Op welke manieren kan psychologisch onderzoek benaderd worden? - Chapter 4

Welke verschillende onderzoeken zijn er?

Onderzoekers kunnen gebruik maken van observationele methoden, fysiologische methoden, zelfrapportages en archiefmateriaal. Al deze manieren van onderzoek kunnen worden gecombineerd met alle vier de onderzoeksmethoden die besproken zijn in hoofdstuk 1 (beschrijvend, correlationeel, experimenteel of quasi-experimenteel).

In een correlationeel onderzoek kan een wetenschapper bijvoorbeeld de verlegenheid van de deelnemers observeren, hun fysiologische reacties meten tijdens sociale interactie, van hun verwachten dat ze vragen beantwoorden (zelfrapportage) en een dagboek bijhouden dat later bestudeerd kan worden (archiefmateriaal). In dit deel wordt achtereenvolgens ingegaan op (1) observationele methoden, (2) fysiologische methoden, (3) zelfrapportages en (4) archiefmateriaal.

Observationele methoden

Veel wetenschappers observeren gedrag om hun onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Ze kunnen bijvoorbeeld observeren of mensen eten, blozen, glimlachen, helpen, met hun ogen knipperen of gapen. Wetenschappers die observationele methoden gebruiken, moeten drie keuzes maken: (1) zal de observatie plaatsvinden in een natuurlijke omgeving of in een kunstmatige omgeving, (2) moeten de deelnemers weten dat ze worden geobserveerd en (3) hoe zal het gedrag van deelnemers gemeten moet worden?

Naturalistische observatie en kunstmatige observatie

  • Van naturalistische observatie (‘naturalistic observation’) is sprake wanneer een wetenschapper een op natuurlijke wijze ontstane gedraging observeert zonder in te grijpen. De wetenschapper ontwerpt dan ook geen kunstmatige situatie om het gedrag te observeren. Wetenschappers die graag willen weten hoe dieren zich in hun natuurlijke omgeving gedragen, doen vaak aan naturalistische observatie.

  • Participantobservatie (‘participant observation’) is een vorm van naturalistische observatie. In dat geval doet de wetenschapper met de deelnemers mee in het gedrag dat hij observeert. Een wetenschapper kan zich bijvoorbeeld voor het onderzoek aansluiten bij duivelaanbidders, homo’s en bendes. Meedoen met het gedrag van de groep die een wetenschapper bestudeert kan problemen met zich meebrengen. Wanneer wetenschappers zich beginnen te identificeren met de groepsleden, kan het zijn dat ze niet meer op objectieve wijze naar het groepsproces kunnen kijken. Daarnaast kan de onderzoeker (ongewild) het gedrag van de deelnemers beïnvloeden.

  • Het tegenovergestelde van naturalistische observatie is kunstmatige observatie (‘contrived observation’). Bij kunstmatige observatie wordt gedrag geobserveerd in situaties die daar speciaal voor ontworpen zijn. Vaak wordt het gedrag in zo’n geval geobserveerd in een laboratorium. De deelnemers weten dan ook dat ze geobserveerd worden. Het is echter ook mogelijk om aan kunstmatige observatie buiten het laboratorium te doen. Wetenschappers kunnen bijvoorbeeld op straat een ‘noodgeval’ in scène zetten en observeren of mensen behulpzaam zijn naar de ‘slachtoffers’ toe.

Gemaskeerde en ongemaskeerde observatie

De tweede keuze die wetenschappers moeten maken is of de deelnemers mogen weten dat ze geobserveerd worden.

  • Wanneer de deelnemers weten dat ze geobserveerd worden, is er sprake van ongemaskeerde observatie (‘undisguised observation’). Het probleem is echter dat mensen vaak niet op een natuurlijke wijze reageren als ze weten dat ze geobserveerd worden. Dit wordt ook wel reactiviteit (reactivity) genoemd.

  • Om reactiviteit te voorkomen, kan de onderzoeker gebruik maken van gemaskeerde observatie (‘disguised observation’). Hierbij weten proefpersonen niet dat ze worden geobserveerd. Het probleem met gemaskeerde observatie is echter dat deze vorm van observatie een inbreuk op de privacy van proefpersonen kan zijn. Ze doen namelijk mee aan een onderzoek zonder dat zij dat zelf weten. Ze kunnen dus niet van tevoren een contract ondertekenen (‘informed consent’) waarin staat dat ze deelnemer willen zijn. Het feit dat de proefpersonen niet zelf hebben kunnen kiezen of ze wilden deelnemen aan het onderzoek, roept ethische vragen op. Dit probleem kan deels verholpen worden door middel van de gedeeltelijke geheimhouding (‘partial concealment’) strategie. In een onderzoek dat hier gebruik van maakt, weten de proefpersonen dat ze deelnemen aan een onderzoek, maar niet welk aspect van hun gedrag precies wordt onderzocht.

  • Omdat mensen zich vaak niet op een natuurlijke wijze gedragen wanneer ze weten dat ze geobserveerd worden, proberen wetenschappers soms niet op directe, maar op indirecte wijze het gewenste gedrag te meten. Soms vragen onderzoekers aan mensen die de proefpersoon goed kennen (‘knowledgeable informants’) om het gedrag van de betreffende proefpersoon te observeren en beoordelen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan ouders, beste vrienden, collega’s en docenten. Een andere vorm van gemaskeerde observatie is het uitvoeren van een onopgemerkte meting (‘unobtrusive measures’). Dit is een meting die uitgevoerd kan worden zonder dat deelnemers weten dat ze worden bestudeerd. Bij een onopgemerkte meting vraagt de onderzoeker zijn of haar proefpersonen niet direct naar hun gedrag, maar observeert deze hun gedrag op een indirecte manier. Als een onderzoeker bijvoorbeeld bang is dat proefpersonen zullen liegen over hun alcoholgebruik, dan kan hij of zij het aantal lege alcohol flessen tellen dat in de afvalbak ligt die voor het huis van de proefpersoon staat.

Het meten van gedrag

De derde vraag waar een wetenschapper over na moet denken is hoe gedragingen gemeten en genoteerd moeten worden. Sommige gedragingen zijn erg complex. Het is relatief moeilijk om complexe gedragingen op een duidelijke manier te beschrijven en te noteren. Er kan hierbij gebruikgemaakt worden van (1) een verhaal (‘narrative’), (2) een checklist, (3) een tijdmeting of (4) observationele beoordelingsschalen:

  1. Een verhaal (‘narrative’/ ‘specimen record’) is een volledige beschrijving van het gedrag van een deelnemer. Het doel is om alles wat de deelnemer heeft gezegd en gedaan zo accuraat mogelijk te noteren. Vroeger werden deze verhalen vooral opgeschreven, maar tegenwoordig worden ze vaker ingesproken of opgenomen. Soms proberen wetenschappers niet alles wat de deelnemers doen en zeggen te noteren, maar maken ze vooral korte samenvattingen (‘field notes’) van de gedragingen die ze observeren. Om een verhaal te kunnen analyseren, moet er een inhoudsanalyse ('content analysis’) gedaan worden. Hier wordt later verder op ingegaan.

  2. Er kan ook en gebruik gemaakt worden van een checklist. Een checklist is gestructureerd, terwijl een verhaal niet gestructureerd is. Dit komt doordat een onderzoeker met een verhaal vrij is om er alles in te zetten wat hij of zij wil. Bij een checklist zijn er echter specifieke gedragingen beschreven. Het is dan aan de wetenschapper om in te vullen of deze gedragingen zich voorgedaan hebben. Een checklist klinkt simpel, maar het is vaak lastig om goede operationele definities te bedenken voor de constructen die in de checklist voorkomen. Als er bijvoorbeeld in de checklist ‘heeft geglimlacht’ staat, dan kan het moeilijk zijn om precies aan te geven wat nog wel onder een glimlach valt en wat niet meer als glimlach beschouwd moet worden.

  3. Soms willen onderzoekers weten wanneer en hoe lang een gedraging uitgevoerd is. Het is in dat geval mogelijk om tijdsmetingen te houden. Vaak zijn wetenschappers geïnteresseerd in de tijd die zit tussen twee gedragingen (‘latency’). Dit kan gemeten worden aan de hand van de reactietijd die staat voor de tijd die verstrijkt tussen het verschijnen van een stimulus en het opmerken van en/of het reageren op deze stimulus. Latentie (‘latency’) kan ook gemeten worden aan de hand van de tijd die nodig is om een taak af te maken (‘task completion time’). Een andere manier om latentie te meten is ‘interbehavioral latency’: de tijd die verstrijkt tussen een eerste gedraging en een gedraging die daarop volgt. Een wetenschapper kan bijvoorbeeld onderzoeken wat voor oogbewegingen iemand krijgt nadat hij of zij heeft gebloosd. Naast latentie kan een onderzoeker ook geïnteresseerd zijn in de duur (‘duration’) van een gedraging. Een onderzoeker kan bijvoorbeeld geïnteresseerd zijn in hoe lang mensen oogcontact hebben tijdens een gesprek.

  4. Soms willen onderzoekers de kwaliteit en de intensiteit van een gedraging bestuderen. Een wetenschapper kan zich bijvoorbeeld afvragen hoe hard een kind huilt wanneer hij of zij gepest wordt. Dit kan gedaan worden door middel van observationele beoordelingsschalen. Het gehuil van een kind kan bijvoorbeeld op een driepuntsschaal beoordeeld worden (1 = huilt niet, 2 = huilt gemiddeld en 3 = huilt hard). Bij het beoordelen van het gehuil van een kind is er natuurlijk wel altijd sprake van een mate van subjectiviteit. Daarom is het belangrijk dat er niet-ambigue criteria zijn die bijvoorbeeld ‘gemiddeld huilen’ en ‘hard huilen’ onderscheiden.

De betrouwbaarheid van observationele methoden vergroten

Bij observationele observatiesystemen moet sprake zijn van interrater betrouwbaarheid (‘interrater reliability’). Het gaat hierbij om de mate waarin de observaties van twee onafhankelijke onderzoekers overeenkomen. Als de interrater betrouwbaarheid laag is, dan betekent dit dat de onderzoekers het observatiesysteem niet op dezelfde manier gebruiken. De betrouwbaarheid van observationele observatiesystemen kan op twee manieren verhoogd worden: (1) door gebruik te maken van duidelijk gedefinieerde operationele definities en (2) door van tevoren als onderzoekers met elkaar te praten over hoe gedragingen gecodeerd, vergeleken en besproken zullen worden.

Fysiologische metingen en neurologische testen

De neurowetenschap (‘neuroscience’) is een interdisciplinair veld dat zich bezighoudt met de biochemische, anatomische, fysiologische, genetische en ontwikkelingsgerelateerde processen waar het zenuwstelsel invloed op heeft. Veel neurowetenschappers zijn benieuwd naar de vraag hoe veranderingen in de hersenen en het zenuwstelsel gerelateerd zijn aan psychologische verschijnselen zoals perceptie, gedachten en emotie. Psychofysiologische en neurowetenschappelijke metingen kunnen in vijf categorieën verdeeld worden: metingen van (1) neurale elektrische activiteit, (2) neuroimaging, (3) de activiteit van het autonome zenuwstelsel, (4) bloed en speeksel en (5) uiterlijke responsen:

  1. Metingen van neurale elektrische activiteit: Het meten van elektrische activiteit in de hersenen kan bijvoorbeeld door middel van EEG-scans. Hiermee kunnen hersengolven gemeten worden doordat elektroden op de schedel worden bevestigd. Dit leidt ertoe dat de elektrische activiteit van de hersenen geanalyseerd kan worden.
    Soms brengen wetenschappers de elektroden in in bepaalde lichaamsdelen, bijvoorbeeld in de spieren, om te bekijken wat de fysiologische reacties zijn op bijvoorbeeld stress en emoties.

  2. Neuroimaging: met deze methode kunnen wetenschappers zien hoe de hersenen in elkaar zitten en wat voor activiteit zich in de hersenen voordoet. Het is te verdelen in twee soorten: structurele en functionele neuroimaging. Structurele neuroimaging wordt gebruikt om de fysieke structuur van het brein te onderzoeken. Functionele neuroimaging wordt gebruikt om de activiteit in het brein te meten. Een voorbeeld van functionele neuroimaging is de fMRI. Hierbij wordt het hoofd van een persoon in een soort grote scanner gelegd. Deze scanner zorgt voor een sterk magnetisch veld. Hersengebieden waar veel zuurstof en bloed naartoe gaat zijn actiever dan hersengebieden waar minder zuurstof en bloed naartoe gaat.

  3. Activiteit van het autonomische zenuwstelsel: in dit geval worden bijvoorbeeld de hartslag, bloeddruk of de lichaamstemperatuur gemeten.

  4. Bloed en speeksel: fysiologische processen worden gemeten door bloed en speeksel te analyseren. In het bloed kan bijvoorbeeld een verhoogde hoeveelheid testosteron zitten. Dit duidt op agressie.

  5. Uiterlijke responsen: in dit geval worden lichamelijke reacties gemeten die wel met het blote oog te zien zijn, maar die gemeten moeten worden met een speciaal meetinstrument. Bij het onderzoeken van de gezichtsuitdrukking die bij schaamte hoort kunnen bijvoorbeeld speciale sensoren aangebracht worden op het gezicht die meten of iemand bloost.

Neurowetenschappelijke en fysiologische methoden worden niet vaak gebruikt. Onderzoekers zijn namelijk meestal niet perse geïnteresseerd in fysiologische reactie zelf. Deze fysiologische reactie is voor hen alleen interessant als het een indicator is voor een ander fenomeen. Een verandering in het gezicht wordt bijvoorbeeld niet gemeten om naar de beweging van de spieren te kijken, maar bijvoorbeeld om de bijbehorende emotie vast te stellen.

Zelfrapportages

Onderzoekers naar gedrag maken het liefst gebruik van directe observatie. Soms is dat echter niet mogelijk, bijvoorbeeld door ethische redenen. Ook bij het meten van iets als emoties of gedachten, is zelfrapportage een goede optie. Er zijn twee soorten zelfrapportages: (1) vragenlijsten (‘questionnaires’): vragen worden op papier beantwoord en (2) interviews: de onderzoeker stelt verbaal vragen en de deelnemer beantwoordt deze ook verbaal. Bij beide soorten zelfrapportages kan er gebruik gemaakt worden van single-item meetinstrumenten en van multi-item meetinstrumenten. Een item is een onderdeel van de vragenlijst dat een bepaalde reactie uitlokt bij degene die de vragenlijst invult. Het kan om een stelling gaan, maar ook om een vraag. Van een single-item meetinstrument is sprake wanneer de vraag (het item) niet wordt gekoppeld aan andere items. De items staan hier volledig los van elkaar. Bij een multi-item meetinstrument worden de verschillende items (die hetzelfde construct meten) juist wel aan elkaar gekoppeld. Een multi-item meetinstrument zorgt voor meer betrouwbaarheid en validiteit dan een single-item meetinstrument.
Voor het samenstellen van zowel interviews als vragenlijsten is het van belang om op de volgende zaken te letten:

  • Vragen moeten specifiek zijn en op een precieze manier geformuleerd worden. Dit zorgt ervoor dat elke vraag goed wordt geïnterpreteerd en begrepen.

  • Vragen moeten zo simpel mogelijk geformuleerd worden. Moeilijke woorden moeten dus zo veel mogelijk vermeden worden. Het is niet verstandig om meer dan 20 woorden per item te gebruiken.

  • Er moeten geen aannames worden gemaakt over de deelnemers. Onderzoekers denken vaak dat andere mensen precies zoals zij zijn. Dit hoeft echter niet het geval te zijn. Als onderzoeker moet je hier rekening mee houden.

    De vraag ‘hoe is je relatie met je moeder?’ kan heel natuurlijk aanvoelen, omdat een onderzoeker bijvoorbeeld zelf een moeder heeft. Andere mensen kunnen echter geadopteerd zijn of zonder moeder opgegroeid zijn.

  • Voorwaardelijke informatie moet voorafgaan aan het belangrijkste deel van de vraag. Dit betekent dat het beter is om ‘als een goede vriend een lange tijd depressief is, zou je hem dan een psycholoog aanraden?’ te zeggen in plaats van ‘zou je een goede vriend een psycholoog aanraden als hij lange tijd depressief is?’

  • Gebruik niet een vraag waar meer dan één vraag in verwerkt is. Een voorbeeld is ‘eet je gezond en sport je regelmatig?’

  • Kies een goed antwoordformaat. Het antwoordformaat (‘respons format’) gaat over de manier waarop een deelnemer dient te antwoorden op het item. Er zijn drie soorten antwoordformaten:

    1. Een open vraag (‘free-respons format’ of ‘open-ended format’): de deelnemer mag het antwoord geven dat hij zelf wil; hij hoeft nergens uit te kiezen, enkel met ‘waar’ en ‘onwaar’ te antwoorden. De nadelen van open vragen (‘free-respons format’) zijn (1) dat de deelnemer zelf moet bedenken hoe uitgebreid het antwoord moet zijn en (2) dat het moeilijk is voor de onderzoeker om deze te antwoorden te coderen en te analyseren.

    2. Een beoordelingsschaal antwoordformaat (‘a rating response format’): dit zijn antwoordmogelijkheden die verschillen in intensiteit, bijvoorbeeld vijf antwoordmogelijkheden van ‘helemaal niet mee eens’ tot ‘helemaal mee eens’. Een voorbeeld hiervan is een 7-puntsschaal.

    3. Een laatste mogelijkheid is het multiple choice (‘multiple choice’/’fixed-alternative respons format’): dit zijn antwoordmogelijkheden die duidelijk verschillen. Anders dan bij een beoordelingsschaal antwoordformaat verschillen de antwoordmogelijkheden hier niet alleen in intensiteit, maar op veel meer gebieden. Een voorbeeld van de laatste categorie is iemands mening vragen over abortus en de volgende mogelijkheden bieden: (1) ‘ik ben tegen abortus in alle situaties’, (2) ‘ik keur abortus alleen goed in bepaalde situaties, bijvoorbeeld als het leven van een vrouw in gevaar is’ en (3) ‘ik vind dat een vrouw dat zelf moet weten’. Een waar-onwaar antwoordformaat (‘true-false response format’) is een variant op de multiple-choice mogelijkheid.

  • Probeer de vragen eerst uit. Als het mogelijk is dient een onderzoeker de vragen eerst uit te proberen om te zien of deze wel duidelijk genoeg zijn.

Vragenlijsten

Vragenlijsten worden vaak gebruikt in de psychologie. Door middel van vragenlijsten kunnen mensen meer vertellen over hun gevoelens, gedachten en levensstijl.

Ook op de werkvloer proberen werkgevers een beeld van sollicitanten te krijgen door hen vragenlijsten in te laten vullen. Soms moeten onderzoekers nieuwe vragenlijsten ontwerpen, maar vaak kunnen ze eerder gepubliceerde vragenlijsten gebruiken. Dit omdat eerder publiceerde vragenlijsten vaak bewezen betrouwbaar en valide zijn en in meerdere onderzoeken gebruikt zijn. Het ontwerpen van nieuwe vragenlijsten neemt daarnaast veel tijd in beslag en is riskant. Er zijn vier belangrijke punten als het aankomt op vragenlijsten: (1) ze zijn vaak gepubliceerd in wetenschappelijke artikelen, (2) er zijn boeken geschreven waarin staat hoe vragenlijsten kritisch geëvalueerd moeten worden, (3) er zijn databases op het internet te vinden die psychologische meetinstrumenten beschrijven en (4) sommige vragenlijsten zijn alleen te koop bij uitgevers, waardoor je er moeilijk aan kunt komen.

Interviews

Een interview rooster (‘interview schedule’) staat voor de vragen die gebruikt worden in een interview. Hieronder worden een aantal tips gegeven om een interview zo goed mogelijk te laten verlopen. Hiermee wordt tevens de kwaliteit van de antwoorden van de proefpersonen verhoogd.

  • Zorg voor een fijne sfeer. Hierdoor voelt de proefpersoon zich op zijn gemak.

  • Wees vriendelijk en geïnteresseerd in de deelnemer.

  • Geef geen (gezichts)reacties (die jouw persoonlijke mening laten zien) op de antwoorden van de deelnemer.

  • Zorg ervoor dat er een logische opbouw in het interview zit en begin met de makkelijke vragen.

  • Stel vragen precies zoals deze op papier staan.

  • Leidt de deelnemer niet in een bepaalde richting.

Wat zijn de voordelen van vragenlijsten en interviews?

Zowel vragenlijsten als interviews hebben hun eigen voor- en nadelen. Voor het afnemen van vragenlijsten is minder training nodig, ze zijn goedkoper en nemen minder tijd in beslag dan interviews. Als een onderzoek over gevoelige onderwerpen gaat, dan is een vragenlijst handiger, omdat de anonimiteit van de deelnemers hierbij gegarandeerd kan worden. Deelnemers zullen daarom waarschijnlijk eerlijker zijn bij vragenlijsten dan bij interviews. Interviews zijn juist handiger voor analfabeten, kinderen, mensen met cognitieve gebreken en andere mensen die om wat voor reden dan ook geen vragenlijsten kunnen invullen. Daarnaast kan de onderzoeker bij een interview zeker weten of de deelnemer de vraag begrepen heeft. Bovendien kan er bij een interview meer gedetailleerde informatie worden gevraagd bij complexe onderwerpen.

Welke fouten zijn mogelijk in zelfrapportages?

Er zijn drie soorten fouten (bias) mogelijk bij zelfrapportages:

  1. De sociale wenselijkheidsfout (‘social desirability respons bias’): soms willen mensen niet toegeven dat ze bepaalde gedachten hebben of bepaalde gedragingen uitvoeren, omdat ze weten dat het geen sociaal geaccepteerde gedachten of gedragingen zijn. Door sociale wenselijkheid worden de proefpersonen minder eerlijk. Dit verlaagt de validiteit van het meetinstrument. Sociale wenselijkheid is nooit helemaal te elimineren, maar de kans op dit verschijnsel kan wel verkleind worden. Dit kan bijvoorbeeld door neutrale vragen te stellen of aan deelnemers duidelijk te maken dat ze hun antwoorden geheel anoniem kunnen worden verwerkt. In observationeel onderzoek moeten de onderzoekers zo onopvallend mogelijk staan opgesteld. Hierdoor voelen de proefpersonen zich minder bekeken, en gaan ze zich natuurlijker gedragen.

  2. Goedvinden (‘acquiescence’): dit is de neiging die sommige mensen hebben om het eens te zijn met stellingen zonder te kijken naar de inhoud van deze stellingen.

  3. Afwijzen (‘nay-saying’): dit is de neiging die sommige mensen hebben om het oneens te zijn met stellingen zonder te kijken naar de inhoud van deze stellingen. Uit onderzoek blijkt dat goedvinden en afwijzen maar een klein effect hebben op de validiteit van zelfrapportages als mensen maar hetzelfde aantal mogelijkheden hebben om het niet en wel eens te zijn met stellingen.

Wanneer wordt archiefmateriaal?

Archiefmateriaal (‘archival data’) wordt gebruikt door wetenschappers om bestaande data (zoals brieven, rechtbankuitspraken en krantenartikelen) te analyseren. Archiefmateriaal is handig wanneer (1) psychologische en sociale gebeurtenissen in het verleden bestudeerd moeten worden, (2) sociale en gedragsmatige veranderingen door de jaren heen bestudeerd moeten worden, (3) sommige onderwerpen waar archiefmateriaal noodzakelijk voor is bestudeerd moeten worden, (4) een gebeurtenis bestudeerd wordt die eerder voorgekomen moet zijn (en het dus niet mogelijk is om te wachten totdat de gebeurtenis zich weer voordoet) en (5) er grote hoeveelheden data nodig zijn over bepaalde gebeurtenissen die plaatsvinden in de ‘echte’ (niet-gemanipuleerde) wereld.

Het grote nadeel van archiefonderzoek is dat de onderzoeker zich tevreden moet stellen met de informatie die beschikbaar is. Vaak is er echter niet genoeg informatie over het onderwerp te vinden. En zelfs als er wel genoeg informatie beschikbaar is, blijft de onderzoeker zitten met de vraag of de informatie waar hij of zij gebruik van maakt wel voldoende betrouwbaar en valide is.

Inhoudsanalyse

Vaak moet de inhoud (‘content’) bestudeerd worden van wat proefpersonen zeggen tijdens een interview. Om dit te kunnen doen, moeten onderzoekers de verbale reacties van de proefpersonen omzetten in betekenisvolle data. Dit kan door middel van inhoudsanalyse (‘content analysis’). Het gaat hierbij om een set van procedures die ontworpen is om tekst om te zetten in numerieke data. Het doel van inhoudsanalyse is het classificeren van woorden, zinnen of andere eenheden van tekst in een aantal betekenisvolle categorieën. Het is hierbij niet van belang of de tekst geschreven of gesproken is.

  1. De eerste stap is besluiten wat voor soort tekst geanalyseerd moet worden. Gaat het bijvoorbeeld om zinnen of woorden?

  2. De volgende stap is vaststellen hoe de tekst gecodeerd moet worden. De onderzoeker moet een keuze maken tussen twee mogelijkheden: (1) de tekst classificeren in verschillende categorieën en (2) elk stuk tekst beoordelen op specifieke dimensies, bijvoorbeeld door middel van een vijfpuntsschaal. Er moeten duidelijke regels vastgesteld worden om de tekst te classificeren of te beoordelen, zodat de interrater betrouwbaarheid zo hoog mogelijk is.

  3. Nadat deze regels gemaakt zijn, kan het coderen van start gaan. Er kunnen coderingssystemen bedacht worden voor de inhoudsanalyse, maar vaak is het handig om eerst te zoeken naar bestaande coderingssystemen. Er is ook een aantal computerprogramma’s ontworpen die teksten kunnen coderen.

Onderzoekers kunnen gebruik maken van observationele methoden, fysiologische methoden, zelfrapportages en archiefmateriaal. Al deze manieren van onderzoek kunnen worden gecombineerd met alle vier de onderzoeksmethoden die besproken zijn in hoofdstuk 1 (beschrijvend, correlationeel, experimenteel of quasi-experimenteel).

In een correlationeel onderzoek kan een wetenschapper bijvoorbeeld de verlegenheid van de deelnemers observeren, hun fysiologische reacties meten tijdens sociale interactie, van hun verwachten dat ze vragen beantwoorden (zelfrapportage) en een dagboek bijhouden dat later bestudeerd kan worden (archiefmateriaal). In dit deel wordt achtereenvolgens ingegaan op (1) observationele methoden, (2) fysiologische methoden, (3) zelfrapportages en (4) archiefmateriaal.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Psychology Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2560 1
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector