderzoeksmethoden is het belangrijk om concrete onderzoeksvragen te formuleren, omdat deze in dit geval de selectie en het coderingsschema van de te analyseren data bepalen. De meeste inhoudsanalyses richten zich op de volgende vragen: wie, wat, waar, locatie, hoe veel, waarom. 

    Hoe wordt een steekproef getrokken?

    Een inhoudsanalyse bevat verschillende fasen waarin een steekproef wordt geselecteerd. Zo moet je een steekproef trekken van de media die je gaat analyseren en van de data of periode(s) waarin je geïnteresseerd bent. 

    Allereerst moet je besluiten welk soort materiaal je gaat analyseren. Daarna moet je zorgvuldig nadenken over de steekproef. Als je bijvoorbeeld de massa media wilt analyseren, moet je je afvragen welke vorm van media. Gaat het om nieuwsbladen, kies je dan voor week- en/of weekendbladen, nationale en/of lokale kranten, betaalde en/of gratis kranten etc. Daarna moet je dieper kijken: wil je alle items in de gekozen bladen analyseren of bijvoorbeeld alleen nieuwsitems? Meestal kiezen onderzoekers voor één of twee vormen van massa media. De beslissing over welke data of periode je selecteert wordt meestal bepaald door het plaatsvinden van een bepaald fenomeen. Zo werd bijvoorbeeld geanalyseerd hoe de media Goerge W. Bush portretteerden voor en na 11 september 2001. De waarschijnlijkheidssteekproef is hiervoor een goede methode. 

    Als er gekeken wordt naar personen met betrekking tot een geschreven stuk, wordt er gekeken naar wat voor persoon het artikel schrijft, wie de hoofdpersonen in het artikel waren, wie de alternatieve stemmen waren in het artikel en wat de context voor het item was. Als gekeken wordt naar het rapporteren van sociale wetenschap in de media, wordt gekeken naar de auteur, het type item, wat de drijfveer was voor het schrijven, etc. Ook wordt soms het tellen van bepaalde woorden meegenomen in de inhoudsanalyse (zo bleek de Britse media in de late jaren ’60 de voetbalsfeer te dramatiseren door veelvuldig het woord ‘hooligan’ te gebruiken).

    Hoe moet je een codeerschema ontwerpen?

    Er zijn twee cruciale elementen van het coderen: het ontwikkelen van een coderingschema en het ontwikkelen van een coderinghandleiding. Het coderingsschema is een formulier waarop alle data, gerelateerd aan een te coderen item, ingevoerd kan worden. Eén formulier wordt gebruikt voor elk te coderen media-item. Het coderingsschema zelf biedt geen informatie over hoe de informatie ingevuld moet worden. Daarom is het belangrijk dat er ook een coderingshandleiding wordt ontwikkeld: het biedt alle nodige informatie over alle categorieën en het biedt regels indien er informatie geïnterpreteerd moeten worden.

    De regels voor het opstellen van een coderingsschema lijken erg op die van het ontwikkelen van een gestructureerd observatieschema of een gestructureerd interview. Zo mogen de categorieën niet overlappen en ze moeten allesomvattend zijn.

    Hoe wordt een inhoudsanalyse van online en visuele data uitgevoerd?

    Ook de inhoud van minder traditionele vormen van data, zoals online data (websites, blogs, forums, social media) en visuele materialen kan worden geanalyseerd. Bij de keuze voor een bepaald soort data moet je rekening houden met ethische kwesties: hoe is de data verzameld, kan de data hergebruikt worden en is toestemming verkregen? 

    Websites zijn een rijke databron voor sociale wetenschappers en geregeld het subject van een inhoudsanalyse. Dit kan moeilijkheden met zich meebrengen. De vier kwaliteitscriteria voor documenten van Scott (1990) zijn tevens van toepassing op websites, wat inhoudt dat ze sceptisch benaderd moeten worden. De volgende vragen moeten gesteld worden: waarom is de website er? Om commerciële redenen? Heeft het een bepaald doel of motief? Daarnaast kan het lastig zijn relevante websites te vinden. Het kan veel Google-werk opleveren en zoekmachines geven geen toegang tot de volledige online wereld. De gesuggereerde websites kunnen bovendien het resultaat van bias zijn. Ook verschijnen en verdwijnen websites aan de lopende band, zijn ze continu aan verandering onderhevig en zijn er meerdere benaderingen waarop websites kunnen worden geanalyseerd. Ondanks dat de dynamische aard van websites het voor onderzoekers lastig maakt de originele bron te bestuderen, is het niet onmogelijk. Er bestaat een Internet Archief waarin meer dan 411 biljoen webpagina's te vinden zijn. 

    Blogs zijn een type sociale media, maar zien eruit als websites. Er zijn dan ook veel overeenkomsten met websites op het gebied van de inhoudsanalyse. Ook hier moeten de vragen over het bestaan ervan worden gesteld. Daarnaast kunnen blogs eveneens veranderen, gewijzigd of compleet verwijderd worden. Deze vergelijkbare dynamische aard levert vergelijkbare problemen op. 

    Online forums genieten vooral de interesse van onderzoekers op het gebied van gezondheid, maar een inhoudsanalyse met betrekking tot een verscheidenheid aan onderwerpen is mogelijk. De inhoud van online forums is eveneens dynamisch van aard (gebruikers kunnen hun posts verwijderen of wijzigen). Daarnaast is er het ethische vraagstuk: wanneer is data publiek en wanneer is het publiceren ervan mogelijk schadelijk voor deelnemers? 

    Veel onderzoek is gedaan naar de inhoud van sociale mediaplatformen zoals Facebook, Instagram en Twitter. Zo is Twitter-data gebruikt voor het voorspellen van verkiezingen en criminaliteitspatronen. Er is een aantal zaken om in gedachte te houden wanneer je social media data gebruikt voor een inhoudsanalyse:

    • Is data publiek of privé? Als data alleen beschikbaar is voor Facebook-vrienden, zal dit soort niet binnen het publiek domein vallen.

    • Anonimiteit: een tweet kan makkelijk herleid worden naar een individu. Dit geldt ook voor afbeeldingen op Facebook- of Instagrampagina's.

    • Blootstelling: wanneer iemand bijvoorbeeld een homofobisch bericht plaatst en je gebruikt deze in je werk, dan richt je de aandacht op deze persoon en berokken je mogelijke schade, maar daarnaast heb je die opinie permanent vastgelegd. Het bericht gaat nooit meer weg.

    • Repliceerbaarheid: de gebruiksvoorwaarden van social mediaplatformen variëren enorm qua wat je wel en niet kan delen met anderen. Als je wilt dat je werk repliceerbaar en transparant is, moet je je afvragen hoe iemand anders toegang verkrijgt tot dezelfde data.

    • Hoe reduceer je de enorme populatie aan tweets, afbeeldingen, posts etc. tot een beheersbare grootte? 

    Wat zijn de voordelen en nadelen van een inhoudsanalyse?

    Voordelen:

    • Het is een erg transparante onderzoeksmethode;

    • Het kan een bepaalde hoeveelheid longitudinaal zijn;

    • Het is een ‘niet-ingrijpende’ methode;

    • Het is een hele flexibele methode;

    • Deze methode kan informatie produceren over sociale groepen waarvan het normaliter moeilijk is om toegang tot te krijgen.

    Nadelen:

    • Een inhoudsanalyse is afhankelijk van de kwaliteiten van de documenten/data;

    • Het is vrijwel onmogelijk om een coderingshandleiding te maken waarin precies gespecificeerd wordt hoe al het interpretabele geïnterpreteerd moet worden;

    • Het is moeilijk om de ‘waarom?’ vraag te adresseren;

    • Inhoudsanalyse worden er soms van beschuldigd a-theoretisch te zijn.

    Access: 
    Public
    Hoe kun je secundaire data gebruiken? - Chapter 14

    Hoe kun je secundaire data gebruiken? - Chapter 14

    De tot nu toe besproken kwantitatieve technieken (survey met behulp van een gestructureerd interview of vragenlijst, gestructureerde observatie en inhoudsanalyse) kunnen duur zijn en veel tijd in beslag nemen (vooral voor studenten). Het is soms een beter idee om bestaande data te analyseren dan om nieuwe data te verzamelen. Secundaire analyse biedt deze mogelijkheid.

    Wat houdt secundaire analyse in?

    Bij secundaire analyse wordt de data die eerder verzameld is door andere onderzoekers geanalyseerd. Het kan ook zijn dat jij zelf de primaire data hebt verzameld, een deel hiervan publiceert en later nog eens die data analyseert. In dit geval kan er ook sprake zijn van secundaire analyse. Dit type analyse kan uitgevoerd worden met kwantitatieve data of kwalitatieve data, in dit hoofdstuk wordt gefocust op het eerste.

    Wat zijn de voordelen en nadelen van een secundaire analyse?

    Voordelen:

    • Het bespaart tijd en kosten;

    • De meeste data is van hoge kwaliteit;

    • Er is een mogelijkheid voor longitudinale analyse (wat zeldzaam is in sociaal onderzoek vanwege de kosten en tijd die hieraan verbonden zijn);

    • Er is de mogelijkheid om subgroupen te analyseren;

    • Er is de mogelijkheid voor ‘cross-culturele’ analyse;

    • Er is meer tijd beschikbaar voor de data-analyse;

    • Doordat data opnieuw geanalyseerd wordt, kunnen er nieuwe interpretaties aan het licht komen;

    • Er worden enkele bredere verplichtingen van sociale onderzoekers door vervuld. De data wordt volledig gebruikt (de onderzoeksdeelnemers hebben hun tijd opgeofferd voor het leveren van de data, het is niet meer dan eerlijk om zoveel mogelijk gebruik te maken van deze data).

    Nadelen:

    • De onderzoeker is niet bekend met de data (omdat hij/zij deze niet verzameld heeft);

    • De data kan erg complex van aard zijn;

    • Er is geen controle over de kwaliteit van de data;

    • Sleutelvariabelen kunnen ontbreken.

    Als je de voor- en nadelen in overweging hebt genomen, moet je op zoek gaan naar data om te analyseren. Veel overheidsinstanties, commerciële organisaties en universiteitsonderzoekers verzamelen data in archieven die toegankelijk zijn voor onderzoekers. In het Verenigd Koninkrijk wordt de belangrijkste bron gevonden in Universiteit van Essex (UKDA). Interessant is ook het consortium voor Europese Sociaalwetenschappelijke data-archieven (CESSDA). 

    Wat houdt meta-analyse in?

    Een andere manier waarop onderzoekers bestaande data kunnen gebruiken betreft de meta-analyse. Dit heeft betrekking op het samenvatten en vergelijken van de resultaten van een groot aantal kwantitatieve studies naar een bepaald onderwerp en het uitvoeren van verschillende analytische testen om aan te tonen of een bepaalde variabele al dan niet effect heeft. Dit proces corrigeert diverse steekproef errors die voorkomen binnen een enkele studie. Een meta-analyse zitten tussen een literatuurreview en een secundaire analyse in. 

    Waar moet je op letten als je officiële statistieken gebruikt?

    De betrouwbaarheid komt vaak ter sprake, omdat definities en visies met betrekking tot het fenomeen of de officiële statistieken veranderd kunnen zijn door de jaren heen. Een ander belangrijk probleem betreft de geassocieerde variabelen: als na het bestuderen van regionale verschillen blijkt dat de misdaadcijfers variëren op grond van etnische status of sociale klasse van een gebied, impliceert dit dat etnische status en sociale klasse gerelateerd zijn aan de misdaad. Echter, volgens de ecologische bedrieglijkheid (een analytisch aspect) kunnen dergelijke gevolgtrekkingen over individuen niet gemaakt worden uit samengevoegde data. Daarnaast kunnen er ook validiteitsproblemen optreden: misschien waren er variaties in hoeveelheid surveillances van de politie in een specifiek gebied of worden er vaker of minder vaak meldingen gedaan van overtredingen als de aanstichter van een bepaalde sociale klasse is.

    Voordelen van het gebruik van officiële statistieken ten opzichte van andere vormen van kwantitatieve data (bijvoorbeeld gebaseerd op surveys):

    • Bespaart tijd en kosten (data is al verzameld);

    • Biedt potentie voor het krijgen van een volledig plaatje (de data heeft misschien betrekking op de volledige populatie).

    • Biedt mogelijkheden voor cross-sectionele analyses.

    • Biedt mogelijkheden voor longitudinale analyses.

    • Biedt mogelijkheden voor cross-culturele analyses.

    • Minder risico op reactiviteit.

    De beperkingen die aan de orde zijn gelden voor het gebruik van secundaire data in het algemeen (niet bekend met de data, complexiteit van de data, geen controle over de kwaliteit van de data, sleutelvariabelen ontbreken waarschijnlijk). 

    Wat wordt bedoeld met 'Big Data'?

    Ook zogenaamde 'big data' is een vorm van bestaande data die in aanmerking komt voor een secundaire analyse. Het kan lastig zijn hiervan een definitie te geven, vooral omdat niet alleen de informatie zelf maar ook de aard van de informatie verandert zodra zich nieuwe ontwikkelingen voordoen. De term verwijst meestal naar extreem grote databronnen die lastig te verwerken en analyseren zijn aan de hand van conventionele methodes. Het kan ook verwijzen naar predictieve analyses. De term wordt tevens gebruikt in verband met de grote hoeveelheid data die winkeliers over ons en onze uitgavepatronen verzamelen. Daarnaast wordt ook data verzameld door online bedrijven en platformen waarop we actief zijn. Databronnen zijn bijvoorbeeld Facebook, Twitter en FitBit.

    Er lijkt een onderscheid te bestaan tussen twee manieren waarop Big Data wordt geanalyseerd, met name in de context van sociale media: de inhoud van sociale media berichten, en de structuur en het proces van social media activiteiten. 

    Big Data is een aantrekkelijke databron voor sociale wetenschappers, omdat de bronnen non-reactief zijn: ze zijn niet gegenereerd voor onderzoeksdoeleinden. Daarnaast biedt het de mogelijkheid om te werken met grote hoeveelheden data (wat ook een uitdaging kan vormen). 

    Access: 
    Public
    Wat houdt een kwantitatieve data-analyse in? - Chapter 15

    Wat houdt een kwantitatieve data-analyse in? - Chapter 15

    Veel onderzoekers nemen onterecht aan dat zij zich nog niet bezig hoeven te houden met data-analysemethodes totdat de data is verzameld. Echter, al in een vroeg stadium moet rekening gehouden worden met de data-analyse, omdat (1) niet elke techniek gebruikt kan worden voor elke variabel, en (2) de grootte en aard van de steekproef beperkingen opleggen voor de data-analyse.

    Welke soorten variabelen zijn er?

    Er zijn vier belangrijke variabelen:

    1. Interval / ratio variabele: de eerste is een variabele waarbij de afstand tussen de categorieën identiek is aan de afstand tussen alle andere categorieën, de tweede is een interval variabelen met een werkelijk nulpunt. Voorbeelden van een interval variabele: inkomen, aantal medewerkers, leeftijd).

    2. Ordinale variabele: een variabele waarvan de categorieën gerangschikt kunnen worden (net als bij interval en ratio variabelen), maar waarbij de afstand tussen de categorieën niet gelijk is aan elkaar. Bijvoorbeeld 'elke dag' en '4-6 dagen per week'. 

    3. Nominale variabele: wordt ook wel een categorische variabele genoemd en betreft een variabele die bestaat uit categorieën die niet gerangschikt kunnen worden maar waarbij alleen een naam is toegewezen.

    4. Dichotome variabele: bestaat enkel uit twee categorieën (zoals ja/nee).

    ‘Multiple-indicator’ of ‘multi-item’ metingen (zoals de Likert-schaal) produceren strikt gesproken alleen ordinale variabelen. Veel onderzoekers menen echter dat de variabelen ook gezien kunnen worden als interval/ratio variabelen vanwege de relatief grote hoeveelheid variabelen die geproduceerd worden.

    Wat houdt de 'univariate’ analyse in?

    Een ‘univariate’ analyse verwijst naar de analyse waarbij één variabele tegelijkertijd wordt geanalyseerd. Er zijn verschillende benaderingen van een dergelijke analyse.

    Wat is een frequentietabel?

    Een frequentietabel geeft per categorie (bijvoorbeeld leeftijd of redenen om naar de sportschool te gaan) het aantal mensen (n) en het percentage (%) wat die groep beslaat van de hele groep. Een frequentietabel kan gebruikt worden bij alle soorten variabelen.

    Wat is het voordeel van een diagram?

    Een diagram kan ook goed de kwantitatieve data weergeven. Het voordeel is dat diagrammen relatief makkelijk te begrijpen zijn. In het geval van nominale of ordinale variabelen zijn het staafdiagram en het taartdiagram de meest gebruikte en makkelijkste methodes. Bij het weergeven van een interval/ratio variabele is een histogram het meest geschikt. Net als bij het staafdiagram laat een histogram de relatieve grootte van de groepen zien, maar is er geen witte ruimte tussen de staven (‘bars’).

    Hoe wordt een centrale tendens gemeten?

    Een maat van de centrale tendens is een statistiek die in één getal de verdeling van waardes samenvat. Er zijn drie veelgebruikte maten:

    1. Het (aritmetisch) gemiddelde: het gemiddelde (de som van alle waarden delen door het aantal waarden) wordt vooral gebruikt bij interval/ratio variabelen en soms bij ordinale variabelen.

    2. De mediaan: deze waarde is - in tegenstelling tot het gemiddelde - ongevoelig voor uitschieters (extreme waarden). Alle waardes worden genoteerd en de middelste van deze waarden is de mediaan. Wanneer het middelpunt bestaat uit twee waardes, wordt het gemiddelde van die twee waardes genomen.

    3. De ‘mode’: de waarde die het meest voorkomt in een verdeling. Deze maat kan gebruikt worden bij alle soorten variabelen.

    Hoe wordt de mate van spreiding gemeten?

    De mate van spreiding binnen waardes wordt vaak gemeten door het bereik: het verschil tussen de minimumwaarde en de maximumwaarde bij een interval/ratio variabele. Het bereik is echter (net als het gemiddelde) gevoelig voor uitschieters. Een tweede maat voor de spreiding is de standaarddeviatie: de gemiddelde hoeveelheid variatie rondom het gemiddelde. De standaarddeviatie wordt berekend door het verschil te nemen tussen elke waarde en het gemiddelde waarna het totale verschil gedeeld wordt door et aantal waardes. Een derde manier om de spreiding te achterhalen bij een interval/ratio variabele is door het gebruik van een boxplot. In een boxplot wordt een maat gegeven voor de centrale tendens (de mediaan: in vorm van een blokje) en de spreiding (het bereik: in de vorm van een verticale lijn boven en onder het blokje).

    Wat houdt de ‘bivariate’ analyse in?

    Een ‘bivariate’ analyse betreft de analyse van twee variabelen op hetzelfde moment om zo te kunnen bepalen of de variabelen zijn gerelateerd. Er wordt dus onderzoek gedaan naar het type relatie tussen de variabelen en niet naar causaliteit. De techniek die hiervoor gebruikt wordt is afhankelijk van de aard van de variabelen:.

    Wat is een ‘contingency’ tabel?

    Een ‘contingency’ tabel is waarschijnlijk de meest flexibele methode voor het analyseren van relaties, omdat het elk paar variabelen kan analyseren. Het is echter niet de meest efficiënte methode voor sommige paren. Normaliter bevatten deze tabellen percentages omdat hierdoor de tabel makkelijker te interpreteren is. Bij een dergelijke tabel wordt bijvoorbeeld de correlatie tussen geslacht en redenen om naar de sportschool gaan weergegeven. Met zo’n tabel kunnen associatiepatronen achterhaald worden (bijvoorbeeld: mannen gaan vooral naar de sportschool om sterker te worden terwijl vrouwen vooral naar de sportschool gaan om af te vallen).

    Wat houdt 'Pearson’s r' in?

    Perason’s r is een manier om de correlatie tussen twee interval/ratio variabelen te achterhalen. Dit correlatiecoëfficiënt ligt altijd tussen 0 (geen relatie) en 1 (sterke relatie) wat de kracht van de relatie aangeeft. Het coëfficiënt kan daarnaast negatief of positief zijn wat de richting aangeeft van de relatie. Bij een perfecte negatieve relatie (r = -1) wordt de ene variabele veel minder naarmate de andere variabele toeneemt. Bij een coëfficiënt van nabij 0 is er zo goed als geen verband tussen de twee variabelen. Bij een perfecte positieve relatie (r = 1) neemt de ene variabele evenveel toe als de andere variabele. Om Pearson’s r te kunnen gebruiken moet de correlatie tussen de twee variabelen vrijwel lineair zijn, oftewel, in een puntendiagram moeten de waardes van de twee variabelen een grove rechte lijn vormen (ook al kunnen ze iets verspreid zijn: als er maar een rechte lijn in te herkennen is). Het plotten van zo’n diagram is dus belangrijk voordat deze statistiek wordt gebruikt. Wanneer de wortel wordt genomen van Pearson’s r, krijg je het ‘coefficient of determination’, oftewel r2. Deze waarde geeft aan hoeveel van de variatie wordt verklaard door deze variabele . Voorbeeld: r = -0.27, r2= 0.0729. Met andere woorden, 7% van de variatie van een variabele wordt verklaard door de andere variabele.

    Wat houdt Spearman’s rho (ρ) in?

    Spearman’s rho (ρ) is in sommige opzichten hetzelfde als Pearson’s r, omdat Spearman’s rho ook een correlatiecoëfficiënt is, ook positief of negatief kan zijn en ook varieert tussen de 0 en 1. Spearman’s rho wordt echter gebruikt bij een paar ordinale variabelen of bij een paar waarvan de een variabele ordinaal is en de andere interval/ratio.

    Wat houden Phi (ϕ) en Cramér’s V in?

    Het phi (ϕ) coëfficiënt en Cramérs V zijn twee sterk gerelateerde statistieken. De eerste statistiek wordt gebruikt om de kracht van een relatie tussen twee dichotome variabelen te achterhalen. Net als Pearson’s r resulteert dit in een positieve of negatieve waarde tussen de 0 en 1. De tweede statistiek wordt toegepast bij nominale variabelen en kan alleen een positieve waarde geven (dus het geeft alleen een maat voor de kracht van de correlatie en niet de richting). Ook dit is dus een methode voor het beoordelen van de kracht van een relatie tussen twee variabelen, maar dan moet minstens één van de variabelen meer dan twee categorieën hebben. Deze waarde wordt bijna nooit op zichzelf gerapporteerd: het komt vaak samen met een ‘contingency’ tabel en een ‘chi-square test’.

    Wanneer is het vergelijken van het gemiddelde en een eta statistiek nuttig?

    Het vergelijken van de gemiddelden van de interval/ratio variabele voor elke subgroep van de nominale variabele kan nuttig zijn wanneer de correlatie tussen een dergelijk variabelenpaar bepaald moet worden en de nominale variabele relatief duidelijk geïdentificeerd moeten worden als de onafhankelijke variabele. Deze procedure gaat vaak samen met een associatietest bekend als eta. Eta is een test om de kracht van een relatie tussen twee variabelen aan te geven. De onafhankelijke variabele moet een nominale variabele zijn en de afhankelijke variabele moet een interval/ratio variabele zijn. Het resulterende correlatieniveau is altijd positief.

    Wat houdt de ‘multivariate’ analyse in?

    De multivariate analyse betreft het simultaan analyseren van drie of meer variabelen. Om een relatie tussen twee variabelen vast te stellen moet ook aangetoond kunnen worden dat inderdaad sprake is van een correlatie. Wanneer een relatie ‘onecht’ is, wordt deze veroorzaakt doordat elke variabele op zichzelf gerelateerd is aan een derde variabele. Bijvoorbeeld: als gekeken wordt naar de relatie tussen inkomsten en stemgedrag, moet de onderzoeker zich afvragen of de relatie hiertussen niet een product is van de leeftijd (een ouder iemand verdient vaak meer en leeftijd beïnvloedt ook het stemgedrag). In dit voorbeeld is leeftijd dus een zogenoemde ‘confounding’ variabele.

    Als vastgesteld is dat de relatie uitsluitend veroorzaakt wordt door de twee bedoelde variabelen, kunnen we ons afvragen waarom er een relatie is tussen de twee variabelen. In dit geval is er niet een derde, onafhankelijke variabele die invloed heeft op de twee variabelen zoals zojuist, maar is er een variabele die tussen de twee variabelen instaat: een ‘intervening’ variabele. Deze variabele suggereert dat de relatie niet een directe relatie is. Is de aangetoonde relatie tussen twee variabelen anders voor vrouwen dan voor mannen? Als dit het geval is, wordt de relatie gemodereerd door geslacht.

    Wat houdt statistische significantie in?

    Statistische gevolgtrekking is een proces waarbij de onderzoeksresultaten van een waarschijnlijkheidssteekproef gegeneraliseerd kunnen worden naar de populatie waaruit de steekproef is genomen. Een test van statistische significantie stelt de onderzoeker in staat om een schatting te maken van de zekerheid waarmee de resultaten te generaliseren zijn. ‘Significantie’ refereert dus niet naar belangrijkheid, maar naar het vertrouwen wat de onderzoekers kan en mag hebben in de resultaten.

    Allereerst moet de onderzoeker een nulhypothese opstellen waarin wordt verondersteld dat de twee variabelen binnen de populatie niet gecorreleerd zijn. Daarna moet een acceptabel niveau van statistische significantie bepaald worden. Deze maat representeert het risico dat je foutief de nulhypothese zou kunnen verwerpen, dus dat je zegt dat er wel een relatie is terwijl deze er werkelijk niet is. Het niveau van statistische significantie wordt gerapporteerd als een waarschijnlijkheidsniveau. De meeste onderzoekers gebruiken een maximumniveau van p < 0.05 waarbij de kans kleiner is dan 5 op de 100 steekproeven dat er een relatie tussen de variabelen aangetoond wordt terwijl dit niet zo is. De onderzoeker moet vervolgens de statistische significantie van de gegevens bepalen (gebruik bijvoorbeeld de ‘chi-square test’). Als de gegevens significant zijn op een .05 significantieniveau, wordt de nulhypothese verworpen. Een Type I fout is wanneer de nulhypothese onterecht wordt verworpen. Een Type II fout is wanneer de nulhypothese onterecht wordt aangenomen. Het risico op een Type I fout is groter wanneer gebruikt wordt gemaakt van een significantieniveau van 0.05, terwijl de kans op een Type II fout groter is bij een significantieniveau van 0.01.

    Wat is de ‘chi-square test’ (χ²)?

    De ‘chi-square test’ (χ²) is een test van statistische significantie die gebruikt wordt om vast te stellen hoe zeker we kunnen zijn dat de onderzoeksbevindingen uit een ‘contingency’ tabel gegeneraliseerd kunnen worden van onze waarschijnlijkheidssteekproef naar de populatie waaruit deze steekproef is gehaald. Deze test berekent eerst voor elke cel in de tabel een verwachte frequentie (waarde) op basis van toeval. De ‘chi-square’ waarde wordt verkregen door het verschil tussen deze verwachte waarde en de werkelijke waarde te berekenen en al deze verschillen bij elkaar op te tellen (dit is een wat gesimplificeerde formulering). De ‘chi-square’ waarde heeft op zichzelf geen betekenis en kan alleen geïnterpreteerd worden door het significantieniveau. De kans dat de ‘chi-square’ waarde statistisch significant is hangt niet alleen af van de grootte van deze waarde, maar ook van het aantal categorieën binnen de twee gebruikte variabelen. Dit wordt ook wel de ‘degrees of freedom’ (df) genoemd die geassocieerd is met de tabel. De df = (aantal kolommen – 1) (aantal rijen – 1).

    Wanneer is een correlatiecoëficiënt statistisch significant?

    Als we een correlatiecoëfficiënt van r = -0.82 hebben bij een significantieniveau van p < .001, kunnen we de nulhypothese verwerpen en stellen dat slechts in 1 van de 1000 gevallen dit resultaat het gevolg is van toeval. Of een correlatiecoëfficiënt statistisch significant is, hangt af van twee factoren: de grootte van het berekende coëfficiënt en de steekproefgrootte.

    Access: 
    Public
    Wat houdt kwalitatief onderzoek in? - Chapter 16

    Wat houdt kwalitatief onderzoek in? - Chapter 16

    Wat is kwalitatief en kwantitatief onderzoek?

    Bij kwalitatief onderzoek gaat het (1) meer om de woorden, afbeeldingen en objecten, (2) neigt het naar een inductieve benadering (theorie wordt gegenereerd uit onderzoek), (3) is ‘interpretivisme’ de epistemologische positie, en (4) is constructivisme de ontologische positie. Dit staat lijnrecht tegenover kwantitatief onderzoek waarbij de aantallen belangrijker zijn, er sprake is van een deductieve benadering is, de epistemologische positie een natuurwetenschappelijk model (vooral positivisme) is en de ontologische positie objectivisme. Let op dat het hier niet om duidelijke verschillen gaat, maar meer om de neiging om één van de twee onderzoeksstrategieën te hanteren. Er is overigens nog steeds geen complete consensus over wat kwalitatief onderzoek precies is.

    De belangrijkste methoden van dataverzameling betreffen etnografisch/participant observatie, het kwalitatieve interview, focusgroepen en het verzamelen van teksten en documenten.

    Wat zijn de belangrijkste bezigheden van kwalitatieve onderzoekers?

    Kwalitatieve onderzoeken moeten zich richten op een vijftal punten:

    1. Kijken door de ogen van de mensen die je bestudeert. Op epistemologisch niveau zijn kwalitatieve onderzoekers ervan overtuigd dat het sociale onderwerp van de studie (mensen en hun sociale wereld) fundamenteel verschilt van het onderwerp van natuurwetenschappelijke studies, opdat mensen betekenissen kunnen geven aan gebeurtenissen en hun omgeving. Om deze reden kiezen kwalitatieve onderzoekers niet het natuurwetenschappelijke model als epistemologische positie, maar kiezen zij voor interpretivisme: de wereld moet volgens hen bestudeerd worden door de ogen van de mensen die zij bestuderen. Door vanuit hun perspectief te kijken naar de wereld om hen heen wordt er meer geleerd over de achtergrond en onderliggende motieven. De onderzoekers kijken dus verder dan de oppervlakte. Zo kwam Taylor (1993) er tijdens zijn studie achter dat de vrouwelijke drugsgebruikers geen ‘zielige, inadequate’ individuen zijn, maar juist rationele, actieve individuen die wel degelijk een afweging maken tussen hun drugscarrière en hun rol en status in de maatschappij. De manier waarop kwalitatieve onderzoekers redeneren wordt dan ook beter beschreven als abductief redeneren (en niet inductief redeneren). Bij abductief redeneren krijgt de onderzoeker een theoretisch begrip van de sociale context rekening houdend met hun taal, betekenissen en perspectieven die hun zienswijze vormen.

    2. Het belang van (het rapporteren van) de context. De nadruk bij de rapportage ligt vooral op het geven van een gedetailleerde beschrijving van de sociale setting. Geertz (1973) introduceerde dan ook de term ‘dikke beschrijving’ om te refereren naar een beschrijving die rijk is aan details over sociale settings, gebeurtenissen en individuen. Kwalitatieve onderzoekers hechten heel veel waarde aan het bieden van deze gedetailleerde informatie, omdat ze het erg belangrijk vinden dat hun lezers de context waarin het gedrag bestudeerd is, goed begrijpen.

    3. De nadruk op processen. Kwalitatieve onderzoekers zien het sociale leven in termen van processen. Volgens Pettigrew (1997) is een proces ‘een reeks individuele en collectieve gebeurtenissen, acties en activiteiten die zich ontwikkelen over tijd’. Onderzoekers willen laten zien hoe gebeurtenissen en patronen zich presenteren naarmate de tijd verstrijkt. Vooral kwalitatieve onderzoeken die gebruik maken van etnografische methoden leggen hier de nadruk op. Een proces kan bestudeerd worden op de momenten dat het in uitvoering is door participant observatie, of achteraf bestudeerd worden door bijvoorbeeld retrospectief interviewen.

    4. De flexibiliteit en beperkte structuur. Er wordt geen sterk gestructureerde methode voor de dataverzameling gebruikt, omdat een dergelijke methode gebonden is aan onder andere het doel van de studie, de verwachtingen van de onderzoeker, etc. Om echt als onderzoeker door te dringen in de sociale wereld die je bestudeert is het onmogelijk om een dergelijke gesloten methode aan te houden. Daarom worden er ongestructureerde methoden gebruikt waarvoor sterk gespecificeerde onderzoeksvragen op voorhand niet nodig zijn. Geleidelijk aan zal het onderzoek haar wending krijgen en de onderzoeksvragen worden pas echt gespecificeerd als de data verzameld is. Het grootste voordeel van een ongestructureerd onderzoek is de hoeveelheid flexibiliteit die het onderzoek hierdoor krijgt.

    5. Concepten en theorieën vloeien voort vanuit de data. Zoals al vaker benoemd komen concepten en theorieën vaak tot stand na de data-analyse, oftewel, er is sprake van een inductieve benadering.

    Wat zijn de belangrijkste stappen in kwalitatief onderzoek?

    De belangrijkste stappen in een kwalitatief onderzoek:

    1. Het opstellen van de algemene onderzoeksvraag of vragen

    2. Het selecteren van een relevante locatie en subjecten

    3. Het verzamelen van relevante data

    4. Het interpreteren van de data

    5. Het conceptuele en theoretische werk (dit vormt samen met de interpretatie van de data de onderzoeksbevindingen)

    6. Het eventueel specificeren van de onderzoeksvragen en het verzamelen van meer aanvullende data

    7. Het opschrijven van de bevindingen en conclusies.

    De twee grootste verschillen tussen het kwalitatieve stappenplan en het kwantitatieve stappenplan betreffen het verschil tussen de theorie en het onderzoek en de concepten.

    Welke rol spelen theorie en concepten in kwalitatief onderzoek?

    Kwalitatieve onderzoekers hechten veel waarde aan het gegeven dat theorieën kunnen voortkomen uit de data. Een zogenoemde gefundeerde theorie is een theorie die voortgekomen is uit systematisch verzamelde en geanalyseerde data. Het lijkt er echter op dat meer en meer kwalitatieve onderzoekers ook geïnteresseerd raken in het testen van theorieën. Dit is dan ook opgenomen in het stappenplan (stap 6). Hier wordt geïmpliceerd dat er tijdens het onderzoek een theoretische positie ingenomen kan worden waarvoor meer data verzameld moet worden. In feite is de kwalitatieve onderzoeker dan bezig met het testen van een theorie in plaats van het genereren van een theorie. De gebruikelijke volgorde van het stappenplan doelt nog altijd op het produceren van theorieën en niet het testen van theorieën.

    Hoewel het ontwikkelen van metingen van concepten niet zo belangrijk is voor kwalitatieve onderzoekers, wordt er wel mee gewerkt. Concepten worden volgens Blumer (1954) gezien als definitieve of gevoelige concepten. Volgens Blumer (1954) moeten er geen definitieve concepten gebruikt worden die al vaststaan door de uitgebreide exclusieve indicators die (standaard) gebruikt worden om dat concept te meten. Een gevoelig concept is een algemene formulering van een concept wat een nuttig houvast is voor een empirisch onderzoek. Het is vaak onduidelijk wanneer een dergelijk concept nuttig is, omdat het niet te breed en niet te nauwkeurig mag zijn.

    Hoe wordt de onderzoekskwaliteit (betrouwbaarheid en validiteit) beoordeeld?

    Sommige onderzoekers, zoals Mason (1996), gebruiken bij het beoordelen van de betrouwbaarheid en validiteit van kwalitatief onderzoek criteria die vrijwel gelijk zijn aan die van het beoordelen van de betrouwbaarheid en validiteit in kwantitatief onderzoek (betrouwbaarheid, validiteit en generaliseerbaarheid - het belangrijkste component van externe validiteit). LeCompte en Goetz (1982) stelden al eerder dat kwantitatief en kwalitatief onderzoek met dezelfde criteria beoordeeld kunnen worden. Zij hanteerden net iets andere termen dan Mason (1996), namelijk:

    • Interne betrouwbaarheid: deze is gelijk aan de inter-observant consistentie en refereert aan de mate waarin de observanten of leden van een onderzoeksteam het met elkaar eens zijn over wat ze zien en horen.

    • Externe betrouwbaarheid: de mate waarin een studie kan worden gerepliceerd. Dit is een moeilijk punt in kwalitatief onderzoek, omdat het onmogelijk is om een sociale setting te bevriezen. Met andere woorden, een sociale setting is dynamisch en verandert continu; dezelfde onderzoeksomstandigheden creëren is lastig.

    • Interne validiteit: de mate waarin er een goede match is tussen de observaties en de ontwikkelde theoretische ideeën. Dit zou een sterk punt zijn van kwalitatief onderzoek, vooral etnografisch onderzoek, omdat de observant vaak langdurig aanwezig is in de sociale setting en dus betrouwbare links kan leggen.

    • Externe validiteit: de mate waarin de bevindingen kunnen worden gegeneraliseerd. Ook dit is een probleem voor kwalitatieve onderzoekers, omdat zij vaak geneigd zijn om ‘case’ studies te doen en kleine steekproeven te gebruiken.

    Andere onderzoekers, zoals Guba (1985) en Lincoln (1994), suggereren dat kwalitatieve studies anders beoordeeld moeten worden dan kwantitatieve onderzoeken. Zij introduceerden alternatieve criteria voor het evalueren van de betrouwbaarheid en validiteit. Deze twee primaire criteria betreffen betrouwbaarheid (maar dan ‘trustworthiness’ en niet ‘reliability’ zoals in kwantitatief onderzoek) en authenticiteit.

    Betrouwbaarheid (‘trustworthiness’) bestaat uit vier criteria die elk een equivalent kent in de beoordeling van kwantitatief onderzoek:

    1. Geloofwaardigheid: gelijk aan interne validiteit. Bij het vaststellen van de geloofwaardigheid van het onderzoek zijn er twee veelgebruikte technieken: respondent validatie en triangulatie.

    2. Overdraagbaarheid: gelijk aan externe validiteit. Kwalitatieve bevindingen zijn vaak contextspecifiek. Kwalitatieve onderzoekers hebben de overdraagbaarheid dan ook niet als doel: zij willen een zogenoemde ‘dikke beschrijving’ (Geertz, 1973) bieden, oftewel, een rijke beschrijving vol details over een bepaalde cultuur.

    3. Afhankelijkheid: gelijk aan de betrouwbaarheid

    4. Bevestigbaarheid ('conformality’: gelijk aan objectiviteit

    Ook authenticiteit bestaat volgens Lincoln en Guba uit meerdere criteria:

    1. Eerlijkheid: representeert het onderzoek alle verschillende perspectieven van de leden van een bepaalde cultuur?

    2. Ontologische authenticiteit: krijgen leden van de cultuur een beter begrip van hun sociale omgeving door dit onderzoek?

    3. Educatieve authenticiteit: helpt het onderzoek om de leden van de cultuur de perspectieven van hun andere leden te waarderen?

    4. Catalytische authenticiteit: heeft het onderzoek de leden van de cultuur aangespoord om aanpassingen te maken in hun omgeving?

    5. Tactische authenticiteit: heeft het onderzoek de leden van de cultuur de volmacht gegeven om de benodigde stappen die tot verandering leiden te zetten?

    Hammersley (1992) kiest een middenweg: hij past niet de kwantitatieve criteria toe, maar formuleert ook geen alternatieve kwalitatieve criteria. Hij stelt dat validiteit erg belangrijk is. Daarnaast ziet hij ook relevantie als een belangrijk criterium. Validiteit ziet hij als geloofwaardigheid en plausibiliteit. Zijn definitie is geformuleerd vanuit een subtiele realistische positie: we kunnen nooit helemaal zeker zijn van de waarheid van iets, omdat we geen directe toegang hebben tot de realiteit waarop dit is gebaseerd. De validiteit van een claim moet beoordeeld worden op basis van de geschiktheid van het aangeboden bewijs. Met relevantie doelt hij op het belang van het ontwerp binnen het gebied en de bijdrage aan de literatuur. 

    Er zijn drie posities behandeld: (1) het gebruiken van kwantitatieve onderzoekscriteria (2) het formuleren of gebruiken van alternatieve criteria, en (3) Hammersley’s subtiel realistische positie. Geen van allen dekt de lading aan meningen over dit onderwerp. De drie posities verschillen in de mate waarin een realistische positie geaccepteerd of juist verworpen wordt. Onderzoekers die (vrijwel onaangepast) de kwantitatieve onderzoekscriteria gebruiken voor het beoordelen van kwalitatief onderzoek zetten zichzelf neer als realist – ze stellen immers dat de sociale realiteit gevangen kan worden door hun concepten en theorieën. Lincoln en Guba, twee van de vele onderzoekers die alternatieve criteria formuleren, verwerpen deze visie door te stellen dat de concepten en theorieën slechts representaties zijn en dat er daarom andere, even betrouwbare representaties kunnen zijn van hetzelfde fenomeen. Hiermee nemen zij een anti-realistische positie in. Hammersley zit in het midden van dit continuüm.

    Welke kritiek is er op kwalitatief onderzoek?

    De meeste voorkomende kritiekpunten op kwalitatief onderzoek zijn:

    1. Het is te subjectief;

    2. Het is moeilijk om te repliceren;

    3. Het is lastig te generaliseren. 

    4. Het is onvoldoende transparant.

    Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek?

    Gaandeweg hebben we de meeste verschillen tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek behandeld (zoals voorbeelden met betrekking tot de epistemologische positie etc.). Hier volgt een opsomming van de belangrijkste verschillen waarbij het eerste woord gerelateerd is aan kwantitatief onderzoek en het tweede woord aan kwalitatief onderzoek:

    • Cijfers versus woorden;

    • Perspectief van de onderzoeker versus perspectief van de deelnemer;

    • Onderzoeker is afstandelijk versus onderzoeker is dichtbij;

    • Theorie en concepten getest in onderzoek (deductieve benadering) versus theorie en concepten die voortvloeien uit de verzamelde data (inductieve benadering);

    • Statisch versus proces;

    • Gestructureerd versus flexibel;

    • Generalisatie versus contextueel begrip;

    • Harde betrouwbare data versus rijke, diepe data;

    • Macro versus micro;

    • Gedrag versus betekenis;

    • Kunstmatige setting versus natuurlijke setting.

    Er zijn ook globale overeenkomsten:

    • Beiden houden zich bezig met datavermindering nadat (te) veel data is verzameld;

    • Beiden houden zich bezig met het beantwoorden van onderzoeksvragen door middel van bewijs;

    • Beiden relateren de data-analyse aan de onderzoeksliteratuur;

    • Beiden houden zich bezig met variatie;

    • Beiden proberen vertekening te voorkomen;

    • Beiden pleiten voor het belang van transparantie;

    • Beiden gaan in op de mogelijke fouten van het onderzoek;

    • Beiden maken gebruik van onderzoeksmethoden die bij de onderzoeksvragen passen.

    Access: 
    Public
    Welke steekproeven worden gebruikt in kwalitatief onderzoek? - Chapter 17

    Welke steekproeven worden gebruikt in kwalitatief onderzoek? - Chapter 17

    In surveyonderzoek ligt de nadruk op de waarschijnlijkheidssteekproef. Binnen kwalitatief onderzoek geldt dit voor de doelgerichte steekproef, een vorm van niet-waarschijnlijkheidssteekproeven. Een doelgerichte steekproef betreft een strategische selectie van ‘informatierijke units’ (mensen, organisaties, documenten, etc.) of gevallen die in direct verband staan met de doeleinden van het onderzoek. De onderzoeksvragen verschaffen de leidraad voor de te selecteren categorieën.

    Waarschijnlijkheidssteekproeven (willekeurige) kunnen ook worden gebruikt in kwalitatief onderzoek, al zullen deze eerder voorkomen in een interview-onderzoek dan een etnografisch onderzoek. Het gebruik van waarschijnlijkheidssteekproeven is relatief ongebruikelijk binnen kwalitatief onderzoek, vooral omdat het niet uitvoerbaar is door de beperkingen van veldwerk en het erg moeilijk is om de populatie in kaart te brengen waaruit een willekeurige steekproef kan worden getrokken: oftewel een steekproefkader te creëren.

    Uit welke levels bestaat een steekproef in kwalitatief onderzoek?

    Steekproeven in kwalitatief onderzoek kennen vaak twee levels: eerst het geval of de context selecteren en daarna de deelnemers. Deze kwestie is met name relevant wanneer onderzoek is gebaseerd op een single-case of multiple-case studie. De onderzoeker selecteert dan eerst het geval of de gevallen en daarna de units binnen die gevallen.

    Illustratief is het onderzoek van Abbas et anderen (2016). De onderzoekers selecteerden eerst vier universiteiten in Engeland en daarna groepen sociologiestudenten binnen elke universiteit. Wat betreft de context werden vier departementen geselecteerd op basis van hun plaats op de landelijke ranglijst (twee prestige universiteiten en twee universiteiten onderaan de ranglijst). Dit is een gebruikelijke strategie wanneer een steekproef wordt getrokken voor een multi-case onderzoek: zowel heterogeniteit (verschillende sociale achtergronden) en homogeniteit (allen binnen Engeland). Vervolgens werden binnen elk departement studenten geselecteerd voor de steekproef. Aan de hand van deze strategie onderzochten zij de overeenkomsten en verschillen tussen studenten onderling per universiteit en tussen de studenten van de verschillende universiteiten.

    Wat zijn doelgerichte steekproeven?

    In geval van een waarschijnlijkheidssteekproef is selectie gebaseerd op het bereiken van statistische representativiteit waardoor generaliseerbaarheid van steekproef naar de populatie mogelijk is. De logica achter een doelgerichte steekproef is anders. Er zijn meerdere soorten doelgerichte steekproeven. Alle doelgerichte steekproeven zijn per definitie niet-waarschijnlijkheidssteekproeven, waardoor de onderzoeksbevindingen niet gegeneraliseerd kunnen worden. In geval van een doelgerichte steekproef gaat het om een bewuste selectie van 'informatierijke units' of gevallen die de onderzoeker zoveel mogelijk kunnen leren over het fenomeen dat zijn interesse heeft. Alle vormen van doelgerichte steekproeven hebben met elkaar gemeen dat zij direct verband houden met de onderzoeksvragen. 

    Twee veelgebruikte soorten doelgerichte steekproeven binnen kwalitatief onderzoek zijn de theoretische steekproef en de sneeuwbalsteekproef. Een voorbeeld van een doelgerichte steekproef in kwantitatief onderzoek is de quotasteekproef. 

    Auteurs zoals Patton (2015) en Palys (2008) hebben een serie van verschillende soorten doelgerichte steekproeven vastgesteld:

    1. De 'extreem of afwijkend geval'-steekproef. Deze heeft betrekking op ongewone gevallen of gevallen met uitzonderlijke kwaliteiten. Onderzoekers kunnen mensen, gebeurtenissen of gedragingen onderzoeken die atypisch of afwijkend zijn. 

    2. De 'typisch geval'-steekproef. Dit is het tegenbeeld van nummer 1. 

    3. De 'kritiek-geval'-steekproef. Dit geval vertoont kernelementen van het fenomeen dat onderzocht wordt en zullen waarschijnlijk het meeste informatie opleveren. 

    4. De 'maximale variatie'-steekproef. Aan de hand hiervan kunnen de gebruikelijke kenmerken of thema's die bestaan binnen een ruime variatie aan contexten worden beschreven. Deze strategie is met name effectief voor het identificeren van zowel de unieke als de gedeelde kenmerken tussen units. 

    5. Criterium-steekproef. Deze heeft betrekking op zaken of units die voldoen aan een bepaald criterium. Als een onderzoeker bijvoorbeeld wil kijken naar schoolkinderen die gevaar lopen van school te worden gestuurd, kan besloten worden kinderen te selecteren die geregistreerd staan als spijbelaars. 

    6. Theoretische steekproef. De selectie van gevallen of units is gebaseerd op een theorie. 

    7. Sneeuwbalsteekproef. 

    8. Opportunistische steekproef. Kwalitatief veldwerk is onvoorspelbaar, je moet profiteren van de mogelijkheden die zich in het veld voordoen. Er wordt bewust gekozen voor bepaalde gevallen of units als en wanneer deze zich voordoen. 

    9. Gestratificeerde doelgerichte steekproef. Deze heeft betrekking op bepaalde subgroepen en heeft als doel het opmerken van grote verschillen tussen deze groepen. 

    De eerste drie vormen van doelgerichte steekproeven worden gebruikt voor de selectie van gevallen of contexten. De overige worden gebruikt voor zowel de selectie van individuen als van gevallen of contexten.

    Er zijn meerdere manieren om aan een doelgerichte steekproef te komen. Teddie en Yu (2007) maken de volgende tweedeling in het verwerven van een dergelijke steekproef: via ‘sequential sampling’ of via ‘non-sequential sampling’. Bij de eerste term wordt er een aanvankelijke steekproef geselecteerd en worden er geleidelijk meer ‘units’ toegevoegd. De sneeuwbalsteekproef is hier een voorbeeld van. Bij ‘non-sequential sampling’, ook wel een ‘fixed sampling’ strategie genoemd, wordt vroeg in het onderzoeksproces één steekproef geselecteerd en wordt daar niks meer aan veranderd. De onderzoeksvragen zijn nog steeds leidend, maar de steekproef is voorafgaand aan de dataverzameling bepaald. Hood (2007) stelt twee andere manieren voor om aan een steekproef te komen: a priori of ‘contingent’. Een doelgerichte steekproef is (in tegenstelling tot een a priori steekproef) ‘contingent’ wanneer de criteria voor het kiezen van ‘units’ veranderen over tijd (bijvoorbeeld door het plotseling veranderen van de onderzoeksvragen). De theoretische steekproef is hier een voorbeeld van. In geval van een a priori steekproef worden de selectiecriteria aan het begin van het onderzoek bepaald. 

    Wat zijn de meest voorkomende vormen van de doelgerichte steekproef?

    De drie meest voorkomende vormen van de doelgerichte steekproef zijn: de theoretische steekproef, de generieke doelgerichte steekproef en de sneeuwbalsteekproef.

    Wat houdt de theoretische steekproef in?

    Volgens Glaser en Strauss (1967) is een waarschijnlijkheidssteekproef niet geschikt voor kwalitatief onderzoek, omdat deze manier van steekproef trekken gekozen wordt op basis van statistische en a-theoretische overwegingen. Bij een theoretische steekproef ligt de focus op het kiezen van ‘units’ waarvan de onderzoeker weet dat deze zullen bijdragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvraag en dus het creëren van theoretisch inzicht. Allereerst begint de onderzoeker met een algemene onderzoeksvraag waarna er een theoretische steekproef wordt gekozen. Vervolgens wordt data verzameld en geanalyseerd. In overeenstemming met de gefundeerde theorie ('grounded theory') blijft de onderzoeker data verzamelen totdat er theoretische verzadiging plaatsvindt: dit houdt in dat de opeenvolgende interviews en observaties een categorie als het ware hebben volgestopt met data. Nieuwe data is niet meer nuttig, omdat het theoretisch begrip van die categorie niet meer verhoogd kan worden en de relaties met andere categorieën ook al duidelijk zijn vastgesteld en gevalideerd. Vervolgens worden er nieuwe hypotheses gegenereerd en wordt er een nieuwe theoretische steekproef gekozen.

    Wat houdt de generieke doelgerichte steekproef in?

    Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen een theoretische steekproef en een generieke doelgerichte steekproef, soms worden deze twee namelijk onterecht als synoniemen gebruikt. Bij het selecteren van een theoretische steekproef is er sprake van een opeenvolgend proces waarbij het de bedoeling is om theoretische categorieën te ontwikkelen, terwijl het kiezen van een generieke doelgerichte steekproef niet perse gericht is op het genereren van theoretische categorieën. De generieke doelgerichte steekproef kan a priori of ‘contingent’ gekozen worden, of een samenhang van beiden. In geval van een generieke doelgerichte steekproef worden eerst criteria bepaald voor het soort gevallen dat onderzocht moet worden gelet op de onderzoeksvragen, daarna worden geschikte gevallen vastgesteld en vervolgens worden unit binnen deze gevallen geselecteerd. Deze strategie wordt vaak gebruikt voor het selecteren van contexten, maar kan ook gebruikt worden bij de selectie van deelnemers. 

    Wat houdt de sneeuwbalsteekproef in?

    Een sneeuwbalsteekproef werkt als volgt: de onderzoeker begint met het selecteren van een kleine groep mensen die relevant zijn om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Vervolgens stellen deze deelnemers andere deelnemers (familie, vrienden, kennissen) voor die wellicht kennis of eigenschappen hebben die relevant zijn voor het onderzoek. Deze deelnemers worden geworven en stellen weer andere deelnemers voor, enzovoorts. Deze steekproefmethode wordt soms (maar bijna nooit) gebruikt in survey onderzoek wanneer waarschijnlijkheidssteekproeven niet haalbaar zijn. Het wordt ook wel gebruikt wanneer het onderwerp van de studie ‘het netwerk van individuen’ is. Zoals Noy (2008) al stelde wordt er meestal gebruikgemaakt van deze manier van steekproef trekken als een waarschijnlijkheidssteekproef niet haalbaar is, bijvoorbeeld door de afwezigheid van een steekproefkader.

    Wat zijn de belangrijkste overwegingen ten aanzien van steekproeven in kwalitatief onderzoek?

    Er is een aantal algemene overwegingen waar je rekening mee moet houden bij het gebruik van steekproeven in kwalitatief onderzoek, deze hebben te maken met de steekproefgrootte, de noodzaak om zowel een steekproef te gebruiken voor de context als voor personen en de optie om meerdere vormen van steekproeven te combineren.

    Wat geldt ten aanzien van de steekproefgrootte?

    Het is erg moeilijk om vooraf in te schatten hoeveel ‘units’ nodig zijn (de steekproefgrootte) voordat er theoretische verzadiging kan plaatsvinden. Ook claimen veel artikelen dat ze volledige theoretische verzadiging hebben bereikt, maar wordt dit vervolgens vrijwel nooit gespecificeerd. Over het algemeen geldt: des te breder de studie en des te meer groepsvergelijkingen gemaakt worden (bijvoorbeeld mannen versus vrouwen), des te groter de steekproef moet zijn. Volgens Warren (2002) moet een kwalitatieve interviewstudie minstens uit 20 á 30 interviews bestaan voordat het een kans heeft om gepubliceerd te worden. Lang niet alle onderzoekers zijn het eens met Warren. Zo stellen Gerson en Horowitz (2002) dat er minstens 60 interviews gebruikt moeten worden voordat er duidelijke conclusies getrokken mogen worden en dat meer dan 150 interviews simpelweg teveel informatie bevatten om effectief te kunnen analyseren. Vanwege de enorme verdeeldheid aan meningen is er in de kwalitatieve literatuur veel variatie in steekproefgroottes.

    Brymann (2012) stelt dat er vijf zaken in overweging moeten worden genomen bij het bepalen van de steekproefgrootte:

    1. Verzadiging. Dit is in veel kwalitatieve studies een bepalende factor. Onderzoekers stoppen met het verzamelen van data wanneer dit is bereikt. De onderzoeker moet duidelijk maken of het theoretische of data verzadiging betreft.

    2. De minimale vereisten die gelden voor een adequate steekproef. Hier bestaat echter weinig consensus over. 

    3. De stijl of theoretische onderbouwing van het onderzoek. Sommigen gebruiken de levensverhaal-methode of de gespreksanalyse, deze worden geassocieerd met kleinere steekproeven die intensief worden geanalyseerd. 

    4. De heterogeniteit van de populatie. Soms is een grotere steekproef vereist van heterogene populatie zodat het de inherente variabiliteit weerspiegelt.

    5. De onderzoeksvragen. Deze variëren in reikwijdte en specificiteit. Ruime en algemene onderzoeksvragen vereisen een grotere steekproef.

    Deze vijf factoren zijn bedoeld als leidraden. Onderzoekers moeten zelf voorzien in een sterke rechtvaardiging voor hun steekproefbesluiten. Leg uit welke methode je hebt gebruikt en waarom en waarom de steekproefgrootte geschikt is.

    Ook binnen kwalitatief onderzoek is de kwestie van generaliseerbaarheid relevant. Uit een kwalitatieve studie kunnen volgens Onwuegbuzie en Leech (2010) twee soorten generalisaties vloeien: een analytische generalisatie (gelijk aan een theoretische generalisatie, omhelst het vergelijken van de resultaten met eerder ontwikkelde theorie) en een ‘case-to-case transfer’ (het maken van generalisaties van geval tot geval die in ruime zin vergelijkbaar zijn).

    Wat geldt ten aanzien van context en tijd?

    Je moet in gedachte houden dat steekproeven ook nodig zijn ten aanzien van de verschillende contexten waarin interviews en observaties plaatsvinden. In geval van etnografisch onderzoek zouden volgens Hammersley en Atkinson (2019) zowel tijd als context onderworpen worden aan een steekproef. Tijd: de etnograaf moet verzekeren dat mensen of gebeurtenissen op verschillende momenten van de dag en verschillende dagen in de week worden geobserveerd. Context: het gedrag van mensen wordt beïnvloed door omgevings- en situatiefactoren, dus ze moeten worden geobserveerd op verschillende locaties. Om de cultuur en levens van voetbalfans te begrijpen, moeten zij niet alleen in voetbalstadions worden geobserveerd. 

    Wat geldt ten aanzien van het gebruik van meerdere soorten steekproeven?

    Het is vrij gebruikelijk dat een sneeuwbalsteekproef vooraf wordt gegaan door een andere vorm van doelgerichte steekproeven. Zo worden bijvoorbeeld eerst deelnemers geselecteerd zonder gebruik van de sneeuwbalmethode en vervolgens deze steekproef om het bereik van het onderzoek te vergroten. Ook komt het voor dat meerdere benaderingen worden toegepast, omdat de onderzoeker zowel een element van doelgerichtheid als representativiteit nastreeft.  

    Access: 
    Public
    Wat houden etnografie en participerende observatie in? - Chapter 18

    Wat houden etnografie en participerende observatie in? - Chapter 18

    Vóór de jaren ’70 werd etnografie primair geassocieerd met antropologisch onderzoek: de onderzoeker ging voor een lange periode naar het buitenland, mengde zich daar in een sociale groep (zoals een stam) om hun cultuur te ontdekken en daarover te schrijven. Sinds de jaren '70 werd de term 'etnografie' steeds vaker gebruikt voor het observeren van participanten. Tegenwoordig heeft het een bredere betekenis en wordt het binnen de sociale wetenschappen veel gebruikt voor het verzamelen van data.

    Wat zijn etnografie en participerende tobservatie?

    Grof samengevat betreft etnografie het toetreden tot een groep in hun natuurlijke, sociale setting, bekijken wat zich afspeelt, uitgebreide notities maken en vervolgens rapport uitbrengen. Dit betekent ook dat geluisterd moet worden naar de gesprekken tussen groepsleden en vragen aan hen gesteld moeten worden. Zo eenvoudig is het natuurlijk niet in de praktijk. Er is een flinke dosis geluk nodig voor het treffen van goede informanten, het betreden van de juiste locatie op het juiste moment en het opbouwen van relaties. Het vereist echter ook vooruitziendheid, bewustzijn en reflectie.

    Er bestaat ook zoiets als 'micro-etnografie', dit betreft een onderzoek op kleine schaal, dat kan plaatsvinden in een kortere periode (aantal weken of maanden) zodat het geschikt is voor een studentproject. De focus ligt hierbij op een bepaald aspect van het alledaagse of professionele leven. 

    Hoe voer je een etnografisch onderzoek uit?

    In een etnografisch onderzoeksproces zijn een aantal zaken van belang: het verkrijgen van toegang tot de onderzoekssetting, de rol van de etnograaf, het maken van veldnotities en het afronden van het onderzoek.

    Hoe krijg je toegang tot de onderzoekssetting?

    Eén van de moeilijkste stappen binnen de etnografie is om toegang te krijgen tot de sociale groep waarin jij als onderzoeker geïnteresseerd in bent. Hier wordt onderscheid gemaakt tussen relatief open en gesloten settings (Bell, 1969). Hammersley en Atkinson (2019) noemen dit publiekelijke en niet-publiekelijke settings. Gesloten, niet-publieke settings vereisen doorgaans toestemming voor toegang en betreffen meestal organisaties, scholen en religieuze bewegingen. Open, toegankelijke settings zijn vrij toegankelijk, denk aan parken, sportwedstrijden en gemeenschapsevenementen. 

    Naast het soort setting, moet je ook overwegen of je al dan niet openlijk wilt observeren. Één manier om zich te kunnen mengen in een bepaalde sociale groep is door de rol van onderzoeker geheim te houden: de onderzoeker neemt een ‘covert’ rol aan. Dit voorkomt problemen aangezien de onderzoeker nu niet hoeft te onderhandelen of uit te leggen waarom hij/zij de levens van anderen wilt ‘binnendringen’ en hen onderwerp wilt maken van een studie. Dit is wel van toepassing als de onderzoeker een ‘overt’ rol aanneemt en dus open en eerlijk is over zijn of haar onderzoekers identiteit. Deze twee dimensies (open versus gesloten settings en de ‘covert’ versus de ‘overt’ rol van de onderzoeker) creëren vier typen etnografisch onderzoek:

     

    Open/publieke setting

    Gesloten setting

    'Overt' rol

    Type 1

    Type 2

    'Covert' rol

    Type 3

    Type 4

    Deze typen onderzoek kennen drie kanttekeningen. Allereerst is het onderscheid tussen een open en een gesloten setting niet altijd duidelijk. Daarnaast is ook het onderscheid tussen de open en verborgen rol niet zo duidelijk (bijvoorbeeld, wanneer de onderzoeker toegang krijgt via de ‘overt’ route, maar binnen de sociale setting alsnog zijn of haar rol zoveel mogelijk probeert te verbergen). Ten slotte wordt een onderzoeker eerder toegelaten bij Type 1 en Type 2 onderzoek: de meeste etnografische onderzoekers nemen dan ook een open rol aan. De voornaamste drijfveren hiervoor zijn praktische en ethische overwegingen (vooral de ethische overwegingen zorgen voor de keuze om een open rol aan te nemen, denk aan het ontbreken van geïnformeerde toestemming en privacyschending). Zo is het lastiger om notities te maken (het is risicovol om op je geheugen te moeten vertrouwen), kan er angst of stress bestaan bij de onderzoeker door de constante dreiging om ontdekt te worden en is het niet mogelijk om andere methodes te gebruiken (uit angst om ontmaskerd te worden vermijd men sturende gesprekken, dus een diepte-interview is nagenoeg onmogelijk). Alhoewel onderzoekers vaker een 'overt' rol kiezen, heeft de 'covert' waardevolle voordelen: er zijn minder problemen met het verkrijgen van toegang en reactiviteit is geen probleem (het is veel minder waarschijnlijk dat deelnemers hun gedrag aanpassen door de aanwezigheid van de onderzoeker). Soms is een 'overt' benadering niet praktisch, bijvoorbeeld als er sprake is van grote groepen mensen. De mate van openheid kan ook verschillen, afhankelijk van de omstandigheden. Je kunt bijvoorbeeld open zijn over wie je bent, maar niet over wat je van plan bent. 

    Hoe kun je toegang verkrijgen tot een gesloten setting?

    Volgens Van Maanen en Kolb (1985) is het toegelaten worden tot een gesloten setting een moeilijke taak waarbij succes afhankelijk is van strategisch plannen, hard werken en geluk. Doorzettingsvermogen werpt vaak haar vruchten af. Enkele nuttige tips van onderzoekers die dit wel gelukt is:

    1. Gebruik contacten zoals collega’s, academici of vrienden.

    2. Probeer steun te krijgen van iemand binnenin de organisatie (een zogenoemde ‘sponsor’) die pleit voor jou en jouw onderzoek.

    3. Richt je op de ‘gatekeepers’: de hoogste baas zal uiteindelijk beslissen over jouw lot, ook wanneer je steun van een treetje lager in de hiërarchie hebt gewonnen.

    4. Biedt hen iets aan als ruil voor jouw toegang, zoals een rapport. Hiermee win je vertrouwen, maar het neemt ook risico’s met zich mee: jij kan gezien worden als een goedkope consultant aan bij wie beperkingen worden opgelegd als het gaat om bepaalde activiteiten.

    5. Leg duidelijk je doelen en methoden uit en wees voorbereid op bedenkingen. Stel bijvoorbeeld een bespreking voor waarin je de geuite zorgen probeert weg te nemen.

    6. Wees bereid om te onderhandelen: je wilt natuurlijk volledige toegang, maar verwacht geen ‘carte blanche’.

    7. Wees eerlijk over de hoeveelheid tijd die je gaat innemen van de participanten. Dit wordt ongetwijfeld gevraagd indien de onderzoeker toegang probeert te krijgen tot commerciële organisaties.

    Hoe kun je toegang verkrijgen tot een open setting?

    Ook toegang verkrijgen tot publieke settings kan problematisch zijn. Je moet bewust zijn van het onderscheid tussen fysieke en sociale toegang. Ergens naar binnenlopen is vaak makkelijker dan in gesprek komen met mensen. Soms wordt de toegang tot open settings vergemakkelijkt door mensen die zowel ‘sponsor’ zijn als ‘gatekeeper’. Sommige onderzoekers hebben belangrijke informanten. Andere personen kunnen je introduceren en zelfs helpen met de dataverzameling. Ook kun je iets aanbieden in ruil voor hulp. Een andere veelgebruikte strategie is simpelweg rondhangen totdat je opgemerkt wordt of geleidelijk wordt opgenomen in een groep.

    Hoe kun je toegang verkrijgen tot personen?

    Toegang tot de groep verkrijgen (fysieke toegang) is niet hetzelfde als sociale toegang en daarbij is er een verschil tussen aanwezig zijn en geaccepteerd worden. Als de onderzoeker toegang heeft tot de sociale setting loopt hij tegen verschillende potentiële problemen aan. Mensen zullen wantrouwend zijn en de kans bestaat dat de onderzoeker gezien wordt als instrument van het management. Hierdoor letten mensen bewust op wat zij zeggen of doen waardoor het hele onderzoek gesaboteerd wordt. In zulke gevallen komt onderzoekservaring van pas: gebruik opgedane ervaring van voorgaand onderzoek en je kennis van de groep. Wees discreet en open-minded: hou informatie voor jezelf en vel geen oordelen. Wees erop bereid dat je geloofwaardigheid of competentie getest kan worden. Wees voorbereid op veranderde omstandigheden. Tot slot is het aan te raden om een bepaalde, consistente rol aan te nemen als onderzoeker.

    Een voordeel van het hebben van ‘sponsors’ of ‘gatekeepers’ is dat zij kunnen dienen als sleutelinformanten. Zij kunnen de onderzoeker wijzen op situaties, gebeurtenissen of mensen die kunnen bijdragen aan het onderzoek. Ook kunnen zij steun bieden. Echter, de onderzoeker moet oppassen dat hij/zij niet afhankelijk wordt van deze sleutelinformaten. Ook bestaat het risico dat de onderzoeker de sociale realiteit door de ogen van de informant gaat bekijken in plaats van door de ogen van de leden van de sociale setting. Gedurende het onderzoek kunnen mensen zich vrijwillig presenteren als informanten. Deze informanten worden vanwege hun spontaniteit vaak als waardevoller gezien. Informanten verschaffen informatie gevraagd of ongevraagd. In het eerste geval kan dit plaatsvinden door middel van een gesprek waarin terloops vragen worden gesteld of door middel van een interview. De scheidslijn hiertussen is niet altijd even duidelijk. Een interview is soms nodig wanneer specifieke informatie niet wordt verkregen door directe observatie of een 'natuurlijk' gesprek. Sommige onderzoekers geven de voorkeur aan ongevraagde informatie, vanwege de mate van spontaniteit en naturalisme. 

    Welke rollen kan een etnograaf aannemen? 

    Een etnograaf kan verschillende rollen aannemen in het 'veld', afhankelijk van de gekozen strategie ('covert' of 'overt' en als passieve of actieve deelnemer).

    Van hoge participatie en betrokkenheid tot lage participatie en betrokkenheid zijn dit de mogelijke rollen:

    • ‘Covert’ volwaardig lid: volwaardig lid van de groep, maar de status als onderzoeker is onbekend. In gesloten settings (zoals organisaties) werkt de onderzoeker als betaalde werknemer. In open settings (zoals gemeenschappen) verhuist de onderzoeker naar een gebied voor een aanzienlijke periode en wordt volledig lid van de gemeenschap, vaak onder een valse identiteit.

    • ‘Overt’ volwaardig lid: volwaardig lid van de groep, maar de status als onderzoeker is bekend. Verder is dit gelijk aan een volwaardig ‘covert’ lid.

    • Participerende observant: participeert in groepsactiviteiten, maar is geen volwaardig lid van de groep. In een gesloten setting werkt de onderzoeker voor een bedrijf of organisatie, in een open setting is de onderzoeker regelmatig in de nabijheid en algemeen betrokken bij de belangrijkste activiteiten.

    • Gedeeltelijke participerende observant: hetzelfde als een participerende observant, maar het observeren is niet per se de voornaamste bron van data. Interviews en documenten kunnen net zo belangrijk als de observatie zijn en soms zelfs belangrijker. 

    • Minimaal participerende observant: hetzelfde als een gedeeltelijke participerende observant, behalve dat de onderzoeker aan nog minder groepsactiviteiten meedoet. Er vindt interactie met groepsleden plaats, maar observatie hoeft niet de belangrijkste databron te zijn. In dat geval spelen interviews en documenten een belangrijke rol.

    • Niet participerende observant met interactie: observeert (soms minimaal) en doet niet mee aan de groepsactiviteiten. Er vindt wel interactie plaats met de groepsleden, vaak in de vorm van interviews. Interviews zijn dan ook, samen met documenten, de voornaamste databron.

    De uitdrukking ‘going native’ houdt in dat de onderzoeker zijn of haar identiteit als onderzoeker vergeet en zichzelf verliest in de wereldvisie van de mensen die ze bestuderen: de onderzoeker wordt één van hen. Dit probleem dit zich vooral voor in geval van een langdurige inmenging in de levens van de bestudeerden en de inzet om de sociale wereld door hun ogen te zien. Het nadeel hiervan is dat het de etnograaf niet meer lukt om de verzamelde data kritisch te bekijken en analyseren. Sommige onderzoekers zien 'going native' niet als een probleem, zolang men terugkeert als een socioloog. 

    De onderzoeker moet altijd een afweging maken of hij/zij actief of passief te werk gaat. In veel gevallen heeft men geen andere keuze dan actiever mee te doen dan vooraf gedacht. De etnograaf kan zich verplicht voelen om actief betrokken te raken (bijvoorbeeld wanneer hij/zij undercover is, ofwel ‘covert’, in een drugsbende), omdat hij/zij weet dat een weigering aan een bepaalde activiteit een directe, negatieve invloed heeft op de relatie met de rest van de groep. Deelname aan groepsactiviteiten kan dilemma's opleveren, zeker als deze gevaarlijk of illegaal zijn. Sommige auteurs zijn tegen actieve deelname, anderen geven toe misdrijven te hebben gepleegd omdat het lastig was niet deel te nemen. Bepaalde situaties, zoals onderzoek naar de politie, vragen juist om een minimale deelname.

    Hoe maak je goede veldnotities?

    Vanwege het imperfecte menselijke geheugen moeten veldnotities gemaakt worden van de observaties. Het moet gaan om korte maar gedetailleerde samenvattingen van gebeurtenissen en gedrag en de aanvankelijke reflecties van de onderzoeker beschrijven. De algemene principes die hier van toepassing zijn: maak zo snel mogelijk na het geobserveerde gedrag een heldere, levendige en specifieke notitie inclusief locatie, datum en andere specificerende gegevens. Daarnaast moeten ook de gevoelens over mensen en gebeurtenissen worden vastgelegd en is een voorlopige analyse over hetgeen je heb waargenomen wenselijk. Tegenwoordig gaat de voorkeur uit naar het gebruik van een ‘voice-recorder’ in plaats van het nemen van aantekeningen, maar het nadeel is dat er daarna veel werk zit in de transcriptie. Dit probleem kan opgelost worden door goede stemherkenningsoftware (de onderzoeker laat het bandje afspelen en de computer ‘typt’ de woorden die het hoort). Tegenwoordig kan ook de mobiele telefoon als opnamemiddel worden gebruikt. Het kan heel handig zijn om ook de eigen inzichten, suggesties of gevoelens op te schrijven bij de notities, zodat de interpretatie van data later makkelijker is en de onderzoeker enkele theoretische handvatten heeft.

    De strategie voor het maken van veldnotities wordt beïnvloed door de mate waarin de onderzoeker heldere onderzoeksvragen heeft. Het meeste kwalitatieve onderzoek begint met algemene onderzoeksvragen. In geval van etnografisch onderzoek gaat het meestal om open vragen. Dit betekent dat de veldnotities ook erg ruim neigen te worden. Het opschrijfwerk moet wel beheersbaar blijven, zeer lange notities zijn op termijn niet vol te houden. Specifiekere vragen leiden tot een gefocuste observatie, maar onderzoekers moeten een open blik houden.

    Sanjek (1990), Adler en Adler (2009) en Lofland en Lofland (1995) maken onderscheid tussen vier soorten veldnotities, namelijk:

    1. Mentale notities: deze notities zijn vooral nuttig wanneer het ongepast is om op dat moment werkelijk notities te maken.

    2. Krabbels: erg korte, snelle notities (zoals sleutelwoorden) zodat de onderzoeker later nog weet waarover hij nog extra notities moet maken.

    3. Volledige veldnotities: gedetailleerde notities die zo snel als mogelijk gemaakt worden. Dit is de voornaamste databron. Deze notities moeten uiterlijk aan het einde van de dag gemaakt worden, maar liever eerder. Deze notities moeten zo accuraat en volledig mogelijk zijn.

    4. Methodologische notities. Een aparte map met notities waarin observaties over methodologische beslissingen, veldervaringen, doorbraken en drempels worden vastgelegd. Deze notities zijn verklarend voor het doorlopen onderzoeksproces en bepaalde beslissingen die de onderzoeker heeft genomen.

    Hoe breng je een etnografisch onderzoek tot een goed einde?

    Er is niet een (vooraf) gespecificeerd eindpunt van het onderzoek vanwege de ongestructureerde opzet en het gebrek aan concrete onderzoekshypotheses. Het is dus vaak lastig voor een etnograaf om te bepalen wanneer het onderzoek afgelopen is. Heel soms is er een natuurlijk eind van het onderzoek. Andere keren wordt de onderzoeker gedwongen om zich vanwege privéredenen of werkgerelateerde redenen terug te trekken. De stress die een grote rol speelt in etnografisch onderzoek kan ook een reden zijn om te stoppen. De stress kan worden veroorzaakt door het onderwerp van het onderzoek (onderzoek naar misdaden) of omdat de onderzoeker continu aan het werk is en nauwelijks tijd heeft voor een privéleven. Een positieve reden voor het beëindigen van het onderzoek is het gevoel dat voldoende data is gegenereerd voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Ongeacht de reden moet het beëindigen van een etnografisch onderzoek goed gemanaged zijn. Beloftes moeten worden nagekomen (rapport uitbrengen aan de organisatie bijvoorbeeld), er moet een goede reden voor vertrek worden gegeven en het afscheid moet ethisch gepast zijn. Daarnaast moeten ook ethische verplichtingen worden nagekomen: anonimiseren van data of het weglaten van bepaalde informatie.

    Hoe breng je een etnografisch rapport uit?

    De term ‘etnografie’ verwijst zowel naar een sociale onderzoeksmethode als naar het eindproduct van dit onderzoek. Etnografische teksten worden zo geschreven dat de lezers overtuigd raken van de realiteit van de gebeurtenissen en van de plausibiliteit van de door de onderzoeker gesuggereerde verklaringen voor die gebeurtenissen. De onderzoeker schrijft vanuit een realistische benadering: hij/zij tracht een externe, objectieve realiteit te beschrijven. Niet alle etnografische teksten volgen deze strategie, volgens Van Maanen (1988) zijn er drie manieren om de etnografische bevindingen op te schrijven, namelijk als:

    1. Realistisch verhaal: overtuigende, emotieloze en vaststaande beschrijvingen van een cultuur en het gedrag van de leden van die cultuur door de ogen van een derde persoon. Dit is de meest gebruikte vorm van een etnografie.

    2. Bekentenis: een gepersonaliseerde beschrijving waaruit blijkt dat de etnograaf volledig betrokken is geweest bij de dataverzameling en het schrijfproces. Dit type is populairder geworden na de jaren ’70 en reflecteert de groeiende interesse voor reflexiviteit in kwalitatief onderzoek. Deze manier van rapporteren legt echter meer nadruk op de manier van onderzoekvoeren (op welke problemen de onderzoeker bijvoorbeeld stuitte) en niet op het presenteren van bevindingen. Om deze reden worden de onderzoeksbevindingen alsnog beschreven in de vorm van een ‘realistisch verhaal’ en krijgt de ‘bekentenis’ een apart hoofdstuk of wordt deze toegevoegd als bijlage.

    3. Impressionistisch verhaal: een etnografie waar een grote nadruk ligt op woorden, metaforen, uitdrukkingen en verhalen van dramatische gebeurtenissen die de cultuur als het ware openbreken en toegankelijk maakt voor analyse.

    Van Maanen (2011) stelde later dat de bekentenissen meer en meer verwerkt worden in het realistische verhaal en niet langer een bijlage of apart hoofdstuk zijn van de objectieve beschrijving. Aanvullend maakte hij ook onderscheid tussen:

    1. Structurele verhalen: beschrijvingen waarbij de observatie van kleine, alledaagse gebeurtenissen gerelateerd wordt aan de ‘macro’ samenleving.

    2. Poststructurele verhalen: beschrijvingen die suggereren dat de realiteit een fragiele sociale constructie is die door iedereen anders geïnterpreteerd kan worden. Er wordt een kijkje genomen ‘achter de schermen’: de dingen zijn niet wat ze lijken.

    3. ‘Advocacy’ verhalen: beschrijvingen die gemotiveerd worden door het gevoel dat er iets niet klopt en de etnograaf wil dit door zijn/haar beschrijving aan iedereen duidelijk maken.

    Adler en Adler (2008) komen met een vierdelige classificatie die gedeeltelijk voortborduurt op Van Maanen’s aanvankelijke indeling. De vier genres die zij onderscheiden zijn:

    1. Klassieke etnografie: een toegankelijk, realistisch verhaal met als doel het verschaffen van een overtuigende beschrijving van de setting. De discussie van de onderzoeksmethoden neemt vaak de vorm aan van een bekentenis. Vaak wordt de literatuurreview gebruikt om een hiaat in voorgaande onderzoeken te laten zien.

    2. ‘Mainstream’ etnografie: ook een realistisch verhaal, maar gericht op een breder publiek van sociale wetenschappers dan alleen op andere kwalitatieve onderzoekers. Het is vaak deductief van aard en de onderzoekers zijn geneigd om expliciet te zijn over de onderzoeksvraag die de drijfveer was voor het onderzoek. De onderzoeksmethoden worden op formele en structurele wijze besproken.

    3. Postmoderne etnografie: de etnograaf en auteur is openlijk onderdeel van de tekst en komt zelf terug in de data en bevindingen. Dit heeft vaak de vorm van auto-etnografie. De tekst is sterk gepersonaliseerd en erg reflexief.

    4. Publiekelijke etnografie: deze etnografie wordt geschreven voor een heel breed publiek: het is sterk toegankelijk en redelijk ‘licht’ in de bespreking van eerder onderzoek. Daarnaast is de beschrijving van gebruikte onderzoeksmethoden kort.

    Etnografie kan meerdere elementen uit deze categorieën bevatten. Zo kan een onderzoek classificeren als klassieke etnografie en tegelijkertijd elementen van postmoderne etnografie in zich hebben. De soorten etnografie hebben echter sterk verschillende stijlen, hier moet bij het plannen en opschrijven rekening mee worden gehouden. 

    Welke nieuwe vormen van etnografie zijn ontstaan?

    Etnografie is een breed begrip dat continu in ontwikkeling is. Zoals de sociale wereld verandert, moeten ook onderzoeksmethoden worden aangepast. In de afgelopen jaren zijn twee nieuwe vormen van etnografie steeds gebruikelijker geworden: online en visuele etnografie.

    Wat is online etnografie?

    Etnografie lijkt geen voor de hand liggende methode voor het verzamelen van data over internetgebruik. Het internet lijkt geen locatie die bezocht kan worden. Volgens Hine (2000) is het internet juist een plaats waar etnografisch onderzoek naar online en virtuele gemeenschappen kan worden uitgevoerd. Conventionele etnografische onderzoekers moeten ook steeds meer rekening houden met de online interacties van deelnemers. Zo zijn er veel voetbalforums voor supporters. In een studie naar kapsalons waren de auteurs aanvankelijk van plan onderzoek te baseren op observaties en interviews, maar de kapsalons weigerden hun klanten hieraan mee te laten werken. Toen is besloten zich te richten op online reviews. 

    Een van de aspecten van online etnografie die geregeld onderwerp van debat is betreft 'lurking': het meekijken- of lezen in een online gemeenschap zonder zelf deel te nemen. Leden vinden dit vaak vervelend en blokkeren soms de toegang voor de onderzoeker. Daarnaast is het hoofdzakelijk vertrouwen op lurking zonder deelname risicovol, omdat het daardoor lastig kan zijn de cruciale aspecten van de gemeenschap te begrijpen. Een online etnograaf kiest soms voor lurking voorafgaand aan veldwerk zodat hij of zij een beter begrip van de setting krijgt. 

    De kwestie van wel of niet actief deelnemen suggereert een onderscheid tussen documentanalyse en etnografisch onderzoek. De thematische analyse van online berichten zonder deelname lijkt een vorm van kwalitatieve documentanalyse te zijn. Is er wel sprake van deelname, dan wijst dit op een virtueel of online etnografisch onderzoek. 

    Er zijn vier vormen van etnografisch onderzoek naar gemeenschappen:

    1. Bestuderen van enkel online gemeenschappen, zonder deelname. Het betreft meestal blogs, discussiegroepen, social media etc.

    2. Bestuderen van enkel online gemeenschappen, met enige deelname. De onderzoeker is niet passief en mengt zich in de discussie.

    3. Bestuderen van online gemeenschappen en online of offline interviews. Dit is hetzelfde als type 2, maar aanvullend interviewt de onderzoeker sommige mensen die betrokken waren bij de online interactie.

    4. Bestuderen van online gemeenschappen en offline onderzoeksmethoden (aanvullend op online of offline interviews). Dit is hetzelfde als type 3, maar de onderzoeker neemt ook deel aan het offline wereld van de bestudeerden. Dit is alleen mogelijk als de gemeenschap een duidelijke offline aanwezigheid heeft (bijeenkomsten houdt bijvoorbeeld).

    Wat is visuele etnografie?

    Het gebruik van visuele materialen in sociaal onderzoek is niet nieuw: antropologen maken al decennia lang foto’s van de stam en omgeving waarnaar ze onderzoek doen. Wat wel nieuw is, is de groeiende interesse voor het gebruik van visuele hulpmiddelen in kwalitatief onderzoek, zoals het geval is bij visuele etnografie.

    Er wordt onderscheid gemaakt tussen al bestaande visuele materialen en visuele materialen die min of meer exclusief dienen voor onderzoeksdoeleinden, ook wel onderzoeksgedreven materiaal genoemd. Deze paragraaf focust zich op deze laatste groep en specifieker op fotografisch materiaal. De foto’s kunnen gemaakt zijn door de onderzoeker zelf of door de onderzoeksdeelnemers. In beide gevallen kunnen de foto’s dienen als basis van zogenoemde foto-verdieping (‘photo-elicitation’): een onderzoeksmethode waarbij de onderzoeker één of meer foto’s gebruikt om een discussie op gang te brengen met de respondenten over de betekenis en het belang van dat beeld. Naast het uitlokken van een discussie kunnen kwalitatieve onderzoekers de foto’s ook voor andere doeleinden gebruiken, bijvoorbeeld:

    1. Als een geheugenhulpmiddel tijdens het veldwerk, waarbij de veldnotities dus aangevuld worden met foto’s van de setting.

    2. Als een databron op zichzelf.

    Pink (2013) suggereert dat er twee manieren zijn waarop visuele beelden behandeld worden in sociaal onderzoek: de realistische benadering en de reflexieve benadering. In geval van de dominante realistische benadering wordt de vastgelegde gebeurtenis of setting op de foto of video-opname een feit en ook als zodanig verwerkt met de rest van de data. In geval van de reflexieve benadering ligt de nadruk meer op het bewust worden van de gevoeligheid waarmee de onderzoeker als persoon een impact heeft gehad op het beeldmateriaal. De focus ligt op wat dit beeld nou werkelijk representeert. Factoren zoals de leeftijd, het geslacht, de achtergrond en voorkeuren van de onderzoeker hebben onder andere invloed op wat gefotografeerd wordt. Daarnaast zijn deelnemers soms betrokken bij het besluit welke foto's genomen zouden moeten worden en hoe deze geïnterpreteerd moeten worden. Het erkent ook de 'fluid' betekenis van de afbeeldingen: ze zijn nooit vaststaand en worden altijd op verschillende manieren bekeken door verschillende mensen. Zo werden foto's van Spaanse stierenvechters gewaardeerd door sommigen die wezen op de kwaliteiten van de stierenvechter en zagen anderen dierenleed. 

    Ondanks het groeiende aantal studies waarin gebruikt wordt gemaakt van visueel materiaal, betekent dit niet dat visuele methodes altijd gehanteerd moeten worden. Het gebruik moet relevant zijn voor de onderzoeksvragen. Daarnaast vereist de visuele onderzoeksmethode dat de onderzoeker de afbeeldingen 'leest' conform de context waarin ze zijn genomen. Tevens moet het potentiële gevaar van een verkeerde interpretatie en de invloed van de eigen sociale positie erkend worden. Er moet kritisch bekeken worden of de foto niet een misleidende weergave van de realiteit betreft. Het is daarom belangrijk om ook niet-visuele onderzoeksmethoden, zoals interviews, te gebruiken.

    Volgens Pink (2004) zijn visuele onderzoeksmethoden nooit puur visueel vanwege de volgende twee aspecten: de visuele onderzoeksmethoden gaan vaak samen met andere (traditionele) onderzoeksmethoden zoals interviewen en observatie en het visuele gaat vrijwel altijd samen met het niet-visuele: de woorden die het medium van uiting zijn voor zowel de deelnemers als de onderzoeker(s).

    In ethisch opzicht is het belangrijk om toestemming te krijgen van de personen die herkenbaar op de foto’s of video-opnames zijn en dat zij zich volledig bewust zijn van de implicaties van hun toestemming. 

    Kan er sprake zijn van een feministische etnografie?

    Zou er een afzonderlijke feministische etnografie kunnen bestaan die gebaseerd op de principes van het feminisme? Reinharz (1992) ziet hier het belang van in om drie redenen: 

    1. Het legt de levens en activiteiten van vrouwen vast, die voorheen werden beschouwd als subsidiair en marginaal in vergelijking met die van mannen. 

    2. Het begrijpt vrouwen vanuit hun perspectief. Door 'mannen-geleid' onderzoek heeft de neiging om de activiteiten en gedachten van vrouwen te interpreteren vanuit hun mannelijke standpunt. 

    3. Het plaatst de levens van vrouwen in de context waarin ze daadwerkelijk plaatsvinden. 

    Een belangrijk vraagstuk voor feministische onderzoekers is of het onderzoek een niet-uitbuitende relatie tussen onderzoeker en onderzochte mogelijk maakt. Dit mag geen eenrichtingsverkeer zijn, er moet iets tegenover de verkregen informatie staan. Ook bij het opschrijven van het onderzoek zullen de interpretaties en beoordelingen van de feministische etnograaf doorschemeren. Tot op heden blijft feministische etnografie een onderwerp van doorlopend debat. 

    Met welke beperkingen heeft etnografie te maken?

    Sinds het einde van de twintigste eeuw is etnografie in een staat van continue verandering. De nieuwe vormen, zoals online en visuele etnografie, en de toenemende interesse voor alternatieve vormen maken duidelijk dat sprake is van flexibiliteit. Er zijn echter zorgen dat de term etnografisch te los gebruikt wordt en dat veel studies een etnografische aard hebben, maar dit in traditionele zin (langdurig observeren in een sociale setting) niet zijn. Volgens Hammersley (2018) zijn er vijf uitdagingen waarmee etnografie te maken heeft:

    1. Onderzoekers kiezen steeds vaker voor kostenefficiënte vormen van dataverzameling, wat resulteert in kortere termijn-onderzoeken. Etnografie is hier niet passend voor.

    2. In vergelijking met 'big data' in de vorm van grote kwantitatieve surveys, datawetenschap en de gemengde methodes lijkt etnografie erg duur. 

    3. Er wordt steeds meer verwacht van academici (lesgeven, administratie) waardoor het doen van grondig etnografisch onderzoek lastig wordt. Hier moet veel tijd in worden gestoken. Vaak wordt het onderzoek pas 7-10 jaar na de aanvang van het veldwerk gepubliceerd. 

    4. De maatschappij raakt steeds meer verzadigd met onderzoek en meer mensen worden voorzichtiger ten aanzien van deelname. Het verkrijgen van toegang wordt steeds lastiger, zeker als het gaat om publieke organisaties als scholen, ziekenhuizen etc.

    5. De toegenomen ethische vereisten gaan niet goed samen met etnografie, met name de geïnformeerde toestemming levert problemen op.

    Access: 
    Public
    Welke soorten interviews komen voor in kwalitatief onderzoek? - Chapter 19

    Welke soorten interviews komen voor in kwalitatief onderzoek? - Chapter 19

    Het interview is vanwege de flexibiliteit de meest gebruikte onderzoeksmethode in kwalitatief onderzoek.  Met de term 'kwalitatief interview' wordt vaak gedoeld op de verschillende manieren waarop onderzoekers praten met hun deelnemers. De twee voornaamste typen kwalitatieve interviews zijn het ongestructureerde interview en het semigestructureerde interview. 

    Wat is een kwalitatief interview?

    Wat zijn de verschillen tussen het gestructureerde interview en het kwalitatieve interview?

    Bij het kwalitatieve interview:

    1. … is de aanpak veel minder gestructureerd. Het is flexibel en dynamisch van aard. In het kwantitatieve interview is alles veel meer gestructureerd om de betrouwbaarheid en validiteit van de metingen te verhogen, omdat onderzoek wordt gedaan naar specifiek vastgestelde variabelen.

    2. … is er veel meer ruimte, aandacht en interesse voor het perspectief van de geïnterviewde (als direct gevolg van punt 1), daarom worden hierin meer open vragen gebruikt. In kwantitatief onderzoek worden vooral gesloten vragen gehanteerd.

    3. … wordt een spontane discussie juist aangemoedigd, omdat het inzicht biedt in wat de geïnterviewde ervaart als belangrijk en relevant. In het gestructureerde kwantitatieve interview wordt dit juist afgekapt.

    4. … kan de interviewer behoorlijk afwijken van het oorspronkelijke lijstje met vragen. Hij/zij kan de formulering en volgorde van de vragen aanpassen, maar ook nieuwe vragen verzinnen die dieper ingaan op dat wat de geïnterviewde net heeft verteld. Hierdoor is het interview heel flexibel. In het gestructureerde interview is hier geen ruimte voor, omdat het de standaardisatie en dus de betrouwbaarheid en validiteit aantast.

    5. … wil de interviewer informatierijke, gedetailleerde antwoorden. Dit kan het interviewproces tijdrovend maken (transcriberen, coderen, analyseren), maar de data weergeeft wel beter inzicht in de visies van de deelnemers. In het gestructureerde interview moeten de antwoorden snel te coderen en verwerken zijn.

    6. … kan de geïnterviewde meerdere keren geïnterviewd worden. Een gestructureerd interview vindt maar één keer plaats (tenzij het een longitudinaal onderzoek is).

    Welke typen kwalitatief interview zijn er?

    Het kwalitatieve interview kan de vorm aannemen van een ongestructureerd interview of een semigestructureerd interview.

    In een semigestructureerd interview heeft de onderzoeker een ‘interviewgids- of schema’ waarin de te stellen vragen staan. Een effectief schema bevordert een open manier van vragen stellen en moedigt de geïnterviewde aan een gedetailleerd antwoord te geven. De vragen hoeven niet in de precieze volgorde zoals zij in het schema staan te worden gesteld. De onderzoeker kan aanvullende vragen verzinnen om dieper in te gaan op de antwoorden van de geïnterviewde. De geïnterviewde heeft wat vrijheid in hoe hij of zij zal antwoorden. Meestal wordt gevraagd om een verhaal te vertellen op basis van een eigen levenservaring. De vragen moeten daarnaast zo ontworpen zijn dat zij een andere volgorde mogelijk maken, mocht de deelnemer vooruitlopen op een aantal vragen. Het blijft belangrijk dat de onderzoeker alle vragen uit het schema stelt en vergelijkbare bewoordingen gebruikt, zodat de antwoorden van respondenten met elkaar vergeleken kunnen worden. 

    In een ongestructureerd interview, veelvoorkomend in etnografisch onderzoek, gebruikt de onderzoeker hoogstens een geheugenhulpmiddel zoals een korte lijst met aanwijzingen om zichzelf te herinneren aan bepaalde onderwerpen. Soms stelt de onderzoeker maar één vraag en gaat hij/zij vervolgens in op wat de geïnterviewde vertelt. Dit lijkt heel veel op een normaal gesprek.

    Beide processen zijn dus flexibel en bij beiden ligt de nadruk op het ontdekken van hetgeen de geïnterviewde beschouwt als belangrijk bij het uitleggen en begrijpen van gebeurtenissen, patronen en gedragsvormen. Ze moeten niet worden gezien als tegenpolen, in beide gevallen wordt geen gebruikgemaakt van een vaststaand schema en verloopt het proces van dataverzameling dynamischer dan het geval is bij kwantitatieve interviews. 

    Hoe bereid je het afnemen van een kwalitatief interview voor?

    Ondanks dat kwalitatieve interviews geen vaste structuur hebben, is een zorgvuldige voorbereiding toch vereist. De onderzoeker moet kiezen welk type interview (ongestructureerd of semigestructureerd) gebruikt gaat worden, vragen voorbereiden en enkele belangrijke praktische zaken in overweging nemen.

    Kies je voor een semigestructureerd of een ongestructureerd interview?

    Welke type interview je kiest is afhankelijk van meerdere dingen, waaronder het methodologisch kader, de onderzoeksvragen en de analysetechnieken. Als de onderzoeker het onderzoek start met een redelijk duidelijke focus in plaats van een erg algemeen idee, zal gekozen worden voor het semigestructureerde onderzoek. Dit is ook het geval wanneer meerdere personen het veldwerk gaan uitvoeren (zorgt voor een meer consistente interviewstijl) en als het project een multiple-case studie inhoudt. Een ongestructureerd interview heeft de voorkeur wanneer de onderzoeker bang is dat zelf het meest basic interviewschema voorkomt dat inzicht wordt verkregen in de wereldvisie van de geïnterviewden. 

    Waar moet je rekening mee houden bij het samenstellen van de interviewgids?

    Ga je een semigestructureerd interview voorbereiden, dan moet een interviewgids- of schema worden samengesteld. Hierin wordt meestal verwezen naar de kwesties die de onderzoeker wil voorleggen. Je moet verzekeren dat de deelnemers de vragen kunnen begrijpen vanuit hun oogpunt. Het gebruik van theoretische termen zal hier niet aan bijdragen. 

    Het formuleren van vragen voor de interviewgids verloopt in de volgende stappen: algemeen onderzoeksgebied, specifieke onderzoeksvragen, interviewonderwerpen, formuleren interviewvragen, herzien en/of aanpassen interviewvragen, pilot, nieuwe kwesties identificeren, interviewvragen herzien, gids afronden.

    Enkele tips:

    • Zorg voor een bepaalde volgorde van de te behandelen onderwerpen, zodat de vragen goed op elkaar aansluiten. Wees wel bereid om deze volgorde aan te passen als dit beter uitkomt tijdens het interviewen.

    • Zorg dat je de vragen zo formuleert dat ze je helpen om de onderzoeksvragen te beantwoorden, maar formuleer ze niet te specifiek.

    • Gebruik begrijpelijke, relevante vocabulaire en geen ingewikkelde zinsbouw.

    • Stel geen suggestieve vragen die de geïnterviewde een bepaalde kant op sturen.

    • Vraag naar relevante contextuele informatie van algemene aard (naam, leeftijd, geslacht etc.) en specifieke aard (positie in bedrijf, aantal jaren werkervaring etc.).

    Je moet je bij het opstellen van de gids afvragen wat je moet weten om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Je kunt de focus in het interview bijvoorbeeld leggen op waarden (van de geïnterviewde, groep of organisatie), overtuigingen, gedrag, formele en informele rollen, relaties, plaatsen en locaties, emoties, verhalen en ontmoetingen. 

    Welke soorten vragen zijn er?

    Volgens Kvale (1996) zijn er negen verschillende soorten vragen. De meeste kwalitatieve interviews zullen deze bijna allemaal bevatten.

    1. Introducerende vragen. Voorbeeld: "Hoe begon je interesse in…?", "Heb je ooit…?"

    2. ‘Follow-up’ vragen (vragen om toelichting). Voorbeeld: "Wat bedoel je daarmee?" of simpelweg "Jaaa..?" 

    3. ‘Probing’ vragen (directe vragen die vissen naar uitleg). Voorbeeld: "Jij zei eerder dat jij liever niet X. Kun jij vertellen waarom jij liever niet Xt?"

    4. Specificerende vragen. Voorbeeld: "Wat zei/deed jij toen?", "Hoe voelde je je daarbij?"

    5. Directe vragen. Deze kun je het best bewaren tot het einde om sturing te voorkomen. Voorbeeld: "Vind je het moeilijk om continu te lachen naar de klanten?"

    6. Indirecte vragen (vragen die niet direct gaan over de geïnterviewde zelf). Voorbeeld: "Hoe denken de meeste werknemers over het management?" en vervolgens "Is dat ook hoe jij erover denkt?"

    7. Gestructureerde vragen (geven sturing aan het interview). Voorbeeld: "Ik zou nu graag verder gaan met een ander onderwerp, is dat goed?"

    8. Stiltes: introduceer pauzes zodat de geïnterviewde de kans heeft om zijn/haar antwoorden te overdenken en er eventueel wat aan toe te voegen.

    9. Interpreterende vragen (verduidelijk de interpretatie om misverstanden te voorkomen). Voorbeeld: "Bedoel je dat jouw managementrol moest veranderen van een aanmoedigende naar een meer directe rol?", "Kan gezegd worden dat je suggereert dat je het niet erg vindt om altijd vriendelijk te zijn tegen klanten, maar dat je dit lastig vindt als ze zich onplezierig of veeleisend gedragen?"

    Het type vraag kan ook afhangen van de fase van het kwalitatieve interview. Charmaz (2002) maakt onderscheid tussen drie soorten vragen:

    1. Aanvankelijke open vragen, zoals “Welke gebeurtenissen hebben geleid tot…?”, “Hoe zag jouw leven eruit voordat…?”

    2. Tussenliggende vragen, zoals “Hoe voelde je je bij…?”, “Wat vind jij het meest interessantst aan werken in deze organisatie?”

    3. Afsluitende vragen, zoals “In hoeverre is jouw visie op … veranderd?”, “Welk advies zou je nu geven aan…?” en “Als je alles opnieuw mocht doen, zou je dan kiezen voor een baan bij deze organisatie?”

    Welke praktische voorbereidingen moet je treffen?

    Naast het voorbereiden van de interviewgids, moet je ook de praktische kwesties in overweging nemen die van invloed kunnen zijn op de richting van je en het verloop van het interview. Zorg dat je bekend met de setting waarin de geïnterviewde leeft en werkt zodat je de antwoorden beter kunt begrijpen en conceptualiseren. Probeer de geïnterviewde te laten zien dat je een goede reden hebben om het onderwerp te onderzoeken: waarom is het belangrijk, waarom is men geselecteerd voor het interview etc. Maak gebruik van kwalitatief goede opnameapparatuur en weet hoe dit werkt! Creëer een stille en privé ruimte, zodat er geen ruis staat op de opnameapparatuur en de geïnterviewde niet bang hoeft te zijn om gehoord te worden door iemand anders.

    Hoe neem je een kwalitatief interview af?

    Het afnemen van een interview is niet alleen maar het oplezen van vragen, het vereist zelfs veel vaardigheid.

    Over welke kwaliteiten beschikt een effectieve interviewer?

    Hoe effectiever je bent als interviewer, hoe waardevoller de verzamelde data zal zijn. Kvale (1996) heeft een aantal kwaliteiten op een rijtje gezet die iemand een succesvol interviewer maakt. Hieraan ten grondslag ligt dat de interviewer een goede luisteraar moet zijn: actief en alert zijn. Iemand die niet goed luistert, mist de belangrijke punten en stelt nutteloze vragen. Daarnaast moet een interviewer zoveel als mogelijk flexibel en niet-veroordelend zijn: niet laten zien dat je het eens of oneens bent met de geïnterviewde. Een interviewer moet niet alleen luisteren, maar ook letten op het gedrag van de geïnterviewde. Reageert deze gespannen op een vraag? Vanuit een ethisch oogpunt mag er niet te veel druk worden uitgeoefend en moet men bereid zijn een serie vragen weg te laten. 

    Volgens Kvale (1996) is een succesvolle interviewer:

    • Deskundig (volledig bekend met de focus van het interview).

    • Structurerend (geeft het doel van het interview doel, begint en eindigt op passende wijze, informeert of de geïnterviewde vragen heeft).

    • Duidelijk (stelt simpele, korte vragen en gebruikt zo min mogelijk jargon).

    • Rustig (laat mensen uitpraten, geeft ze tijd om na te denken, staat pauzes toe).

    • Gevoelig (luistert aandachtig naar wat is gezegd en hoe het is gezegd, is empathisch richting de geïnterviewde)

    • Open (reageert op hetgeen belangrijk is voor de geïnterviewde en is flexibel).

    • Sturend (weet wat hij uitgezocht wilt hebben en leidt het gesprek die richting is)

    • Kritisch (is bereid om in te gaan tegen wat de geïnterviewde heeft gezegd)

    • Onthoudend (refereert aan wat de geïnterviewde eerder heeft gezegd)

    • Interpreterend (verduidelijkt en breidt de betekenis van de antwoorden van de geïnterviewde uit). 

    Aan dit lijstje kunnen twee kwaliteiten worden toegevoegd: gebalanceerd (praat niet te veel en niet te weinig) en ethisch-gevoelig (verzekert dat de geïnterviewde waardeert waar het onderzoek over gaat en welke doelen het dient en dat de geïnterviewde begrijpt dat de antwoorden vertrouwelijk zullen worden behandeld).

    Interviewen kan extreem informatierijke data opleveren, maar het is ook veeleisend. Als het nieuw is voor studenten, is het aan te raden pilot interviews te doen. Niet alleen om te testen hoe het interview loopt, maar ook om ervaring op te doen. Denk bijvoorbeeld aan het comfortabel raken met stiltes laten vallen. Als je voor het eerst een interview gaat afnemen, moet je vijf uitdagingen in gedachte houden: 

    1. Onverwacht gedrag van de geïnterviewde of omgevingsproblemen. Onervaren onderzoekers voelen zich snel ongemakkelijk door verrassende of shockerende reacties of gedragingen, of door geluiden van buitenaf. Onthoud dat het misschien niet volgens plan zal verlopen, je kunt niet overal controle over hebben, maar je kunt proberen de impact te beperken. 

    2. Het opdringen van eigen verwachtingen en vooroordelen. Bij het lezen van de transcripten valt het studenten soms op hoe duidelijk deze naar voren komen in de manier waarop de vragen werden gesteld.

    3. Focus houden. Soms wordt het lastig gevonden om 'probing' of follow-up vragen te stellen of om verduidelijking te vragen zonder het onderwerp van onderzoek uit het oog te verliezen. 

    4. Omgaan met gevoelige kwesties. Soms raken geïnterviewden van streek, wat een negatieve impact op het verloop van het interview heeft. De meeste studenten vinden echter dat zij hier redelijk goed mee omgaan. 

    5. Transcriptie. Velen vinden dit lastiger en tijdrovender dan zij hadden verwacht. 

    Welke alternatieve interviewmethoden zijn er?

    Een standaard kwalitatief interview betreft het stellen van gesproken vragen en wordt face-to-face uitgevoerd op één locatie. Er zijn ook alternatieve methodes: door gebruikmaking van vignet-vragen en foto's als basis voor een discussie, het gebruik van een mobiele telefoon (interview onderweg) en het interview op afstand (telefoon, e-mail, online berichten, videobellen). 

    Wat geldt ten aanzien van het gebruik van vignet-vragen en foto's?

    Alhoewel het kan voorkomen dat je algemene vragen wilt stellen, kunnen deze het beste vermeden worden. Volgens Mason (2002) leidt dit er vaak toe dat de geïnterviewde vraagt of jij wilt verduidelijken wat je bedoelt. Als je bijvoorbeeld vraagt: "Hoe denk je dat je wordt beïnvloed door advertenties?", zal hierop gevraagd worden: "Op welke manier?". Vignet-vragen zijn nuttig, omdat deze een specifieke situatie schetsen die leidt tot een meer gefocuste discussie. Vignetten zijn korte beschrijvingen van een gebeurtenis die meestal voor het interview bedacht worden. Ze kunnen worden opgelezen of overhandigd op een kaartje. Het presenteren van een concreet en realistisch scenario stelt de onderzoeker in staat te beoordelen hoe bepaalde contexten gedrag beïnvloeden. 

    Een andere manier die het stellen van vragen vergemakkelijkt is door het gebruik van foto’s (‘foto-opwekking’) tijdens een interview. Dit is volgens Harper (2002) nuttig zijn om een aantal redenen. Ten eerste kunnen foto’s helpen om een betekenisvolle context toe te voegen aan een discussie, omdat het soms moeilijk is voor de geïnterviewde om zich te relateren aan de onderzoeksvraag. Ten tweede kunnen foto’s van bekende settings en objecten de geïnterviewde visueel stimuleren om na te denken over dingen die hij/zij normaliter vanzelfsprekend vindt. Ten derde kan de visuele stimulatie ervoor zorgen dat de geïnterviewde zich gebeurtenissen of mensen herinnert waaraan hij/zij anders niet had gedacht. Het gebruik van foto’s hoeft niet per se tot een superieur interview te leiden. Soms roept het niets op bij de geïnterviewde en resulteert het dus niet in interessante data. 

    Wat geldt ten aanzien van het interview via de mobiele telefoon?

    Er is een groeiende interesse voor de ontwikkeling van methodes die het mogelijk maakt mensen te bestuderen die 'in beweging zijn'. Dit heeft geleid tot de mobiele interviewmethode. Deelnemers worden geïnterviewd terwijl zij rondbewegen in hun eigen omgeving, het wordt ook wel het 'lopende interview' genoemd en heeft een aantal voordelen. Zo vergroot het de controle die de geïnterviewde heeft over de richting van het interview. Het legt de focus meer op wat de geïnterviewde als belangrijk beschouwt in zijn/haar omgeving en het is nauwer verbonden met het alledaagse leven etc. Het idee is dat het deelnemers laat nadenken over de betekenis van plaatsen voor hen. 

    Wat geldt ten aanzien van het telefonisch interview?

    Het telefonisch interview is vrij gewoon in kwalitatief onderzoek, maar wordt niet in veel gebieden gebruikt. Het voordeel hiervan is dat het goedkoper is dan een face-to-face interview. Deze methode is met name handig wanneer deelnemers ver uit elkaar wonen of de veiligheid van de interviewer een overweging is. Ook kan het effectiever zijn als er gevoelige gevragen gesteld moeten worden. Wat betreft de antwoorden lijkt er weinig verschil te zitten in de interviewmethode: de kwaliteit van data verkregen via een telefonisch interview is in de regel niet lager. Nadelen zijn dat sommigen geen of beperkte toegang hebben tot een telefoon, het niet effectief is voor lange interviews (het is makkelijker voor een geïnterviewde om een telefonisch interview te beëindigen), de lichaamstaal kan niet bestudeerd worden, er kunnen zich technische problemen voordoen en de interviewer kan geen materiaal door het observeren van de setting verzamelen.

    Wat geldt ten aanzien van het online interview en het interview via de e-mail?

    Een andere populaire methode is het interview per e-mail of online berichtuitwisseling. Dit geeft de geïnterviewde veel controle over zijn/haar deelname, wat handig is wanneer iemand bijzonder druk is. Dit komt vaak voor bij hogergeplaatste personen. Daarnaast kan het gebruikt worden wanneer de inhoud van het interview erg gevoelig is of de geïnterviewde qua locatie lastig te bereiken is voor een face-to-face interview. Bovendien zijn de antwoorden reeds uitgetypt en is transcriberen dus niet nodig. Wel bestaat het risico dat de deelnemer plots stopt met de uitwisseling wanneer het interview gedurende een lange periode plaatsvindt. Anderzijds lijkt de grote mate van controle juist te zorgen voor een langdurige inzet. Tevens kan de onderzoeker makkelijker teruggaan naar de geïnterviewde voor verdere vragen, dat is lastiger in geval van een face-to-face-interview. Het is belangrijk dat de interviewer berichten blijft sturen naar de geïnterviewde ter verzekering dat diens reacties significant en behulpzaam zijn. 

    Wanneer je werkt in een niet-synchronische modus (in geval van e-mailen vindt het vragen en antwoorden niet plaats op hetzelfde moment), moet je overwegen of je de alle vragen in één keer verstuurt of één voor één (na elke reactie de volgende). In het eerste geval bestaat het risico dat respondenten alle vragen doorlezen en alleen reageren op de vragen die ze interessant vinden of waar zij voor hun gevoel een nuttig antwoord op hebben. Eén voor één is waarschijnlijker betrouwbaarder. Het versturen van een klein aantal vragen per keer zorgt voor minder druk om snel te reageren, verschaft de mogelijkheid om doordachte reacties te geven (kan wel wat aan spontaniteit inboeten) en geeft de interviewer een betere gelegenheid om te reageren op de gegeven antwoorden. Beoogde respondenten zijn sneller geneigd akkoord te gaan met deelname als om hun instemming wordt gevraagd voorafgaand aan het versturen van de vragen en als zij informatie over de interviewer krijgen (bijvoorbeeld door een verwijzing naar zijn website). Het ongevraagd verzenden van de vragen kan als spam worden gezien. 

    Curasi (2001) vergeleek 24 interviews per e-mail en 24 face-to-face interviews met elkaar en kwam tot de volgende bevindingen:

    • Face-to-face interviewers zijn beter in staat een verstandhouding met de respondenten te onderhouden.

    • Het voltooien van een online interview vergt meer inzet en motivatie, maar de antwoorden zijn daardoor vaak wel gedetailleerder en weloverwogen.

    • In geval van online interviews is het minder goed mogelijk invloed te hebben op het succes van het interview, omdat zij op afstand plaatsvinden. Aanpassing naar aanleiding van signalen die de geïnterviewde geeft is niet mogelijk zoals die kunnen worden opgepikt in een face-to-face interview.

    • Antwoorden van online geïnterviewden hebben de neiging beter overwogen en grammaticaal correct te zijn, omdat zij meer tijd hebben om na te denken over de antwoorden en deze voor verzending kunnen verbeteren. Dit hoeft niet per se een voordeel te zijn, er gaat hiermee ook spontaniteit verloren.

    • Vervolgonderzoek kan in beide gevallen worden uitgevoerd.

    Daarentegen ontdekte Curasi dat de minst gedetailleerde antwoorden voortkwamen uit een online interview. Dit, en de andere verschillen, kunnen te maken hebben met het feit dat het ene interview in gesproken vorm geschiedt en het andere in getypte vorm. De directheid van face-to-face interviews maakt het mogelijk om verbale en non-verbale signalen te geven (aan beide zijden), wat zorgt voor een betere interactie en verdere informatie.

    Een belangrijk probleem voor veel interviewers is het betrokken houden van de geïnterviewden wanneer de vragen één voor één of twee voor twee worden verzonden. Respondenten neigen de interesse te verliezen. Het regelmatig contacteren en het zorgen voor een toegankelijke en begrijpelijke stijl kan dit verhelpen of de respondenten zelfs weer terughalen. 

    Wat geldt ten aanzien van het interview via videobellen?

    Door apps en software zoals Microsoft Teams, Zoom, Whatsapp, Facetime en Google Hangouts neemt het gebruik van interviews door middel van videobellen steeds meer toe. De meeste onderzoekers hebben hier positieve ervaringen mee. Het stelt de interviewer en geïnterviewde in staat elkaar te zien, is flexibeler dan face-to-face interviews, besparen tijd en geld, door het gemak zijn mensen sneller geneigd deel te nemen, er zijn minder veiligheidsrisico's voor beide partijen (zeker wanneer het interview 's nachts plaatsvindt) en het is niet bewezen dat het onderhouden van een verstandhouding lastiger is vergeleken met face-to-face interviews.

    Er zijn echter ook enkele beperkingen. Zo kunnen technologische problemen optreden, de kwaliteit van de verbinding kan wisselend of slecht zijn (slechte opnames zijn lastig te transcriberen), de antwoorden moeten getranscribeerd worden, de respondenten kunnen beïnvloed worden door de zichtbare eigenschappen van de interviewer (geslacht, etniciteit, leeftijd), het is mogelijk minder betrouwbaar omdat geïnterviewden zich makkelijker kunnen terugtrekken op het laatste moment en het kan lastiger zijn mensen over te halen een videogesprek in plaats van en telefoongesprek te voeren. Videobellen als interviewmethode heeft echter grote potentie en de nadelen nemen af naar mate mensen bekender worden met de software en het wifi-bereik verbetert. 

    Hoe moeten kwalitatieve interviews worden opgenomen en getranscribeerd?

    De meeste kwalitatieve interviews worden opgenomen. Met transcriberen wordt gedoeld op het omzetten van gesproken materiaal naar geschreven materiaal. Dit precies is niet altijd even simpel. Hoe we spreken is niet hetzelfde als hoe we schrijven. 

    Opnemen en transcriberen is essentieel voor benaderingen waarin veel aandacht is voor taal, zoals de gespreksanalyse en de verhaalanalyse, maar ook onderzoekers die gebruikmaken van kwalitatieve interviews en focusgroepen zullen dit proces doorlopen. Kwalitatieve onderzoekers zijn vaak niet alleen geïnteresseerd in wat de mensen zeggen, maar ook in de manier waarop de mensen iets zeggen. Heritage (1984: 238) noemt de volgende voordelen: het corrigeert de natuurlijke beperkingen van ons geheugen en onze interpretaties van hetgeen mensen mogelijk hebben gezegd, het maakt een grondigere beoordeling van hetgeen gezegd is mogelijk, de antwoorden kunnen herhaaldelijk worden beoordeeld, andere onderzoekers kunnen de data eveneens onderzoeken (secundaire analyse), het helpt beschuldigingen van beïnvloeding door waarden en vooroordelen te weerleggen en het maakt het mogelijk dat de data hergebruikt kan worden op andere manieren. Hieraan kan worden toegevoegd dat het opnemen en transcriberen van het interview zorgt voor een volledige concentratie op het interview, waardoor deze effectiever is. De interviewer wordt niet afgeleid door het opschrijven van antwoorden of het maken van notities. 

    De meeste interviews worden tegenwoordig digitaal opgenomen. Deze opnames hebben een hoge geluidskwaliteit, achtergrondgeluiden kunnen eruit gefilterd worden en onderzoekers kunnen bladwijzers toevoegen zodat zij makkelijk kunnen navigeren naar bepaalde onderdelen die onduidelijk of juist erg interessant zijn om deze nogmaals te beluisteren. Het proces van transcriberen kan erg veel tijd in beslag nemen. Stemherkenningssoftware is een optie, maar vaak niet perfect, dus meestal vindt het handmatig plaats. Dit betekent luisteren en regelmatig pauzeren om alles exact uit kunnen typen. Voor elk gesproken uur moet je rekenen op 5-6 uur transcriptiewerk. Ook moet je rekening houden met een grote hoeveelheid woorden die je moet verwerken voor de analyse. Wacht daarom niet met de data-analyse tot alle interviews zijn afgenomen en getranscribeerd. 

    Bij het transcriberen moet elk woord letterlijk worden overgenomen. Kun je een deel van het interview niet goed verstaan, geef dan aan in het transcript dat woorden of zinnen ontbreken. Het raden of verzinnen van een missend onderdeel is geen optie. Een andere kwestie is dat mensen zelden volledige zinnen uitspreken of zichzelf vaak herhalen. Je kunt de neiging hebben het interview hierop aan te passen voor een beter begrip of een kortere tekst. Dit is echter misleidend en zal de lezer doen vermoeden dat de geïnterviewde niet daadwerkelijk zo vloeiend heeft gesproken. Hierdoor kunnen twijfels over de nauwkeurigheid van je bevindingen ontstaan. 

    De belangrijkste uitdagingen die je in gedachte moet houden zijn: overweeg de noodzaak voor en kosten van kwalitatief goede opnameapparatuur, zorg voor een stille en geschikte ruimte voor het interview, denk na over opslagruimte (.wav-bestanden zijn enorm), beveiliging van opnames en transcriptie (gebruik tweetraps wachtwoordbescherming) en compatibiliteitsproblemen tussen software en bestanden. Het gebruik van opnameapparatuur kan de respondenten zelfbewust of verontrust maken. De meesten gaan akkoord met opname, maar het komt voor dat sommigen weigeren. Ook problemen met de opnameapparaat of de interviewlocatie kunnen opname onmogelijk maken, maar het is aan te raden om het interview toch door te laten gaan. 

    Hoe rond je een kwalitatief interview af?

    Dit kan op een aantal manieren. Meestal is het goed "Nou, ik denk dat dit alles is waarover ik het wilde hebben, zou jij mij nog iets willen vragen?" of iets vergelijkbaars te zeggen. Daarna kun je de geïnterviewde eraan herinneren wat er met de data zal gebeuren en bevestigen of in de toekomst nogmaals contact mag worden opgenomen. Maak na afloop van het interview notities over het verloop van het interview (was de geïnterviewde spraakzaam, meewerkend, nerveus etc.), waar het interview plaatsvond, lichaamstaal, andere gevoelens over het interview (zijn er nieuwe, interessante invalshoeken uit voortgekomen?) en de setting (druk/rustig, weinig/veel mensen in de nabijheid, gebruik van digitale apparaten). Dit helpt je de contextuele details te herinneren bij het uitvoeren van de analyse. 

    Wat houden het levensgeschiedenis-interview en mondelinge geschiedenis interview in?

    Twee speciale soorten interviews binnen kwalitatief onderzoek zijn het levensgeschiedenis-interview en het mondelinge geschiedenis interview.

    Het levensgeschiedenis-interview wordt geassocieerd met de levensgeschiedenismethode, ook wel de biografische methode genoemd, waarbij de geïnterviewde uitgenodigd wordt om heel gedetailleerd terug te blikken op zijn of haar leven. Vaak wordt dit gecombineerd met het bestuderen van persoonlijke documenten zoals dagboeken, foto’s en brieven. Uit dit interview zal blijken hoe de geïnterviewde de wereld om zich heen heeft geïnterpreteerd, begrepen en gedefinieerd (Faraday en Plummer, 1979). Het interview is ongestructureerd en probeert het hele leven te omvatten. Deze methode werd pas populair vanaf de jaren ’90, mogelijk omdat een steekproef van één persoon soms wordt beschouwd als beperkt generaliseerbaar. De methode heeft echter duidelijke voordelen voor kwalitatieve onderzoekers. Het toont ondubbelzinnig hoe iemand tegen het leven aankijkt, hoe gebeurtenissen in het leven zich ontvouwen en onderling verbonden zijn. Laub en Sampson (2004) ontwikkelden een soort levensgeschiedenis-kalender van het leven van 52 delinquenten waarop belangrijke keerpunten zoals het huwelijk, militaire dienst, verandering van baan, echtscheiding etc. werden aangegeven. Ze vroegen de deelnemers hun eigen leven te beoordelen (zagen ze een verbetering of verslechtering vanaf hun jeugd, adolescentie of vroege volwassenheid?) en keerpunten als ook de relatie met criminele activiteiten zelf te evalueren. Hierdoor kregen de auteurs een beter begrip van hoe keerpunten in iemands leven invloed hebben op de waarschijnlijkheid van het continueren of afstand nemen van criminaliteit.

    Volgens Plummer (2001) zijn er drie soorten levensverhalen:

    1. Naturalistische levensverhalen: verhalen die opkomen wanneer mensen terugblikken op hun leven door bijvoorbeeld een autobiografie of sollicitatiebrief te schrijven.

    2. Onderzochte levensverhalen: verhalen waarom onderzoekers vragen met een sociaal wetenschappelijk onderzoeksdoel in gedachten. De meeste onderzoeken zijn hierop gebaseerd.

    3. Reflexieve en recursieve levensverhalen: levensverhalen die onderkennen dat een verhaal altijd een constructie is waarin de interviewer geïmpliceerd is.

    Volgens Atkinson (2004) wordt een levensverhaal meestal verteld binnen twee of drie sessies van elk één á anderhalf uur. Hij heeft een catalogus opgesteld met vragen die gesteld kunnen worden om zo het hele levensverhaal in kaart te kunnen brengen. Zo begint hij met vragen over de geboorte, de ouders en de jeugd, daarna volgen vragen over de culturele setting en tradities ("Verschilde jouw familie van die van anderen in jouw omgeving?"), sociale factoren (worstelingen tijdens de jeugd), opleiding (beste herinneringen uit de schooltijd), liefde en werk, historische gebeurtenissen of periodes, pensionering, het 'innerlijke leven' en spiritueel bewustzijn, belangrijke levensthema's en eindigt hij met de visie op de toekomst en afsluitende vragen. Een levensgeschiedenis interview kan een belangrijk hulpmiddel zijn in een verhalende analyse waarbij de nadruk ligt op een opeenvolging van gebeurtenissen.

    Een mondeling toegelicht geschiedenis interview is iets specifieker van aard, omdat de geïnterviewde gevraagd wordt om te reflecteren op specifieke gebeurtenissen of periodes uit het verleden. De nadruk ligt iets minder op het individu of het persoonlijke leven en meer op de specifieke gebeurtenissen. Ook deze methode wordt vaak gecombineerd met andere bronnen zoals documenten. Het grootste probleem bij beide soorten interviews is de ‘bias’ door geheugenproblemen.

    Wat zijn de voordelen en beperkingen van het interview in kwalitatief onderzoek in vergelijking met participerende observatie?

    Aangezien het kwalitatieve interview en participant observatie de twee prominentste methodes van dataverzameling zijn, is het interessant hun voordelen en beperkingen te beoordelen.

    Voordelen observatie:

    • Door continue observatie zal de onderzoeker beter in staat zijn om de wereld te zien door de ogen van degene die hij/zij observeert;

    • Door het continue observeren wordt de oorspronkelijke formele en informele taal geleerd opdat de onderzoeker precies begrijpt hoe en wat bedoeld wordt;

    • Er komt veel aan het licht over afwijkende en verborgen activiteiten die niet aan de oppervlakte zouden komen door er expliciet naar te vragen;

    • De onderzoeker houdt veel rekening met de context;

    • Vanwege de ongestructureerde aard en flexibiliteit van de participant observatie is het waarschijnlijker dat onverwachte gebeurtenissen of problemen meegemaakt worden;

    • De dataverzameling vindt plaats in de natuurlijke omgeving, oftewel, er is een naturalistische setting waaraan een interview (hoe informeel dan ook) niet aan kan tippen.

    Voordelen kwalitatief interview:

    • Veel onderwerpen zijn simpelweg niet observeerbaar. Soms kom je alleen iets te weten als je daarnaar vraagt;

    • Gebeurtenissen kunnen gereconstrueerd worden door de geïnterviewde te laten terugblikken op bepaalde situaties. Dit kan met alleen observeren niet;

    • Een kwalitatief interview zal niet snel leiden tot ethische problemen. Sommige onderwerpen kunnen wel geobserveerd worden door bijvoorbeeld gebruik te maken van een verborgen microfoon of camera, maar dit is vaak ethisch onverantwoord;

    • Kwalitatief interviewen is minder ingrijpend in het leven van mensen dan participant observatie;

    • Eén van de voordelen van participant observatie is dat het vaak longitudinaal van aard is. Echter, het onderzoek duurt bijna nooit langer dan twee á drie jaar. Interviews passen makkelijker in een longitudinaal onderzoeksdesign, omdat interviews makkelijker te managen zijn dan herhaaldelijke bezoekjes aan de respondenten.

    • De te behandelen onderwerpen zijn breder dan bij participant observatie;

    • Er is een specifiekere focus dan bij participant observatie.

    Welke methode is beter? Elke onderzoeksmethode is geschikt voor het onderzoeken van bepaalde kwesties en vraagstukken en ongeschikt voor andere. Een vergelijking is eigenlijk niet nodig, omdat participant observatie meestal wordt toegepast in etnografisch onderzoek waarin tevens gebruikt wordt gemaakt van interviews.

    Access: 
    Public
    Wat zijn focusgroepen? - Chapter 20

    Wat zijn focusgroepen? - Chapter 20

    We zijn gewend om bij interviews te denken aan een één-op-één-gesprek tussen een interviewer en geïnterviewde. De methode van de focusgroep faciliteert het bespreken van een bepaald onderwerp of probleem met meerdere geïnterviewden. Dit lijkt op een groepsinterview, maar er zijn een aantal verschillen. De meeste onderzoekers die focusgroepen gebruiken doen dit binnen een kwalitatief onderzoek. De nadruk ligt dus op hoe deelnemers tegen de sociale wereld aankijken vanuit hun eigen levenservaringen. De onderzoeker verschaft een setting waarin deelnemers hun overtuigingen en visies kunnen uitdrukken. De persoon die de focusgroep sessie leidt (vaak de onderzoeker zelf) wordt ook wel de ‘moderator’ of de ‘facilitator’ genoemd: hij of zij zal elke sessie in goede banen leiden, maar zich er niet teveel mee bemoeien.

    Wat zijn focusgroepen?

    De focusgroep is een interviewmethode waarbij meer dan één, vaak minstens vier, individuen tegelijk worden geïnterviewd. De nadruk ligt op een vrij strikt gedefinieerd onderwerp en de onderzoeker heeft vooral aandacht voor de interacties die plaatsvinden binnen die groep. Het lijkt dus op een groepsinterview. Sommigen stellen dat er wel degelijk een onderscheid is tussen focusgroepen en groepsinterviews:

    1. Focusgroepen worden specifiek ontworpen om interactie tussen deelnemers tot stand te brengen. Het doel van het groepsinterview is het uitlokken van gedetailleerde reacties van een brede groep mensen.

    2. Groepsinterviews worden soms uitgevoerd zodat de onderzoeker tijd en geld bespaart. Dit is niet een drijfveer voor het gebruik van focusgroepen.

    3. De interviewer van een focusgroep is - in tegenstelling tot de interviewer van een groepsinterview - geïnteresseerd in de manier waarop de individuen over een bepaald onderwerp met elkaar discussiëren en gezamenlijk een antwoord construeren (groepsdynamiek).

    4. Focusgroepen genereren data op meerdere niveau (individueel, groep en interactie). Dataverzameling is specifiek gericht op wat mensen denken en waarom, en hoe dit zich verhoudt tot en afwijkt van wat anderen denken. Eem groepsinterview is simpelweg een poging om een aantal individuen op hetzelfde moment te interviewen.

    Toch worden de twee termen vaak door elkaar gebruikt en is het bovengenoemde onderscheid niet altijd even duidelijk. Onderzoekers geven de voorkeur aan een focusgroep, omdat:

    • Het laat zien hoe mensen betekenis van/begrip voor ontwikkelen met betrekking tot een bepaald onderwerp door hun interactie met anderen. Dit betreft zowel een individueel als een collectief begrip.

    • Het de deelnemers meer vrijheid geeft dan het één-op-één interview. Ze zijn relatief vrij in het vormen van de discussie en kunnen eenvoudiger benadrukken wat zij belangrijk en significant vinden. Feministische onderzoekers maken er om deze reden steeds vaker gebruik van. 

    • De groepsdynamiek kan resulteren in interessantere, realistischere en meer genuanceerde data. Deelnemers zijn meer open en enthousiast, dagen elkaar uit, lokken meer vragen uit etc.

    Hoe voer je focusgroepen uit?

    Gelet op het grote aantal mensen dat betrokken is bij een focusgroep in vergelijking met een interview, zijn er verschillende praktische overwegingen waar rekening mee moet worden gehouden: de hoeveelheid groepen, de grootte van de groepen, de mate van betrokkenheid door de moderator, hoe deelnemers geselecteerd moeten worden, hoe vragen gesteld moeten worden, hoe een discussie begonnen en beëindigd moet worden en waarom en hoe de sessies opgenomen en getranscribeerd moeten worden. 

    Hoeveel focusgroepen?

    Het is onwaarschijnlijk dat de onderzoeker alle benodigde informatie krijgt uit slechts één focusgroep. Daarnaast is het ook goed mogelijk dat de reacties specifiek zijn voor die ene groep, wat een kwalitatieve beoordeling van generaliseerbaarheid onmogelijk maakt. Calder (1977) stelt dat er waarschijnlijk voldoende groepen zijn zodra een ‘moderator’ in staat is om redelijk accuraat te voorspellen wat de volgende groep gaat zeggen (en de opmerkingen en patronen zich dus gaan herhalen, vergelijkbaar met het idee van dataverzadiging). Dit is natuurlijk nooit met zekerheid te zeggen.

    Het aantal vereiste focusgroepen is afhankelijk van de onderzoeksvragen en de verzamelde data, dus een lange reeks van focusgroepen organiseren is niet aan te raden. De onderzoeker kan het aantal groepen mede late afhangen van de mate waarin gedacht wordt dat de meningen afhankelijk zijn van sociodemografische factoren zoals leeftijd, geslacht, status, enzovoorts. Veel onderzoekers gebruiken gestratificeerde criteria om te verzekeren dat de groepen verschillende karakteristieken vertegenwoordigen. Uiteraard zijn tijd en bronnen ook belangrijke factoren. Teveel groepen zijn een verspilling van beiden. Naarmate er meer groepen zijn, wordt de transcriptie omvangrijker en de analyse complexer.

    Hoe groot moeten de groepen zijn? 

    Volgens Morgan (1998) bestaat de typische focusgroep uit zes tot tien leden. Een groot probleem is vaak dat de leden van de focusgroep instemmen om mee te doen, maar vervolgens niet komen opdagen. Het is bijna onmogelijk om anders om te gaan met deze ‘no-shows’ dan om bewust teveel mensen uit te nodigen. Morgan raadt aan om de groep kleiner te houden als de leden waarschijnlijk veel te zeggen hebben over het onderwerp of wanneer de onderwerpen controversieel of complex zijn. Grotere groepen worden aangeraden wanneer de betrokkenheid bij het onderwerp waarschijnlijk laag is of wanneer de onderzoeker meerdere, korte invalshoeken wil horen. De auteur van het boek is het hier niet mee eens: volgens hem maken grote groepen het juist lastig voor de mensen om iets te zeggen over een onderwerp wanneer zij er weinig ervaring mee hebben of er niet veel vanaf weten.

    Volgens Barbour (2007) moet een focusgroep bestaan uit maximaal acht deelnemers. Grotere groepen zouden volgens haar simpelweg onhandig zijn: de onderzoeker heeft dan meer moeite met het accuraat interpreteren van alle meningen, met het ingaan op elke mening en met het herkennen van de verschillende stemmen bij het afluisteren van de opgenomen sessies. Peek en Fothergill (2009) bevestigen dat kleinere groepen - bestaande uit drie tot vijf mensen - meestal de voorkeur krijgen. De discussie in deze focusgroepen loopt vaak beter dan in grotere groepen. In kleinere groepen voelen de leden zich vrijer om hun (controversiële of kritische) mening uit te spreken, mede omdat er (in tegenstelling tot grotere focusgroepen) niet zozeer één persoon is die de discussie als het ware opeist.

    Hoe betrokken moet de moderator zijn? 

    Het doel van de focusgroep is het uitlokken van de perspectieven van de geïnterviewden. De aanpak van de ‘moderator’ mag dus niet gestructureerd en ‘te ingrijpend’ zijn. Onderzoekers hebben daarom de neiging om slechts een beperkt aantal algemene vragen te gebruiken en deelnemers de nodige vrijheid te geven. Als de focus teveel wordt verloren, kan hij de aandacht herleggen, maar dan nog is het belangrijk voorzichtig in te grijpen. Het is niet erg als zij redelijk veel uitwijken van het onderwerp, dit kan namelijk weer nieuwe meningen of perspectieven opbrengen van de andere deelnemers en helpen om naar boven te brengen wat zij echt belangrijk vinden aan het onderwerp. Er is een dunne lijn tussen een rijke, brede discussie en een irrelevante en dus onproductieve discussie. Het is de moeilijke taak van de ‘moderator’ om te bepalen waar de grens ligt. Gaandeweg kan de ‘moderator’ een aantal punten opbrengen voor verdere discussies (die van belang zijn voor de onderzoeksvraag) die niet opgepikt worden door groepsleden.

    Het beste advies is alleen in te grijpen wanneer de groep duidelijk worstelt in de discussies. De discussie blijft op gang door te erkennen wat gezegd is, het samenvatten en stimuleren van reflecties op hetgeen is gezegd en de deelnemers voldoende spreektijd te gunnen. Knikken kan deelnemers aanmoedigen wat te zeggen, maar dit mag niet als instemmend worden opgevat. Instemming of afkeuring uitdrukken is een van de interventies die vermeden moet worden. Ook persoonlijke opvattingen, onderbrekingen en non-verbale reacties (fronsen, hoofd schudden) moeten worden vermeden. Een van de uitdagingen voor een moderator is een goed niveau van deelname onder de deelnemers. Gelijkmatige deelname is onrealistisch, maar alle leden moeten een redelijke bijdrage leveren. Daarnaast moet de moderator ervoor zorgen dat sprekers niet door elkaar heen praten door hen hierop te wijzen. 

    Wie moeten deelnemen aan de focusgroepen? 

    Dit is afhankelijk van de onderzoeksvraag. Het meest geschikt zijn mensen die waarschijnlijk ervaring hebben met het voeren van informele discussies over een bepaald onderwerp. Onderzoekers maken gebruik van verschillende wervingsstrategieën, welke door Peek en Fothergill (2009) als volgt worden beschreven:

    • Onderzoeker-gedreven werving. De onderzoeker gebruikt e-mail, brieven, flyers, telefoontjes of sociaal media om interesse voor deelname op te wekken.

    • Sleutelinformant werving. Belanghebbende organisaties helpen actief bij het werven van deelnemers. Een docent kan helpen contact te leggen met leerlingen.

    • Spontane werving. Individuen bieden zich vrijwillig aan, omdat ze via een ander over het onderzoek hebben gehoord. 

    Onderzoekers proberen meestal om een redelijk breed publiek te trekken om deze vervolgens te verdelen in groepen op basis van stratificerende criteria (leeftijd, opleiding, geslacht, beroep etc.). De deelnemers kunnen vervolgens willekeurig toegewezen worden aan een groep of door de sneeuwbalsteekproef-methode. De onderzoeker kan er ook voor kiezen om mensen die elkaar kennen samen te zetten (collega’s, vrienden, familie) of juist om onbekende mensen in één groep te zetten. Sommige onderzoekers zorgen er juist voor dat mensen die elkaar kennen niet in één groep komen, omdat hun voorgaande interacties de sessie kunnen bevuilen. Niet alle onderzoekers hanteren deze vuistregel en geven juist de voorkeur aan het selecteren van natuurlijke groepen om zo de discussie ook zo ‘natuurlijk mogelijk’ te houden.

    Hoe moeten de vragen gesteld worden?

    Alhoewel deelnemers veel vrijheid genieten, moet de onderzoeker overwegen welke onderwerpen besproken gaan worden en hoe de vragen met betrekking tot deze onderwerpen gesteld moeten worden. Sommige onderzoekers geven de voorkeur aan het stellen van één of twee zeer algemene vragen om een discussie op te wekken. De moderator grijpt alleen in wanneer nodig. Anderen hebben liever een meer gestructureerde focusgroep. In vergelijkend onderzoek worden bijvoorbeeld meerdere dezelfde vragen gesteld en op een zodanige wijze dat zij allemaal op dezelfde manier worden begrepen door deelnemers. Als de onderwerpen behoorlijk specifiek zijn, kunnen dit algemene vragen betreffen. De moderatie-stijl moet ook vergelijkbaar zijn binnen de groepen.

    De ene manier is waarschijnlijk niet beter of slechter dan de andere manier. De stijl van vragen stellen en de invloed van de ‘moderator’ hangt af van meerdere factoren, zoals het onderwerp zelf en de kennis en interesse die de deelnemers hebben. Als de onderzoeker zelf al veel van het onderwerp weet of wanneer de deelnemers weinig interesse en kennis hebben, krijgt de gestructureerde aanpak de voorkeur). Een gestructureerde benadering kan de spontaniteit binnen een discussie verminderen, maar zal het nooit compleet elimineren.

    Hoe begin en beëindig je sessies?

    Het wordt aangeraden om de focusgroep sessie te beginnen met een introductie waarbij de moderator zichzelf introduceert en de deelnemers bedankt voor hun komst, het doel van het onderzoek uitlegt, wijst op ethische kwesties (zoals geïnformeerde toestemming en het recht op terugtrekking), benoemt dat de sessie wordt opgenomen en waarom, en de geschatte duur van de discussie aangeeft, wat regels uitleggen (zoals “één persoon tegelijkertijd aan het woord”), garanderen dat de data anoniem en vertrouwelijk behandeld zal worden, en duidelijk maken dat de mening van iedereen even belangrijk is. Aan het einde zullen de leden nogmaals bedankt worden en zal kort toegelicht worden wat er nu verder met de data zal gaan gebeuren.

    Welke soorten interacties komen voor in focusgroep sessies?

    Volgens Wilkinson (zij analyseerde meer dan 200 studies gepubliceerd tussen 1946 en 1996) wordt de interactie binnen de focusgroep opmerkelijk genoeg bijna nooit opgenomen in de rapportage, laat staan geanalyseerd. Zeer weinig onderzoekers kijken verder dan het individuele niveau. Volgens Kitzinger (1994) zijn er twee soorten interacties binnen focusgroepen: complementaire interacties en argumentatieve interacties. De eerste soort betreft een overeenstemmend begrip van de sociale wereld en de tweede afwijkende visies.

    Volgens Munday (2006) maakt de manier waarop een focusgroep de consensus onder de aandacht brengt en hoe deze was bereikt, het een krachtige tool for onderzoek naar de collectieve identiteit. Het kan openbaren hoe collectieve ideeën voortkomen uit sociale interactie en hoe deze vervolgens versterkt worden door de groep. Volgens Kitzinger kunnen argumentatieve interacties even openbarend zijn. Onenigheid geeft deelnemers de mogelijkheid hun mening te herzien of na te denken over de redenen voor hun mening. Onenigheid dwingt de deelnemers om uit te leggen waarom zij iets vinden en geeft de onderzoeker de kans te beoordelen hoe zij tegen relevante kwesties aan kijken. Focusgroepen bestaan zelden uit louter complementaire dan wel argumentatieve interacties, meestal gaat het om een mix van beiden. Het focussen op de gevallen waarover men het eens of oneens is kan een nuttig startpunt vormen voor het interpreteren en analyseren van de kwalitatieve data uit de focusgroepen.

    Welke online focusgroepen zijn er?

    Het gebruik van online focusgroepen neemt steeds meer toe. Er bestaat een belangrijk onderscheid tussen synchrone en niet-synchrone groepen. Synchrone groepen vinden plaats in 'real time', dus de bijdrages van deelnemers die allemaal tegelijkertijd online zijn volgen elkaar vrij onmiddellijk op. Dit komt overeen met offline focusgroepen. Dit kan de analyse echter bemoeilijken, omdat verschillende deelnemers tegelijk een reactie kunnen typen. Het om de beurt reageren kan niet gegarandeerd worden. In geval van niet-synchrone groepen vinden de uitwisselingen niet in 'real time' plaats. Een voorbeeld hiervan is de groepsmail. Hiervoor kan gekozen worden als deelnemers te maken hebben met verschillende tijdzones of niet vaardig zijn in typen. Het geeft hen ook meer tijd om na te denken over hun antwoorden en te reageren wanneer dit hen het beste uitkomt. Er is echter een grotere risico op afhakers door de herhalende aard van de inzet. 

    De onderzoeker die kiest voor een online focusgroep moet eveneens kiezen voor een 'onderzoekslocatie'. Dit kan een online platform (social media), e-mail, een website of software als Zoom zijn. Daarnaast moet worden nagedacht over de grootte van de groepen, het selecteren van de deelnemers, de mate van betrokkenheid van de moderator, de start en het einde, en het opnemen en transcriberen van de reacties. 

    Wat zijn de voordelen en nadelen van online focusgroepen?

    Veel voordelen en nadelen van online versus offline focusgroepen zijn gelijk aan die van online en face-to-face interviews. De meeste significante voordelen van online focusgroepen zijn dat het de onderzoeker een betere gelegenheid biedt om een populatie te treffen van mensen die al met elkaar communiceren en logistieke kwesties niet aan de orde zijn (geen reistijd- en kosten). Daarnaast is de online focusgroep toegankelijker: het biedt deelnemers de mogelijkheid om bij te dragen aan de discussie waar en wanneer hen dit uitkomt en het is minder eng dan je mening geven in het echte leven. Bovendien is er toegang tot een grote hoeveelheid mogelijke deelnemers, kunnen deelnemers teruglezen wat zijzelf en anderen hebben gezegd, is er vaak geen transcriptie nodig, kan men door gebruik van pseudoniemen anoniem blijven voor anderen en is de kans op beïnvloeding door karakteristieken van anderen klein. Enkele nadelen zijn dat alleen mensen met toegang tot online faciliteiten deel kunnen nemen, het voor de interviewer lastiger kan zijn een verstandhouding op te bouwen met deelnemers, 'probing' lastiger is, spontaniteit in minder mate aanwezig is, de identiteit van de deelnemers niet zeker is, onderbrekingen vaker kunnen voorkomen, een gelijkwaardige bijdrage bemoeilijkt kan worden door verschillen in typvaardigheden, een slechte verbinding het verloop van de discussie kan verstoren en lichaamstaal niet bestudeerd kan worden. 

    Wat zijn de beperkingen van focusgroepen?

    • De onderzoeker heeft minder controle over het proces dan bij een individueel interview. Veel mensen ervaren dit echter niet als nadeel en feministische onderzoekers zien het juist als een voordeel.

    • De data is moeilijk te analyseren. Er wordt al snel een hele hoop data geproduceerd en het ontwikkelen van een analysestrategie waarbij zowel de individuele meningen als de interacties naar boven komen is niet makkelijk.

    • Focusgroepen zijn moeilijk te organiseren. De onderzoeker moet er niet alleen voor zorgen dat mensen willen deelnemen aan de focusgroep; de onderzoeker moet er ook voor zorgen dat zij komen opdagen. Om deze reden wordt vaak een kleine geldbeloning ingezet.

    • Het duurt langer om de opnames te transcriberen dan bij een individueel onderzoek vanwege de verschillende toonhoogtes en het feit dat je de stemmen moet onderscheiden om te kunnen vaststellen wie wat hoe zegt.

    • Vaak spreken de leden van de focusgroep door elkaar tijdens een discussie. Dit is niet te voorkomen, ook al geeft de onderzoeker van tevoren en tijdens de discussie waarschuwingen. De analyse van die delen van de opname wordt hierdoor extra lastig of soms zelfs onmogelijk.

    • Het kan zijn dat er groepseffecten plaatsvinden: er zijn altijd terughoudende sprekers en sprekers die continu aan het woord willen zijn. Hieraan gerelateerd is het feit dat de deelnemers vaker geneigd zijn om cultureel verwachte meningen te uiten dan in een individueel interview.

    • Volgens Madriz (2000) zijn focusgroepen niet altijd gepast, bijvoorbeeld wanneer intieme details over het privéleven gevraagd worden. In dat geval is een individueel interview gepaster.

    Access: 
    Public
    Wat is de rol van taal in kwalitatief onderzoek? - Chapter 21

    Wat is de rol van taal in kwalitatief onderzoek? - Chapter 21

    In dit hoofdstuk worden twee belangrijke analyses behandeld: conversatieanalyse (CA) en redevoering analyse (‘discourse analysis’, DA). In tegenstelling tot de traditionele zienswijze op de rol van taal in sociaal onderzoek behandelen deze twee benaderingen taal als een onderwerp en niet als bron van de studie. Taal is dus meer dan een medium dat gebruikt wordt om sociaal onderzoek uit te voeren, het is de focus van het onderzoek.

    Wat houdt de conversatieanalyse (CA) in?

    Een conversatieanalyse (CA) is een fijne (gedetailleerde) analyse van spraak zoals deze tot uiting komt in natuurlijk voorkomende gesprekken. De spraak wordt opgenomen en getranscribeerd. Vervolgens kan de onderliggende taalstructuur blootgelegd worden. De wortels van CA liggen in de zogenoemde etnomethodologie.

    De etnomethodologie is een sociologische positie waarin de nadruk ligt op praktisch redeneren (boerenverstand) in het alledaagse leven. De sociale orde is hiermee een product van onze taal en interacties. Etnomethodologie is zelf geen onderzoeksmethode. Zij kent twee centrale ideeën: ‘indexicaliteit’ en reflexiviteit. ‘Indexicaliteit’ houdt in dat de betekenis van iets (in CA refereert dit aan gesproken woorden, uitingen, pauzes, geluiden, etc.) afhangt van de context waarin het wordt gebruikt. Het principe van reflexiviteit is de mogelijkheid om in een taal over een taal te spreken.

    De etnomethodologie splitste zich op in twee kampen: één kamp hield zich bezig met traditionele sociale onderzoeksmethoden en etnografie en één kamp - vooral geassocieerd met Sacks en collega’s (1974) - hield zich bezig met gedetailleerde analyses van natuurlijk plaatsvindende spraak. De CA stelt dat de gesprekken leiden tot de sociale orde en CA beoefenaars zijn ook aanhangers van de ‘indexicaliteit’. Echter, de context zien zij als het hier en nu, terwijl de meeste kwalitatieve onderzoekers de context veel breder zien (waarbij ook de normen en waarden, geloofsovertuigingen en ideeën een grote rol spelen). Om deze reden is het soms moeilijk om CA toe te passen in een bredere context.

    Wat zijn de principes van de conversatieanalyse?

    Allereerst merkt een analist iets op met betrekking tot de manier waarop iets gezegd wordt. Bijvoorbeeld: kleine kinderen beginnen vaak met “Weet je wat?” waarop de ouder automatisch zegt “Wat?”. Vervolgens kijkt de analist naar de functie van deze manier van spreken. Het antwoord bij het genoemde voorbeeld is dat het kind op deze manier zichzelf voor zijn of haar gevoel neerzet als gelijkwaardige gesprekspartner. Nadat de focus van het onderzoek is vastgesteld, wordt vervolgens verder gegaan op basis van enkele fundamentele principes. Volgens Heritage (1984, 1987) liggen drie principes ten grondslag liggen aan de CA:

    1. 'Praat' is gestructureerd: mensen zijn impliciet bewust van de gebruikte, gestructureerde taalpatronen.

    2. 'Praat' is contextueel: acties worden geuit in spraak en spraak moet daarom geanalyseerd worden in termen van de context.

    3. Analyse is gegrond in data: analisten vermijden a priori theoretische schema’s door te stellen dat taalkenmerken afgeleid moeten zijn uit empirische data.

    Punt 3 impliceert dat de analist gedetailleerde transcripten moet produceren van natuurlijke gesprekken. Hierbij moet erg gelet worden op de kleinste details: pauzes en nuances zijn absoluut niet per ongeluk of onbelangrijk.

    Wat zijn de basistools van de conversatieanalyse?

    • Beurtelings reageren (‘turn-taking’): een van de basisideeën binnen CA is dat alledaagse gesprekken kunnen plaatsvinden door het geordend, om de beurt spreken. Dit principe illustreert dat spraak afhankelijk is van gedeelde codes. Als deze codes niet zouden bestaan, zou er geen vloeiende spraak bestaan. Eén persoon praat en deze beurt wordt gewisseld met een zo klein mogelijke pauze of overlap tussen de beurten (Hutchby & Wooffitt, 1998).

    • Nabijheid paren (‘adjacency pairs’): dit principe representeert de neiging van sommige soorten door taal geuite activiteiten om samen te gaan, zoals een vraag en een antwoord, een uitnodiging en een antwoord of een groet en een groet terug. De tweede fase van dit paar is van belang voor de conversatieanalist. Er wordt altijd geanticipeerd op de tweede fase, hoewel er altijd een voorkeursrespons is.

    • Voorkeursrespons: de voorkeursrespons wordt bestudeerd door de reactie van de persoon op de geuite tweede fase van het vorige punt. Sommige antwoorden krijgen immers de voorkeur, zo gaat het accepteren van een uitnodiging niet samen met rechtvaardiging terwijl de afwijzing ervan wel samengaat met een rechtvaardiging. De bewustwording van de voorkeursantwoorden geven implicaties voor de structuur van een gesprek.

    • Herstelmechanismes: soms gaan dingen fout in conversaties, zoals wanneer mensen door elkaar praten (een fout in ‘turn-taking’). Volgens Silverman (1993) zijn er een aantal herstelmechanismes, zoals:

    1. Wanneer A begint voordat B klaar is, stopt B met praten;

    2. Wanneer iemand zijn of haar beurt niet neemt, bijvoorbeeld niet antwoordt op een vraag, spreekt de spreker nogmaals (bijvoorbeeld herhalen van de vraag).

    Kwalitatieve onderzoekers proberen de onderliggende motieven van anderen te begrijpen door een poging te doen om door de ogen van hun deelnemers te kijken. CA analisten proberen ook een betekenis en motief te geven aan wat ze bestuderen, maar alleen binnen die specifieke context. Zij zien de context enkel als het hier en nu van het gesprek, waardoor het moeilijk is om alles accuraat te interpreteren.

    Wat houdt de redevoering analyse (‘discourse analysis’: DA) in?

    In tegenstelling tot CA kan DA ook toegepast worden op andere communicatievormen, zoals teksten, en is daarom flexibeler van aard. In redevoering analyse (‘discourse analysis’, DA) ligt er ook niet zoveel nadruk op de natuurlijke spraak, dus ook de spraak in interviews kan een focus zijn voor onderzoek. Daarnaast is er niet zoals bij CA slechts sprake van één type: DA kent meerdere vormen. DA deelt wel sommige inzichten van CA. Een redevoerende analyse is een analyse van spraak en andere vormen van taal die de nadruk legt op de manier waarop het gebruik van taal verschillende versies van de realiteit kan creëren.

    De onderzoeksvragen in DA zijn aanvankelijk vaak open en later specifieker van aard.

    Volgens Gill (2000) zijn er vier hoofdthema’s in DA:

    1. Redevoering is een onderwerp: de redevoering zelf is het onderwerp van de studie.

    2. Taal is constructief: redevoering is een manier om een bepaald beeld van sociale realiteit te vormen.

    3. Redevoering is een vorm van actie: taal is een manier om iets te bereiken.

    4. Redevoering is retorisch georganiseerd: er is een erkenning dat we anderen willen overtuigen van de manier waarop wij gebeurtenissen e.d. zien. Het thema dat redevoering retorisch is houdt in dat DA beoefenaars erkennen dat redevoering gaat om het vaststellen van één versie van de wereld.

    Welke tendensen zijn er binnen het proces van de redevoering analyse?

    Volgens Potter en Wetherell (1994) zijn er twee tendensen binnen DA onderzoek. Ten eerste is er de identificatie van de omstandigheden bij een redevoering met als doel een bepaalde actie in gang te zetten. Centraal binnen deze neiging staat ligt het identificeren van interpretatieve repertoires. Bijvoorbeeld: een onderzoeker legt zijn of haar onderzoek heel anders uit in een informeel onderzoeksinterview dan in zijn of haar geschreven wetenschappelijke artikel. Dit ontstaat omdat het artikel binnen een empiristisch repertoire valt (het is in die stijl geschreven, de bevindingen volgen logisch uit de data, alles is formeel en wetenschappelijk gepresenteerd, etc.), terwijl er tijdens een interview sprake is van een zogenoemd ‘contingent’ repertoire (Gilbert & Mulkay, 1984). Hierin presenteert de wetenschapper het artikel als zijnde sterk afhankelijk van speculatieve inzichten, persoonlijke kenmerken, vaardigheden, etc. De onderzoeker presenteert de bevindingen dus niet zo zwart-wit als in het artikel en erkent dan ook meer de eigen rol in het produceren van deze bevindingen. Dit stukje over een interpretatief repertoire is interessant, omdat hierdoor duidelijk wordt dat bepaalde acties plaatsvinden binnen sjablonen die de spreker leiden en beïnvloeden.

    Ten tweede is er de neiging om de gedetailleerde procedures te identificeren die versies feitelijk laten lijken. Hier ligt de nadruk op de middelen die gebruikt worden in het overbrengen van (naar verluidt) feitelijke kennis. Nog specifieker ligt de aandacht van de redevoerende analisten vooral op de manier waarop numerieke en non-numerieke verklaringen gecreëerd worden om bepaalde argumenten te weerleggen of te ondersteunen, dit heet ook wel de kwantificatie retoriek. Bijvoorbeeld: vroeger was er een TV programma genaamd “Cancer: your money or your life”. In dit programma werd ‘aangetoond’ dat de enorme bedragen die gedoneerd worden door het publiek aan kankerinstituten niet zouden helpen met het genezen van de ziekte. Vervolgens werden er getallen genoemd zoals geldbedragen en het aantal soorten kanker en daartegenover werd het aantal inmiddels ‘te genezen’ kankersoorten gezet (slechts drie en dan ook nog eens de drie zeldzaamste soorten).

    Wat houdt de kritische redevoering analyse (CDA) in?

    Deze analysevorm is toepasbaar op zowel natuurlijke als onnatuurlijke vormen van spraak, teksten, enzovoorts. Het is sterk beïnvloedt door het werk van Michel Foucault (1977) en probeert taal en haar middelen (spraak, schrift, etcetera) te linken aan het belang van macht, ideologie en sociaal-culturele verschillen. De kritische redevoering analyse kent een anti-realistische epistemologische positie (er is geen externe realiteit) en een constructionistische ontologische positie (de realiteit en de sociale fenomenen daarbinnen worden continu uitgevoerd en dus ‘gebouwd’ door ‘actors’). Simpel gezegd is bij deze vorm van DA de redevoering een vorm van actie. Mensen proberen iets te bereiken wanneer ze praten of schrijven. Deze versie van DA is dus gericht op actie ondernemen: hoe krijgen mensen iets gedaan? Met andere woorden (in de vorm van de drie basisvragen van de kritische redevoering analist): wat is het doel van de redevoering, hoe is deze opgezet om dit te bereiken en wat voor middelen zijn beschikbaar om het werkelijk uit te voeren?

    De CDA beoefenaars zijn ontvankelijker voor de mogelijkheid van een al bestaande materiële realiteit en - specifieker - voor de epistemologische positie genaamd kritisch realisme. Eén van de dingen die CDA beoefenaars proberen te achterhalen is de manier waarop de redevoering opgebouwd en behouden is in relatie tot een bepaald fenomeen, zoals globalisatie. Analisten proberen te ontdekken hoe de redevoering van vandaag een bepaalde betekenis heeft terwijl 40 á 50 jaar geleden deze betekenis anders was of er helemaal geen sprake was van een betekenis. Ook kijken zij onder andere naar de relatie tussen die redevoering en invloeden van andere redevoeringen, de vormgeving van de redevoering in de teksten (zoals kranten en academische artikelen) en de invloed van de redevoering op het sociale leven (Phillips & Hardy, 2002). Zoals dit eerste punt suggereert kan de redevoering over globalisatie bijvoorbeeld invloed hebben op de redevoering over nieuwe technologie of corporatieve sociale verantwoordelijkheid. Dit is echter niet altijd een complementair proces: soms vechten de redevoeringen om dominantie. Dit heet dan een dialogische strijd (Keenoy en collega’s, 1997). Kritische redevoering analisten kijken in dat geval naar de vraag waarom de ene redevoering het wint of heeft gewonnen van een andere: hoe is er betekenis gecreëerd?

    De analyse van een specifieke discursieve gebeurtenis vindt plaats binnen een driedimensionaal kader:

    1. De tekstdimensie: het nauwkeurig onderzoeken van de inhoud, structuur en betekenis van de tekst;

    2. De redevoerende praktijkdimensie: het onderzoeken van de manier waarop betekenis en overtuiging gecommuniceerd wordt.

    3. De sociale praktijkdimensie: het overwegen van de sociale context waarin de redevoerende gebeurtenis plaatsvindt.

    Intertekstualiteit is een concept wat inhoudt dat de redevoering breder is dan de specifieke redevoering waarnaar gekeken wordt. Dit concept geeft ruimte om te kijken naar de sociale en historische context waarin de redevoering plaatsvindt.

    Access: 
    Public
    Welke documenten kunnen een databron zijn in sociaal onderzoek? - Chapter 22

    Welke documenten kunnen een databron zijn in sociaal onderzoek? - Chapter 22

    Dit hoofdstuk houdt zich bezig met een reeds bestaande databron, namelijk documenten zoals brieven, dagboeken, autobiografieën, kranten, tijdschriften, websites en foto’s. De nadruk ligt op onderzoeksrelevante documenten die niet speciaal geproduceerd zijn voor het doel van het sociale onderzoek, maar op documenten die al bestonden.

    Wat wordt bedoeld met 'documenten"?

    Het woord 'document' kan in het alledaagse taalgebruik vele betekenissen hebben. In dit geval wordt met documenten gedoeld op materialen die gelezen kunnen worden (ruime uitleg, ook foto's vallen hieronder), ze zijn oorspronkelijk niet geproduceerd voor sociaal onderzoek, ze zijn bewaard zodat zij beschikbaar werden voor analyse en zij zijn relevant voor de sociale onderzoeker. Een inhoudsanalyse wordt vaak uitgevoerd op nieuwsartikelen. Het grote voordeel van het gebruik van documenten voor zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek is dat zij niet reactief zijn. 

    Scott (1990) maakt onderscheid tussen persoonlijke documenten en officiële documenten waarbij de laatsten kunnen bestaan uit staatsdocumenten of privédocumenten. Volgens Scott (1990) kan de kwaliteit van documenten bepaald worden aan de hand van vier criteria:

    1. Authenticiteit (is het bewijs het echt?)

    2. Betrouwbaarheid (is het bewijs het foutloos?)

    3. Representativiteit (is het bewijs typerend voor het soort?)

    4. Betekenis (is het bewijs duidelijk en begrijpelijk?)

    Wat zijn persoonlijke documenten?

    Met persoonlijke documenten doelt Scott op documenten die individuen hebben geproduceerd gedurende hun persoonlijke en professionele levens. Dagboeken en brieven worden zeer vaak gebruikt door historici, maar krijgen minder aandacht van sociale onderzoekers. Door de opkomst van e-mail en andere vormen van digitale communicatie zal de rol van brieven nog kleiner worden. Veel brieven, andere persoonlijke documenten en bestuurlijke correspondentie worden bewaard in archieven, dus het is altijd de moeite waard om te bekijken welke persoonlijke documenten beschikbaar zijn voor je onderzoek.

    Brieven en e-mail zijn een vorm van communicatie met anderen, terwijl dagboeken van oudsher voor jezelf worden geschreven. Dagboeken zijn lastig van andere persoonlijke documenten (zoals de autobiografie of blog) te onderscheiden wanneer zij voor een groter publiek bedoeld zijn. Deze persoonlijke documenten kunnen ook opgesteld worden op verzoek van een onderzoeker, zo worden dagboeken met name gebruikt binnen de levensgeschiedenis-methode. 

    Bij het beoordelen van (ongevraagde) persoonlijke documenten is het authenticiteit-criterium heel belangrijk: is de beweerde auteur  werkelijk de auteur? Deze vraag is steeds problematischer geworden ten aanzien van autobiografieën, omdat veel bekende personen gebruikmaken van 'ghost writers'. Dit betekent overigens niet dat het document niet meer bruikbaar is voor sociaal onderzoek. 

    Met betrekking tot de betrouwbaarheid moet er worden gekeken naar de feitelijke accuraatheid en naar de mate waarin het document de werkelijke gevoelens van de auteur representeert. Representativiteit is een groot probleem bij het evalueren van persoonlijke documenten. Geletterdheid kwam vroeger veel minder voor en alle meisjes zijn – net als mensen in de sociaal lagere klasse - sterk ondervertegenwoordigd. Een ander probleem met de representativiteit van persoonlijke documenten is de selectief kleine verzameling van documenten die het overleefd hebben: hoeveel documenten zijn beschadigd, verloren of weggegooid? Dat zullen we nooit weten.

    Het criterium van betekenis is ook problematisch, mede vanwege de schade aan brieven en dagboeken en het gebruik van afkortingen of codes door auteurs die moeilijk te ontcijferen zijn. Ook werd volgens Scott (1990) niet alles opgeschreven, omdat degene die de brief schreef bepaalde waardes en aannames deelde met de ontvanger die voor ons onduidelijk zijn, maar indertijd voor hen vanzelfsprekend waren.

    Wat geldt ten aanzien van visuele objecten? 

    Er wordt een algemeen onderscheid gemaakt tussen bestaande foto’s en onderzoekgegenereerde foto’s (foto’s speciaal gemaakt voor het onderzoek of door de onderzoeker zelf). De focus ligt in dit hoofdstuk op de eerste categorie. Eén van de meest voorkomende manieren waarop foto’s invloed hebben in sociaal onderzoek is door de informatie die ze onthullen over families. Foto’s worden immers vaak gemaakt tijdens ceremoniële gebeurtenissen (zoals een bruiloft of doop) en terugkerende gebeurtenissen (religieuze zoals Kerstmis en jaarlijkse vakanties). Scott (1990) maakt onderscheid tussen drie soorten thuisgemaakte foto’s:

    1. Idealisatie: een foto van een formele houding zoals in een trouwfoto of familiefoto

    2. Natuurlijke weergave: een foto van een spontane actie op het moment zelf

    3. Demystificatie: een foto van een subject in een atypische en vaak beschamende situatie.

    Het is belangrijk bewust te zijn van deze verschillende soorten en niet 'op het gezicht' moet worden beoordeeld, het is tevens nodig om aanvullende kennis te hebben over de sociale context te hebben om te voorkomen dat je te oppervlakkig naar de foto kijkt. Er moet voorbij een oppervlakkige uitstraling van de afbeeldingen worden gekeken. In de Victoriaanse tijd werd een stijve houding en een plechtige gezicht aangemeten voor de foto, dit verhulde de realiteit van kinderarbeid, vrouwelijke fabriekswerkers, verwaarlozing etc. Je kunt je afvragen welk nut foto's hebben voor een onderzoeker. Er zijn drie prominente rollen voor foto's in sociaal onderzoek:

    1. Illustratieve rol: ze kunnen bepaalde punten illustreren en hierdoor droge tekst tot leven brengen. Dit komt voor in klassieke antropologische verslagen en meer recent in etnografie. 

    2. Als data. Foto's gemaakt in het kader van onderzoek zijn een databron op zichzelf. Zij worden een essentieel onderdeel van veldnotities. Reeds bestaande foto's kunnen de hoofdbron van data zijn 

    3. Als 'prompts'. Foto's kunnen gebruikt worden om mensen aan te moedigen te praten over wat zij erin weerspiegelt zien. Zowel foto's gemaakt in het kader van onderzoek als reeds bestaande foto's kunnen hiervoor worden gebruikt. 

    De vorming van digitale archieven heeft verschillende soorten gebruik van visuele documenten in sociaal onderzoek mogelijk gemaakt. 

    Scott (1990) ziet de representativiteit als het grootste probleem bij de beoordeling van foto’s. De foto’s die het hebben overleefd zijn hoogstwaarschijnlijk niet representatief. Gebrek aan representativiteit strekt verder dan enkel de overlevingsselectie van de foto’s. Een ander probleem voor de onderzoeker is het herkennen van de verschillende manieren waarop het beeld (en de zogenoemde subteksten) geïnterpreteerd kan worden: een probleem met betrekking tot de betekenis. Hieraan gerelateerd is het probleem dat foto’s ten onrechte automatisch een bepaalde, hoge betrouwbaarheid toegekend krijgen (“een foto spreekt duizend woorden”). Hierdoor wordt ervan uitgegaan dat de betekenis van de foto transparant is.

    Wat zijn officiële documenten?

    Officiële documenten betreffen de bestuurlijke rapporten met betrekking tot bestuurlijke bureaucratieën en organisaties. Zij kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën: afkomstig van de staat en afkomstig van privébronnen.

    Wat zijn officiële staatsdocumenten?

    Staatsdocumenten geven vaak veel statistische informatie. Naast het geven van dergelijke kwantitatieve data biedt de staat ook veel tekstdocumenten zoals officiële verslagen.

    In termen van Scott’s (1990) vier criteria zijn deze documenten authentiek en betekenisvol, maar zijn de betrouwbaarheid en representativiteit twijfelachtig. Misschien is de informatie bevooroordeeld? Aan de andere kant kunnen zij erg interessant zijn voor de onderzoeker juist vanwege de vooroordelen die onthuld worden. In ieder geval moet er dus opgepast worden met het behandelen van deze documenten alsof ze een directe representatie zijn van de realiteit. Daarnaast wordt de representativiteit gecompliceerd door het feit dat deze documenten vaak uniek zijn, ook iets wat het ze aan de andere kant juist een heel interessant onderzoeksonderwerp maakt.

    Wat zijn officiële privédocumenten?

    De meest gebruikte officiële privédocumenten zijn bedrijfsdocumenten. Sommige soorten documenten zijn publiekelijk toegankelijk (zoals jaarlijkse rapporten, reclames en artikelen op het internet), terwijl andere soorten niet toegankelijk zijn voor het publiek (zoals nieuwsbrieven, memo’s, correspondenties, handleidingen voor nieuwe medewerkers, enzovoorts). Dit materiaal wordt veel gebruikt door bedrijfsetnografen, maar omdat het moeilijk kan zijn om toegang krijgen tot een bedrijf moeten de etnografen het vaak alleen doen met de documenten die toegankelijk zijn voor iedereen.

    Net als bij staatsdocumenten worden deze documenten vaak als authentiek en betekenisvol beoordeeld, maar zijn de betrouwbaarheid en representativiteit niet zo duidelijk. Mensen die documenten opstellen willen vaak een bepaalde mening of een bepaald punt overbrengen waardoor de documenten niet bepaald representatief of zonder vooroordelen zijn.

    Wat zijn 'massa media' documenten? 

    Eerder is het gebruik van kranten, tijdschriften, televisieprogramma’s, films en andere massa media output al besproken als mogelijke bronnen voor wetenschappelijke analyse in kwantitatieve vorm. Deze bronnen kunnen echter ook zo geanalyseerd worden dat hun kwalitatieve aard behouden blijft. In deze analyses wordt vaak gezocht naar bepaalde thema’s. Een inhoudsanalyse kan ook bepaalde aspecten hiervan naar boven brengen, maar een fijnere kwalitatieve analyse is veel gevoeliger voor de aard en inhoud van het thema. Binnen het analyseren van deze thema’s wordt vooral gekeken naar fouten of vertekeningen.

    De authenticiteit van massa media output kan moeilijk te bepalen zijn: de inhoud is vaak wel echt (feitelijk), maar het auteurschap is vaak vaag. Hierdoor is het lastig om te bepalen of de output het resultaat is van iemand die in de positie is geweest om objectief, accuraat verslag uit te brengen. De betrouwbaarheid kan ook een struikelblok zijn, maar aan de andere kant kunnen juist die fouten en vertekeningen binnen de thema’s het onderwerp van de analyse zijn. De representativiteit (is het typerend?) is meestal geen enkel probleem en ook de betekenis (is het duidelijk en begrijpelijk voor de onderzoeker?) is meestal niet problematisch.

    Welke virtuele documenten kunnen als databron fungeren?

    Door de uitgebreidheid en toenemende toegankelijkheid is het internet een belangrijke bron geworden voor documenten die gebruikt kunnen worden voor kwantitatieve en kwalitatieve studies. Voorbeelden zijn websites, blogs, vlogs, chatrooms, forum, online gemeenschappen en social media.

    Bijna elke organisatie beschikt tegenwoordig over een website waarop zij een behoorlijke hoeveelheid informatie delen en zichzelf presenteren. Dit maakt ze een waardevolle bron van data voor sociale wetenschappers. Hoewel er veel potentie zit in het gebruiken van websites als kwalitatieve databronnen, moeten we Scott’s (1990) criteria niet vergeten. Deze criteria nodigen bovendien uit om te bekijken hoe een website is vormgegeven. Waarom is er een website: voor commerciële doeleinden of om een bepaalde visie te publiceren? Websites moeten net als andere documenten sceptisch benaderd worden.

    Berichten in chatrooms, forums of online gemeenschappen kunnen een 'vruchtbare' databron zijn voor onderzoekers. In collectief verband worden zij ook wel studies naar 'online interactie' genoemd. Onderzoekers die berichten analyseren moeten bepalen of zij dit doen met of zonder eigen deelname. Wanneer de analyse wordt uitgevoerd zonder deelname of bekendmaking van de aanwezigheid, kan men beschuldigd worden van 'lurking', wat ethisch dubieus is door het ontbreken van geïnformeerde toestemming. Andere onderzoeken stellen dat dit geen problemen oplevert wanneer sprake is van publieke data (denk aan open forums). Deelname aan online discussies neigt naar online etnografie. 

    Social media accounts kunnen persoonlijk of officieel zijn. Een van de grootste voordelen van deze data is ook meteen een belangrijk nadeel. De inhoud kan zeer rijke data verschaffen, maar de reusachtige hoeveelheid kan het vormgeven van een geschikte en beheersbare steekproef erg lastig maken (maar niet onmogelijk). Zo zal een doelgerichte steekproef niet geschikt zijn, omdat dit het doorlezen van een enorm aantal berichten vereist, maar is een theoretische steekproef mogelijk wel een goede optie.

    Hoe moeten documenten worden geïnterpreteerd? 

    Er wordt vaak (impliciet) aangenomen dat documenten ons per definitie iets vertellen over de onderliggende realiteit. Schrijvers zoals  Coffey (2014) zijn hier sceptisch over en beargumenteren dat documenten een aparte ontologische status hebben omdat ze refereren aan een andere soort realiteit: ‘documentaire realiteit’. Bij het analyseren van documenten moet er onder andere gelet worden op de context waarin ze geschreven zijn. Het doel van documenten is immers om een bepaalde gewenste impressie over te brengen en niet om simpelweg de realiteit te representeren. Aanvullend stellen Atkinson en Coffey (2011) dat elk document gezien moet worden als gekoppeld aan een ander document, aangezien elk document verwijst naar en/of een antwoord is op een ander document. Overige documenten zijn een deel van de bijbehorende context of achtergrond. Atkinson en Coffey noemen dit fenomeen ‘intertekstualiteit’.

    Welke benaderingen zijn er ten aanzien van de interpretatie van documenten?

    Twee gebruikelijke benaderingen ten aanzien van documentanalyse binnen kwalitatief of gemengd onderzoek betreffen de kwalitatieve inhoudsanalyse en semiotiek. Daarnaast is ook de redevoering analyse het benoemen waard, al zal deze niet verder besproken worden.

    Wat houdt de kwalitatieve inhoudsanalyse in?

    De kwalitatieve inhoudsanalyse is de meest gebruikte methode. Dit betreft het zoeken naar onderliggende thema's in de materialen die worden geanalyseerd. Volgens Schreier (2014) heeft deze methode drie voordelen:

    • Het reduceert data (er wordt geprobeerd om kernpatronen te ontdekken in een grote hoeveelheid kwalitatief materiaal);

    • Het is relatief systematisch (er wordt een relatief transparante methode voor het coderen en categoriseren van data gebruikt);

    • Het is flexibel (het werkt inductief of deductief). 

    In een kwalitatieve inhoudsanalyse illustreren onderzoekers meestal de ontdekte thema's door middel van voorbeelden uit de documenten, bijvoorbeeld een korte quote uit een nieuwsartikel. 

    In een studie naar Facebook-berichten geassocieerd met de rellen in Vancouver in 2011 maakten Altheide en Schneider (2013) gebruik van een vorm van kwalitatieve inhoudsanalyse: de etnografische inhoudsanalyse (ECA). Deze analyse is met name nuttig voor het analyseren van media-inhoud. Hun benadering verschilt van kwantitatieve inhoudsanalyses doordat de onderzoeker de thema's of categorieën die zij uit de documenten hebben gefilterd constant blijven herzien. Bij de ECA wordt er dus veel meer geschipperd tussen conceptualisatie, dataverzameling, analyse en interpretatie. Bij een kwantitatieve inhoudsanalyse worden vooraf gedefinieerde categorieën gebruikt: bij een ECA is er wel een aanvankelijke categorisatie, maar is er meer ruimte voor het verfijnen van deze categorieën en het genereren van nieuwe categorieën. Het tweede punt waarop de inhoudsanalyses verschillen is dat de ECA ook de context waarin documenten zijn gegenereerd benadrukt.

    Wat houdt semiotiek in?

    Semiotiek betekent de studie van tekens. De voornaamste termen die gebruikt worden binnen de semiotiek, zijn:

    • Het teken: iets wat staat voor iets anders;

    • Een teken bestaat uit twee onderdelen, namelijk een ‘signifier’ (de manifestatie van een teken, ook wel ‘vehicle’ genoemd) en een ‘signified’ (het idee of de diepere betekenis waar de ‘signifier’ naar verwijst);

    • De aanduidende (‘denotative’) betekenis is de duidelijke, vrijwel letterlijke betekenis van een ‘signifier’;

    • De tekenfunctie ziet op het doel van de aanduidende betekenis;

    • Een ‘connotatieve’ betekenis is de betekenis van een ‘signifier’ die geassocieerd wordt met een bepaalde sociale context en aansluitend is op de letterlijke, aanduidende betekenis ervan;

    • Polysemie verwijst naar het feit dat een teken altijd op meerdere manieren kan worden geïnterpreteerd;

    • De code is de algemene betekenis die men wil inbrengen in een teken en wordt ook wel een tekensysteem genoemd.

    De semiotiek probeert de verborgen betekenis in teksten te achterhalen. Een voorbeeld is het curriculum vitae (CV). Het CV is een systeem van verbonden ‘signifiers’ dat als wezenlijke betekenis heeft om een samenvatting te geven van iemands ervaring (de symboolfunctie). De ‘connotatieve’ betekenis is een indicatie van iemands waarde (met betrekking op de toekomstige functie). Elk CV kan op meerdere manieren geïnterpreteerd worden en is dus ‘polysemisch’.

    Access: 
    Public
    Wat houdt een kwalitatieve data-analyse in? - Chapter 23

    Wat houdt een kwalitatieve data-analyse in? - Chapter 23

    Een enorme kracht van kwalitatief onderzoek is de diepte en rijkheid van de data die het genereert. Dit betekent echter ook dat de analyse niet altijd eenvoudig is. Miles (1979) beschrijft kwalitatieve data daarom als een ‘aantrekkelijke ergernis’. Daarnaast zijn er veel verschillende manieren waarop kwalitatieve analyse benaderd kan worden. Veel auteurs stellen dat vaste analyseregels niet per se wenselijk zijn. Kwalitatief onderzoek verschaft wel enkele brede oriëntaties ten aanzien van data, deze zullen in dit hoofdstuk besproken worden. 

    Wat zijn de meest bekende algemene strategieën voor het doen van een kwalitatieve data-analyse?

    De meest geciteerde algemene strategieën voor het doen van kwalitatieve data-analyses betreffen de analytische inductie, de gefundeerde of geaarde theorie ('grounded theory'), de thematische analyse en de narratieve analyse. Met 'algemene strategie' doelen we op een vastgestelde serie principes en praktijken die dienen als leidraad voor het coderen en analyseren van data. Een verschil tussen kwalitatieve en kwantitatieve data-analyse is dat een kwantitatieve analyse bijna altijd wordt gedaan na het verzamelen van de data. De kwalitatieve analyse wordt vaak beschreven als iteratief: een herhalende wisselwerking tussen de verzameling en analyse van data. De analyse start na het verzamelen van wat data en deze tussentijdse analyse geeft vorm aan de volgende stap in het proces van de dataverzameling. De gefundeerde theorie, analytische inductie en narratieve analyse kunnen dus ook worden gezien als strategieën voor dataverzameling. 

    Wat houdt analytische inductie in?

    Bij een analytische inductie wordt de data zo geanalyseerd dat de onderzoeker eindigt met een universele verklaring voor een fenomeen. De onderzoeker gaat dus door met de dataverzameling totdat hij/zij geen enkel geval meer tegenkomt die inconsistent is met zijn/haar hypothetische verklaring. Het stappenplan van deze aanpak gaat als volgt: er is een grove definitie van een onderzoeksvraag gevolgd door een hypothetische verklaring van dat probleem. Vervolgens begint de dataverzameling: wanneer er geen inconsistente (negatieve) gevallen gevonden worden, wordt de hypothese bevestigd en eindigt de dataverzameling. Indien er wel gevallen worden gevonden die inconsistent zijn met de verklaring, wordt de verklaring aangepast waarna de dataverzameling verder gaat totdat er geen afwijkende gevallen meer zijn, of zo aangepast dat het specifieke afwijkende geval buiten de boot valt.

    Er zijn twee beperkingen van de analytische inductie. Allereerst beschrijft het de voorwaarden die voldoende zijn voor het zich voordoen van het fenomeen, maar het specificeert zelden de noodzakelijke voorwaarden. Bijvoorbeeld: door een analytische inductie kan verklaard worden waarom mensen met bepaalde eigenschappen of in bepaalde omstandigheden drugsverslaafden worden, maar er kan niet verklaard worden waarom juist zij verslaafd zijn geworden en niet anderen met dezelfde eigenschappen in dezelfde situatie. Ten tweede biedt de analytische inductie (in tegenstelling tot de gefundeerde theorie) geen bruikbare richtlijnen met betrekking tot het aantal benodigde gevallen voordat de validiteit van de hypothetische verklaring kan worden bevestigd.

    Wat houdt de gefundeerde theorie in? 

    De gefundeerde of geaarde theorie is het meest gebruikte kader voor het analyseren van kwalitatieve data. Deze benadering werd voor het eerst beschreven in het boek van Glaser en Straus (1967), wat een van de meest geciteerde teksten in de sociale wetenschappen is. Er is geen duidelijke algemene definitie, omdat Glaser en Strauss de gefundeerde theorie op verschillende manieren ontwikkelden. Glaser (1992) vond dat de gefundeerde theorie die Strauss (1990) promootte te beschrijvend was en dat Strauss (1990) teveel nadruk legde op de ontwikkeling van concepten in plaats van op theorieën. Auteurs vermelden vaak of ze de ‘Glaserian’ of de ‘Straussian’ versie van de gefundeerde theorie gebruiken. Daarnaast wordt het geven van een eenduidige definitie ook lastig, omdat de ‘Straussian’ versie de laatste jaren veel veranderd is: er worden continu analytische hulpmiddelen toegevoegd.

    De gefundeerde theorie biedt de volgende 'tools':

    • Theoretische ‘sampling’: het selecteren van gevallen op basis van de behoeften van opkomende theorie, dus niet op basis van vooraf gespecificeerde criteria.

    • Coderen, een kernproces in de gefundeerde theorie. Het verdelen van data onderdelen en deze een naam of label geven, direct na aanvang van de dataverzameling. Data hoeft niet in voorgevormde standaardcodes te passen zoals bij kwantitatief onderzoek, de interpretaties van de data vormen nieuwe codes. De codes worden gedurende het herhalende proces van verzameling en analyse bepaald en georganiseerd.

    • Theoretische verzadiging, heeft zowel betrekking op de verzameling als codering van data (nieuwe data is niet langer behulpzaam of wordt herhalend en de codes of categorieën zelf dragen niet meer bij aan de uitwerking van de ontwikkelde concepten.

    • Constante vergelijkingen. Dit heeft betrekking op het behouden van een nauwe connectie tussen data en conceptualisatie: er moet overeenstemming zijn tussen codes, categorieën en concepten. Hieronder valt tevens het waakzaam zijn voor opkomende tegenstellingen tussen categorieën en concepten. Hoewel vroeger de constante vergelijkingen expliciet gerapporteerd werden is dit tegenwoordig een impliciet element.

    Een erg praktisch en belangrijk hulpmiddel binnen dit proces zijn memo's: de aantekeningen van onderzoekers over het analyseproces. Het wordt aangeraden deze te schrijven zodra je enkele fenomenen hebt gecodeerd, dit is behulpzaam bij de constante vergelijkingen. Memo's kunnen verschillende vormen hebben voor allerlei doeleinden worden gebruikt. Hierin kunnen bijvoorbeeld theoretische aantekeningen, verklaringen van incidenten, codes, mogelijke relaties tussen concepten staan, reflectieve opmerkingen, ideeën voor verdere ontwikkeling, overwegingen omtrent dataverzadiging of een simpele reminder staan. 

    Hoe wordt gecodeerd volgens de gefundeerde theorie?

    Coderen vormt een belangrijk proces binnen de gefundeerde theorie. Het betreft het reviewen van transcriptie en/of veldnotities en het geven van namen aan onderdelen die mogelijk theoretisch belang hebben of bijzonder belangrijk lijken binnen de sociale wereld van de bestudeerde personen. Codes zijn een middel voor het labelen, scheiden, samenstellen en organiseren van data. Kwalitatief coderen verschilt van kwantitatief coderen (van survey data bijvoorbeeld). In het laatste geval is het een manier van het voorbereiden van data voor een kwantitatieve data-analyse. In veel benaderingen van de kwalitatieve data-analyse, waaronder de gefundeerde theorie, is het een belangrijke eerste stap in het genereren van theorie. In kwantitatieve context worden data en codes meer als vaststaand beschouwd, terwijl kwalitatief coderen meer 'vloeibaar' en herzienend van aard is. Data wordt beschouwd als mogelijke indicatoren van concepten, welke constant worden vergeleken zodat duidelijk wordt bij welke concepten zij het beste passen. 

    Straus en Corbin (1990) maken onderscheid tussen drie soorten codeerpraktijken: open coderen, axiaal coderen en selectief coderen. Elk soort houdt verband met een bepaalde fase gedurende de ontwikkeling van categorieën. De fase van open coderen is relatief verkennend. Het idee van axiaal coderen wordt soms gezien als het beëindigen van de dynamische data-analyse en is daarom controversieel. Open coderen: het proces van het verdelen, beoordelen, vergelijken, conceptualiseren en categoriseren van data. Hier komen concepten uit voort, die later gegroepeerd worden en omgezet in categorieën. Axiaal coderen: reeks procedures aan de hand waarvan data terug bij elkaar worden geplaatst door het maken van connecties tussen categorieën. Dit geschiedt door het koppelen van codes aan contexten, gevolgen, interactiepatronen en oorzaken. Selectief coderen: procedure waarin de kerncategorie wordt geselecteerd, deze systematisch te relateren aan andere categorieën, het valideren van deze relaties en het invullen van categorieën die verdere verfijning en ontwikkeling nodig hebben. 

    Ook Charmaz (2006) onderscheidt drie hoofdvormen van codering, gerelateerd aan de verschillende fasen van dit proces: initiële codering, gefocust coderen en theoretisch coderen. Dit proces begint met eerste indrukken van de data en vereist een open blik van de onderzoeker. Er moeten zoveel mogelijk nieuwe ideeën en codes worden gegenereerd ter inkapseling van de data. Gefocust coderen betekent dat de meeste voorkomende codes worden geïdentificeerd, deze zijn het meest onthullend ten aanzien van de data. Sommige initiële codes zullen vervallen, maar er kunnen ook nieuwe ontstaan door het combineren van initiële codes. De onderzoeker verkent en evalueert de data vervolgens nogmaals aan de hand van deze codes. De benadering van Charmaz is derhalve erg iteratief: er bestaat een constante cyclus tussen data, codering en concepten. In de derde fase worden de codes samengebracht voor een theoretisch begrip van het onderzochte object.

    De benaderingen van onderzoekers verschillen enigszins, maar in beide gevallen zien we een beweging van het genereren van codes die dicht bij de data blijven naar meer selectieve en theoretisch uitgewerkte manieren van conceptualisering van het bestudeerde fenomeen. 

    Welke verschillende fasen worden doorlopen en wat zijn de uitkomsten?

    Stappenplan van de gefundeerde theorie:

    1. Formuleer een algemene onderzoeksvraag

    2. Voer een theoretische steekproef uit van relevante personen en/of gebeurtenissen.

    3. Verzamel de relevante data

    4. Codeer de data op het niveau van open coderen (waaruit concepten voortvloeien). Er wordt continu geschipperd binnen deze eerste vier stappen. Vroeg coderen kan betekenen dat nieuwe data nodig is, dus een theoretische steekproef enz.

    5. Vorming van categorieën door constante vergelijkingen van indicatoren en concepten. De indicatoren en concepten moeten bij elkaar passen.

    6. Verzadiging van deze categorieën gedurende het coderingsproces

    7. Onderzoek de relaties tussen de categorieën waardoor er hypotheses ontstaan over de onderlinge verbanden.

    8. Verzamel meer data door middel van theoretische steekproeven.

    9. Test de hypotheses waarbij het theoretische verzadigingsprincipe de dataverzameling bepaalt. Formuleer vervolgens de wezenlijke theorie.

    10. De wezenlijke theorie kan vervolgens nog worden getest in andere settings waarna er een formele theorie kan ontstaan. Dit is relatief zeldzaam in de gefundeerde theorie, omdat de onderzoekers zich meestal focussen op één bepaalde setting.

    Uitkomsten van de gefundeerde theorie:

    • Concepten: concepten zijn de labels die gegeven worden aan discrete fenomenen en worden geproduceerd in de fase van open codering.

    • Categorieën: een categorie bestaat uit één of meerdere uitgewerkte concepten die fenomenen representeren. Categorieën zijn hiermee abstracter van aard dan concepten. Eigenschappen: dit zijn attributen of aspecten van een categorie.

    • Hypotheses: een initieel idee over de relaties tussen concepten dat verkend kunnen worden door middel van theoretische steekproeven of verdere codering.

    • Theorie: volgens Strauss en Corbin (1998) is een theorie een set met goed ontwikkelde, systematisch gerelateerde categorieën die een theoretisch framework vormen voor het verklaren van een bepaald fenomeen. Binnen de gefundeerde theorie wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten/niveaus theorieën: de inhoudelijke theorie en de formele theorie. De inhoudelijke theorie wordt gerelateerd aan een bepaald empirisch gebied, zoals beroepsmatige socialisatie. De formele theorie is abstracter en is toe te passen op meerdere inhoudelijke gebieden die verder gaan dan degene die onderzocht wordt. Het genereren van formele theorie vereist meestal dat de onderzoeker data verzamelt uit tegenstellende settings. Een voorbeeld is socialisatie. 

    Welke kritiek is er op de gefundeerde theorie?

    Ondanks het feit dat de gefundeerde theorie veel gebruikt wordt, heeft ook deze methode van data-analyse haar beperkingen:

    • Een onderzoeker die gebruikmaakt van de gefundeerde theorie dient de kennis over relevante theorieën en concepten achterwege te laten tot laat in het proces. Bulmer (1979) stelt dat het onmogelijk is dat onderzoekers zich niet bewust zijn van relevante theorieën of concepten. Veel onderzoekers zien dit juist niet als beperking, aangezien de bestaande concepten ervoor zorgen dat de onderzoeker gefocust is en voort kan bouwen op andermans werk.

    • Er zijn ook praktische beperkingen: vanwege het continue samenspel tussen dataverzameling en conceptualisatie neemt het uitvoeren van een goede analyse heel veel tijd in beslag (onderzoekers werken vaak met deadlines).

    • Het is te betwijfelen of deze methode werkelijk resulteert in een theorie. De meeste onderzoeken eindigen helaas met alleen maar een inhoudelijke theorie en niet een formele theorie, waardoor er vaak geen bredere generaliseerbaarheid is.

    • De gefundeerde theorie kent ondanks menig onderzoek nog steeds enkele onduidelijke punten. Het verschil tussen het gebruiken van een concept en een categorie is hier een voorbeeld van. Deze twee sleutelwoorden worden vaak inconsistent gebruikt wat voor verwarring zorgt. Strauss en Corbin refereren naar theoretisch sampling als "sampling on the basis of emerging concepts", waar Charmaz meent dat het gebruikt wordt "to develop our emerging categories".

    • De gefundeerde theorie wordt vaak geassocieerd met een data-analyse aanpak die onderzoekers aanmoedigt data te fragmenteren (data te coderen in discrete ‘chunks’). Sommige menen dat de betekenis van de context en narratieve flow hierdoor afnemen.

    • Er is veel discussie en verwarring over de werkelijke aard van de gefundeerde theorie, waardoor het ook moeilijk te zeggen is hoe deze gebruikt moet worden.

    Hoe wordt kwalitatieve data gecodeerd?

    Coderen (ook wel indexen genoemd) is het beginpunt van de meeste kwalitatieve data-analyses. Alle transcripten en/of notities krijgen labels/codes bij onderdelen die de onderzoeker belangrijk acht. Het is heel handig om zo snel mogelijk te coderen. Door het tussentijds coderen zal de onderzoeker de data beter begrijpen. Ook biedt het handvatten voor het theoretisch ‘samplen’. Vroeg beginnen met coderen zorgt er ten slotte voor dat de onderzoeker niet een hele hoop werk heeft op het einde. Lees door de transcripten, veldnotities, documenten enzovoorts en maak zoveel mogelijk significante notities. Onthoud dat elk item in de data op meerdere manieren gecodeerd kan en eigenlijk moet worden. Maak je geen zorgen over het genereren van veel te veel codes: coderen is niet hetzelfde als analyseren, het is een hulpmiddel. Codes binnen de gefundeerde theorie worden continue aangepast en met elkaar vergeleken waarna ze behandeld worden als indicatoren van concepten.

    Het grootste kritiekpunt op het coderingsproces is de kans dat de onderzoeker de sociale context kwijtraakt van dat wat er is gezegd. Er worden immers stukken tekst uit hun context getrokken waardoor de sociale setting voor dood achterblijft. Een gerelateerd kritiekpunt is dat de gefundeerde theorie resulteert in een fragmentatie van de data waardoor de verhalende lijn van wat mensen zeggen verloren gaat. De aandacht voor dit probleem heeft geleid tot de narratieve analyse.

    Wat houdt de thematische analyse in?

    Een thematische analyse refereert naar het afleiden van sleutelthema’s uit de data. Een thematische analyse heeft, in tegenstelling tot strategieën zoals de gefundeerde theorie en de redevoering analyse, geen bijbehorend cluster van toe te passen technieken. Er zijn slechts weinig algemeen geaccepteerde principes die gehanteerd worden bij het definiëren van de sleutelthema’s, waardoor de analyse vaak warrig is. Het is een analyse die vaak verwerkt wordt binnen de grotere kwalitatieve data-analyse methodes (gefundeerde theorie, redevoeringanalyse, kwalitatieve inhoudsanalyse, narratieve analyse). Voor sommige onderzoekers is een thema min of meer hetzelfde als een code. Veel onderzoekers claimen gebruik te hebben gemaakt van een thematische analyse, maar dit is meestal niet te identificeren.

    Een steeds populairdere vorm van een thematische analyse is voorgesteld door Clarke en Braun (2013). De populariteit van hun benadering vloeit voort uit de theoretische en methodologische transparantie ervan. Met name voor proefschrift-onderzoek is het erg bruikbaar. De algemene methode bestaat uit zes fases:

    1. Bekend worden met de data (interviews of focusgroepen transcriberen, schrijven en lezen van veldnotities of het bestuderen van documenten en ander materiaal).

    2. Initiële codering. 

    3. Identificeren van thema's.  De onderzoeker moet opkomende codes vergelijken en plaatsen tegenover eerdere codes en theoretische concepten. 

    4. Thema's reviewen. Het verder ontwikkelen van thema's door ze te combineren en daarna op zoek te gaan naar subthema's.

    5. Definiëren van thema's. Ontwikkel een narratief waarin de eigenschappen van de (sub)thema's worden beschreven en toon aan hoe zij al dan niet aan elkaar gerelateerd zijn.

    6. Lever bewijs van de thema's door middel van de codes. Dit koppelt het thema ook aan bredere literatuur.

    Tijdens het zoeken naar thema’s adviseren Ryan en Bernard (2003) te letten op:

    • Herhalingen van onderwerpen

    • Inheemse typologieën of categorieën (lokale, abnormale of onbekende uitingen)

    • Metaforen en analogieën (de manier waarop deelnemers hun gedachten vormgeven)

    • Overgangen tussen onderwerpen

    • Overeenkomsten en verschillen in de manier waarop geïnterviewden antwoorden

    • Linguïstieke verbindingen (zoals ‘omdat’ of ‘daardoor’: geeft aan wat de geïnterviewde ervaart als causaal verband)

    • Missende data (reflecteer op dat wat niet in de data is)

    • Theorie-gerelateerd materiaal (gebruik sociaalwetenschappelijke concepten om vervolgens thema’s op te bouwen)

    Wat houdt de narratieve analyse in?

    De narratieve analyse (ook wel: verhaalsanalyse) is een methode om data die gevoelig is voor temporale reeksen (chronologische volgorde), zoals verhalen die mensen vertellen over hun leven en gebeurtenissen hierin, te genereren en analyseren. Bij deze analyse ligt de focus niet op wat er is gebeurd, maar op de manier waarop mensen het waarnemen en voor welk effect het zorgt (een verhaal wordt immers altijd verteld met een bepaald doel). Onderzoekers die gebruikmaken van de narratieve analyse beschuldigen andere data-analyse methodes ervan dat zij geen rekening houden met het perspectief van de mensen op hun leven en de gebeurtenissen hierin. Mensen zien hun leven immers als procestermen van continuïteit: een eigenschap die bij andere analyses niet wordt meegenomen.

    Een narratieve analyse wordt vaak toegepast bij levenshistorisch onderzoek, maar is veel breder dan dit. Sommige onderzoekers verwerken een narratieve analyse tijdens een interview. In zo’n geval kan er beter gevraagd worden ‘wat is er gebeurd?’ en ‘en wat gebeurde er toen?’ dan ‘vertel eens wanneer X gebeurde?’. Het doel van zo’n verhalend interview is om de persoonlijke gereconstrueerde beschrijving van connecties tussen gebeurtenissen en tussen gebeurtenissen en contexten los te krijgen. Zo’n verhaal komt meestal naar boven tijdens een semigestructureerd interview, ongestructureerd interview en participant observatie. De narratieve analyse wordt hier vervolgens op losgelaten. Een narratieve analyse kan echter ook losgelaten worden op andere onderzoeksmethoden, zoals documenten. Riesman (2008) stelt dat verhalen kunnen relateren aan lange periodes (zoals een levensverhaal) of aan een specifieke gebeurtenis. Er is tegenwoordig sprake van een groeiende interesse in ziekte-verhalen (verhalen die mensen vertellen over hun meestal chronische ziekte).

    Volgens Bury (2001) behandelen beoefenaars van de narratieve analyse de vertelde verhalen onterecht als feitelijk zonder hier kritisch naar te kijken. Een tweede kritiekpunt is de vraag wat dergelijke analyses nu echt onthullen: is het de waarheid? Dit maakt niet altijd wat uit, omdat het tijdens deze analyse toch draait om het perspectief en niet om de waarheid.

    Phoenix en anderen (2010) maken een onderscheid tussen analyses die zich focussen op de inhoud en structuur van de verhalen en analyses die benadrukken hoe de verhalen worden geïnterpreteerd. 

    Hoe kunnen kwalitatieve studies gesynthetiseerd worden? 

    Niet alle onderzoeksprojecten maken gebruik van primaire data. Er is toenemende interesse onder kwalitatieve onderzoekers voor het synthetiseren van kwalitatieve studies (het combineren van de bevindingen op strikte en systematische wijze), met name binnen de gezondheidswetenschappen. Met 'synthese' doelen we op het proces waarin de resultaten van een serie gerelateerde studies worden gecombineerd om een krachtigere conclusie te kunnen genereren. De doelen van zo'n synthese zijn vergelijkbaar met die van de meta-analyse van kwantitatieve studies. Het samenvoegen van kwalitatief bewijs leert wetenschappers ook wat reeds bekend is binnen een bepaald domein en kan toekomstig onderzoek dus vooruit helpen.

    De methodes die onderzoekers hiervoor gebruiken zijn echter niet consistent, er zijn verschillende benaderingen. Sommige auteurs stellen dat er minstens 30 verschillende methodes bestaan, al erkennen ze dat de meesten nog in hun kinderschoenen staan. Enkele methodes zijn de meta-narratieve synthese, kritisch interpretatieve synthese, ecologische triangulatie, meta-studies en tekstueel narratieve synthese.

    Wat houdt meta-etnografie in?

    Meta-etnografie is een van de eerste vormen van bewijssamenvoeging speciaal ontwikkeld voor kwalitatief onderzoek. Deze is nog altijd populair in gezondheidsonderzoek. Het doel hiervan is het bereiken van een interpretatieve synthese van kwalitatief onderzoek en andere secundaire bronnen. Het kan gebruikt worden om informatie over een fenomeen dat reeds uitgebreid bestudeerd is te synthetiseren en analyseren. In tegenstelling tot de kwantitatieve analyse, gaat het niet om het ontwikkelen van overkoepelende generalisaties, maar eerder om het vertalen van kwalitatieve studies 'in elkaar'. Volgens Noblit en Hare (1988) zijn alle sociaal wetenschappelijke verklaringen vergelijkbaar. De onderzoeker moet bestaande studies vertalen binnen zijn eigen wereldvisie. 

    Meta-etnografie bestaat uit zeven overlappende en herhalende fases:

    1. Beginnen: de onderzoeker identificeert een intellectuele interesse

    2. Bepalen wat relevant is ten aanzien van deze interesse (welke bestaande studies zijn waarschijnlijk geloofwaardig en interessant voor hun beoogde lezers? Het hoeft geen uitputtende lijst van studies te zijn).

    3. De studies lezen (herhaaldelijk en in detail). 

    4. Bepalen hoe de studies gerelateerd zijn (onderlinge relaties en gebruikte metaforen)

    5. De studies 'in elkaar' vertalen. De betekenis van de studies in relatie tot elkaar moet worden geïnterpreteerd (zijn ze direct vergelijkbaar? kunnen de gebruikte concepten in elkaar vertaald worden? zijn er tegenstellingen?)

    6. De vertalingen synthetiseren (samenvoegen). De onderzoeker vergelijkt de vertalingen en laat zien hoe ze aan elkaar relateren. 

    7. Uitdrukking geven aan de synthese. De onderzoeker moet de synthese zo vertalen dat de beoogde lezers deze kunnen begrijpen. 

    Wat houdt thematische synthese in?

    Bij thematische synthese worden bestaande studies binnen een bepaald domein samengevoegd en kan worden toegepast op zowel kwalitatieve als kwantitatieve studies. Ter uitvoering van deze synthese moet de onderzoeker een duidelijke onderzoeksvraag definiëren, ook wel de 'review vraag' genoemd. Daarna moet op zoek worden gegaan naar studies die voldoen aan het criteria dat afgeleid is van die onderzoeksvraag. De gevonden studies moeten worden beoordeeld op kwaliteit: studies die niet voldoen aan de kwaliteitscriteria van de onderzoeker moeten worden uitgesloten. Zodra de onderzoeker de definitieve groep van studies voor de synthese heeft vastgesteld, moeten er drie stappen worden genomen:

    1. De tekst in de studies coderen. Na het identificeren van de bevindingen per studie begint het codeerwerk (initiële codering). Zin voor zin wordt beoordeeld op wat hierin wordt gezegd en gelabeld als deze relevant is voor de onderzoeksvraag. 

    2. Genereren van beschrijvende thema's (codes samenbrengen in een thema). 

    3. Genereren van analytische thema's (thema's samenbrengen tot nieuwe concepten en verklaringen). 

    Wat is het belang van computersoftware (CAQDAS)?

    Een duidelijke verschuiving binnen kwalitatief onderzoek in de afgelopen jaren is de constante ontwikkeling van digitale platformen die helpen bij het analyseren van kwalitatieve data, CAQDAS genoemd. Met name in de gezondheidswetenschappen zien we een toename van artikelen waarin hiervan gebruik wordt gemaakt. Deze software wordt gebruikt in combinatie met verschillende onderzoeksontwerpen en dataverzamelingsmethoden (interviews, focusgroepen, documenten, open vragen surveys etc.). De meeste softwarepakketten bieden tools met betrekking tot het doorzoeken van inhoud, het koppelen van zaken aan elkaar, het coderen, zoekopdrachten etc. Sommige auteurs stellen dat CAQDAS weinig behulpzaam is bij het coderen en interpreteren van bevindingen, maar het gebruik van computersoftware is inmiddels breed geaccepteerd en wordt soms zelfs als noodzakelijk gezien.

    Enkele mogelijke problemen met het gebruik van CAQDAS zijn dat het kan resulteren in gefragmenteerde data (waardoor de context en narratieve flow verloren gaat) en praktische kwesties (het leren gebruiken van een nieuw programma en de samenwerking met andere onderzoekers). Enkele voordelen zijn dat het coderen sneller en efficiënter verloopt, het connecties tussen codes kan aangeven, het kan helpen met het analyseren van nieuwere vomen van data en het de onderzoeker mogelijkheid biedt elementen van kwantificatie in de bevindingen op te nemen. Of je CAQDAS moet gebruiken, is afhankelijk van je onderzoek. Als je weinig data hebt, is het de moeite niet waard. Ook is het voor een individu vrij kostbaar. 

    Access: 
    Public
    Wat is de toegevoegde waarde van 'gemixte methodes'-onderzoek? - Chapter 24

    Wat is de toegevoegde waarde van 'gemixte methodes'-onderzoek? - Chapter 24

    Dit hoofdstuk richt zich op de volgende drie kernonderwerpen:

    1. Argumenten tegen het integreren van kwantitatief en kwalitatief onderzoek;

    2. De verschillende manieren waarop kwantitatief en kwalitatief onderzoek gecombineerd zijn of kunnen worden;

    3. Een beoordeling van gecombineerd onderzoek waarbij het de vraag is of dergelijk onderzoek superieur is aan onderzoeken die één onderzoeksstrategie gebruiken.

    Het ‘gemixte methoden onderzoek’ wordt simpelweg gebruikt voor elk onderzoek dat kwantitatieve en kwalitatief onderzoek integreert binnen één project. De enige voorwaarde waaraan voldaan moet worden is dus dat binnen één onderzoek onderzoeksmethoden van beide strategieën gecombineerd worden.

    Welke debatten zijn er over het combineren van kwantitatief en kwalitatief onderzoek?

    Er zijn grofweg twee versies met betrekking tot het debat over het wel (of niet) combineren van kwantitatief en kwalitatief onderzoek:

    Een epistemologische versie die, in overeenstemming met het ingebedde methoden argument en het paradigma argument, aanneemt dat beide strategieën onlosmakelijke, onverenigbare epistemologische (en ontologische) posities innemen. Volgens deze versie is het gemixte methoden onderzoek dan ook onmogelijk.

    Een technische versie (het standpunt dat door de meeste onderzoekers wordt ingenomen) die stelt dat er sprake kan zijn van een meerwaarde bij het combineren van dataverzameling en data-analyse technieken. Deze versie (h)erkent de verschillende epistemologische (en ontologische) aannames, maar concludeert dat deze niet onoverkomelijk onverenigbaar zijn. In tegenstelling tot de epistemologische versie worden onderzoeksmethoden gezien als autonoom en complementair.

    Wat houdt het paradigma argument in?

    Het paradigma argument stelt dat kwantitatief en kwalitatief onderzoek onverenigbare paradigma’s zijn (Kuhn, 1970) waarin epistemologische aannames, waarden en methoden onlosmakelijk onderling verweven zijn.

    Wat houdt het ingebedde methoden argument in?

    Het ingebedde methoden argument houdt in dat elke onderzoeksmethode of elke procedure onlosmakelijk verbonden is met een standpunt over hoe de sociale wereld gezien en begrepen kan worden (oftewel, met epistemologische en ontologische posities). Om deze reden zouden de verschillende onderzoeksmethoden niet met elkaar gecombineerd kunnen of mogen worden: de onderzoeker zou dan zijn/haar standpunt verloochenen omdat de methodes niet complementair zijn (Smith, 1983).

    Waarom wordt er gekozen voor de gemengde methode benadering?

    1. Om de validiteit van de bevindingen te verhogen middels triangulatie. Refereert naar het traditionele standpunt dat kwantitatief en kwalitatief onderzoek gecombineerd kunnen worden om bevindingen als het ware te onderwerpen aan een driehoeksmeting waardoor de bevindingen driedubbel worden bevestigd.

    2. Om zwakke punten van bepaalde methodes te compenseren. Refereert naar het idee dat onderzoeksmethoden van beide strategieën hun eigen sterke en zwakke punten hebben en dat door het combineren het zwakke punt van de ene methode wordt gecompenseerd door het sterke punt van de andere methode.

    3. Vanwege de compleetheid van het onderzoek. Refereert naar het idee dat de onderzoeker een completere beschrijving van het onderzoeksgebied kan geven wanneer zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek wordt gebruikt.

    4. In termen van een proces. Kwantitatief onderzoek geeft een beschrijving van de structuren in het sociale leven, terwijl kwalitatief onderzoek inzicht biedt in het onderliggende proces: de strategieën vullen elkaar aan.

    5. Om verschillende onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Kwantitatief en kwalitatief onderzoek kunnen beiden andere onderzoeksvragen beantwoorden.

    6. Om bepaalde bevindingen te verklaren. Eén van de twee onderzoeksmethoden wordt gebruikt om de bevindingen die gegenereerd zijn met behulp van de andere onderzoeksmethode te verklaren.

    7. In het geval van onverwachte resultaten. Refereert naar het idee dat kwantitatief en kwalitatief onderzoek productief kunnen worden gecombineerd wanneer de ene methode verrassende resultaten opbrengt die begrepen kunnen worden door het gebruiken van de andere methode.

    8. Bij de ontwikkeling van kwantitatieve instrumenten. Refereert naar de context waarbij kwalitatief onderzoek gebruikt wordt om bijvoorbeeld vragenlijsten en schaal items (aspecten van kwantitatief onderzoek) te ontwikkelen zodat de bewoordingen of alomvattendheid van de gesloten antwoorden verbeterd wordt.

    9. Om het nemen van streekproeven (‘sampling’) makkelijker te maken. Refereert naar de situatie waarin de ene methode wordt gebruikt om de ‘sampling’ van respondenten of gevallen voor de andere methode makkelijker te maken.

    10. Om de betrouwbaarheid van de bevindingen te verhogen. Refereert naar het idee dat het gebruik van beide methoden de integriteit ofwel betrouwbaarheid van de bevindingen verhoogd.

    11. Om context toe te voegen aan de kwantitatieve bevindingen. Refereert naar het idee dat kwalitatief onderzoek contextueel begrip oplevert die samengaat met de generaliseerbare, externe en valide bevindingen tussen variabelen die blootgesteld zijn door een kwantitatief (‘survey’) onderzoek.

    12. Ter illustratie van de kwantitatieve bevindingen. Refereert naar het gebruik van kwalitatieve data om kwantitatieve bevindingen te illustreren. Dit wordt ook wel ‘vlees op de botten zetten’ genoemd of ‘droge’ kwantitatieve bevindingen.

    13. Het verhogen van het nut van de bevindingen. Het combineren van de methoden levert meer nut op voor de beoefenaars/lezers.

    14. Het genereren (kwalitatief) en testen (kwantitatief) van hypotheses. Het gebruik van kwalitatieve data om hypotheses te genereren en kwantitatief onderzoek om de hypotheses te testen.

    15. Om de diversiteit van zienswijzen te representeren

    • Het perspectief van de onderzoeker (met behulp van kwantitatief onderzoek) wordt gecombineerd met het perspectief van de respondenten (met behulp van kwalitatief onderzoek), en:

    • De relatie tussen variabelen wordt blootgesteld door kwantitatief onderzoek terwijl er betekenis wordt gegeven door kwalitatief onderzoek

    1. Verbeteren / bouwen op kwantitatieve of kwalitatieve bevindingen. Het meer produceren of verhogen van kwantitatieve of kwalitatieve bevindingen

    Tegenwoordig wordt het gemixte methoden onderzoek veel meer gebruikt dan vroeger. Deze groei is veroorzaakt door twee factoren. Allereerst is er een toenemende bereidheid om alle onderzoeksmethoden te zien als op zichzelf staande technieken voor de dataverzameling of data-analyse die niet per definitie onlosmakelijk verbonden zijn met epistemologische en ontologische standpunten. Daarnaast zijn feministische onderzoekers minder hard geworden in hun attitude jegens kwantitatief onderzoek (vroeger waren zij streng tegen het gebruik van dit type onderzoek).

    Een gemixt methoden onderzoek is niet intrinsiek superieur aan een zogenoemd ‘mono-methode’ of ‘mono-strategie’ onderzoek. Elk onderzoek moet immers vakkundig opgezet en uitgevoerd worden om bruikbare betrouwbare, valide resultaten op te leveren. Het krijgt de voorkeur als de onderzoeker expliciet in de rapportage uitlegt waarom er gekozen wordt voor een gemixt methoden onderzoek. Ook is een gedetailleerde beschrijving van de methodologische gegevens gewenst. Het is de kunst om als onderzoeker het onderzoek niet te zien als bestaande uit veel aparte onderdelen, maar als één geheel. Lang niet alle onderzoekers hebben de vaardigheden en de training om zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek te verrichten en dit kan zeker een barrière vormen bij de integratie van gegevens.

    Access: 
    Public
    Hoe moet sociaal onderzoek opgeschreven worden? - Chapter 25

    Hoe moet sociaal onderzoek opgeschreven worden? - Chapter 25

    Het plannen en succesvol uitvoeren van een sociaal onderzoeksproject is een behoorlijke prestatie waar veel werk in heeft gezeten. Beginnende onderzoekers denken soms dat met het opschrijven van het onderzoek het makkelijke deel is aangebroken. Het kan plezierig zijn, maar je moet deze taak niet onderschatten en er voldoende tijd en denkwerk aan besteden. Hoe goed je het onderzoek ook hebt gepland en uitgevoerd, het heeft alleen impact wanneer je je bevindingen op begrijpelijke en overtuigende wijze kunt overbrengen op lezers. 

    Wat moet je doen voor een succesvolle rapportage?

    Bij het opschrijven van het onderzoek is het belangrijk om:

    • Vroeg te beginnen (wacht niet tot alle data is verzameld, je kunt daarvoor al voorlopige stukken, van bijvoorbeeld de literatuurreview, schrijven).

    • De rapportage duidelijk en logisch te structureren. Begin met een introductie, bouw je argumenten stuk voor stuk op, geef bewijs voor je beweringen en eindig met een conclusie. 

    • Overtuigend te schrijven. Je moet lezers ervan overtuigen dat je bevindingen en conclusie significant en plausibel zijn.

    • Gebruik een 'wegwijzer': vertel in het begin kort wat je gaat bespreken in de komende tekst. 

    • Rechtvaardig je beslissingen (de keuze voor een theoretisch perspectief als startpunt, de onderzoeksvragen, gebruikte methodes, onderzoeksontwerp en steekproef).

    • Houd een argument centraal door alle fase van het onderzoek. Laat alles wat hier niet relevant voor is weg. 

    • Ken de voorschriften en verwachtingen van je onderwijsinstelling (schrijf je bijvoorbeeld vanuit een derde persoon?)

    • Vraag om feedback.

    • Vermijd discriminatoir taalgebruik.

    • Voldoe aan de verplichtingen (bijvoorbeeld een kopie sturen naar deelnemers, vertrouwelijkheid van informatie handhaven en anonimiseren).

    Hoe geef je structuur aan je rapport? 

    De meest gebruikte manier van het opstellen van een rapportage is om te beginnen met een titelpagina, de dankbetuigingen, een inhoudsopgave en een abstract (korte samenvatting van de rapportage). Vervolgens volgt (1) de introductie waarin goed naar voren moet komen waarover het verslag zal gaan en waarom dit belangrijk is. Ook wordt de relevante theorie / literatuur besproken. Verklap ook alvast in algemene termen het perspectief wat jij zal gebruiken (en waarom) en specificeer op het eind de onderzoeksvragen.

    De inleiding heeft een trechtermodel: begin breed met algemene theorieën of een algemene probleemstelling (maar wel iets wat de aandacht pakt van de lezer) en eindig smal met het specificeren van jouw onderzoeksvragen. Daarna volgt (2) de methodensectie waarin de onderzoeksmethoden worden toegelicht en wordt aangegeven wie de respondenten waren (hoeveel, hoe zijn ze geworven, wat zijn de demografische eigenschappen, enzovoorts). De methodensectie wordt opgevolgd door (3) de resultatensectie waarin de resultaten kort maar duidelijk (met behulp van visuele hulpmiddelen) worden gepresenteerd, en (4) de discussie waarin de resultaten worden geïnterpreteerd. In de discussie worden de specifieke resultaten weer teruggezet in een groter verband. Met andere woorden, hier is sprake van een omgekeerd trechtermodel, omdat de specifieke bevindingen teruggekoppeld worden naar de brede theorie / literatuur. Na de discussie volgt vaak (5) een conclusie.

    Let op: een conclusie is niet hetzelfde als een samenvatting. Het is belangrijk dat in de conclusie duidelijk wordt wat de onderzoeker de lezer wilt meegeven. De implicaties van de eigen bevindingen kunnen hier aangekaart worden net als de sterke en zwakke punten van het onderzoek (pas op dat je het eigen onderzoek niet afkraakt: kritisch is goed, maar overdrijf niet). Ook zijn suggesties voor toekomstig onderzoek hier op zijn plaats.

    Je kunt bijlagen toevoegen (vragenlijsten, het observatieschema, verzonden brieven etc.).Het allerlaatste onderdeel betreft de refentielijst. 

    Hoe schrijf je kwantitatief, kwalitatief en gemengd onderzoek op?

    Bij het opschrijven van kwantitatief onderzoek wordt de volgende structuur aangehouden:

    1. Introductie

    2. Context

    3. Ethische overwegingen

    4. Methodes en metingen

    5. Bevindingen

    6. Discussie

    7. Conclusie

    Bij het opschrijven van kwalitatief onderzoek is de structuur iets anders:

    1. Introductie

    2. Achtergrond

    3. Methodologie

    4. Bevindingen

    5. Discussie

    6. Conclusie

    Wanneer gebruik wordt gemaakt van een gemixte methoden onderzoek, moet expliciet en onderbouwd aangegeven worden waarom gekozen is voor deze aanpak. Een publicatie kan de volgende structuur hebben:

    1. Introductie

    2. Vorig onderzoek

    3. Theoretisch kader

    4. Doel

    5. Methoden en materialen

    6. Resultaten

    7. Discussie

    8. Conclusie

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: this content refers to
    Society and culture - Theme
    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries

    Image

    Share: this page!
    Follow: Social Science Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    5015 4
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector