Samenvatting van Introduction to Behavioral Research Methods van Leary - 6e druk

Samenvatting bij Introduction to Behavioral Research Methods

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Leeswijzer bij Introduction to Behavioral Research Methods van Leary

    Leeswijzer bij Introduction to Behavioral Research Methods van Leary

    Waar gaat het boek Introduction to Behavioral Research Methods van Leary over?

    Het boek Introduction to behavioral research methods is een veel gebruikt boek bij studies binnen de mens en gedragswetenschappen, het boek is speciaal geschreven voor het gebruik door studenten. Het boek focust op de volgens de schrijver op vier belangrijkste benaderingen van onderzoek naar gedrag; namelijk beschrijvend onderzoek, correlationeel onderzoek, experimenteel onderzoek en quasi-experimenteel onderzoek. Het boek geeft uitleg over hoe deze onderzoeken op te stellen en hoe de uitkomsten te analyseren. Ook gaat het boek verder in op de ethische kwesties die kunnen spelen tijdens het doen van onderzoek naar menselijk gedrag.

    Wie is de auteur?

    Mark R. Leary is professor Psychologie en Neurowetenschappen aan de Duke Universiteit. Hij heeft daarvoor ook lesgegeven op verschillende andere Amerikaanse universiteiten.

    Zijn focus in zijn onderzoeken ligt op de onderwerpen sociale motivatie en emoties, binnen de sociale en persoonlijkheidspsychologie. Hij heeft meer dan 200 wetenschappelijke artikelen over deze onderwerpen gepubliceerd, daarnaast heeft hij in 2001 het wetenschappelijke onderzoeksmagazine "Self and Identity" opgericht.

    Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de 6e en de 7e druk?

    Er zijn verschillende updates doorgevoerd in de 7e druk, waaronder:

    • Het onderwerp 'repliceren van onderzoek' wordt uitgebreider besproken.
    • Het verschil tussen reflectieve en formative meetingen wordt uitgebreider uitgelegd.
    • Er is informatie toegevoegd over het doen van onderzoek via het internet, ook met het oog op het feit dat het gebruik van telefoons met internetverbinding gigantisch is toegenomen de laatste jaren.
    • De nadelen en tekortkomingen van de traditionele 0-hypothese significantie test worden verder besproken. Ook worden er alternatieve methoden voor statistische inferentie besproken, onder andere met betrekking tot betrouwbaarheidsintervallen en effectgroottes.
    • De volgorde van behandelde onderwerpen binnen de hoofdstukken 11 en 12 zijn veranderd.
    • Er is informatie toegevoegd over de veiligheid van onderzoek doen via computers en de vertrouwelijkheid van gegevens.
    • Gezien de grote fraudezaken die hebben gespeeld sinds de laatste druk, is er ook informatie toegevoegd over dit onderwerp.
    • Er is een nieuw onderwerp toegevoegd, namelijk "ethische kwesties bij het analyseren van onderzoeksdata en het rapporteren van de uitkomsten".
    Access: 
    Public
    Wat is er belangrijk bij onderzoek in de gedragswetenschappen? - Chapter 1

    Wat is er belangrijk bij onderzoek in de gedragswetenschappen? - Chapter 1

    Hoe ziet de geschiedenis van onderzoek in de gedragswetenschappen eruit?

    Veel mensen denken dat psychologen zich alleen bezighouden met het behandelen van mensen met mentale problemen. Dat is voor een deel waar, maar het is ook zo dat psychologen onderzoeken uitvoeren om meer te weten te komen over het gedrag en de mentale processen van mensen. Al eeuwen zijn mensen bezig met het verklaren van gedrag. Aristoteles en Boeddha stelden bijvoorbeeld op systematische wijze vragen over waarom mensen zich op bepaalde manieren gedragen. Vroeger werd het verklaren van menselijk gedrag echter niet op wetenschappelijke wijze gedaan. De verklaringen waren vooral speculatief. Het was dan ook onmogelijk om de validiteit van de verklaringen te toetsen, met als gevolg dat de accuraatheid en de juistheid van de verklaringen ook niet getoetst kon worden. Verklaringen werden namelijk vaak gegeven op basis van bijvoorbeeld religieuze dogma’s. De wetenschappelijke psychologie is ontstaan in de laatste 25 jaar van de 19e eeuw. Door wetenschappers als Wundt, James, Watson en Hall begon men in te zien dat psychologische vraagstukken beantwoord kunnen worden met wetenschappelijke methoden die ook gebruikt worden in bijvoorbeeld de biologie of de natuurkunde.

    Welke soorten onderzoeken zijn er?

    Onderzoekers maken onderscheid tussen twee onderzoekssoorten die gebruikt worden voor verschillende doeleinden:

    1. ‘Basic research’: dit soort onderzoek wordt uitgevoerd om psychologische processen beter te begrijpen. Het is in dit verband niet van belang of deze kennis meteen toepasbaar is. Het primaire doel is dan ook het vergroten van de kennis over een psychologisch proces.

    2. ‘Applied research’: dit soort onderzoek wordt uitgevoerd om oplossingen te vinden voor bepaalde problemen in plaats van onze algemene kennis over bepaalde processen te vergroten. Soms worden psychologen bijvoorbeeld ingehuurd om problemen op de werkvloer op te merken en deze op te lossen. In dit verband gaat het er dus om dat problemen worden begrepen en weggewerkt.

    3. Sommige wetenschappers spreken naast deze soorten onderzoek ook nog van een derde onderzoekssoort, namelijk ‘evaluation research’ (ook wel ‘program evaluation’ genoemd). Dit soort onderzoek is erop gericht om met behulp van wetenschappelijke onderzoeksmethoden de effecten van programma’s op gedrag te begrijpen.
      Denk in dit verband bijvoorbeeld aan nieuwe schoolprogramma’s die worden toegepast. Het is van belang dat onderzocht wordt in hoeverre deze programma’s effectief zijn.

    Wat zijn de doelen van wetenschappelijk onderzoek?

    Soms is het lastig om op basis van het design van een wetenschappelijk onderzoek te bepalen of deze ‘basic’ of ‘applied’ van aard is. Daarnaast sluiten beide onderzoekssoorten elkaar niet uit. ‘Basic research’ kan op den duur toepasbaar zijn en ‘applied research’ kan ervoor zorgen dat we meer kennis krijgen over een fenomeen. Ook is het vaak zo dat het oplossen van problemen (‘applied research’) pas gedaan kan worden wanneer er voldoende kennis over een fenomeen bestaat (‘basic research’). Het belangrijkste verschil tussen ‘basic’ en ‘applied’ research ligt in de bedoeling van de onderzoeker. Uit het onderzoek zelf is het vaak moeilijk af te lezen. Of er nou sprake is van ‘applied’ of ‘basic’ research, onderzoek heeft altijd drie doelen:

    1. Beschrijving (‘description’): sommige onderzoeken worden vooral uitgevoerd om gedragspatronen, gedachten of emoties te beschrijven. Denk in dit verband aan bijvoorbeeld opiniepeilingen die net voor de verkiezingen worden gehouden. Ontwikkelingspsychologen houden zich bijvoorbeeld bezig met het beschrijven van leeftijdsgerelateerde veranderingen in gedrag.

    2. Voorspelling (‘prediction’): in dit geval proberen wetenschappers gedrag te voorspellen. Soms proberen psychologen bijvoorbeeld aan de hand van scores op gestandaardiseerde testen te voorspellen wat de academische prestaties van mensen zullen zijn. Het is van belang dat dit soort testen kritisch geanalyseerd worden en voldoen aan allerlei statistische voorwaarden. De voorspelling wordt aan de hand van verschillende andere data geanalyseerd, om er zeker van te zijn dat de voorspelling juist is. Hieruit kun je afleiden dat bij het voorspellen van gedrag ook gebruik wordt gemaakt van beschrijving (‘description’).

    3. Verklaring (‘explanation’): veel wetenschappers vinden dat verklaring het belangrijkste doel is van wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappers hebben namelijk pas echt het gevoel dat ze een fenomeen begrijpen als ze deze kunnen verklaren. We kunnen bijvoorbeeld beschrijven hoeveel gevangenen na hun vrijlating weer de fout ingaan, maar uiteindelijk willen we echter kunnen verklaren waarom sommige ex-gevangenen na hun vrijlaten wel de fout ingaan, terwijl dat niet geldt voor andere ex-gevangenen.

    Wat wordt bedoeld met volkspsychologie?

    In tegenstelling tot bijvoorbeeld de natuurwetenschappen, houden de gedragswetenschappen zich vaak bezig met het onderzoek naar verschijnselen die we allemaal kennen.

    De gemiddelde persoon weet bijvoorbeeld niets over atomen, maar wel veel over het geheugen, vooroordelen, slaap en emotie, omdat hij of zij ervaring heeft met deze verschijnselen. Dit zorgt ervoor dat veel mensen denken dat bevindingen uit de gedragswetenschappen vaak logisch zijn en dat ze dat zelf ook wel hadden kunnen bedenken. Dit is echter niet altijd waar. Bovendien is het ook niet zo dat iets automatisch waar is wanneer bijna iedereen het gelooft. Wetenschappers hebben daarnaast veel onderzoeken uitgevoerd waaruit blijkt dat veel van onze volkspsychologie niet klopt. Een voorbeeld is dat veel mensen denken dat hele intelligente mensen vaak vreemder zijn dan de gemiddelde mens. Uit onderzoek blijkt juist dat hele intelligente mensen vaak beter aangepast zijn aan hun omgeving dan andere mensen. Een ander voorbeeld is dat veel mensen denken dat de grootste verschillen tussen mannen en vrouwen biologisch van aard zijn. Dit blijkt niet waar te zijn; de rol van socialisatie is ook ontzettend groot. Het is verder van belang om stil te staan bij het feit dat volkspsychologie ervoor kan zorgen dat wetenschappers niet oordeelvrij aan een onderzoek beginnen. Wetenschappers vertrouwen vaak op algemene kennis (volkspsychologie) als het gaat om het verklaren van gedrag, gedachten en emoties. Als de volkspsychologie met betrekking tot een fenomeen onjuist is, dan kan dit ervoor zorgen dat wetenschappers psychologische processen op onjuiste wijze verklaren.

    Waarom is onderzoek in de gedragswetenschappen belangrijk?

    Het is voor ons van belang om meer te leren over het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Dit heeft vier redenen:

    1. Kennis zorgt ervoor dat mensen onderzoeken kunnen begrijpen die van belang zijn voor hun eigen beroep. Dit is van belang omdat we steeds up to date moeten zijn met betrekking tot nieuwe bevindingen. Leraren moeten bijvoorbeeld begrijpen waarom sommige onderwijsmethoden effectief zijn, terwijl andere dat niet zijn.

    2. Kennis over onderzoeksmethoden zorgt er daarnaast voor dat we wetenschappelijke bevindingen in ons dagelijks leven beter kunnen analyseren. Als we bijvoorbeeld een auto willen kopen, dan kunnen we meerdere wetenschappelijke onderzoeken lezen die de voor- en nadelen van een auto beschrijven. Het is van belang dat we deze bevindingen goed en kritisch kunnen analyseren.

    3. Een derde voordeel is dat kennis over onderzoeksmethoden kritische denkers van ons maakt. Wetenschappers stellen kritische vragen, proberen alternatieve mogelijkheden en verklaringen te bedenken, hun methoden te verbeteren en sterk bewijs te vinden.

    4. Een laatste voordeel is dat kennis over onderzoeksmethoden ervoor zorgt dat iemand een expert kan worden. Niet alleen op het gebied van onderzoeksmethodologie, maar ook op het gebied van specifieke onderwerpen. Zo kunnen mensen eerdere onderzoeken in hun onderzoeksveld lezen en begrijpen, leren hoe ze data moeten verzamelen en resultaten op een correcte manier interpreteren.

    Hoe ziet de wetenschappelijke methode eruit?

    Een methode is wetenschappelijk wanneer het aan drie criteria voldoet:

    1. Empirisme: het gebruik van observatie om conclusies over de wereld te trekken. Het is echter wel noodzakelijk dat empirisme systematisch van aard is. Wetenschappers structureren hun observaties op systematische manier zodat ze valide conclusies kunnen trekken.

    2. Verificatie (‘public verification’): hiermee wordt bedoeld dat de onderzoeksresultaten van de ene onderzoeker moet kunnen worden geobserveerd, gerepliceerd en geverifieerd (bevestigd) door andere onderzoekers. Dit zorgt ervoor dat andere onderzoekers kunnen zien dat datgene dat door de ene onderzoeker bestudeerd is ook echt bestaat en observeerbaar is. Daarnaast zorgt dit proces ervoor dat het onderzoek verbeterd kan worden; andere onderzoekers kunnen fouten ontdekken in het werk van een onderzoeker, zodat deze fouten verbeterd kunnen worden. Vaak gaat verificatie door middel van het publiceren van artikelen in wetenschappelijke tijdschriften. Replicatie gaat niet alleen fouten tegen, het maakt het ook mogelijk voor onderzoekers om verder te bouwen op het onderzoek van anderen en dit onderzoek mogelijk uit te breiden.

    3. Oplosbare problemen (‘solvable problems’): de wetenschap houdt zich alleen bezig met oplosbare problemen. De vraag of engelen bestaan is bijvoorbeeld niet wetenschappelijk, omdat er geen manier is om engelen op een empirische en systematische manier te bestuderen. Dit betekent niet dat engelen niet bestaan, maar wel dat hier niet door middel van de wetenschappelijke methode uitspraken over gedaan kunnen worden.

    Welke taken heeft een wetenschapper?

    De wetenschappers richten zich op twee verschillende taken:

    1. Het ontdekken en vastleggen van nieuwe verschijnselen, patronen en relaties die ze opmerken. Soms is het echter niet mogelijk om op basis van een hypothese een onderzoek uit te voeren, omdat er nog geen theorie bestaat over het verschijnsel dat bestudeerd wordt. Dit kan ervoor zorgen dat er onvoldoende informatie over het verschijnsel aanwezig is om een theorie te ontwikkelen. In dat geval is het beter om een onderzoek te ontwerpen om een verschijnsel te beschrijven in plaats van hypotheses over het verschijnsel te testen.

    2. Het ontwikkelen en evalueren van verschijnselen die ze opmerken. Als ze eenmaal de verschijnselen geïdentificeerd hebben die verklaard moeten worden, richten ze zich op het ontwikkelen van theorieën om de patronen te kunnen verklaren en het uitvoeren van onderzoek om de theorieën te kunnen toetsen.

    Wat is de rol van theorieën en modellen?

    Een theorie bestaat uit een set van proposities die de relaties tussen een aantal concepten probeert uit te leggen. Met de contingency-theory probeert Fiedler bijvoorbeeld een verband te leggen tussen concepten als leiderschapseffectiviteit, taak- versus relatiegerichte leiders, leider-volger relaties, taakstructuur en macht. Wetenschappelijke theorieën zijn alleen valide wanneer zij worden gesteund door empirische bevindingen. Dit betekent dat een theorie consistent moet zijn met de feiten die door wetenschappers ontdekt worden. Een goede theorie voldoet aan de volgende eisen:

    1. Een goede theorie stelt een causale relatie voor. Het beschrijft dus hoe één of meer variabelen leiden tot een bepaalde cognitieve, emotionele, gedrags- of fysieke reacties.

    2. Een goede theorie is samenhangend in de zin van duidelijk, eenvoudig, logisch en consistent.

    3. Een goede theorie maakt gebruik van een aantal concepten en processen om een verschijnsel te beschrijven.

    4. Een goede theorie genereert toetsbare, falsifieerbare hypotheses om de theorie te kunnen toetsen

    5. Een goede theorie lost een bestaande theoretische vraag op.

    Onderzoekers gebruiken de begrippen ‘model’ en ‘theorie’ vaak door elkaar. Een theorie is echter iets anders dan een model. Een model beschrijft alleen hoe concepten gerelateerd aan elkaar zijn, terwijl een theorie ook beschrijft hoe en waarom concepten gerelateerd aan elkaar zijn. Een model is dus vooral beschrijvend van aard, terwijl een theorie zowel beschrijvend als verklarend van aard is.

    Hoe zien onderzoekshypothesen eruit?

    Wetenschappers besteden hun tijd vooral aan het testen van theorieën en modellen om te ontdekken of deze wel echt op een juiste manier gedrag beschrijven en verklaren. Mensen kunnen vaak wel verklaringen voor gebeurtenissen vinden nadat deze plaatsgevonden hebben. Dit soort verklaringen wordt ook wel post hoc-explanations genoemd – verklaringen die worden gegeven nadat het feit heeft plaatsgevonden. Wetenschappers zijn hier zeer sceptisch over.

    Wanneer een theorie achteraf verschijnselen kan verklaren, zegt dit bijna niets over de accuraatheid van de theorie. Wanneer een theorie van tevoren kan voorspellen wat er zal gaan gebeuren, zegt dit wel veel over de juistheid van de theorie. Om deze reden bedenken wetenschappers hypothesen voordat ze data verzamelen (‘a priori’). Theorieën zijn te breed om direct te testen. Daarom worden ze altijd op een indirecte manier getest. Dit gebeurt via hypothesen.

    • Een hypothese is een voorstel dat op logischerwijze volgt uit een theorie.

    • Bij het afleiden van een hypothese van een theorie wordt er gebruik gemaakt van deductie. Dit is een proces waarbij er van een algemeen voorstel (de theorie) een specifiek voorstel (de hypothese) afgeleid wordt. De wetenschapper laat zich in dit proces leiden door de vraag wat ontdekt zou worden als de theorie daadwerkelijk zou kloppen. Hypothesen hebben daarom eigenlijk een ‘als-A-dan-B’ vorm.

    • Soms ontstaat een hypothese niet door middel van deductie, maar door middel van inductie. In dat geval wordt een hypothese afgeleid van een verzameling feiten. Hypothesen die alleen gebaseerd zijn op eerder geobserveerde resultaten worden ook wel empirische generalisaties genoemd. Een hypothese moet altijd zo geformuleerd worden dat deze te testen is en ontkracht (‘gefalsifieerd’) kan worden. De psychoanalyse van Freud wordt bijvoorbeeld bekritiseerd, omdat het niet mogelijk is om hypothesen uit deze theorie af te leiden die daadwerkelijk getest (en dus ook gefalsifieerd) kunnen worden. Het is bijvoorbeeld onmogelijk om hypothesen over het onderbewuste te bedenken, omdat deze niet getest kunnen worden.

    • Sommige onderzoeken zijn sterker en beter ontworpen dan andere onderzoeken waardoor ze sterker bewijs voor een hypothese (en dus een theorie) geven. Daarnaast is het zo dat hoe meer verschillende (meet)methoden er gebruikt worden om een theorie te testen (‘methodological pluralism’) in verschillende experimenten, hoe meer vertrouwen wetenschappers hebben in hun bevindingen.

    • Soms zijn er twee tegenstrijdige theorieën over een verschijnsel. De wetenschappers ontwerpen dan een onderzoek waarmee ze beide theorieën tegelijkertijd kunnen testen. Doordat de twee theorieën tegenstrijdig zijn, kan het nooit zo zijn dat beide theorieën juist zijn. Als de ene theorie juist is, is de andere (tegenovergestelde) theorie automatisch onjuist. Deze methode wordt ook wel ‘strategy of strong inference’ genoemd. Resultaten van deze methode leiden namelijk tot sterkere conclusies over de relatieve waarde van de tegengestelde theorieën. Methoden die maar één theorie testen, leiden tot minder sterke conclusies.

    Welke soorten definities zijn van belang?

    Om een hypothese te kunnen testen en eventueel de falsifiëren (ontkrachten), moet deze duidelijk geformuleerd zijn. Als een onderzoeker bijvoorbeeld onderzoek doet naar de effecten van honger op onze aandacht, dan moet hij of zij deze begrippen wel goed kunnen definiëren. Wetenschappers maken gebruik van twee soorten definities: (1) conceptuele definities en (2) operationele definities:

    • De conceptuele definitie van een woord is de definitie die we in een woordenboek zouden kunnen terugvinden. Honger is in dit verband bijvoorbeeld ‘het verlangen naar eten’.

    • Een operationele definitie laat zien hoe een concept gemeten kan worden in een onderzoek. Een operationele definitie zet een abstracte, conceptuele definitie om in concrete, situatiespecifieke termen. We kunnen in een onderzoek bijvoorbeeld zeggen dat iemand honger heeft als hij of zij twaalf uur niets gegeten heeft. Er kunnen meerdere operationele definities bedacht worden voor hetzelfde concept. Operationele definities zijn noodzakelijk, omdat wetenschappers elkaars bevindingen door middel van deze definities kunnen repliceren. Het gebruiken van deze definities dwingt onderzoekers om hun concepten duidelijk te beschrijven en eventuele ambiguïteit te omzeilen.

    Hoe wordt ergens bewijs voor gevonden?

    Omdat theorieën alleen indirect door middel van hypothesen getest kunnen worden, zijn theorieën nooit te bewijzen. Wetenschappers zeggen dan ook nooit dat een theorie bewezen is, maar alleen dat een theorie ondersteund is. Theorieën kunnen niet bewezen worden. Hypothesen kunnen wel bewezen worden, maar dat een hypothese bewezen is, betekent niet gelijk dat de theorie die erbij hoort ook waar is.

    Een voorbeeld is dat een moord is gepleegd en we een theorie aan het bedenken zijn over wie de dader is. De moord is gepleegd op een strandfeest. Stel je voor dat Piet een verdachte is. Als Piet de moordenaar is, dan moet hij dus wel op het strandfeest aanwezig geweest zijn (dit is een hypothese die een ‘als-A-dan-B’ vorm aanneemt). Vervolgens blijkt inderdaad dat hij aanwezig was bij het feest. Betekent dit dat hij de moordenaar is, omdat de hypothese bevestigd is? Uiteraard niet. We kunnen een theorie (‘Piet is de moordenaar’) dus niet bewijzen door de hypothesen die eruit voortvloeien te bevestigen (‘Piet was op het strandfeest’).

    Bewijzen dat een hypothese niet waar is, is wel een logisch valide operatie. Als is bewezen dat Piet niet op het strandfeest was, kan Piet logischerwijs niet de moordenaar zijn. In het dagelijks leven gaat dit echter vaak anders. Het gebruik van verkeerde meettechnieken kan er bijvoorbeeld toe leiden dat de hypothese wordt afgewezen terwijl de theorie wel klopt, en vice versa. Het ontkrachten van een hypothese (‘Piet was niet op het strandfeest’) hoeft dus niet perse te betekenen dat de theorie (‘Piet is de moordenaar) onwaar is. Dat we denken dat Piet niet op het feest was, kan komen doordat we fouten hebben gemaakt en zijn alibi bijvoorbeeld onwaar is. Dit is een voorbeeld van een fout in de meettechnieken. Omdat meettechnieken niet optimaal zijn, wordt een theorie nooit meteen afgewezen omdat een onderzoek geen bewijs voor de theorie heeft kunnen vinden.

    De conclusie is dus dat we een theorie nooit kunnen bewijzen, maar ook nooit kunnen bewijzen dat een theorie niet klopt. De wetenschap ontwikkelt zich doordat er veel bewijs wordt geleverd voor een theorie, omdat er bijvoorbeeld tientallen studies zijn die deze ondersteunen. Hoe meer studies de hypothesen ondersteunen, hoe groter de kans is dat de theorie die bij die hypothesen hoort, klopt. De wetenschap kun je ook zien in termen van filters. Eerst bedenkt men een heleboel verschillende mogelijke verklaringen voor een verschijnsel. Vervolgens worden door middel van onderzoek de plausibele verklaringen behouden en verder getest, terwijl de niet plausibele verklaringen worden afgewezen. Hoe meer er gefilterd wordt, hoe minder potentiële verklaringen er overblijven.

    Wetenschappelijke onderzoeken die door andere onderzoekers gelezen zijn en in tijdschriften zijn gepubliceerd, zijn in ieder geval acceptabel. Andere wetenschappers kunnen vervolgens aan de gang met het repliceren van de bevindingen die gepubliceerd zijn.

    Null findings zijn resultaten die laten zien dat bepaalde variabelen niet gerelateerd zijn aan een gedrag. Deze resultaten leveren weinig informatie omdat ze een theorie niet ondersteunen. Het kan zijn dat de data het onderzoek niet bevestigen door redenen die niets te maken hebben met de validiteit van een bepaalde hypothese. Dit maakt null findings niet informatief. Wanneer onderzoeken die null findings bevatten niet worden gepubliceerd, wordt dit vaak het file-drawer probleem genoemd. Hierdoor gebeurt het vaak dat onderzoekers een design opzetten om een theorie te testen, terwijl deze theorie al vele malen een null finding heeft opgeleverd. Al deze null findings zijn niet gepubliceerd, wat als gevolg heeft dat onderzoekers in de toekomst niet weten dat “hun” onderzoek al eens eerder is uitgevoerd.

    Wat wordt verstaan onder het wetenschappelijke filter?

    Je kunt wetenschap ook zien in termen van de zogenaamde ‘wetenschappelijke filter’. Stel je een buis voor die naar beneden toe steeds smaller wordt. Deze buis bestaat uit een aantal lagen, met tussen elke laag een filter. De bovenste laag bestaat uit alle ongefilterde ideeën, gewoontes, gedachten, etc. die in de onderzoeker opkomen. Daarna volgen 4 filters:

    1. In de eerste filter kijkt de onderzoeker welke ideeën wel en niet uitgevoerd kunnen worden. De onderzoeker laat hierbij ideeën afvallen waarvan hij of zij heeft geleerd (in trainingen of educatie) dat deze niet mogelijk zijn. Ook denkt de onderzoeker hierbij aan zijn of haar professionele reputatie. De ideeën die door filter 1 komen zijn niet noodzakelijk valide, maar zeker ook niet duidelijk onjuist.

    2. De tweede filter bestaat uit de onderzoeker zelf. In dit stadium bepaalt de onderzoeker welke ideeën het waard zijn om te onderzoeken. Als een onderzoek kan leiden tot een interessant resultaat en wetenschappelijke publicatie, zal de onderzoeker dit waarschijnlijk door willen zetten. Maar als de kans groot is dat het onderzoek tot null findings zal leiden, zal de onderzoeker het onderwerp niet verder onderzoeken.

    3. Filter 3 bestaat uit peer review: andere onderzoekers controleren het onderzoek. Zij verwijderen of verbeteren onderzoek dat een slechte methodologie heeft. Ook worden onderzoeken die niet nuttig zijn voor de wetenschappelijke gemeenschap in deze fase verwijderd. Het is echt niet zo dat deze filter al het onderzoek verwijdert dat niet noodzakelijk is. De filter verwijdert voornamelijk errors.

    4. De laatste filter bestaat uit het gebruik, replicatie en toevoeging door anderen. Alleen als een theorie deze filter doorstaat, maakt het deel uit van de gevestigde wetenschappelijke literatuur.

    Als een theorie alle 4 de filters heeft doorstaan, betekent dit niet dat de theorie automatisch waar is. Wetenschappers spreken zelden over hun theorie als ‘de enige waarheid’. Door middel van de wetenschappelijke filter en door steeds nieuwe hypothesen te testen kunnen we slechts dichter bij de waarheid komen. Het blijft echter onzeker of onze bevindingen wel echt de enige waarheid bevatten.

    Welke onderzoekstechnieken zijn er?

    Wetenschappers kunnen gebruikmaken van vier soorten onderzoekstechnieken om hypothesen te testen:

    1. Beschrijvend onderzoek (‘descriptive research’): bij dit soort onderzoek worden de gedragingen, gedachten en gevoelens van een groep individuen beschreven. Ontwikkelingspsychologen proberen bijvoorbeeld het gedrag van kinderen van verschillende leeftijden te beschrijven. In de klinische psychologie worden verder onderzoeken uitgevoerd om de prevalentie, symptomen en ernst van bepaalde psychologische problemen te beschrijven.
      Beschrijvend onderzoek vormt de basis voor alle andere onderzoeksmethoden.

    2. Correlationeel onderzoek (‘correlational research’): bij dit soort onderzoek wordt de relatie tussen variabelen bestudeerd. Een voorbeeld is een onderzoek naar de relatie tussen zelfvertrouwen en verlegenheid. Er wordt in zo’n geval een correlatie berekend tussen variabelen. Met correlationele onderzoeken kunnen echter geen uitspraken gedaan worden over oorzaak-gevolgrelaties. We weten bijvoorbeeld niet of weinig zelfvertrouwen verlegenheid veroorzaakt of omgekeerd.

    3. Experimenteel onderzoek (‘experimental research’): in dit geval wordt een variabele gemanipuleerd (de onafhankelijke variabele) om te bekijken of dit veranderingen in gedrag veroorzaakt (de afhankelijke variabele). Als dit inderdaad het geval is, dan kunnen we concluderen dat de onafhankelijke variabele hier de oorzaak van is. Het belangrijkste aan een experiment is dat een variabele wordt gemanipuleerd.

    4. Quasi-experimenteel onderzoek (‘quasi-experimental research’): van deze onderzoekstechniek wordt gebruikgemaakt als wetenschappers een variabele niet kunnen manipuleren. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan sekse of leeftijd. De wetenschapper onderzoekt dan de effecten van een variabele of gebeurtenis die op natuurlijke wijze voorkomt en niet gemanipuleerd kan worden. Quasi-experimenten geven niet zo veel zekerheid als echte experimenten.

    Welke rol spelen dieren in deze onderzoeken?

    De meeste onderzoeken in de psychologie worden uitgevoerd met mensen, maar het komt ook voor dat dieren worden gebruikt om meer te weten te komen over psychologische variabelen. Het gaat vaak om muizen, ratten en duiven. Het voordeel van dieronderzoeken is dat zeer gecontroleerde onderzoeken kunnen worden uitgevoerd en dat veel omgevingsinvloeden kunnen worden geëlimineerd. Deze twee zaken zijn vaak niet mogelijk bij onderzoeken waaraan mensen deelnemen. Daarnaast worden medicijnen op dieren getest, wanneer men het risico niet wil lopen bij mensen. Door dieronderzoeken weten we nu veel meer over bijvoorbeeld honger, dorst en seksueel gedrag. Ook hebben we hierdoor veel geleerd over zicht, reuk, smaak, gehoor en lijn. Daarnaast weten we door dieren meer over processen als klassieke en operante conditionering. Tenslotte weten we veel over de werking van de hersenen door dieronderzoeken.

    Access: 
    Public
    Wat betekent variabiliteit? - Chapter 2

    Wat betekent variabiliteit? - Chapter 2

    Wat is een schema?

    Een schema is een cognitief referentiekader dat ervoor zorgt dat we informatie op een bepaalde manier kunnen verwerken en opslaan. Je hebt een schema voor veel verschillende gebeurtenissen, mensen en andere stimuli die je bent tegengekomen gedurende je leven. Als je ergens een schema over hebt, verwerk je informatie die relevant is voor dat schema makkelijker dan informatie die dit niet is. Veel mensen vinden het lastig om een schema te ontwikkelen met betrekking tot onderzoeksmethoden en statistiek. Dit maakt het lastiger om informatie hierover te verwerken. Om een schema over onderzoeksmethoden en statistiek te kunnen ontwikkelen, is het van belang dat men begrijpt dat onderzoek wordt uitgevoerd om vragen te beantwoorden over verschillen in gedrag (‘behavioral variability’). Met ‘behavioral variability’ hebben we het over hoe en waarom gedrag verschilt per situatie en per individu, en hoe het door de tijd heen verandert.

    Welke rol speelt variabiliteit in onderzoek?

    Onderzoek doen gaat over het meten van variabiliteit. In dit verband worden vijf belangrijke punten onderscheiden:

    1. De gedragswetenschappen houden zich bezig met het bestuderen van variabiliteit in gedrag. Gedragswetenschappers willen weten waarom gedrag (1) per situatie, (2) per individu en (3) door de tijd heen verschilt. Mensen gedragen zich anders per situatie, maar verschillende mensen gedragen zich ook anders in dezelfde situatie. Daarnaast verandert het gedrag van mensen door de tijd heen. Als ze ouder worden gedragen ze zich op een andere manier dan wanneer ze jong zijn. Gedragswetenschappers houden zich dus bezig met het onderzoeken van de oorzaken die gedrag laten variëren.

    2. Onderzoeksvragen in alle gedragswetenschappen zijn vragen die over de verschillen in gedrag gaan. Als we bijvoorbeeld willen weten hoe prestatie op cognitieve taken wordt beïnvloed door hoeveelheid slaap, dan willen we eigenlijk weten hoe slaap veranderingen in cognitie veroorzaakt.

    3. Onderzoeken moeten zo worden ontworpen dat het mogelijk is om antwoorden te vinden over verschillen in gedrag. Onderzoeksdesigns moeten sterk zijn en ervoor kunnen zorgen dat we alle factoren kunnen vaststellen die samenhangen met verschillen in gedrag.

    4. Door gedrag te meten kunnen we uitspraken doen over verschillen in gedrag. Alle gedragswetenschappers proberen gedragingen, gedachten, emoties of fysiologische processen te meten. We willen dat verschillen in getallen overeenkomen met verschillen in gedrag. Als iemand een vier scoort op een test, dan moet dit twee keer beter zijn dan iemand die een twee scoort op een test.

    5. Statistische analyses worden gebruikt om de geobserveerde spreiding in de gedragsdata te beschrijven en te verklaren. Voor elk onderzoek is het van belang dat de verzamelde data worden geanalyseerd. Nadat een onderzoek afgerond is hebben onderzoekers een hele lijst van getallen die staan voor verschillen in gedrag. Door middel van statistiek moeten deze getallen geanalyseerd worden. Dit kan door middel van twee soorten statistiek: (1) beschrijvende statistiek (‘descriptive statistics’) en (2) inferentiële statistiek (‘inferential statistics’). Beschrijvende statistieken worden gebruikt om een samenvatting en een beschrijving van het gedrag van de deelnemers te maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan gemiddelden en percentages. Inferentiële statistieken worden gebruikt om conclusies te trekken over de betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid van de gevonden onderzoeksresultaten.

    Waar wordt de variantie voor gebruikt?

    Onderzoekers berekenen de variantie van een dataset om een idee te krijgen over de geobserveerde spreiding in het gedrag van deelnemers. De statistiek variantie geeft de hoeveelheid variabiliteit in het gedrag van de deelnemers aan. Een mogelijkheid is het berekenen van de ‘range’. De range bereken je door de laagste score van de hoogste score van de dataset af te trekken. Deze methode wordt echter niet aangeraden om variabiliteit mee te meten. De range laat alleen zien wat het verschil tussen de grootste en kleinste score is, en niet hoeveel scores onderling verschillen. Als we het hebben over variatie, dan is dat vaak in relatie tot een algemene score, bijvoorbeeld het gemiddelde. Het gemiddelde (‘mean’) wordt berekend door alle scores op te tellen en te delen door het aantal opgetelde scores. De variantie van een dataset laat zien hoe scores afwijken van het gemiddelde. Wanneer de scores in een dataset dicht om het gemiddelde geclusterd zijn, dan betekent het dat de variantie in de data klein zal zijn. Wanneer de scores meer verspreid zijn, dan zal de variantie waarschijnlijk ook groot zijn. De variantie is dus eigenlijk niet meer dan een indicatie van hoe ver, of juist dichtbij, de scores van het gemiddelde af staan. De variantie kan door middel van vijf stappen gevonden worden:

    1. Stap 1: allereerst moet het gemiddelde van een dataset berekend worden. Dit doe je door de scores bij elkaar op te tellen, en vervolgens te delen door het aantal opgetelde scores. Het gemiddelde wordt afgekort aan de hand van het symbool of het symbool. In het boek wordt het laatste symbool aangehouden.

    2. Stap 2: vervolgens moet uitgerekend worden in hoeverre elke score in de dataset afwijkt van het gemiddelde. Er wordt dus steeds een deviatiescore (‘deviation score’) berekend: (y-). Hier is y de individuele score uit de dataset en het gemiddelde.

    3. Stap 3: tijdens deze stap moet elke deviatiescore gekwadrateerd worden: (y-)². Hierdoor hebben we er geen last meer van dat sommige scores negatief zijn. Als je een getal kwadrateert is het antwoord immers altijd positief.

    4. Stap 4: vervolgens moeten alle deviatiescores bij elkaar opgeteld worden: Σ (y-)². De uitkomst noemen we ook wel ‘total sum of squares’.

    5. Stap 5: het antwoord dat gevonden is door stap 4 moet tot slot gedeeld worden door alle scores min één (n-1). Voor de variantie gebruiken we het symbool s². Kortom: s²= Σ (y-)² / (n-1).

    Wat is systematische variantie en wat is error variantie?

    De totale variantie in een dataset kan opgesplitst worden in (1) systematische variantie en (2) error variantie (totale variantie = systematische variantie + error variantie). Wetenschappers voeren vaak onderzoeken uit om uit te vinden of twee of meer variabelen gerelateerd aan elkaar zijn. Stel dat een onderzoeker wil weten of temperatuur en agressie gecorreleerd zijn. Deze wetenschapper wil dan weten of variabiliteit in de ene variabele (temperatuur) op systematische wijze samenhangt met variabiliteit in de andere variabele (mate van agressie):

    • Systematische variantie staat voor dat deel van de totale variantie dat op een voorspelbare manier gerelateerd is aan de variabelen die een wetenschapper onderzoekt. Als het gedrag van een deelnemers op systematische wijze verandert als de variabelen veranderen, dan kan de wetenschapper hieruit concluderen dat die variabelen zorgen voor de veranderingen in gedrag.

    • Error variantie ontstaat wanneer het gedrag van deelnemers beïnvloed wordt door variabelen die de wetenschapper niet onderzoekt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het humeur, de concentratie en de karaktertrekken van de proefpersoon. Als iemand bijvoorbeeld hoog op agressie scoort, kan dit ook komen door zijn of haar slechte humeur in plaats van de temperatuur. Error variantie staat dus voor de variantie die ontstaat door variabelen die niet in het onderzoek opgenomen zijn. Deze vorm van variantie kan dus ook niet door het onderzoek verklaard worden. Hoe meer error variantie er in een dataset zit, hoe moeilijker het is om te bepalen of de gemanipuleerde variabelen (onafhankelijke variabelen) ook echt gerelateerd zijn aan het gedrag dat men wil onderzoeken (de afhankelijke variabele). Onderzoekers willen dan ook zo weinig mogelijk error variantie in hun onderzoek.

    Het is van belang dat wetenschappers weten hoe veel van de variantie in een dataset error variantie is en hoe veel van de variantie systematisch van aard is. Om hier achter te komen, worden statistische methoden gebruikt.

    Hoe kunnen sterkte van relaties aangegeven worden?

    Wetenschappers zijn niet alleen geïnteresseerd in de vraag of variabelen samenhangen, maar ook in de vraag hoe sterk ze samenhangen.

    Sommige variabelen zijn bijvoorbeeld maar zwak gecorreleerd met emotionele of cognitieve gedragingen, terwijl dat niet geldt voor andere variabelen. Hierboven is al uitgelegd dat de totale variantie in een dataset bestaat uit systematische variantie en error variantie. Wanneer we deze waarden hebben berekend, kunnen we gemakkelijk berekenen wat de proportie van de systematische variantie in een dataset is. Dit bereken je door de systematische variantie te delen door de totale variantie. De sterkte van een relatie tussen twee variabelen kan uitgedrukt worden door middel van ‘effect sizes’ (ook wel ‘measures of strenght of association’) genoemd.

    • De proportie systematische variantie wordt altijd uitgedrukt in een getal tussen de 0 en 1. Als de proportie systematische variantie .00 is, dan zijn de variabelen in het onderzoek helemaal niet aan elkaar gerelateerd. Als de systematische variantie echter 1.00 is, dan kan alle variabiliteit in de dataset toegeschreven worden aan de variabelen in het onderzoek. Hier is dus alleen sprake van systematische variantie, en is er geen error variantie. Er is in dat geval een perfecte relatie tussen de variabelen in het onderzoek. Hoe groter de systematische variantie is ten opzichte van de error variantie, hoe sterker de relatie tussen de onderzochte variabelen is.

    • Cohen stelt dat de relatie tussen twee variabelen zwak is als de proportie systematische variantie ongeveer.01 is, gemiddeld is als deze ongeveer.06 is en sterk is als deze groter dan.15 is. Dat .15 staat voor een sterke relatie kan bijzonder lijken, omdat dan nog steeds 85% van de totale variantie error variantie is. In dit verband is het van belang om te onthouden dat veel psychologische variabelen (bijvoorbeeld zelfvertrouwen) door meerdere variabelen worden beïnvloed. Als voor één variabele dan al blijkt dat 15% van de variantie systematisch is, dan is dit veelzeggend. Lage percentages kunnen dan ook veelzeggend en belangrijk zijn.

    Wat is een meta-analyse?

    Uit verschillende onderzoeken waarin dezelfde variabelen onderzocht worden, kunnen verschillende schattingen van de systematische variantie voortvloeien. Dit komt doordat elk onderzoeksdesign anders is. Ook maakt elk onderzoek gebruik van andere proefpersonen. Om deze reden proberen wetenschappers de sterkte van de relatie tussen twee variabelen vaak te baseren op meerdere wetenschappelijke studies. Door alle resultaten te bekijken, kan een gemiddelde schatting gemaakt worden van de relatie tussen twee variabelen, wanneer deze in alle onderzoeken zijn bestudeerd. Door middel van meta-analyse worden de resultaten van veel verschillende studies geanalyseerd en geïntegreerd. Per studie wordt de effectgrootte berekend of geschat. Zoals hierboven wordt uitgelegd, beschrijft de effectgrootte de sterkte van de relatie tussen 2 variabelen. Als deze effectgrootte voor elke studie is vastgelegd, wordt het gemiddelde van de effectgroottes van de verschillende studies berekend.

    Een gemiddelde schatting op basis van meerdere studies geeft sterker bewijs voor de relatie tussen twee variabelen dan één studie.

    De meeste meta-analyses bepalen niet alleen in welke mate variabelen samenhangen, maar kijken ook naar welke factoren deze relatie beïnvloeden. Zo kan de relatie tussen twee variabelen bijvoorbeeld beïnvloed worden door sekse. Deze variabele kan dan ook een mediërende rol spelen. Wetenschappers proberen eerst uit te zoeken of variabelen überhaupt samenhangen. Pas daarna kijken ze naar hoe variabelen samenhangen. Ze zijn altijd op zoek naar systematische variantie, omdat dit iets zegt over de relatie tussen de onderzochte variabelen.

    Waarom is systematische variantie zo belangrijk?

    Bijna al het onderzoek naar gedrag is een zoektocht naar systematische variantie. Onderzoekers willen immers zo veel mogelijk systematische variantie, en zo weinig mogelijk error variantie. Pas als blijkt dat er sprake is van systematische variantie, kijken de onderzoekers naar hoe de variabelen precies gerelateerd zijn.

    Een schema is een cognitief referentiekader dat ervoor zorgt dat we informatie op een bepaalde manier kunnen verwerken en opslaan. Je hebt een schema voor veel verschillende gebeurtenissen, mensen en andere stimuli die je bent tegengekomen gedurende je leven. Als je ergens een schema over hebt, verwerk je informatie die relevant is voor dat schema makkelijker dan informatie die dit niet is. Veel mensen vinden het lastig om een schema te ontwikkelen met betrekking tot onderzoeksmethoden en statistiek. Dit maakt het lastiger om informatie hierover te verwerken. Om een schema over onderzoeksmethoden en statistiek te kunnen ontwikkelen, is het van belang dat men begrijpt dat onderzoek wordt uitgevoerd om vragen te beantwoorden over verschillen in gedrag (‘behavioral variability’). Met ‘behavioral variability’ hebben we het over hoe en waarom gedrag verschilt per situatie en per individu, en hoe het door de tijd heen verandert.

    Access: 
    Public
    Hoe kan gedrag gemeten worden? - Chapter 3

    Hoe kan gedrag gemeten worden? - Chapter 3

    Welke meetsoorten zijn er?

    De meetsoorten die gedragswetenschappers gebruiken kunnen worden onderverdeeld in drie groepen:

    1. Observationele meetsoorten (‘observational measures’): in dit geval wordt gedrag op een directe manier geobserveerd. Dit kan gedaan worden bij elk onderzoek waarbij het gedrag dat onderzocht wordt direct waargenomen kan worden. Denk in dit verband bijvoorbeeld maar aan het meten van oogcontact tussen mensen, het meten van hoe vaak een rat een hendeltje indrukt en agressie tussen kinderen in de schoolpauze. Onderzoekers kunnen het gedrag direct observeren, of kunnen audio- of video-opnames maken, waaruit informatie over de proefpersonen kan worden afgeleid.

    2. Lichamelijke meetsoorten (‘physiological measures’): hier maken de wetenschappers gebruik van wanneer ze benieuwd zijn naar de relatie tussen gedrag en niet-direct observeerbare lichaamsprocessen. Het gaat in dit geval om processen die zich in het lichaam afspelen. Ze kunnen meestal niet met het blote oog waargenomen worden. Deze processen kunnen met bepaalde meetinstrumenten gemeten worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan hartslag, zweten, hersenactiviteit en hormonale veranderingen.

    3. Zelfrapportagemetingen (‘self-report measures’): in dit geval geven de mensen antwoord op vragenlijsten (‘questionnaires’) en interviews. Er zijn drie soorten zelfrapportages: (1) cognitieve (‘cognitive self-reports’): deze meten wat mensen denken, (2) affectieve (‘affective self-reports’): deze meten wat mensen voelen en (3) gedragsmatige (‘behavioral self-reports’) zelfrapportages: deze meten wat mensen doen.

    Het succes van een onderzoek is zeer afhankelijk van de kwaliteit van het meetinstrument dat gebruikt wordt. Omdat de meettechnieken zo belangrijk zijn in het onderzoeksproces, is psychometrie ontwikkeld. Psychometrie is een wetenschap, gericht op het onderzoeken van de technieken van het meten in de psychologie. Psychometristen onderzoeken de eigenschappen van de meettechnieken die in gedragswetenschappen gebruikt worden en streven ernaar om de psychologische meettechnieken te verbeteren.

    Welke meetschalen zijn er?

    Bij alle drie van de hierboven genoemde meetsoorten is het nodig om getallen toe te kennen aan de antwoorden of reacties van mensen.

    Bij een zelfrapportagemeting is het bijvoorbeeld mogelijk dat mensen mogen kiezen uit vijf antwoordmogelijkheden van ‘helemaal niet waar’ tot ‘helemaal waar’. De antwoordmogelijkheden kunnen dan de getallen 1, 2, 3, 4 en 5 toegewezen krijgen, maar niet alle getallen hebben dezelfde betekenis. Wat getallen betekenen, hangt af van de meetschaal die wordt gebruikt. Er wordt in dit verband onderscheid gemaakt tussen vier soorten meetschalen (‘scales of measurement’):

    1. Nominaal: in dit geval dienen getallen alleen als labels. Het getal 1 kan voor ‘man’ staan en het getal 2 voor ‘vrouw’. Met getallen op de nominale schaal kunnen geen berekeningen uitgevoerd worden, omdat ze enkel als labels dienen.

    2. Ordinaal: in dit geval wordt een aantal gedragingen of kenmerken op volgorde geordend. Zo kan gezien worden hoe de ene gedraging of het ene kenmerk zich (relatief) verhoudt tot andere gedragingen en kenmerken. We kunnen deelnemers aan een zangwedstrijd bijvoorbeeld op volgorde zetten van ‘beste’ tot ‘slechtste’ op basis van het applaus dat ze ontvangen. We kunnen echter niet perfect beoordelen hoe veel meer applaus de ene kandidaat heeft gekregen dan de andere kandidaat.

    3. Interval: hier is wel sprake van het gebruik van ‘echte’ getallen: gelijke verschillen tussen de getallen staan voor gelijke verschillen tussen de deelnemers. Op een IQ-test is een verschil tussen een IQ van 90 en 100 (10 punten) bijvoorbeeld even groot als het verschil tussen 110 en 120. Een intervalschaal heeft echter geen echt nulpunt. Een nulpunt geeft aan dat een bepaalde eigenschap niet aanwezig is. Dat kunnen we bij interval dus niet meten. We kunnen bijvoorbeeld niet zeggen dat iemand geen enkele mate van intelligentie heeft. Een temperatuur van nul graden betekent ook niet dat er geen sprake is van een temperatuur. Omdat een intervalschaal geen echt nulpunt heeft, is het niet logisch om te zeggen dat het bij een temperatuur van 50 graden twee keer zo warm is als bij een temperatuur van 25 graden. Doordat er geen sprake is van een nulpunt, kunnen we de getallen in intervalschaal niet vermenigvuldigen of delen.

    4. Ratio: dit is eigenlijk de hoogst mogelijke meetschaal. Een ratioschaal heeft een nulpunt waardoor getallen opgeteld, afgetrokken, gedeeld en vermenigvuldigd kunnen worden. Gewicht heeft bijvoorbeeld een ratioschaal: iemand van 50 kilo weegt twee keer zo veel als iemand van 25 kilo. Gewicht heeft een nulpunt, omdat niet alles een gewicht hoeft te hebben.

    Wiskundige analyses

    Meetschalen zijn om twee redenen van belang voor wetenschappers:

    • Allereerst is het zo dat meetschalen verschillen in de mate waarin ze ons informatie geven. Een nominale schaal zegt bijvoorbeeld minder dan een ordinale, interval- of een ratioschaal. Als aan mensen bijvoorbeeld wordt gevraagd of ze het eens of oneens zijn met een stelling, geeft dit minder informatie dan weten in welke mate ze het eens of oneens met een stelling zijn. Vaak blijkt al uit de variabelen welke meetschaal gebruikt kan worden. Sekse kan bijvoorbeeld alleen maar op nominale schaal gemeten worden. Als onderzoekers de keus krijgen, geven ze de voorkeur aan de hoogste meetschaal mogelijk. Hogere meetschalen geven namelijk meer en preciezere informatie over de reacties en eigenschappen van de proefpersonen.

    • De tweede reden dat meetschalen van belang zijn voor wetenschappers is dat het voor sommige wiskundige analyses (zoals t- en F-toetsen) nodig is dat getallen op ratio- of intervalschaal gemeten zijn. Onderzoekers kiezen de meetschaal die het mogelijk maakt om de toets te gebruiken die hen de meeste informatie geeft.

    Hoe kan betrouwbaarheid geschat worden?

    We willen dat de getallen die we toewijzen aan gedragingen, objecten of gebeurtenissen op een betekenisvolle manier corresponderen met het kenmerk dat we proberen te meten. Het is dus de bedoeling dat variabiliteit in de getallen de spreiding reflecteert in het kenmerk dat wordt gemeten. Maar hoe weten we of dat ook echt zo is? In dit verband komt de term betrouwbaarheid (‘reliability’) om de hoek kijken. Betrouwbaarheid gaat over de consistentie van een meettechniek. Als je twee keer snel na elkaar op de weegschaal gaat staan en de ene keer zegt de weegschaal dat je 40 kilo weegt en de volgende keer dat je 50 weegt, dan noemen we de weegschaal onbetrouwbaar (‘unreliable’). Meettechnieken horen betrouwbaar te zijn. Als ze dit niet zijn, kunnen we er namelijk niet vanuit gaan dat ze zinvolle informatie over de participanten weergeven.

    Hoe ontstaan meetfouten?

    De score van een deelnemer op een meting bestaat uit twee onderdelen: (1) de ware score van de deelnemer en (2) meetfouten (‘measurement error’). Kortom; geobserveerde score = ware score + meetfouten. De ware score (‘true score’) is de score die een deelnemer zou hebben als een meettechniek perfect was en er dus geen sprake van meetfouten zou kunnen zijn. De meettechnieken die wetenschappers gebruiken zijn echter nooit helemaal foutloos. Alle meettechnieken bevatten meetfouten. Door deze meetfouten komen wetenschappers niet achter de exacte score van een deelnemer.

    Meetfouten kunnen vijf oorzaken hebben:

    1. Stemming van de proefpersoon (‘transient states'): bijvoorbeeld humeur, gezondheid, mate van vermoeidheid en angst tijdens de deelname aan het onderzoek.

    2. Stabiele kenmerken (‘stable attributes’): dit zijn kenmerken die op constante wijze aanwezig zijn bij een proefpersoon. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan paranoïde gedachten, motivatie en mate van intelligentie.

    3. Situationele factoren (‘situational factors’): dit zijn factoren in de onderzoekssetting die kunnen zorgen voor meetfouten. Als een onderzoeker bijvoorbeeld erg aardig is, dan wil een deelnemer harder zijn best doen, maar als een onderzoeker onsympathiek is kan een deelnemer minder goed presteren. Ook kunnen temperatuur, licht en lawaai van invloed zijn op de onderzoeksresultaten.

    4. Kenmerken van de meting (‘characteristics of the measure’): het gaat hierbij bijvoorbeeld om onduidelijke vragen die proefpersonen moeten beantwoorden of het gebruik van moeilijk taalgebruik in een vragenlijst, waardoor de proefpersonen onnodige fouten maken tijdens het invullen van de vragenlijst.

    5. Fouten (‘mistakes’): het gaat hierbij om fouten die de onderzoeker maakt tijdens het opslaan van de antwoorden van de deelnemers. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het foutief verwerken van de antwoorden op de computer of de tel kwijtraken tijdens het tellen van hoe vaak een rat een hendeltje indrukt.

    Meetfouten en betrouwbaarheid

    Meetfouten verminderen de betrouwbaarheid van een meting. Als een meting een lage betrouwbaarheid heeft, dan zijn de meetfouten groot en weet de onderzoeker weinig over de ware score van een deelnemer. Als een meting een hoge betrouwbaarheid heeft, dan zijn er weinig meetfouten. De geobserveerde score van een deelnemer is dan juist een goede (maar niet perfecte) weerspiegeling van de ware score van een deelnemer.

    Hoe kan betrouwbaarheid gezien worden als systematische variantie?

    Wetenschappers weten nooit precies hoeveel meetfouten er in een studie bestaan en wat de ware scores van deelnemers precies zijn. Ook weten ze niet precies hoe betrouwbaar hun meting is, maar ze kunnen aan de hand van statistische analyses wel inschatten hoe betrouwbaar hun meting is. Als zij zien dat hun meting niet betrouwbaar genoeg is, dan kunnen ze proberen hun meting meer betrouwbaar te maken. Is ook het betrouwbaarder maken van de meting niet mogelijk, dan kunnen ze ervoor kiezen om de meting helemaal niet te gebruiken in het onderzoek.

    • De totale variantie in een dataset van scores bestaat uit twee onderdelen: (1) variantie door ware scores en (2) variantie door meetfouten. In formulevorm is dit: totale variantie = variantie door ware scores + variantie door meetfouten.

    • We kunnen ook zeggen dat de proportie totale variantie die samenhangt met de ware scores van de deelnemers systematische variantie is, omdat de ware scores op systematische wijze gerelateerd zijn aan de meting.

    • De variantie die door meetfouten ontstaat is errorvariantie omdat deze variantie niet gerelateerd is aan wat de wetenschapper onderzoekt.

    • We zeggen daarom dat de betrouwbaarheid wordt berekend door de ware score variantie te delen door de totale variantie, dus: betrouwbaarheid = ware score variantie/totale variantie. De betrouwbaarheid van een meting ligt tussen de 0 en de 1. Een betrouwbaarheid van .00 zegt ons dat er helemaal geen ware score variantie aanwezig is in de data en dat de scores alleen maar staan voor meetfouten. Bij een betrouwbaarheid van 1.00 is het precies omgekeerd; daar is er alleen sprake van ware score variantie en zijn er geen meetfouten. De vuistregel is dat een meting betrouwbaar genoeg is als deze minimaal een betrouwbaarheid van .70 heeft. Dit betekent dat 70% van de variantie in de data staat voor ware score variantie.

    Welke soorten betrouwbaarheid zijn er?

    Onderzoekers maken gebruik van drie soorten betrouwbaarheid bij het analyseren van hun data: (1) ‘test-hertest’ betrouwbaarheid, (2) ‘inter-item’ betrouwbaarheid en (3) ‘interrater’ betrouwbaarheid. Een correlatiecoëfficiënt is een statistiek die aangeeft hoe sterk de relatie tussen twee metingen is. Deze statistiek ligt tussen de .00 (geen relatie tussen de metingen) en 1.00 (perfecte relatie tussen metingen). Correlatiecoëfficiënten kunnen positief of negatief zijn. Als deze statistiek wordt gekwadrateerd, dan zien we in welke mate de proportie van de totale variantie van beide metingen systematisch is. Hoe hoger de correlatie, hoe meer twee variabelen gerelateerd zijn. Hieronder wordt ingegaan op drie soorten betrouwbaarheid.

    Test-hertestbetrouwbaarheid

    Bij test-hertest betrouwbaarheid gaat het om de consistentie van de responsen van deelnemers door de tijd heen. Proefpersonen worden twee keer gemeten. Tussen deze twee metingen zit meestal een periode van een aantal weken. Als we ervan uitgaan dat een kenmerk stabiel is, dan zou iemand twee keer dezelfde score moeten hebben op dezelfde test. Als iemand de eerste keer een score van 110 heeft op een IQ-test, dan is het de bedoeling dat hij de volgende keer ook een score van rond de 110 heeft op dezelfde test. Dit omdat intelligentie een relatief stabiel kenmerk is. Toch zullen beide metingen niet hetzelfde zijn, omdat er altijd sprake zal zijn van meetfouten. Als beide IQ-scores een hoge correlatie hebben (minstens .70), dan heeft een meting (dus de IQ-test) een goede test-hertest betrouwbaarheid. We verwachten een hoge test-hertest betrouwbaarheid voor intelligentie-, attitude- en persoonlijkheidstesten. Bij minder stabiele eigenschappen, zoals honger of vermoeidheid, heeft het meten van test-hertest betrouwbaarheid geen nut.

    Inter-item betrouwbaarheid

    De inter-item betrouwbaarheid is van belang bij metingen die bestaan uit meer dan één item. Inter-item betrouwbaarheid gaat dan ook over de mate van consistentie tussen meerdere items op een schaal. Persoonlijkheidsvragenlijsten bestaan bijvoorbeeld vaak uit meerdere items die iets zeggen over bijvoorbeeld de extraversie of het zelfvertrouwen van deelnemers. Deze items worden vervolgens opgeteld tot een score. Wanneer wetenschappers de antwoorden van deelnemers optellen om een enkele score te krijgen, moeten ze er wel zeker van zijn dat alle items hetzelfde construct (bijvoorbeeld extraversie) meten. Om te kijken in hoeverre items met elkaar samenhangen, kan voor elke combinatie van items een item-totaalcorrelatie berekend worden. Dit is de correlatie tussen een item en de rest van alle items bij elkaar. Elk item op de schaal zou moeten correleren met de rest van de items. Een item-totaalcorrelatie van .30 of hoger per item wordt als voldoende beschouwd. Naast het feit dat berekend moet worden of elk item samenhangt met alle andere items is het ook nodig om de betrouwbaarheid van alle items bij elkaar te berekenen. In het verleden werd hiervoor de split-half betrouwbaarheid berekend. Eerst werd met de split-halfmethode de inter-item betrouwbaarheid berekend.

    • Bij de split-half betrouwbaarheid worden de items over twee sets verdeeld. Soms worden de even getallen in de ene lijst gezet terwijl de oneven getallen in de andere lijst worden gezet. Soms wordt er echter voor gekozen om, bijvoorbeeld als er tien items zijn, de eerste vijf items in een lijst te zetten en de volgende vijf items in de andere lijst te zetten. Daarna wordt voor elke set een totaalscore berekend. Vervolgens wordt er een correlatie tussen beide sets berekend. Als de items in beide sets hetzelfde construct meten, dan zou er een hoge correlatie tussen beide sets moeten zijn. Onder een hoge correlatie wordt ook in dit verband .70 of hoger verstaan. Het nadeel van de split-half betrouwbaarheid, is dat correlatie die gevonden wordt afhangt van welke items je in welke set plaatst. Als je de sets net iets anders indeelt, kan er een hele andere split-half betrouwbaarheid uitkomen. Het berekenen van de split-half betrouwbaarheid geeft dan ook vrij weinig zekerheid.

    • Om deze reden wordt tegenwoordig de ‘Cronbach’s alpha coëfficiënt’ berekend. Met de Cronbach’s alpha bereken je (door middel van een simpele formule) het gemiddelde van alle mogelijke split-half betrouwbaarheden. Wetenschappers gaan ervan uit dat de inter-item betrouwbaarheid goed is als Cronbach’s alpha .70 of hoger is. 

    Interrater-betrouwbaarheid

    Interrater-betrouwbaarheid wordt ook wel ‘interjudge’ of ‘interobserver’ betrouwbaarheid genoemd. Het gaat hierbij om de mate waarin twee of meerdere onderzoekers het gedrag van de proefpersonen hetzelfde observeren en opslaan. Als de ene onderzoeker stelt dat een rat 15 keer een hendeltje heeft ingedrukt en de andere onderzoeker stelt dat dezelfde rat 20 keer een hendeltje heeft ingedrukt, dan is er dus iets mis met de interrater-betrouwbaarheid. Onderzoekers gebruiken vaak twee methoden om de interrater-betrouwbaarheid te berekenen. Als onderzoekers alleen moeten noteren of een gedraging zich heeft voorgedaan, kunnen we een percentage berekenen dat staat voor hoe vaak zij het met elkaar eens zijn. Als de onderzoekers het gedrag van de deelnemers echter moeten beoordelen op een schaal (bijvoorbeeld een score op angst tussen de 1 en 5), dan kunnen we kijken of de onderzoekers alle deelnemers dezelfde beoordeling geven. Als de onderzoekers soortgelijke beoordelingen maken (dus bij een hoge interrater-betrouwbaarheid), dan zou de correlatie tussen hun beoordelingen .70 of hoger moeten zijn.

    Hoe kan de betrouwbaarheid van metingen worden vergroot?

    Het is van belang dat een onderzoeker probeert de betrouwbaarheid van een meting zo groot mogelijk te maken. Dit kan op vier manieren:

    1. Het standaardiseren van de administratie van een meting. Elke deelnemer moet onder precies dezelfde omstandigheden getest worden. Verschil in het afnemen van de meting kan leiden tot meetfouten, dus tot een verlaging van de betrouwbaarheid.

    2. Het verduidelijken van instructies en vragen. Meetfouten ontstaan wanneer deelnemers instructies of vragen niet helemaal goed begrijpen. Het is goed om van tevoren als onderzoeker te testen of de vragen begrijpelijk zijn voor deelnemers.

    3. Het trainen van onderzoekers. Als het gedrag van deelnemers moet worden geobserveerd en beoordeeld, dan is het nodig om onderzoekers goed te trainen.

    4. Het minimaliseren van fouten in het coderen van data. Hoe betrouwbaar een meettechniek ook is, meetfouten ontstaan wanneer onderzoekers fouten maken in het coderen of verwerken van data, bijvoorbeeld bij het opslaan van gegevens in de computer.

    Wat wordt verstaan onder validiteit?

    Meettechnieken moeten niet alleen betrouwbaar, maar ook valide zijn. Validiteit staat voor de mate waarin een meettechniek meet wat het hoort te meten. De vraag is dus of we meten wat we willen meten. Het is belangrijk om op te merken dat betrouwbaarheid en validiteit twee verschillende dingen zijn. Een meetinstrument kan tegelijkertijd betrouwbaar maar niet valide zijn. Een hoge betrouwbaarheid vertelt ons dat het meetinstrument iets meet, maar niet precies wat het meetinstrument precies meet. Om daarachter te komen is het van belang om naar de validiteit te kijken. Validiteit is niet een vaststaand kenmerk van een meettechniek. Een meting kan voor het ene doel valide zijn, terwijl deze niet valide is voor een ander doel. Onderzoekers maken onderscheid tussen drie soorten validiteit:

    1. 'Face’ validiteit.
    2. Constructvaliditeit.
    3. ‘criterion-related’ validiteit.

    Face-validiteit

    Face-validiteit gaat over de mate waarin een meting lijkt te meten wat hij hoort te meten. Een meting heeft face-validiteit als mensen denken dat dat zo is. Deze vorm van validiteit kan dus niet statistisch berekend worden, maar is meer een oordeel van mensen die de meting gevoelsmatig beoordelen. De face-validiteit wordt vastgesteld door de onderzoeker, door de proefpersonen en/of door experts op het betreffende vakgebied. Als een meting geen face-validiteit heeft, dan vinden proefpersonen het niet van belang om echt mee te doen. Als een persoonlijkheidstest geen face-validiteit heeft en proefpersonen moeten deze test wel invullen, dan snappen ze de toegevoegde waarde van de test niet. Dit verlaagt hun motivatie om deel te nemen aan het onderzoek. Het is van belang om drie dingen te onthouden: (1) dat een meting face-validiteit heeft, betekent niet dat deze ook echt valide is, (2) wanneer een meting geen face-validiteit heeft, hoeft dit niet te betekenen dat er in het echt geen sprake is van validiteit en (3) soms willen onderzoekers hun doelen maskeren. Als ze bijvoorbeeld bang zijn dat deelnemers gevoelige vragen niet eerlijk zullen beantwoorden, kunnen zij meetinstrumenten ontwerpen die geen face-validiteit hebben.

    Constructvaliditeit

    Vaak zijn onderzoekers geïnteresseerd in hypothetische constructen. Dit zijn constructen die niet direct geobserveerd kunnen worden op basis van empirisch bewijs. Denk aan constructen als intelligentie, status, zelfconcept, moraliteit en motivatie. Het is de vraag hoe we kunnen weten of de meting van een hypothetisch construct (dat niet waarneembaar is) valide is. Cronbach en Meehl stellen dat de we de validiteit van de meting van een hypothetisch construct kunnen vaststellen door deze meting te vergelijken met andere metingen. Het is dus van belang om te kijken naar de relatie tussen de verschillende metingen. Scores op een meetinstrument voor zelfvertrouwen zouden bijvoorbeeld positief gecorreleerd moeten zijn met metingen op optimisme, maar negatief gecorreleerd moeten zijn met meetinstrumenten die onzekerheid en angst meten. We berekenen de constructvaliditeit dus door te analyseren in hoeverre een meetinstrument gerelateerd is aan andere meetinstrumenten. Dit wordt vaak gedaan door middel van correlatiecoëfficiënten.

    In tegenstelling tot betrouwbaarheid (waarbij de correlaties boven de .70 moeten liggen) is er geen regel voor hoe groot de correlaties moeten zijn die berekend worden om de constructvaliditeit vast te stellen. Een meetinstrument heeft constructvaliditeit als deze (1) in hoge mate correleert met meetinstrumenten waar het mee zou moeten correleren (convergente validiteit) en (2) niet correleert (of in lage mate correleert) met meetinstrumenten waar het niet mee zou moeten correleren (discriminante validiteit).

    Criterion validiteit

    Criterion validiteit gaat over de mate waarin een meetinstrument ervoor zorgt dat we onderscheid kunnen maken tussen deelnemers op basis van een bepaald gedragscriterium. Een vraag is bijvoorbeeld of verschillende scores op een motivatietest op het VWO iets zeggen over wie het wel en niet goed zullen doen tijdens een universitaire studie. Het gedragscriterium is in dit geval de universitaire studie. Er wordt vooral gebruik gemaakt van criterium validiteit in toegepaste onderzoekssettings. Denk hierbij aan onderwijssettings of sollicitaties. Onderzoekers maken onderscheid tussen twee primaire soorten van criterium validiteit: (1) concurrente en (2) predictieve validiteit. Het belangrijkste verschil tussen deze twee soorten criterium validiteit is de hoeveelheid tijd tussen de afname van het meetinstrument en het vaststellen van het gedragscriterium.

    • Van concurrente validiteit is sprake wanneer twee meetinstrumenten ongeveer op hetzelfde moment worden gebruikt. De vraag is of het meetinstrument op een goede manier onderscheid kan maken tussen mensen die hoog en laag scoren op het gedragscriterium op dat specifieke moment. Wanneer scores op het meetinstrument gerelateerd zijn aan gedragingen waar ze op dat moment zelf aan gerelateerd zouden moeten zijn, dan heeft het meetinstrument concurrente validiteit.

    • We spreken van predictieve validiteit wanneer een meetinstrument onderscheid kan maken tussen mensen op een gedragscriterium in de toekomst (bijvoorbeeld de motivatietest op het VWO en een prestatietest tijdens het studeren aan de universiteit). Het gaat er hier dus om of een score op de motivatietest op het VWO kan voorspellen hoe iemand het zal doen tijdens een universitaire studie. Criterium validiteit is vooral van belang voor onderzoeken die uitgevoerd worden in een onderwijssetting.

    Wanneer is er sprake van bias?

    In de afgelopen jaren is veel aandacht geweest voor het idee dat sommige meetinstrumenten biased zijn ten opzichte van bepaalde bevolkingsgroepen. Dit zou in het bijzonder gelden voor intelligentesten en testen die academische vermogens meten. Testbias ontstaat wanneer een specifiek meetinstrument niet even valide is voor iedereen die de test invult. Dat houdt in dat de testscores de capaciteit van de ene groep beter reflecteren dan de capaciteit van de andere groep. Het lijkt dus alsof de ene groep op dat gebied vaardiger is dan de andere groep, terwijl dit in het echt niet zo hoeft te zijn.

    Het is vaak lastig om testbias vast te stellen. Omdat de ene groep slechter op een test presteert dan de andere groep, betekent niet gelijk dat er sprake is van een testbias. Het is mogelijk om testbias vast te stellen door de predictieve validiteit van een meetinstrument voor verschillende groepen vast te stellen. Als er sprake is van bias, dan zullen de toekomstige uitkomsten beter voorspeld worden voor de ene groep dan voor de andere groep.

    De meetsoorten die gedragswetenschappers gebruiken kunnen worden onderverdeeld in drie groepen:

    1. Observationele meetsoorten (‘observational measures’): in dit geval wordt gedrag op een directe manier geobserveerd. Dit kan gedaan worden bij elk onderzoek waarbij het gedrag dat onderzocht wordt direct waargenomen kan worden. Denk in dit verband bijvoorbeeld maar aan het meten van oogcontact tussen mensen, het meten van hoe vaak een rat een hendeltje indrukt en agressie tussen kinderen in de schoolpauze. Onderzoekers kunnen het gedrag direct observeren, of kunnen audio- of video-opnames maken, waaruit informatie over de proefpersonen kan worden afgeleid.

    2. Lichamelijke meetsoorten (‘physiological measures’): hier maken de wetenschappers gebruik van wanneer ze benieuwd zijn naar de relatie tussen gedrag en niet-direct observeerbare lichaamsprocessen. Het gaat in dit geval om processen die zich in het lichaam afspelen. Ze kunnen meestal niet met het blote oog waargenomen worden. Deze processen kunnen met bepaalde meetinstrumenten gemeten worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan hartslag, zweten, hersenactiviteit en hormonale veranderingen.

    3. Zelfrapportagemetingen (‘self-report measures’): in dit geval geven de mensen antwoord op vragenlijsten (‘questionnaires’) en interviews. Er zijn drie soorten zelfrapportages: (1) cognitieve (‘cognitive self-reports’): deze meten wat mensen denken, (2) affectieve (‘affective self-reports’): deze meten wat mensen voelen en (3) gedragsmatige (‘behavioral self-reports’) zelfrapportages: deze meten wat mensen doen.

    Access: 
    Public
    Op welke manieren kan psychologisch onderzoek benaderd worden? - Chapter 4

    Op welke manieren kan psychologisch onderzoek benaderd worden? - Chapter 4

    Welke verschillende onderzoeken zijn er?

    Onderzoekers kunnen gebruik maken van observationele methoden, fysiologische methoden, zelfrapportages en archiefmateriaal. Al deze manieren van onderzoek kunnen worden gecombineerd met alle vier de onderzoeksmethoden die besproken zijn in hoofdstuk 1 (beschrijvend, correlationeel, experimenteel of quasi-experimenteel).

    In een correlationeel onderzoek kan een wetenschapper bijvoorbeeld de verlegenheid van de deelnemers observeren, hun fysiologische reacties meten tijdens sociale interactie, van hun verwachten dat ze vragen beantwoorden (zelfrapportage) en een dagboek bijhouden dat later bestudeerd kan worden (archiefmateriaal). In dit deel wordt achtereenvolgens ingegaan op (1) observationele methoden, (2) fysiologische methoden, (3) zelfrapportages en (4) archiefmateriaal.

    Observationele methoden

    Veel wetenschappers observeren gedrag om hun onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Ze kunnen bijvoorbeeld observeren of mensen eten, blozen, glimlachen, helpen, met hun ogen knipperen of gapen. Wetenschappers die observationele methoden gebruiken, moeten drie keuzes maken: (1) zal de observatie plaatsvinden in een natuurlijke omgeving of in een kunstmatige omgeving, (2) moeten de deelnemers weten dat ze worden geobserveerd en (3) hoe zal het gedrag van deelnemers gemeten moet worden?

    Naturalistische observatie en kunstmatige observatie

    • Van naturalistische observatie (‘naturalistic observation’) is sprake wanneer een wetenschapper een op natuurlijke wijze ontstane gedraging observeert zonder in te grijpen. De wetenschapper ontwerpt dan ook geen kunstmatige situatie om het gedrag te observeren. Wetenschappers die graag willen weten hoe dieren zich in hun natuurlijke omgeving gedragen, doen vaak aan naturalistische observatie.

    • Participantobservatie (‘participant observation’) is een vorm van naturalistische observatie. In dat geval doet de wetenschapper met de deelnemers mee in het gedrag dat hij observeert. Een wetenschapper kan zich bijvoorbeeld voor het onderzoek aansluiten bij duivelaanbidders, homo’s en bendes. Meedoen met het gedrag van de groep die een wetenschapper bestudeert kan problemen met zich meebrengen. Wanneer wetenschappers zich beginnen te identificeren met de groepsleden, kan het zijn dat ze niet meer op objectieve wijze naar het groepsproces kunnen kijken. Daarnaast kan de onderzoeker (ongewild) het gedrag van de deelnemers beïnvloeden.

    • Het tegenovergestelde van naturalistische observatie is kunstmatige observatie (‘contrived observation’). Bij kunstmatige observatie wordt gedrag geobserveerd in situaties die daar speciaal voor ontworpen zijn. Vaak wordt het gedrag in zo’n geval geobserveerd in een laboratorium. De deelnemers weten dan ook dat ze geobserveerd worden. Het is echter ook mogelijk om aan kunstmatige observatie buiten het laboratorium te doen. Wetenschappers kunnen bijvoorbeeld op straat een ‘noodgeval’ in scène zetten en observeren of mensen behulpzaam zijn naar de ‘slachtoffers’ toe.

    Gemaskeerde en ongemaskeerde observatie

    De tweede keuze die wetenschappers moeten maken is of de deelnemers mogen weten dat ze geobserveerd worden.

    • Wanneer de deelnemers weten dat ze geobserveerd worden, is er sprake van ongemaskeerde observatie (‘undisguised observation’). Het probleem is echter dat mensen vaak niet op een natuurlijke wijze reageren als ze weten dat ze geobserveerd worden. Dit wordt ook wel reactiviteit (reactivity) genoemd.

    • Om reactiviteit te voorkomen, kan de onderzoeker gebruik maken van gemaskeerde observatie (‘disguised observation’). Hierbij weten proefpersonen niet dat ze worden geobserveerd. Het probleem met gemaskeerde observatie is echter dat deze vorm van observatie een inbreuk op de privacy van proefpersonen kan zijn. Ze doen namelijk mee aan een onderzoek zonder dat zij dat zelf weten. Ze kunnen dus niet van tevoren een contract ondertekenen (‘informed consent’) waarin staat dat ze deelnemer willen zijn. Het feit dat de proefpersonen niet zelf hebben kunnen kiezen of ze wilden deelnemen aan het onderzoek, roept ethische vragen op. Dit probleem kan deels verholpen worden door middel van de gedeeltelijke geheimhouding (‘partial concealment’) strategie. In een onderzoek dat hier gebruik van maakt, weten de proefpersonen dat ze deelnemen aan een onderzoek, maar niet welk aspect van hun gedrag precies wordt onderzocht.

    • Omdat mensen zich vaak niet op een natuurlijke wijze gedragen wanneer ze weten dat ze geobserveerd worden, proberen wetenschappers soms niet op directe, maar op indirecte wijze het gewenste gedrag te meten. Soms vragen onderzoekers aan mensen die de proefpersoon goed kennen (‘knowledgeable informants’) om het gedrag van de betreffende proefpersoon te observeren en beoordelen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan ouders, beste vrienden, collega’s en docenten. Een andere vorm van gemaskeerde observatie is het uitvoeren van een onopgemerkte meting (‘unobtrusive measures’). Dit is een meting die uitgevoerd kan worden zonder dat deelnemers weten dat ze worden bestudeerd. Bij een onopgemerkte meting vraagt de onderzoeker zijn of haar proefpersonen niet direct naar hun gedrag, maar observeert deze hun gedrag op een indirecte manier. Als een onderzoeker bijvoorbeeld bang is dat proefpersonen zullen liegen over hun alcoholgebruik, dan kan hij of zij het aantal lege alcohol flessen tellen dat in de afvalbak ligt die voor het huis van de proefpersoon staat.

    Het meten van gedrag

    De derde vraag waar een wetenschapper over na moet denken is hoe gedragingen gemeten en genoteerd moeten worden. Sommige gedragingen zijn erg complex. Het is relatief moeilijk om complexe gedragingen op een duidelijke manier te beschrijven en te noteren. Er kan hierbij gebruikgemaakt worden van (1) een verhaal (‘narrative’), (2) een checklist, (3) een tijdmeting of (4) observationele beoordelingsschalen:

    1. Een verhaal (‘narrative’/ ‘specimen record’) is een volledige beschrijving van het gedrag van een deelnemer. Het doel is om alles wat de deelnemer heeft gezegd en gedaan zo accuraat mogelijk te noteren. Vroeger werden deze verhalen vooral opgeschreven, maar tegenwoordig worden ze vaker ingesproken of opgenomen. Soms proberen wetenschappers niet alles wat de deelnemers doen en zeggen te noteren, maar maken ze vooral korte samenvattingen (‘field notes’) van de gedragingen die ze observeren. Om een verhaal te kunnen analyseren, moet er een inhoudsanalyse ('content analysis’) gedaan worden. Hier wordt later verder op ingegaan.

    2. Er kan ook en gebruik gemaakt worden van een checklist. Een checklist is gestructureerd, terwijl een verhaal niet gestructureerd is. Dit komt doordat een onderzoeker met een verhaal vrij is om er alles in te zetten wat hij of zij wil. Bij een checklist zijn er echter specifieke gedragingen beschreven. Het is dan aan de wetenschapper om in te vullen of deze gedragingen zich voorgedaan hebben. Een checklist klinkt simpel, maar het is vaak lastig om goede operationele definities te bedenken voor de constructen die in de checklist voorkomen. Als er bijvoorbeeld in de checklist ‘heeft geglimlacht’ staat, dan kan het moeilijk zijn om precies aan te geven wat nog wel onder een glimlach valt en wat niet meer als glimlach beschouwd moet worden.

    3. Soms willen onderzoekers weten wanneer en hoe lang een gedraging uitgevoerd is. Het is in dat geval mogelijk om tijdsmetingen te houden. Vaak zijn wetenschappers geïnteresseerd in de tijd die zit tussen twee gedragingen (‘latency’). Dit kan gemeten worden aan de hand van de reactietijd die staat voor de tijd die verstrijkt tussen het verschijnen van een stimulus en het opmerken van en/of het reageren op deze stimulus. Latentie (‘latency’) kan ook gemeten worden aan de hand van de tijd die nodig is om een taak af te maken (‘task completion time’). Een andere manier om latentie te meten is ‘interbehavioral latency’: de tijd die verstrijkt tussen een eerste gedraging en een gedraging die daarop volgt. Een wetenschapper kan bijvoorbeeld onderzoeken wat voor oogbewegingen iemand krijgt nadat hij of zij heeft gebloosd. Naast latentie kan een onderzoeker ook geïnteresseerd zijn in de duur (‘duration’) van een gedraging. Een onderzoeker kan bijvoorbeeld geïnteresseerd zijn in hoe lang mensen oogcontact hebben tijdens een gesprek.

    4. Soms willen onderzoekers de kwaliteit en de intensiteit van een gedraging bestuderen. Een wetenschapper kan zich bijvoorbeeld afvragen hoe hard een kind huilt wanneer hij of zij gepest wordt. Dit kan gedaan worden door middel van observationele beoordelingsschalen. Het gehuil van een kind kan bijvoorbeeld op een driepuntsschaal beoordeeld worden (1 = huilt niet, 2 = huilt gemiddeld en 3 = huilt hard). Bij het beoordelen van het gehuil van een kind is er natuurlijk wel altijd sprake van een mate van subjectiviteit. Daarom is het belangrijk dat er niet-ambigue criteria zijn die bijvoorbeeld ‘gemiddeld huilen’ en ‘hard huilen’ onderscheiden.

    De betrouwbaarheid van observationele methoden vergroten

    Bij observationele observatiesystemen moet sprake zijn van interrater betrouwbaarheid (‘interrater reliability’). Het gaat hierbij om de mate waarin de observaties van twee onafhankelijke onderzoekers overeenkomen. Als de interrater betrouwbaarheid laag is, dan betekent dit dat de onderzoekers het observatiesysteem niet op dezelfde manier gebruiken. De betrouwbaarheid van observationele observatiesystemen kan op twee manieren verhoogd worden: (1) door gebruik te maken van duidelijk gedefinieerde operationele definities en (2) door van tevoren als onderzoekers met elkaar te praten over hoe gedragingen gecodeerd, vergeleken en besproken zullen worden.

    Fysiologische metingen en neurologische testen

    De neurowetenschap (‘neuroscience’) is een interdisciplinair veld dat zich bezighoudt met de biochemische, anatomische, fysiologische, genetische en ontwikkelingsgerelateerde processen waar het zenuwstelsel invloed op heeft. Veel neurowetenschappers zijn benieuwd naar de vraag hoe veranderingen in de hersenen en het zenuwstelsel gerelateerd zijn aan psychologische verschijnselen zoals perceptie, gedachten en emotie. Psychofysiologische en neurowetenschappelijke metingen kunnen in vijf categorieën verdeeld worden: metingen van (1) neurale elektrische activiteit, (2) neuroimaging, (3) de activiteit van het autonome zenuwstelsel, (4) bloed en speeksel en (5) uiterlijke responsen:

    1. Metingen van neurale elektrische activiteit: Het meten van elektrische activiteit in de hersenen kan bijvoorbeeld door middel van EEG-scans. Hiermee kunnen hersengolven gemeten worden doordat elektroden op de schedel worden bevestigd. Dit leidt ertoe dat de elektrische activiteit van de hersenen geanalyseerd kan worden.
      Soms brengen wetenschappers de elektroden in in bepaalde lichaamsdelen, bijvoorbeeld in de spieren, om te bekijken wat de fysiologische reacties zijn op bijvoorbeeld stress en emoties.

    2. Neuroimaging: met deze methode kunnen wetenschappers zien hoe de hersenen in elkaar zitten en wat voor activiteit zich in de hersenen voordoet. Het is te verdelen in twee soorten: structurele en functionele neuroimaging. Structurele neuroimaging wordt gebruikt om de fysieke structuur van het brein te onderzoeken. Functionele neuroimaging wordt gebruikt om de activiteit in het brein te meten. Een voorbeeld van functionele neuroimaging is de fMRI. Hierbij wordt het hoofd van een persoon in een soort grote scanner gelegd. Deze scanner zorgt voor een sterk magnetisch veld. Hersengebieden waar veel zuurstof en bloed naartoe gaat zijn actiever dan hersengebieden waar minder zuurstof en bloed naartoe gaat.

    3. Activiteit van het autonomische zenuwstelsel: in dit geval worden bijvoorbeeld de hartslag, bloeddruk of de lichaamstemperatuur gemeten.

    4. Bloed en speeksel: fysiologische processen worden gemeten door bloed en speeksel te analyseren. In het bloed kan bijvoorbeeld een verhoogde hoeveelheid testosteron zitten. Dit duidt op agressie.

    5. Uiterlijke responsen: in dit geval worden lichamelijke reacties gemeten die wel met het blote oog te zien zijn, maar die gemeten moeten worden met een speciaal meetinstrument. Bij het onderzoeken van de gezichtsuitdrukking die bij schaamte hoort kunnen bijvoorbeeld speciale sensoren aangebracht worden op het gezicht die meten of iemand bloost.

    Neurowetenschappelijke en fysiologische methoden worden niet vaak gebruikt. Onderzoekers zijn namelijk meestal niet perse geïnteresseerd in fysiologische reactie zelf. Deze fysiologische reactie is voor hen alleen interessant als het een indicator is voor een ander fenomeen. Een verandering in het gezicht wordt bijvoorbeeld niet gemeten om naar de beweging van de spieren te kijken, maar bijvoorbeeld om de bijbehorende emotie vast te stellen.

    Zelfrapportages

    Onderzoekers naar gedrag maken het liefst gebruik van directe observatie. Soms is dat echter niet mogelijk, bijvoorbeeld door ethische redenen. Ook bij het meten van iets als emoties of gedachten, is zelfrapportage een goede optie. Er zijn twee soorten zelfrapportages: (1) vragenlijsten (‘questionnaires’): vragen worden op papier beantwoord en (2) interviews: de onderzoeker stelt verbaal vragen en de deelnemer beantwoordt deze ook verbaal. Bij beide soorten zelfrapportages kan er gebruik gemaakt worden van single-item meetinstrumenten en van multi-item meetinstrumenten. Een item is een onderdeel van de vragenlijst dat een bepaalde reactie uitlokt bij degene die de vragenlijst invult. Het kan om een stelling gaan, maar ook om een vraag. Van een single-item meetinstrument is sprake wanneer de vraag (het item) niet wordt gekoppeld aan andere items. De items staan hier volledig los van elkaar. Bij een multi-item meetinstrument worden de verschillende items (die hetzelfde construct meten) juist wel aan elkaar gekoppeld. Een multi-item meetinstrument zorgt voor meer betrouwbaarheid en validiteit dan een single-item meetinstrument.
    Voor het samenstellen van zowel interviews als vragenlijsten is het van belang om op de volgende zaken te letten:

    • Vragen moeten specifiek zijn en op een precieze manier geformuleerd worden. Dit zorgt ervoor dat elke vraag goed wordt geïnterpreteerd en begrepen.

    • Vragen moeten zo simpel mogelijk geformuleerd worden. Moeilijke woorden moeten dus zo veel mogelijk vermeden worden. Het is niet verstandig om meer dan 20 woorden per item te gebruiken.

    • Er moeten geen aannames worden gemaakt over de deelnemers. Onderzoekers denken vaak dat andere mensen precies zoals zij zijn. Dit hoeft echter niet het geval te zijn. Als onderzoeker moet je hier rekening mee houden.

      De vraag ‘hoe is je relatie met je moeder?’ kan heel natuurlijk aanvoelen, omdat een onderzoeker bijvoorbeeld zelf een moeder heeft. Andere mensen kunnen echter geadopteerd zijn of zonder moeder opgegroeid zijn.

    • Voorwaardelijke informatie moet voorafgaan aan het belangrijkste deel van de vraag. Dit betekent dat het beter is om ‘als een goede vriend een lange tijd depressief is, zou je hem dan een psycholoog aanraden?’ te zeggen in plaats van ‘zou je een goede vriend een psycholoog aanraden als hij lange tijd depressief is?’

    • Gebruik niet een vraag waar meer dan één vraag in verwerkt is. Een voorbeeld is ‘eet je gezond en sport je regelmatig?’

    • Kies een goed antwoordformaat. Het antwoordformaat (‘respons format’) gaat over de manier waarop een deelnemer dient te antwoorden op het item. Er zijn drie soorten antwoordformaten:

      1. Een open vraag (‘free-respons format’ of ‘open-ended format’): de deelnemer mag het antwoord geven dat hij zelf wil; hij hoeft nergens uit te kiezen, enkel met ‘waar’ en ‘onwaar’ te antwoorden. De nadelen van open vragen (‘free-respons format’) zijn (1) dat de deelnemer zelf moet bedenken hoe uitgebreid het antwoord moet zijn en (2) dat het moeilijk is voor de onderzoeker om deze te antwoorden te coderen en te analyseren.

      2. Een beoordelingsschaal antwoordformaat (‘a rating response format’): dit zijn antwoordmogelijkheden die verschillen in intensiteit, bijvoorbeeld vijf antwoordmogelijkheden van ‘helemaal niet mee eens’ tot ‘helemaal mee eens’. Een voorbeeld hiervan is een 7-puntsschaal.

      3. Een laatste mogelijkheid is het multiple choice (‘multiple choice’/’fixed-alternative respons format’): dit zijn antwoordmogelijkheden die duidelijk verschillen. Anders dan bij een beoordelingsschaal antwoordformaat verschillen de antwoordmogelijkheden hier niet alleen in intensiteit, maar op veel meer gebieden. Een voorbeeld van de laatste categorie is iemands mening vragen over abortus en de volgende mogelijkheden bieden: (1) ‘ik ben tegen abortus in alle situaties’, (2) ‘ik keur abortus alleen goed in bepaalde situaties, bijvoorbeeld als het leven van een vrouw in gevaar is’ en (3) ‘ik vind dat een vrouw dat zelf moet weten’. Een waar-onwaar antwoordformaat (‘true-false response format’) is een variant op de multiple-choice mogelijkheid.

    • Probeer de vragen eerst uit. Als het mogelijk is dient een onderzoeker de vragen eerst uit te proberen om te zien of deze wel duidelijk genoeg zijn.

    Vragenlijsten

    Vragenlijsten worden vaak gebruikt in de psychologie. Door middel van vragenlijsten kunnen mensen meer vertellen over hun gevoelens, gedachten en levensstijl.

    Ook op de werkvloer proberen werkgevers een beeld van sollicitanten te krijgen door hen vragenlijsten in te laten vullen. Soms moeten onderzoekers nieuwe vragenlijsten ontwerpen, maar vaak kunnen ze eerder gepubliceerde vragenlijsten gebruiken. Dit omdat eerder publiceerde vragenlijsten vaak bewezen betrouwbaar en valide zijn en in meerdere onderzoeken gebruikt zijn. Het ontwerpen van nieuwe vragenlijsten neemt daarnaast veel tijd in beslag en is riskant. Er zijn vier belangrijke punten als het aankomt op vragenlijsten: (1) ze zijn vaak gepubliceerd in wetenschappelijke artikelen, (2) er zijn boeken geschreven waarin staat hoe vragenlijsten kritisch geëvalueerd moeten worden, (3) er zijn databases op het internet te vinden die psychologische meetinstrumenten beschrijven en (4) sommige vragenlijsten zijn alleen te koop bij uitgevers, waardoor je er moeilijk aan kunt komen.

    Interviews

    Een interview rooster (‘interview schedule’) staat voor de vragen die gebruikt worden in een interview. Hieronder worden een aantal tips gegeven om een interview zo goed mogelijk te laten verlopen. Hiermee wordt tevens de kwaliteit van de antwoorden van de proefpersonen verhoogd.

    • Zorg voor een fijne sfeer. Hierdoor voelt de proefpersoon zich op zijn gemak.

    • Wees vriendelijk en geïnteresseerd in de deelnemer.

    • Geef geen (gezichts)reacties (die jouw persoonlijke mening laten zien) op de antwoorden van de deelnemer.

    • Zorg ervoor dat er een logische opbouw in het interview zit en begin met de makkelijke vragen.

    • Stel vragen precies zoals deze op papier staan.

    • Leidt de deelnemer niet in een bepaalde richting.

    Wat zijn de voordelen van vragenlijsten en interviews?

    Zowel vragenlijsten als interviews hebben hun eigen voor- en nadelen. Voor het afnemen van vragenlijsten is minder training nodig, ze zijn goedkoper en nemen minder tijd in beslag dan interviews. Als een onderzoek over gevoelige onderwerpen gaat, dan is een vragenlijst handiger, omdat de anonimiteit van de deelnemers hierbij gegarandeerd kan worden. Deelnemers zullen daarom waarschijnlijk eerlijker zijn bij vragenlijsten dan bij interviews. Interviews zijn juist handiger voor analfabeten, kinderen, mensen met cognitieve gebreken en andere mensen die om wat voor reden dan ook geen vragenlijsten kunnen invullen. Daarnaast kan de onderzoeker bij een interview zeker weten of de deelnemer de vraag begrepen heeft. Bovendien kan er bij een interview meer gedetailleerde informatie worden gevraagd bij complexe onderwerpen.

    Welke fouten zijn mogelijk in zelfrapportages?

    Er zijn drie soorten fouten (bias) mogelijk bij zelfrapportages:

    1. De sociale wenselijkheidsfout (‘social desirability respons bias’): soms willen mensen niet toegeven dat ze bepaalde gedachten hebben of bepaalde gedragingen uitvoeren, omdat ze weten dat het geen sociaal geaccepteerde gedachten of gedragingen zijn. Door sociale wenselijkheid worden de proefpersonen minder eerlijk. Dit verlaagt de validiteit van het meetinstrument. Sociale wenselijkheid is nooit helemaal te elimineren, maar de kans op dit verschijnsel kan wel verkleind worden. Dit kan bijvoorbeeld door neutrale vragen te stellen of aan deelnemers duidelijk te maken dat ze hun antwoorden geheel anoniem kunnen worden verwerkt. In observationeel onderzoek moeten de onderzoekers zo onopvallend mogelijk staan opgesteld. Hierdoor voelen de proefpersonen zich minder bekeken, en gaan ze zich natuurlijker gedragen.

    2. Goedvinden (‘acquiescence’): dit is de neiging die sommige mensen hebben om het eens te zijn met stellingen zonder te kijken naar de inhoud van deze stellingen.

    3. Afwijzen (‘nay-saying’): dit is de neiging die sommige mensen hebben om het oneens te zijn met stellingen zonder te kijken naar de inhoud van deze stellingen. Uit onderzoek blijkt dat goedvinden en afwijzen maar een klein effect hebben op de validiteit van zelfrapportages als mensen maar hetzelfde aantal mogelijkheden hebben om het niet en wel eens te zijn met stellingen.

    Wanneer wordt archiefmateriaal?

    Archiefmateriaal (‘archival data’) wordt gebruikt door wetenschappers om bestaande data (zoals brieven, rechtbankuitspraken en krantenartikelen) te analyseren. Archiefmateriaal is handig wanneer (1) psychologische en sociale gebeurtenissen in het verleden bestudeerd moeten worden, (2) sociale en gedragsmatige veranderingen door de jaren heen bestudeerd moeten worden, (3) sommige onderwerpen waar archiefmateriaal noodzakelijk voor is bestudeerd moeten worden, (4) een gebeurtenis bestudeerd wordt die eerder voorgekomen moet zijn (en het dus niet mogelijk is om te wachten totdat de gebeurtenis zich weer voordoet) en (5) er grote hoeveelheden data nodig zijn over bepaalde gebeurtenissen die plaatsvinden in de ‘echte’ (niet-gemanipuleerde) wereld.

    Het grote nadeel van archiefonderzoek is dat de onderzoeker zich tevreden moet stellen met de informatie die beschikbaar is. Vaak is er echter niet genoeg informatie over het onderwerp te vinden. En zelfs als er wel genoeg informatie beschikbaar is, blijft de onderzoeker zitten met de vraag of de informatie waar hij of zij gebruik van maakt wel voldoende betrouwbaar en valide is.

    Inhoudsanalyse

    Vaak moet de inhoud (‘content’) bestudeerd worden van wat proefpersonen zeggen tijdens een interview. Om dit te kunnen doen, moeten onderzoekers de verbale reacties van de proefpersonen omzetten in betekenisvolle data. Dit kan door middel van inhoudsanalyse (‘content analysis’). Het gaat hierbij om een set van procedures die ontworpen is om tekst om te zetten in numerieke data. Het doel van inhoudsanalyse is het classificeren van woorden, zinnen of andere eenheden van tekst in een aantal betekenisvolle categorieën. Het is hierbij niet van belang of de tekst geschreven of gesproken is.

    1. De eerste stap is besluiten wat voor soort tekst geanalyseerd moet worden. Gaat het bijvoorbeeld om zinnen of woorden?

    2. De volgende stap is vaststellen hoe de tekst gecodeerd moet worden. De onderzoeker moet een keuze maken tussen twee mogelijkheden: (1) de tekst classificeren in verschillende categorieën en (2) elk stuk tekst beoordelen op specifieke dimensies, bijvoorbeeld door middel van een vijfpuntsschaal. Er moeten duidelijke regels vastgesteld worden om de tekst te classificeren of te beoordelen, zodat de interrater betrouwbaarheid zo hoog mogelijk is.

    3. Nadat deze regels gemaakt zijn, kan het coderen van start gaan. Er kunnen coderingssystemen bedacht worden voor de inhoudsanalyse, maar vaak is het handig om eerst te zoeken naar bestaande coderingssystemen. Er is ook een aantal computerprogramma’s ontworpen die teksten kunnen coderen.

    Onderzoekers kunnen gebruik maken van observationele methoden, fysiologische methoden, zelfrapportages en archiefmateriaal. Al deze manieren van onderzoek kunnen worden gecombineerd met alle vier de onderzoeksmethoden die besproken zijn in hoofdstuk 1 (beschrijvend, correlationeel, experimenteel of quasi-experimenteel).

    In een correlationeel onderzoek kan een wetenschapper bijvoorbeeld de verlegenheid van de deelnemers observeren, hun fysiologische reacties meten tijdens sociale interactie, van hun verwachten dat ze vragen beantwoorden (zelfrapportage) en een dagboek bijhouden dat later bestudeerd kan worden (archiefmateriaal). In dit deel wordt achtereenvolgens ingegaan op (1) observationele methoden, (2) fysiologische methoden, (3) zelfrapportages en (4) archiefmateriaal.

    Access: 
    Public
    Hoe worden participanten geselecteerd? - Chapter 5

    Hoe worden participanten geselecteerd? - Chapter 5

    Hoe werkt het trekken van steekproeven?

    Psychologen gebruiken beschrijvende onderzoeken minder vaak dan correlationele en (quasi-) experimentele onderzoeken. Toch blijven beschrijvende onderzoeken belangrijk en het is daarom nodig om op een betrouwbare manier steekproeven te trekken. Een steekproef (‘sample’) bestaat uit een aantal mensen uit een populatie, waar de onderzoeker uitspraken over wil doen. Bij het trekken van steekproeven (‘sampling’) selecteert een onderzoeker een representatieve steekproef van deelnemers uit een populatie.

    Op welke manieren kunnen steekproeven getrokken worden?

    Een representatieve steekproef is een steekproef waarmee accurate en foutloze schattingen gemaakt kunnen worden over de populatie. Een steekproef is representatief als een bepaald aspect net zo vaak voorkomt in de steekproef zelf als in de populatie. Vaak is een steekproef echter geen perfecte weerspiegeling van de populatie. Het verschil tussen een steekproef en de bijbehorende populatie wordt ‘sampling error’ genoemd. Als een onderzoeker bijvoorbeeld het cijfergemiddelde van 100 studenten op een universiteit bekijkt, dan kan dat gemiddelde afwijken van het gemiddelde van alle studenten op een universiteit. Gelukkig kunnen onderzoekers inschatten in hoeverre hun steekproefresultaten beïnvloed zullen worden door sampling error. De foutenmarge (‘error of estimation’/ ‘margin of error’) geeft een indicatie voor de mate waarin verwacht wordt dat de data van een steekproef afwijken van de gehele populatie. In een verkiezingspoll kan de foutenmarge die hoort bij het kiezen van president X (45%) bijvoorbeeld 3% zijn, wat betekent dat we met 95% zekerheid kunnen stellen dat president X tussen de 42 en 48% van de stemmen zal krijgen. Hoe kleiner de foutenmarge, hoe meer de resultaten uit de steekproef lijken op de populatiegegevens. De foutenmarge wordt beïnvloed door drie factoren: (1) de grootte van de steekproef, (2) de grootte van de populatie en (3) de spreiding in de data:

    • Hoe groter een kanssteekproef is, hoe meer deze lijkt op de populatie en hoe representatiever deze dus is voor de populatie. Dus hoe groter de kanssteekproef, hoe kleiner de foutenmarge. Wetenschappers kiezen echter niet voor de grootst mogelijke steekproef. Ze kiezen voor een economische steekproef (‘economic sample’): deze geeft een redelijk accuraat beeld van de populatie en kost zo min mogelijk inspanning en geld.

    • De grootte van de populatie is natuurlijk ook van belang. Een steekproef van 100 man uit een populatie van 500 mensen is meer representatief dan een steekproef van 100 man uit een populatie van 100.000 mensen.

    • Tot slot geldt dat hoe meer spreiding de data bevat, hoe moeilijker het wordt om op accurate wijze de populatiewaarden te schatten.

    Een foutenmarge is alleen betekenisvol wanneer we een kanssteekproef (‘probability sample’) gebruiken. Dit is een steekproef waarvan de onderzoeker weet wat de rekenkundige kans is dat een bepaald individu uit de populatie voor de steekproef geselecteerd zal worden. Als er geen kanssteekproef gebruikt wordt, dan is het niet duidelijk of de steekproefdata echt iets zeggen over de populatie. Kanssteekproeven kunnen op drie manieren geselecteerd worden: (1) ‘simple random sampling’, (2) ‘stratified random sampling’ en (3) ‘cluster sampling’.

    Simple random sampling

    Bij ‘simple random sampling’ wordt de steekproef zo gekozen dat elke mogelijke sample evenveel kans heeft om geselecteerd te worden uit de populatie. Als een onderzoeker bijvoorbeeld een steekproef van 100 man wil selecteren uit een populatie van 5000 man en elke combinatie van 100 man heeft dezelfde kans om geselecteerd te worden, dan is er sprake van een ‘simple random sample’. Om zo’n steekproef te selecteren, moet een onderzoeker een ‘sampling frame’ gebruiken. Dit is een lijst met daarop de hele populatie waaruit de steekproef getrokken zal worden. Vervolgens worden de proefpersonen willekeurig gekozen van de lijst. Met grote populaties is het lastig om een lijst te maken van alle mogelijke deelnemers. In dat geval kan gebruikgemaakt worden van een tabel met willekeurige getallen (‘table of random numbers’). Een nadeel van de ‘simple random sampling’ is dat we vooraf informatie moeten hebben over hoeveel individuen er in een populatie zitten en we een ‘sampling frame’ nodig hebben. In sommige situaties is het opstellen van een ‘sampling frame’ namelijk niet mogelijk. In zulke gevallen wordt er gekozen voor ‘systematic sampling’. Bij ‘systematic sampling’ kan er niet van tevoren een lijst (sampling frame) worden opgesteld. Daarom wordt tijdens het onderzoek zelf pas gebruik gemaakt van het random selecteren van proefpersonen. Elke zoveelste persoon wordt gekozen om deel te nemen aan de steekproef. Er kan bijvoorbeeld gezegd worden dat elke achtste persoon die binnenkomt mee mag doen met het onderzoek.

    Stratified random sampling

    Stratified random sampling is een variatie op simple random sampling. In dit geval worden mensen echter niet direct uit de populatie geselecteerd, maar wordt de populatie eerst verdeeld in meerdere strata. Een stratum is een deel van de populatie dat overeenkomt op een bepaald kenmerk.

    We kunnen de populatie bijvoorbeeld verdelen in mannen en vrouwen of in drie leeftijdsgroepen (20-29, 30-39 en 40-49). Vervolgens worden proefpersonen random gekozen uit elk van de strata. Door deze procedure kunnen onderzoekers er zeker van zijn dat er uit elk stratum evenveel mensen geselecteerd worden. Vaak gebruiken onderzoekers een ‘proportionate sampling method’. Hierbij worden individuen uit elk stratum geselecteerd naar proportie. Dat houdt in dat het percentage mensen dat meedoet aan het onderzoek (uit een bepaald stratum) overeenkomt met hoe vaak deze mensen in de populatie voorkomen. Als 55% van de mensen in een populatie man is en 45% vrouw is, dan is het de bedoeling dat in de steekproef deze zelfde percentages terug te vinden zijn.

    Cluster sampling

    Het grote nadeel van simple en stratified random sampling is dat eerst informatie moet bestaan over hoeveel (en welke) individuen in een populatie voorkomen voordat een selectie gemaakt kan worden. Dit is vooral een probleem bij populaties die ontzettend groot zijn (bijvoorbeeld bij een onderzoek naar ‘de Nederlandse burger’). Wanneer het moeilijk is om van tevoren aan de benodigde informatie te komen, wordt er vaak gebruik gemaakt van ‘cluster sampling’. In dit geval trekt de onderzoeker niet eerst individuen uit de populatie, maar juist clusters van mogelijke proefpersonen. Deze clusters zijn vaak gebaseerd op natuurlijk bestaande clusters, zoals gebieden in een land. Vaak wordt het bij cluster sampling gebruik gemaakt van ‘multistage sampling’. Hierbij worden eerst grote clusters vastgesteld. Vervolgens worden kleinere clusters binnen deze grotere clusters vastgesteld. En zo gaat het door totdat er een steekproef ontstaat, met random gekozen proefpersonen uit elk cluster. Cluster sampling heeft twee voordelen: (1) er is geen sampling frame voor nodig (maar alleen een lijst met clusters, die veel makkelijker vast te stellen is en (2) elk cluster bestaat uit een groep van deelnemers die geografisch gezien dicht bij elkaar leven. Hierdoor kost het minder tijd en moeite om contact op te nemen met de proefpersonen.

    Wat wordt verstaan onder non-respons en misgeneralisatie?

    Het non-respons probleem ontstaat wanneer individuen die voor een steekproef geselecteerd zijn niet reageren. Denk bijvoorbeeld aan het telefonisch benaderen van de geselecteerde proefpersonen. Niet iedereen die dit telefoontje krijgt, wil daadwerkelijk deelnemen aan het onderzoek. In dit geval is de kans groot dat zij de telefoon ophangen. Non-respons is een probleem, omdat de mensen die niet willen deelnemen aan het onderzoek, op bepaalde eigenschappen significant kunnen verschillen van mensen die wel willen deelnemen. De mensen die niet willen deelnemen worden niet onderzocht, dus met hun eigenschappen wordt geen rekening gehouden in het onderzoek. Dit vermindert de voordelen van het probability sample. Het non-respons probleem kan op twee manieren opgelost worden: (1) Onderzoekers kunnen ervoor zorgen dat de respons toeneemt. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door de proefpersonen na afloop van het eerste onderzoek persoonlijk op te bellen, en hen te vragen om ook deel te nemen aan het vervolgonderzoek. (2) Onderzoeken of de mensen die wel en niet reageren systematisch van elkaar verschillen. Bij het rekruteren van proefpersonen kunnen onderzoekers bijvoorbeeld gebruik maken van de belofte van een klein geldbedrag als beloning voor deelname. Mensen met weinig geld zullen hier gevoeliger voor zijn dan mensen met veel geld. In dit onderzoek zullen waarschijnlijk relatief veel armere mensen meedoen.

    Zelfs wanneer een kanssteekproef gebruikt is, kunnen de resultaten misleidend zijn en kan de onderzoeker dus foutieve uitspraken doen. In zo een geval is sprake van misgeneralisatie. Een voorbeeld van misgeneralisatie is een onderzoek naar kinderen op basisscholen. Om een representatief beeld te krijgen, zouden zowel arme als rijke kinderen moeten worden opgenomen in het onderzoek. Als er in dit geval alleen kinderen op privéscholen zouden worden onderzocht (en er wel een uitspraak wordt gedaan over de hele populatie van basisschoolkinderen), dan is er sprake van misgeneralisatie.

    Welke andere steekproeven zijn er?

    In sommige situaties is het onhandig of onmogelijk om een kanssteekproef te selecteren. In dat geval wordt een ‘non-probability sample’ getrokken. Onderzoekers weten dan niet wat de kans is dat een individu voor de steekproef wordt gekozen. Om deze reden kan de foutenmarge ook niet berekend worden. Ze weten daardoor niet hoe representatief hun steekproef is. Veel psychologisch onderzoek wordt gedaan aan de hand van steekproeven die niet representatief zijn voor de populatie. Toch zijn dit soort steekproeven erg geschikt voor bepaalde onderzoeken. Non-probability samples zijn geschikt voor onderzoeken waarbij het toetsen van hypothesen van belang is, en waarbij de populatie niet beschreven wordt. De generaliseerbaarheid van non-probability samples, kan bij experimentele studies ontdekt worden door dezelfde onderzoeken steeds opnieuw te repliceren. Hetzelfde experiment kan worden uitgevoerd met individuen die verschillen in leeftijd, opleidingsniveau en/of sociaaleconomische status. Er is meer vertrouwen in de validiteit wanneer verschillende steekproeven (over hetzelfde onderwerp) soortgelijke resultaten opleveren. Er zijn drie soorten non-probability steekproeven:

    1. Convenience sampling: een ‘convenience sample’ is een steekproef waarbij onderzoekers gebruik maken van de deelnemers die meteen beschikbaar zijn. Een onderzoeker kan bijvoorbeeld de eerste 150 mensen op straat aanspreken en vragen of ze mee willen doen aan zijn of haar onderzoek. Het is dus zeker niet zo dat iedereen op straat dezelfde kans heeft om geselecteerd te worden. Een groot voordeel van de convenience sample is dat het bij deze methode veel makkelijker is om proefpersonen te rekruteren dan bij representatieve steekproeven.

    2. Quota sampling: bij een ‘quota sample’ stelt de onderzoeker van tevoren vast aan welke percentages moet worden voldaan. Op basis van deze percentages wordt de steekproef uiteindelijk geselecteerd. Een onderzoeker kan zeggen dat hij precies 20 mannen en 20 vrouwen voor het onderzoek wil selecteren in plaats van willekeurig 40 mensen te selecteren zonder te letten op sekse.

    3. Purposive sampling: bij een ‘purposive sample’ hebben onderzoekers een bepaald beeld in hun hoofd van proefpersonen die volgens hen typisch zijn voor de populatie. Op basis van dit beeld selecteren zij welke personen mee mogen doen aan hun onderzoek. Het probleem van purposive sampling is echter dat dit proces erg subjectief is. Daarom kan het over het algemeen beter niet gebruikt worden voor wetenschappelijk onderzoek.

    Welke rol speelt power?

    Power verwijst naar de mate waarin een onderzoek in staat is de effecten van de onderzochte variabelen te detecteren. Een onderzoek met veel power ontdekt welke effecten aanwezig zijn, terwijl een onderzoek met weinig power deze effecten niet opmerkt. De power wordt door veel zaken beïnvloed. Eén van deze zaken is het aantal proefpersonen. In het algemeen geldt dat hoe meer proefpersonen er zijn, hoe groter de power is.

    Sterke effecten zijn makkelijker op te merken dan zwakke. Een onderzoek met een lage power herkent dan ook vaak wel de sterkte effecten, maar de zwakke niet. De power neemt toe naarmate er meer proefpersonen zijn. Om zwakke effecten te herkennen is er een grote power nodig. Bij het herkennen van zwakke effecten is het dan ook nuttig om veel proefpersonen te hebben.

    Psychologen gebruiken beschrijvende onderzoeken minder vaak dan correlationele en (quasi-) experimentele onderzoeken. Toch blijven beschrijvende onderzoeken belangrijk en het is daarom nodig om op een betrouwbare manier steekproeven te trekken. Een steekproef (‘sample’) bestaat uit een aantal mensen uit een populatie, waar de onderzoeker uitspraken over wil doen. Bij het trekken van steekproeven (‘sampling’) selecteert een onderzoeker een representatieve steekproef van deelnemers uit een populatie.

    Access: 
    Public
    Hoe ziet beschrijvend onderzoek er uit? - Chapter 6

    Hoe ziet beschrijvend onderzoek er uit? - Chapter 6

    Waarom wordt beschrijvend onderzoek gedaan?

    Het doel van beschrijvend onderzoek (‘descriptive research’) is het op systematische en accurate wijze beschrijven van de kenmerken of gedragingen van een populatie. Het geeft informatie over de fysieke, sociale, gedragsmatige, economische of psychologische eigenschappen van een groep mensen. Er zijn drie soorten beschrijvende onderzoeken: (1) enquêtes (‘surveys’), (2) demografisch onderzoek en (3) epidemiologisch onderzoek.

    Enquêtes

    Enquêtes (‘surveys’) zijn de meest gebruikte beschrijvende onderzoeken. Veel mensen denken dat enquêtes en vragenlijsten (‘questionnaires’) hetzelfde zijn, maar dat is niet het geval. Een enquête kan namelijk zowel een vragenlijst als een interview zijn. Er bestaan vier soorten enquêtes:

    1. Cross-sectionele enquêtes (‘cross-sectional survey design’): in dit geval wordt een groep deelnemers uit de populatie bestudeerd. Zo’n onderzoek kan belangrijke informatie geven over de kenmerken van de groep die bestudeerd wordt. Wanneer er meer dan één groep wordt onderzocht door middel van een cross-sectionele enquête, kan er informatie verzameld worden over hoe de groepen van elkaar verschillen.

    2. Opeenvolgende onafhankelijke enquêtes (‘successive independent samples survey design’): aan twee of meer steekproeven uit de populatie worden dezelfde vragen gesteld op verschillende momenten. Al bestaan beide steekproeven uit verschillende mensen, toch kunnen uitspraken gedaan worden over veranderingen door de tijd heen.

    3. Langdurige enquêtes (‘longitudinal’/ ‘panel survey design’): hierbij wordt een groep deelnemers meer dan één keer ondervraagd. Zo kunnen we zien of dezelfde mensen door de tijd heen veranderd zijn. Het gebeurt echter vaak dat mensen uitvallen; ze komen dan bijvoorbeeld wel naar het eerste meetmoment, maar niet naar het tweede. Dit zorgt ervoor dat de steekproef verandert en dat minder zekere uitspraken kunnen worden gedaan over veranderingen door de tijd heen.

    4. Internetenquêtes: dit soort onderzoeken heeft zowel voor- als nadelen. De voordelen zijn dat ze goedkoop zijn, dat de data automatisch verwerkt wordt en dat mensen bereikt kunnen worden die normaal gesproken moeilijk te vinden zijn.

    Nadelen van deze enquêtes zijn, dat de onderzoeker weinig controle heeft over de mensen die meedoen en dat mensen zonder internetverbinding automatisch uitgesloten zijn van het onderzoek. Daarnaast is het lastig om te checken of mensen meer dan één keer de vragenlijst hebben ingevuld.

    Demografisch onderzoek

    Het gaat bij demografisch onderzoek om het beschrijven en verklaren van patronen van levensgebeurtenissen zoals geboorte, scheiding, migratie, gezondheid en dood. Vaak zijn het sociologen die demografisch onderzoek uitvoeren, maar psychologen maken er ook af en toe gebruik van. Zij kunnen bijvoorbeeld geïnteresseerd zijn in het onderzoeken van huwelijkspatronen en scheidingscijfers in verschillende populaties.

    Epidemiologisch onderzoek

    Epidemiologisch onderzoek wordt gebruikt om te analyseren hoeveel mensen in verschillende groepen lijden aan een bepaalde ziekte. Psychologen zijn geïnteresseerd in epidemiologisch onderzoek om twee redenen: ten eerste wordt het ontstaan van veel ziekten beïnvloed door de levensstijl van de patiënt. Door middel van epidemiologisch onderzoek kunnen we erachter komen welke groepen meer risico lopen om bepaalde ziektes te krijgen. Hierdoor kunnen veel ziektes voorkomen worden. Ten tweede beschrijft dit soort onderzoek hoe vaak psychische stoornissen voorkomen. Hierbij wordt gekeken naar de prevalentie en de incidentie. Prevalentie is hoeveel mensen op een bepaald moment een ziekte hebben. Incidentie is hoeveel gevallen van een bepaalde ziekte er in een periode bij komen.

    Hoe wordt de data beschreven en gepresenteerd?

    Wetenschappers moeten goed nadenken over hoe ze de data uit hun onderzoek beschrijven en presenteren. Beschrijvingen van data moeten voldoen aan drie criteria: (1) accuraatheid, (2) bondigheid en (3) begrijpelijkheid. Nadat de data dus eerst op accurate wijze beschreven is, moet worden nagedacht over hoe de data op een bondige manier beschreven kan worden. Het noteren van de ruwe data is erg accuraat, maar niet bondig. Ruwe data zijn de scores van alle proefpersonen op alle metingen. Het presenteren van al deze data is erg onoverzichtelijk. Daarom moet de ruwe data als het ware worden samengevat. Daarnaast moet de data begrijpelijk blijven voor de lezer. Data kan beschreven en gepresenteerd worden aan de hand van twee soorten methoden: (1) numerieke methoden en (2) grafische methoden:

    • Numerieke methoden vatten data samen in de vorm van getallen, zoals percentages of gemiddelden.

    • Bij grafische methoden wordt er bij het samenvatten van data gebruik gemaakt van grafieken en beelden.

    Frequentiedistributies

    Vaak worden data eerst beschreven aan de hand van een frequentiedistributie. Dit is een tabel die de ruwe data samenvat. Het laat zien hoe vaak bepaalde scores in elke categorie voorkomen.

    1. Een simpele frequentiedistributie laat zien hoe vaak een specifieke score door de proefpersonen is behaald. Een simpele frequentiedistributie bestaat uit twee kolommen. In de eerste kolom staan de mogelijke scores gerangschikt van klein naar groot. De laagste scores staan bovenaan, de hoogste onderaan. In de tweede kolom staat hoe vaak elke score behaald is (frequentie).

    2. Als er erg veel scores zijn, is een simpele frequentiedistributie onoverzichtelijk. In dat geval is het handiger om gebruik te maken van een gegroepeerde frequentiedistributie. Hierbij is te zien hoe vaak mensen binnen een categorie van scores hebben gescoord. In plaats van elke individuele score van 1 tot en met 50 te noteren, worden er groepen gemaakt van bijvoorbeeld 1-10, 11-20, 21-30, 31-40 en 41-50. Vervolgens hebben we een overzicht dat laat zien hoeveel mensen een score hebben binnen een specifieke categorie. Deze groepen worden klasse-intervallen (class intervals) genoemd. Klasse-intervallen moeten altijd even groot zijn. Het kan dus niet zo zijn dat één interval uit 5 scores bestaat, en het andere interval uit 10.
      Vaak voegen wetenschappers ook relatieve frequenties toe in de gegroepeerde frequentiedistributie. De relatieve frequentie van elke klasse is de proportie (het percentage) van het totaal aantal scores dat in elke klasse valt. Een gegroepeerde frequentiedistributie heeft drie kenmerken: (1) de klassen zijn wederzijds uitsluitend, wat betekent dat elke deelnemer maar in één categorie kan vallen, (2) de categorieën staan voor alle mogelijke scores, elke mogelijke score wordt meegenomen in de frequentiedistributie en (3) de categorieën zijn van gelijke grootte.

    3. Vaak is de informatie in een frequentiedistributie gemakkelijker te begrijpen wanneer deze informatie grafisch wordt weergegeven. Dit wordt vaak gedaan in de vorm van een histogram of een staafdiagram (‘bar graph’). Op de horizontale (x-)as van histogrammen en staafdiagrammen staan de klassen en op de verticale (y-)as staan de frequenties. De staven van elke klasse reiken tot de bijbehorende frequentie, dus hoe vaak in die categorie een bepaald antwoord is gegeven.

    4. Er is een duidelijk verschil tussen histogrammen en staafdiagrammen. Een histogram wordt gebruikt wanneer de variabele op de x-as een ratio- of intervalschaal heeft. Gelijke verschillen in de waarden staan dan voor gelijke verschillen in het kenmerk dat gemeten wordt. Als gevolg hiervan raken de staven in een histogram elkaar. Als een variabele op de x-as nominaal of ordinaal is (en gelijke verschillen tussen schaalwaarden dus niet staan voor gelijke verschillen in het kenmerk dat gemeten wordt), dan wordt een staafdiagram gebruikt. Hierbij staan de staven los van elkaar.

    5. Onderzoekers kunnen ook een frequentiepolygoon gebruiken om data te presenteren. De assen zijn hetzelfde als bij histogrammen en staafdiagrammen. Bij een frequentiepolygoon wordt echter geen gebruik gemaakt van staven, maar worden de verschillende punten aan elkaar verbonden door middel van lijnen.

    Het middenpunt

    Naast frequentiedistributies maken onderzoekers ook gebruik van beschrijvende statistieken (‘descriptive statistics’) bij het beschrijven van hun data. Beschrijvende statistieken vatten de data van de hele groep proefpersonen samen.

    Metingen van het middenpunt (‘measures of central tendency’) geven informatie over de gemiddelde of typische score in een dataset. Hierbij worden drie statistieken onderscheiden:

    1. Het gemiddelde (‘mean’): deze beschrijvende statistiek wordt het meest gebruikt. Het gemiddelde wordt berekend door alle scores op te tellen en te delen door het aantal scores. De bijbehorende formule is: = Σ xi /n. Het grote nadeel van rekenen met het gemiddelde, is dat deze statistiek sterk wordt beïnvloed door uitbijters. Dit zijn scores die opvallend afwijken (veel lager of veel hoger zijn) van de overige scores.

    2. De mediaan: Als we alle scores van de distributie in volgorde van klein naar groot zetten, is de mediaan de middelste score. In andere woorden; 50% van de scores is lager dan de mediaan, en de overige 50% is hoger. Het voordeel van de mediaan is dat deze robuust is. Ook wordt de mediaan, in tegenstelling tot het gemiddelde, weinig beïnvloed door uitbijters (‘outliers’). De mediaan is gemakkelijk vast te stellen wanneer er een oneven aantal getallen is, want dan is de mediaan simpelweg het middelste getal. Als het aantal scores echter even is, dan is de mediaan het gemiddelde van de twee middelste getallen.

    3. De modus: dit is de meest voorkomende score in een dataset. Het is mogelijk dat er meer dan één modus in een dataset voorkomt.

    Error bar

    Soms kom je ook grafieken van gemiddelden tegen, waarbij aan de top van de staaf een verticale I-vormige lijn zichtbaar is. Dit wordt de ‘error bar’ genoemd. Deze ‘error bar’ levert informatie over het vertrouwen van de onderzoeker in de waarde van elk gemiddelde. Eerder hebben we al geleerd dat we alleen een schatting kunnen maken over de echte waarde van het gemiddelde. Geen enkele steekproef reflecteert de populatie helemaal juist. Het presenteren van het gemiddelde als een cijfer of een simpele staaf in een grafiek is dan ook misleidend. De waarde van het gemiddelde van de steekproef is immers niet noodzakelijk het echte gemiddelde van de populatie. Omdat we weten dat het gemiddelde van de steekproef waarschijnlijk verschilt van het gemiddelde van de populatie, moeten we berekenen hoe nauwkeurig het gemiddelde in ons onderzoek het daadwerkelijke gemiddelde van de populatie weergeeft. Dit wordt vervolgens door middel van de statistiek betrouwbaarheidsinterval (‘confidence interval’ of ‘CI’) aangegeven. Het meest gebruikte betrouwbaarheidsinterval is dat van 95%. Aan de hand van het gemiddelde en het betrouwbaarheidsinterval kunnen we een ondergrens en een bovengrens vaststellen. We kunnen dan zeggen dat het ware populatiegemiddelde met 95% zekerheid tussen deze grenzen valt. Het betrouwbaarheidsinterval geeft ons dus een idee van de grenzen waarbinnen het gemiddelde waarschijnlijk zal vallen. Bij een relatief klein betrouwbaarheidsinterval is de kans groter dat het gemiddelde van de steekproef overeenkomt met het gemiddelde van de populatie. Hoe breder het betrouwbaarheidsinterval (dus hoe verder de twee grenzen uit elkaar liggen), hoe kleiner deze kans wordt. Een klein betrouwbaarheidsinterval is dus beter.

    Het betrouwbaarheidsinterval wordt in histogrammen en staafdiagrammen aangegeven door de error bar.

    Welke spreidingsmaten zijn er?

    Het is niet alleen van belang om de gemiddelde score te kunnen berekenen. Het is ook belangrijk dat we kunnen vaststellen hoeveel spreiding er is in een dataset. Bij het berekenen van deze spreiding maken wetenschappers gebruik van spreidingsmaten (‘measures of variability’). Er zijn drie spreidingsmaten te onderscheiden:

    1. De ‘range’: dit is het verschil tussen de hoogste en laagste score in een dataset. De range is de minst bruikbare spreidingsmaat, omdat deze slechts gebaseerd is op de twee meest extreme scores. De range houdt dan ook geen rekening met de spreiding binnen de dataset, maar alleen met de spreiding tussen de hoogste en de laagste score.

    2. De variantie (s²): in hoofdstuk 2 werd al getoond hoe de variantie berekend moet worden. Het voordeel van de variantie is dat alle scores meegewogen worden bij de berekening van deze statistiek. Deze statistiek is gebaseerd op het totaal van de gekwadrateerde verschillen tussen elke individuele score en het gemiddelde. De variantie laat zien wat het gemiddelde verschil is tussen de score van elke participant en de gemiddelde score van de data, uitgedrukt in gekwadrateerde getallen.

    3. De standaarddeviatie (s): deze statistiek wordt berekend door de wortel uit de variantie te trekken. Vaak is de variantie een groot en onduidelijk getal, omdat het om een gekwadrateerd getal gaat. Het is daarom handiger en begrijpelijker om de standaarddeviatie te berekenen en te presenteren.

    Standaarddeviatie en normale verdeling

    De meeste variabelen die door wetenschappers worden onderzocht, volgen een normale verdeling. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor intelligentie:

    • Een normale verdeling heeft een piek in het midden en twee lage staarten aan de linker- en rechterkant. Dit betekent dat de meeste scores in het midden vallen (en rond het gemiddelde liggen), terwijl er maar weinig zeer lage en zeer hoge scores behaald zijn (dit zijn de staarten). In het geval van intelligentie geldt dat de meeste mensen een gemiddeld IQ hebben. Relatief weinig mensen hebben een extreem laag of een extreem hoog IQ.

    • Soms zijn de data echter niet normaal verdeeld, maar volgen deze een scheve verdeling. Bij een ‘positively skewed distribution’ zijn er meer lage scores dan hoge scores; de piek ligt in zo’n geval in de linker staart.

    • Bij een ‘negatively skewed distribution’ zijn er meer hoge dan lage scores; de piek ligt in dit geval in de rechterstaart.

    • Voor een normale verdeling geldt dat ongeveer 68% van de scores binnen één standaarddeviatie van het gemiddelde liggen.

    • Voor IQ geldt bijvoorbeeld dat het gemiddelde 100 is en de standaarddeviatie 15. Ongeveer 68% van de mensen scoort binnen één standaarddeviatie van het gemiddelde, dus tussen (100-15=) 85 en (100+15)= 115. Ook geldt dat 95% van de scores in een normalverdeling binnen 2 standaarddeviaties van het gemiddelde ligt. Voor IQ geldt dus dat 95% van de mensen een IQ tussen de (100-30=)70 en (100+30=)130 heeft.
      Het is erg nuttig om de standaarddeviatie en het gemiddelde te weten. Als we deze twee weten, weten we niet alleen hoeveel de data variëren, maar ook hoe ze verdeeld zijn over de verschillende ranges van scores.

    De z-score

    De individuele scores zeggen ons niet veel. Om betekenis aan de scores te verlenen, moeten we de scores met elkaar en vooral met het gemiddelde kunnen vergelijken. Dit kan door middel van de z-score (ook wel standaardscore genoemd). De z-score laat zien hoeveel standaarddeviaties een score van het gemiddelde af ligt. Als iemand een z-score van -1.00 heeft, dan weten we dat zijn of haar score één standaarddeviatie minder dan het gemiddelde af ligt. Een z-score van +2.96 laat zien dat iemands score bijna drie standaarddeviaties boven het gemiddelde ligt:

    • Als het gemiddelde en de standaarddeviatie van een steekproef bekend zijn, dan kan iemands z-score volgens de volgende formule berekend worden: z = (yi-)/s. In deze formule staat yi voor de score van een deelnemer, voor het gemiddelde en s voor de standaarddeviatie van de steekproef.

    • Soms standaardiseren wetenschappers hun dataset door van alle ruwe scores standaardscores (z-scores) te maken. Dit is een handige methode om uitbijters vast te stellen. Een uitbijter wordt zichtbaar wanneer deze gestandaardiseerd is. Uitbijters hebben namelijk een hele hoge of een hele lage z-score, bijvoorbeeld -3.00 of +3.00.

    • Wanneer een dataset gestandaardiseerd is, is het gemiddelde altijd 0 en de standaarddeviatie altijd 1.e

    Het doel van beschrijvend onderzoek (‘descriptive research’) is het op systematische en accurate wijze beschrijven van de kenmerken of gedragingen van een populatie. Het geeft informatie over de fysieke, sociale, gedragsmatige, economische of psychologische eigenschappen van een groep mensen. Er zijn drie soorten beschrijvende onderzoeken: (1) enquêtes (‘surveys’), (2) demografisch onderzoek en (3) epidemiologisch onderzoek.

    Access: 
    Public
    Hoe ziet correlationeel onderzoek er uit? - Chapter 7

    Hoe ziet correlationeel onderzoek er uit? - Chapter 7

     

    Vaak zijn wetenschappers geïnteresseerd in de vraag of twee variabelen samenhangen. Deze variabelen kunnen bijvoorbeeld verlegenheid en zelfvertrouwen, temperatuur en agressie of faalangst en academische prestatie zijn. We bepalen of een variabele aan een andere variabele gerelateerd is, door te kijken of de variabelen covariëren; dus samen variëren. Als zelfvertrouwen zou samenhangen met verlegenheid, dan zouden hoge scores op zelfvertrouwen samen moeten gaan met lage scores op verlegenheid en vice versa. Als echter blijkt dat er geen consistente relatie bestaat tussen verlegenheid en zelfvertrouwen, dan kunnen we concluderen dat deze variabelen niet samenhangen. Hiervan zou bijvoorbeeld sprake zijn wanneer hoge scores op zelfvertrouwen even vaak gepaard gaan met hoge als met lage scores op verlegenheid. Twee variabelen covariëren dus als ze samen omhoog en omlaag gaan. Wanneer onderzoekers willen weten of variabelen samenhangen, maken ze gebruiken van correlationeel onderzoek (‘correlational research’). Correlationeel onderzoek wordt gebruikt om te kijken of twee of meer variabelen aan elkaar gerelateerd zijn, en in welke mate. De samenhang tussen twee variabelen wordt uitgedrukt in een correlatiecoëfficiënt. Zo kan een wetenschapper bijvoorbeeld geïnteresseerd zijn in hoeverre een eigenschap als extraversie erfelijk of aangeleerd is. Hij kan daarvoor een correlatie berekenen tussen de extraversie van een kind en de extraversie van de biologische ouders en ook een correlatie berekenen tussen de extraversie van een kind en de extraversie van de adoptieouders. Bij een hogere correlatie tussen de extraversie van het kind en die van de biologische ouders zou een onderzoeker kunnen concluderen dat extraversie eerder een aangeboren dan een aangeleerde eigenschap is.

    Wat is de correlatiecoëfficiënt?

    Een correlatiecoëfficiënt is een statistiek die laat zien in welke mate twee variabelen lineair gerelateerd zijn. Er kan een correlatie berekend worden tussen welke twee variabelen dan ook. De enige voorwaarde is dat we de scores van deelnemers moeten hebben op beide variabelen. De Pearson correlatiecoëfficiënt (r) wordt het meest gebruikt als correlatiemaat. Een berekende r ligt altijd tussen de -1 en +1. Bij een correlatiecoëfficiënt zijn twee factoren van belang: het teken van de correlatie (- of +) en de grootte van de correlatie.

    • Het teken (‘sign’) laat zien wat de richting is van de relatie. Variabelen kunnen positief (+), maar ook negatief (-) gecorreleerd zijn. Bij een positieve correlatie is het zo dat hoge scores op de ene variabele samengaan met hoge scores op de andere variabele. Ook is het zo dat lage scores op de ene variabele samengaan met lage scores op de andere variabele. Hoge scores op extraversie zouden bijvoorbeeld kunnen samengaan met hoge scores op avontuurlijkheid. Van een negatieve correlatie is sprake wanneer lage scores op de ene variabele, samengaan met hoge scores op de andere variabele of omgekeerd. Een hoge score op faalangst kan bijvoorbeeld samengaan met een lage score op een tentamen.

    • De grootte van een correlatie (‘magnitude of correlation’) is een numerieke waarde. Deze waarde is onafhankelijk van het teken van de correlatie. Wanneer een correlatie nul is (r=.00), dan zijn de bestudeerde variabelen niet lineair aan elkaar gerelateerd. Als de waarde van de correlatie echter toeneemt, dan wordt de relatie steeds sterker. Een correlatie van +.78 is dus sterker dan een correlatie van +.30. Het teken van een correlatie (+ of -) zegt niets over de grootte van een correlatie, maar alleen iets over de richting. Een correlatie van +.78 is dus even sterk als een correlatie van -.78 De magnitude of correlation (numerieke waarde) van de correlatie laat dus zien hoe groot een correlatie is.

    Hoe worden correlaties weergegeven in een assenstelsel?

    De relatie tussen twee variabelen kan gepresenteerd worden in een assenstelsel met een x- en y-as. Voor elke deelnemer kan een punt getekend worden waarbij de scores op de x- en y-as samenkomen. In het assenstelsel ontstaat op deze manier een puntenwolk (‘scatter plot’).

    1. Positieve correlaties hebben een specifieke vorm als puntenwolk: ze beginnen linksonder en hebben een soort stijgende lijn naar rechtsboven toe. Hoge scores op variabele x gaan samen met hoge scores op variabele y.

    1. Negatieve correlaties beginnen linksboven en dalen af naar rechtsonder.

    1. Hoe sterker een correlatie is, hoe smaller de puntenwolk is. Bij een perfecte correlatie (-1.00 of + 1.00) liggen alle punten op een rechte lijn. Bij een correlatie van .00 is er echter geen sprake van samenhang tussen de variabelen. Hier liggen alle punten willekeurig verspreid en is er geen lijn te ontdekken in de data.

    1. Soms zijn relaties boogvormig (curvilineair). Voor zulke relaties kunnen we geen correlatie berekenen, dat kan alleen voor lineaire verbanden.

    Wat wordt er gedaan met de gevonden correlatiecoëfficiënt?

    Als we weten dat de correlatie tussen twee variabelen +.25 is, wat zegt dit getal dan precies? Om een correlatiecoëfficiënt helemaal te begrijpen, moeten we deze kwadrateren. Dat komt doordat een correlatiecoëfficiënt niet op ratioschaal ligt. Om deze reden kunnen we geen rekenkundige berekeningen uitvoeren met deze coëfficiënt. We kunnen niet vermenigvuldigen en delen met deze statistiek. Bovendien kunnen we de correlatiecoëfficiënten niet vergelijken. Dat de coëfficiënt niet op ratioschaal ligt, houdt in dat een correlatie van +.80 niet twee keer zo groot is als een correlatie van +.40.

    Het kwadrateren van een correlatiecoëfficiënt leidt tot de coëfficiënt van bepaling (‘coëfficiënt of determination’) die wel op ratioschaal ligt. De totale variantie in een dataset kan worden opgedeeld in systematische variantie en errorvariantie. Systematische variantie is dat deel van de totale variantie dat gerelateerd is aan de variabelen die onderzocht worden. Errorvariantie is het deel dat hier juist niet aan gerelateerd is. Hoe groter de proportie systematische variantie is, hoe sterker de relatie tussen de variabelen. De coëfficiënt van bepaling laat zien hoeveel van de variantie in de ene variabele wordt verklaard door de andere variabele. Als de correlatie tussen de extraversie van een kind en de extraversie van een ouder +.25 is, dan is de coëfficiënt van bepaling dus .25x.25 = .0625. Dit betekent dat 6.25% van de variantie in de totale variantie van de extraversiescores van de kinderen gerelateerd is aan de extraversiescores van ouders. Dit betekent ook dat 93.75% van de variantie in de scores van de kinderen niet wordt verklaard door de extraversiescores van de ouders. Er zijn dus nog veel meer factoren die de variantie in de extraversiescores van de kinderen verklaren, maar deze variabelen kennen we niet, of deze hebben we niet meegenomen in het onderzoek.

    Als twee variabelen ongerelateerd zijn (r=.00), dan verklaart de ene variabele helemaal geen variantie van de andere variabele. In andere woorden: er is geen systematische variantie tussen de data. De Pearson-formule laat zien dat zowel met de x- als de y-variabele gerekend moet worden om de correlatie te berekenen. Eerst moet Σxy – (Σx)(Σy)/n berekend worden. Vervolgens moet dit gedeeld worden door de wortel van de uitkomst van (Σx²- (Σx)²/n))(Σ y²- (Σy)²/n)).

    Wanneer is er sprake van statistische significantie?

    Vaak willen wetenschappers weten of de r die ze berekend hebben statistisch significant is. Van statistische significantie is sprake wanneer een correlatiecoëfficiënt die op basis van een steekproef gevonden is heel waarschijnlijk ook geen nul is in de populatie. Stel: de relatie tussen twee variabelen is .00 in de populatie. De vraag is of een wetenschapper dit ook echt zal vinden op basis van een kleine steekproef die hij of zij uit de populatie heeft getrokken. Door meetfouten kan het voorkomen dat een onderzoeker toch een correlatie vindt op basis van de steekproef, terwijl de correlatie in de populatie nul is. Gelukkig kunnen we de kans schatten dat de waarde van r die voortvloeit uit een steekproef, ook echt hetzelfde is in de populatie.

    Als de kans dat de correlatie in de populatie ook geen nul is zeer laag is (vaak kleiner dan 0.05), dan is er sprake van statistische significantie. De statistische significantie van een correlatiecoëfficiënt wordt beïnvloed door drie factoren: (1) de grootte van de steekproef, (2) de grootte van de correlatie (‘magnitude of correlation’) en (3) de mate waarin we zeker willen zijn van de conclusie die we op basis van de steekproef hebben getrokken (de mate van voorzichtigheid van de onderzoeker).

    De grootte van de steekproef is van belang voor de statistische significantie. Bij een grotere steekproef heeft de onderzoeker er meer vertrouwen in dat de correlatie die hij heeft gevonden ook daadwerkelijk niet nul is in de populatie. De grootte van de correlatie hangt samen met statistische significantie, want hoe groter de gevonden correlatie, hoe kleiner de kans is dat deze in de populatie nul is. Een wetenschapper die een correlatie vindt van .70 tussen twee variabelen, heeft er dus meer vertrouwen in dat deze variabelen in de populatie ook samenhangen, dan een wetenschapper die een correlatie van .15 vindt.

    Tot slot is het van belang hoe voorzichtig een wetenschapper wenst te zijn met het trekken van conclusies over of de correlatie tussen twee variabelen echt nul zou kunnen zijn in de populatie. Vaak stellen wetenschappers dat de gevonden correlatie statistisch significant is wanneer er een kans bestaat van minder dan 5% dat deze nul is in de populatie.

    Sterke en zwakke correlaties

    Bij grote steekproeven is het zo dat zelfs zeer kleine correlaties snel statistisch significant worden. Een significante correlatie zegt ons alleen dat de kans zeer klein is dat de correlatie nul is in de populatie. De aanwezigheid van significantie vertelt ons dus niet of de relatie tussen de variabelen sterk is. Hoe sterk een correlatie is, hangt namelijk samen met de grootte van de correlatie en niet met de statistische significantie van de correlatie. De vuistregel is dat een correlatie van .10 als zwak, een correlatie van .30 als gemiddeld en een correlatie van .50 en hoger als sterk wordt beschouwd.

    Wat is het verschil tussen directionele en niet-directionele hypothesen?

    Wanneer een onderzoeker een correlationeel onderzoek opzet, kan hij of zij kiezen uit twee soorten hypothesen. Een directionele hypothese voorspelt welke richting de correlatie op gaat. Dit houdt in dat deze hypothese voorspelt of de correlatie positief of negatief zal zijn. Een niet-directionele hypothese voorspelt alleen dat twee variabelen gecorreleerd zullen zijn, maar niet of deze correlatie positief of negatief zal zijn. Directionele hypothesen worden het meest gebruikt.

    Welke factoren beïnvloeden de correlatie negatief?

    Door allerlei factoren kan de correlatiecoëfficiënt onder- of overschat worden. Het is daarom belangrijk om te letten op drie factoren die de sterkte van een correlatie ten onrechte kunnen verhogen of verlagen. Deze factoren zijn (1) ‘restricted range’, (2) uitbijters (‘outliers’) en (3) de betrouwbaarheid van meetinstrumenten.

    1. Restricted range: deze bestaat uit de waarden die op de x-as en de y-as gekozen worden. Wanneer de y-as bijvoorbeeld van 200 tot 1600 gaat, dan geeft dit een andere puntenwolk dan wanneer de y-as van 1000 tot 1500 gaat. Het beeld van de puntenwolk verandert daardoor meteen. Dit is vooral een probleem als de scores in een curve lopen. Het kan voorkomen dat (als gevolg van de restricted range) slechts de helft van deze curve wordt afgebeeld. Wanneer er maar één helft van de curve wordt getoond, lijkt het ten onrechte alsof er sprake is van een lineaire relatie tussen de twee variabelen, in plaats van een curvilineaire relatie.

    2. Uitbijters (‘outliers’): dit zijn scores die zo duidelijk afwijken van de data dat je je kunt afvragen of deze scores wel in de data thuishoren. De meeste wetenschappers vinden dat een score een uitbijter is, wanneer deze meer dan drie standaarddeviaties afwijkt van het gemiddelde. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten uitbijters: (1) ‘on-line outliers’: de score valt in het patroon van de lijn in de puntenwolk, maar is toch extreem hoog of laag en zorgt ervoor dat de waarde van r omhoog schiet en (2) ‘off-line outliers’: de score valt niet in het patroon van de lijn in de puntenwolk en zorgt ervoor dat de waarde van r ten onrechte afneemt.

    3. De betrouwbaarheid van meetinstrumenten: onbetrouwbare meetinstrumenten zorgen ervoor dat de correlatiecoëfficiënt te laag is. Hoe minder betrouwbaar het meetinstrument, hoe lager de correlatie.

    Wat is het verschil tussen correlatie en causaliteit?

    Het is belangrijk om stil te staan bij het feit dat correlatie geen causaliteit betekent. Zelfs al is er sprake van een perfecte correlatie, kan er niet gezegd worden dat de ene variabele de andere veroorzaakt. Als er bijvoorbeeld een correlatie bestaat tussen extraversie en zelfvertrouwen, dan kunnen we niet zeggen dat extraversie een oorzaak is van zelfvertrouwen of dat zelfvertrouwen een oorzaak is van extraversie.

    Voordat we kunnen concluderen dat er sprake is van causaliteit, moet aan drie voorwaarden worden voldaan: (1) covariantie, (2) richting en (3) uitsluiting van de invloed van andere variabelen.

    • Allereerst moeten variabelen dus samen variëren; een hoge score op de x-variabele moet systematisch samengaan met een lage score op de y-variabele of juist met een hoge score op de y-variabele. Aan deze voorwaarden kan goed worden voldaan, namelijk door de correlatie te berekenen.

    • De tweede voorwaarde is die van richting. Dit houdt in dat de oorzaak noodzakelijkerwijs vooraf moet gaan aan het gevolg. Aan deze voorwaarde kan echter niet worden voldaan door een correlatie te berekenen. Omdat de x- en y-variabele vaak op hetzelfde moment worden gemeten, is het lastig om uitspraken te doen over de richting: leidt x tot y of leidt y tot x?

    • Ook aan de derde voorwaarde kan niet worden voldaan door het simpelweg berekenen van de correlatie. Het kan namelijk best zo zijn dat een derde variabele (z) zowel variabele x als variabele y beïnvloedt. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat eenzaamheid en depressie met elkaar samenhangen. Dit betekent echter niet dat eenzaamheid depressie veroorzaakt, want het zou ook zo kunnen zijn dat zowel eenzaamheid als depressie worden veroorzaakt door een andere variabele. Deze variabele zou bijvoorbeeld de grootte van iemands sociale netwerk kunnen zijn.

    Gedeeltelijke correlatie

    Al mogen we nooit op basis van een correlatie spreken over causaliteit, toch kunnen we door middel van een aantal technieken wel inschatten welke variabele de andere waarschijnlijk veroorzaakt. Deze technieken zijn natuurlijk nooit helemaal bindend, maar ze kunnen een specifieke causale verklaring wel ondersteunen. Daarnaast kunnen ze wel met zekerheid aangeven wanneer twee variabelen niet correleren.

    Als blijkt dat x en y gecorreleerd zijn, dan zijn er drie mogelijkheden denkbaar: (1) x veroorzaakt y, (2) y veroorzaakt x en (3) een andere variabele z veroorzaakt zowel x als y. Een onechte correlatie (‘spurious correlation’) is een correlatie tussen twee variabelen (x en y) die niet komt door een directe relatie tussen deze variabelen, maar door hun gedeelde relatie met een derde variabele (z). Het effect van een derde variabele kan worden getoetst door middel van een statistische procedure die gedeeltelijke correlatie (‘partial correlation’) heet. Een gedeeltelijke correlatie is een correlatie tussen twee variabelen waarbij de invloed van één of meer variabelen statistisch verwijderd is. Als we bijvoorbeeld willen weten of de relatie tussen x en y ontstaat door variabele z, dan kunnen we de variabiliteit in x en y die hoort bij z buiten beschouwing laten en bekijken of x en y dan nog steeds gecorreleerd zijn. Als x en y dan gecorreleerd blijven, dan is het onwaarschijnlijk dat z de relatie tussen x en y veroorzaakt. Als x en y niet meer gecorreleerd blijken te zijn, dan is z waarschijnlijk wel de oorzaak van de relatie tussen x en y.

    Andere correlatiematen

    De Pearson r correlatie kan gebruikt worden wanneer zowel variabele x als variabele y op interval- of ratioschaal liggen.

    • Wanneer één of beide variabelen ordinaal is/zijn, dan wordt de ‘Spearman rank-order correlation’ gebruikt als correlatiemaat.

    • Soms zijn de x- en y-variabele dichotoom. Dit betekent dat er maar twee mogelijkheden per variabele zijn. Een voorbeeld is dat variabele x staat voor sekse en variabele y voor of iemand wel of niet zijn of haar rijbewijs heeft behaald. Als er sprake is van twee dichotome variabelen, dan wordt de phi coëfficiënt als correlatiemaat gebruikt.

    • Wanneer één van de variabelen dichotoom is en de andere op interval- of ratioschaal ligt, kan er gebruik gemaakt worden van de punt-biseriële correlatie (‘point biserial correlation’). Als we dus kijken naar de relatie tussen sekse en maagdelijkheid dan is een phi coëfficiënt handig, maar als we kijken naar de relatie tussen sekse en lengte, dan is een punt biseriële correlatie juist aan te raden.

    Het is belangrijk om te beseffen dat we niet altijd gebruikmaken van correlatiecoëfficiënten bij het analyseren van data. Vaak wordt er gebruik gemaakt van andere soorten statistieken. Deze worden later behandeld.

    Vaak zijn wetenschappers geïnteresseerd in de vraag of twee variabelen samenhangen. Deze variabelen kunnen bijvoorbeeld verlegenheid en zelfvertrouwen, temperatuur en agressie of faalangst en academische prestatie zijn. We bepalen of een variabele aan een andere variabele gerelateerd is, door te bekijken of de variabelen covariëren; dus samen variëren. Als zelfvertrouwen zou samenhangen met verlegenheid, dan zouden hoge scores op zelfvertrouwen samen moeten gaan met lage scores op verlegenheid en vice versa. Als echter blijkt dat er geen consistente relatie bestaat tussen verlegenheid en zelfvertrouwen, dan kunnen we concluderen dat deze variabelen niet samenhangen. Hiervan zou bijvoorbeeld sprake zijn wanneer hoge scores op zelfvertrouwen even vaak gepaard gaan met hoge als met lage scores op verlegenheid. Twee variabelen covariëren dus als ze samen omhoog en omlaag gaan. Wanneer onderzoekers willen weten of variabelen samenhangen, maken ze gebruiken van correlationeel onderzoek (‘correlational research’). Correlationeel onderzoek wordt gebruikt om te kijken of twee of meer variabelen aan elkaar gerelateerd zijn, en in welke mate. De samenhang tussen twee variabelen wordt uitgedrukt in een correlatiecoëfficiënt. Zo kan een wetenschapper bijvoorbeeld geïnteresseerd zijn in hoeverre een eigenschap als extraversie erfelijk of aangeleerd is. Hij kan daarvoor een correlatie berekenen tussen de extraversie van een kind en de extraversie van de biologische ouders en ook een correlatie berekenen tussen de extraversie van een kind en de extraversie van de adoptieouders. Bij een hogere correlatie tussen de extraversie van het kind en die van de biologische ouders zou een onderzoeker kunnen concluderen dat extraversie eerder een aangeboren dan een aangeleerde eigenschap is.

    Access: 
    Public
    Welke correlationele technieken zijn er? - Chapter 8

    Welke correlationele technieken zijn er? - Chapter 8

    Welke doelen hebben correlationele technieken?

    Voor wetenschappers is het niet alleen erg belangrijk om te onderzoeken of variabelen gecorreleerd zijn. Daarnaast is het voor hen namelijk ook van belang hoe en waarom bepaalde variabelen gecorreleerd zijn. Dit kunnen ze achterhalen door middel van vier verschillende technieken. Deze zullen we in dit hoofdstuk bespreken. Deze technieken zorgen ervoor (1) dat we formules kunnen ontwerpen die beschrijven hoe variabelen gerelateerd zijn. Deze formules zorgen er ook voor dat we voorspellingen kunnen maken, (2) dat we de richting van de causaliteit tussen twee of meer gecorreleerde variabelen kunnen uitzoeken, (3) dat we de relatie tussen variabelen kunnen meten op basis van verschillende analyseniveaus en (4) dat we dimensies kunnen vaststellen die ten grondslag liggen aan een aantal correlaties. Deze dimensies kunnen vastgesteld worden door middel van factoranalyse.

    Het voorspellen van gedrag

    Regressieanalyses worden toegepast nadat is gebleken dat bepaalde variabelen gecorreleerd zijn. Door middel van regressieanalyse kunnen we regressieformules (‘regression equations’) ontwerpen, waarmee we scores kunnen voorspellen. Als bekend is dat iemand een bepaalde x-score heeft, dan kunnen we deze score invullen in de formule en zo de score op de y-variabele voorspellen. We kunnen bijvoorbeeld een regressieformule ontwerpen waarmee we de academische prestatie van studenten voorspellen op basis van hun cijfergemiddelde op de middelbare school. Het is belangrijk om te onthouden dat correlatie altijd gaat over lineaire verbanden. Lineaire verbanden worden omschreven door rechte lijnen. Deze lijnen kunnen bijvoorbeeld getrokken worden door een puntenwolk die een bepaalde richting op lijkt te gaan. Wetenschappers proberen een regressieformule te ontwerpen voor die lijn. Wanneer zij deze formule hebben gevonden, dan kunnen ze scores vrij nauwkeurig voorspellen.

    • Een regressieformule ziet er als volgt uit: y=β0+ β1x. In deze formule is β0 de hellingscoëfficiënt en β1 het intercept. β0 noemen we ook wel de constante (‘regression constant’/ ‘bèta zero’). β1 wordt ook wel de regressiecoëfficiënt (‘slope’, hellingshoek) genoemd.

    • De variabele die we willen voorspellen noemen we de afhankelijke variabele, criteriumvariabele of de uitkomstvariabele (‘dependent variabele’/ ‘criterion variable’/ ‘outcome variable’). Dit is de y-variabele.

    • De x-variabele wordt ook wel de voorspellende variabele (‘predictor variable’) genoemd.

    Hoe ziet multipele regressieanalyse eruit?

    Soms maken wetenschappers gebruik van meerdere x-variabelen om de y-variabele mee te voorspellen. Academische prestatie kan bijvoorbeeld voorspeld worden aan de hand van zowel motivatie, als het cijfergemiddelde op de middelbare school en leergierigheid. Over het algemeen verhoogt het gebruik van meerdere x-variabelen de nauwkeurigheid van de voorspelling. Hoe meer x-variabelen er worden gebruikt, hoe nauwkeuriger de voorspelling waarschijnlijk zal zijn.

    Wanneer meerdere x-variabelen worden gebruikt om de y-variabele te voorspellen, dan is er sprake van multipele regressieanalyse. Er zijn drie vormen van multipele regressie: (1) standaard multipele regressie, (2) stapsgewijze multipele regressie en (3) hiërarchische multipele regressie. Deze drie vormen verschillen van elkaar in hoe de voorspellende variabelen (x-variabelen) worden toegevoegd aan de regressievergelijking, wanneer deze vergelijking wordt opgesteld.

    Standaard multipele regressie

    Bij standaard multipele regressie (ook wel ‘simultaneous multiple regression’ genoemd) worden alle x-variabelen tegelijkertijd in de regressieanalyse ingevoerd. We kunnen academische prestatie bijvoorbeeld voorspellen aan de hand van drie predictoren: motivatie, leergierigheid en het cijfergemiddelde op de middelbare school. De formule zou bijvoorbeeld y (werkresultaat) = -2.80 + .17 (motivatie) + 1.30 (leergierigheid) + .90 (cijfergemiddelde) kunnen zijn.

    Stapsgewijze multipele regressie

    Bij stapsgewijze multipele regressie (‘stepwise multiple regression’) worden niet alle predictoren in één keer in de regressieanalyse ingevoerd. De predictoren worden hier namelijk één voor één ingevoerd. Bij de eerste stap wordt de predictor ingevoerd die waarschijnlijk de sterkste voorspeller is van de y-variabele. Dit is dus de x-variabele die het meest correleert met de y-variabele. Tijdens de tweede stap wordt de x-variabele toegevoegd die daarna het meeste toevoegt aan de voorspelling van de y-variabele. De variabele die tijdens de tweede stap wordt ingevoerd, verklaart de meeste variantie in y bovenop de variantie die door de eerste predictor wordt verklaard. De predictor die tijdens de tweede stap ingevoerd wordt, hoeft niet per definitie de variabele te zijn die het op één na beste correleert met de y-variabele.

    Een stapsgewijze regressieanalyse voegt x-variabelen toe aan de vergelijking, gebaseerd op hun vermogen om de unieke variantie van de y-variabele te voorspellen. Bij stapsgewijze multipele regressie kan bij het voorspellen van academische prestatie bijvoorbeeld eerst het cijfergemiddelde als predictorvariabele ingevoerd worden, vervolgens motivatie en tenslotte leergierigheid. Motivatie zou als tweede voorspeller ingevoerd worden als deze na de eerste variabele de meeste unieke variantie in academische prestatie kan voorspellen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval als de variantie die door motivatie voorspeld wordt, al helemaal wordt ‘opgeslokt’ door het cijfergemiddelde. Dan voegt motivatie op unieke wijze weinig toe en zou leergierigheid beter tijdens deze tweede stap ingevoerd kunnen worden. Het stapsgewijs invoeren van predictoren houdt op wanneer (1) alle predictorvariabelen die een unieke bijdrage blijken te leveren aan het voorspellen van de uitkomstvariabele vastgesteld zijn en/of (2) de overige predictorvariabelen geen unieke variantie meer blijken te kunnen voorspellen.

    Hiërarchische multipele regressie

    Bij hiërarchische multipele regressie wordt de volgorde waarin de predictoren worden ingevoerd bepaald door de onderzoeker. De onderzoeker baseert zijn of haar keuzes op van tevoren vastgelegde hypothesen.

    Er worden dus steeds nieuwe variabelen aan de regressieanalyse toegevoegd. Toch kan de unieke bijdrage van elke variabele worden vastgesteld. Deze unieke bijdrage kan worden berekend door het effect van alle andere variabelen (die eerder zijn toegevoegd) statistisch te verwijderen.

    Door hiërarchische multipele regressie kunnen (1) verstorende variabelen (‘confounding variables’) verwijderd worden en (2) hypothesen over mediërende variabelen (‘mediation variables’) getest worden. Verstorende variabelen en mediërende variabelen zorgen er onder andere voor dat we niet kunnen concluderen dat er sprake is van een causatie, zelfs al is er sprake van een perfecte correlatie. Deze twee soorten variabelen kunnen de uitkomstvariabele namelijk beïnvloeden zonder dat de onderzoeker daar weet van heeft. Verstorende variabelen (‘confounding variables’) komen vaak samen voor. Hierdoor zijn hun effecten vaak lastig te onderscheiden. We kunnen hun effecten echter wel testen. Ook het effect van mediators kunnen we testen door middel van de hiërarchische multiple regressieanalyse. Een mediator is een variabele die de relatie tussen x en y beïnvloedt. Het kan hierdoor lijken alsof x en y direct in hoge mate correleren, terwijl deze correlatie ligt aan een gedeelde onderliggende variabele; de mediator. Als de relatie tussen x en y wordt beïnvloed door een derde variabele (z), dan is deze variabele een mediator.

    Wanneer is er sprake van multipele correlatie?

    Wetenschappers willen niet alleen een regressieformule ontwerpen om y-scores van mensen mee te voorspellen; ze willen ook weten hoe goed een predictorvariabele (x) de uitkomstvariabele (y) voorspelt. Onderzoekers willen dus de bruikbaarheid van hun regressieformule beschrijven. Wanneer er sprake is van meerdere voorspellers (predictoren, ofwel x-variabelen), berekenen onderzoekers de multiple correlatiecoëfficient (R).

    R beschrijft de relatie tussen y en een set voorspellers. De multipele correlatiecoëfficiënt kan een waarde aannemen tussen de .00 en 1.00. Hoe groter R, hoe beter de regressieformule de uitkomstvariabele kan voorspellen. De multiple correlatiecoëfficient kan gekwadrateerd worden. Dit principe werkt hetzelfde als het kwadrateren van de Pearson correlatie (r). Wanneer R gekwadrateerd wordt, weten we wat de proportie variantie in de uitkomstvariabele (y) is die verklaard kan worden door een set van predictoren. Leergierigheid, motivatie en het cijfergemiddelde op de middelbare school kunnen bijvoorbeeld samen 40% van de variantie in academische prestatie verklaren. Dit betekent dat 60% van de variantie in academische prestatie verklaard kan worden door andere variabelen die niet meegenomen zijn in het onderzoek.

    Hoe kan de richting van de correlatie bepaald worden?

    Zoals eerder gezegd kunnen we geen uitspraken doen over causaliteit op basis van alleen correlatie. Toch kan de richting van de relatie wel bepaald worden, al is dit nooit met volledige zekerheid. We kunnen dus vaststellen of y waarschijnlijk door x wordt verklaard, of dat x waarschijnlijk door y wordt verklaard. Er zijn twee technieken waarmee we veel kunnen zeggen over de richting van de relatie tussen twee variabelen: (1) ‘cross-lagged panel design’ en (2) ‘structural equations modelling’.

    Cross-lagged panel design

    Bij het cross-lagged panel design wordt de correlatie tussen x en y twee keer op twee verschillende momenten berekend. Daarna kunnen er verschillende combinaties gemaakt worden en correlaties berekend worden. Zo kan de correlatie tussen x uit de eerste meting en y uit de tweede meting berekend worden. Ook kan de correlatie tussen x uit de tweede meting en y uit de eerste meting berekend worden. Als variabele x variabele y veroorzaakt, dan zou de correlatie tussen x op de eerste meting en y op de tweede meting groter moeten zijn dan de correlatie tussen y op de eerste meting en x op het tweede moment. Dit komt doordat de relatie tussen een oorzaak (in dit geval x) en het gevolg (y) sterker zou moeten zijn als de causale variabele gemeten is voordat het effect plaatsvindt, in plaats van daarna.

    Structural equations modelling

    Een betere, maar meer ingewikkelde manier om causale hypothesen te testen op basis van correlationele onderzoeken is ‘structural equations modelling’. Sommige causale verklaringen voor de relaties tussen variabelen zijn logischer dan andere. Stel dat we de relatie tussen variabele x, y en z proberen te begrijpen. We kunnen bijvoorbeeld voorspellen dat variabele x variabele y veroorzaakt en variabele y variabele z veroorzaakt (xàyàz). Hierbij moet niet alleen uit onderzoek blijken dat x en y gecorreleerd zijn, maar ook dat de relatie tussen x en y sterker is dan de relatie tussen x en z. Als dit niet het geval is, dan kunnen we concluderen dat de xàyàz hypothese niet klopt. Om structural equations modelling uit te voeren, moet de onderzoeker eerst precieze voorspellingen doen (ook wel modellen genoemd). Zoals blijkt uit het voorbeeld, bestaat deze voorspelling uit de vraag hoe drie of meer variabelen causaal aan elkaar gerelateerd zijn. Elke voorspelling geeft een idee van hoe de variabelen aan elkaar gerelateerd zouden moeten zijn. Neem bijvoorbeeld 2 hypothesen. Hypothese A stelt dat xàyàz. Hypothese B stelt dat xàzày. Omdat ze van elkaar verschillen in volgorde, verwachten we dat deze hypothesen elk een ander patroon van correlaties hebben.

    Door structural equations modelling kunnen we de correlatiematrix die op basis van een hypothese (model) verwacht wordt, vergelijken met de echte correlatiematrix. Als de verwachte en de daadwerkelijke correlatiemix op elkaar lijken, dan is bewijs gevonden voor de hypothese. Structural equations-analyses geven steeds een fit index. Deze laat zien in hoeverre een hypothesemodel past bij de gevonden data. Door de fit indexen van alle voorspelde modellen te vergelijken, kunnen we bepalen of sommige modellen beter bij de data passen dan andere modellen. Structural equations-modellen kunnen erg complex zijn. Dit is vooral het geval als er onderzoek gedaan wordt naar veel verschillende variabelen. Wanneer er maar één meting wordt gedaan bij elk construct uit de analyse, worden structurele vergelijkingen ook wel ‘path analysis’ genoemd. Als er meerdere metingen worden gebruikt voor elk construct, dan wordt ook wel van ‘latent variable modelling’ gesproken. Dit omdat wordt gedacht dat alle metingen een onderliggende (latente) variabele meten. Door structural equations modelling kunnen we een beeld krijgen van de plausibiliteit van causale hypothesen.

    Wat wordt bedoeld met geneste data?

    Veel van de onderzoeksdata in de gedragswetenschappen zijn genest (‘nested’). Wat het begrip ‘genest’ precies inhoudt, kan het beste uitgelegd worden met een voorbeeld. Als een onderzoeker bijvoorbeeld geïnteresseerd is in welke variabelen van invloed zijn op schoolprestatie op de basisschool, dan kan hij of zij een aantal scholen selecteren. Vervolgens kan hij of zij binnen deze scholen een aantal klassen selecteren. Tenslotte kan de onderzoeker een aantal kinderen binnen deze klassen selecteren. We zeggen dan dat de klassen in de school, en daarbinnen de kinderen in die klassen genest zijn. Een geneste datastructuur heeft zijn voor- en nadelen. Een belangrijk nadeel is dat bij geneste designs de responsen van deelnemers niet onafhankelijk van elkaar zijn. Kinderen in een klas hebben bijvoorbeeld dezelfde docent, hetzelfde lesmateriaal en worden ook nog eens direct door elkaar beïnvloed. Voor statistische analyses is het echter van belang dat de scores van deelnemers onafhankelijk van elkaar zijn. Gelukkig kan door middel van ‘multilevel modelling’ goed omgegaan worden met het feit dat responsen niet onafhankelijk van elkaar zijn. Bij multilevel modelling worden eerst verschillende niveaus onderscheiden. Vervolgens wordt gekeken door welke factoren deze niveaus worden beïnvloed. Multilevel modelling maakt het mogelijk om de relatie tussen de variabelen over de hele onderzoeksopzet te onderzoeken. Alle ‘levels’ in de onderzoeksopzet kunnen dus worden vergeleken. In het voorbeeld van het onderzoek naar schoolprestaties op basisscholen, kunnen de variabelen binnen de scholen met die binnen de klassen worden vergeleken. Multilevel modelling wordt ook wel ‘multilevel random coefficient analysis’ of ‘hierarchical lineair modelling’ genoemd.

    Hoe kunnen onderliggende dimensies ontdekt worden?

    Factoranalyse is een verzamelnaam voor een aantal statistische technieken dat gebruikt wordt om de relaties tussen een groot aantal variabelen te analyseren. Het doel van de factoranalyse is om onderliggende dimensies of factoren vast te stellen. Deze verklaren de relaties die zijn gevonden tussen de variabelen.

    Als we de correlaties tussen veel variabelen analyseren, dan zien we dat sommige variabelen vooral met elkaar gecorreleerd zijn terwijl andere variabelen vooral met andere variabelen gecorreleerd zijn. Dit komt waarschijnlijk door het feit dat de hoog gecorreleerde variabelen hetzelfde algemene construct meten, terwijl laag gecorreleerde variabelen verschillende constructen meten. Het gevolg hiervan is dat het waarschijnlijker is om een onderliggende dimensie (factor) vast te stellen wanneer de correlaties tussen bepaalde variabelen hoog zijn. Factoranalyse wordt dus gebruikt om onderliggende factoren (latente variabelen) vast te stellen, die de gevonden correlaties tussen meerdere variabelen kunnen verklaren.

    Wat is factoranalyse?

    Wanneer er maar weinig variabelen zijn, kunnen factoren relatief makkelijk worden vastgesteld. Zijn er echter veel variabelen, dan is het beter om gebruik te maken van complexe wiskundige berekeningen. Deze worden hier niet behandeld, maar het is wel nuttig om te weten wat de achterliggende gedachte achter de berekening is. Factoranalyse stelt het minimale aantal factoren vast dat nodig is om de relatie tussen de vele variabelen te verklaren. Als alle variabelen perfect gecorreleerd zijn (r = 1.00), dan zal er maar één factor uit de factoranalyse voortvloeien. Als de variabelen allemaal helemaal niet gecorreleerd zijn (r = .00), dan vloeien er evenveel factoren uit de factoranalyse als dat er variabelen zijn. Met een factormatrix kan gezien worden in hoeverre verschillende variabelen laden op (correleren met) een factor. In hoeverre een variabele laadt op een factor, wordt aangegeven met een factorlading. Als variabelen minstens .30 laden op een factor, dan worden deze variabelen op de tabel bij elkaar gezet. Zo kan er makkelijker worden gekeken naar wat deze variabelen met elkaar gemeen hebben. Dit is voordelig, want op die manier kunnen de factoren geïnterpreteerd en gelabeld worden.

    Het gebruik van factoranalyse

    De factoranalyse heeft drie basisdoeleinden:

    1. Het vaststellen van de onderliggende structuur van psychologische constructen. Hierdoor kan een kader voor het begrijpen van gedrag worden opgesteld.

    2. Het reduceren van een groot aantal individuele data tot een kleinere, overzichtelijkere set van data. Het overzichtelijker maken van de data maakt het ten eerste makkelijker om statistische procedures uit te voeren. Daarnaast verwijdert het overbodige elementen. Tenslotte hebben analyses die gebaseerd zijn op factoren in het algemeen meer power en zijn ze betrouwbaarder, vergeleken met metingen die gebaseerd zijn op individuele items.

    3. Het ontwerpen van attitude- en persoonlijkheidstesten. Wanneer antwoorden op vragen in een vragenlijst opgeteld moeten worden tot een enkele score, dan moeten we wel eerst zeker weten dat deze items daadwerkelijk hetzelfde construct meten. Factoranalyse wordt in dit geval gebruikt om uit te zoeken welke items bij één factor horen. Als uit zo’n analyse echter blijkt dat de items samengaan met meer dan één factor, dan is het niet verstandig om de antwoorden op deze items op te tellen om uitspraken te doen over hoe iemand scoort op één construct (bijvoorbeeld depressie). Er is dan immers sprake van meerdere onderliggende variabelen.

    Voor wetenschappers is het niet alleen erg belangrijk om te onderzoeken of variabelen gecorreleerd zijn. Daarnaast is het voor hen namelijk ook van belang hoe en waarom bepaalde variabelen gecorreleerd zijn. Dit kunnen ze achterhalen door middel van vier verschillende technieken. Deze zullen we in dit hoofdstuk bespreken. Deze technieken zorgen ervoor (1) dat we formules kunnen ontwerpen die beschrijven hoe variabelen gerelateerd zijn. Deze formules zorgen er ook voor dat we voorspellingen kunnen maken, (2) dat we de richting van de causaliteit tussen twee of meer gecorreleerde variabelen kunnen uitzoeken, (3) dat we de relatie tussen variabelen kunnen meten op basis van verschillende analyseniveaus en (4) dat we dimensies kunnen vaststellen die ten grondslag liggen aan een aantal correlaties. Deze dimensies kunnen vastgesteld worden door middel van factoranalyse.

    Access: 
    Public
    Hoe ziet experimenteel onderzoek er uit? - Chapter 9

    Hoe ziet experimenteel onderzoek er uit? - Chapter 9

    Welke voorwaarden zijn er voor experimenteel onderzoek?

    Beschrijvend en correlationeel onderzoek zijn belangrijk, maar hebben een gebrek. Ze geven geen informatie over oorzaken van gedrag, gedachten en emoties. Wanneer onderzoekers geïnteresseerd zijn in het blootleggen van oorzaak-gevolgrelaties, dus naar causaliteit, dan voeren ze experimenten uit. Een goed ontworpen experiment voldoet aan drie voorwaarden: (1) de onderzoeker moet minstens één van de onafhankelijke variabelen manipuleren om te zien wat voor effect dit heeft op het gedrag van de deelnemer. Daarnaast (2) moet de onderzoeker de deelnemers op gelijke wijze toewijzen aan verschillende experimentele condities. Tenslotte (3) moet de onderzoeker controle hebben over externe variabelen die het gedrag van de deelnemers zouden kunnen beïnvloeden.

    Hoe kan de onafhankelijke variabele gemanipuleerd worden?

    In een experiment manipuleert een onderzoeker één of meer onafhankelijke variabelen (x-variabelen) om te zien hoe dit effect heeft op de afhankelijke variabele (de y-variabele). Een onafhankelijke variabele heeft meerdere niveaus (‘levels’). Dit zijn de verschillende waarden van de onafhankelijke variabele. Niveaus worden ook wel condities genoemd. Soms zijn condities het gevolg van kwantitatieve verschillen. Dat betekent dat de onafhankelijke variabele per conditie verschilt in hoeveelheid of mate waarin de proefpersoon beïnvloed wordt. In andere gevallen verschillen de condities kwalitatief. Dat houdt in dat deelnemers in verschillende condities bijvoorbeeld andere instructies krijgen.

    Er zijn meerdere soorten manipulaties van de onafhankelijke variabele mogelijk:

    1. Omgevingsmanipulaties (‘environmental manipulations’): in dit geval wordt de fysieke of sociale omgeving van de deelnemer gemanipuleerd. In sociale, ontwikkelings- en persoonlijkheidspsychologie worden soms handlangers (‘conferates’) van de onderzoeker gebruikt. Zij doen zich voor als proefpersonen terwijl zij dat niet zijn. Hierbij wordt de invloed van de aanwezigheid van de handlangers op de andere proefpersonen gemeten. Ook dit is een vorm van omgevingsmanipulatie.

    2. Instructiemanipulaties (‘instructional manipulations’): in dit geval worden de instructies en/of de informatie die de proefpersonen krijgen gemanipuleerd. Instructiemanipulaties zijn ontworpen om te kunnen zien hoe bepaalde informatie of bepaalde opmerkingen de gedachten, emoties of het gedrag van mensen kunnen veranderen.

    3. Invasieve manipulaties (‘invasive manipulations’): in dit geval worden veranderingen aangebracht in het lichaam van de deelnemer. Dit kan bijvoorbeeld door mensen middeltjes te laten innemen om te zien hoe dit hun emoties of gedrag beïnvloedt.

    Experimentele groepen en controlegroepen

    In sommige onderzoeken wordt een conditie toegevoegd waarbij de onafhankelijke variabele helemaal niet wordt gemanipuleerd. Deelnemers die wel een bepaalde mate van de onafhankelijke variabele krijgen, zitten in een experimentele groep. Deelnemers die niets van de onafhankelijke variabele krijgen, zitten in de controlegroep. Onderzoekers moeten zelf de keuze maken of ze wel of niet een controlegroep willen inzetten. Vaak wordt voor een controlegroep gekozen om het basisniveau (‘baseline’) van een gedraging vast te stellen. Het basisniveau van een gedraging is de mate van die gedraging wanneer de onafhankelijke variabele helemaal niet wordt gemanipuleerd.

    Het komt vaak voor dat de onderzoekshypotheses van een onderzoeker correct zijn, maar dat de gewenste resultaten niet gevonden worden omdat de onafhankelijke variabele niet goed genoeg gemanipuleerd is. Als de onafhankelijke variabele niet sterk genoeg is om de voorspelde effecten te vinden, dan is het onderzoek bij voorbaat al gedoemd om te mislukken. Vaak proberen wetenschappers hun onderzoek eerst uit op een klein aantal proefpersonen om te zien of de onafhankelijke variabele wel echt goed gemanipuleerd is. In dit geval spreken we ook wel van een pilot test. In andere woorden; met een pilot test kan gezien worden of de verschillende condities van de onafhankelijke variabele wel genoeg van elkaar verschillen om significant invloed te hebben op het gedrag van de proefpersonen. Daarnaast maken wetenschappers tijdens hun onderzoek gebruik van manipulatiechecks. Een manipulatiecheck is een vraag (of set van vragen) die ontworpen is/zijn om te bepalen of de onafhankelijke variabele op succesvolle wijze gemanipuleerd is. Manipulatiechecks zijn echter niet altijd noodzakelijk en zijn soms niet eens mogelijk. Toch is het van belang dat onderzoekers altijd overwegen of het nuttig is om een manipulatiecheck uit te voeren.

    Soms kunnen wetenschappers bepaalde variabelen niet manipuleren, omdat deze variabelen niet veranderd kunnen worden. Voorbeelden van deze variabelen zijn sekse, leeftijd en intelligentieniveau. Dit soort onveranderlijke variabelen noemen we ook wel subjectvariabelen of proefpersoon variabelen. Afhankelijke variabelen zijn de variabelen die beïnvloed worden door de onafhankelijke variabelen in een onderzoek. Vaak wordt iemands score op de afhankelijke variabelen geobserveerd, lichamelijk gemeten of via zelfrapportage verkregen.

    Op welke manier worden deelnemers toegewezen aan condities?

    Het is belangrijk dat deelnemers op een eerlijke manier worden toegewezen aan condities, zodat deelnemers die veel op elkaar lijken niet systematisch bij elkaar in één conditie terechtkomen.

    Er zijn drie verschillende manieren om deelnemers toe te wijzen aan condities:

    • Simpele willekeurige toewijzing (‘simple random assignment’): in dit geval heeft elke deelnemer evenveel kans om toegewezen te worden aan elke conditie. Dit kan bijvoorbeeld door een munt op te gooien. Simpele willekeurige toewijzing zorgt ervoor dat deelnemers in de groepen gemiddeld niet van elkaar verschillen. Er is echter een kleine kans dat simpele willekeurige toewijzing geen exact gelijke groepen oplevert. Simpele willekeurige toewijzing wordt ook wel ‘randomized groups design’ genoemd.

    • Gematchte willekeurige toewijzing (‘matched random assignment’): van deze methode is sprake wanneer de onderzoeker de deelnemers eerst test op een variabele die relevant is voor het onderzoek. Vervolgens worden de scores van de deelnemers bekeken en worden deelnemers die hierin op elkaar lijken gematcht. Dit design wordt ook wel ‘between-subjects design’ genoemd. Zo ontstaat er een aantal clusters. Vervolgens worden alle deelnemers uit een cluster willekeurig toegewezen aan de verschillende condities.

    • Herhaalde metingen (‘repeated measures design’): hierbij worden dezelfde proefpersonen meerdere keren getest, in alle experimentele condities. Er kan hierbij zowel gebruik gemaakt worden van simpele willekeurige toewijzing, als van gematchte willekeurige toewijzing. Dit design wordt ook wel een ‘within-subjects design’ genoemd.

    Wat zijn voor- en nadelen van herhaalde metingen?

    Het grootste voordeel van het herhaalde metingen design (within-subjects design) is dat de power groter is dan bij between-subjects designs. Power is de mate waarin een onderzoek de effecten van een onafhankelijke variabele kan detecteren. Dat de power groter is, komt doordat de proefpersonen in alle condities aan elkaar gelijk zijn. Het zijn immers dezelfde mensen die deelnemen aan alle condities. Hierdoor kan er geen sprake zijn van proefpersoonsverschillen die invloed kunnen hebben op de resultaten van het onderzoek. Een tweede voordeel is dat er minder deelnemers voor het onderzoek nodig zijn, omdat elke participant deelneemt aan alle experimentele condities.
    Dit design heeft echter ook een aantal nadelen. Het design zorgt namelijk voor volgorde-effecten (‘order effects’): het gedrag van de deelnemers wordt beïnvloed door de volgorde waarin ze worden blootgesteld aan de condities. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vier soorten volgorde-effecten.

    1. Oefening (‘practice effects’): deelnemers presteren steeds beter, omdat ze de afhankelijke variabele meerdere keren meemaken. Ze kunnen dus als het ware met de afhankelijke variabele ‘oefenen’.

    2. Vermoeidheid (‘fatigue effects’): deelnemers hebben vaak minder zin of raken vermoeid naarmate het onderzoek vordert. Daardoor kunnen behandelingen steeds minder effectief worden, naarmate ze later in het onderzoek plaatsvinden.

    3. Sensitisatie (‘sensitization’): deelnemers kunnen de onderzoekshypothesen raden omdat ze al aan zoveel condities deelgenomen hebben. Omdat ze weten waar de onderzoeker naar op zoek is, kunnen zij zich onnatuurlijk gaan gedragen.

    4. Overdracht (‘carryover effects’): het effect van een conditie kan als het ware blijven hangen. Het kan nog effect hebben wanneer de proefpersoon zich al in de volgende conditie bevindt. Dit is problematisch, omdat de onderzoeker dan geen onderscheid meer kan maken tussen de effecten van de verschillende condities. Om dit effect tegen te gaan, kunnen onderzoekers gebruikmaken van een methode die ‘counterbalancing’ wordt genoemd. Bij counterbalancing worden alle deelnemers in verschillende volgordes blootgesteld aan de verschillende condities.

    Een ‘Latin Square design’ is een voorbeeld van counterbalancing. Als een design bijvoorbeeld vier condities heeft, dan kunnen deelnemers aan de hand van vier verschillende volgordes blootgesteld worden aan de condities.

    Wat wordt bedoeld met experimentele controle?

    Experimentele controle staat voor het elimineren of constant houden van externe factoren die de uitkomsten van een onderzoek zouden kunnen beïnvloeden. Dit is belangrijk, want als er geen controle over externe factoren zou zijn, dan is het niet duidelijk of de afhankelijke variabele beïnvloed is door de onafhankelijke variabele(n) of door andere factoren.

    Wanneer is er sprake van systematische variantie?

    Systematische variantie (ook wel ‘between-groups variance’ of tussen-groepen variantie genoemd) is het deel van de totale variantie dat staat voor echte verschillen tussen experimentele groepen. De grote vraag in een onderzoek is of de spreiding in de scores van deelnemers systematisch is. Dit houdt in dat de spreiding veroorzaakt wordt door de onafhankelijke variabele. We zouden dan ook systematische verschillen moeten vinden tussen de scores die horen bij verschillende condities. Er is sprake van systematische variantie wanneer de scores tussen de condities systematisch van elkaar verschillen. Systematische variantie kan het gevolg zijn van twee bronnen: (1) de onafhankelijke variabele (‘treatment variance’/ ‘primary variance’) of (2) externe variabelen (‘confound variance’/’secondary variance’). Als niets anders dan de onafhankelijke variabele de reacties van de deelnemers heeft beïnvloed, dan is er alleen sprake van treatment variantie. Dit is echter zelden het geval. Er zijn namelijk ook twee andere bronnen van variantie: (1) externe variabelen en (2) error variantie.

    Proefpersonen kunnen op meerdere gebieden van elkaar verschillen. Wanneer zij niet alleen maar van elkaar verschillen op de onafhankelijke variabele, is er sprake van externe variabelen. Deze beïnvloeden de onderzoeksresultaten, terwijl dat niet de bedoeling is. Het zorgt voor oneerlijk onderzoek. De proportie variantie die het verklaard wordt door externe variabelen, wordt ‘confound variance’ genoemd. Het is onmogelijk voor onderzoekers om treatment variance te onderscheiden van confound variance. Daarom is het noodzakelijk om de confound variance zo goed mogelijk te elimineren.

    Wanneer is er sprake van error variantie?

    Error variantie wordt ook wel ‘within-groups variance’ genoemd. Het is het resultaat van onsystematische verschillen tussen proefpersonen. Het kan hierbij gaan om verschillen in persoonlijkheid, humeur en capaciteiten. Maar ook kan het gaan om verschillen in omgang door de onderzoeker. De onderzoeker kan verschillende proefpersonen namelijk (soms onbewust) verschillend behandelen.

    Error variantie is minder problematisch dan confound variantie. We kunnen namelijk op statistische wijze onderscheid maken tussen systematische variantie en error variantie. Daardoor kunnen we error variantie gemakkelijker elimineren en is het dus minder van invloed op het experiment dan confound variantie. Het blijft echter wel zo, dat hoe meer error variantie er is, hoe moeilijker het is om de effecten van de onafhankelijke variabelen te detecteren. De errorvariantie verkleint dus de power van het experiment. Daarom willen we de errorvariantie zo laag mogelijk houden.

    Variantie samengevat

    Samengevat kun je de totale variantie onderverdelen in systematische variantie en error variantie: totale variantie = systematische variantie + error variantie.
    De systematische variantie is vervolgens weer te verdelen in treatment variance en confound variance: systematische variantie = treatment variance + confound variance.

    Hierbij is het van belang om de confound variance te elimineren, de treatment variance zo hoog mogelijk te houden, en de error variantie zo laag mogelijk te houden.

    Welke rol speelt interne validiteit?

    Interne validiteit gaat over de mate waarin een onderzoeker de juiste conclusies trekt over de effecten van de onafhankelijke variabele. Een experiment heeft interne validiteit wanneer alle bronnen van confound variantie worden geëlimineerd. Interne validiteit ontstaat vaak door experimentele controle. Experimentele controle zorgt er namelijk voor dat de onafhankelijke variabele het enige is dat verschilt tussen de condities. Als deelnemers in verschillende groepen systematisch van elkaar verschillen op meer dan alleen de onafhankelijke variabele, spreken we van ‘confounding’. Het is erg belangrijk om confounding tegen te gaan en te elimineren.

    Gevaren voor de interne validiteit

    De interne validiteit van een experiment kan door meerdere factoren bedreigd worden:

    • Foutieve toewijzing (‘biased assignment’): hiervan is sprake wanneer deelnemers niet willekeurig over de condities verdeeld zijn. Er bestaan dan systematische verschillen tussen de groepen. De gevonden resultaten kunnen in zo’n geval het gevolg zijn van de verschillen tussen de groepen, in plaats van dat zij het gevolg zijn van de onafhankelijke variabele. De groepen verschillen dan op meer gebieden dan op alleen de onafhankelijke variabelen.

    • Uitval (‘differential attrition’): Uitval (‘attrition’) is het verlies van deelnemers gedurende het onderzoek. Deelnemers willen of kunnen dan midden in het onderzoek niet meer deelnemen. Wanneer uitval op willekeurige wijze voorkomt en alle experimentele condities in dezelfde mate treft, is het niet erg gevaarlijk voor de interne validiteit. Het is echter een ander verhaal wanneer in sommige condities meer deelnemers uitvallen dan in andere condities (‘differential attrition’). In dat geval loopt de interne validiteit van een onderzoek wel gevaar.

    • Voortest-sensitisatie (‘pretest sensitization’): In sommige experimenten worden deelnemers van tevoren getest. Dit geeft de onderzoeker een idee van het gedrag voordat de manipulatie van de onafhankelijke variabele heeft plaatsgevonden. Ook kan het helpen bij het eerlijk verdelen van proefpersonen over condities. Een nadeel van het van tevoren testen van de proefpersonen, is dat ze hierdoor anders zouden kunnen reageren op de onafhankelijke variabele. Ze worden als het ware gevoeliger (meer sensitief) voor deze variabele. Wanneer proefpersonen als gevolg van een voortest anders reageren op de manipulatie van de onafhankelijke variabele, spreken we van voortest-sensitisatie. 

    • Geschiedenis (‘history’): de resultaten van sommige onderzoeken worden beïnvloed door externe gebeurtenissen, die buiten de onderzoekssetting voorkomen. In dit geval zijn de gevonden resultaten niet het gevolg van de onafhankelijke variabele, maar door een interactie tussen de onafhankelijke variabele en geschiedenis effecten (‘history effects’).

    • Ontwikkeling (‘maturation’): als een experiment lang duurt, dan kan de ontwikkeling (‘maturation’) van de deelnemers de oorzaak zijn van de afhankelijke variabele in plaats van de onafhankelijke variabele.

    • Design fouten (‘miscellaneous design confounds’): het gaat hierbij om fouten die voor kunnen komen in het onderzoeksdesign zelf. Zo kan een onderzoeker bijvoorbeeld op een andere manier omgaan met verschillende deelnemers. Het is erg belangrijk dat een onderzoeker er altijd op let dat dit niet gebeurt. Design fouten liggen volledig in handen van de onderzoeker. Daardoor zijn ze goed te elimineren. Het is dus belangrijk dat de onderzoeker hier goed op let.

    Verwachtingen

    De interne validiteit van een onderzoek wordt ook bepaald door de verwachtingen van de proefpersonen en onderzoeker met betrekking tot wat zou moeten gebeuren in het experiment. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie problemen:

    1. Verwachtingen van de onderzoeker (‘experimenter expectancy effects’): Vaak hebben onderzoekers al een vermoeden van hoe de proefpersonen zullen reageren. De verwachtingen van een onderzoeker zijn gebaseerd op de onderzoekshypothesen. Vooraf aanwezige verwachtingen van onderzoekers kunnen ervoor zorgen dat ze de onderzoeksresultaten verkeerd interpreteren. Bovendien kunnen de onderzoekers onbewust de reacties van de proefpersonen beïnvloeden.

    2. Verwachtingen van proefpersonen (‘demand characteristics’): Proefpersonen kunnen vermoeden (of denken te vermoeden) wat de onderzoeker van hen verwacht. Zij kunnen zich hiernaar gaan gedragen, omdat ze goede proefpersonen willen zijn. Daardoor gedragen ze zich niet meer op een natuurlijke manier, en ontstaat er een bias in het onderzoek.

    Door een dubbel-blind procedure (‘double-blind procedure’) te gebruiken, kan zowel de invloed van de verwachtingen van de onderzoeker als de invloed van de verwachtingen van de proefpersonen geëlimineerd worden. Bij een double-blind procedure weten zowel de onderzoekers als de proefpersonen niet welke proefpersonen aan welke conditie zijn toegewezen. Hierdoor hebben beide geen verwachtingen.

    1. Placebo-effecten: Een placebo-effect is een fysiologische of psychologische verandering die plaatsvindt door de suggestie of het geloof dat verandering zal plaatsvinden. De verandering vindt dus plaats omdat de proefpersoon denkt dat er verandering zal plaatsvinden. Een medicijn kan bijvoorbeeld genezen zonder dat het een werkende stof bevat. Dit is omdat patiënten denken dat ze geholpen worden en zullen genezen.
      Wanneer een placebo-effect mogelijk is, maken onderzoekers vaak gebruik van een ‘placebo control group’. Deelnemers in deze groep krijgen een behandeling die eigenlijk niet werkt. De effecten van een placebo controlegroep kunnen worden vastgesteld door ook een echte controlegroep toe te voegen. De echte controlegroep krijgt helemaal geen pilletje, terwijl de placebo controlegroep een pilletje krijgt dat geen effect heeft. Als blijkt dat deelnemers in de placebo controlegroep het beter doen (bijvoorbeeld sneller genezen) dan deelnemers in de echte controlegroep, dan is er sprake van een placebo-effect.

    Welke oorzaken voor error variantie zijn er?

    Error variantie kan vijf oorzaken hebben:

    1. Individuele verschillen: er zijn vaak individuele verschillen tussen proefpersonen, die al bestonden voordat zij deelnamen aan het onderzoek. Dit kan ervoor zorgen dat deelnemers in de experimentele condities op verschillende manieren reageren op de onafhankelijke variabele. Er kan niets gedaan worden om deze verschillen te elimineren, maar hoe minder individuele verschillen er zijn, hoe minder error variantie er is. Onderzoekers kunnen er dus voor kiezen om zo veel mogelijk gebruik te maken van homogene groepen proefpersonen.

    2. Tijdelijke stemmingen (‘transient states’): het gaat hierbij om factoren die steeds kunnen veranderen. Voorbeelden zijn attitudes en humeur. Het enige dat onderzoekers kunnen doen is proberen om zelf zo min mogelijk te zorgen voor tijdelijke stemmingen bij deelnemers. Zij kunnen bijvoorbeeld altijd even vriendelijk zijn tegen alle deelnemers.

    3. Omgevingsfactoren: voorbeelden van omgevingsfactoren zijn afleidende geluiden in de onderzoekssetting en het testen van proefpersonen in verschillende situaties. Het is van belang om alle proefpersonen in dezelfde situatie te onderzoeken. Daarom proberen onderzoekers om de omgeving waarin het experiment wordt afgenomen zo constant mogelijk te houden.

    4. Verschillende manieren van behandeling (‘differential treatment’): Hiervan is sprake wanneer een onderzoeker op verschillende manieren met de proefpersonen omgaat. Een onderzoeker kan bijvoorbeeld erg aardig zijn ten opzichte van vrolijke en spontane deelnemers, terwijl hij of zij minder aardig is ten opzichte van andere deelnemers. Een oplossing voor dit probleem kan zijn om het onderzoek zo veel mogelijk te automatiseren. Hierdoor heeft de proefpersoon minder direct contact met de onderzoeker. Daardoor zijn er minder momenten waarop de onderzoeker de resultaten van de proefpersoon kan beïnvloeden.

    5. Meetfouten (‘measurement error’): Elk onderzoek bevat meetfouten die bijdragen aan de error variantie. Om meetfouten te verminderen is het belangrijk om betrouwbare meetinstrumenten te gebruiken.

    Het dilemma van de onderzoeker

    Externe validiteit gaat over de mate waarin gevonden onderzoeksresultaten generaliseerbaar zijn naar andere steekproeven. Interne validiteit gaat daarentegen over de zekerheid waarmee een onderzoeker kan stellen dat de afhankelijke variabele beïnvloed is door de onafhankelijke variabele, en niet door andere variabelen. Vaak gaat een hoge mate van interne validiteit samen met een lage mate externe validiteit, en vice versa. De discrepantie tussen interne en externe validiteit wordt ook wel het onderszoekersdilemma (‘experimenter’s dilemma’) genoemd. Hoe meer controle een onderzoeker wil hebben over het experiment, hoe meer de interne validiteit stijgt. Maar door een verhoging van de controle, wordt het onderzoek minder natuurlijk en is het minder goed generaliseerbaar. De externe validiteit daalt dan dus. Een verhoging van de interne validiteit gaat dan ook ten koste van de externe validiteit. Onderzoekers hechten echter meer waarde aan interne validiteit. Het is namelijk belangrijker om zeker te zijn van de resultaten van het onderzoek (interne validiteit) dan om het onderzoek te kunnen generaliseren (externe validiteit). Wanneer je niet zeker bent van je onderzoeksresultaten, heeft het immers geen nut om ze te generaliseren.

    Daarnaast worden experimenten zelden uitgevoerd om te kunnen generaliseren. Het doel van experimenteel onderzoek is niet om te kunnen generaliseren naar de ‘echte wereld’, maar juist om generalisaties uit de echte wereld te testen (door middel van hypothesen). Het is zelfs zo dat de resultaten van één experiment nooit moeten worden gegeneraliseerd, hoe goed het onderzoek ook is. De resultaten van elk onderzoek hangen te veel samen met de context waarin het onderzoek is uitgevoerd.

    Welke voor- en nadelen heeft het gebruik van internet?

    Voordelen van het internet

    Veel wetenschappers gebruiken het internet om onderzoeken uit te voeren. Daarom wordt er geprobeerd om de validiteit van internetonderzoeken (‘web-based research’) te vergroten. Het uitvoeren van onderzoeken via het internet heeft zowel voor- als nadelen. De voordelen van dit soort onderzoeken zijn hieronder beschreven:

    • Door het internet te gebruiken kunnen onderzoekers aan veel grotere steekproeven komen.

    • Onderzoek via internet kost de onderzoekers minder tijd en geld.

    • De steekproeven die op het internet worden samengesteld, zijn vaak diverser dan steekproeven die op een andere manier worden samengesteld.

    • Onderzoekers die op internet op zoek gaan naar deelnemers, vinden het vaak gemakkelijk om daar deelnemers met specifieke kenmerken en eigenschappen te vinden.

    • Omdat deelnemers op internet vaak anoniem zijn, worden hun reacties minder beïnvloed door sociale wenselijkheid. Ook is er in mindere mate sprake van ‘experimenter expectancy effects’.

    Nadelen van het internet

    De nadelen van internetonderzoeken worden hieronder beschreven:

    • Onderzoekers vinden het vaak lastig om controle uit te oefenen over een steekproef die via het internet is samengesteld.

    • De omgevingen van de proefpersonen kunnen erg veel van elkaar verschillen. Ze kunnen de vragen bijvoorbeeld allemaal op een andere locatie invullen, waardoor de ene proefpersoon veel meer afleiding heeft dan de andere. Dit beïnvloedt de onderzoeksresultaten.

    • Vaak maken deelnemers op internet een onderzoek niet af.

    • Internetonderzoeken kunnen alleen gebruikt worden als proefpersonen vragen in moeten vullen of moeten reageren op geschreven stimuli. Het is vaak niet mogelijk om bijvoorbeeld het effect van medicijnen te testen via het internet. Het is ook niet mogelijk om experimenten met meerdere sessies uit te voeren. Tot slot is het niet mogelijk om als onderzoeker één-op-één contact te hebben met een proefpersoon.

    Beschrijvend en correlationeel onderzoek zijn belangrijk, maar hebben een gebrek. Ze geven geen informatie over oorzaken van gedrag, gedachten en emoties. Wanneer onderzoekers geïnteresseerd zijn in het blootleggen van oorzaak-gevolgrelaties, dus naar causaliteit, dan voeren ze experimenten uit. Een goed ontworpen experiment voldoet aan drie voorwaarden: (1) de onderzoeker moet minstens één van de onafhankelijke variabelen manipuleren om te zien wat voor effect dit heeft op het gedrag van de deelnemer. Daarnaast (2) moet de onderzoeker de deelnemers op gelijke wijze toewijzen aan verschillende experimentele condities. Tenslotte (3) moet de onderzoeker controle hebben over externe variabelen die het gedrag van de deelnemers zouden kunnen beïnvloeden.

    Access: 
    Public
    Hoe is een experimenteel design opgebouwd? - Chapter 10

    Hoe is een experimenteel design opgebouwd? - Chapter 10

    Welke niveaus zijn er in experimentele designs?

    Experimentele designs waarbij er slechts één onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd heten eenweg-designs (‘one way designs’). De meest simpele vorm van een eenweg design is het tweegroep experimentele design (‘two-group experimental design’). Hierbij bestaan er slechts twee niveaus van de onafhankelijke variabele. In andere woorden; er zijn maar twee condities. Voor een experiment hebben we minimaal twee condities nodig, omdat we anders geen vergelijking kunnen maken tussen de respons van deelnemers in de verschillende condities. Alleen dan kunnen we bepalen in hoeverre de verschillen in niveaus van de onafhankelijke variabele hebben geleid tot verschillen in het gedrag van proefpersonen. Meestal maken wetenschappers gebruik van meer dan twee niveaus.

    Eenweg designs

    Er zijn drie soorten eenweg-designs: (1) gerandomiseerd groepsdesign, (2) gematchte subjectendesign en (3) herhaalde metingendesign.

    1. Gerandomiseerd groepsdesign (‘randomized groups design’): in dit geval worden deelnemers willekeurig toegewezen aan twee of meer condities.

    2. Gematchte subjectendesign (‘matched-subjects design’): hierbij worden deelnemers eerst in zogenaamde blokken gematcht. De gematchte paren worden ingedeeld op basis van een variabele waarvan de onderzoeker gelooft dat deze relevant is. Vervolgens worden alle deelnemers in elk blok willekeurig toegewezen aan één van de experimentele condities of de controleconditie.

    3. Herhaalde metingendesign (‘repeated measures design’/’within-subjects design’): bij dit design wordt een deelnemer toegewezen aan alle experimentele condities.

    Wat is het verschil tussen pretest en posttest metingen?

    Alle bovenstaande eenweg-designs vallen onder de categorie ‘posttest-only design’. Bij een posttest-only design wordt de afhankelijke variabele alleen na de experimentele manipulatie gemeten. Soms komt het echter voor dat de afhankelijke variabele twee keer wordt gemeten: één keer voor en één keer na manipulatie van de onafhankelijke variabele. In dit geval spreken we ook wel van een ‘pretest-posttest design’. Elk van de hierboven drie besproken designs kan worden omgezet in een pretest-posttest design, door er een voormeting aan toe te voegen.

    Een pretest-posttest design heeft drie voordelen ten opzichte van een posttest-only design:

    • Door de voortest kan de onderzoeker vaststellen of de proefpersonen al van elkaar verschilden op de afhankelijke variabele, voordat het onderzoek begon. Hij of zij kan hierdoor zien of de proefpersonen eerlijk verdeeld zijn over de condities.

    • Daarnaast kan de onderzoeker voor elke deelnemer vaststellen voor hoeveel verandering de onafhankelijke variabele heeft gezorgd, omdat de situatie voor en na de experimentele manipulatie kan worden vergeleken. Door de voormeting kan er dus een baseline worden opgesteld. Bij posttest-only designs kan er echter ook een baseline worde opgesteld, door middel van het gebruik van een controleconditie.

    • Tot slot hebben pretest-posttest designs meer power. Ze kunnen de effecten van de onafhankelijke variabelen op de afhankelijke variabele dus beter detecteren dan het posttest-only design dit kan. Dat komt doordat de variabiliteit van de scores al in de voormeting verwijderd kan worden. Dit verkleint de error variantie. Hoe kleiner de error variantie, hoe groter de power.

    Een nadeel van pretest-posttest metingen is dat het gebruik van een voortest voor ‘pretest sensitization’ kan zorgen. Het gebruik van een voortest kan ervoor zorgen dat mensen anders op de onafhankelijke variabele gaan reageren. Ze worden als het ware ontvankelijker of gevoeliger voor de afhankelijke variabele. Zelfs wanneer er geen sprake is van sensitisatie, kan de voortest de repsonsen beïnvloeden. De proefpersonen krijgen namelijk een ‘hint’ over het doel van het onderzoek of de verwachtingen van de onderzoeker. Hier kan vervolgens de bias van demand characteristics optreden; proefpersonen gaan zich gedragen naar de verwachtingen van de onderzoeker.

    Pretest-posttest designs zijn handig, maar niet noodzakelijk. Een posttest-only design geeft ook voldoende informatie over de veranderingen in respons na de manipulatie van de onafhankelijke variabelen.

    Hoe zien factoriele designs eruit?

    De verwachting van mensen kan invloed hebben op hun reacties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het placebo-effect.

    Een ander voorbeeld is dat mensen de verwachting hebben dat dure producten een betere kwaliteit hebben. Als we dit willen onderzoeken, hebben we te maken met twee factoren: (1) de prijs van het product en (2) of mensen een verwachting hebben met betrekking tot de effectiviteit van het product. Om deze hypothese te toetsen kunnen we geen eenwegdesign gebruiken, omdat we twee onafhankelijke variabelen hebben, namelijk (1) prijs en (2) verwachting. Een design waarbij twee of meer onafhankelijke variabelen worden gemanipuleerd wordt een factorieel design (‘factorial design’) genoemd.

    De onafhankelijke variabelen in een factorieel design worden factoren genoemd. Er kunnen in dit onderzoek bijvoorbeeld twee niveaus van de factor prijs gemaakt worden (korting en de volle prijs) en twee niveaus van de factor verwachting (lage en hoge verwachting). In totaal zijn er dan dus vier condities (twee per factor).

    Een eenweg-design heeft altijd maar één onafhankelijke variabele, een tweeweg (factorieel) design heeft twee onafhankelijke variabelen, een drieweg (factorieel) design heeft drie onafhankelijke variabelen, enzovoort. Hieronder wordt nog een aantal voorbeelden besproken:

    • Als gesproken wordt van een 2x2 factorieel design, dan betekent dit dat er sprake is van twee factoren met twee niveaus per variabele. In totaal zijn er dan dus vier condities.

    • Een 3x3 factorieel design heeft twee onafhankelijke variabelen, maar elke variabele heeft drie niveaus.

    • Een 2x4 factorieel design heeft ook twee onafhankelijke variabelen. De ene heeft hier twee niveaus, en de andere vier.

    • Een 2x2x3x3 factorieel design heeft vier factoren, twee hebben twee niveaus en twee hebben drie niveaus. Er zijn in totaal 2x2x3x3= 36 condities.

    Op welke manier worden proefpersonen toegewezen aan condities?

    Net zoals bij eenweg-designs kunnen factoriele designs ook een aantal vormen aannemen:

    • ‘Randomized groups factorial design’ (ook wel ‘completely randomized factorial design’ genoemd): deelnemers worden hierbij willekeurig verdeeld over de verschillende condities.

    • ‘Matched factorial design’: hierbij worden deelnemers eerst gematcht in blokken. Elk blok bevat net zo veel deelnemers als dat er condities zijn. In een 3x2 factorieel design zijn er zes experimentele condities. Daarom zullen de blokken hier uit zes proefpersonen bestaan. Net als bij de eenweg-designs, bestaat een match (blok) uit proefpersonen die overeenkomen op een variabele die volgens de onderzoeker invloed heeft op de afhankelijke variabele. Als de blokken zijn ingedeeld, worden de proefpersonen binnen elk blok random verdeeld over de condities. Het doel van het matched factorial design is om de proefpersonen zo eerlijk en precies mogelijk over de condities te verdelen.

    • ‘Repeated measures factorial design’: in dit geval neemt elke deelnemer deel aan alle condities. Bij kleine factoriële designs (zoals een 2x2 design) kan hiervan gebruikgemaakt worden, omdat er dan niet zo veel condities zijn. Bij grote factoriële designs is het echter niet handig om gebruik te maken van het repeated measuresdesign. Bij een 2x2x2x4 design zou elke proefpersoon bijvoorbeeld deel moeten nemen aan 32 condities! In zo’n geval zouden volgorde-effecten een groot probleem kunnen worden.

    • ‘Mixed factorial design’: omdat factoriele designs uit meer dan één factor bestaan, is het mogelijk om kenmerken van een gerandomiseerd groepsdesign en herhaalde metingen te combineren. Een design waarbij één of meer tussen-proefpersoon variabelen worden gecombineerd met één of meer binnen-proefpersoon variabelen, wordt een ‘mixed factorial design’, ‘between-within design’ of een ‘split-plot factorial design’ genoemd.

    Hoe worden hoofdeffecten en interacties bepaald?

    Het grote voordeel van factoriele designs is dat ze ons niet alleen informatie geven over de afzonderlijke effecten van elke onafhankelijke variabele, maar ook over de gecombineerde effecten van alle onafhankelijke variabelen samen. Dit laatste is niet mogelijk met een eenweg-design. Met een eenweg-design kunnen we de totale variantie in de respons van deelnemers opsplitsen in systematische variantie en error variantie. Met een factorieel design kunnen we echter ook onderzoeken of de spreiding (variantie) in de scores komt door (1) de effecten van alleen de onafhankelijke variabele, (2) de gecombineerde effecten van de onafhankelijke variabelen of (3) door error variantie. Factoriële desings geven ons dus een completer beeld van de invloed van meerdere variabelen, die onderling samenwerken op het gedrag van de proefpersonen.

    Hoofdeffecten

    Het effect van een afzonderlijke factor wordt in een factorieel design een hoofdeffect (‘main effect’) genoemd. Een hoofdeffect laat zien wat de invloed van één factor is. Hierbij worden de effecten van de andere factoren dus buiten beschouwing gelaten. Een factorieel design heeft evenveel hoofdeffecten als dat er factoren zijn. Elke factor heeft immers één hoofdeffect. In een 3x2x2x2 design zijn er dus vier hoofdeffecten. 

    Interactie

    Naast de hoofdeffecten van beide onafhankelijke variabelen is het ook mogelijk om het interactie-effect tussen de variabelen te berekenen. Een interactie is aanwezig wanneer het effect van de ene variabele verschilt op de verscheidene niveaus van de andere onafhankelijke variabele(n).

    Een factor kan een ander effect hebben op het ene niveau van een onafhankelijke variabele dan op een ander niveau van die onafhankelijke variabele. Als dit het geval is, dan zeggen we dat de variabelen interactie hebben. Stel dat we een factorieel design met twee factoren (A en B) hebben. Als het effect van A anders is bij een bepaald niveau van B, dan spreken we van een interactie. Als A hetzelfde effect heeft op de scores van deelnemers, ongeacht het niveau van factor B, dan kan er niet gesproken worden van een interactie.

    Wat zijn 'hogere orde-designs'?

    Tot nu toe is vooral gesproken over factoriële designs met maar twee factoren. Het kan echter ook zo zijn dat het onderzoek uit meer dan twee factoren bestaat. Maar hoe meer factoren er zijn, hoe complexer het onderzoek wordt en hoe moeilijker de resultaten te interpreteren zijn. Een tweeweg factorieel design met twee factoren geeft drie vormen van informatie: (1) het hoofdeffect van A (zonder B), (2) het hoofdeffect van B (zonder A) en (3) de interactie tussen A en B.

    Als we kiezen voor een drieweg factorieel design met drie factoren (A, B en C), dan kunnen we de hoofdeffecten voor A, B en C berekenen. Daarnaast kunnen we ook nog eens drie soorten interacties berekenen. Het gaat dan om de interactie tussen A en B (zonder C), de interactie tussen A en C (zonder B) en de interactie tussen B en C (zonder A).Tot slot geeft een drieweg factorieel design informatie over het gecombineerde effect van alle drie de factoren samen: A, B en C.

    In de praktijk maken onderzoekers maar zelden gebruik van meer dan drie factoren. Wanneer je meer dan drie factoren gebruikt, ontstaan er zo veel conclusies dat de onderzoeksresultaten erg onoverzichtelijk en dus moeilijk te interpreteren worden. Het is dus moeilijk om bruikbare conclusies uit het onderzoek te trekken, wanneer er te veel factoren zijn.

    Hoe kunnen variabelen gecombineerd worden?

    Het is al langer bekend dat gedrag het gevolg is van zowel situationele factoren als persoonlijkheidskenmerken. Om gedrag te begrijpen moet er dus naar beide factoren gekeken worden. Persoonlijkheidskenmerken worden ook wel subjectvariabelen genoemd. Voorbeelden zijn leeftijd, sekse, intelligentie, persoonlijkheid en attituden. Persoonlijkheidsfactoren hebben dus een specifiek effect op gedrag in combinatie met situationele factoren. Niet iedereen reageert immers op dezelfde manier op een situatie. Soms ontwerpen onderzoekers experimenten om de gecombineerde effecten van situationele factoren en subjectvariabelen te onderzoeken. Omgevingsfactoren worden in zo’n geval gemanipuleerd door de onderzoeker en de subjectvariabelen worden gemeten, en niet gemanipuleerd. Er is niet echt een specifieke naam voor zo’n onderzoek, maar de auteur van het boek noemt het een ‘expericorr factorial design’ of ‘mixed design’. De naam ‘expericorr’ is een combinatie van experiment en correlatie. Volgens de auteur heeft een dergelijk design namelijk kenmerken van een experimenteel onderzoek, maar ook van een correlationeel onderzoek. De experimentele kant zit hem erin dat de situationele factoren gemanipuleerd worden. Het correlationele deel komt doordat de relatie tussen de situationele factoren en de subjectvariabelen gemeten wordt.

    Een expericorr factorieel design wordt gebruikt om drie redenen:

    • Als eerst willen onderzoekers met zo’n design de algemeenheid van het effect van de onafhankelijke variabele analyseren. Proefpersonen met verschillende persoonlijkheden kunnen verschillend reageren op dezelfde situatie. Vandaar dat de manipulatie van bepaalde onafhankelijke variabelen alleen effect heeft op proefpersonen met bepaalde kenmerken. 
      Met een expericorr factorieel design kunnen onderzoekers uitzoeken of de effecten van een onafhankelijke variabele voorkomen bij alle deelnemers of bij alleen deelnemers met bepaalde persoonlijkheidskenmerken.

    • Daarnaast gebruiken onderzoekers een expericorr factorieel design, wanneer ze willen weten hoe bepaalde persoonlijkheidskenmerken leiden tot bepaald gedrag in verschillende situaties. Analyseren hoe mensen met een specifiek kenmerk reageren op condities, zegt niet per se iets over de manipulatie van de onafhankelijke variabele, maar wel iets over de persoonskenmerken (subjectvariabelen) van de proefpersonen. Het geeft dus geen informatie over de onafhankelijke variabele, maar wel over de persoonskenmerken van de deelnemer.

    • Door deelnemers op te splitsen in groepen op basis van een subjectvariabele kunnen onderzoekers ervoor zorgen dat deelnemers binnen de condities meer op elkaar lijken. De conditie wordt dan dus homogener. Dit zorgt ervoor dat de error variantie afneemt. Zoals eerder behandeld, stijgt de power wanneer de error variantie afneemt. Dat is hier ook het geval. Het onderzoek wordt gevoeliger voor het vaststellen van de effecten van de manipulatie van de onafhankelijke variabele.

    Groepen maken

    Wanneer onderzoekers gebruik maken van een expericorr factorieel design, ontwerpen ze vaak groepen waar proefpersonen met dezelfde subjectvariabele (bijvoorbeeld sekse) aan toegewezen worden. Vervolgens worden de proefpersonen binnen de groepen willekeurig verdeeld over de niveaus van de onafhankelijke variabele. Soms zijn wetenschappers geïnteresseerd in subjectvariabelen die een mediërende rol kunnen spelen.

    In dat geval kunnen ze gebruikmaken van de ‘median-split procedure’ en de ‘extreme groups-procedure’.

    • ‘Median-split procedure’: in dit geval stelt de onderzoeker de mediaan van de scores in een dataset vast. Zoals eerder uitgelegd, is de mediaan de middelste score van de dataset. Dit is de score die precies op het 50e percentiel valt. Het gaat bij deze verdeling om de scores op de subjectvariabele waarin de onderzoeker geïnteresseerd is. De onderzoeker zal de scores van de deelnemers onder de mediaan als laag bestempelen en de scores erboven als hoog bestempelen. Een variant op de median-split procedure is het opsplitsen van de dataset in drie of meer groepen, in plaats van twee (zoals bij de ‘normale’ median-split procedure).

    • ‘Extreme groups-procedure’: hierbij wordt deelnemers niet in twee groepen (‘hoog’ of ‘laag’) verdeeld op basis van de mediaan, maar doet de onderzoeker een voormeting bij zo veel mogelijk deelnemers. Vervolgens selecteert de onderzoeker deelnemers die extreem hoog of extreem laag scoren op de subjectvariabele waarin de onderzoeker in is geïnteresseerd.

    Kritiek

    Er is veel kritiek op zowel de extreme groups-procedure als de median-split procedure. Daarom worden beide procedures nog maar weinig gebruikt. Het belangrijkste kritiekpunt is dat de proefpersonen bij beide procedures in twee groepen verdeeld worden. Er wordt dus helemaal niet gekeken naar de spreiding in de scores. Er wordt dus als het ware waardevolle informatie weggegooid.

    Ook blijkt uit onderzoek dat het opsplitsen van mensen in twee groepen kan leiden tot foutieve onderzoeksresultaten (bias).

    Het is van belang dat onderzoekers op een voorzichtige manier uitspraken doen op basis van een expericorr factorieel design. De factoren kunnen worden gemanipuleerd. Daarom kunnen we wel zeggen dat de factoren bepaalde uitkomsten op de afhankelijke variabele hebben veroorzaakt. Het is in dat geval normaal om over causaliteit te spreken. Omdat we subjectvariabelen niet goed kunnen manipuleren, mogen we niet zeggen dat subjectvariabelen bepaalde uitkomsten hebben veroorzaakt.

    Als er een interactie bestaat tussen een factor en een subjectvariabele, dan kunnen we zeggen dat beide groepen anders hebben gereageerd op de factor. We kunnen echter niet zeggen dat lid zijn van de ene groep (bijvoorbeeld man of vrouw zijn) ervoor heeft gezorgd dat deelnemers anders reageren op de niveaus van de factor. We kunnen alleen zeggen dat de subjectvariabele een moderatorvariabele is. Een moderatorvariabele beïnvloedt hoe mensen op de onafhankelijke variabele reageren.

    Experimentele designs waarbij er slechts één onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd heten eenweg-designs (‘one way designs’). De meest simpele vorm van een eenweg design is het tweegroep experimentele design (‘two-group experimental design’). Hierbij bestaan er slechts twee niveaus van de onafhankelijke variabele. In andere woorden; er zijn maar twee condities. Voor een experiment hebben we minimaal twee condities nodig, omdat we anders geen vergelijking kunnen maken tussen de responsen van deelnemers in de verschillende condities. Alleen dan kunnen we bepalen in hoeverre de verschillen in niveaus van de onafhankelijke variabele hebben geleid tot verschillen in het gedrag van proefpersonen. Meestal maken wetenschappers gebruik van meer dan twee niveaus.

    Access: 
    Public
    Op welke manier wordt experimentele data geanalyseerd? - Chapter 11

    Op welke manier wordt experimentele data geanalyseerd? - Chapter 11

    Welke rol speelt systematische variantie in analyse?

    Wetenschappers moeten statistische analyses uitvoeren om hun onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Na de uitvoering van het experiment, moet de onderzoeker bepalen of de gemanipuleerde onafhankelijke variabele het voorspelde effect heeft gehad op de afhankelijke variabele. Over het algemeen kunnen we zien of dit het geval is door te bepalen of de totale variantie in de data systematische variantie bevat, als gevolg van de manipulatie. Als systematische variantie aanwezig is, zijn de gemiddelden van de verschillende experimentele groepen verschillend. We kunnen dus bepalen of er sprake is van systematische variantie, door de gemiddelden van de experimentele groepen te vergelijken. Verschillen in gemiddelden komen doordat de manipulatie van de onafhankelijke variabele ervoor heeft gezorgd dat de groepen verschillend scoren. Wanneer de groepen verschillend scoren, is er sprake van systematische variantie. De manipulatie van de onafhankelijke variabelen heeft dan immers effect gehad op de scores op de afhankelijke variabele. Als er echter geen verschil in de groepsgemiddelden bestaat, dan is er geen sprake van systematische variantie en heeft de onafhankelijke variabele geen effect gehad.

    Welke rol spelen error variantie en groepsgemiddelden in analyse?

    De gemiddelden van de condities kunnen echter van elkaar verschillen zonder dat de onafhankelijke variabele effect heeft gehad. Daarom is alleen maar kijken naar de gemiddelden van de groepen niet helemaal een goede methode voor het ontdekken van de systematische variantie. Verschillen in gemiddelden kunnen bijvoorbeeld ontstaan doordat de twee variabelen (x en y) samen variëren of samen verschillen op een andere variabele (z) (een ‘confounding variable’). Hierdoor kan het lijken alsof de twee gemiddelden verschillen, en er dus sprake is van systematische variantie, terwijl dit niet zo hoeft te zijn. Ook kan het door een confounding variable lijken alsof de twee gemiddelden niet verschillen, en er dus geen sprake is van systematische variantie, terwijl dit wel zo is.

    Zelfs al is er geen sprake van een confounding variable, dan zijn verschillen tussen de gemiddelden van de condities van nature alsnog vaak aanwezig. Het is bijna niet mogelijk dat mensen in verschillende condities precies hetzelfde gemiddelde hebben. Dit kan toevallig zijn. Het hoeft dus niet altijd veroorzaakt te worden door de manipulatie van de onafhankelijke variabele. Kleine verschillen in groepsgemiddelden zijn het gevolg van error variantie. Het gaat hierbij om variabelen die invloed op het gedrag van deelnemers hebben, zoals stemming en persoonlijkheidskenmerken. Kortom, de groepsgemiddelden verschillen altijd in bepaalde mate. Hoe kunnen we er dan toch achter komen of het verschil in groepsgemiddelden het gevolg is van de onafhankelijke variabele of van error variantie? Dit kunnen we uitzoeken door middel van inferentiële statistiek.

    Wat is de functie van inferentiële statistiek?

    Er is een manier om uit te zoeken of het verschil in groepsgemiddelden het gevolg is van error variantie of van systematische variantie. Hier kunnen we namelijk achter komen door middel van een inferentiële statistiek. Deze methode gaat er vanuit dat de onafhankelijke variabele effect heeft gehad, wanneer het verschil tussen de gemiddelden van de condities groter is dan dat we zouden verwachten op basis van alleen error variantie. We vergelijken daarom de groepsgemiddelden die we gevonden hebben met de groepsgemiddelden die we verwachtten te vinden als er alleen sprake zou zijn van error variantie. Deze methode geeft helaas geen zekerheid. We kunnen alleen de kans vaststellen dat de verschillen in groepsgemiddelden het gevolg zijn van error variantie.

    Hoe werkt het toetsen van hypothesen?

    Wetenschappers proberen hun onderzoekshypotheses te toetsen door de verschillende groepsgemiddelden te analyseren. Eerst formuleren ze een nulhypothese. Deze hypothese stelt dat de onafhankelijke variabele geen effect heeft gehad op de afhankelijke variabele. De experimentele hypothese staat hier vaak tegenover. Deze stelt dat de onafhankelijke variabele wel effect heeft op de afhankelijke variabele. De experimentele hypothese kan geen richting (‘nondirectional’) of wel een richting (‘directional’) aangeven. Een directionele experimentele hypothese (met een richting) wordt eenzijdig genoemd. Hierbij geeft de onderzoeker namelijk al aan of hij verwacht of de onafhankelijk variabele zorgt voor een stijging of daling in de afhankelijke variabele. Wanneer een onderzoeker geen vermoeden heeft over de richting van een effect, dan voert hij of zij een tweezijdige toets uit. Hierbij geeft de onderzoeker geen richting aan. Dit is dus een niet-directionele hypothese. Op basis van statistische analyses kan de nulhypothese verworpen (‘rejecting the null hypotheses’) of behouden (‘failing to reject the null hypothesis’) worden.

    Het verwerpen van de nulhypothese betekent dat de onafhankelijke variabele effect heeft gehad. Het verwerpen van de nulhypothese houdt namelijk in dat je stelt dat de nulhypothese niet waar is. De nulhypothese stelt dat er geen verschil is tussen de gemiddelden. Door de nulhypothese te verwerpen, geef je aan dat er wel verschil is tussen de gemiddelden. De onafhankelijke variabele heeft dan dus effect gehad, en er is sprake van systematische variantie. Bij het verwerpen van de nulhypothese is het verschil in de groepsgemiddelden groter dan wat we zouden verwachten op basis van alleen de error variantie. Als de nulhypothese behouden wordt, dan betekent dit dat de onafhankelijke variabele geen effect heeft gehad op de afhankelijke variabele. In dit geval zijn verschillen in groepsgemiddelden niet het resultaat van de onafhankelijke variabele, maar van error variantie. De groepsgemiddelden verschillen dan niet meer dan dat we op basis van de error variantie zouden verwachten.

    Type-I en type-II-fouten

    Wanneer de onderzoeksdata statistisch geanalyseerd wordt, zijn er vier mogelijkheden denkbaar.

    1. Correct besluit: de nulhypothese is onjuist, en de onderzoeker verwerpt hem.

    2. Correct besluit: de nulhypothese is juist, en de onderzoeker behoudt hem.

    3. Type-I-fout: de nulhypothese is juist, maar de onderzoeker verwerpt hem. De onderzoeker denkt dus ten onrechte dat de onafhankelijke variabele effect heeft gehad. De kans om een type I fout te maken wordt het alfaniveau genoemd. In de meeste gevallen gebruiken onderzoekers een alfaniveau van 5%. Dit betekent dat ze de nulhypothese verwerpen wanneer er 5% kans is dat de gevonden verschillen tussen de groepsgemiddelden het gevolg zijn van error variantie. Op deze manier is er maar 5% kans dat ze het bij het verkeerde eind hebben. Soms hanteren wetenschappers een strenger alfaniveau, namelijk een alfa van 1%. Ze hebben dan maar 1% kans om een type I fout te maken.
      Het verschil tussen de groepsgemiddelden wordt als statistisch significant bestempeld wanneer we de nulhypothese verwerpen met een lage kans op een type-I-fout. Een statistisch significant resultaat is een resultaat waarvan we weten dat er maar een kleine kans is (vaak kleiner of gelijk aan 5%) dat deze het gevolg is van error variantie.

    4. Type-II-fout: de nulhypothese is onjuist, maar de onderzoeker behoudt deze toch. De onderzoeker stelt dus dat de onafhankelijke variabele geen effect heeft gehad, terwijl dat in werkelijkheid wel zo was. De kans op een type-II-fout wordt bèta genoemd. Het onbetrouwbaar meten van de afhankelijke variabele verhoogt de bèta. Effecten die in werkelijkheid wel bestaan, worden met een onbetrouwbare meting namelijk niet opgemerkt. Dit leidt tot een grotere kans op een type-II-fout, dus een grotere bèta. Ook kunnen fouten in het verzamelen en coderen van responsen, extreem heterogene steekproeven en slechte experimentele controle leiden tot een grotere bèta. Om de kans op een type-II-fout te verkleinen, proberen wetenschappers experimenten te ontwerpen die veel power hebben. Power is de kans dat een onderzoek de nulhypothese afwijst als de nulhypothese ook echt niet blijkt te kloppen. In andere woorden; power is de mate waarin het effect van de manipulatie door de onafhankelijke variabele wordt ontdekt. Hoe meer deelnemers er zijn, hoe groter de kans wordt dat bestaande effecten ook echt worden opgemerkt. Om vast te stellen hoeveel mensen nodig zijn om bestaande effecten vast te stellen, wordt een poweranalyse uitgevoerd. Onderzoekers willen vaak minimaal een power van .80. Dit betekent dat het onderzoek 80% kans heeft om een effect op te merken als dit ook daadwerkelijk bestaat. Onderzoekers gaan over het algemeen niet voor een power van .99, omdat hier extreem veel proefpersonen voor nodig zijn.

    Effectgrootte

    Als een onderzoeker concludeert dat de onafhankelijke variabele effect heeft gehad, dan wil hij of zij vaak ook nog weten hoe groot het effect van de gemeten onafhankelijke variabele is. Dit bepalen ze door een effectgrootte (‘effect size’) te berekenen. De effectgrootte is de proportie van de variabiliteit van de afhankelijke variabele, die wordt veroorzaakt door de manipulatie van de onafhankelijke variabele. Bij een factorieel ontwerp – dat wil zeggen, experimenten met meer dan één onafhankelijke variabele – kan er een effectgrootte worden berekend voor elke geteste onafhankelijke variabele. Effectgroottes liggen tussen de .00 en 1.00. Een effectgrootte van 1.00 zegt dat 100% van de variantie in de afhankelijke variabele wordt verklaard door de onafhankelijke variabele. Een effectgrootte van .00 zegt juist dat er geen enkele variantie in de afhankelijke variabele wordt verklaard door de onafhankelijke variabele. Twee bekende effectgrootte maten zijn eta-squared en omega-squared.

    De t-test

    Om te toetsen of verschillen in groepsgemiddelden statistisch significant zijn, kunnen t- en F-toetsen gebruikt worden. Zowel bij de t- als bij de F-toets worden de gevonden groepsgemiddelden vergeleken met de groepsgemiddelden die we zouden verwachten als de resultaten alleen veroorzaakt zouden worden door error variantie. In dit deel gaan we het hebben over de t-toets. Een t-test wordt gebruikt om een twee groepen gerandomiseerd groepsexperiment (‘two-group randomized groups experiment’) te analyseren.

    Het uitvoeren van een t-test gaat in vijf stappen:

    • Stap 1: Bereken de gemiddelden van de twee groepen. Deze gemiddelden noemen we ²1 en ²2.

    • Stap 2: Bereken de standaardfout voor het verschil tussen de twee gemiddelden. Op basis van dit getal kunnen we zien welke groepsgemiddelden we zouden moeten vinden als de data alleen beïnvloed zouden zijn door error variantie. Om de standaardfout te vinden, moeten we eerst de varianties van de twee experimentele groepen berekenen.
      De variantie wordt voor elke conditie als volgt berekend: s²= Σ²i – [(Σi)²/n]/n-1. Bereken deze variantie voor elke conditie. Hier moet hij twee keer berekend worden, namelijk voor conditie 1 en conditie 2. Vervolgens moet de gepoolde variantie berekend worden: s²p = (n1-1) s²1 + (n2-1) s²2 / n1 + n2 -2. In deze formule zijn n1 en n2 de steekproefgroottes voor beide condities en zijn s²1 en s²2 de varianties van beide steekproeven. Tot slot moet de wortel getrokken worden uit de gepoolde variantie. Dit leidt tot de gepoolde standaarddeviatie: sp. Zoals eerder besproken, is de wortel van de variantie immers (s²) gelijk aan de standaarddeviatie (s).

    • Stap 3: Stel de waarde van t vast. Op basis van de berekende groepsgemiddelden, de gepoolde standaarddeviatie en de steekproefgroottes kan de t-statistiek berekend worden. Bereken daarvoor eerst ²1 - ²2. Vermenigvuldig de gepoolde standaarddeviatie (sp) met de wortel uit 1/n1 + 1/ n2. Deel vervolgens ²1 - ²2 door het antwoord op deze laatste som.

    • Stap 4: Stel de kritische waarde (‘critical value’) van t vast. Om de kritische waarde vast te stellen, moeten twee stappen doorlopen worden. Als eerste moeten de vrijheidsgraden voor de t-toets worden uitgerekend. De vrijheidsgraden (df) staan gelijk aan het totaal aantal deelnemers min twee; (n1 + n2 -2). Vervolgens (2) moet het alfaniveau voor de test worden vastgesteld. Vaak wordt gekozen voor een alfa van .05. Een alfa van .01 komt ook vaak voor.

    • Stap 5: Bepaal of de nulhypothese moet worden verworpen. Doe dit door de berekende t te vergelijken met de kritische waarde van t. vergelijk dus het antwoord van stap 3 met het antwoord van stap 4. Deze vergelijking kun je uitvoeren door gebruik te maken van de t-tabel.

    Gepaarde t-test

    Een gepaarde t-toets (‘paired t-test’) wordt gebruikt wanneer er sprake is van een gematcht ontwerp of van herhaalde metingen. Bij de gepaarde t-toets wordt er rekening mee gehouden dat de deelnemers in de twee condities op elkaar lijken.

    Bij een gemacht ontwerp worden tenslotte paren van deelnemers gevormd die op elkaar lijken. Bij herhaalde metingen doen dezelfde deelnemers mee aan alle condities. Daarom zouden gematchte scores in de twee condities positief gecorreleerd moeten zijn. Dit geldt ook voor het herhaalde metingen design: deelnemers die hoog scoren op de ene conditie zouden ook hoog moeten scoren op de andere conditie. De gepaarde t-toets maakt dan ook gebruik van deze positieve correlaties om t te berekenen. In de gepaarde t-toets wordt de error variantie automatisch verminderd. Dit komt doordat er gebruik gemaakt wordt van gematchte groepen proefpersonen. De proefpersonen lijken in beide genoemde designs op elkaar, of zijn zelfs hetzelfde. Dit leidt tot een test met meer power: als de onafhankelijke variabele daadwerkelijk effect heeft, dan blijkt dit ook uit de test. Hoe minder error variantie er namelijk is, hoe groter de power van het experiment. De hoge power zorgt ervoor dat de gepoolde standaarddeviatie (sp) kleiner wordt. Het kleiner worden van de gepoolde standaarddeviatie leidt weer tot een grotere t-waarde.

    Wat zijn voor- en nadelen van computeranalyses?

    Vroeger werden statistische analyses allemaal met de hand uitgevoerd. Tegenwoordig zijn computerprogramma’s ontwikkeld die onderzoekshypotheses snel en accuraat kunnen toetsen. We moeten er wel rekening mee houden dat het voor kan komen dat data foutief worden ingevoerd. De accurate statistische analyses kunnen dit niet compenseren. Onderzoekers die data invoeren moeten dus zeer voorzichtig en accuraat zijn. Dit kan er dus alsnog voor zorgen dat de statistische analyse een tijdrovend proces kan zijn. Ook is het zo dat tegenwoordig bijna iedereen allerlei statistische analyses kan uitvoeren met de computer. Echter, niet iedereen begrijpt iets van deze statistische analyses en de uitkomsten daarvan (die de computerprogramma’s opleveren). Dit kan leiden tot foutieve interpretaties en conclusies. Onderzoekers moeten daarom alleen onderzoeken uitvoeren die ze zelf ook echt begrijpen, zodat ze genoeg inzicht hebben in de conclusies uit de resultaten, die het statistisch onderzoek met de computer oplevert.

    Wetenschappers moeten statistische analyses uitvoeren om hun onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Na de uitvoering van het experiment, moet de onderzoeker bepalen of de gemanipuleerde onafhankelijke variabele het voorspelde effect heeft gehad op de afhankelijke variabele. Over het algemeen kunnen we zien of dit het geval is door te bepalen of de totale variantie in de data systematische variantie bevat, als gevolg van de manipulatie. Als systematische variantie aanwezig is, zijn de gemiddelden van de verschillende experimentele groepen verschillend. We kunnen dus bepalen of er sprake is van systematische variantie, door de gemiddelden van de experimentele groepen te vergelijken. Verschillen in gemiddelden komen doordat de manipulatie van de onafhankelijke variabele ervoor heeft gezorgd dat de groepen verschillend scoren. Wanneer de groepen verschillend scoren, is er sprake van systematische variantie. De manipulatie van de onafhankelijke variabelen heeft dan immers effect gehad op de scores op de afhankelijke variabele. Als er echter geen verschil in de groepsgemiddelden bestaat, dan is er geen sprake van systematische variantie en heeft de onafhankelijke variabele geen effect gehad.

    Access: 
    Public
    Hoe gaat de analyse van complexe designs in zijn werk? - Chapter 12

    Hoe gaat de analyse van complexe designs in zijn werk? - Chapter 12

    Wat is een Type-I-fout?

    Als we meer dan twee groepen willen onderzoeken, dan moeten we al gauw veel afzonderlijke t-testen uitvoeren. Het probleem hierbij is dat de kans op een type-I-fout toeneemt, wanneer we meer t-toetsen uitvoeren. Een type-I-fout is de kans dat we de nulhypothese verwerpen, terwijl deze in werkelijkheid wel waar is. Als we één t-toets uitvoeren, dan is de kans op een type-I-fout 5%, maar hoe meer testen we uitvoeren, hoe hoger dit percentage wordt. Onderzoekers proberen de kans op een type-I-fout zo klein mogelijk houden. Dit doen ze door een strenger alfaniveau te hanteren. Dit kan onder andere door gebruik te maken van de Bonferroni-aanpassing (‘Bonferroni adjustment’). Hierbij wordt de alfa (vaak 5%) gedeeld door het aantal t-testen dat uitgevoerd moet worden. Als we bijvoorbeeld tien t-testen willen uitvoeren, dan moeten we een alfa van (0.05 / 10 = ) .005 gebruiken, in plaats van een alfa van .05. Het probleem is echter, dat door het gebruik van de Bonferroni-aanpassing de kans op een type-II-fout toeneemt. Zoals in eerdere hoofdstukken is uitgelegd, is de type-II-fout de kans dat de nulhypothese wordt behouden, terwijl deze in werkelijkheid niet juist is. De kans dat de t-toets effecten mist die eigenlijk wel aanwezig waren, wordt groter door het toepassen van de Bonferroni-aanpassing. Dit komt doordat het alfaniveau zo laag is.

    Om deze reden wordt ANOVA (‘analysis of variance’) geprefereerd boven de Bonferonni aanpassing. ANOVA wordt gebruikt voor designs die meer dan twee condities bevatten. Deze analyse is niet tijdrovend, omdat alle groepsgemiddelden tegelijkertijd geanalyseerd kunnen worden. ANOVA bepaalt of er een statistisch significant verschil bestaat tussen een set van groepsgemiddelden, welke groepsgemiddelden dit ook mogen zijn. De kans op een type-I-fout neemt niet toe door een ANOVA-toets uit te voeren.

    Wanneer en hoe wordt ANOVA gebruikt?

    Wanneer een onafhankelijke variabele geen effect heeft, dan zijn verschillen in groepsgemiddelden slechts het gevolg van error variantie. Als de onafhankelijke variabele wel effect heeft, dan zouden de verschillen in groepsgemiddelden groter zijn dan verwacht zou worden op basis van alleen de error variantie. We zouden dan moeten vinden dat de spreiding tussen de condities (de tussengroepsvariantie) groter is dan de variantie binnen de condities (de binnengroepsvariantie). ANOVA is gebaseerd op de F-toets. Deze toets wordt berekend om de variantie tussen condities (‘between-groups variance’) te vergelijken met de variantie binnen condities (‘within-groups variance’ / ‘error variance’). We kunnen de kans inschatten dat de verschillen tussen de conditiegemiddelden het gevolg zijn van error variantie door deze F-ratio te toetsen.

    De werking van ANOVA

    Zoals eerder beschreven, kan de totale variantie van een dataset verdeeld worden in systematische variantie en error variantie. In formulevorm is dat: totale variantie = systematische variantie + error variantie. In een eenweg design wordt ANOVA gebruikt om de totale variantie in de genoemde componenten op te splitsen.

    • De ‘sum of squares’ (SS) staat voor de totale hoeveelheid spreiding in een dataset. De ‘total sum of squares’ wordt berekend door (1) van elke score het gemiddelde af te trekken, (2) deze verschillen te kwadrateren en (3) de gekwadrateerde verschillen op te tellen. De formule is: SStotal = Σ(xi - )² .

    • SStotal staat voor de totale spreiding in een dataset. Deze spreiding wordt opgedeeld in (1) ‘sum of squares between-groups’ (de tussengroeps sum of squares, oftewel SSbg) en (2) ‘sum of squares within-groups’; (de binnengroeps sum of squares, oftewel SSwg) . 

    • Om de ‘sum of squares within-groups’ (SSwg ) te berekenen, moet eerst de spreiding binnen elke afzonderlijke conditie berekend worden. Vervolgens moeten al deze gegevens opgeteld worden. Kortom: SSwg = Σ(x1 - 1)² + (x2 - 2)² + …+ (xk - k)² .
      De SSwg is een meting van de error variantie om verschillende redenen. Binnen elke conditie ervaren alle proefpersonen de onafhankelijke variabele in dezelfde mate. Daarom zou de gevonden spreiding binnen elke specifieke conditie niet het gevolg kunnen zijn van de onafhankelijke variabele. Het is dus duidelijk dat de onafhankelijke variabele niet voor de spreiding heeft gezorgd. Er kan dus geen sprake zijn van systematische variantie. Daarom kunnen we vaststellen dat er sprake is van error variantie. SSwg wordt groter naarmate er meer condities zijn. Om toch een beeld te krijgen van de gemiddelde spreiding binnen de experimentele condities, delen we SSwg door n-k. N staat hierbij voor het totaal aantal deelnemers. K staat voor het aantal condities. We noemen n-k ook wel de ‘vrijheidsgraden’ van de spreiding binnen de groepen (‘within-groups degrees of freedom’) en korten deze af met dfwg. Deze vrijheidsgraden rekenen we eerst uit. Vervolgens delen we SSwg door deze vrijheidsgraden. Het resultaat noemen we ‘mean square within-groups’. Kortom; MSwg = SSwg/dfwg. De uitkomst geeft ons een idee van de error variantie. De tussengroepsvariantie (within-groups variance) is hetzelfde als de error variantie.

    • De ‘sum of squares between-groups’ (ook wel ‘sum of squares for treatment’) staat voor de variantie die ontstaat als gevolg van de manipulatie van de onafhankelijke variabele. De berekening van ssbg is gebaseerd op het idee dat alle groepsgemiddelden ongeveer gelijk zouden moeten zijn als de onafhankelijke variabele geen effect gehad zou hebben. Elk groepsgemiddelde zou dan ook bijna gelijk moeten zijn aan het gemiddelde van alle groepen samen (het groot gemiddelde, oftewel de ‘grand mean’). Als de onafhankelijke variabele echter effect heeft, dan zouden de groepsgemiddelden moeten verschillen van het groot gemiddelde. Om ssbg te berekenen, gebruiken we de volgende formule:
      ssbg = n1 (1 - GM)² + n2 (2 - GM)² + … + nk (k - GM)². In deze formule staat GM voor het groot gemiddelde. Ook bij SSbg hoort een berekening van de vrijheidsgraden (‘between-groups degrees of freedom’). De formule van deze vrijheidsgraden is k-1. K staat ook hier voor het aantal condities. Om de ‘mean square between-groups’ MSbg te vinden, maken we gebruik van de volgende formule: MSbg = SSbg / dfbg.

    De F-toets

    We verwachten altijd een verschil tussen de groepsgemiddelden te vinden. Wat we echter niet weten, is of de verschillen tussen de groepsgemiddelden groter zijn dan we zouden verwachten op basis van alleen de error variantie. Onderzoekers willen dit graag wel weten. Om hierachter te komen, voeren ze een F-toets uit.

    De F-waarde vinden we als volgt: F= MSbg/ MSwg. Als de onafhankelijke variabele geen effect heeft gehad, dan liggen de teller en de noemer niet heel ver van elkaar af. De F-waarde zal dan rond de 1.00 liggen. Als de onafhankelijke variabele echter wel effect heeft, dan zou MSbg relatief groot moeten zijn. De vraag is echter hoe groot het verschil moet zijn om van een significant verschil te kunnen spreken. Om hierachter te komen, moeten we de kritische waarde van F vinden in de F-tabel. Om deze waarde te vinden, moeten we (1) eerst een alfaniveau vaststellen (vaak is die alfawaarde .05). Vervolgens (2) berekenen we de vrijheidsgraden voor tussen de groepen (dfbg) en tot slot (3) berekenen we de vrijheidsgraden voor binnen de groepen (dfwg). Als de gevonden F-waarde groter is dan de F-waarde in de tabel, mogen we de nulhypothese verwerpen. Het verwerpen van de nulhypothese houdt in dat we kunnen vaststellen dat minstens één van de groepsgemiddelden verschilt van een ander groepsgemiddelde, of van meerdere andere groepsgemiddelden.

    Uitbreiding van ANOVA tot factoriële designs

    Ook in een eenweg-ANOVA kan de totale variantie opgedeeld worden in systematische variantie en error variantie. Deze soorten variantie worden ook wel aangeduid met between-groups en within-groups variantie. Hierbij is between-groups variantie hetzelfde als systematische variantie. Within-groups variantie is hetzelfde als error variantie. In een formule ziet het er als volgt uit: SStotaal = SSbg +SSwg.

    In een ANOVA met meer dan 1 onafhankelijke variabele, kan de systematische variantie nog verder worden opgedeeld in subgroepen. Bijvoorbeeld de variabelen A en B. We kunnen hiervan de sum of squares (SS) en de mean square berekenen (MS) berekenen.

    Samengenomen bestaat het totaal nu uit vier groepen, namelijk:

    1. De error variantie.

    2. Het hoofdeffect van variabele A (SSA en MSA).

    3. Het hoofdeffect van variabele B (SSB en MSB).

    4. De interactievariabele tussen A en B (AxB).

    In schema ziet dit er als volgt uit: SStotaal = SSA+ SSB + SSAxB+ SSwg.

    Dit houdt in dat er geen andere invloed op het totaal kan bestaan, naast de effecten van variabele A, B, AxB of de error.

    Voor het berekenen van de systematische variantie die door de onafhankelijke variabele A is veroorzaakt (SSA) moeten we variabele B in dit voorbeeld negeren. We berekenen hier alleen de between-group variantie voor variabele A (SSbg). Als de onafhankelijke variabele (A) geen effect heeft, verwachten we dat de gemiddelden voor de verschillende condities van A ongeveer gelijk zijn aan het gemiddelde van het alle groepen samen, ook wel grand mean of het groot gemiddelde genoemd (GR). Wanneer de gemiddelden in de condities van de variabele A echter groter zijn dan de gemiddelden van de andere condities, dan zouden deze gemiddelden moeten verschillen van het groot gemiddelde.

    In schema kunnen we SSA op de volgende manier berekenen:

    SSA = n a1 (a1- GM)² + n a2(a2-GM)² + ……+ n aj(bk-GM)²

    In deze formule wordt het groot gemiddelde (GM) steeds van het gemiddelde van elke conditie (aj) afgetrokken. Vervolgens wordt het antwoord op die som gekwadrateerd. Ten slotte worden de gekwadrateerde antwoorden opgeteld. Door simpelweg de A (conditie A) in de formule te vervangen door B (conditie B), geldt de formule ook voor SSB . De formule wordt dan: SSB = n b1 (b1- GM) ²+… etc.

    Wanneer we de antwoorden op deze formules delen door het aantal vrijheidsgraden (‘degrees of freedom’, oftewel DF), dan krijgen we de mean square (MS) voor de betreffende variabele. Het aantal vrijheidsgraden kun je op de volgende manier vinden: het aantal condities van betreffende variabele -1.

    Bijvoorbeeld: MSA= n a1 (a1- GM)² + n a2(a2-GM)² + ……+ n aj(bk -GM)² / DFA .

    DFA: aantal condities in A-1

    Als de variantie in de uitkomsten van de deelnemers toegewezen kan worden aan de hoofdeffecten A en B en er geen interactie is, dan ziet de formule er als volgt uit: SStotaal = SSA+ SSB + SSwg.

    Het kan echter ook voorkomen dat de optelsom van SSA,SSB en SSwg samen lager uitkomt dan het totaal (SStotaal). In dat geval is er sprake van een interactie tussen de variabelen (AxB). De interactie kan dan ook berekend worden door SSA,SSB en SSwg van het totaal af te trekken. In formulevorm is dit: SSAxB (interactie) = SStotaal - (SSA+ SSB + SSwg)

    F- toets 

    F- toets berekenen in een factorieel design ( bijvoorbeeld bij een 2x2 design):

    FA = MSA/ MSwg

    FB = MSB/ MSwg

    FAxB = MS AxB/ MSwg

    Een F- toets is statistisch significant (F>F*= SS), wanneer de berekende F waarde groter is dan de kritische waarde. Als dit het geval is, dan weten we dat in elk geval één van de groepsgemiddelden verschilt van de andere gemiddelden. Om de resultaten goed te kunnen interpreteren, worden eerst de gemiddelden voor de significante effecten berekend. Als het hoofdeffect van A bijvoorbeeld significant is, moet de gemiddelden van de andere condities van A worden berekend. Variabele B wordt in die berekening buiten beschouwing gelaten.

    Er hoeft bij een significant resultaat niet verder te worden getest, wanneer een onafhankelijke variabele maximaal twee condities heeft. De significante F-toets geeft namelijk aan dat twee gemiddelden significant verschillen. Het komt echter ook voor dat een onafhankelijke variabele drie of meer condities heeft. Een significant resultaat geeft dan aan dat er een significant verschil is tussen ten minste twee conditiegemiddelden, maar het geeft niet precies aan welke gemiddelden dit zijn. Wanneer hier sprake van is, wordt een follow-up test gebruikt. Follow-up test worden ook wel ‘post-hoc tests’ of ‘multiple comparisons’ genoemd. De meest gebruikte zijn: LSD (Least Significant Differences) test, Tukey’s test en de Newman-Keuls test. Ze dienen te bepalen welk conditiegemiddelde verschilt van de anderen, nadat er met een F-toets is vastgesteld dat er conditiegemiddelden zijn die van elkaar verschillen. Een follow-up test mag alleen gebruikt worden, wanneer de vooraf berekende F-toets significant is. Als een F-toets niet significant is, zijn er immers geen verschillen tussen de gemiddelden gevonden. De H0 is dan aangenomen.

    Interacties

    Wanneer een interactie is gevonden (AxB), dan weten we dat er sprake is van een simple main effect. Een simple main effect is het effect van de ene onafhankelijke variabele op een bepaald niveau van een andere onafhankelijke variabele. In andere woorden: het is een hoofdeffect dat kenbaar is op een bepaald level van de andere variabele. De vier simple main effecten in en 2x2 design zijn:

    • Een simple main effect van A op B1

    • Een simple main effect van A op B2

    • Een simple main effect van B op A1

    • Een simple main effect van B op A2

    Het testen van simple main effect laat ons zien welke conditiegemiddelden binnen de interactie precies van elkaar verschillen. Een simple main effect kan dus alleen worden berekend als er is vastgesteld dat er sprake is van een interactie.

    Waarin verschilt MANOVA van ANOVA?

    Soms willen onderzoekers de verschillen tussen condities van verschillende afhankelijke variabelen tegelijkertijd testen. T-toetsen en ANOVA-analyses kunnen alleen uitgevoerd worden als er sprake is van slechts één afhankelijke variabele. MANOVA (‘multivariate analysis of variance’) wordt gebruikt om de effecten van twee of meer condities op twee of meer afhankelijke variabelen te toetsen. De vraag is natuurlijk waarom we niet twee ANOVA’s uitvoeren voor beide afhankelijke variabelen afzonderlijk. Dit heeft twee redenen:

    • Soms hangen de gemeten afhankelijke variabelen met elkaar samen. Ze kunnen bijvoorbeeld onderdeel zijn van een algemeen construct. In zo’n geval kan een onderzoeker van mening zijn dat het beter is om de variabelen als een set te analyseren, in plaats van afzonderlijk.

    • Hoe meer testen er worden uitgevoerd, hoe groter de kans op een type-I-fout wordt. Om deze reden voeren we liever een ANOVA uit dan meerdere t-toetsen. Het is echter ook zo dat de kans op type-I-fouten groter wordt wanneer we t-testen of ANOVA’s uitvoeren op meerdere afhankelijke variabelen. Hoe meer afhankelijke variabelen we bestuderen, hoe groter de kans dat we significante verschillen vinden die het gevolg zijn van een type-I-fout in plaats het gevolg van de onafhankelijke variabele. Omdat MANOVA tegelijkertijd de verschillen tussen groepsgemiddelden over meerdere afhankelijke variabelen meet, blijft de alfa 5%. De kans op een type-I-fout neemt hierbij dan ook niet toe.

    De werking van MANOVA

    MANOVA werkt met een nieuwe variabele. Deze variabele wordt een ‘canonical variable’ genoemd. De canonical variable is een soort gewogen optelsom van de variantie in alle afhankelijke variabelen in het onderzoek. Het geeft ons dus een overzichtelijk beeld van de variabele waarin we geïnteresseerd zijn. Vervolgens wordt tijdens MANOVA een multivariate versie van de F-toets uitgevoerd. Hiermee kunnen we vaststellen of de scores van deelnemers op de variabele waarin we geïnteresseerd zijn, verschillen op basis van de experimentele condities.

    Als de multivariate F-toets significant is, kunnen we concluderen dat de experimentele manipulatie de set van afhankelijke variabelen als geheel heeft beïnvloed. MANOVA wordt gebruikt om de kans op een type-I-fout te verkleinen. Een significante multivariate F-toets zorgt er hierbij voor dat de onderzoeker afzonderlijke ANOVA’s kan uitvoeren voor elke variabele. MANOVA laat namelijk zien dat de groepen op iets (dus op één van de afhankelijke variabelen) verschillen. Om te zien waar deze verschillen nou precies liggen, moeten er echter extra testen worden uitgevoerd. Als MANOVA niet significant is, dan is het riskant om afzonderlijke ANOVA’s per afhankelijke variabele uit te voeren.

    Als we meer dan twee groepen willen onderzoeken, dan moeten we al gauw veel afzonderlijke t-testen uitvoeren. Het probleem hierbij is dat de kans op een type-I-fout toeneemt, wanneer we meer t-toetsen uitvoeren. Een type-I-fout is de kans dat we de nulhypothese verwerpen, terwijl deze in werkelijkheid wel waar is. Als we één t-toets uitvoeren, dan is de kans op een type-I-fout 5%, maar hoe meer testen we uitvoeren, hoe hoger dit percentage wordt. Onderzoekers proberen de kans op een type-I-fout zo klein mogelijk houden. Dit doen ze door een strenger alfaniveau te hanteren. Dit kan onder andere door gebruik te maken van de Bonferroni-aanpassing (‘Bonferroni adjustment’). Hierbij wordt de alfa (vaak 5%) gedeeld door het aantal t-testen dat uitgevoerd moet worden. Als we bijvoorbeeld tien t-testen willen uitvoeren, dan moeten we een alfa van (0.05 / 10 = ) .005 gebruiken, in plaats van een alfa van .05. Het probleem is echter, dat door het gebruik van de Bonferroni-aanpassing de kans op een type-II-fout toeneemt. Zoals in eerdere hoofdstukken is uitgelegd, is de type-II-fout de kans dat de nulhypothese wordt behouden, terwijl deze in werkelijkheid niet juist is. De kans dat de t-toets effecten mist die eigenlijk wel aanwezig waren, wordt groter door het toepassen van de Bonferroni-aanpassing. Dit komt doordat het alfaniveau zo laag is.

    Om deze reden wordt ANOVA (‘analysis of variance’) geprefereerd boven de Bonferonni aanpassing. ANOVA wordt gebruikt voor designs die meer dan twee condities bevatten.

    Access: 
    Public
    Hoe zien quasi-experimentele designs er uit? - Chapter 13

    Hoe zien quasi-experimentele designs er uit? - Chapter 13

    Wat is de functie van manipulatie?

    Vaak kunnen we variabelen niet op zo’n manier manipuleren dat we een uitspraak kunnen doen over causaliteit. Sekse kunnen we bijvoorbeeld niet manipuleren. Ook kunnen we vanwege ethische redenen vaak geen onderzoek doen waarbij bepaalde variabelen gemanipuleerd worden. Wanneer het niet mogelijk of wenselijk is om onafhankelijke variabelen te manipuleren, wordt er gekozen voor een quasi-experimenteel design. De onafhankelijke variabele die niet gemanipuleerd wordt, wordt de quasi-onafhankelijke variabele (‘quasi-independent variable’) genoemd.

    De interne validiteit van experimentele designs is hoog. Experimentele designs kunnen namelijk goed laten zien dat onafhankelijke variabelen veranderingen veroorzaken in de afhankelijke variabele. Experimentele designs kunnen namelijk goed aantonen dat het effect op de afhankelijke variabele niet komt door iets anders dan de onafhankelijke variabele, omdat de onderzoeker controle heeft over externe variabelen. Quasi-experimentele designs hebben een lagere interne validiteit dan experimentele designs, omdat deelnemers niet willekeurig toegewezen kunnen worden aan verschillende condities. Toch kunnen quasi-experimentele designs veel (indirect) bewijs leveren voor oorzaak-gevolgrelaties. Hoe goed een quasi-experimenteel design is, hangt af van de mate waarin het design controle heeft over externe factoren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen meerdere soorten quasi-experimentele designs. Deze worden hieronder beschreven.

    One-group pretest-posttest design

    Zoals de naam al doet vermoeden, wordt er in een one-group pretest-posttest design gebruik gemaakt van een voormeting en een nameting. In formuletaal ziet dit er als volgt uit: O1 -> X -> O2. Hierbij is O1 de voormeting, X is de manipulatie van de onafhankelijke variabele, en O2 is de nameting. Dit design is niet erg goed, omdat de interne validiteit ervan laag is. De factoren die de interne validiteit bedreigen worden namelijk niet geëlimineerd. Er kan tussen de voor- en nameting bijvoorbeeld een belangrijke gebeurtenis hebben plaatsgevonden (‘historic effect’). Ook kan het zo zijn dat de resultaten van de proefpersonen worden beïnvloed doordat zij hebben meegedaan aan de voormeting (‘testing effect’).

    De interne validiteit van een one-group pretest-posttest design kan bedreigd worden door regressie naar het gemiddelde (‘regression to the mean’). Dit is de neiging van extreme scores om in een distributie richting het gemiddelde te verplaatsen bij herhaaldelijke meting. Er ontstaan dan meetfouten die de ware scores van de proefpersonen maskeren. Hoe meer metingen er plaatsvinden, hoe groter de kans op meetfouten die zorgen voor een (onterechte) stijging of daling van de scores. Eigenlijk wordt een one-group pretest-posttest design een ‘pre-experimental design’ genoemd, in plaats van een quasi-experimenteel design. De reden hiervan is dat er bij een one-group pretest-posttest design geen sprake is van experimentele controle en interne validiteit. In andere woorden: het design voldoet niet aan de basisvoorwaarden van een experimenteel (of quasi-experimenteel) onderzoek, en wordt daarom vaak anders benoemd.

    Nonequivalent control group design

    Om een sterker onderzoek dan een one-group pretest-posttest design te ontwerpen, kan de onderzoeker controlegroepen toevoegen. Het is echter niet mogelijk om gebruik te maken van een echte controlegroep, omdat proefpersonen niet willekeurig aan de groepen kunnen worden toegewezen. Wel kan een ongelijke controlegroep (‘nonequivalent control group’) gebruikt worden. Bij een ‘nonequivalent control group design’ gaat de onderzoeker op zoek naar één of meer groepen deelnemers die lijken op de groep waarop de quasi-onafhankelijke variabele wordt uitgeprobeerd. Een non-equivalent control group design kan twee vormen aannemen:

    • ‘Nonequivalent groups posttest-only design’: hierbij is er alleen sprake van een nameting. De quasi-experimentele groep krijgt eerst een manipulatie (X) en daarna een nameting (O). De ongelijke controlegroep krijgt alleen een nameting (O). Systematisch weergegeven ziet het nonequivalent groups posttest-only design er als volgt uit:
      Quasi-experimentele groep: X --> O
      Nonequivalent control group: – --> O

    Als blijkt dat de groepen van elkaar verschillen op de nameting, dan weten we niet of dit komt door het programma (X) of niet. Het kan ook zo zijn dat de groepen vóór het programma al van elkaar verschilden. Wanneer dat zo is, spreken we ook wel van een selectiebias. Dit design is erg zwak, omdat niet duidelijk is waar de verschillen in de nameting door worden veroorzaakt. De interne validiteit is erg laag. Het wordt dus niet aangeraden om gebruik te maken van het Nonequivalent groups posttest-only design’.

    • ‘Nonequivalent groups pretest-posttest design’: dit design is bijna hetzelfde als het Nonequivalent groups posttest-only design’, maar er wordt er bij zowel de quasi-experimentele groep als de controlegroep een voormeting aan toegevoegd. In schemavorm zit dit design er zo uit:
      Quasi-experimentele groep: O1 --> X --> O
      Nonequivalent control group: O1 --> – --> O2

    Met dit design kunnen we zien of de groepen al van elkaar verschilden voordat het onderzoek van start ging. Toch zijn er ook bij dit design problemen met de interne validiteit. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de ene groep aan een situatie wordt blootgesteld waar de andere groep niet aan wordt blootgesteld (‘local history effect’/’selection-by-history interaction’).

    Time series designs

    Bij een ‘time series design’ wordt de afhankelijke variabele op verschillende momenten voor- en na de toepassing van de quasi-experimentele variabele gemeten. Er zijn dus meerdere voormetingen en meerdere nametingen. Er zijn vijf vormen van dit design:

    • ‘Simple interrupted time series design’: bij dit design zijn er meerdere voor- en nametingen. Het Simple interrupted time series design heeft de volgende vorm:
      O1 -> O2 -> O3 -> O4 -> X -> O5 -> O6 -> O7 -> O8.
      De metingen worden als het ware onderbroken door de toevoeging van de quasi-experimentele variabele (X). Als X echt effectief is, dan zou er in dit voorbeeld een verschil tussen O4 en O5 moeten zijn. Maar ook bij dit design wordt de interne validiteit bedreigd. Deze dreiging wordt ‘contemporary history’ genoemd: we kunnen niet uitsluiten dat de geobserveerde effecten niet door een andere gebeurtenis komen die tegelijkertijd voorkwam met de toevoeging van de quasi-experimentele variabele.

    • ‘Interrupted time series with a reversal’: ook bij dit design zijn er voormetingen voor en nametingen na de toevoeging van de quasi-experimentele variabele. De quasi-experimentele variabele wordt na de nameting echter weer verwijderd. Na deze verwijdering worden er nog meer nametingen uitgevoerd. Dit design heeft de volgende vorm:
      O1 -> O2 -> O3 -> O4 -> X -> O5 -> O6 -> O7 -> O8 -> –X -> O9 -> O10 -> O11 -> O12.
      Als de scores na de verwijdering van de quasi-experimentele variabele weer terugkeren naar de scores op de voormetingen, dan kunnen we stellen dat quasi-experimentele variabele waarschijnlijk wel effect heeft gehad.

    • ‘Interrupted time series design with multiple replications’: dit design lijkt op het interrupted times series with a reversal design. Bij dit design wordt de quasi-experimentele variabele echter eerst gebruikt, daarna verwijderd en daarna weer opnieuw gebruikt en tenslotte weer verwijderd. Systematisch weergegeven ziet het interrupted time series design with multiple replications er als volgt uit: O1 -> O2 -> O3 -> X -> O4 -> O5 -> O6 -> -X -> O7 -> O8 -> O9 -> X -> O10 -> O11 -> O12 -> -X -> O13 -> O14 -> O15.
      Dit design heeft drie nadelen: (1) soms is het helemaal niet mogelijk om de quasi-experimentele variabele te verwijderen, (2) de effecten van de quasi-experimentele variabele kunnen blijven bestaan, al wordt deze variabele verwijderd en (3) het verwijderen van de quasi-experimentele variabele kan veranderingen veroorzaken die niet per definitie hoeven te komen door de effecten van de variabele.

    • ‘Control group interrupted time series design’: in dit geval wordt bij de quasi-experimentele groep een aantal voormetingen uitgevoerd, vervolgens de quasi-experimentele variabele geïntroduceerd en tot slot worden er nametingen uitgevoerd. Hetzelfde wordt gedaan bij een ongelijke controlegroep. Deze ongelijke controlegroep lijkt zo veel mogelijk op de quasi-experimentele groep. Voor de quasi-experimentele groep geldt: O1 -> O2 -> O3 -> O4 -> X -> O5 -> O6 -> O7 -> O8. Voor de controlegroep geldt: O1 -> O2 -> O3 -> O4 -> – -> O5 -> O6 -> O7 -> O8.
      Dit design sluit historische effecten uit. Beide groepen ervaren namelijk dezelfde situationele factoren. Wanneer de ene groep anders scoort op de nametingen, dan moet dit dus wel komen door de quasi-experimentele variabele. Het kan dan vanzelfsprekend niet liggen aan historische effecten.

    • ‘Comparative time series design’: dit design wordt ook wel ‘comparative trend analysis’ genoemd. Er worden hierbij twee of meer variabelen op volgorde bestudeerd. De onderzoeker probeert hierbij vooral te begrijpen hoe veranderingen in de ene variabele, gerelateerd zijn aan veranderingen in de andere variabele.

    Als blijkt dat de ene variabele samengaat met veranderingen in de andere variabele, dan geeft dit indirect bewijs voor causaliteit. Zoals altijd het geval is met quasi-experimentele designs, geeft het comparative time series design geen zekerheid over causaliteit. Als duidelijk is dat veranderingen in de ene variabele gerelateerd zijn aan veranderingen in de andere variabele, kan dit echter wel voor inzicht zorgen wat causaliteit betreft.

    Wat zijn longitudinale onderzoeken?

    Bij longitudinale onderzoeken is de quasi-experimentele variabele de tijd zelf. Er is dus geen sprake van een ingreep of een manipulatie van de onafhankelijke variabele. Er worden gewoon verschillende metingen door de tijd heen uitgevoerd, om te kijken of deze dezelfde scores opleveren. Longitudinale onderzoeken worden vaak door ontwikkelingspsychologen gebruikt om leeftijdsgerelateerde veranderingen te onderzoeken. Hierbij wordt vooral gekeken naar veranderingen in hoe mensen denken, hoe zij zich voelen en zich gedragen. Longitudinaal onderzoek is erg informatief, maar heeft drie nadelen: (1) onderzoekers vinden het lastig om mensen te vinden die steeds opnieuw getest willen worden, (2) veel deelnemers blijken uit te vallen, bijvoorbeeld door sterfte of verhuizing en (3) het kost veel tijd, geld en inspanning om mensen jarenlang te testen.

    Een andere mogelijkheid is het uitvoeren van een cross-sectioneel design. Hierbij worden groepen mensen van verschillende leeftijden op hetzelfde moment getest. Het nadeel van een cross-sectioneel design is echter dat leeftijdsgerelateerde veranderingen niet onderscheiden kunnen worden van generatie-effecten (‘generational effects’). Mensen van verschillende leeftijd verschillen niet alleen in hun leeftijd, maar ook in de leefomstandigheden. Een ander voordeel van longitudinale onderzoeken boven cross-sectionele onderzoeken, is dat kleine veranderingen door de tijd heen ontdekt kunnen worden door middel van een longitudinaal design, terwijl dit niet lukt met een cross-sectioneel design. Het is wel belangrijk om alternatieve verklaringen uit te sluiten, wanneer bepaalde veranderingen vastgesteld zijn door middel van een longitudinaal onderzoek.

    Programma-evaluatie

    Quasi-experimentele designs worden vaak gebruikt bij programma-evaluatie (‘program evaluation’). Het gaat hierbij om gedragsgerelateerde onderzoeksmethoden die interventies (ook wel manipulaties of programma’s genoemd) analyseren, die bedoeld zijn om gedrag te beïnvloeden. Interventies die gedrag beïnvloeden, kunnen vaak niet gemanipuleerd worden. Daarom wordt er vaak gebruik gemaakt van een quasi-experimenteel design. Het primaire doel van een programma-evaluatie is het geven van informatie aan de mensen die over de programma’s gaan. In sommige gevallen is het echter wel mogelijk om een echt experiment uit te voeren. Dit kan in zulke gevallen door sommige mensen toe te wijzen aan het ene programma en andere mensen toe te wijzen aan het andere programma. Mensen die de taak hebben om de programma’s te evalueren hebben zelf vaak geen controle over welke programma’s ze moeten analyseren.

    Quasi-experimentele designs evalueren

    Vroeger vonden wetenschappers quasi-experimentele designs niet betrouwbaar, omdat ze minder zekere resultaten geven dan experimentele designs. Bij experimenten is het namelijk mogelijk om mensen willekeurig toe te wijzen aan groepen die staan voor verschillende manipulaties van de onafhankelijke variabele. Dit zorgt ervoor dat de interne validiteit stijgt. Daardoor kunnen we met zekerheid zeggen dat de onafhankelijke variabele een verschil in de afhankelijke variabele heeft veroorzaakt. Het blijft echter wel belangrijk om quasi-experimentele onderzoeken uit te voeren. Als we dit niet zouden doen, konden we nooit onderzoek doen naar variabelen die we niet kunnen manipuleren. Let er hierbij wel op dat quasi-experimentele onderzoeken de interne validiteit veel minder goed waarborgen dan experimentele onderzoeken. Er kan niet met zekerheid een uitspraak worden gedaan over de causaliteit. Om van causaliteit te kunnen spreken, moet aan drie voorwaarden voldaan worden: (1) de variabele waarvan gedacht wordt dat deze effect heeft, moet voorafgaan aan het effect, (2) oorzaak en gevolg moeten covariëren en (3) alle alternatieve verklaringen van de resultaten moeten worden uitgesloten door mensen willekeurig aan condities toe te wijzen of door experimentele controle. Quasi-experimentele onderzoeken voldoen wel aan de eerste twee voorwaarden, maar niet aan de laatste. Ze hebben maar weinig controle over externe variabelen die de oorzaak zouden kunnen zijn van veranderingen in de afhankelijke variabele.

    Quasi-experimentele designs verbeteren

    Omdat quasi-experimentele designs nooit perfect bewijs leveren voor het bestaan van een oorzaak-gevolgrelatie, is het belangrijk om aan ‘critical multiplism’ te doen. Dit houdt in dat we moeten proberen om op zoveel mogelijk verschillende manieren bewijs te vinden voor een relevante hypothese. Wanneer we dat doen, ontstaan er steeds meer onderzoeksresultaten die het bestaan van een specifieke oorzaak-gevolgrelatie ondersteunen. De optelsom van al het bewijs zorgt voor meer overtuiging en meer zekerheid van een causale relatie tussen de twee betreffende variabelen.

    Quasi-experimentele designs worden vaak gebruikt bij programma-evaluatie (‘program evaluation’). Het gaat hierbij om gedragsgerelateerde onderzoeksmethoden die interventies (ook wel manipulaties of programma’s genoemd) analyseren, die bedoeld zijn om gedrag te beïnvloeden. Interventies die gedrag beïnvloeden, kunnen vaak niet gemanipuleerd worden. Daarom wordt er vaak gebruik gemaakt van een quasi-experimenteel design. Het primaire doel van een programma-evaluatie is het geven van informatie aan de mensen die over de programma’s gaan. In sommige gevallen is het echter wel mogelijk om een echt experiment uit te voeren. Dit kan in zulke gevallen door sommige mensen toe te wijzen aan het ene programma en andere mensen toe te wijzen aan het andere programma. Mensen die de taak hebben om de programma’s te evalueren hebben zelf vaak geen controle over welke programma’s ze moeten analyseren.

    Access: 
    Public
    Wat is een single-case onderzoek? - Chapter 14

    Wat is een single-case onderzoek? - Chapter 14

    Welke benaderingen zijn er tot het analyseren van gedrag?

    Het is belangrijk om je te bedenken dat het ontdekte effect van de onafhankelijke variabele slechts gaat over de gemiddelde persoon. Dat wil zeggen dat het effect van de onafhankelijke variabele niet per se van toepassing is op letterlijk iedereen uit de populatie. Er zijn ook mensen op wie de onafhankelijke variabele geen effect heeft. Wetenschappers hebben in het verleden veel gediscussieerd over de vraag of menselijk gedrag volgens de nomothetische benadering of de idiografische benadering geanalyseerd moet worden:

    • De nomothetische benadering stelt dat we op zoek moeten gaan naar algemene principes en generalisaties die kunnen gelden voor alle individuen. Maar zoals hierboven staat beschreven, komt het zelden voor dat een onderzoeksresultaat geldt voor de gehele populatie.

    • De idiografische benadering stelt dat gedrag van individuele deelnemers moet worden beschreven, geanalyseerd en vergeleken. Er zijn meerdere designs waarmee onderzoekers onafhankelijke variabelen kunnen manipuleren. Ook kan er met deze designs experimentele controle over externe variabelen worden uitgeoefend. Vervolgens wordt het gedrag van individuele deelnemers geanalyseerd (en dus niet het gedrag van gemiddelden van de gehele groep). 

    • Andere wetenschappers stellen dat case studies van belang zijn. Bij case studies wordt één groep of één individu beschreven. Case studies maken geen gebruik van experimentele controle. Single-case experimenten doen dit daarentegen wel.

    Hoe zien single-case experimentele designs eruit?

    In de designs die tot nu toe zijn besproken, bestuderen de onderzoekers de effecten van onafhankelijke variabelen door de gemiddelde responsen van twee of meer groepen met elkaar te vergelijken. Dat soort designs wordt ook wel groepsdesign (‘group design’) genoemd. Bij een single-case experimenteel design wordt de experimentele groep niet als geheel geanalyseerd, maar wordt elk individu uit de experimentele groep apart geanalyseerd. Vaak worden in totaal drie tot acht deelnemers geanalyseerd. Bij single-case experimentele designs wordt bijna nooit het gemiddelde van de resultaten van de proefpersonen berekend. Omdat naar het individu wordt gekeken, doet het groepsgemiddelde er immers niet toe. Doordat er geen gemiddelde wordt berekend, kan er ook geen gebruik gemaakt worden van inferentiële statistieken, zoals de t-toets of de F-toets.

    Welke kritiek is er op groepsdesigns?

    Wetenschappers die voorstander zijn van single-case experimentele designs hebben kritiek op groepsdesigns. Volgens deze tegenstanders van groepsdesigns, staat het gebruik van een groepsdesign niet garant voor (1) het elimineren van de error variantie, (2) generaliseerbaarheid en (3) betrouwbaarheid.

    Error variantie

    In een dataset is er altijd sprake van een bepaalde mate van error variantie. Groepsdesigns proberen de error variantie op twee manieren te verminderen. Ten eerste proberen ze het gemiddelde te berekenen van de responsen van deelnemers in een groep. Met deze methode proberen ze een schatting te maken van het effect van de onafhankelijke variabele. Ten tweede kan de error variantie worden verkleind door het gebruik van groepen. We kunnen dan analyseren of de verschillen tussen groepen groter zijn dan we zouden verwachten op basis van alleen de error variantie.

    Tegenstanders van groepsdesigns stellen dat de error variantie in een groep niet het gevolg is van de verschillen in gedrag tussen deelnemers. Volgens hen veroorzaakt het zich bevinden in een groep op zichzelf al error variantie. Daarnaast is een argument van deze tegenstanders dat wetenschappers te makkelijk omgaan met error variantie in een groepdesign. De tegenstanders vinden dat het bij groepdesigns te veel gaat over het ontdekken van verschillen tussen mensen (‘interparticipant variance’), terwijl het zou moeten gaan om verschillen binnen individuen zelf (‘intraparticipant variance’). Error variantie is het gevolg van de verschillen binnen individuen zelf, maar deze verschillen verdienen wel de aandacht. Volgens voorstanders van single-case experimentele designs, wordt daar bij groepsdesigns te weinig bij stilgestaan. Zij stellen dat we eerst moeten uitzoeken wat de oorzaken van error variantie precies zijn. Alleen dan kunnen we de error variantie elimineren.

    Generaliseerbaarheid

    In groepsdesigns wordt er vaak een groepsgemiddelde voor verschillende condities gevonden, terwijl de individuele score van de proefpersoon hiermee niet overeenkomt. Het is dus bijna nooit zo dat er een gemiddelde wordt gevonden dat precies overeenkomt met een individuele score. Tegenstanders van groepdesigns stellen dan ook dat groepsgemiddelden die niet overeenkomen met individuele responsen, niet mogen worden gebruikt bij het uitvoeren van wetenschappelijke analyses.

    Betrouwbaarheid

    Een derde kritiekpunt op groepdesigns, is dat het experiment vaak niet wordt herhaald. Er wordt slechts één keer gekeken of een onafhankelijke variabele effect heeft gehad. Dit wordt als het ware niet gecontroleerd met verder onderzoek. Dat gaat ten koste van de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten. Bij single-case experimentele designs worden de effecten van een onafhankelijke variabele wel gerepliceerd. Dit gebeurt op twee manieren: (1) door inter-participantreplicatie: het repliceren van de effecten van de onafhankelijke variabele bij een individu en (2) inter-participantreplicatie: het repliceren van de effecten van de onafhankelijke variabele bij meer dan één proefpersoon. Door inter-participantreplicatie kan een onderzoeker bepalen of de resultaten van één proefpersoon gegeneraliseerd kunnen worden naar andere proefpersonen. Bij een single-case experimenteel design, wordt elk individu in de groep afzonderlijk geanalyseerd. Proefpersonen worden nooit als groep geanalyseerd, zelfs al worden er meerdere proefpersonen bestudeerd.

    Welke soorten single-case experimentele designs zijn er?

    Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten single-case experimentele designs.

    ABA-design

    Een ABA-design laat zien dat de onafhankelijke variabele het gedrag beïnvloedt, door eerst te demonstreren dat de onafhankelijke variabele het gedrag veroorzaakt. Vervolgens laat het design zien dat het verwijderen van de variabele ervoor zorgt dat het gedrag weer verdwijnt.

    Het ABA-design wordt ook wel een ‘reversal design’ genoemd. De proefpersonen worden namelijk herhaaldelijk gemeten. Eerst wordt de deelnemer geobserveerd zonder invloed van de onafhankelijke variabele. Dit wordt ook wel het baseline-niveau genoemd. Vervolgens wordt de onafhankelijke variabele geïntroduceerd. Hierna wordt het gedrag van de deelnemer opnieuw gemeten. Als de onafhankelijke variabele invloed heeft gehad, dan zou het gedrag van de deelnemer veranderd moeten zijn. Het kan echter wel zo zijn dat deze gedragsverandering veroorzaakt is door iets anders dan door de onafhankelijke variabele. Daarom wordt de onafhankelijke variabele vervolgens weer verwijderd. Hierdoor kunnen we zien of het gedrag weer terugkeert tot het baseline-niveau. De onderzoeker kan deze procedure uitvoeren op meerdere proefpersonen. Wanneer het verwijderen van de onafhankelijke variabele er bij alle proefpersonen toe leidt dat het gedrag tot het baselineniveau terugkeert, dan geeft dit bewijs voor de effectiviteit van de onafhankelijke variabele. Bij een simpel ABA design, stellen we eerst een baseline-niveau (A) vast, daarna introduceren we de onafhankelijke variabele (B) en vervolgens kijken we weer naar het baseline-niveau (A). Soms kan een onderzoeker ervoor kiezen om de onafhankelijke variabele na het tweede baseline-niveau weer opnieuw te introduceren; er is dan sprake van een ABAB-design. Het is ook mogelijk om dit nog (veel) vaker te doen. Er kan dan bijvoorbeeld een ABABABABA-design ontstaan.

    Multiple-I design

    Bij het ABA-design wordt er geen gebruik gemaakt van verschillende niveaus van de onafhankelijke variabele. Een single-case experimenteel design waarbij wel verschillende niveaus van de onafhankelijke variabele worden gebruikt, wordt een ‘multiple-I design’ genoemd. We spreken ook wel van een ABC-design. De onderzoeker probeert daarbij eerst een baselineniveau (A) vast te stellen. Vervolgens introduceert hij of zij voor een bepaalde tijd een bepaald niveau van de onafhankelijke variabele (B). Tenslotte wordt dit niveau vervangen door een ander niveau van de onafhankelijke variabele (C).

    Een andere vorm van het multiple-I design is het ABACA-design. Bij dit design wordt eerst het baselineniveau (A) gemeten, dan wordt er een bepaald niveau van de onafhankelijke variabele geïntroduceerd (B), vervolgens wordt dit niveau weggenomen en wordt weer een baselineniveau vastgesteld (A). Daarna wordt een ander niveau van de onafhankelijke variabele geïntroduceerd (C). Tenslotte wordt ook C weer verwijderd, en wordt er opnieuw een baselineniveau vastgesteld (A).

    Op deze manier zijn er heel veel verschillende soorten multiple-I designs, allemaal gebaseerd op hetzelfde principe.

    Multiple baseline design

    Het is soms lastig om een onafhankelijke variabele te weg te nemen. In zo’n geval wordt er vaak gebruik gemaakt van een multiple baseline design. Daarbij worden twee of meer gedragingen tegelijkertijd bestudeerd. Als eerste wordt er een baselineniveau voor alle gedragingen vastgesteld. Vervolgens wordt een onafhankelijke variabele geïntroduceerd waarvan wordt gedacht dat deze slechts één van de gedragingen zal beïnvloeden. Zo kan de onderzoeker aantonen dat de onafhankelijke variabele alleen invloed heeft gehad op één gedraging, terwijl andere gedragingen onveranderd zijn gebleven.

    Single-case experimentele designs en data

    Bij single-case experimenten wordt er niet gekeken naar de groepsgemiddelden. Daarom kunnen de variantie en de standaarddeviatie ook niet worden berekend. Daarvoor heb je immers gemiddelden nodig. Ook kunnen voor single-case experimentele designs geen t- en F-toetsen worden berekend. Bovendien kunnen we hierdoor niet zien of de resultaten statistisch significant zijn. Wel kunnen we de resultaten van een single-case experimenteel design per deelnemer grafisch (‘graphic analysis’/ ‘visual inspection’) weergeven. Op de horizontale as (de x-as) staan dan de gebeurtenissen (A, B, C). Op de verticale as (de y-as) staan de responsen. De verschillende punten worden verbonden door een lijn. Hierdoor kunnen we zien of een gebeurtenis (een punt op de x-as dus) heeft gezorgd voor een stijging of daling in een respons.

    Een nadeel van de grafische weergave is dat we niet weten of het effect op het gedrag binnen een experimenteel design groot genoeg is om van een echt effect te spreken. We kunnen dit niet testen, omdat er geen t-toets of F-toets kan worden uitgevoerd. Een voordeel van de grafische weergave, is dat een dergelijke grafiek er simpel en duidelijk uitziet. Voorstanders van single-case experimentele designs stellen dat visuele inspectie beter is dan een inferentiële statistiek. Er wordt alleen gezegd dat de onafhankelijke variabele effect heeft gehad als de effecten echt groot lijken te zijn. Door inferentiële statistiek kunnen zelfs hele kleine effecten als statistisch significant beschreven worden.

    Wanneer worden single-case experimentele designs gebruikt?

    Vroeger werden single-case experimentele designs erg vaak gebruikt. Pavlov, Thorndike, Ebbinghaus en Weber waren bijvoorbeeld voorstanders van dit soort designs. Tegenwoordig wordt het single-case design vooral gebruikt om operante conditionering te bestuderen, of om te onderzoeken of gedragsveranderingstechnieken effectief zijn. Ook kan met dit design simpelweg worden gedemonstreerd dat een gedragseffect kan worden gevonden, als de juiste onafhankelijke variabele maar gebruikt wordt.

    Welke kritiek is er op single-case experimentele designs?

    Resultaten die uit single-case experimentele designs voortvloeien zijn vaak beter te generaliseren dan groepsdesigns. Single-case designs hebben echter ook zo hun nadelen.

    De externe validiteit van single-case experimentele designs is niet altijd per definitie beter. Dit is de mate waarin de onderzoeksresultaten gegeneraliseerd kunnen worden naar de populatie. Generaliseerbaarheid hangt namelijk samen met de manier waarop de deelnemers geselecteerd zijn. Bij dieronderzoeken wordt vaak gebruik gemaakt van single-case experimentele designs. Dat komt doordat dieronderzoeken vaak toch beter generaliseerbaar zijn, omdat de dieren die onderzocht worden vaak erg op elkaar lijken. Ze zijn vaak dezelfde omgevingen opgegroeid en genetisch lijken ze ook zeer veel op elkaar. Als een onafhankelijke variabele dan effect heeft gehad, dan geldt dit meteen voor alle dieren van dezelfde soort. Een beperking van single-case experimentele designs is, dat ze niet goed gebruikt kunnen worden om interacties tussen variabelen te bestuderen. Tenslotte gaan single-case experimentele designs soms gepaard met ethische problemen.

    Wat zijn case studies?

    Een ‘case study’ is een gedetailleerde beschrijving van een individu, groep of gebeurtenis. Bij case studies kan gebruik gemaakt worden van observatie, interviews, vragenlijsten, krantenartikelen en archiefmateriaal. Op basis van alle informatie wordt een beschrijving (‘narrative description’) in elkaar gezet van een persoon, groep of gebeurtenis.

    Het gebruik van case studies

    Er kan om vier redenen voor een case study gekozen worden:

    1. Een case study kan dienen als een bron van inzicht en ideeën. Een onderzoeker kan hierdoor meer leren over het fenomeen dat hij gaat onderzoeken. Zo kan de onderzoeker ideeën opdoen en nadenken over hoe hij of zij in de toekomst onderzoek kan doen.

    2. Een case study kan gebruikt worden om zeldzame gebeurtenissen te beschrijven. Wanneer er een zeldzame stoornis wordt bestudeerd, wordt er vaak voor een case study gekozen. Er zijn dan maar weinig mensen die aan de stoornis lijden. Om meer over de ziekte te leren, is het in zo’n geval belangrijk om een individu met deze zeldzame stoornis uitvoerig te bestuderen.

    3. Een case study kan gebruikt worden om een psychobiografie over iemand te schrijven. Bij een psychobiografie worden concepten en theorieën uit de psychologie toegepast om de levens van bekende mensen te analyseren. Een psychobiografie is altijd een beschrijving die achteraf wordt gedaan. Het is dus niet mogelijk om te toetsen of zo’n beschrijving accuraat is.

    4. Tot slot kan een case study gebruikt worden om echte anekdotes aan te halen in plaats van alleen te spreken over empirische resultaten. Anekdotes zorgen ervoor dat mensen sneller geloven in wat de onderzoeker heeft gevonden.

    Beperkingen van case studies

    Case studies kunnen nooit gebruikt worden om hypothesen te toetsen. Een case study heeft namelijk geen controle over externe variabelen. Als een onderzoeker bijvoorbeeld een fenomeen opmerkt door middel van een case study, dan kan hij of zij niet met zekerheid zeggen waar dit door komt. Dit is omdat hij geen controle heeft over de variabelen die de onderzochte persoon kunnen beïnvloeden.

    Een andere beperking is dat er vaak maar één onderzoeker betrokken is bij een specifieke case study. De onderzoeker is vaak zelfs de psychotherapeut van de deelnemer. We kunnen daarom niet bepalen hoe betrouwbaar en valide de bevindingen van de onderzoeker zijn.

    In de designs die tot nu toe zijn besproken, bestuderen de onderzoekers de effecten van onafhankelijke variabelen door de gemiddelde responsen van twee of meer groepen met elkaar te vergelijken. Dat soort designs wordt ook wel groepsdesign (‘group design’) genoemd. Bij een single-case experimenteel design wordt de experimentele groep niet als geheel geanalyseerd, maar wordt elk individu uit de experimentele groep apart geanalyseerd. Vaak worden in totaal drie tot acht deelnemers geanalyseerd. Bij single-case experimentele designs wordt bijna nooit het gemiddelde van de resultaten van de proefpersonen berekend. Omdat naar het individu wordt gekeken, doet het groepsgemiddelde er immers niet toe. Doordat er geen gemiddelde wordt berekend, kan er ook geen gebruik gemaakt worden van inferentiële statistieken, zoals de t-toets of de F-toets.

    Access: 
    Public
    Welke ethische kwesties spelen in gedragsonderzoek? - Chapter 15

    Welke ethische kwesties spelen in gedragsonderzoek? - Chapter 15

    Bij onderzoek naar gedrag kan het soms zo zijn dat bepaalde proefpersonen (die meestal willekeurig zijn gekozen) benadeeld worden. Zij kunnen na het onderzoek bijvoorbeeld een verlies van eigenwaarde of een verlaging van het zelfvertrouwen ervaren. Dit roept ethische vragen op. Is het acceptabel om proefpersonen te misleiden en te krenken als dat nodig is? En hoeveel druk (psychologisch of fysiologisch) mogen onderzoekers uitoefenen op hun proefpersonen? Gedragsonderzoekers worstelen al jaren met zulke vragen.

    Hoe worden ethische beslissingen genomen?

    Gedragsonderzoekers hebben twee soorten verplichtingen. Deze verplichtingen raken soms met elkaar in conflict. Tijdens zo’n conflict ontstaan ethische vraagstukken. Aan de ene kant moeten gedragsonderzoekers informatie leveren die leidt tot begrip van gedragsprocessen. Dit begrip moet vervolgens leiden tot verbetering van het welbevinden van mensen of dieren. Als gevolg van deze eerste verplichting, mogen wetenschappers vanuit ethisch perspectief alleen onderzoek uitvoeren als dit als doel heeft onze kennis te vergroten of problemen op te lossen. Aan de andere kant zijn gedragsonderzoekers verplicht om de rechten en het welbevinden van de menselijke en niet-menselijke proefpersonen die zij onderzoeken, te waarborgen. Ethische vraagstukken ontstaan als de verplichtingen van de onderzoeker aan de wetenschap en maatschappij (de eerste verplichting) botsen met de verplichting om de proefpersonen te beschermen (de tweede verplichting).

    Daarnaast zijn er veel meningsverschillen over de ethiek van bepaalde onderzoeksprocedures. Zelfs over de fundamentele principes van de ethiek verschillen de meningen. Hierdoor ontstaat er vaak een impasse (stilstand) in ethische conflicten. Op zo’n moment bestaat er twijfel over hoe ethische beslissingen genomen moeten worden, en of deze beslissingen überhaupt wel genomen kunnen worden.

    Er zijn drie soorten algemene benaderingen om ethische vraagstukken op te lossen. Deze benaderingen verschillen van elkaar in het vaststellen van criteria over wat goed is en wat fout. De drie benaderingen heten: deontologie (deontology), ethisch scepticisme (ethical scepticism) en bruikbaarheid (utilitarian).

    • Volgens de deontologie moet ethiek beoordeeld worden door middel van een universele morele code. Sommige acties zijn bijvoorbeeld heel onethisch en mogen in geen enkele omstandigheid worden uitgevoerd.

    • Het ethisch scepticisme stelt daarentegen dat concrete, vaststaande morele codes niet bestaan. Dit gaat dus recht tegen de principes van de deontologie in. Sceptici ontkennen niet dat ethische principes belangrijk zijn. Ze stellen eerder dat ethische regels arbitrair zijn. Het is afhankelijk van de cultuur en de tijd of een bepaalde handeling goed of fout is. Degene die bepaalt of een bepaalde actie goed of fout is, is het individu zelf.

    • De derde benadering is die van de bruikbaarheid. Deze claimt dat de ethische beoordeling van een bepaalde actie afhangt van de consequenties van die actie. De potentiële opbrengsten moeten worden afgewogen tegen de potentiële kosten. Als de potentiële opbrengsten hoger zijn dan de kosten, dan is de betreffende actie ethisch gezien toegestaan. De meeste officiële richtlijnen voor onderzoek volgen voornamelijk deze benadering van bruikbaarheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de American Psychological Association (APA).

    Welke fundamentele ethische richtlijnen zijn er?

    Het is duidelijk dat onderzoekers verschillen in mening over ethische kwesties. Alle onderzoekers zijn echter altijd gebonden aan twee sets van ethische richtlijnen, de eerste bestaat uit principes die geformuleerd zijn door professionele organisaties, zoals de APA (American Psychological Association). De APA heeft bijvoorbeeld de zogenaamde Ethical Principles of Psychologists and Code of Conduct opgesteld. Hierin staan de ethische standaarden die psychologen moeten volgen in alle gebieden van hun professionele leven; in therapie, evaluatie, lesgeven en onderzoeken. Daarnaast zijn alle gedragsonderzoekers gebonden aan regelingen die getroffen zijn door de overheid, of staan vastgelegd in locale wetten.

    Beide sets van ethische richtlijnen zijn voornamelijk gebaseerd op het principe van bruikbaarheid of zijn pragmatisch. Ze stellen dat de onderzoeker de potentiële opbrengsten moet afwegen tegen de potentiële kosten. Wat ze niet doen, is specifieke ethische do’s en don’ts vaststellen voor onderzoek.

    Het afwegen van opbrengsten en kosten wordt ook wel kosten–baten analyse (cost–benefit analysis) genoemd.

    Potentiële opbrengsten

    Gedragsonderzoek heeft vijf potentiële opbrengsten. Hiermee moet rekening worden gehouden bij het opstellen van een kosten-baten analyse.

    • Basiskennis: Het grootste voordeel van onderzoek is dat het onze kennis vergroot. Hoe meer kennis het onderzoek oplevert, hoe groter de opbrengsten (baten) zijn, dus hoe meer kosten en risico’s er worden toegestaan in het onderzoek.

    • Verbetering van onderzoekstechnieken: Sommig onderzoek wordt gedaan om de procedures van onderzoek te verbeteren. Hiermee wordt kennis dus niet direct vergroot, maar worden de manieren van onderzoek wel verbeterd. Daardoor kan kennis in de toekomst wel worden vergroot.

    • Praktische uitkomsten: Er zijn ook onderzoeken die praktische uitkomsten opleveren. Dit doen ze door het direct verbeteren van het welzijn van mensen of andere levende wezens.

    • Opbrengsten voor onderzoekers: Als je een onderzoek opstelt, wil je daar zelf meestal ook van profiteren. Wetenschappers moeten vaak onderzoek leveren om carrière te maken of hun baan te behouden. Daarnaast heeft onderzoek een educatieve functie. Niet alleen voor ervaren onderzoekers, maar ook voor studenten.

    • Opbrengsten voor proefpersonen: De mensen die deelnemen aan het onderzoek, kunnen ook van hun deelname profiteren. In klinisch onderzoek is dit het duidelijkst. Hierbij ontvangen proefpersonen experimentele therapieën, die hen mogelijk kunnen genezen. Ook zouden proefpersonen veel kunnen leren van hun deelname, bijvoorbeeld over de werking van wetenschappelijk onderzoek. Tenslotte kan het leuk zijn om deel te nemen aan het onderzoek.

    Potentiële kosten

    De genoemde opbrengsten moeten worden afgewogen tegen de potentiële risico’s en kosten van het onderzoek. Sommige kosten zijn relatief klein. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de tijd en moeite die de proefpersonen in het onderzoek stoppen. Grotere kosten zijn de mogelijke beschadigingen aan het mentale of fysiologische welzijn van de proefpersonen. Deelnemen aan een onderzoek kan bijvoorbeeld leiden tot verlaging van het zelfvertrouwen, stress, verveling, angst of pijn. Ook kunnen proefpersonen vrezen dat anderen achter hun reacties komen. De grootste kosten worden gemaakt in onderzoeken waarbij de gezondheid of het leven van de proefpersonen in gevaar wordt gebracht.

    Andere kosten voor de onderzoekers liggen op het gebied van geld. Het uitvoeren van onderzoek kan erg duur zijn.

    Wat is de rol van het Institutional Review Board (IRB)?

    Als alle potentiële kosten en opbrengsten zijn vastgesteld, moeten ze tegen elkaar worden afgewogen. De onderzoekers zelf zijn in zo’n geval vaak niet de meest objectieve beoordelaars. Daarom zijn er richtlijnen opgesteld, die bepalen dat elk onderzoek waaraan mensen deelnemen moet worden goedgekeurd door een Institutional Review Board (IRB). Elke institutie die geld krijgt van de overheid, moet een eigen IRB hebben. Om de proefpersonen zo goed mogelijk te beschermen, moeten er in elke IRB mensen zitten uit niet-wetenschappelijke disciplines en mensen die wel uit een wetenschappelijke discipline komen.

    Onderzoekers die gebruik maken van menselijke proefpersonen, moeten een schriftelijk verzoek doen bij de IRB. In dit verzoek staat: (1) het doel van het onderzoek, (2) de procedures die gebruikt zullen worden en (3) de potentiële risico’s die de proefpersonen lopen.

    In onderzoek waaraan mensen deelnemen, zijn zes kwesties van belang. Dit zijn: het informed consent, de mate van inbreuk op de privacy, verplichting om deel te nemen, mogelijke psychische of fysiologische schade, deceptie en bedreiging van het vertrouwen van de proefpersonen.

    Wat is het principe van het informed consent?

    Een van de belangrijkste manieren om de rechten van proefpersonen te beschermen, is door hen te vragen een informed consent te lezen. Een informed consent informeert de proefpersonen over het doel van het onderzoek. Ook vraagt het om specifieke toestemming van de proefpersonen om deel te nemen. Gebruikmaken van een informed consent, verzekert ons ervan dat onderzoekers geen misbruik zullen maken van de proefpersonen. Ook zullen zij de privacy van de proefpersonen waarborgen. Tenslotte krijgen de proefpersonen voldoende informatie over het onderzoek. Daardoor kunnen zij goed besluiten of ze wel of niet willen deelnemen.

    In het informed consent hoeft echter niet alle informatie over het onderzoek te staan. Onderzoekers mogen dus informatie over de hypotheses geheimhouden. Als de proefpersonen echter pijn zullen lijden tijdens het onderzoek, mag dit door de onderzoekers natuurlijk niet verzwegen worden. Alles wat de beslissing van de proefpersonen over hun deelname zou kunnen beïnvloeden, moet vermeld worden.

    Problemen met het informed consent

    Soms willen onderzoekers niet alle informatie geven in hun informed consent. Hierdoor ontstaat er een aantal problemen rond dit informed consent:

    • Problemen met de validiteit: Het informeren van proefpersonen over het onderzoek kan zorgen voor verlaging van de validiteit. Mensen gedragen zich vaak anders als de weten dat ze bekeken worden. Daarnaast kan het kenbaar maken van het doel van het onderzoek proefpersonen gevoelig maken voor bepaalde aspecten van hun gedrag. Gewoonlijk zouden ze hier niet op letten, maar doordat ze bewust worden gemaakt van dit gedrag, gaan ze zich er meer mee bezighouden. Dat kan de onderzoeksresultaten beïnvloeden.

    • Sommige proefpersonen kan geen informed consent gegeven worden. Denk hierbij aan kinderen of verstandelijk gehandicapten. Wanneer zij onderzocht worden, dan moet het informed consent aan de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van de proefpersonen worden gegeven.

    • Onderzoeken waarbij geen informed consent nodig is. Soms heeft het geen nut om gebruik te maken van een informed consent.

    Inbreuk op de privacy

    De onderzoeker is zelf verantwoordelijk voor de beslissing of de privacy geschaad wordt of niet. Komt de onderzoeker of het IRB tot de conclusie dat er sprake is van inbreuk op de privacy, dan mag het onderzoek niet worden uitgevoerd. De meeste onderzoekers vinden dat de observatie van mensen op openbare plaatsen geen inbreuk op de privacy geeft. Het observeren van mensen in privé-aangelegenheden is wel een inbreuk op de privacy.

    Gedwongen deelname

    Dit komt voor wanneer proefpersonen onder druk worden gezet om deel te nemen aan het onderzoek. De proefpersoon gelooft in dat geval dat weigeren om deel te nemen negatieve gevolgen voor hem of haar zal hebben. Onderzoekers moeten de vrijheid van het individu respecteren. Proefpersonen mogen hun deelname op elk moment beëindigen. Daarnaast mogen onderzoekers hun proefpersonen geen extreem hoog geldbedrag geven voor hun deelname. Dat zou de proefpersoon indirect namelijk ook dwingen om mee te doen.

    Fysieke en mentale stress

    Wetenschappers doen soms onderzoek naar de effecten van stress, falen, angst of pijn. Om zulke ervaringen te kunnen onderzoeken, moeten de proefpersonen worden blootgesteld aan stress. Maar hoe veel stress mag een onderzoeker zijn proefpersonen laten doormaken? Er zijn twee extremen bij het oplossen van die vraag. Sommige mensen vinden dat de proefpersoon door zo veel stress mag gaan als nodig is voor het onderzoek, anderen vinden dat er slechts sprake mag zijn van een minimaal risico (minimal risk). Dat houdt in dat proefpersonen niet meer stress mogen ervaren dan de hoeveelheid stress die ze hadden ervaren als ze niet hadden deelgenomen aan het onderzoek. Tussen deze twee extremen bevinden zich vele standpunten, meestal wordt de uiteindelijke beslissing genomen door de onderzoekers en het IRB. Deze beslissing is vaak gebaseerd op een kosten-baten analyse. Onderzoeken waarin proefpersonen stress ervaren, zijn dan alleen toegestaan als de kosten (stress) lager zijn dan de opbrengsten. Proefpersonen moeten van tevoren volledig geïnformeerd zijn over de mogelijke negatieve ervaringen in een informed consent.

    Deceptie

    Gedragsonderzoekers maken gebruik van deceptie om verschillende redenen. De meest gebruikelijke reden is het voorkómen dat proefpersonen achter het doel van het onderzoek kunnen komen. Proefpersonen gaan zich immers vaak anders gedragen, wanneer ze weten dat ze worden onderzocht. Bij deceptie wordt er bijvoorbeeld een onjuist doel van het onderzoek verzonnen. Daardoor komen proefpersonen niet achter het werkelijke doel. Het gedrag dat wordt onderzocht, wordt op die manier veel minder beïnvloed. Deceptie mag alleen worden gebruikt als de onderzoekers geloven is dat het noodzakelijk is voor het onderzoek.

    Tegenstanders van deceptie beweren dat liegen altijd slecht is, zelfs wanneer dit gedaan wordt met goede bedoelingen (zoals wetenschappelijk onderzoek). Deze bewering is gebaseerd op de deontologie. Andere tegenstanders redeneren meer pragmatisch. Zelfs als deceptie wordt toegestaan omdat het leidt tot positieve uitkomsten, dan nog kan het leiden tot negatieve gevolgen. Proefpersonen kunnen wetenschappelijke onderzoekers gaan wantrouwen, omdat ze hen niet de waarheid hebben verteld. De meeste proefpersonen tonen echter begrip voor deceptie. Zij snappen dat het nodig is en hebben er vaak geen problemen mee.

    Vertrouwelijkheid

    De informatie die is verkregen over de proefpersonen is vertrouwelijk. Dat betekent dat de data van de proefpersonen alleen voor onderzoeksdoeleinden gebruikt mogen worden. Anderen mogen geen toegang krijgen tot deze informatie. Hoewel het vaak geen kwaad kan als dit toch gebeurt, kan de schending van de vertrouwelijkheid in sommige gevallen wel kwaad. Daarom moet het zo veel mogelijk voorkomen worden, de informatie over de proefpersonen kan immers gevoelig zijn. Als de informatie openbaar wordt, kan dit negatieve gevolgen hebben voor de proefpersoon. De makkelijkste manier om het vertrouwen niet te schaden, is ervoor te zorgen dat de reacties anoniem blijven. Data zijn anoniem als ze geen informatie bevatten die gebruikt kan worden om de proefpersoon te identificeren.

    Vertrouwelijkheid wordt soms een issue wanneer onderzoekers hun resultaten publiceren. Vooral wanneer het gaat over een individu. Wanneer slechts één persoon wordt beschreven, is het extra belangrijk dat de privacy en het vertrouwen niet worden geschaad.

    Wat wordt er vertelt in een debriefing?

    Debriefing is het opvangen van de proefpersoon na afloop van hun deelname aan het onderzoek. De onderzoeker moet in de debriefing de volgende taken vervullen:

    1. Ten eerste moet hij of zij het doel van het onderzoek uitleggen aan de proefpersoon. Het kan zijn dat er informatie is achtergehouden in de informed consent. Deze informatie moet na afloop van het onderzoek alsnog worden gegeven. Wanneer er deceptie gebruikt is, moet de onderzoeker dit toelichten en zijn excuses aanbieden.

    2. Het tweede doel van debriefing is het verwijderen van de stress of andere negatieve gevolgen die veroorzaakt zijn door het onderzoek.

    3. Ten derde moet de onderzoeker hoogte krijgen van de ervaringen van de proefpersoon. Hij of zij kijkt hierbij naar de reacties van de proefpersoon op het onderzoek.

    4. Tenslotte is het de taak van de onderzoeker om ervoor te zorgen dat de proefpersonen blij zijn met hun deelname. De proefpersonen moeten het gevoel krijgen dat hun deelname belangrijk was.

    Manieren van de onderzoeker

    Een onderzoeker moet zich niet alleen houden aan de formele regels. Hij of zij moet daarnaast ook de proefpersonen goed behandelen.

    Kwetsbare populaties

    Bij het onderzoeken van kwetsbare populaties moet met een aantal extra zaken rekening worden gehouden. IRB’s moeten extra veel aandacht geven aan de bescherming van het welzijn van bijvoorbeeld kinderen, gevangenen, mensen met een mentale handicap, mensen die suïcidaal zijn, zwangere vrouwen, foetussen en pasgeborenen.

    Kinderen en adolescenten onder de 18 hebben toestemming van hun ouders of wettelijk vertegenwoordiger nodig om deel te nemen aan onderzoek. De reden is dat ze de risico’s van deelname zelf misschien niet voldoende begrijpen. Kinderen ouder dan 12 jaar mogen echter wel weigeren deel te nemen, ook wanneer hun ouders of vertegenwoordigers het informed consent al getekend hebben. Zij kunnen dus niet gedwongen worden om deel te nemen. Kinderen die jonger zijn dan 12 jaar kunnen wel gedwongen worden.

    Gevangenen behoren tot de kwetsbare populaties om drie redenen:

    1. Ten eerste wordt hun leven volledig bepaald door bewakers. Daarom moeten ze extra beschermd worden tegen gedwongen deelname.

    2. Ten tweede is het dagelijks leven van gevangenen zo eentonig dat zij alles doen om even aan de sleur te ontsnappen. Het kan dus zo zijn dat ze meedoen aan een bepaald onderzoek om even uit deze sleur te zijn, soms zelfs als het een onderzoek is waar ze in andere omstandigheden nooit aan hadden willen deelnemen. Hier moet extra goed op worden gelet.

    3. Tenslotte moet het duidelijk zijn dat de gevangenen die meedoen aan het onderzoek niet beter behandeld zullen worden dan de gevangenen die niet meedoen. In andere woorden: deelnemen zal geen positief effect hebben op behandeling in de gevangenis.

    Verstandelijk gehandicapten ontvangen speciale aandacht. De onderzoeker moet er zeker van zij dat deze mensen het onderzoek goed genoeg begrijpen om aan te geven of ze deel willen nemen,

    Eén van de moeilijkste populaties bestaat uit mensen die suïcidaal zijn. Vergroot het onderzoek niet de kans dat deze mensen zelfmoord plegen? En is het wel verstandig om gebruik te maken van een controlegroep, die geen behandeling ontvangt terwijl ze deze vaak wel nodig hebben?

    Tenslotte moeten zwangere vrouwen, foetussen en pasgeborenen extra goed worden beschermd. Dit is vooral van belang bij het toedienen van medicijnen.

    Welke ethische principes spelen in dieronderzoek?

    De APA geeft niet alleen ethische richtlijnen voor onderzoek met mensen, maar geeft ook aan hoe dieren moeten worden behandeld als zij meedoen aan onderzoek. De richtlijnen voor dieronderzoek zijn wel veel minder gedetailleerd. In deze richtlijnen staat dat al het dieronderzoek onder toezicht moet staan van iemand die gespecialiseerd is in het verzorgen en gebruiken van laboratoriumdieren. Ook moet er een dierenarts aanwezig zijn om de dieren na afloop eventueel te kunnen behandelen. Daarnaast moet al het aanwezige personeel de richtlijnen kennen en goed getraind zijn in de behandeling en het gebruik van proefdieren.

    De omstandigheden waarin de dieren zich bevinden, worden gecontroleerd door het National Institute of Health en door nationale en lokale wetten.

    Verdedigers van dierenrechten maken zich de meeste zorgen om de experimenten die worden uitgevoerd op proefdieren, APA probeert met het opstellen van richtlijnen het ongemak van de proefdieren zo klein mogelijk te houden. Procedures die meer dan minimale pijn of ongemak veroorzaken, moeten eerst worden goedgekeurd. De APA heeft ook richtlijnen opgesteld voor het gebruik van operationele procedures, het onderzoeken van dieren door middel van field research, het gebruik van dieren voor leerdoeleinden, en de verzorging van proefdieren na afloop van het onderzoek.

    Wetenschappelijke misleiding (misconduct)

    Wetenschappers zijn dus gebonden aan ethische regels voor zowel onderzoek met mensen als onderzoek met dieren. Daarnaast is het van belang dat ze eerlijk werk leveren. De wetenschap wordt op die manier beschermd tegen wetenschappelijke misleiding (scientific misconduct). De Nationale Wetenschappelijke Academie (National Academy of Sciences) heeft drie basiscategorieën van wetenschappelijke misleiding vastgesteld:

    1. De eerste categorie bevat de ergste vorm van wetenschappelijk liegen. Hieronder vallen fabricatie (fabrication; data zelfstandig aanpassen), falsificatie (falsification; expres data of resultaten verwerpen) en plagiaat plegen (plagiarism; het zonder vermelding overnemen van het werk van een ander).
      Het zelfstandig aanpassen van data (fabricatie) is verkeerd. Toch is het in een aantal gevallen toegestaan. Als een proefpersoon de instructies niet heeft opgevolgd, onder invloed was of extreme reacties vertoont, mogen de data van deze proefpersoon worden verwijderd. Dit mag, omdat de onderzoeker hiermee factoren die mogelijk worden veroorzaakt door andere variabelen, verwijdert. Dat verhoogt de validiteit van de resultaten.

    2. Een tweede categorie van wetenschappelijke misleiding is die van de onduidelijke wetenschapspraktijken. Deze zijn niet zo erg als de eerder genoemde misleidingen, maar zijn nog wel problematisch. Onderzoekers zouden bijvoorbeeld alleen hun eigen naam onder werk mogen schrijven dat echt van hen is.
      Een ander probleem kan zich voordoen, wanneer onderzoekers de data die niet overeenkomen met hun hypothesen niet publiceren. Het kan ook zo zijn dat onderzoekers weigeren om experts hun werk te laten reproduceren. Dat kunnen ze bijvoorbeeld doen door hun data niet openbaar te maken. Het kan een teken zijn dat er iets niet in orde is aan het onderzoek.

    3. De laatste categorie bevat onethisch gedrag tegenover collega’s of proefpersonen. Denk hierbij aan seksuele bedreiging, machtsmisbruik, discriminatie of het ontduiken van wetten en/of regels.

    Ontduiken van wetenschappelijke inlichtingen onderzoeksresultaten

    Het is vaak voorgekomen dat wetenschappelijke ontdekkingen belachelijk werden gemaakt, onderdrukt, of zelfs bestraft werden. Ook nu komt dat nog vaak voor. Wetenschappers en leraren staan nog steeds onder druk. Ze vermijden daarom vaak gevoelige onderwerpen.

    Het kan zo zijn dat een bepaalde groep mensen zich aangevallen of gediscrimineerd voelt door wetenschappelijke resultaten. Dit roept ethische vragen op. Sommige mensen zijn van mening dat wetenschap gereguleerd moet worden, omdat de wetenschap negatieve uitkomsten kan hebben. De meeste onderzoekers vinden dat ze vrij moeten zijn in het verspreiden van de kennis die zij hebben opgedaan in hun onderzoek. In hun ogen zou het niet moeten uitmaken of die kennis nou positief of negatief is. De enige mensen die in de positie zijn om hun onderzoeksresultaten te beoordelen, zijn andere onderzoekers. Politici, burgers of anderen hebben hier niets mee te maken. Het onderdrukken van kennis is in de ogen van veel onderzoekers zeer onethisch.

    Bij onderzoek naar gedrag kan het soms zo zijn dat bepaalde proefpersonen (die meestal willekeurig zijn gekozen) benadeeld worden. Zij kunnen na het onderzoek bijvoorbeeld een verlies van eigenwaarde of een verlaging van het zelfvertrouwen ervaren. Dit roept ethische vragen op. Is het acceptabel om proefpersonen te misleiden en te krenken als dat nodig is? En hoeveel druk (psychologisch of fysiologisch) mogen onderzoekers uitoefenen op hun proefpersonen? Gedragsonderzoekers worstelen al jaren met zulke vragen.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries

    Image

    Share: this page!
    Follow: Psychology Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    3798
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector