Samenvatting van Applied Social Psychology: Understanding and Managing Social Problems van Steg e.a. - 2e druk

Samenvatting bij Applied Social Psychology: Understanding and Managing Social Problems

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Wat is toegepaste sociale psychologie? - Chapter 1

    Wat is toegepaste sociale psychologie? - Chapter 1

    Wat is sociale psychologie?

    Maatschappelijke problemen omvatten vaak sociale aspecten die zijn gevestigd in menselijk denken en gedrag. Sociaal psychologen spelen daarom een belangrijke rol bij oplossingen en preventies van dergelijke problemen. Veranderingen in houding, gedrag, waarden en leefstijlen zijn nodig om deze problemen op te lossen. Allereerst is het belangrijk te begrijpen welk gedrag het probleem veroorzaakt. Ten tweede moet er gekeken worden welke factoren het gedrag beïnvloeden. Daarna moeten passende interventies gevonden worden.

    Sociaal psychologen spelen daarnaast een rol bij het evalueren van interventies, waarbij wordt gekeken naar de uitkomst en het proces. Sociale psychologie is de wetenschap die de aard van het denken en de oorzaak van individueel gedrag in sociale situaties wil begrijpen. Toegepaste sociale psychologie is de systematische toepassing van sociaal psychologische constructen, uitgangspunten, theorieën, interventietechnieken, onderzoeksmethoden en onderzoeksresultaten om sociale problemen te begrijpen of te verbeteren.

    Overeenkomsten tussen fundamentele en toegepaste sociale psychologie

    Theorieën helpen de toegepast sociaal psychologen bij het uitvoeren van hun werk. Daarnaast draagt de toegepaste sociale psychologie bij aan fundamentele psychologische principes, theorieën en interventietechnieken door theorieën op validiteit te testen. Nieuwe vragen die gebaseerd zijn op toegepast onderzoek kunnen leiden tot de ontwikkeling of aanpassing van een nieuwe theorie.

    Verschillen tussen fundamentele en toegepaste sociale psychologie

    Fundamenteel sociaal psychologen zijn geïnteresseerd in het ontwikkelen en testen van theorieën. Vanuit wetenschappelijke nieuwsgierigheid onderzoeken zij bepaalde fenomenen. Ze gebruiken de deductieve benadering, waarbij ze onderzoeken of een theorie zinvol is voor het begrijpen van sociaal gedrag.

    Toegepaste sociaal psychologen zijn geïnteresseerd in het begrijpen en oplossen van praktische problemen. Ze voeren onderzoeken uit die bijdragen aan het oplossen van sociale problemen om uiteindelijk de kwaliteit van leven te verbeteren. Het ontwikkelen van nieuwe theorieën is niet het hoofddoel en ze baseren zich op bestaande kennis. Ze gebruiken de inductieve benadering, waarbij ze onderzoeken in welke mate verschillende theorieën helpen bij het begrijpen van een sociaal probleem en welke de beste verklaring geeft.

    Het combineren van fundamenteel en toegepast werk is waardevol. Toegepaste onderzoeken leiden soms tot theoretische doorbraken (fundamentele kennis). Daarnaast komen fundamentele benaderingen naar voren uit toegepaste onderzoeken en geven zo inzicht in een probleem. Een voorbeeld van een fundamentele benadering is 'Loss Aversion'. Hierbij veranderen individuele voorkeuren wanneer dezelfde uitkomst als verlies wordt gekenmerkt inplaats van als winst. Men heeft een voorkeur voor het voorkomen van verlies boven het behalen van een winst als beiden dezelfde uitkomst hebben. 

    Wat is 'de wetenschappelijke methode'?

    Wetenschappelijke methoden zijn afhankelijk van empirische tests (systematische observaties). De onderzoeken zijn zo opgezet dat de hypothese aangenomen of verworpen kan worden. De uitvoering is zodanig dat het onderzoek door andere onderzoekers geëvalueerd of gerepliceerd kan worden. ‘Common sense’ is vaak onbetrouwbaar en inconsistent (bias beïnvloed gedachten).

    Vier belangrijke waarden bij wetenschappelijk onderzoek zijn:

    1. Accuraatheid: zorgvuldig, precies en zonder fouten informatie verzamelen en evalueren (betrouwbare metingen).
    2. Objectiviteit: minimaliseren van bias bij verkrijgen en evalueren van data (subjects niet beïnvloeden door verwachtingen van de onderzoeker).
    3. Scepticisme: mate waarin resultaten zijn geverifieerd bepaald de accuraatheid ervan.
    4. Open-mindedness: bewijs als geldig accepteren ongeacht de consequenties.

    Fundamentele en toegepaste sociaal psychologen moeten zorgen voor een valide reflectie van een fenomeen. Daarnaast moeten zij zich ook houden aan de algemene ethische richtlijnen voor psychologen (‘Ethical principles of psychologists and code of conduct’ door APA). Ethische voorschriften specifiek voor sociale wetenschappers zijn:

    • Zoveel mogelijk vermijden van misleiding, ethische comités beslissen over gebruik hiervan.
    • Informed consent, het doel van onderzoek en impact ervan moet duidelijk zijn voor deelnemers.
    • Vermijden van inbreuk op privacy, de privacy van deelnemers moet gerespecteerd worden en persoonlijke gegevens moeten goed bewaard worden.
    • Er moet een debriefing plaatsvinden, waarbij deelnemers geïnformeerd worden over het onderzoek en misleiding wordt weggenomen.

    Het doel van wetenschap

    Wetenschap heeft vier verschillende doelen, namelijk beschrijven, voorspellen, onderzoeken van causaliteit en het geven van verklaringen.

    • Beschrijving: identificeren en specificeren van details en aard van het fenomeen (belangrijke stap om fenomenen te begrijpen). Vaak worden verschillende typen fenomenen onderscheiden en de frequentie en het voorkomen worden vastgelegd.
    • Predictie: verhoogt het begrijpen van een fenomeen, hierbij is het nodig dat men weet welke factoren systematisch gerelateerd zijn aan het fenomeen. Een derde variabele kan verantwoordelijk zijn voor het bestaan van een verband (zelfvertrouwen zou invloed kunnen hebben op gezondheid en sociale relaties).
    • Causaliteit: of veranderingen van een factor veranderingen in een andere factor teweegbrengen.
    • Verklaring: vaststellen waarom een fenomeen of relatie voorkomt.

    Gedrag en cognities

    Gedrag en gedachten worden gevormd door verschillende factoren die met elkaar interacteren. Individuele factoren zijn de interpersoonlijke karakteristieken en processen. Er zijn individuele verschillen in cognitieve processen en in de mate waarin een persoon bepaald gedrag vertoond. Sociale factoren zijn de effecten van meningen en acties van andere mensen op ons gedrag en gedachten. Het gedrag van individuen wordt sterk beïnvloed door de sociale situatie. Dit wordt aangetoond door onderzoeken van Milgram, het experiment van Asch en het Stanford prison experiment. Deze laatste laat zien dat je bijna alle mensen iets kunt laten doen door de kracht van de situatie, ongeacht de morele waarden of persoonlijke overtuigingen van deelnemers. Situationele factoren zijn de contextuele factoren die ons gedrag en onze gedachten kunnen beïnvloeden.

    Populatiedichtheid is belangrijker voor helpend gedrag dan cultuur of etniciteit. Mensen in steden waarvan de populatie verspreid is vertonen meer helpend gedrag dan mensen in steden waarvan de populatie opeengepakt is. Dit komt door de ‘stimulus overload-theory’). Culturele factoren zijn de culturele waarden die cognities en gedrag beïnvloeden. Cultuur is het systeem van gedeelde meningen, percepties en opvattingen van personen die tot dezelfde groep behoren. Culturele normen (sociale regels over hoe mensen zich in sociale situaties moeten gedragen) en waarden beïnvloeden het gedrag en de gedachten sterk. Biologische factoren zijn de biologische processen en genetische factoren die het gedrag en de gedachten beïnvloeden. Een groot aantal geëvolueerde psychologische mechanismen helpen te overleven en reproduceren.

    Kenmerken van toegepaste psychologie

    Verschillende factoren kunnen een sociaal probleem veroorzaken, daarom zijn er verschillende theoretische perspectieven nodig om problemen te begrijpen.

    Sommige theorieën zijn beter toepasbaar dan andere, dit hangt af van het probleem. Theorieën over stereotypering zijn bijvoorbeeld relevant bij het begrijpen van discriminatie van vrouwen of minderheidsgroepen. Multipele onderzoeksdesigns zijn nodig bij het onderzoeken van sociale problemen. Het enedesign is niet beter dan het andere, elk design heeft sterke en zwakke kanten. Voor het kiezen van interventietechnieken is het van belang de factoren te kennen die bijdragen aan het probleem.

    Kennis en methoden van sociale psychologie zijn zeer bruikbaar bij het bereiken van sociale doelen. Welk gedrag is meest problematisch of invloedrijk en welke strategieën zijn het meest succesvol? Daarnaast moet er gekeken worden naar de kosteneffectiviteitsratio (massamedia campagnes in tegenstelling tot individuele informatie). Dus vooraf kosten en effectiviteit van interventies inschatten. Statistische significantie is niet genoeg voor de praktijk, het resultaat moet ook iets betekenen. Vaak is het belangrijker om de effectgrootte (sterkte van het verband tussen 2 variabelen) te bekijken. De sterkte van de correlatie ten opzichte van de hoeveelheid verklaarde variantie zegt echter niet alles.

    Veel toegepast onderzoek wordt gedaan in opdracht van een cliënt of instantie. Dit betekent veel deadlines, weinig tijd om na te denken, weinig gelegenheid tot ontwikkelen van nieuwe onderzoekslijnen als deze geen resultaten bevatten die toepasbaar zijn in de praktijk op korte termijn. Duidelijke communicatie (geen onnodige moeilijkheden of technisch jargon) vergroot de sociale bruikbaarheid van de resultaten voor wetenschappers en niet-wetenschappers. Onderzoeksresultaten worden gepubliceerd in bijvoorbeeld algemene of gespecialiseerde sociaal psychologische tijdschriften. Beleidsmakers zijn geïnteresseerd in beschrijvende resultaten en variabelen die gemanipuleerd kunnen worden door sociale programma’s. Er is geen garantie dat ontwikkelde effectieve sociale programma’s in uitvoer worden gebracht: er spelen meerdere belangen mee waardoor compromissen moeten worden gesloten.

    Niet alle factoren zijn sociaal psychologisch van aard, ze kunnen ook economisch, politieke/organisatorisch of sociologisch zijn. Sociaal psychologen moeten zich dus bewust zijn van bijdragen en kennis van andere disciplines (welke disciplines hangt van het probleem af). Sociaal psychologen kunnen niet alle relevante kennis van andere disciplines bezitten, daarom is samenwerken met andere disciplines nodig in de vorm van multi- of interdisciplinair onderzoek. Dit draagt bij aan de ontwikkeling van effectieve interventies.

    Multidisciplinair werken heeft ook nadelen. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende termen voor hetzelfde fenomeen en kost het tijd om verschillende perspectieven te begrijpen en te erkennen. Toch wordt deze werkwijze verkozen boven monodisciplinair werken.

    Toegepaste sociaal psychologen moeten zich bewust zijn van hun persoonlijke waarden, omdat deze hun werk beïnvloeden. In sommige gevallen zijn deze in strijd met de waarden van andere groepen, dit is normaal in een pluralistische en multiculturele samenleving. Zelfs op een individueel niveau is er strijd tussen waarden. Persoonlijke waarden beïnvloeden de methoden om de onderwerpen te onderzoeken niet, wetenschappelijke waarden, zoals accuraatheid en objectiviteit, staan hier namelijk boven. 

    Toegepaste sociaal psychologen doen onderzoek in het veld (natuurlijke omgeving). Ze zijn minder geneigd om 'true experiments' uit te voeren en meer geneigd om quasi-experimenten of correlationele designs te gebruiken.

    Wat zijn theorieën precies?

    Een theorie is een geïntegreerde set van principes die geobserveerde gebeurtenissen beschrijft, verklaart en voorspelt. Het is de basis van het begrijpen van gedrag en het zou de fundering moeten zijn van de pogingen om het gedrag te veranderen. Theorieën zijn slechts ideeën die goed of fout kunnen zijn. Principes zijn geïntegreerd in theorieën en geven een verklaring over de werking van een psychologisch proces (waardoor mensen denken, voelen e.d.), voorbeelden zijn:

    • De voet–in-de deur techniek: in korte tijd eerst een klein verzoek doen en daarna een groter gerelateerd verzoek.
    • Cognitive dissonance: bij twee conflicterende gedachten de dissonantie proberen te verminderen
    • Availability heuristic: de waarschijnlijkheid of frequentie van een gebeurtenis beoordelen a.d.h.v. de gemakkelijkheid waarmee die je te binnen schiet. 

    Constructen zijn de bouwstenen van psychologische theorieën en principes en geven individuele karakteristieken weer die niet direct te observeren zijn, zoals houdingen, waarden, sociale normen en affectieve, motivationele en cognitieve aspecten van gedrag. Psychologen moeten constructen nauwkeurig definiëren.

    Modellen integreren theorieën en principes. Ze beschrijven verschillende processen die aan causaal aan elkaar verbonden zijn. Een hypothese wordt uit een theorie afgeleid en is een toetsbare voorspelling. Hypotheses zijn specifieke verklaringen van gedrag in tegenstelling tot theorieën. Met empirische observaties wordt de accuraatheid van hypotheses getest.

    Een theorie heeft de volgende doelen:

    • Het structureren van probleemsituaties.
    • Het vinden van factoren die het gedrag of de cognities veroorzaken.
    • Hierdoor leiden ze het onderzoek en geven ze een richting aan die een bepaalde oplossing met zich meebrengt.
    • Helpen bij het begrijpen en interpreteren van onderzoeksresultaten (verbanden?, toekomstig onderzoek nodig?) en bij het ontwikkelen van interventies.

    Theorieën geven een fundering om sociale problemen te begrijpen en op te lossen. Toegepaste sociaal psychologen raadplegen deze dan ook als eerste. Theorieën zijn het beginpunt voor het ontwikkelen van een interventie. Introspectie kan dienen als het beginpunt, maar sociaal psychologische theorieën verschaffen intuïtieve en contra-intuïtieve ideeën. Het is belangrijk om de functies van een theorie in de toegepaste sociale psychologie te begrijpen, omdat zo de relevantie van een theorie kan worden bepaald. De primaire functies zijn:

    • Begrijpen: theorieën geven verklaringen van sociaal gedrag. Ze helpen bij het analyseren van het probleem en het maakt je iets duidelijk over de situatie. Theorieën ondergaan testen, zoals nauwkeurige wetenschappelijke onderzoeken. Dit wil niet zeggen dat ze waar zijn in absolute zin, bijvoorbeeld de knowledge-deficit model van gedrag is erg beperkt (kennis is niet voldoende als motiverende kracht bij bijvoorbeeld energiebezuiniging, roken en diabetes). Deze voorbeelden die gefaald hebben leren ons net zoveel als (of zelfs meer dan) succesvolle voorbeelden en ze laten zien dat het belangrijk is om een sociaal psychologische theorie te koppelen aan interventie.
    • Oplossen: goede theorieën laten manieren zien om problematisch gedrag te veranderen en daardoor werken ze in de richting van een oplossing: het leiden en informeren over de ontwikkeling van interventies. Vb. van interventies: training en educatie (voor motivatie) of structurele veranderingen (een aansporing programma).
    • Evalueren: theorieën worden praktisch in toegepaste psychologie en dit moet zorgvuldig gedaan worden: constructen en principes zodanig kiezen dat hypotheses getest kunnen worden, data systematisch verzameld kan worden en onderzocht kan worden of een theorie (on)juist is om gedrag in ‘echte wereld’ te verklaren (met interventie). Action research model: de cyclus begint opnieuw om de situatie opnieuw te analyseren, de interventie te verfijnen, het uit te voeren en de situatie en relevantie van theorie opnieuw te bepalen.

    Wat is het voordeel van interdisciplinair onderzoek?

    Sociale problemen hebben vaak verschillende oorzaken. Daarom is het handig om verschillende onderzoeksvelden te combineren. Hiervoor is het voor de sociale psycholoog dus belangrijk om goed samen te kunnen werken met andere disciplines. Een nadeel van zo'n interdisciplinaire aanpak is dat termen onderling kunnen verschillen.

    Wat is de rol van toegepaste sociaal psychologen?

    In de praktijk combineren toegepaste sociaal psychologen vaak de verschillende rollen van onderzoeker, consultant en beleidsadviseur. 

    Onderzoeker

    De onderzoeker draagt bij aan het oplossen van sociale problemen door factoren van gedrag die sociale problemen veroorzaken te onderzoeken, effecten van interventie op cognitie en gedrag te evalueren en bij niet succesvolle interventies te onderzoeken hoe de effectiviteit vergroot kan worden en effecten van interventies op sociale problemen en individuele kwaliteit van leven te evalueren.

    De resultaten van het onderzoek en het proces zelf worden geëvalueerd. Onderzoekers zijn te vinden op universiteiten, universiteitsraden en onderzoeksinstituten van de overheid.

    Consultant

    Dit is de meest voorkomende rol van de toegepaste sociale psycholoog. De taak van een consultant is het assisteren van individuen, groepen, organisaties of gemeenschappen om hun problemen op te lossen. Ze houden zich daarnaast bezig met trainen en ontwikkelen, marketing, communicatie, coachen, managen en publieke relaties. Algemeen gezien houden ze zich bezig met assisteren en adviseren om prestatie, verschijning of kwaliteit van leven te verhogen.

    Beleidsadviseur

    De beleidsadviseur is betrokken bij publieke en overheidsinstellingen en -aangelegenheden of gemeenteorganisaties. Ze adviseren beleidsmakers bij het veranderen van hun cognities en gedrag om sociale problemen op te lossen en ze assisteren instellingen en organisaties bij het ontwerpen van interventieprogramma’s.

    Beleidsadviseurs zijn werkzaam in interdisciplinaire omgevingen, vanwege de verschillende factoren die meespelen bij een sociaal probleem.

    Access: 
    Public
    Wat is de rol van theorieën in toegepaste sociale psychologie? - Chapter 2

    Wat is de rol van theorieën in toegepaste sociale psychologie? - Chapter 2

    Wat is de rol van theorie in de sociale psychologie?

    Sociaal psychologen gebruiken theorieën om sociale problemen te begrijpen en op te lossen. Ook zijn theorieën het startpunt voor het opstellen van interventies. Zonder theorieën zou men gebruik moeten maken van 'gezond verstand', wat vaak niet tot de beste oplossingen leidt. Daarnaast zorgen theorieën ervoor dat er één taal ontstaat die wordt gebruikt om sociale problemen te bespreken. 

    Welke theorieën zijn er in de sociale psychologie?

    Er zijn meerdere theorieën over sociaal denken:

    De attributietheorie

    Sociaal denken gaat over de manier waarop we denken over ons zelf en onze omgeving. Dit komt voort uit de manieren waarop we sociale informatie verzamelen, organiseren en interpreteren en wordt ook wel sociale cognitie genoemd. De attributietheorie stelt dat mensen proberen gedrag van henzelf en anderen te verklaren. Mensen maken interne attributies (over de persoon) en externe attributies (over de situatie). Een van de eerste uitkomsten van de theorie is de fundamentele attributiefout. Individuen schrijven hun slechte gedrag toe aan externe oorzaken en het slechte gedrag van anderen aan interne oorzaken. Het omgekeerde geldt voor goed gedrag. Attributies helpen ons niet in alle gevallen mensen te begrijpen en situaties te interpreteren, het resulteert soms in bias of disfunctie tussen (groepen) mensen. De theorie kan daarom helpen bij een aantal sociale problemen zoals depressie en huwelijksproblemen. Disfunctionele patronen van sociaal denken kunnen doorbroken worden door middel van interventie. Onderstaande theorieën zijn het meest prominent met betrekking tot sociaal denken.

    De cognitieve dissonantie theorie

    Een andere theorie heeft betrekking op het onderzoeken van attitudes, de evaluatie van een object. Het veranderen van een attitude brengt vaak geen overeenkomende verandering in gedrag teweeg, dit heet het knowledge-deficit model. De cognitieve dissonantie theorie verklaart dat het psychologisch oncomfortabel is om tegenstrijdige gedragingen en houdingen te hebben. Er zou een relatie zijn tussen houdingen, overtuigingen en gedragingen over het zelf en over de omgeving. Twee elementen kunnen consonant, dissonant of irrelevant zijn. Oplossingen voor dissonantie zijn het gedrag veranderen, de houding veranderen of nieuwe cognities toevoegen om een van de dissonantie-elementen te versterken (dissonante houdingen en gedragingen kunnen dan gehouden worden). Als mensen weinig of geen keus hebben in hun acties kunnen ze door hun attitudes te veranderen toch de hoeveelheid dissonantie verminderen.

    De Theory of Planned Behavior (TPB)

    De Theory of Planned Behavior (TPB) verklaart de relatie tussen houding en gedrag, dit is een zwakke relatie. De theorie wordt als raamwerk gebruikt bij het onderzoeken van sociale problemen. Psychologische constructen worden gelinkt en de centrale ligging van intenties wordt benadrukt bij het begrijpen van het gedrag. Volgens deze theorie is de beste voorspeller van gedrag de intentie om iets te doen, welke veroorzaakt wordt door drie constructen, namelijk attitudes (evaluatie), subjectieve normen en waargenomen gedragscontrole.

    De theorie volgt het compatibiliteitsprincipe, wanneer hetzelfde niveau van meting wordt gebruikt bij het vaststellen van de genoemde constructen (de intentie en het gedrag) dan is het waarschijnlijk dat de gedragsintentie en het gedrag door de uitkomst worden voorspeld. Vragen die we willen stellen moeten net zo specifiek zijn als het te voorspellen gedrag.

    Theorieën over sociale invloed

    Sociale invloed gaat over de vraag hoe de sociale omgeving onze gedachten, gedrag en gevoelens beïnvloedt. Veel sociaal psychologen gebruiken deze theorie omdat bij het oplossen van sociale problemen bijna altijd mensen moeten worden beïnvloed om gedrag of houding te veranderen. In tegenstelling tot overtuigen is imitatie meer automatisch proces. Het is subtiel en heersend, meestal onopzettelijk maar soms niet opzettelijk als er kleine sociale beloningen zijn.

    Conformiteit is meestal een bewust proces (subtiel en niet vermeld), waarbij het gedrag wordt veranderd om consistent te zijn met de reële of ingebeelde sociale verwachtingen. Theorieën hierover zoeken naar omstandigheden waarin mensen hun gedrag aanpassen aan die van de groep. Kelman (1961) suggereert dat dit afhangt van de oriëntatie van die persoon t.o.v. de sociale verwachting (regel, rol of waarde georiënteerd).

    Volgzaamheid vindt plaats na een uitgesproken verzoek. Cialdini en Goldstein (2004) suggereren dat mensen gevolg geven aan een verzoek wanneer volgzaamheid resulteert in het waarmaken van doelen van het individu. Drie mogelijke doelen zijn:

    1. Het ontwikkelen of behouden van sociale relaties (band).
    2. Het verbeteren of behouden van zelfbegrip. 
    3. Het verminderen van dubbelzinnigheid en zo het verkrijgen van een accuraat gevoel van de realiteit (accuraatheid). Informatie over de juiste gedragslijn kan afgeleid worden van andere mensen in een situatie (sociale normen), een waargenomen autoriteit of de stemming.

    Gehoorzaamheid is gedragsverandering naar aanleiding van een expliciete vraag. Milgram’s gehoorzaamheidsonderzoeken laten zien dat een gewoon persoon beïnvloed kan worden om een andere persoon pijn te doen, mits de juiste omstandigheden aanwezig zijn. De nadruk ligt op rechtmatigheid bij dit soort theorieën. Eerder onderzoek naar conformiteit, volgzaamheid en gehoorzaamheid waren dramatisch en vervolgonderzoek verfijnde de onderliggende principes van invloed. Daarnaast koppelde vervolgonderzoek de principes aan elkaar in grote theoretische modellen, zoals het Elaboration Likelihood Model (ELM). Dit model geeft inzicht in de manieren waarop individuen op overtuigende boodschappen reageren en is daardoor een belangrijke fundering voor interventie.

    Twee verschillende routes voor overtuiging zijn de centrale route (kijkt naar inhoud van de boodschap) en de perifere route (oppervlakkig, kijkt of de boodschap ‘leuk’ is). Ze verschillen in de mate van cognitieve verwerking van de argumenten. Daarin zijn twee routes te onderscheiden:

    • Perifere route: weinig verwerking, de route is zwak, tijdelijk, makkelijk te veranderen en komt voor bij mensen die niet aandachtig/geïnteresseerd zijn.
    • Centrale route: uitgebreide verwerking, route is sterk, langdurend, resistent voor tegenargumenten en komt voor bij mensen die aandachtig en geïnteresseerd zijn.

    Theorieën over sociale relaties

    Veel theorieën over sociale relaties maken een onderscheid tussen 'ingroup' en 'outgroup'. Dit houdt in dat mensen vaak positieve gedachten hebben over zichzelf (en mensen in hun groep) en vaak negatieve gedachten over anderen (mensen in de outgroup). Dit leidt dus tot vooroordelen, vooral wanneer mensen onzeker zijn. Dit kan leiden tot stereotypering. Deze biases en stereotypes zijn over het algemeen automatisch en kunnen niet vermeden worden, ook al is men zich er bewust van dat het incorrect is. De eerste fase is beschikbaarheid van informatie over de groep waar die persoon bij hoort, de tweede fase is het wel of niet toepassen van deze informatie. Op deze manier kunnen we, als we willen, niet automatisch het stereotype beeld toepassen. Stereotypes kunnen leiden tot vooroordelen (ongerechtvaardigde negatieve houdingen t.o.v. een persoon op basis van zijn/haar groep). Deze link kan begrepen worden door motivatie. Intrinsiek gemotiveerde personen geloven dat het belangrijk is onbevooroordeeld te zijn. Een extrinsiek gemotiveerd persoon kan vooroordelen vermijden omdat ze niet door anderen bevooroordeeld willen worden. Motivatie kan intrinsiek of extrinsiek zijn, maar niet beiden tegelijk.

    Het gedrag dat volgt op negatieve stereotypes (cognitief) en bevooroordelingen (affectief) is discriminatie (gedrag), het ongelijk behandelen van een ander gebaseerd op het horen bij een bepaalde groep. De theory of identity maintenance verklaart dat gediscrimineerde groepen een positieve collectieve identiteit verschaffen die de eigenwaarde en het zelfvertrouwen beschermt door middel van de trots van de ingroup (eigen unieke identiteit).

    De contact hypothese onderzoekt hoe mensen beter met elkaar om kunnen gaan. De uitkomsten helpen de voorbodes van conflicten te herkennen en benadrukt een strategie van verzoening. Het bij elkaar brengen van groepen helpt niet.

    Vier vormen moeten aanwezig zijn om vooroordelen te verminderen:

    1. Groepen hebben gelijke status.
    2. Groepen hebben een gemeenschappelijk doel.
    3. Er is een intergroep samenwerking.
    4. Er is institutionele support.

    Een theorie die voorspelt welke strategiekeuze een persoon of groep zal maken wanneer er een conflict van interesse is, is het Dual Concern Model. Iedere partij heeft in elke conflict situatie twee belangen, belang voor zichzelf en belang voor anderen. De waarde van dit belang kan hoog of laag zijn. Laag-hoog leidt tot afstaan, laag-laag tot niks doen, hoog-laag tot strijden en hoog-hoog tot probleem oplossen.

    Als je de manier waarop een persoon of groep oordeelt of denkt kan veranderen, kan je de strategie die zij kiezen ook veranderen.

    Prosociaal gedrag (het helpen van anderen)

    Prosociaal gedrag wordt vaak verdeeld in twee categorieën:

    1. Prosociaal gedrag dat als doel heeft om relaties te herstellen.
    2. Prosociaal gedrag dat als doel heeft om relaties te versterken.

    In onderzoek is er meer aandacht voor relatie versterkend gedrag zoals helpen (verminderen van andermans last) en altruïsme (motivatie om iets te doen in het voordeel van een ander en geen persoonlijke voordelen ervoor terug willen). Een decision-making model van prosociaal gedrag, wat later de Social Impact Theory werd, verklaart helpend gedrag. Een eerste principe is de verspreiding van verantwoordelijkheid (als de groepsgrootte toeneemt, wordt de waarschijnlijkheid dat een individu actie onderneemt kleiner). Een tweede is pluralistisch onwetendheid (het kijken van mensen naar anderen als een bron van informatie om een situatie te interpreteren).

    Dit zie je ook terug bij drinkgedrag onder studenten. Er wordt overschat hoeveel medestudenten drinken. Normatieve feedback zou een effectief middel zijn om het aantal binge-drinkers te verlagen.

    Theorieën zijn er in verschillende vormen en groottes. Er is een ruw classificatiesysteem voor sociale psychologische theorieën die gebaseerd is op de definitie van sociale psychologie.

    Sociale invloed gaat over de vraag hoe de sociale omgeving onze gedachten, ons gedrag en onze gevoelens beïnvloedt. Veel sociaal psychologen gebruiken deze theorie omdat bij het oplossen van sociale problemen bijna altijd mensen moeten worden beïnvloed om gedrag en houding te veranderen. In tegenstelling tot overtuigen is imitatie een meer automatische vorm. Het is subtiel en heersend, meestal onopzettelijk, soms niet opzettelijk als er kleine sociale beloningen zijn.

    Wat zijn belangrijke overwegingen voor het toepassen van theorieën?

    Bij het gebruiken van theorieën in toegepast werk is het belangrijk een aantal overwegingen in het achterhoofd te houden, ondanks de voordelen.

    Ten eerste zijn niet alle sociale problemen identiek. Sommige problemen zijn specifiek en relatief simpel en andere problemen zijn multiply determined (vele variabelen veranderen om probleem op te lossen).

    Ten tweede is het soms nodig verschillende theorieën te combineren waardoor het moeilijk is aan de grenscondities te voldoen van elke theorie (wanneer gebruiken). Uitkomsten zijn dan minder voorspelbaar.

    Ten derde zijn predictie en verklaring niet gelijk bereikbaar. Het is moeilijk om voorspellingen te maken, verschillende uitkomsten kunnen voorspeld worden maar het hangt af van het theoretisch perspectief. Vele theorieën zijn ontwikkeld op basis van observaties en ze zijn subjectief. Sociaal psychologen maken voorspellingen op basis van uitkomsten van interventies, het ontwerpen van een interventie vereist voorspellingen. Duidelijke theorieën zijn beter in het verklaren van gedrag dan in het voorspellen van gedrag (met name in toegepaste setting).

    Ten vierde is de complexiteit van het probleem en de complexiteit van de theorie. Het is waarschijnlijker dat complexe theorieën de uitkomsten van het laboratorium voorspellen. Daarnaast zijn ze moeilijk te gebruiken in de echte wereld omdat ze vele delen bevatten. Als theorieën breder en groter worden bereiken ze een punt waarop ze bijna in alle situaties geschikt zijn. Een interventie baseren op een brede theorie is lastig omdat er zoveel constructen en principes zijn en het moeilijk is elk deel van de theorie aan de orde te stellen.

    Tenslotte is het herkennen van grenscondities in de echte wereld uitdagend en vereist het enige uitbreiding. Het gebruik van een theorie in toegepast werk is het koppelen van principes en constructen van de theorie aan de situatie in de echte wereld (maken van een interventie). Soms is het niet duidelijk of het gedrag dat het probleem veroorzaakt overeenkomt met de constructen. Of is het lastig een theorie geschikt te maken voor een echte situatie als de theorieën een statische staat beschrijven terwijl de situatie dynamisch is. Bij het koppelen van een theorie aan een interventie is uitbreiding vereist bij het matchen van de theorie aan het probleem. En dit vereist weer een sprong: wat bekend is in het laboratorium wordt gebruikt om een interventie te ontwikkelen.

    Wat is het kwadrantenmodel van wetenschappelijk onderzoek?

    Toegepaste sociaal psychologen gaan heen en weer tussen hun interesse in theoretische vooruitgang en het oplossen van problemen uit de echte wereld, het is niet puur fundamenteel of toegepast. Toegepast sociaal psychologisch werk wordt geïnspireerd door gebruik.

    Bij elke lijn van onderzoek staan twee dimensies centraal:

    1. Onderzoek naar fundamenteel begrijpen.
    2. Overweging van gebruik.

    Hiervan is een 2x2 design gemaakt.

    Puur fundamenteel onderzoek heeft als doel het ontwikkelen van kennis, zonder de toepassing te overwegen. Een voorbeeld is een onderzoek naar de structuur van een atoom van Bohr. Bij sociale psychologie is dat onderzoek naar sociale cognitie, sociale neurowetenschap en onderzoek naar persoonlijkheid.

    Puur toegepast onderzoek heeft als doel het oplossen van problemen. Een voorbeeld is het werk van Edison. Voor sociale psychologie zijn er ook verschillende voorbeelden te noemen zoals adverteren en marketing, militaironderzoeken, onderzoek naar geweldpreventieprogramma’s voor adolescenten en enkele toepassingen voor gezondheids- en omgevingsproblemen. Overheidsinstellingen, privé organisaties en activistenorganisaties voeren toegepaste projecten uit zoals hierboven beschreven (academische onderzoekers niet). Deze toegepaste projecten dragen niet echt bij aan de theoretische kennis.

    Echter gebruikgeïnspireerdonderzoek wordt wel uitgevoerd door toegepaste sociaal psychologen. Een specifieke gebeurtenis of probleem inspireert het onderzoeksproces en het werk leidt tot belangrijke theoretische ontwikkelingen. Voorbeeld: werk van Louis Pasteur en een voorbeeld. Voor sociale psychologie is dat bijvoorbeeld de theorie van prosociaal gedrag, decision-making model en theorieën en principes om alcoholconsumptie onder studenten te verminderen.

    Access: 
    Public
    Hoe wordt sociale psychologie toegepast in interventies? - Chapter 3

    Hoe wordt sociale psychologie toegepast in interventies? - Chapter 3

    Wat is de gedragsanalytische benadering?

    De gedragsanalytische benadering voor interventies is gebaseerd op de filosofie van Skinner. Deze benadering gaat over het meten van observeerbaar gedrag als afhankelijke variabele. Naast observeerbaar gedrag heeft Skinner het principe “selectie door consequenties” ontwikkeld. Dit principe houdt in dat er iets gedaan wordt om positieve consequenties te ontvangen en negatieve consequenties te vermijden. Directe en zekere consequenties zijn het meest motiverend. Door consequenties (gevolgen van gedrag) te veranderen kan gewenst gedrag verkregen worden of ongewenst gedrag vermeden worden. Volgens gedragsanalisten zijn consequenties de voornaamste determinanten van vrijwillig gedrag.

    Gedragswetenschappers houden zich vooral bezig met het veranderen van gedrag met behulp van psychologische principes (interventies). De theoretische basis van gedragsveranderinginterventies die ontwikkeld en geëvalueerd zijn door toegepaste gedragsanalisten is de ‘three-term contingency’. Het geeft de volgorde aan van antecedent – gedrag – consequentie. De drie termen moeten goed gedefinieerd worden om gedrag te veranderen. Dit kan door middel van directe observatie, surveys of interviews. Na het definiëren wordt er geprobeerd bestaande contingenties te veranderen. Interventies op grote schaal kunnen worden verdeeld in antecedent of consequentiestrategieën, deze strategieën komen vaak samen voor in een enkele interventie. 

    Hoe verlopen gedragsinterventies?

    Antecedenten

    Antecedent of activators zijn omgevingsstimuli die veranderd kunnen worden. Ze gaan vooraf aan het gedrag en zijn sturend bij het verkrijgen van een gewenste consequentie. Omgevingsstimuli kondigen vaak de beschikbaarheid van consequenties aan.

    Antecedente strategieën

    Er zijn verschillende vormen van antecedente strategieën. De volgende strategieën worden besproken:

    • Educatie en training.
    • Gedragstoezegging.
    • Prompts.
    • Modeling.

    Educatie en training

    Een sterke motivatie is een vereiste om gedrag te veranderen. Onzekere of onbekende consequenties moeten duidelijker gemaakt worden door er een positief of negatief gevolg aan te geven. Bij training wordt gebruik gemaakt van rollenspellen en feedback, waardoor het een ander resultaat geeft. Deelnemers moeten het doelgedrag namelijk daadwerkelijk uitvoeren. 

    Trainingen in kleine groepen zijn effectiever. Daarnaast helpt het als deelnemers actief beïnvloed worden in relevante activiteiten en demonstraties. Het verhogen van de effectiviteit kan door middel van het aanpassen van informatie aan de doelgroep.

    Gedragstoezegging

    Individuen worden gevraagd het formeel eens te zijn met de gedragsverandering door een gedragstoezegging te maken. Deze interventiebenadering is simpel en vaak erg effectief, een verbale of geschreven toezegging op een ‘promise card’ vergroot de waarschijnlijkheid dat het beloofde gedrag wordt uitgevoerd.

    Gedragsanalisten verklaren het volgen door toezegging door middel van ‘regelbepaald gedrag’. Individuen leren regels voor gedrag en door ervaring leren ze dat het volgen van een regel geassocieerd wordt met positieve sociale en persoonlijke consequenties, terwijl het breken van de regel gevolgd wordt door negatieve consequenties. Sociaal psychologen schrijven “volgen door gedragstoezegging” toe aan de krachtige sociale norm van consistentie, de druk om intern en extern consistent te zijn.

    Prompts

    Informatie is zelden genoeg om gedrag te veranderen, vooral wanneer gewenst gedrag niet van pas komt. Prompts zijn verbale of geschreven berichten die afgeleverd worden op de plaats waar het doelgedrag voorkomt, als een soort herinneringen. Ze werken het best als doelgedrag goed gedefinieerd wordt door de prompt, het relatief makkelijk is uit te voeren, het bericht weergegeven wordt waar het doelgedrag uitgevoerd kan worden en het bericht beleefd uitgedrukt is.

    Onbeschaafde en overmatig vragende berichten hebben juist het tegenovergestelde effect. Skinner noemde de tendens om tegen een top-down verzoek in te gaan de ‘countercontrole’ en Jack Brehm (1966) noemde de psychologische schijnweerstand. Prompts zijn populair omdat ze makkelijk uitgevoerd kunnen worden, relatief lage kosten hebben en een aanzienlijke impact hebben als het op grote schaal wordt toegepast.

    Modeling

    Modeling is het laten zien van specifiek gedrag aan een doelgroep. Het is geschikt voor complex gedrag (in tegenstelling tot prompts). Modellen die samen gaan met een beloning voor het uitvoeren van het gedrag zijn nog effectiever. Modeling kan gebruikt worden bij demonstraties en op sociale media. 

    Wat zijn consequentiestrategieën?

    Naast antecedente strategieën zijn er ook verschillende consequentiestrategieën. Hiervan worden de volgende behandeld:

    • Feedback.
    • Penalty's.
    • Beloningen.
    • Incentives (beloningen).

    Feedback

    Feedback geeft informatie over het aantal gedragingen en de consequenties van het gedrag. Deze gegevens maken consequenties van gewenst gedrag meer opvallend en zorgen voor een toename van gedragsverandering overeenkomend met consequenties. Feedback is een effectieve manier om problemen zoals depressie en onveilig rijden aan te pakken.

    Penalty’s

    Bij penalty's gaat het om het identificeren van ongewenst gedrag en het aanreiken van negatieve consequenties. Overheid vindt deze benadering geschikt, gedragspsychologen vinden deze methode echter ongeschikt voor gemeenschapsinterventies. Er is namelijk uitgebreide handhaving nodig en handhaving vereist ondersteuning van autoriteit. Daarnaast reageren de meeste mensen negatief op penalty’s, ze vermijden negatieve consequenties liever dan dat ze het gewenste gedrag uitvoeren voor positieve consequenties. Bij inconsistente handhaving keert gedrag terug naar de vroegere staat.

    Beloningen

    Een beloning is een positieve consequentie volgend op gewenst gedrag.Dat kan bijvoorbeeld geld zijn, verbaal prijzen, speciale privileges of iets materieels. Deze methode heeft nadelen, maar zorgt er wel voor dat het doelgedrag wordt uitgevoerd.

    Incentives 

    Incentives zijn antecedenten die de beschikbaarheid van een beloning aangeven na uitvoering van bepaald gedrag. Disincentives is een antecedent die een straf of penalty aangeeft na ongewenst gedrag. Soms worden deze antecedenten niet gegeven en volgt de beloning gewoon het gedrag op. Het is niet correct om beloning een positieve bekrachtiging en penalty’s straf te noemen want beiden beïnvloeden gedrag. Daarom moeten alleen de termen beloning of penalty gebruikt worden. Om de productiviteit te vergroten worden vaak en beloningen of stimuli gebruikt.

    Nadelen aan beloningen/stimuli

    • Tijdsduur: fixed, variable-ratio en continuous beloningen. Fixed en variable-ratio hebben een hoog aantal reacties, bij fixed-ratio stopt men sneller na het krijgen van een beloning omdat de volgende beloning nog ver weg is. Variable-ratio heeft de voorkeur omdat gedrag meest aanhoudend is door de onvoorspelbaarheid van beloningen.
    • Het doelgedrag houdt op wanneer beloningen worden weggehaald. Doordat dit gedrag betrouwbaar is wordt het veel gebruikt als strategie van het onderzoeksdesign, namelijk het demonstreren van functie controle. Het doelgedrag komt vaker voor met een interventie en dit gedrag gaat terug naar baseline niveau/pre-interventie niveau (dit moet eerst gemeten worden) wanneer interventie wordt weggehaald. Een oplossing zou zijn om voor onbepaalde tijd een beloningsstrategie te houden (statiegeld).
    • Beloningen zouden de intrinsieke motivatie verminderen. Door beloningen raken mensen extrinsiek gemotiveerd. “Als mensen een beloning krijgen voor bepaald gedrag dan zal het uitvoeren van dat gedrag waarschijnlijk niet leuk zijn en zal het niet de moeite waard zijn zonder beloning”.

    Wat zijn interventies gebaseerd op sociale invloed?

    Cialdini beschrijft de komende zes principes als toegeeflijkheidprincipes. Dit zijn technieken die de kans vergroten dat een individu een verzoek om gedrag te veranderen eerder opvolgt. Deze principes zijn relevant voor het interventiedesign omdat veel gedragsveranderinginterventies iemand vragen in te stemmen met een verzoek. Verdere toepassingen van de principes zullen, als gedrag eenmaal is begonnen, de sociale consequenties activeren zodat gedrag voor langere periodes gehouden kan worden. De volgende zes principes zullen nu worden besproken:

    • Consistentie.
    • Sociaal bewijs.
    • Autoriteit.
    • Liking.
    • Reciprociteit (wederkerigheid).
    • Schaarste.

    Consistentie

    Consistentie is het verlangen naar interne consistentie. Men heeft een sterke wens om consistent over te komen. Het is de basis voor de meeste invloedstheorieën in sociale psychologie. Drie voorbeelden zijn:

    1. Publieke toezegging: is het meest praktische en meest gebruikte van de consistentieprincipes. Het werkt het best als de toezegging actief (concreet, veroorzaakt meer dissonantie), publiekelijk (mensen willen graag consistent gezien worden) en als vrijwillig wordt gezien (bij het breken van gedwongen ‘toezegging’ vrijwel geen dissonantie). Dit principe is een van de beste voor langdurige gedragsverandering, mensen die sterk toegezegd hebben gedrag uit te voeren passen vaak hun identiteit aan om consistent te worden met hun gedrag. Twee aspecten hiervan zijn dat mensen die gedrag vaak herhalen eerder een identiteit aannemen die consistent is met hun gedrag (ook eerder in toekomst uitvoeren). Daarnaast kan langdurige gedragsverandering verklaard worden door het proces van gedrag zelfperceptie, individuen leiden hun houding en interne toestand af uit het gedrag dat ze vertonen. Het verklaart ook het falen van beloningsinterventies om gedrag langdurig te veranderen wanneer de beloning weggehaald is: gedrag aan beloning toeschrijven en geen veranderingen in zelfperceptie. Een soort interventie is beloning van waardering geven en de beloningen moeten groot genoeg zijn om gedrag aan te moedigen zodat gedrag zelfperceptie ontstaat. Combineren van toezegging en cognitieve dissonantie is een effectieve toepassing van het consistentieprincipe. Hypocrisie Effect, toezegging en daarna laten herinneren aan falen om toezegging uit te voeren.
    2. Voet-tussen-de-deur techniek: iemand die met een klein verzoek instemt, zal eerder geneigd zijn met een groter verzoek in te stemmen. Men verwacht dat dit gebaseerd is op het interne consistentie principe, dat men dus consistent over wil komen.
    3. Cognitieve dissonantie is de oncomfortabele psychologische spanning die voorkomt wanneer iemand zich bewust is van inconsistenties in zijn gedrag en attitudes. Het komt het sterkst tot uitdrukking als gedrag dat conflicteert met een houding of waarde die vrij gekozen is en negatieve consequenties heeft. Men is gemotiveerd de dissonantie te verminderen. Zorgen voor cognitieve dissonantie in interventieprogramma’s is dus een basiscomponent van motivationeel interviewen. Dissonantietheorieën zijn effectief wanneer ze toegepast worden op grote schaal bij problemen (m.b.t. bijvoorbeeld milieu). Een nadeel is dat individuen dissonantie kunnen verminderen door hun houding te veranderen in plaats van hun gedrag.

    Sociaal bewijs

    Gedrag wordt beïnvloed door mensen in onze omgeving. In onbekende situaties wordt de kudde gevolgd om zich effectief te gedragen. In andere gevallen doen we dit om sociale goedkeuring te krijgen. Cialdini gebruikt ‘sociaal bewijs’ om aan te geven dat bewijs over gedrag van anderen wordt gegeven om een aangepast response uit te lokken.

    Sociale normen zijn codes van gedrag die informatie geven over hoe leden van een sociale groep zich moeten gedragen in bepaalde situaties (impliciet in tegenstelling tot wetten die expliciet zijn en door interacties doorgegeven). Er zijn twee verschillende soorten sociale normen:

    1. Beschrijvende normen: wat leden van een groep typisch doen
    2. Injunctieve normen: wat een groep goed- en afkeurt.

    Deze twee verschillende normen sluiten soms bij elkaar aan en soms ook niet.

    Zowel beschrijvende als injunctieve normen moeten in beschouw worden genomen bij het ontwerpen van de berichten die gedragsverandering aanmoedigen. Pro-omgevingsberichten benadrukken beschrijvende normen vaak bij het beschrijven van de hoge prevalentie van probleemgedrag maar dit kan juist het gedrag doen toenemen in plaats van tegengaan. Soms worden normen niet goed waargenomen, kijk maar naar de voorbeelden van studenten en alcohol.

    Perkins (2003) meent dat injunctieve normen komen door pluralistische onwetendheid (het geloof dat houdingen en geloof van anderen verschillen van het eigen ondanks dat publiekelijk gedrag hetzelfde is) en attributiefouten (eigen gedrag als sociale druk afwijzen en het gedrag van anderen toeschrijven aan stabiele interne houdingen). Het onderschatten van situationele invloeden voor anderen wordt de correspondentiebias of fundamentele attributiefout genoemd. De beschikbaarheidheuristiek draagt bij aan de beschrijvende normen, de waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis voorkomt wordt gebaseerd op de gemakkelijkheid waarmee het in ons opkomt.

    Normatieve feedback vergelijkt het gedrag van iemand met een typisch of gemiddeld groepsgedrag. Het bleek dat het de waarnemingen van iemand over drinkgedrag en het drinken zelf van die persoon 3-6 maanden later verminderd.

    De interventies bij ‘sociaal bewijs’ moeten zo opvallend mogelijk gemaakt worden zodat individuen die met het probleem te maken hebben zich richten naar de interventie en er zo bij betrokken raken.

    Sociale norminterventies om grootschalig drankgebruik onder studenten te voorkomen laat zien dat er weinig aanmoediging is voor de uitwerking van deze benadering. Aangezien sociale normen relevant zijn voor prompts en educatie, kunnen ze geïntegreerd worden met feedbackinterventies.

    Autoriteit

    Mensen zullen eerder met een verzoek van iemand met autoriteit instemmen dan iemand zonder status. Denk aan het experiment van Milgram. Uniformen, titels en de macht van mensen met autoriteit om positieve en negatieve consequenties te controleren verhogen de effecten. De invloed van autoriteit kan ook door de meningen van autoritaire mensen te gebruiken als heuristiek om goede keuzes te maken (advertenties). Interventies met autoritaire figuren zijn nog niet getest op effecten.

    Aardig vinden (liking)

    Dit invloedsprincipe houdt in dat we eerder dingen doen die we kennen en leuk vinden. Mensen vinden degenen die gelijk zijn aan hen en degenen die hen complimenteren leuk. Deze techniek wordt veel gebruikt door verkopers. Gelijkheden tussen interventie-instrumenten moeten zoveel mogelijk benadrukt worden. Interventies die gebruik maken van leren door observeren moeten modellen gebruiken die overeenkomen met het doelpubliek. Een tweede implicatie is dat meningen en advies van degenen die we kennen en mogen meer wegen dan het advies van vreemden. De Block-leader approach is een toepassing van het liking principe bij interventie voor gedragsverandering. Block-leaders zijn leden van een gemeenschap die dienen als interventie-instrument en moedigen de buurt aan om deel te nemen aan het programma. Men hoeft de leider niet per se te kennen, het gaat om mate van gelijkenis. 

    Wederkerigheid

    Wederkerigheid is het idee dat mensen die voordelen van iemand gekregen hebben diegene moeten ‘terugbetalen’. Dit principe bestaat in alle culturen. Het vergemakkelijkt de sociale uitwisseling en geeft een gevoel van onderlinge afhankelijkheid. Strategieën gebaseerd op wederkerigheid zijn gebruikt bij bijvoorbeeld Hare Krishna of bij het vergroten van donaties aan liefdadigheidsorganisaties. Ook snoep of het schrijven van een leuk bericht achter op de rekening vergroot de fooi in restaurants. Een pre-gedrag beloning zou een zinvol alternatief zijn van de gebruikelijke incentive/beloning (meedoen aan vragenlijsten doet men eerder als men van tevoren geld krijgt dan dat men het erna krijgt). Daarnaast zijn er ook wederkerige prompts, als een hotel van tevoren geld heeft gegeven aan een goed doel en men dit wil terugverdienen door mensen hun handdoeken vaker te laten gebruiken doen mensen het eerder dan als het gift nog niet is gegeven aan het goede doel.

    Schaarste

    Schaarste heeft te maken met vraag en aanbod. De mate waarin iets moeilijk te krijgen of zeldzaam is werkt als een heuristiek om de waargenomen waarde te bepalen. Doordat men vrijheid wil van keuze en verlies wil vermijden hebben invloedtechnieken gebaseerd op schaarsheid veel kracht. Voorbeelden zijn one-day-only verkopen, beperkte voorraad of hoge druk verkooptechnieken. Vermijding van schijnweerstand is dat men zich zo gedraagt dat vrijheid wordt hersteld wanneer het begrenst of bedreigd wordt. Dingen worden meer wenselijk als ze begrensd of bedreigd wordt. Schijnweerstand lijkt enigszins op countercontrole. Het schaarste principe is relevant voor professionals die werken met beroepsveiligheid (het waarschuwen van veiligheidsprofessionals om top-down en op regel gebaseerde benaderingen die schijnweerstand oproepen te vermijden). Vermijding van schijnweerstand is belangrijk omdat het waargenomen autoritaire controle of een mogelijk verlies van vrijheid kan resulteren in het tegenovergestelde gedrag dan wat men had gewild.

    Een andere implicatie is dat bedreiging of verlies meer motivationeel krachtig kan zijn dan het beloven of krijgen van iets van gelijke waarde: mogelijke verliezen opvallend maken.

    Een fear appeal zijn motivationele berichten die gedrag proberen te veranderen door negatieve consequenties te belichten. Het wordt veel in gezondheidscampagnes gebruikt. Ze zijn effectief als ze het doelpubliek ervan overtuigen:

    • Dat de consequentie ernstig is.
    • Dat ze gevoelig zijn voor de negatieve consequentie.
    • Dat het doelpubliek een preventiestrategie ontvangt die ze kunnen gebruiken om de negatieve consequentie te vermijden (doeltreffende oplossing).

    Berichten die angst veroorzaken zonder het publiek te overtuigen dat ze het vereiste gedrag succesvol kunnen uitvoeren om de negatieve consequenties te vermijden resulteren in schijnweerstand en ontkenning van de bedreiging.

    Industriële veiligheidsprogramma’s motiveren mensen om veiligheidsmateriaal te gebruiken. Bijvoorbeeld door de aandacht te vestigen op een lichaamsdeel dat ze niet zouden willen missen, te praten over persoonlijke ongelukken en argumenten te geven die vooral dicht bij de mensen staan.

    Access: 
    Public
    Wat zijn onderzoeksmethoden in toegepaste sociale psychologie? - Chapter 4

    Wat zijn onderzoeksmethoden in toegepaste sociale psychologie? - Chapter 4

    Wat zijn verschillende onderzoeksdesigns?

    Er bestaan verschillende benaderingen om toegepast sociaal gedrag te onderzoeken, met ieder hun eigen voor- en nadelen. Geen enkele is de beste. De meeste benaderingen verschillen in drie wenselijke kwaliteiten (“three-horned dilemma”), namelijk precisie, generalisatie van situaties en generalisatie van mensen. Het maximaliseren van een van deze kwaliteiten resulteert in een reductie van de anderen twee.

    Een onderzoeker moet:

    1. De unieke voor- en nadelen van elk design weten.
    2. Een onderzoeksprogramma gebruiken met multipele designs om de zwakke kanten van elke methode te compenseren.
    3. Onderzoek uitvoeren die het meest gebruik maakt van de voordelen van elk design en de nadelen ervan minimaliseert.

    Wat zijn de meest gebruikte onderzoeksmethodes? 

    Vier designs die het meest gebruikt worden zijn experimenteel, quasi-experimenteel, correlationeel en survey.

    Experimentele designs worden vaak in fundamenteel onderzoek gebruikt om algemene theorieën te testen. Daarnaast is het een gunstig instrument omdat oorzaak-gevolg relaties gemaakt kunnen worden. Sommigen pleiten voor een experimentele samenleving, waarin experimentele methoden gebruikt worden om weloverwogen beslissingen over publiek beleid te maken. Manipulatie (het niveau van een of meer variabelen systematisch veranderen terwijl andere variabelen gelijk worden gehouden) en willekeurige (random) toewijzing (elke deelnemer evenveel kans om aan elke conditie te worden toegewezen) zijn twee componenten die het mogelijk maken een causale relatie tussen twee variabelen te testen. Er wordt vastgesteld of veranderingen in de onafhankelijke variabelen (manipulatie) tot vergelijkbare veranderingen in de afhankelijke variabele leiden. Random toewijzing is belangrijk omdat het deelnemers in groepen verdeeld die gelijk zijn op elke denkbare dimensie (leeftijd, intelligentie enz.). Daardoor kan verschil in resultaat toegeschreven worden aan de conditie en niet aan individuele verschilvariabelen.

    Een voordeel is dat de precisie hoger is. Dit kan bereikt worden op verschillende manieren:

    1. Experimenten nemen de invloed weg van confounds (variabele die systematisch varieert met de onafhankelijke variabele en de afhankelijke variabele beïnvloed). Het is moeilijk om de invloed ervan vast te stellen. Twee soorten confounds zijn persoonlijke (een individueel verschil beïnvloedt de afhankelijke variabele) en procedurele confounds (als onderzoeker onwetend twee variabelen of meer laat variëren per keer). Persoonlijke confounds worden tegengegaan door middel van random toewijzing en procedurele confounds worden tegengegaan doordat experimenten vaak in onderzoekslaboratoria worden toegepast (onderzoekers kunnen alle ervaringen van deelnemers regelen).
    2. Een ander voordeel van het uitvoeren van onderzoeken in laboratoria is dat ze ruis (variabelen die in tegenstelling tot confounds gelijkmatig zijn verdeeld over conditie en de afhankelijke variabele beïnvloeden, bijvoorbeeld tijd of temperatuur) kunnen minimaliseren door de setting of variabelen constant te houden.
    3. Door een hogere precisie kunnen er complexere voorspellingen getest worden. Bij het onderzoeken van statistische interacties wordt gekeken naar het effect dat een of meer onafhankelijke variabelen hebben op de afhankelijke variabelen, het hangt van een andere onafhankelijke variabele af (causale factoren combineren vaak op verschillende manieren om gedrag te beïnvloeden). Het 2x2 factordesign wordt het meest gebruikt om sociaal gedrag te onderzoeken. Onafhankelijke en gecombineerde effecten (simpele interacties) van twee onafhankelijke variabelen (elk met 2 niveaus) worden onderzocht. Zo wordt een complex causaal verhaal in simpele delen afgebroken. Afzonderlijke en simpele interacties die in verschillende onderzoeken gevonden zijn kunnen een enkele theorie steunen. Statistische interacties zijn ook handig bij het identificeren van grenscondities van een theorie. Dit laat zien wanneer een theorie wel of niet van toepassing is, een theorie is namelijk niet onder alle omstandigheden correct. Het verbetert niet alleen de toepasbaarheid van een theorie, het verschaft ook informatie over de aard en grenzen van het onderwerp dat wordt bestudeerd.

    Een nadeel is dat de toegenomen precisie ten koste gaat van de generaliseerbaarheid. Het gebrek van de generaliseerbaarheid naar andere mensen komt doordat er gemakkelijke steekproeven worden getrokken uit homogene populaties (bijvoorbeeld studenten gebruiken). Smalle steekproeven komen door bijkomstige redenen, onderzoekslaboratoria op college campussen zijn bijvoorbeeld makkelijk en kosteneffectief om te gebruiken. Door redenen met een bepaald doel, homogene steekproeven verminderen bijvoorbeeld ruis, veel factoren zijn constant en maximaliseren van precisie maar begrenzen generalisatie voor verschillende populaties. Onthulde resultaten gelden slechts voor een klein gedeelte van de mensen. Dit probleem kan opgelost worden door een programma van gerelateerde onderzoeken te gebruiken die veel homogene steekproeven gebruiken.

    Door deze steekproeven in gecalculeerde stappen uit te voeren kunnen onderzoekers zien hoe hun uitkomsten toegepast kunnen worden op elke groep. Het gebrek aan generalisatie naar verschillende situaties komt doordat de pogingen om ruis te verwijderen zorgen dat causale dynamiek worden onderzocht in een setting die meer ‘steriel’ is dan die in het ‘echte’ leven. Ook worden onnatuurlijke of gepatenteerde kunstmatige situaties gecreëerd. Dit probleem kan opgelost worden door experimenten uit te voeren in toegepaste situaties.

    Het moeilijke aan de gegeven oplossingen is dat een onderzoeker nooit een ideale aanvulling van steekproeven heeft die de mate definieert waarin een effect gegeneraliseerd wordt aan verschillende mensen of een ‘perfecte’ situatie kan vinden die alle situaties heeft waarin men geïnteresseerd is.

    Elke nieuwe steekproef of situatie zorgt voor beperkingen. Kunstmatige situaties en makkelijke steekproeven zijn vaak makkelijker en geven controle.

    Onderzoekers hebben het generalisatieprobleem echter niet opgegeven. Vaak zijn er manieren gevonden om dit logisch aan te spreken (in tegenstelling tot empirisch). Generalisatie komt voort uit het idee dat laboratoriumonderzoeken realistisch moeten zijn. Dit heet ook wel mondain  realisme (fysieke setting van onderzoek is gelijk aan de setting waarin het fenomeen voorkomt) en psychologisch/experimenteel realisme (beoordeling van obstakels die voorkomt dat onderzoekers de mondaine kwaliteiten van het leven van elke dag in laboratoria herhaald, het laboratorium verandert hoe deelnemers zich gedragen en voelen). Psychologen voelen zich vaak gedwongen om mondain realisme uit te oefenen om te laten zien dat hun onderzoek toegepaste implicaties heeft. Op toegepaste psychologen wordt een beroep gedaan om te onthullen hoe specifieke factoren er voor zorgen dat specifieke individuen specifiek gedrag vertonen. Laboratoriumonderzoeken kunnen deze specifieke dingen nooit omvatten. Wel zijn laboratoriumonderzoeken zinvol als onderzoekers over meer algemene psychologische processen denken die specifieke fenomenen beïnvloed: realisme vinden en daardoor precisie en controle winnen. Echter soms hebben onderzoekers specifieke vragen en twijfelen ze over mondain realiteit.

    Wat is correlationeel onderzoek?

    Een correlatie is een relatie tussen verschillende gemeten variabelen in natuurlijke situaties. Correlaties zijn vooral bruikbaar als er geen manipulaties uitgevoerd kunnen worden of als dit om ethische redenen niet kan, als het bijvoorbeeld fysiek gevaar meebrengt voor de deelnemer. Ze hebben een fenomeen en een situatie die intrinsiek belangrijk zijn. Een onderzoeker moet een bepaalde set van observaties genereren, onderzoeksvraag opstellen en daarna meten. Onderzoek van variabiliteit is een meer passieve benadering, alle variabelen mogen ‘natuurlijk’ variëren en onderzoeker beoordeeld de variabelen. Als data is verzameld wordt de relatie tussen gemeten variabelen statistisch geanalyseerd om vast te stellen of die consistent zijn met de hypothese.

    De simpelste manier is om de correlatiecoëfficiënt te berekenen (loopt van -1 tot +1). De absolute numerieke waarde geeft de grootte van de relatie aan (hoe groter het getal, hoe sterker de connectie), het teken geeft de richting van het verband aan (+ als de waarde van een variabele toeneemt, neemt de waarde van de andere ook toe; - als de waarde van een variabele toeneemt, neemt de waarde van de andere af). Het is belangrijk een correlatie statistiek niet te verwarren met correlationeel onderzoek.

    Het heeft een aantal voordelen.  Het maximaliseert generalisatie voor situaties, gedrag kan zo gemeten worden in natuurlijke situaties (verhoogt representativiteit voor ‘echte’ wereld). Goed uitgevoerde correlationele onderzoeken zijn hier kundig. Het wordt vaak gebruikt als startpunt van een onderzoeksprogramma. Het kan ook na een experiment gebruikt worden om te testen of een effect dat vastgesteld is in lab ook in echte wereld voorkomt.

    De nadelen zijn dat er een gebrek is aan controle over de resultaten doordat de precisie laag is. Dat heeft als gevolg dat de causaliteit niet bepaald kan worden. Drie mogelijke verklaringen voor een significante correlatie zijn omgekeerde causaliteit (de echte richting van de relatie kan andersom zijn), het derde variabele probleem (een toegevoegde variabele kan verantwoordelijk zijn voor de relatie tussen twee variabelen) en causaliteit. We kunnen concluderen dat er een relatie bestaat, maar we kunnen niks zeggen over aard en richting van de relatie. Daarnaast is er geen generalisatie van andere mensen, ook bij deze onderzoeken gebruikt men gemakkelijke steekproeven (maar ze gebruiken minder snel alleen studenten in vergelijking met experimenten).

    Het derde variabele probleem en omgekeerde causaliteit kunnen opgelost worden door covariaten te gebruiken (proberen een mogelijke set van derde variabelen, confounds, aan de orde te stellen en de effecten van hen statistisch te verwijderen).

    Wanneer onderzoekers sterke theorieën hebben die suggereren dat er een mogelijke derde variabele is, moeten ze valide metingen van deze constructen in het onderzoek opnemen. Een onderzoek kan echter nooit alle derde variabelen testen en daarom is er nooit sprake van causaliteit. Ook een verandering in het design kan een oplossing zijn. Longitudinale designs kunnen gebruikt worden, waarbij de variabelen op twee of meer momenten gemeten worden en correlaties tussen de variabelen tussen momenten en gekruiste momenten geanalyseerd worden. Hierbij leiden veranderingen in de predictorvariabele op één punt tot veranderingen in de uitkomstvariabele op volgende punten in tijd. Bij het gebruik van longitudinale designs is het belangrijk dat ook relevante covariaten worden meegenomen. Metingen op moment 1 kunnen dienen als indirecte indicatoren van omgekeerde causaliteit.

    Een oplossing is ‘predictorvariabele’ en ‘voormeting van uitkomstvariabele’ meten op tijdstip 1, daarna ‘uitkomstvariabele’ op tijdstip 2 meten. Als de predictor de uitkomst voorspelt op tijdstip 2, gecontroleerd voor ‘voormeting uitkomst’, dan is er hoogstwaarschijnlijk geen omgekeerde causaliteit. Echter, ‘voormetingen van uitkomst’ zullen falen als verkeerde metingen worden gebruikt, daarnaast is het belangrijk om belangrijke tijdsperiodes te vinden. Het is dus belangrijk om eerdere niveaus van de uitkomstvariabele te controleren.

    Wat zijn quasi-experimenten?

    Bij quasi-experimenten is er sprake van een combinatie van voordelen van experiment (grote controle) en correlationeel onderzoek (geen random toewijzing). De onderzoeker heeft gedeeltelijke controle over de onafhankelijke variabelen en toewijzing condities door middel van een natuurlijk voorkomend criterium. Er is een hoog niveau van controle over afhankelijke en externe variabelen. Van de vele typen quasi-experimentele designs wordt de person-by-treatment quasi-experiment het meest gebruikt in de sociale psychologie. De behandelingsvariabele wordt gemanipuleerd en de persoonsvariabele wordt gemeten

    De structuur is gelijk aan een experiment, maar met de toevoeging van een tweede natuurlijk voorkomende onafhankelijke variabele. Populair onder toegepaste psychologen is onderzoek naar hoe verschillende mensen anders reageren op verschillende behandelingen of situaties (voor beter begrip van deze twee invloeden). Er zijn verschillende meetprocedures om precisie (controle) te verhogen, door middel van statistische methoden zoals covariaten (vanwege geen gebruik van random toewijzing bieden covariaten ook enig vertrouwen bij interpretatie). Als confounds bekend zijn wordt er gemeten en wordt de invloed weggenomen. Men is nooit zeker dat alle relevante (persoonlijke) confounds gemeten zijn, covariaten zijn dus niet zo krachtig als random toewijzing om vertrouwen te geven m.b.t. causale interpretaties. Het is beter om een gekwalificeerde zekerheid te hebben dat confounds geen effect hebben, dan geen zekerheid te hebben(daarom meer gebruik covariaten in quasi-experimenten dan in experimenten).

    Wat zijn de voor- en nadelen?

    Er zijn een aantal voordelen. Zo is het een compromis tussen experiment (strikt) en correlationeel onderzoek (vrij). Het zorgt voor veel controle over confounds en externe variabelen die in experimenten voorkomen, het zijn natuurlijke metingen van gedrag (in tegenstelling tot experimenten) en het kan gebruikt worden om onafhankelijke variabelen te meten die niet gemanipuleerd kunnen worden of waarbij het niet-ethisch is.

    Het neemt de middenmoot (gemiddeld niveau precisie en enige zekerheid generalisatie voor andere situaties) en het maximaliseert een kwaliteit niet ten koste van de andere twee.

    Er zijn echter ook een aantal nadelen. Elk quasi-experiment kan de nadelen van experimenteel en correlationeel onderzoek hebben (weinig precisie, geen generalisatie naar situaties). De mate waarin een nadeel voorkomt hangt af van waar het quasi-experiment zich bevindt in het continuüm van ‘experiment-naar-correlationeel’. Dichtbij experiment is kunstmatigheid (door laboratoriamethoden). Dichtbij correlationeel is confounds, noise (onderzoek in het veld). Generalisatie naar mensen wordt niet besproken bij begrenzingen van quasi-experiment.

    Wat zijn surveys?

    Alle onderzoeksvragen zijn bedoeld om een bepaalde populatie te generaliseren. De populatie kan smal of breed zijn en uit de populatie wordt een steekproef getrokken (tenzij populatie klein is). De mate van generalisatie hangt af van hoe representatief de steekproef is voor de populatie. Surveyonderzoek is het verzamelen van informatie van een steekproef van mensen die systematisch geselecteerd zijn om een grotere populatie te vertegenwoordigen (en niet het gebruik van vragenlijsten). Door procedures uit te voeren om representativiteit te garanderen krijgt de onderzoeker een mate van betrouwbaarheid. Allereerst moet een steekproef geselecteerd worden, hiervoor zijn er verschillende procedures zoals random sampling (meest gangbare methode, op willekeurig manier, iedereen even grote kans, random digit dialing) en cluster sampling (alternatieve manier van random sampling, creëren van populatielijst van locaties, het minimaliseert de logistieke problemen in het uitvoeren van surveys). Een survey geeft redelijke accurate informatie over trends die in een populatie voorkomen. Het voordeel random sampling is dat  ingeschat kan worden hoeveel error er in de steekproef bestaat. Sampling error (margin of error) is de discrepantie tussen de resultaten in een representatieve steekproef en de resultaten die verkregen zouden worden als iedereen van de populatie was onderzocht. Populatiesurveys kunnen een hoge mate van zekerheid geven door een kleine 'margin of error' bij het gebruik van kleine steekproeven van grote populaties.

    Waar worden surveys voor gebruikt?

    Surveys zijn het meest geschikt voor het beschrijven en representeren van informatie voor een grote populatie. Daarom worden ze veel gebruikt door de media, de overheid en door toegepaste sociale wetenschappers. Het is efficiënt en flexibel en kan op een breed gebied gebruikt worden (om bijvoorbeeld stemgedrag te voorspellen, nieuwe producten op de markt te brengen of nieuwe psychologische theorieën te testen).

    Wat zijn de nadelen en hoe kunnen ze opgelost worden?

    Er zijn verschillende nadelen. Zo is geen precisie en generalisatie naar situaties en kost het mogelijk veel tijd en geld. Het sampling proces heeft complexe en technische procedures die gebruik vereist van betaalde consultanten. Er moet zorgvuldig aandacht besteed worden aan de aspecten van het design (woordkeuze, context, volgorde, formaat). Daarnaast moeten vragenlijsten kort zijn in verband met begrensde tijd of begrensde ruimte in mailtjes. Daarom worden surveys voor beschrijvende doelen gebruikt. Verbanden tussen variabelen kunnen bepaald worden, dit is moeilijker als de heterogeniteit van een steekproef wordt onderzocht.

    Er zijn verschillende oplossingen mogelijk. Bijvoorbeeld het combineren van een sampling procedure met een experiment of een correlationeel design. De financiële en praktische kosten zijn groot om een representatieve steekproef naar het lab te brengen. Laboratoriumonderzoekers stellen daarom hun vragen breder. Dezelfde bezwaren spelen ook mee wanneer men het trekken van grotere en meer representatieve steekproeven door de tijd heen in een longitudinaal onderzoek beschouwd.

    Hoe kies je het beste onderzoeksdesign?

    Alle onderzoeksdesigns of methoden hebben voor- en nadelen. Daarom is er niet direct één goed design en ook niet één slecht design. Er zijn verschillende vuistregels opgesteld om te kiezen voor het beste design in bepaalde situaties:

    Regel 1: Doe programmatisch onderzoek

    Vanwege het feit dat verschillende onderzoeksdesigns verschillende eigenschappen hebben, is het goed om deze verschillende designs te combineren. Dus, wanneer jij een onderzoek uitvoert, denk dan na over hoe jij verschillende methoden kan combineren! 

    Regel 2: Doe wat nog niet eerder is gedaan

    Vaak hebben studenten en professoren niet veel tijd om meerdere studies uit te voeren. In het geval dat je maar één studie kan uitvoeren, zorg dan dat jouw studie uniek is. Als het overgrote deel van onderzoek in jouw gebied experimenteel is, doe dan een keer een correlationeel onderzoek. In andere woorden, voer een studie uit die de reeds bestaande studies aanvult.

    Regel 3: Zorg voor een goed team van onderzoekers

    Vaak zijn onderzoekers getraind of gespecialiseerd in één specifiek gebied. Dit is niet erg. Een 'slimme onderzoeker' stelt een team op dat bestaat uit verschillende onderzoekers die elk op andere gebieden gespecialiseerd zijn. Het gaat dus weer om complementatie, zorg dat jouw teamleden elkaar aanvullen. In andere woorden, er moet sprake zijn van collaboratie. Dit is de norm in psychologisch onderzoek, een team van onderzoekers bestaat vaak uit verschillende onderzoekers met elk een eigen expertise of specialisatie.

    Access: 
    Public
    Wat is consumentengedrag? - Chapter 5

    Wat is consumentengedrag? - Chapter 5

    In dit hoofdstuk is de definitie van consumentengedrag "het proces van het verkrijgen van goederen". Verschillende functies van goederen zullen besproken worden. Daarnaast wordt er ingegaan op twee verschillende typen van koopgedrag, namelijk bedachtzaam kopen en impulsief kopen.

    Welke verschillende functies hebben goederen?

    Consumenten kopen goederen met een doel. Volgens het utilitarisme kopen consumenten dingen vooral voor de functie die zij hebben (wijn om te drinken, kleren om te dragen). Echter is dit niet voldoende om koopgedrag te verklaren. Vaak kopen consumenten ook goederen om dingen over zichzelf te communiceren naar anderen. In andere woorden, het kopen van goederen heeft een identiteitsfunctie. Een voorbeeld is wanneer mensen een dure Rolex kopen, terwijl een goedkoper horloge even goed werkt. Dit heet 'conspicuous consumption' en heeft vaak te maken met de prestige van bepaalde merken. Als een merk veel aanzien heeft, zal men hier eerder goederen kopen. Merken hebben vaak bepaalde specifieke kenmerken. Dit wordt ook wel 'merkpersoonlijkheid' genoemd. Dat is een set van menselijke kenmerken die men associeert met het merk. Dus, mensen die voor een bepaald merk kiezen (zoals Tesla of Audi), voelen zich vaak verbonden met de merkpersoonlijkheid en kiezen vervolgens dit merk om hiermee zichzelf te uiten. Merken hebben dus een expressieve en symbolische functie.

    Categorisatie van goederen/producten

    Producten of goederen kunnen worden gecategoriseerd op basis van de functie die zij hebben voor de consument. Er is een continuüm van goederen, van volledig utilistisch (zoals een vaatwasser) tot volledig identiteitsgerelateerd (zoals juwelen). Goederen die volledig utilistisch zijn worden 'thinking goods' genoemd. Goederen die volledig identiteitsgerelateerd zijn worden 'feeling goods' genoemd. Bij 'thinking goods' gaat het dus vooral om dat iets goed werkt. Vaak kiest men dan voor een product dat goed werkt voor een voordelige prijs. Echter hebben de meeste goederen zowel een utilistische als een identiteitsfunctie. Denk aan zeepjes en lotions, sommige zeepjes zijn erg goedkoop en werken goed. Toch kiezen sommige mensen voor duurdere zeepjes. Goederen variëren ook in de mate van betrokkenheid van de consument. Dit gaat over hoe veel moeite een consument doet om iets te kopen. Wanneer er sprake is van lage betrokkenheid, betekent dit dat producten eigenlijk automatisch en repetitief worden gekocht. Hierbij kan je denken aan toiletpapier. Men hoeft hierbij niet veel na te denken. Wanneer er sprake is van hoge betrokkenheid, gaat het over producten waar men wél veel overna moet denken. Dit zijn dan producten of goederen die men niet vaak koopt. Hierbij kan je denken aan auto's of huizen. De gevolgen van het maken van een verkeerde keuze zijn groter vergeleken met goederen die een lage mate van betrokkenheid hebben.

    Kwadranten

    Vaughn (1980) combineerde de dimensie van thinking-feeling en de mate van betrokkenheid en creëerde vier kwadranten om goederen te categoriseren. 

    • Kwadrant 1: Thinking-goods en hoge mate van betrokkenheid: auto's of huizen.
    • Kwadrant 2: Feeling-goods en hoge mate van betrokkenheid: merkkleding of sportauto's.
    • Kwadrant 3: Thinking-goods en lage mate van betrokkenheid: wasmiddel, scheermesjes, tandpasta, toiletpapier.
    • Kwadrant 4: Feeling-goods en lage mate van betrokkenheid: deodorant, frisdrank.

    Wat is het verschil tussen bedachtzaam en impulsief kopen?

    Wat is bedachtzaam koopgedrag?

    Bedachtzaam kopen houdt in dat men een specifiek plan heeft om iets te kopen. Volgens de Theorie van Gepland Gedrag (Theory of Planned Behaviour), zijn bedachtzame acties het gevolg van de intenties die men heeft. De intenties worden bepaald door drie determinanten.

    1. De attitude of houding die men heeft ten opzichte van bepaald gedrag, wordt bepaald door de overtuigingen die men heeft en de evaluatie van de verwachte uitkomsten van bepaald gedrag.
    2. De subjectieve norm. Subjectieve normen gaan over wat men denkt dat anderen (die belangrijk zijn voor de persoon), van het gedrag zouden vinden. Hierbij is de mate van bereidheid om te conformeren belangrijk: als iemand graag wil dat anderen hem of haar mogen, dan zal hij of zij deze subjectieve normen belangrijker vinden vergeleken met wanneer iemand het niet uitmaakt wat anderen van hem of haar vinden.
    3. De waargenomen gedragscontrole. Dit gaat over de mate waarin men denkt dat hij of zij in staat is om bepaald gedrag uit te voeren en de mate waarin dit gedrag vrijwillig gebeurt (dus dat het niet door anderen wordt opgelegd of gecontroleerd).

    Volgens de theorie zijn deze determinanten beïnvloedbaar door omgevingsfactoren. Daarom kunnen attitudes veranderen met de tijd of in verschillende situaties. Dit leidt dan ook tot een verandering in intenties, wat op zijn beurt leidt tot veranderingen in gedrag. Om het wat duidelijker te maken: volgens Fishbein en Ajzen wordt iemand zijn of haar attitude bepaald door de beschikbaarheid van bepaalde overtuigingen (dus hoe sterk iemand iets denkt). Als iemand in de sportschool is en geen honger heeft, zal hij of zij een hamburger waarschijnlijk bestempelen als 'een caloriebom'. Echter, wanneer deze persoon wél honger heeft en in een restaurant is, zal hij of zij dit eerder bestempelen als 'lekker'. Attitudes kunnen dus erg fluctueren.

    Sommige onderzoekers suggereren om een vierde determinant toe te voegen aan het model, namelijk dat van identiteitsovereenkomst. Dit gaat over de mate waarin bepaald gedrag past bij het zelfconcept van een persoon. Uit onderzoek is gebleken dat dit inderdaad leidt tot een betere voorspelling van intenties en gedrag.

    Wat is impulsief koopgedrag?

    Impulsief koopgedrag gaat over het kopen van iets zonder dit te plannen en zonder intenties te hebben om iets te kopen. Daarnaast gaat het ook vaak over een schending van intenties. Denk hierbij aan iemand die eigenlijk wil afvallen, maar toch zijn of haar winkelmandje volgooit met calorierijk voedsel (zoals chips, chocola).  Dit soort gedrag komt vaak voor. Een ander voorbeeld van zo'n schending is uit gaan terwijl je eigenlijk moet studeren. Het verschil tussen deze twee doelen is dat de één leidt tot directe gratificatie (lekker eten, een leuke avond hebben) en dat de ander leidt tot gratificatie op de lange termijn (studeren, afvallen). Dit soort dilemma's worden zelfcontrole dilemma's genoemd. Dit gaat dus over het reguleren van je gedrag, om je lange-termijn doelen te behalen. Dingen die men erg leuk vindt om te doen en die leiden tot directe gratificatie worden 'hedonistische doelen' genoemd. Het is moeilijker om verleidingen te weerstaan wanneer het hedonistische doel erg gewild is, wanneer het hedonistische doel erg beschikbaar is (cognitively accessible) en wanneer we niet veel middelen (resources) hebben voor controle en motivatie.

    Hoe kunnen we attitudes meten?

    Attitudes worden vaak op een expliciete manier gemeten. Dit houdt in dat men vaak bepaalde uitspraken te horen of te lezen krijgt en dan moet aangeven in hoeverre hij of zij het daar mee eens is (bijvoorbeeld "Als ik mensen zie die een Aziatisch uiterlijk hebben, dan denk ik direct dat deze personen erg slim en hardwerkend zijn"). Echter, wanneer men erg sensitieve onderwerpen wil meten is een expliciete manier van meten niet het beste. Mensen zullen dan vaak sociaal wenselijke antwoorden geven. In dit geval kunnen er impliciete manieren van meten worden gebruikt. Bij impliciete metingen zijn mensen zich niet bewust van het doel van het onderzoek. Een voorbeeld van een impliciete meting van attitudes is de IAT (Implicit Association Test). Uit onderzoek blijkt dat impliciete metingen beter in staat zijn om gedrag te voorspellen dan expliciete metingen van attitudes.

    Wat is de invloed van reclame op koopgedrag?

    Reclame heeft invloed op de waarschijnlijkheid dat mensen een specifiek product kopen. Dit kan verlopen via de cognitieve route, de affectieve route of de subliminale route.

    Wat is de cognitieve route?

    Argumenten kunnen mensen hun overtuigingen, attitudes en intenties beïnvloeden. McGuire kwam met het Informatieverwerkingsmodel, waarin hij stelt dat de impact of de overtuigingskracht van een argument afhankelijk is twee dingen: namelijk bieden (yielding) en ontvangen (reception). Om argumenten te ontvangen, moeten respondenten letten op de argumenten en deze ook kunnen begrijpen. Als argumenten te moeilijk zijn, dan hebben ze geen overtuigingskracht. Echter zijn niet alle reclames gebaseerd op argumenten. Denk aan Coca-cola. Zulke reclames zijn eerder gebaseerd op heuristische verwerking. Heuristieken zijn vuistregels die bepalen hoe wij keuzes maken zonder dat wij hoeven na te denken over de argumenten. Ook bepalen heuristieken of wij een persoon wel of niet kunnen vertrouwen. Volgens de duale-verwerkingstheorie van overtuiging is de mate waarin consumenten sceptisch zijn over argumenten afhankelijk van hun motivatie en vaardigheid.

    Wat is de fit tussen reclame en bericht?

    De informatieverwerkingsstijl van een consument is belangrijk bij het bedenken en creëren van reclames. Consumenten die erg druk zijn en dus cognitief niet veel ruimte hebben, maken eerder gebruik van heuristisch verwerken. Mensen die hoog scoren op zelf-monitoring, maken zich meer zorgen over hun zelfbeeld. Deze mensen letten vaak meer op het land van herkomst van hun eten. Ook is het belangrijk dat het reclamebericht en de functie van een bepaald product, matchen. Dit houdt in dat een identiteitsgerelateerd bericht beter past bij 'feeling-goods' en dat een utilistisch bericht beter past bij 'thinking-goods'.

    Wat is de affectieve route?

    Evaluatieve conditionering gaat over dat een persoon zijn of haar attitude veranderd kan worden, zonder dat er sprake moet zijn van veranderingen in cognities (gedachten). Evaluatieve conditionering houdt in dat er een ongeconditioneerde stimulus wordt getoond samen met een neutrale stimulus. Vervolgens wordt deze neutrale stimulus geassocieerd met de ongeconditioneerde stimulus. Hierbij kan je denken aan Pavlov's klassieke conditionering. Het is echter niet precies hetzelfde, want bij evaluatieve conditionering wordt er gebruik gemaakt van woorden, afbeeldingen en muziek, in plaats van eten. Conditioneringstechnieken werken niet goed bij mensen die een sterke attitude hebben tegenover een merk. Bij participanten zonder een sterke attitude (of 'neutrale participanten') heeft evaluatieve conditionering alleen invloed op de impliciete attitude, niet op de expliciete attitude. 

    Wat is de subliminale route?

    Bij subliminaal adverteren ziet men héél kort bepaalde informatie. Deze informatie wordt zó kort getoond dat men de tekst niet kan lezen of zien. Toch heeft het wel invloed, omdat men deze informatie onbewust verwerkt. Subliminaal adverteren is illegaal in de meeste landen. Echter is het spelen van muziek in een winkel ook een vorm van subliminaal adverteren. Voordat subliminaal adverteren effectief kan zijn, moet er aan een aantal voorwaarden worden voldaan: het merk moet positief worden beoordeeld, het merk is niet al erg bekend bij de persoon en het product moet kort na het subliminaal adverteren getoond worden en de consument moet het product nodig hebben.

    Access: 
    Public
    Kan sociale psychologie gebruikt worden voor ontwikkelingshulp? - Chapter 6

    Kan sociale psychologie gebruikt worden voor ontwikkelingshulp? - Chapter 6

    Er wordt veel geld besteed aan het helpen van mensen in lagelonenlanden. Deze hulp wordt georganiseerd in de vorm van ontwikkelingshulpprojecten. Er wordt vaak gediscussieerd over de voor- en nadelen van ontwikkelingshulp. Het is voor lagelonenlanden belangrijk om uit de armoede te komen. Echter wordt vaak gesteld dat ontwikkelingshulporganisaties corrupt zijn.

    Wat zijn de doelen en wat is de impact van ontwikkelingshulp?

    Door middel van impact evaluaties wordt gekeken naar de korte- en lange termijn effecten van ontwikkelingshulp. Aan de hand hiervan wordt bepaald welke activiteiten een positieve bijdrage leveren en op welke manier.

    Resultaatketens

    Veel projectontwerpers gebruiken resultaatketens (ook wel logisch kader genoemd) van een interventie om die te monitoren en te beoordelen. In een resultaatketen beschrijven ontwerpers van interventies de verschillende aspecten ervan. Het is een grafische illustratie van de verschillende aspecten, van inputs en concrete activiteiten tot de verwachte korte- en lange termijn impact, en de relatie tussen die aspecten. Het is belangrijk om deze componenten te beschrijven om te begrijpen hoe specifieke activiteiten leiden tot verbetering. Ook ontwikkelen organisaties vaak een 'theorie van verandering'. Deze theorie beschrijft de lange termijn doelen van een interventie, hoe de projectleiders de korte- en lange termijn doelen willen halen en welke metingen zij gebruiken om de interventie te evalueren. In andere woorden, een theorie van verandering is een beschrijving van hoe en waarom een set van activiteiten zal leiden tot de gewenste verbetering. De impact-evaluatie van interventies wordt vaak gedaan door de organisaties zelf. Het is daarom erg belangrijk dat de specifieke componenten van een interventie goed worden beschreven en dat er goede metingen zijn om een interventie te kunnen evalueren.

    Het meten van de effectiviteit van ontwikkelingshulpprojecten of interventies

    Door middel van het opstellen van een resultaatketen en een goed studiedesign (zoals door randomisatie, een controle groep, een longitudinaal design) kunnen interventies worden geëvalueerd. Er kan ook met behulp van veldexperimenten gekeken worden naar de impact van een interventie. Het is heel belangrijk om de culturele context in de gaten te houden tijdens het evalueren van interventies in het buitenland. Veel Westerse projecten doen dit niet voldoende, wat leidt tot een verminderde impact. Vaak worden interventies ontwikkeld in Westerse landen en worden ze daar ook getest. Tijdens het testen lijkt het dan alsof de interventies inderdaad goed zijn en een hoge impact zullen hebben. Echter is dit vaak niet het geval wanneer deze interventies dan worden toegepast in lagelonenlanden. Om culturele context beter te begrijpen, kan er gebruik worden gemaakt van kwalitatief onderzoek zoals focusgroepen of interviews.

    Het belang van culturele context

    Een voorbeeld van een interventie gebaseerd op de sociale psychologie is een project van de World Health Organisation. Elk jaar sterven 1,5 miljoen kinderen vóór hun 5e verjaardag als gevolg van diarree. Veel sterfgevallen zouden voorkomen kunnen worden door het verbeteren van de waterkwaliteit. De World Health Organization (WHO) kwam met een oplossing. Gevulde flesjes water werden zes uur lang in de zon gelegd. Dit is een gemakkelijke en goedkope methode. Echter, in de praktijk viel het tegen. Weinig mensen pasten de methode daadwerkelijk toe. Verschillende organisaties hebben toen promotiestrategieën toegepast. Er zijn drie typen van promotiestrategieën, namelijk massa media (radio, TV), gecentraliseerde communicatie (een gezondheidsbeurs) en interpersoonlijke communicatie. Het is erg belangrijk om de culturele context in de gaten te houden. In lagelonenlanden is er vaak een collectivistische cultuur. Mensen houden veel rekening met sociale normen. Bij interventies die gedragsverandering als doel hebben, moet er rekening gehouden worden met dit collectivistisch denke. In het voorbeeld bleek dat interpersoonlijke communicatie het meeste effect had.

    Culturele veranderingen

    Interventies kunnen ook effecten hebben die de organisaties van tevoren niet hadden verwacht. Deze neveneffecten kunnen leiden tot culturele verandering. Door het bestuderen van deze veranderingen, kunnen er theorieën worden ontwikkeld in de sociale psychologie. Er wordt een voorbeeld gebruikt om dit uit te leggen, maar eerst wordt de definitie van cultuur beschreven.

    Cultuur is een collectief fenomeen. In een cultuur zijn er specifieke symbolische concepten zoals de omgeving, de sociale structuren, beleid en normen en waarden die gedrag sturen. Cultuur is niet een set van overtuigingen van een individu, het gaat vooral om gemeenschappelijke overtuigingen. Een individu wordt gevormd door de cultuur waarin hij of zij leeft. Zo beïnvloeden culturen het zelf-concept van individuen. Culturen kunnen worden onderscheiden in twee dimensies, individualistisch-collectivistisch en afhankelijk-onafhankelijk. De eerste dimensie gaat vooral over verschillen tussen landen, terwijl de tweede dimensie vooral gaat over verschillen tussen individuen in landen. In individualistische en onafhankelijke landen ligt de nadruk vooral op het zelf, en is men vooral bezig met zijn of haar eigen doelen en wensen. In afhankelijke collectivistische landen, is de gemeenschap vooral belangrijk. Men ziet zichzelf niet zozeer als individu, maar meer als onderdeel van de gemeenschap. Sociale normen en waarden zijn daardoor erg belangrijk en leiden het gedrag van individuen. Veel lagelonenlanden kunnen worden bestempeld als collectivistisch. Het is erg belangrijk om deze verschillen in de gaten te houden bij het opstellen van interventies. Dit wordt uitgelegd aan de hand van een voorbeeld met laptops.

    De modernisatie theorie beschrijft het proces van modernisering in gemeenschappen. Deze theorie stelt dat verschillende aspecten van modernisatie kunnen leiden tot culturele en sociale veranderingen. Vooral het introduceren van technologieën leidt tot modernisatie in lage inkomenslanden, omdat het een verandering brengt in de waarden die mensen hebben. Dit werd getoetst aan de hand van een 'laptopexperiment'. Er werd een veldexperiment uitgevoerd, waarin studenten in Ethiopië een laptop kregen. Hierbij werd gekeken of er inderdaad veranderingen waren in de waarden. De vraag was dus of het introduceren van laptops tot meer moderne waarden zou leiden in de gemeenschap, waar men voorheen traditionele waarden had. Dit bleek inderdaad het geval te zijn. De studenten die een laptop kregen, begonnen andere waarden belangrijk te vinden zoals succesvol en onafhankelijk zijn. Ook ontwikkelden zij een groter gevoel voor 'agentschap', wat inhoudt dat zij zich meer in controle voelden over hun eigen leven. 

    Wat is de context van de sociale psychologie?

    Sociale psychologie kan dus nuttig zijn bij het begrijpen en verklaren van de effectiviteit van ontwikkelingshulpprojecten, door te kijken naar psychologische en culturele factoren (zoals attitudes, normen en waarden). Er zijn ook nog andere disciplines betrokken bij ontwikkelingshulpprojecten. Het doel is om effectief samen te werken, om zo de mensen in lagelonenlanden op de best mogelijke manier te helpen. Onderzoek in lage inkomenslanden is soms wel lastig, er zijn vaak ethische kwesties. Een voorbeeld hiervan is het proces van een steekproef. Om een goede vergelijking te maken tussen mensen, is het belangrijk om twee groepen te hebben. Één groep die de interventie krijgt, en één groep die deze interventie niet krijgt (een controlegroep). Echter, is het wel ethisch om één groep mensen iets niet te bieden, terwijl zij hier wel veel aan zouden kunnen hebben? Hier moeten onderzoekers dus goed over nadenken.

    De auteurs stellen dat het ook belangrijk is om onderzoek te doen in lagelonenlanden, in plaats van alleen in Westerse landen. Tegenwoordig wordt er vooral veel onderzoek gedaan in "WEIRD" (Western, Educated, Industrialized, Rich, Democratic) landen. Dit heeft invloed op de generalisatie van deze theorieën en kan ervoor zorgen dat interventies niet het gewenste effect hebben in lagelonenlanden.

    Access: 
    Public
    Wat is economisch gedrag? - Chapter 7

    Wat is economisch gedrag? - Chapter 7

    Hoe is de economische theorie tot stand gekomen?

    Hedonische utiliteit is het streven naar plezier en het vermijden van pijn. Utiliteit is de voornaamste meting van plezier (de meting is in absolute getallen). Disutiliteit zijn de negatieve emoties die mensen vermijden. Mensen gedragen zich rationeel als ze hun utiliteit maximaliseren (relevant voor 19de eeuwse economen). De hedonische berekening is de berekening van utiliteit als netto balans van plezier en pijn. Economische relaties en marktwisseling kunnen afgeleid worden van de universele wet van menselijk gedrag. Psychologen zijn het hier echter niet mee eens. James meende dat de determinanten van gedrag niet verminderd kunnen worden tot de hedonische berekening. Het idee was vervolgens dat de economische theorie bevrijd moest worden van psychologische invloeden. Of men kan de hedonische berekening zien als startpunt voor een economische theorie, of men kan de psychologie er volledig buiten laten. Economen veranderden van kardinale (voornaamste, metrische) naar ordinale (niet-metrische) utiliteit. De kardinale utiliteit is gebaseerd op een waarderingscijfer op een utiliteitsschaal, de ordinale utiliteit is gebaseerd op rangopties en is makkelijker te meten. Economen maken een theorie over economisch gedrag in termen van ordinale utiliteit. Ze laten de psychologische assumpties buiten beschouwing (gedrag is de basis voor ordinale utiliteit). Dit komt overeen met de gedragsbenadering in de psychologie, waarbij mentale constructen die niet te observeren zijn worden vermeden.

    Wat zijn anomalieën?

    Subjectieve verwachte utiliteit (SVU) is een dominante theorie over het maken van beslissingen. Kosten en voordelen van opties worden vermenigvuldigd met de waargenomen waarschijnlijkheid dat ze voorkomen. Daarbij wordt de optie met de beste netbalans van kosten en voordelen gekozen. Een anomalie is in conflict met de SVU theorie. De prospectietheorie kan sommige anomalieën verklaren, omdat de theorie meent dat er een asymmetrische relatie bestaat tussen winsten en verliezen. Winsten en verliezen zijn relatieve concepten die worden geëvalueerd aan de hand van een referentiepunt. De prospecttheorie meent dat verliezen pijnlijker zijn dan dat winsten plezierig zijn. In een korte periode passen mensen zich niet aan een nieuwe omstandigheid aan. Als winsten en verliezen in een langer tijdsinterval voorkomen, zullen mensen zich wel aanpassen aan de nieuwe situatie en zullen ze de nieuwe situatie als hun referentiepunt gaan gebruiken. Anomalieën zijn een probleem voor verdedigers van een dominante theorie of paradigma.  De theorie zou moet aangepast moeten worden om de anomaliesituaties te bevatten, of de theorie moet afgeschaft worden en vervangen worden door een meer accurate theorie die de anomalieën kan verklaren. Gedragseconomen en economische psychologen vormen een nieuw paradigma die een combinatie is van psychologische en economische concepten.

    Wat zijn sociaal psychologische factoren in economisch gedrag?

    Persoonlijke referentie

    Volgens de utiliteitstheorie hangt de aantrekkelijkheid van een alternatief van de finale uitkomst af. De prospecttheorie en andere psychologische theorieën (bijvoorbeeld de adaptatie theorie) stellen dat de evaluatie gevoelig is voor referentiepunten. Het hangt van het referentiepunt af of een verandering een winst of verlies is. Negatieve en positieve framing geven verschillende reacties. Bij negatieve framing accepteren mensen eerder een risico om een verlies te vermijden, dan een equivalente winst te krijgen. Persoonlijke referentie is de vergelijking van iemands huidige welvaart met de welvaart in het verleden. Een nominaal loon dat niet gecompenseerd wordt voor inflatie schijnt acceptabel te zijn omdat het gezien wordt als een winst voor de werknemer, ten opzichte van het referentieloon. Indien het gezien wordt als een verlies dan wordt de beoordeling als oneerlijk gezien. De manier van framing is dus bepalend.

    Praag ontwikkelde de welvaartsfunctie van inkomen. Na een toename van het inkomen passen mensen zich aan het hogere inkomen aan en nemen dit inkomen als hun nieuwe referentiepunt. Ze zullen daarnaast hun consumptieniveau aanpassen aan hun nieuwe referentiepunt. Dit wordt de preferentie shift genoemd. Mensen zijn slachtoffer van de continu veranderende voorkeuren en voldoeningen.

    Sociale referentie

    Voldoening van inkomen en consumptie is niet alleen afhankelijk van het vorig inkomen en consumptieniveau, maar ook van het inkomen en de consumptie van anderen. Sociale referentie is de vergelijking van de eigen welvaart met de welvaart van relevante anderen.

    Een referentieshift vindt plaats wanneer vrienden of collega’s met hetzelfde beroep meer verdienen. Daardoor raken mensen namelijk ontevreden over hun inkomen. Men is echter minder tevreden dan verwacht na een verandering. De preferentieshift en de referentieshift komen samen vaak voor. Altruïsme is gedrag wat vertoond wordt om de welvaart van anderen te verbeteren, zonder daar zelf belang bij te hebben. Het heeft te maken met sociale referentie. De transactionele economische theorie stelt dat wanneer economen hun zelfinteresse achternagaan in hun transacties met andere economen, er een evenwicht gevormd zal worden door de onzichtbare hand. Bij een ultimatum game moet iemand een som geld verdelen tussen iemand anders en zichzelf. Volgens de economische theorie zal de toewijzer een kleine hoeveelheid aan de ontvanger geven en het meeste voor zichzelf houden. De ontvanger accepteert het omdat het beter is dan niets. De meesten gedragen zich echter niet volgens de voorspelling van de economische theorie. Mensen zijn niet zo egoïstisch gedacht wordt. Altruïsme is afhankelijk van de situatie. Toewijzers zullen altruïstischer handelen als een transactie niet eenmalig is en de toewijzer en ontvanger meer transacties verwachten, als ze elkaar kennen en als ze veranderen van rollen in de toekomst. Altruïsme is niet puur, het wordt gemotiveerd door een goede relatie met mensen in toekomstige transacties. Er is dus sprake van egoïstische interesses.

    Situationele referentie

    Mensen vergelijken zaken op de markt op basis van prijzen en lonen. De evaluatie is gebaseerd op eerlijkheid. Duaal recht is het recht dat consumenten hebben om historische marktprijzen en huidige prijzen in te zien. De meest recente prijs, loon of huur wordt als referentie gebruikt, tenzij de vorige transactie tijdelijk was (tijdelijke prijskorting). Consumenten ervaren het als oneerlijk als verkopers externe situaties gebruiken om de prijs te verhogen.

    De meeste mensen zijn het ermee eens dat verkopers recht hebben op een eerlijk referentievoordeel. Een firma mag de prijzen niet verhogen door arbitrair het recht van consumenten te schenden. Mensen accepteren niet dat firma’s lonen verlagen van werknemers in periodes van hoge werkloosheid. Deze normen van eerlijkheid komen van een economische theorie en de werking van de markt. Het voorspellen en adviseren van prijs of loonsveranderingen gebeurt op basis van de marktvraag. Deze standaarden verklaren marktanomalieën met betrekking tot loon en prijscompetitie. 

    De meeste mensen gaan voor de zekerheid van een korte reis, in plaats van bijvoorbeeld 50% kans op een lange reis. Ze vermijden de mogelijkheid om niks te krijgen. De verklaring hiervoor is verliesaversie. 5% en 10% zijn beide kleine kansen, dus men kiest voor het grootste voordeel.

    Wat is verliesaversie?

    Mensen houden niet van verliezen. Verliesaversie is een basismotivatie. Neurologen menen dat verlies de amygdala activeert (centrum van activatie van gevaar). Het wordt dus geassocieerd met gevaar.

    Verliesaversie is een basiskarakteristiek van de prospecttheorie. De asymmetrische waardefunctie (prospecttheorie) is hoger voor verliezen dan voor winsten (winst 20: 100; verlies 20: 150). De waarden van winsten en verliezen worden kleiner naarmate de winsten of verliezen groter worden (winst 20 boven 20: 25 extra, verlies 20 boven 20: 50 extra). Er is een referentiepunt nodig voor het beoordelen van winsten en verliezen. Het persoonlijk referentiepunt zal door de tijd heen aangepast worden. Mensen nemen meer risico om een verlies te vermijden. Het dispositie-effect kan verklaard worden door de prospecttheorie, investeerders nemen het risico om iets niet te verkopen met het oog op het niet accepteren van een verlies. Daarnaast hebben ze liever een kleinere winst, dan dat ze een risico nemen door op een grotere winst te wachten. Goede aandelen worden te vroeg verkocht als ze een voordeel opmerken. Daarnaast houden ze slechte aandelen te lang door de hoop op toename in waarde. Beschouwing van winst en verlies hangt af van de manier waarop een vraag of situatie is geframed.

    Framing kan zowel positief als negatief. Hedonistisch framen is gebaseerd op de prospecttheorie en houdt in dat de waarden voor individuen zelf en voor anderen verhoogd worden, door winsten en verliezen te integreren en af te zonderen. Bij Integratie worden winsten en verliezen bekend gemaakt, zonder dat er een tijdsinterval voor de ontvanger is om zich aan te passen aan een nieuw referentiepunt.

    Bij afzondering worden winsten en verliezen bekend gemaakt met een tijdsinterval die lang genoeg is voor de ontvanger om zich aan een nieuw referentiepunt aan te passen.

    1. Integratie van verliezen. Prospecttheorie: een geïntegreerd verlies heeft een kleinere negatieve waarde dan twee of meer afzonderlijke verliezen. Creditcard: integratie van een aantal kleine verliezen in een groot verlies. Mensen willen liever één rekening in plaats van meerdere kleine rekeningen.
    2. Integratie van een klein verlies met een grote winst. Prospecttheorie: mensen worden zowel over een verlies geïnformeerd als over een grotere winst. Mensen zijn minder van streek van het verlies, wanneer het gezien wordt als een verminderde winst.
    3. Afzondering van winsten. Prospecttheorie: een geïntegreerde winst heeft een kleinere positieve waarde dan twee of meer afzonderlijke winsten. Afzonderlijke cadeautjes kunnen het beste met een tijdsinterval ertussen gegeven worden, zodat de ontvanger zich aan het nieuwe referentiepunt kan aanpassen. Dit leidt tot meer plezier.
    4. Afzondering van een kleine winst van een groter verlies. Prospecttheorie: het accepteren van een verlies kan gemakkelijker gemaakt worden door mensen ook afzonderlijk te vertellen over een kleinere winst. Dit heet 'silver lining', de zilveren stralen van de zon (goed nieuws) die achter een donkere wolk schijnen (slechte nieuws).

    Spaargeld van het salaris afhalen is geen verlies maar een verminderde winst, daarom wordt dit eerder geaccepteerd. Gedragseconomen en economische psychologen kunnen gebruikt worden om effectieve programma’s te ontwerpen voor belangrijke economische beslissingen (zoals sparen voor het pensioen).

    Endowment effect

    Mensen voelen zich niet goed bij het opgeven van hun eigen producten, daarom willen ze deze producten minder graag verkopen of weggeven. Mensen raken gehecht aan hun producten en willen ze daarom niet ‘verliezen’. Het negatieve effect van het verliezen van die producten is groter dan het positieve effect van de winst die de verkoop ervan zou opleveren. 

    Mensen vragen hogere prijzen voor deze producten (WTA: willingness to accept) dan ze ervoor willen betalen (WTP: willingness to pay). In veel experimenten is de WTA het dubbele van de WTP. Dit kan verklaard worden door middel van verliesaversie (prospecttheorie). Het endowment effect is sterker voor ongelijke producten (minder uitwisselbaar), het opgeven van een item van een set gelijke items schijnt minder pijnlijk te zijn (in tegenstelling tot een uniek item). 

    Status-quo bias

    Wanneer er meerdere opties zijn, prefereren mensen de standaard- of 'defaultoptie', of de optie die ze al hebben. Dit fenomeen lijkt op het endowment effect, echter het verschil is dat de standaard- of 'defaultoptie' niet noodzakelijk erkend wordt. De status-quo bias kan veroorzaakt worden door een gebrek aan motivatie of bekwaamheid van consumenten bij het verwerken van de informatie over alle keuzealternatieven. Een gemakkelijke uitweg is dan het selecteren van een standaard of 'defaultoptie'. Een 'defaultoptie' wordt automatisch gegeven aan consumenten die geen selectie maken en heeft een duidelijke impact op de keuze. De 'defaultoptie' kan gezien worden als de voorgeschreven keuze. De status-quo en het endowment effect hebben veel gemeen in de evaluatie van publieke goederen. Twee verschillende methoden om de waarde van publieke goederen te bepalen geven verschillende resultaten.

    Sunk-costs effect

    'Sunk costs' zijn de kosten die reeds in een project zijn gestoken. Als men later ontdekt dat het project minder succesvol is dan verwacht, zullen sommige mensen er juist meer geld in investeren. Ze proberen zo te voorkomen dat ze het geld dat er al ingestoken is verliezen. Daarnaast wordt het project niet als een mislukking gezien. Er wordt geld in het project gestopt zodat het nog een succes kan worden.

    Tijdspreferentie

    Er is een duidelijk verschil tussen mensen die ongeduldig en impulsief zijn in het spenderen van geld, en mensen die minder ongeduldig zijn en hun geld juist investeren. Er wordt een hoge premie gevraagd (hoger dan rente) voor een achterstand in het ontvangen van geld. Het algemene patroon is dat de gevraagde premie (in percentage) hoger is voor een kleine hoeveelheid geld en voor een korte tijdsperiode. Het is logisch dat de gevraagde premie hoger is voor een lange periode en grote hoeveelheid geld. Mensen willen meer betaald worden voor een achterstand in winst dan voor een achterstand in verlies. Daarnaast is men minder bang om een verlies of schuld uit te stellen. Omdat men er niet van houdt om een schuld te hebben, wil men een schuld sneller afbetalen dan het hoeft. Een verklaring voor de grotere compensatie die voor een klein bedrag wordt gevraagd, is dat mensen langer willen wachten voor een groot geldbedrag dan voor een klein geldbedrag. Kleine buitenkansjes in het inkomen worden uitgegeven aan consumptie of worden gespendeerd, terwijl grote buitenkansen in het inkomen op de spaarrekening worden gezet. Het wachten op een klein bedrag wordt dan gezien als voorgaande consumptie en wachten op een groot bedrag wordt dan gezien als voorgaande rente. Voorgaande consumptie is levendig en verleidelijk in tegenstelling tot voorgaande rente. Ook hier spelen referentiepunten mee.

    De disutiliteit voor achterstand in betalen (verlies) is altijd groter dan de utiliteit voor het versnellen (winst) van dezelfde hoeveelheid geld. Mensen willen uitstel van een positieve ervaring en op die manier de aantrekkelijke anticipatie op de positieve ervaring houden. De negatieve ervaring moet echter versneld gebeuren om de anticipatie erop te vermijden. Men heeft liever eerst de negatieve, en dan pas de positieve ervaring. 

    De premies worden lager wanneer de periodes langer worden, dit heet 'hyperbolic discounting' (tijdspreferentie verklaren met referentiepunt).

    1. Achterstand-versnelling asymmetrie: mensen willen meer compensatie (WTA) voor een achterstand van een winst dan ze willen betalen (WTP) voor het versnellen ervan. Ze willen meer compensatie (WTA) voor het versnellen van een verlies dan ze willen betalen (WTP) voor het uitstellen ervan.
    2. Verbetering volgordes: mensen prefereren beter wordende volgordes (toenemende utiliteit) boven slechter wordende volgordes (afnemende utiliteit).
    3. Magnitude effect: kleine sommen geld worden meer buiten beschouwing gelaten dan grote sommen geld. Mensen willen meer compensatie (WTA) voor de achterstand van kleine sommen geld dan voor grote.
    4. Tekeneffect: winsten worden meer buiten beschouwing gelaten dan verliezen. Men wil meer compensatie voor achterstand van winst (WTA) dan ze willen betalen voor een achterstand in verlies (WTP).

    Wat is de context van de sociale psychologie?

    De resultaten van cognitieve, economische en sociale psychologie op game theorie, sociale referentie, sociale oriëntatie en het maken van beslissingen en keuzes worden nu toegepast op het economisch gedrag van consumenten, investeerders en ondernemers. Een anomalie voor een economische theorie is niet perse een anomalie voor een psychologische theorie. Economen gebruiken vooral de theorie van utiliteitsmaximalisatie onder condities van complete informatie en stabiele voorkeuren. Psychologie heeft veel meer theorieën. De theorieën zijn beschikbaar om gedrag in verschillende situaties en domeinen te verklaren en te voorspellen. Een nadeel is de onverenigbaarheid en de tegenstrijdigheid van de voorspellingen van deze theorieën. De sociale psychologie moet zich daarom bewust zijn van de grenscondities van de toepasbaarheid van deze theorieën.

    De sociale psychologische determinanten helpen bij het verklaren en het voorspellen van economisch gedrag. Ze verbeteren het realisme en de validiteit van de theorieën en modellen van economisch gedrag. De economie is gefocust op het voorspellen van consumentengedrag op verenigbaar niveau, bijvoorbeeld hoe de vraag op een prijstoename reageert. De psychologie is daarentegen gefocust op de beschrijving en voorspelling van gedrag waarbij individuele verschillen in acht worden genomen. Economen beschrijven geen actueel gedrag, maar verschaffen een normatieve gids en schrijven voor hoe men zich moet gedragen. Dit hoofdstuk focust op het vinden van heuristieken en biases die mensen tegenhouden bij het nemen van goede beslissingen. Economische en sociaal psychologen die werken op het gebied van economisch gedrag moeten weten wat de micro en macro aspecten van de economie, de gedragsfinanciën en van marketing zijn. Micro economen zijn, anders dan vroeger, geïnteresseerd in en overtuigd van de bijdrage van economen en sociaal psychologen. 

    Wat kan er geconcludeerd worden?

    Economisch psychologen en gedragseconomen onderzoeken samen de heuristieken en biases van economische actoren. Daarnaast zoeken ze naar een verklaring voor economisch gedrag van consumenten, investeerders en ondernemers. De economische theorie van utiliteitsmaximalisatie is een normatieve theorie van economisch gedrag (niet beschrijvend).

    De economische actoren gebruiken heuristieken en biases om beslissingen te maken (ze maken geen gebruik van de theorie). Heuristieken zijn simpele zoek- en beslisregels. Door biases en heuristieken worden beslissingen gemakkelijker en sneller gemaakt, vooral bij een overvloed aan informatie en tijdsdruk. Daarnaast worden ze gebruikt bij nieuwe en complexe situaties en bij situaties waarbij er minder aandacht is. Vanuit evolutionair perspectief zijn heuristieken en biases een nieuwe ecologische rationaliteit. Bewust denken is slechts de top van de ijsberg, onbewuste factoren bepalen beslissingen voor een groot deel. Het onbewuste is meer adaptief, minder beperkt en meer effectief dan we realiseren. Het gebruik van heuristieken en onbewust denken leidt tot een nieuwe rationaliteit van economisch gedrag. Het is een begrensde rationaliteit bij het maken van beslissingen waar men tevreden over is, in plaats van beslissingen waardoor de winst zo groot mogelijk zal zijn.

    Access: 
    Public
    Hoe kan sociale psychologie worden toegepast in de klas? - Chapter 8

    Hoe kan sociale psychologie worden toegepast in de klas? - Chapter 8

    Sociaal psychologische principes kunnen toegepast worden bij educatie, bijvoorbeeld om de houding tegenover school positiever te maken of om het gevoel van falen te verminderen. De laatste 30 jaar hebben steeds meer onderzoekers bijgedragen aan de brug tussen educatie en sociale psychologie. Er zijn inmiddels al heel wat theoriën in het nieuwe gebied, wat is ontstaan door deze samenwerking, en er zijn veel onderzoeken en data geproduceerd. We gaan hier kijken naar het begrensde aantal sociaal-psychologische concepten en fenomenen in relatie met evaluatie. Evaluatie is, net als leren, een deel van educatie. Evaluaties kunnen door de docent gedaan worden, of door scholier zelf in vergelijking met andere scholieren. Deze vergelijkingen kunnen bijdragen aan het academisch succes van de student. Een positieve of negatieve kijk op eigen bekwaamheden is een deel van het academisch zelfconcept. Daarnaast kunnen scholieren die bij sociale groepen horen lijden onder de negatieve stereotypes van een dergelijke groep.

    Wat is sociale vergelijking?

    Sociale vergelijking (Festinger) is het het denken over informatie andere mensen in relatie tot onszelf. De meeste mensen willen hun bekwaamheden en meningen evalueren, dit is vooral zo wanneer er geen objectieve realiteit is. Men baseert zich dan op de sociale realiteit, waarbij we eigen bekwaamheden en meningen vergelijken met die van anderen. Soms worden mensen gedwongen tot sociale vergelijking, bijvoorbeeld wanneer het salaris van een compagniemanager in het nieuws is. De klascontext is een situatie waar de sociale vergelijking doordringend is.

    Sociale vergelijking begint al bij de voorschoolse educatie, wanneer kinderen kijken naar hoe de leraar op hun en op andere kinderen reageert. Zo leren ze hoe ze een beloning kunnen krijgen en hoe ze straf kunnen voorkomen. Ze leren zo normen en waarden. De bekwaamheden die nodig zijn voor sociale vergelijking, zijn nog niet aanwezig voor het zesde of zevende levensjaar, ze worden ontwikkeld tijdens het negende of tiende levensjaar. Sociale vergelijking wordt een deel van de zelfkennis.

    Sociale vergelijkingsprocessen komen in het klaslokaal voor en kunnen positieve en negatieve emoties opwekken. De mogelijkheid om schade op te lopen aan het gevoel van eigenwaarde van kinderen is groot in het klaslokaal. Dit geldt ook voor het aannemen van lage opvattingen over hun bekwaamheden. De ontdekking dat de resultaten van iemand anders beter zijn dan de eigen resultaten hoeft niet perse pijnlijk of negatief te zijn voor de persoon, het kan namelijk ook een positieve impact hebben op iemands prestaties. Het kan zinvolle informatie opleveren om eigen prestaties te verbeteren, dit heet leren door observatie (waarnemingsleren).

    Het kan ook de motivatie verbeteren om een prestatie te leveren. Individuen moeten zich hiervoor identificeren met hun meest succesvolle vergelijkingspersonen. Door te zien dat anderen succesvol zijn, moeten individuen een hogere persoonlijke standaard aannemen en door te zien dat anderen iets goed kunnen krijgen ze  het gevoel dat zij het ook kunnen. Daardoor kan het zelfvertrouwen en het gevoel van eigen kracht groeien.

    Het vertrouwen dat een taak succesvol uitgevoerd kan worden speelt mee bij het academisch succes. Festinger meent dat er een voorkeur bestaat voor de vergelijking met gelijke anderen. Andere onderzoekers van sociale vergelijking discussiëren over wat Festinger met ‘gelijke’ bedoeld. Nu wordt gelijkheid beschouwd als ‘gerelateerde houdingen’, houdingen die gerelateerd zijn aan de uitvoering van een taak. De voorkeur om met anderen te vergelijken die gelijke gerelateerde houdingen hebben wordt het gelijkheidsprincipe genoemd. Festinger meent dat sociale vergelijkingen een opwaartse kracht met één richting volgen, of het nu fysieke of intellectuele bekwaamheden zijn. Scholieren vergelijken zichzelf met klasgenoten die net iets beter zijn dan zijzelf.

    Opwaartse sociale vergelijking

    Uit een onderzoek gedaan op een Nederlandse middelbare school kwamen drie dingen naar voren:

    1. Dat meer dan 90% zichzelf vergelijkt met anderen van het eigen geslacht. Dit is een andere uiting van het gelijkheidsprincipe, gelijkheid is niet altijd aan cijfers gerelateerd.
    2. Dat ongeveer 60% zichzelf vergelijkt met klasgenoten van wie de cijfers net boven hun eigen cijfers liggen. Door de opwaartse vergelijkingen zijn ze gedwongen om aan mentale gymnastiek te doen. Doordat de cijfers verschillen gedurende het jaar en de academische disciplines, hebben scholieren verschillende vergelijkingspersonen.
    3. Dat naast lichte opwaartse vergelijkingen ook keuzes van hogere vergelijkingsniveaus geassocieerd werden met hogere cursuscijfers. De vergelijkingsevaluatie werd niet lager door de opwaartse vergelijking.

    Dit onderzoek werd gerepliceerd met Franse kinderen van dezelfde leeftijd. Uit dit onderzoek kwamen verschillende dingen naarvoren:

    1. Ze hadden een meer gedetailleerde vermelding van vergelijkingskeuzes. In het vorige onderzoek mochten de scholieren slechts 1 vergelijkingspersoon kiezen, in dit onderzoek mochten het er meer zijn. Dit omdat scholieren zich met meer anderen vergelijken, bijvoorbeeld door op de tweede plaats neerwaartse vergelijking te gebruiken om zich klaar te maken voor een pijnlijke ervaring met een goed iemand. Ook hier kwam naar voren dat meer dan 60% zich door middel van lichte opwaartse vergelijking vergelijkt met 2 keuzes op de meeste vakken. Daarnaast werden hogere cijfers geassocieerd met hogere vergelijkingsniveaus en voelde men zich niet minder bekwaam door betere anderen.
    2. Zowel het vorige onderzoek als dit onderzoek lieten zien dat scholieren opwaartse vergelijking toepassen bij personen die psychologisch dichtbij hen staan. Individuen vermijden identificatie met anderen die slechter af zijn. De meeste scholieren komen met hun prestaties steeds dichter bij die van hun vergelijkingspersonen.

    Echter, er moeten er een aantal kanttekeningen worden gemaakt bij deze uitkomsten. Ten eerste zijn cross-gender vergelijkingen relatief zeldzaam in de klas. Dit is geen argument om de twee geslachten te scheiden. Ten tweede kiezen scholieren naast leeftijdsgenootjes van hetzelfde geslacht ook leeftijdsgenootjes binnen hun bereik waarmee ze zichzelf vergelijken (lichte opwaartse vergelijking). Scholieren die ontmoedigd en minder capabel zijn kunnen zich beter niet met scholieren vergelijken die slechter af zijn dan zijzelf, omdat dit alle vooruitgang tegenhoudt.

    Wat zijn theorieën over intelligentie en wat is het academisch zelfconcept?

    Academisch zelfconcept is de manier waarop individuen zichzelf evalueren op verschillende academische gebieden. Naast lichte opwaartse vergelijking is het dus ook belangrijk dat iemand weet dat het mogelijk is om vaardigheden te veranderen. Zonder een veranderlijk zelfbeeld kunnen scholieren zich ondergeschikt voelen.

    Theorieën over intelligentie

    Dweck maakt onderscheid tussen de entiteitstheorie en de vermeerderingstheorie. Bij de eerste geloven mensen dat intelligentie een aangeboren en stabiele eigenschap is en dat de algemene prestaties dus beperkt worden door aangeboren houdingen. Bij de tweede geloven mensen dat ze hun prestaties kunnen verbeteren door inspanning. Onderzoek laat zien dat vermeerderingstheoretici veel meer optimistisch en veerkrachtig zijn bij falen dan entiteittheoretici (ook wanneer falen van een opwaartse sociale vergelijking komt).

    Onderzoek van Dweck laat zien dat de scholieren die de entiteitstheorie volgden en het in een bepaalde klas slecht deden, het ook slecht deden in een klas hoger. Van degenen die het in een bepaalde klas goed deden, deden sommigen het slechter in een klas hoger. Deze afname komt voor bij scholieren met een hoog vertrouwen in hun intelligentie, vertrouwen in intelligentie is problematisch binnen de entiteitstheorie. Scholieren die het in een bepaalde klas goed deden, deden het een klas hoger net zo goed volgens de vermeerderingstheorie. Degenen die het niet zo goed deden in een bepaalde klas, deden het een klas hoger veel beter.

    De nieuwe resultaten hebben implicaties voor de eerdere resultaten. Als minder capabele studenten willen leren van hun meer succesvolle anderen, moeten ze hun bekwaamheden zien als flexibel in plaats van vaststaand. Dit geldt ook voor scholieren met goede oordelen over hun bekwaamheid. Ook zij stoppen met een moeilijke taak als ze niet geloven dat hun bekwaamheid zal verbeteren. Entiteitstheoretici zullen op een gegeven moment van alle activiteiten afzien die inspanning vereisen en daar zal hun academisch zelfconcept onder leiden.

    Leraren kunnen beter het prijzen van bekwaamheden vermijden en juist de inspanningen prijzen. Scholieren moeten zouden de succesverhalen moeten horen van leeftijdsgenoten die eerst iets heel moeilijk vonden maar het later wel voor elkaar kregen.

    Het academisch zelfconcept

    Succes en het Big-Fish-Little-Pond-Effect (BFLPE)

    Leraren en ouders nemen vaak aan dat de academische voordelen voor goede scholieren geassocieerd zijn met het volgen van onderwijs op scholen waar het niveau hoog is. Onderzoek toont aan dat scholieren met gelijke prestaties een lager academisch zelfconcept hebben op scholen waar het niveau hoog is, dan op scholen waar het niveau lager ligt en waar minder nadruk op academische prestatie ligt. Dit wordt het Big-Fish-Little-Pond-Effect (BFLPE) genoemd. De academische zelfconcepten worden positief beïnvloed door eigen academische prestaties. Hoge bekwaamheidsniveaus van anderen in de directe omgeving hebben daarintegen een negatieve invloed.

    BFLPE beïnvloedt ook de academische keuzes, inspanningen en successen. BFLPE schijnt het neteffect van twee tegenovergestelde processen te representeren: een is gebaseerd op het contrast tussen een student en zijn medestudenten, de andere is gebaseerd op assimilatie. Contrast komt voor als de zelfevaluatieve oordelen van de achtergrond of de context veranderen. Assimilatie gebeurt als de zelfevaluatieve oordelen naar de sociale context veranderen. Het volgen van onderwijs op scholen waar academische prestatie benadrukt wordt resulteert dus in een basis die meer vraagt van sociale vergelijking voor de persoonlijke prestaties en een bron van trots. Het eerste leidt tot een sterker negatief contrast-effect, en het tweede tot een sterker positief assimilatie-effect. Sommige educatieprogramma’s bevorderen de hoog competitieve omgeving, waardoor het BFLPE juist wordt versterkt.

    Falen en prestaties

    De prestaties van scholieren zijn gerelateerd aan de zelfrepresentaties op een bepaald gebied. Onderzoek laat de sterke invloed zien van zelfrepresentaties op cognitieve output. Het draait dus niet alleen om individuele bekwaamheden. De prestaties van scholieren die moeite hebben met bijvoorbeeld geometrie kunnen al verslechteren bij alleen het horen van het woord. Het academisch verleden kan voor moeilijkheden zorgen. Hoe vaker een scholier faalt, hoe meer de context van het falen het succes hindert. Dit leidt dan tot een gebrek aan interesse, wat niet direct wordt veroorzaakt door een gebrek aan motivatie. Slechte scholieren nemen dan een reputatie aan van ‘dom’ of ‘lage bekwaamheid’. Het effect van slechte reputaties op cognitief functioneren zie je terug aan de directe toegankelijkheid van het zelfconcept van academisch falen en de vele negatieve emoties die hiermee gepaard gaan. Als een slechte academische reputatie eenmaal in het klaslokaal is voorgekomen, ontstaat een herinnering aan de zwakke punten. Deze herinnering wordt automatisch geactiveerd als iemand weer in zo’n situatie komt.

    Een dergelijke activatie overspoelt de studenten met een sfeer van falen. Dit leidt tot het pessimistisch beoordelen van de kans op succes en weerhoudt studenten ervan aan een bepaalde activiteit te beginnen. Daarnaast vraagt het toegankelijk geheugen van het eerdere falen en de visie op het verliezen in de toekomst zoveel aandacht, dat de student zich niet geheel op het probleem kan concentreren. Het obstakel bij het ‘echte aandachtsprobleem’ ligt in de condities waarin de cognitieve bekwaamheden worden uitgedrukt, niet in de bekwaamheden zelf. Een scholier kan alle nodige vaardigheden hebben voor een taak, maar kan deze bijvoorbeeld niet uitvoeren omdat de context ongunstig is. Bekwaamheid is niet direct te observeren, het kan alleen afgeleid worden van de prestaties. Er moet ook rekening gehouden worden met de context. Om slechte studenten te helpen vooruit te gaan, moet men niet alleen kijken naar de gebieden waar er tekorten zijn. De actuele leercontext moet juist onder de loep worden genomen. Schoolgedrag (net als ander gedrag) kan alleen veranderd worden als en wanneer de condities die bijdragen aan de gebeurtenis ook veranderen. Om een effectieve impact te hebben op slechte scholieren moet men op de hele klas reageren. Verschillende strategieën zijn beschikbaar om negatieve academische reputaties te voorkomen en te ontmantelen.

    Het publiekelijk bekend maken van zwakke punten moet voorkomen worden. Er is niks erger voor scholieren dan te zien hoe medeklasgenoten praten over persoonlijke zwakke punten. Soms zijn slechte scholieren er zo aan gewend dat ze het negeren, maar dan is het spel al verloren. De leraar moet dus enige voorzichtigheid hanteren bij bijvoorbeeld het teruggeven van nagekeken toetsen. Aan de andere kant moet toegestaan worden dat scholieren die succes hebben hierover kunnen praten met anderen. Als deze gelegenheid aan hen niet wordt gegeven zal het succesniveau dalen.

    Wat is de rol van negatieve stereotypes?

    Bij stereotypebedreiging is er een kans dat een prestatie leidt tot negatieve stereotypering. Deze bedreiging leidt tot een slechtere prestatie en veroorzaakt dus juist de verwachte negatieve uitkomst. Recente onderzoeken laten zien dat vrouwelijke scholieren slechtere prestaties leveren wanneer ze een klassikale opdracht moeten uitvoeren, waarbij ze denken dat de wiskundige vaardigheden worden gemeten. Een ander onderzoek laat zien dat meisjes onderpresteren in vergelijking tot jongens in de zelfbedreigende geometrische conditie, maar dat ze hoger presteren in een neutrale conditie. Stereotypebedreiging komt voor wanneer meisjes alleen of in gemengde groepen werken. Het komt niet voor in groepen met hetzelfde geslacht.

    Zouden jongens en meisjes dan gescheiden moeten worden op scholen? Er zijn hiervoor drie indicaties:

    1. Door individuen in gescheiden groepen te zetten worden de stereotypes alleen maar versterkt. Ondanks dat de scheiding tot betere prestaties in het klaslokaal leiden, leiden ze ook tot spanningen en discriminatie buiten de klaslokalen. De stereotypebedreiging bij vrouwen kan dus verminderd worden door de scheiding tussen de geslachten te vermijden.
    2. De aanwezigheid van mannen is niet problematisch.
    3. Op praktisch niveau is het scheiden van geslachten niet de enige manier voor vooruitgang, ook educatie over stereotypebedreiging kan effectief zijn. Deze manier is vooral aantrekkelijk omdat het ook helpt om een tegen-stereotype opvatting te verspreiden. Stereotypebedreiging is een ‘default mindset’ voor vrouwelijke studenten in wiskunde lessen en training laat zien hoe deze ‘mindset’ veranderd kan worden.

    Wat is een klaslokaalklimaat?

    Het klaslokaalklimaat is de sfeer die heerst in een klas. Het is het resultaat van verschillende factoren, zoals fysieke, organisatorische, sociale of economische, en het kan veranderen gedurende het schooljaar en zelfs van dag tot dag. Hoe scholieren zichzelf zien en hoe ze zich gedragen binnen klaslokaal hangt van het klaslokaalklimaat af.

    Een maand les krijgen van een hele leuke leraar kan meerdere jaren van negatieve ervaringen overstemmen. Het omgekeerde kan ook, een maand les krijgen van een vreselijke leraar kan jaren met een leuke leraar overstemmen.

    Het is echter niet de leraar zelf die kinderen leuk of niet leuk vinden, het gaat om het klimaat die de leraar in het lokaal brengt. Er hangt een onplezierige sfeer wanneer resultaten van kinderen openbaar worden gemaakt of wanneer scholieren worden opgedeeld in bekwaamheidsgroepen. De kans bestaat dat de scholieren met hoge cijfers de scholieren met lage cijfers laten vallen. De scholieren worden dan geïrriteerd, agressief en ze hebben minder aandacht voor hun klasgenoten. Om te voorkomen dat de sfeer verpest wordt, kan de leraar de competitie minimaliseren door scholieren samen te laten werken zonder te kijken naar hun prestaties. Ook moet iedereen zijn mening kunnen geven, problemen moeten besproken worden en er moet samen gezocht worden naar oplossingen. De kinderen krijgen op deze manier de fundamentele sociale vaardigheden mee zoals het overwegen van tegenstrijdige meningen, wat een grote rol speelt in de cognitieve ontwikkeling. 

    Wat kan er geconcludeerd worden?

    Er bestaat een sterke relatie tussen schoolsucces en de sociale en emotionele dynamiek in het klaslokaal. De meeste leraren zijn niet bekwaam om goede theorieën en hypotheses over het klaslokaal te formuleren en te testen. Ze moeten namelijk de praktische taak van lesgeven uitvoeren, dit gebeurt met behulp van concepten en methoden die goed werken en er wordt gebruik gemaakt van praktische dwang. De gewone fysici hebben ook met dwang te maken en hun medische praktijken zijn wetenschappelijk onderbouwd. Het is niet realistisch om te denken dat alle problemen met betrekking tot lesgeven verdwijnen wanneer ze worden onderworpen aan wetenschappelijke kennis. Het is ook niet realistisch om te denken dat het opgelost kan worden zonder wetenschappelijke kennis. De uitdaging blijft om er achter te komen wanneer, hoe en waar de kennis toegepast kan worden in de levende context.

    Access: 
    Public
    Wat is de invloed van sociale psychologie met betrekking tot omgeving en milieu? - Chapter 9

    Wat is de invloed van sociale psychologie met betrekking tot omgeving en milieu? - Chapter 9

    Hoe beïnvloedt de fysieke omgeving ons gedrag?

    Omgeving en milieu

    De fysieke omgeving is erg belangrijk voor gedrag, gedachten, gevoelens, welzijn en prestatie. Bijna iedereen leeft in een stedelijke omgeving, we komen nooit een omgeving tegen die niet gemaakt is door mensen. Eerder was sociaal psychologisch onderzoek gericht op hoe de fysieke omgeving ons beïnvloed, tegenwoordig is het gericht op hoe wij de omgeving beïnvloeden. Deze twee richtingen zijn nauw met elkaar verbonden. Omdat veel onderwerpen die onderzocht worden door omgevingspsychologen sociaal psychologische aspecten hebben, houden sociaal psychologen zich bezig met het verband tussen mens en omgeving. 

    De omgeving kan een negatieve of positieve invloed hebben. De mate waarin stressoren van de omgeving ons beïnvloeden hangt voor een deel van sociaalpsychologische factoren af. Niet alleen objectieve blootstelling aan bepaalde stressoren moet beschouwd worden, maar ook veroorzakers van de subjectieve ergernis. Dat sociaal psychologische factoren ergernisniveaus beïnvloeden heeft een belangrijke implicatie voor het beleid: naast het verminderen van objectieve blootstelling, moet er ook wat gedaan worden aan sociaal psychologische factoren. Robert Summer is een van de pioniers van het sociaal design. Dit design is nuttig voor mensen die in een gebouw werken of leven door hun ideeën en behoeften systematisch op te nemen in het ontwerp. Omgevingspsychologen zijn betrokken bij de planningsfase en het formele ontwerp van een constructie, ze moeten daarbij andere gebouwen evalueren.

    Hoe beïnvloeden wij de omgeving?

    De kwaliteit van de omgeving wordt over de hele wereld bedreigd (luchtvervuiling, geluidsoverlast, opwarming van de aarde). De klimaatverandering wordt veroorzaakt door uitstoot van broeikasgassen en dit komt weer door de verbranding van fossiele brandstoffen. EIA voorziet een toeneming van 71% voor energieconsumptie op aarde tussen 2003 en 2030, wat zorgt voor temperatuurstijgingen tussen de 3 tot 9 graden Celsius. Dit heeft als gevolg dat bijvoorbeeld de zeespiegel stijgt, de voedselproductie wordt verstoord, droogte vaker voorkomt en ziektedragende muggen in aantal toenemen.

    Verschillende beleidsinitiatieven hebben niet bijgedragen aan een daling, de broeikasgasuitstoot is juist toegenomen de laatste 10 jaar. Het zal alleen maar verder stijgen vanwege de toename van consumptie van fossiele brandstoffen. De huishoudens dragen hieraan direct en indirect bij. Het elektriciteitsverbruik van huishoudens neemt alleen maar toe, dit wordt vooral veroorzaakt door de economische groei en de uitbreidende populatie. Omdat veel omgevingsproblemen door menselijk gedrag worden veroorzaakt, kunnen ze verminderd worden door gedragsveranderingen.

    Gedragsveranderingen zijn nodig omdat fysieke of technische metingen niet voldoende zijn om de problemen op te lossen. Vooral de consumptieniveaus moeten aangepakt worden. Bij het aanpakken van de omgevingsproblemen door gedragsveranderingen moet er gelet worden op welk gedrag bijdraagt aan omgevingsproblemen, welke factoren dit gedrag veroorzaken en welke beleidsinterventies pro-omgevingsgedrag zullen promoten. Sociaal psychologen zijn vooral geïnteresseerd in de factoren en de beleidsinterventies.

    Welk gedrag draagt bij aan omgevingsproblemen?

    Sociaal psychologen werken samen met omgevingswetenschappers om vast te stellen wat voor invloed verschillend gedrag op de omgeving heeft. Omdat niet alleen sociale psychologische factoren de relatie tussen mensen en fysieke omgeving beïnvloeden, zijn ook andere disciplines betrokken. De omgevingsinvloed, de uitvoerbaarheid en aannemelijkheid van gedragsveranderingen moeten onderzocht worden. Daarbij kunnen omgevingspsychologen een rol spelen, ze kunnen bijvoorbeeld helpen bij het focussen op gedrag dat het belangrijkst is vanuit het oogpunt van de omgeving. Het werken in een interdisciplinair team is niet gemakkelijk, maar het levert betere en meer begrijpelijke zienswijzen op voor relaties tussen mens en omgeving en de manier waarop ze verbeterd kunnen worden.

    Welke factoren veroorzaken gedrag dat leidt tot omgevingsproblemen?

    Omgevingsgedrag is gedrag dat effect heeft op de beschikbaarheid van grondstoffen, de structuur en kracht van ecosystemen of de biosfeer. Dit beïnvloedt menselijk welzijn en welvaart. Volgens sommige mensen moet de omgeving gewaardeerd worden voor haar eigen belang (en niet voor de waarde die zij voor mensen heeft). Consequenties van gedrag voor de omgeving zijn vaak niet bekend. Echter, het ene gedrag beïnvloedt de omgeving meer dan het andere. Sociaal psychologen moeten zich richten op het gedrag dat de omgeving het meest beïnvloed.

    Pro-omgevingsgedrag heeft vaak hogere persoonlijke kosten. Er zijn drie theoretische benaderingen die uitleggen onder welke voorwaarden mensen hun persoonlijke voordelen willen opofferen om de omgeving te beschermen.

    Gemeenschappelijke dilemma’s zijn situaties waarin er een conflict is tussen individuele en collectieve interesses, denk bijvoorbeeld aan het gemak van autorijden tegenover de luchtvervuiling die het veroorzaakt. Sommigen zijn zich hier niet van bewust omdat ze de collectieve problemen die gepaard gaan met hun gedrag niet erkennen of waarderen. Er is een onderscheid tussen een actor (consument) en observer (wetenschapper of expert). Bij grote, gemeenschappelijke dilemma’s voelen individuen zich niet verantwoordelijk voor het bijdragen aan de oplossing. Dit komt door een gebrek aan vertrouwen in samenwerking met anderen. Ze kijken naar het korte termijn zelfbelang. De beloningen voor het niet uitvoeren van pro-omgevingsgedrag zijn groter dan de beloningen voor het wel uitvoeren ervan, ongeacht wat anderen doen. Veel mensen moeten hun gedrag veranderen.

    Wat is het norm activatie model?

    Sommige mensen gedragen zich niet in hun eigen belang. Beslissingen zijn niet altijd kost-voordeel afwegingen, maar soms ook een afweging van moraliteit. Kost-voordeel modellen zijn minder passend om moreel gedrag te verklaren, omdat ze geen morele kosten en voordelen beschouwen. Daarom is er een moraliteitmodel nodig: het norm activatie model.

    Het norm activatie model (NAM) was oorspronkelijk bedoeld om pro-sociaal gedrag te verklaren. In de praktijk wordt het vaak toegepast om omgevingsgedrag te verklaren. Gedrag komt voor als reactie op persoonlijke normen (gevoelens van morele verplichting). Persoonlijke normen worden geactiveerd wanneer mensen nadelige consequenties van hun gedragingen voor anderen of voor de omgeving erkennen  (awareness of consequence of AC belief), of wanneer ze zien dat ze de consequenties om kunnen keren (ascription of responsibility of AR belief). Als de AC en de AR hoog zijn voelt men een sterke morele verplichting om bepaald gedrag te vertonen en andersom. De NAM kan beter gedrag verklaren dat geassocieerd is met relatief lage gedragskosten (in geld, tijd of moeite, denk aan recyclen) dan wanneer het geassocieerd wordt met relatief hoge gedragskosten (denk aan minder autorijden). Egoïstische interesses spelen mee wanneer de gedragskosten hoog zijn,  persoonlijke normen verdwijnen dan naar de achtergrond.

    Een beslissingsconflict (eigen belang tegenover collectief belang) kan opgelost worden door self-serving denial. Hierbij wordt de eigen morele verplichting ontkent en zo de keuze gerechtvaardigd voor milieuonvriendelijk gedrag. Dit kan op vier manieren:

    1. Negeren, vervormen of minimaliseren van omgevingsproblemen. Mensen kunnen selectief gebruikmaken van wetenschappelijke resultaten om hun gedrag en positie te versterken. Er wordt bijvoorbeeld benadrukt dat onderzoek onder discussie staat. 
    2. Buiten beschouwing laten van verplichting van mensen. Het argument is dan dat de eigen bijdrage weinig verschil zal maken en problemen veroorzaakt worden door collectieve beslissingen (autoriteit of industrie zijn verantwoordelijk).
    3. Het ontkennen van persoonlijke bekwaamheid of competentie om pro-omgevingsgedrag uit te voeren.
    4. Individueel pro-omgevingsgedrag als niet effectief beschouwen om omgevingsproblemen te verminderen (vooral effectief voor omgevingsproblemen op grote schaal).

    Bij het nemen van beslissingen spelen, naast omgevingsfactoren (zoals comfort, veiligheid, status en gemak), ook andere factoren mee. Deze factoren zijn vaak in conflict met de omgevingsfactoren en maken pro-omgevingsgedrag minder waarschijnlijk. De NAM is uitgebreid tot de value-belief-norm theory of environmentalism, waarbij ook gedrag dat resulteert in pro-omgevingsintentie verklaart wordt. Deze theorie stelt, net zoals VBN theorie, dat persoonlijke normen gedrag beïnvloeden en dat persoonlijke normen weer beïnvloed worden door AR en AC. De VBN theorie stelt dat AC belief is gebaseerd op algemene overtuigingen over het verband tussen mens en omgeving en op relatief stabiele waardeoriëntaties.

    Welke rol spelen waarden en omgevingsbelang?

    In 30 verschillende landen vindt 90% van de mensen dat opwarming van de aarde door het broeikaseffect een serieus probleem is. The new environmental paradigm (NEP) is een van de belangrijkste metingen van de mate waarin mensen bezorgd zijn over de omgeving. Het meet het fundamentele geloof dat men heeft over het verband tussen mens en omgeving. De mensen die de NEP goedkeuren menen dat er grenzen zijn voor groei. Volgens hen raakt bij te veel groei de balans van de natuur verstoort door menselijke gedragingen. Zij vinden daarnaast dat mensen de omgeving niet kunnen controleren en domineren. Er is vaak bevestigd dat er relaties bestaan tussen de NEP en gedrag specifiek geloof en normen, intenties en gedrag. De relaties zijn echter niet sterk en NEP support is alleen relevant voor gedrag met lage kosten.

    Omgevingsgedrag wordt ook door waarden beïnvloed. Volgens Schwartz is een waarde een gewenst trans-situationeel doel dat varieert in importantie en dat dient als leidraad in het leven van een persoon of sociale entiteit (voorbeeld gezondheid, rechtvaardigheid of vrijheid). Er zijn vier kenmerken:

    1. Geloof over wenselijkheid van een zekere eindstaat (zoals gezondheid) is abstract en overtreft daardoor specifieke situaties (verschillende gedragingen worden tegelijk beïnvloed).
    2. Leidende principes voor de selectie of evaluatie van gedrag, gebeurtenissen of mensen.
    3. Waarden zijn geordend in een systeem van prioriteiten en keuzes worden gebaseerd op de meest belangrijke waarden.

    Drie algemene waardenoriëntaties worden in de omgevingsliteratuur onderscheiden:

    1. Egoïstische waardeoriëntatie: mensen proberen hun eigen uitkomsten te maximaliseren (individuele kosten en voordelen), bijvoorbeeld in macht of materiële rijkdom.
    2. Altruïstische waardeoriëntatie: belang voor de welvaart van andere mensen, bijvoorbeeld door behulpzaamheid of sociale rechtvaardigheid.
    3. Biosferische/ecocentrische waardeoriëntatie: belang voor niet-menselijke soorten en biosfeer, bijvoorbeeld door respect te hebben voor de aarde en door vervuiling tegen te gaan. 

    Mensen met de laatste twee waardeoriëntaties zullen eerder pro-omgevingsgedrag vertonen dan mensen met een egoïstische waardeoriëntatie, omdat deze waarden belangen voor anderen reflecteren. Echter wanneer altruïstische waarden en biosferische waarden conflicteren, zullen de mensen die altruïstische waarden nastreven minder snel pro-omgevingsgedrag vertonen dan de mensen met de biosferische waarden.

    De besproken theorieën nemen aan dat we denken voor we doen. Dit is vaak het geval, denk bijvoorbeeld aan alledaags gedrag wat routine matig wordt uitgevoerd. De frequentie van het uitvoeren van gedrag is geen goede indicator van een gewoonte. Gewoontes wijzen namelijk naar de manier waarop we beslissingen maken.

    Drie karakteristieken van gewoontes zijn:

    1. Ze worden geactiveerd wanneer een specifiek doel aanwezig is.
    2. Hetzelfde verloop van de actie wordt herhaald wanneer deze bevredigend is (hoe positiever de uitkomsten en hoe sterker de relatie tussen doel en actie om doel te bereiken, hoe sterker de gewoonte).
    3. Gewoontes worden bemiddeld door cognitieve processen, frequent gedrag in een bepaalde situatie zorgt ervoor dat de mentale representatie van de situatie wordt geassocieerd met de representatie van het doelgericht gedrag. Gewoontes worden veroorzaakt door een cognitieve structuur die geleerd, opgeslagen en opgehaald is uit het geheugen wanneer we een stimuli zien.

    Doordat gewoontes gezien worden als doelgericht automatisch gedrag dat mentaal gerepresenteerd worden, is een responsefrequentie meting van de sterkte van een gewoonte ontwikkeld. Deze neemt aan dat doelen automatisch mentale representaties kunnen activeren. Automatische processen worden gemakkelijker door de opgelegde tijdsdruk en door te reageren met wat als eerst in je opkomt. Daarnaast zijn ze gebaseerd op cognitief beschikbare structuren. Als indicator van de sterkte van een gewoonte wordt de frequentie van reageren gebruikt. Bij sterke gewoontes worden geen beredeneerde keuzes gemaakt. Theorieën als the theory of reasoned action, the norm activation model en theory of planned behavior zijn dus niet geschikt om gewoontegedrag te verklaren. Wanneer gewoonten sterk zijn, is intentie niet gerelateerd aan gedrag. Gewoontes zijn geschikt om met veelvoorkomende, alledaagse situaties om te gaan. Echter, als omstandigheden veranderen zijn gewoontes niet geschikt. Mensen geven geen aandacht aan informatie die hun keuze kan veranderen, dit gebeurt echter wel wanneer de omstandigheden significant veranderd zijn.

    Welke beleidsinterventies leiden tot pro-omgevingsgedrag?

    Bij het ontwerpen van interventies om pro-omgevingsgedrag te promoten, is informatie nodig over welke factoren omgevingsgedrag beïnvloeden (aanmoedigen of tegenhouden). Er zijn twee manieren om gedrag te veranderen: 

    1. Interventies kunnen gericht zijn op het veranderen van de consequentie van gedrag, door middel van belonen van goed gedrag en straffen van slecht gedrag. Ze zijn het meest effectief wanneer ze gedragsverandering teweeg kunnen brengen. Mensen zullen de gedragsverandering dan toeschrijven aan persoonlijke overtuigingen in tegenstelling tot wanneer de beloningen of straffen te sterk zijn (dan is verandering namelijk slechts van korte duur). De stimulansen om te doen wat je zelf wilt zijn soms sterker dan de motivatie om pro-omgevingsgedrag te vertonen. Dan zijn veranderingen in stimulansen nodig, consequentiestrategieën genoemd. Men hoopt dat houdingen en voorkeuren in dezelfde richting veranderen, want dan zullen gedragsveranderingen meer robuust zijn. De beschikbaarheid en kwaliteit van producten en diensten kan veranderd worden. Daarnaast kunnen legale metingen gebruikt worden, deze zijn alleen effectief als de wetten en regels door de meeste mensen worden geaccepteerd en er daarnaast sancties zijn voor schendingen van de regels en wetten. Als laatste kan een prijsbeleid worden opgesteld zodat kosten worden verminderd van pro-omgevingsgedrag en kosten worden verhoogd voor omgevingsonvriendelijk gedrag. Dit zou effectief zijn omdat pro-omgevingsgedrag nu duurder is dan omgevingsonvriendelijk gedrag.
    2. Interventies kunnen gericht zijn op de waarnemingen, motivaties, cognities en normen. Het wordt aangenomen dat toegenomen kennis of positieve houdingen zouden leiden tot het vaker recyclen van spullen. 

    Hoe kunnen percepties worden veranderd?

    De meeste strategieën zijn antecedent strategieën (behalve feedback). Ze hebben als doel het verschaffen van informatie door middel van informatiecampagnes. Het doel hiervan is de consequenties van gedrag te laten zien en om informatie te geven over gedrag en verwachtingen van anderen. Op deze manier wordt er bewustzijn gecreëerd van gewenste sociale normen. Informatie is effectief om kennis te vergroten, maar de het informeren alleen zorgt niet meteen voor een gedragsverandering (vooral massamediacampagnes). Informatie gevormd naar behoeften, interesses en wensen van een doelgroep zorgen er voor dat mensen eerder erop gaan letten en de informatie goed verwerken (vergroot kans op attitude of gedragsverandering). Gedragstoezegging is een privé toezegging die door een belofte een de persoonlijke norm zal activeren. Wanneer die openbaar gemaakt wordt, zullen mensen hun belofte nakomen doordat ze afkeuring van anderen willen vermijden. Deze manier is beter dan feedback, vanwege de lange termijn effecten. Feedback wordt gegeven over de mate van gedragsverandering of de impact van de gedragsverandering op de omgeving. Feedback is effectief om pro-omgevingsgedrag te promoten (vooral wanneer het frequent en direct na het gedrag wordt gegeven).

    De combinatie van interventies is het meest effectief, het is echter geen garantie voor verandering (gewoonten kunnen sterk zijn, weinig gelegenheid voor gedragsverandering of gedrag is minder aantrekkelijk, hiervoor zijn dan sterkere metingen nodig of metingen die aantrekkelijkheid van alternatief gedrag veranderen, zie vorige manier).

    Access: 
    Public
    Wat is de rol van sociale psychologie in gezondheid? - Chapter 10

    Wat is de rol van sociale psychologie in gezondheid? - Chapter 10

    Wat is gezondheid?

    De levensverwachting is gebaseerd op statistiek en geeft de gemiddelde leeftijd aan voor een populatie. Het is een belangrijke indicator van ziekte en gezondheid. In sommige regio’s van de wereld is de levensverwachting meer toegenomen dan in andere regio’s. Ook kan berekend worden hoe lang iemand in gezondheid zal leven (dit kan variëren van 40-70 jaar). Hoewel de toegenomen levensverwachting een goed teken is, zijn er verschillende factoren die gezondheid en levensverwachting bedreigen:

    • In ontwikkelingslanden zijn dit de hoge kindersterfte (meer bepaald door structurele factoren als economisch beleid of kwaliteit van het zorgsysteem dan door individueel gedrag), infectieziekten, ondervoeding of problemen met huisvesting.
    • In ontwikkelde landen komt dit door factoren die met de levensstijl te maken hebben (denk aan roken of een ongezond dieet). De meeste factoren leiden tot chronische ziekten en daardoor tot een ‘late’ dood. Er is minder kindersterfte en levensstijl wordt meer door individueel gedrag bepaald. Roken blijft de gezondheid en levensverwachting bedreigen. Andere bedreigingen zijn AIDS en overgewicht, infectieziekte en bedreigingen door klimaatveranderingen. Gedragsgerelateerde risicofactoren zijn voor 50% verantwoordelijk voor de vermindering in aantal gezonde levensjaren. Verandering in dit gedrag zal een grote impact hebben op gezondheid en levensverwachting.

    Wat is de maatschappelijke druk van chronische ziekten?

    Chronische ziekten komen vaker voor doordat mensen langer leven en er effectieve medische behandelingen zijn tegen symptomen. Chronische ziekten als kanker of neuropsychiatrische ziekten zijn in ontwikkelde landen verantwoordelijk voor 86% van de opgetelde jaren die mensen in ziekte of belemmering leven, in ontwikkelingslanden is 65% daar verantwoordelijk voor.

    Een factor die zou zorgen voor de hoge prevalentie van chronische ziekten is het niet trouw zijn aan de voorgeschreven medische leefregel en dit is typisch voor medicijnen die juist zorgen voor lagere risico’s op langere termijn. Hier kan dus wat aan gedaan worden.

    Wat is de bijdrage van de sociale psychologie bij gezondheidsproblemen?

    De bijdrage van de sociale psychologie bij gezondheidsproblemen zijn:

    • Primaire preventie: voorkomen dat mensen ongezond gedrag vertonen en hen overtuigen gezond gedrag te vertonen. 
    • Het onderzoeken hoe mensen die ongezond gedrag vertonen, overtuigd kunnen worden om hun gedrag te veranderen.
    • Het onderzoeken van de manier waarop mensen gemotiveerd kunnen worden om hun medicijnen trouw in te nemen. Het hangt van het gedrag van de patiënt af in welke mate de behandeling gewenste veranderingen veroorzaakt.

    Er zijn specifieke modellen ontwikkeld om gedrag te begrijpen op het gebied van de gezondheid, bijvoorbeeld het Health Belief Model (HBM), Health Action Process Approach (HAPA) of Protection Motivation Theory (PMT). Ze geven verklaringen voor gezond en ongezond gedrag en er wordt bij alle modellen naar twee algemene psychologische categorieën verwezen, ondanks dat ze allemaal verschillende constructen gebruiken om gedrag te begrijpen:

    • Eigen doeltreffendheid ten aanzien van een specifiek gedrag of taak.
    • Motivatie om bepaald gedrag uit te voeren.

    Wat is eigen doeltreffendheid?

    Eigen doeltreffendheid gaat over verwachtingen van mensen over de eigen vaardigheid om bepaald gedrag uit te voeren. Verwachtingen over eigen doeltreffendheid zijn taakspecifiek en stellen vast of mensen denken dat het nuttig is bepaald gedrag uit te voeren en of ze die in stand houden (zelfs bij moeilijk gedrag). Makkelijk gedrag heeft niet te maken met vaardigheid (eigen doeltreffendheid) maar met motivatie (uitkomstverwachtingen). Een voldoende hoog niveau van verwachtingen over eigen doeltreffendheid is een noodzakelijke voorwaarde voor de motiverende kracht van verwachte positieve uitkomsten om gezond gedrag uit te voeren.

    Verschillende bronnen leiden tot verwachtingen over het eigen kunnen, zoals vaststellend leren (hangt van toeschrijvingen aan succes of falen af), interpretaties van fysieke symptomen, sociale vergelijkingsinformatie (alleen in vergelijking met een persoon met gelijke vaardigheid, er bestaat een basis en relevante gelijkheid) en indirect leren of modelling (verwachtingen over eigen kunnen toenemen door kennis over organisatie van gedrag en van hoe moeilijk het is).

    Waarom willen mensen gezond zijn?

    De belangrijkste redenen om geen ongezond gedrag te vertonen hebben te maken met ons fysiek welzijn. Niemand wil pijn hebben. Dit wordt weergegeven door het bepalen van iemands risicoperceptie voor een bepaald gezondheidsprobleem (verwijst naar verschillende aspecten van gevaren). Mensen combineren hun ideeën over verschillende aspecten van gezondheidsproblemen. Een basisschatting is de waargenomen kwetsbaarheid (gebaseerd op eigen ziektegeschiedenis, familiegeschiedenis, zichzelf vergelijken met anderen). Een conclusie gebaseerd op gebiaste sociale vergelijkingen wordt onrealistisch optimisme genoemd. Ook speelt de waargenomen ernstigheid mee (vergelijking tussen 2 ziekten, is de ziekte dodelijk, hoe effectief is de behandeling). Iemand is gemotiveerd om een ziekte te voorkomen wanneer er en hoge kwetsbaarheid en een hoge ernst wordt waargenomen.

    Angst speelt daarnaast mee als basis emotie voor gevaar, gevaar wordt gesignaleerd en vervolgens ontstaat de motivatie om angst te verminderen. Een aspect van angst is zorgen maken, waarbij er sprake is van de ongecontroleerde herhaling van gedachten over het gevaar. Door herhaling van gedachten blijft de angst in het hoofd waardoor ongezond gedrag wordt veranderd. Disengagement beliefs helpen angst te verminderen zonder het ongezond gedrag te veranderen, men behoedt zich dan juist voor rust in het hoofd en niet voor het gevaar . De motivatie om gezond gedrag te vertonen is primair gebaseerd op het vermijden van de gevaren van ongezond gedrag, maar voordelen van de gezondheid zijn ook belangrijk.

    Positieve uitkomstverwachtingen zijn de verwachtingen van de voordelen die het veranderen van ongezond gedrag veroorzaken:

    • Verwachtingen over gezondheidsuitkomsten zijn relevant.
    • De positieve uitkomstverwachtingen verwijzen naar sociale voordelen van gedrag.
    • Zelfevaluatie uitkomstverwachtingen kunnen motiveren om gedrag te veranderen.

    Maar motivatie en controle beïnvloeden gedrag niet direct, ze resulteren in de vorming van intenties om gedrag uit te voeren welke dan weer gedrag beïnvloeden. Intenties zijn een goede indicatie, maar voorspellen actueel gedrag niet perfect. Twee onderwerpen veroorzaken deze kloof. Intenties specificeren niet wanneer, waar en hoe ze een begin maken aan gepland gedrag. Het gevolg is het uitstellen van gedrag. Uitvoeringsintenties specificeren wanneer en waar een persoon het gedrag uitvoert. Het expliciet maken van deze intenties, bijvoorbeeld door ze op te schrijven, helpt bij de uitvoer wanneer het geen routine is. Daarnaast voeren mensen gedrag soms uit zonder een expliciete intentie te hebben (bijvoorbeeld bij risico’s nemen en onder sociale controle staan). Dit gedrag heeft te maken met het willen nemen van een risico wanneer een gedrag voorkomt (denk aan alcoholconsumptie). Men heeft prototype beelden die wel of niet aantrekkelijk gevonden worden.

    Wat is ziektegedrag?

    De waarneming van de symptomen heeft te maken met het geven van betekenis. Daarna wordt er een mening gevormd over wat de symptomen betekenen. Ziekteopvattingen zijn mentale representaties, de waarneming van symptomen hangt hier vanaf. Mensen zijn onzeker over de betekenis van hun symptomen wanneer de symptomen fluctueren, dubbelzinnig zijn of gemiddeld van intensiteit zijn. Bij dergelijke onzekerheid kijkt men vaak aan en wacht af hoe de klachten zich ontwikkelen.

    De sociale context speelt mee bij de betekenis die aan symptomen gegeven wordt. Men wordt bijvoorbeeld beïnvloed door de dokter/patiënt relatie. Daarnaast is de sociale omgeving en sociale steun belangrijk.

    Er bestaan verschillende vormen van sociale steun zoals emotionele steun, voelbare assistentie (bijvoorbeeld helpen bij beslissingen maken), instrumentale steun (bijvoorbeeld het overnemen van het huishouden tijdens revalidatie) of beïnvloeden van trouw (herinneren aan innemen van medicijn).

    Verandering neemt tijd in beslag, het veranderen van factoren veroorzaken niet gelijk een gedragsverandering. Fasemodellen laten de tijdelijke dimensie van gedragsverandering zien, mensen gaan door verschillende fasen en verschillende psychologische factoren spelen mee bij het verplaatsen naar een volgende fase. Een model is het Trans Theoretical Model: het onderscheid 5 opeenvolgende fasen:

    1. Precontemplatie fase: er is geen motivatie om gedrag te veranderen.
    2. Contemplatie fase: er wordt gedacht over verandering, maar het doen wordt uitgesteld.
    3. Preparatie fase: plannen om nieuw gedrag op korte termijn aan te nemen.
    4. Actie fase: uitvoeren van gedragsverandering en actief voorkomen van terugval.
    5. Onderhoudsfase: integratie van nieuw gedrag in hun levens.

    Fases kunnen niet overgeslagen worden, wel kan er terugval zijn naar een eerdere fase. Om naar een andere fase te gaan, moet men fase specifieke taken afmaken. Stimulering van gedragsverandering vindt plaats door middel van verschillende interventies in de verschillende fasen. Mensen in verschillende fasen hebben voordelen van verschillende typen informatie.

    Welke methoden zijn er om gezondheid te onderzoeken?

    Veel oorzaken van gedrag worden longitudinaal onderzocht. Echter, als men veranderingen bekijkt op verschillende tijdstippen, wil het niet zeggen dat de psychologische toestand op het eerste tijdstip de oorzaak is van gedrag op het tweede tijdstip. De wereld is dynamisch en verandert constant. Daarom moeten methoden ontwikkeld worden die veranderingen in individuele situaties en bij fluctuaties in fysiologische en psychologische toestanden en volgend gedrag kunnen innemen. Geschikte methoden zijn bijvoorbeeld degenen die frequente momentopnames op een dag maakt om psychologische en gedragsprocessen in een dynamische omgeving te onderzoeken. Dit kan bijvoorbeeld door het gebruikt van dagboeken, maar ook door het gebruik van elektronische middelen (zoals mobiele telefoons of handcomputers). Ze kunnen objectief zijn of er kan gebruik gemaakt worden van zelfrapportage, ze kunnen situationeel of met tijdsintervallen zijn en een meting kan elektronisch gestart worden of door het individu zelf. Retrospectieve rapportage hebben beperkingen, momentopnames hebben meer voordelen.

    Hoe kan gezond gedrag worden gepromoot?

    In sommige gevallen verschaffen overtuigende berichten nieuwe informatie. Het is de bedoeling om mensen te helpen om zaken te herkennen en onder ogen te zien waar ze zich van bewust zijn, maar nog niet mee te maken hebben gehad. Het doel van deze berichten is om mensen bewust te maken van zaken waar ze nog niet eerder mee te maken hebben gehad. 

    Onderzoekers proberen strategieën te ontwikkelen die het moeilijk maken voor mensen om gezondheidsbedreigingen te negeren. Alleen een angstverzoek is niet voldoende, mensen moeten ook overtuigd zijn dat ze iets kunnen doen om het risico te verminderen en dat ze daarnaast bekwaam zijn om hun gedrag te veranderen. Er is weinig bewijs dat te veel angst mensen verlamt en hen er van weerhoudt om het gedrag uit te voeren. Twee strategieën zijn effectief gebleken:

    1. Het vormen van berichten: berichten kunnen zo geconstrueerd worden dat ze de voordelen van het uitvoeren van het gedrag benadrukken (a gain-framed appeal), of ze kunnen focussen op de kosten van het falen (a loss-framed appeal). Mensen reageren verschillend op beide soorten informatie, factoren die mee spelen zijn het willen nemen van risico’s wanneer gedrag mogelijke nadelen oplevert en het niet willen nemen van risico’s wanneer gedrag mogelijke voordelen oplevert. Wanneer gezondheidsgedrag enig risico of onzekerheid inhoudt dan zijn loss-framed appeals meer overtuigend en als gedrag een zekere uitkomst heeft dan zullen gain-framed appeals overtuigender zijn. Het werkt als een betrouwbare heuristiek om te voorspellen of mensen het gedrag dat ze gaan uitvoeren als risicovol zien. Er is veel bewijs voor dit raamwerk. Screening of detectiegedrag (enig risico) zijn effectiever wanneer informatie loss-framed is en preventiegedrag (weinig/geen risico) is effectiever wanneer informatie gain-framed is. Onderzoekers focussen nu op hoe de waarnemingen van mensen van gedrag de overtuigende invloed van beide soorten berichten kunnen beïnvloeden.
    2. Massamediacampagnes zijn bedoeld om groot publiek te overtuigen. Deze campagnes moeten de kern van het verhaal bevatten en zo min mogelijk specifieke karakteristieken. Het bericht is het meest gewenst als het voor niemand irrelevant is. Daarentegen is het bericht ook voor niemand relevant, iedereen moet bereikt worden ongeacht de persoonlijke relevantie. Computertechnologie en in het bijzonder internet brengen verandering: informatie aanpassen aan individuele karakteristieken op grote schaal. Steeds meer gebruikt door de toegenomen beschikbaarheid van de computertechnologie. Met computer gevormde overtuiging wordt een bericht voor een individu aangepast aan bijvoorbeeld naam, cultuur of gedrag uit het verleden. Informatie moet vier dingen bevatten, namelijk input op basis van relevante individuele karakteristieken, beslissingsregels over welke informatie aangeboden moet worden, verschillende delen van berichten en een programma om de berichten te vormen. Het is niet bekend hoeveel individuele karakteristieken een overtuigend bericht moet bevatten om optimaal effectief te zijn.

    Het is belangrijk om te kijken welke elementen (werkingsmechanismen) verantwoordelijk zijn voor de effectiviteit van het bericht.

    • Feedback: informatie of interpretaties van informatie verschaffen in reactie op de input van een persoon. Het kan letterlijk, vergelijkend of evaluatief zijn. Soms is de inhoudsinformatie nieuw, maar het is altijd op de persoon gericht (instructief of vergelijkend).
    • Personalisatie: het verwerken van herkenbare individuele vormen in de inhoudsinformatie. Het bevat geen nieuwe informatie en sommige persoonlijke items zijn meer uniek dan andere maar samen vormen ze een uniek profiel. Het bericht is op de persoon gericht.
    • Adaptatie: het vormen van inhoudsinformatie en daarbij het bericht relevanter maken, met minder overbodige informatie. Er is meer focus en daardoor leidt het tot grotere veranderingen in psychologische factoren (waar communicatie op doelt). Een vorm van adaptatie is vorming van berichten. Adaptieve berichten zijn geschreven als bedoeld voor een breder publiek, het individu is zich niet bewust van dat het bericht op hem is gericht.

    De meeste opgedeelde berichten bevatten alle drie de werkingsmechanismen. Uit onderzoek is gebleken dat personalisatie een van de centrale psychologische variabelen is die verantwoordelijk is voor de soms hoge doeltreffendheid van de opgedeelde communicatie.

    Persoonlijke relevantie is een mechanisme die verantwoordelijk is voor de effecten van dit soort berichten. Het opnemen van cues die signaleren dat algemene informatie gericht is op een persoon, vergroot de waarneming van de persoonlijke relevantie van de algemene informatie. Het Elaboration Likelihood Model laat zien dat persoonlijke relevantie de betrokkenheid bij het bericht vergroot en dat de informatie meer centraal (dieper) verwerkt wordt en tot meer cognitieve reacties leidt. Dat zorgt weer voor een sterkere overtuiging.

    Personalisatie en feedback kunnen ook verklaard worden doordat ze zelfreferentie codering uitlokken. Dit houdt in dat informatie tegen de achtergrond van de persoon wordt verwerkt (informatie wordt gerelateerd aan herinneringen en zelfattributies en waarden). Sociale psychologen houden zich nu bezig met de manier waarop deze moderne omgevingsfactoren interacteren met het brein.

    Om een impact te hebben op de populatiegezondheid en levensverwachting, moeten de principes van beide strategieën verspreid worden in het zorgsysteem.

    Wat is de context van de toegepaste sociale psychologie?

    Sociaal psychologen werken met professionals op macro- (bijvoorbeeld epidemiologen) en microniveau (bijvoorbeeld fysiotherapeuten). Van deze professionals leren ze wat de problemen zijn die gedrags- of psychologische oplossingen vereisen. Daarnaast verschaffen ze nieuwe inzichten aan professionals om de problemen aan te pakken:

    • Sociale psychologen ontwikkelen overtuigende communicatie om gedrag die gerelateerd is aan de problemen te veranderen (bijvoorbeeld zelfhulpboeken of advertenties).
    • Ook kunnen psychologen andere professionals trainen of educatie geven om te problemen te beïnvloeden.
    • Als laatste kunnen sociaal psychologen beleidsmakers adviseren hoe een omgeving gevormd kan worden om gewenst gedrag te stimuleren en ongewenst gedrag te vermijden.
    Access: 
    Public
    Wat is de rol van sociale psychologie voor immigranten en diversiteit? - Chapter 11

    Wat is de rol van sociale psychologie voor immigranten en diversiteit? - Chapter 11

    Wat is diversiteit?

    Door globalisatie, toenemende culturele diversiteit binnen landen en door migratie is er een groeiende behoefte aan het begrijpen en versterken van interculturele relaties.

    Er zijn ongeveer 190 miljoen migranten wereldwijd. In Europa bestaat 8% van de populatie uit immigranten. Over de gehele populatie gezien, hebben Oceanië en Noord-Amerika relatief het grootste aantal. 

    • Canada heeft de meeste culturen. De twee grootste zijn de Anglo meerderheidsgroep en de Franse minderheidsgroep. Het Anglo deel van de populatie neemt af en is tegenwoordig niet meer de grootste groep. Het Franse deel neemt ook af. Na WOII immigreerden andere Europese nationaliteiten naar Canada. Oost-Europese mensen volgden. Na de invoering van de nieuwe Immigratie wet in ’78 (deze haalde de discriminerende elementen weg) kwamen nog meer nationaliteiten naar Canada. In ’88 kwam de multiculturalisme wet. Engels zal de dominante taal blijven, maar de Anglo culturele identiteit zal ingeruild worden.
    • De VS werd jaren cultureel gedomineerd door Europese Amerikanen, terwijl Afrikaanse Amerikanen de grootste minderheid vormden. Nu vormen de Amerikanen met een Spaanse achtergrond de grootste minderheid. De VS wordt een land met 2 krachtige culturen, de Anglo-Westerse en de spaanstalige cultuur (Engels en Spaans zijn de belangrijkste talen).
    • West-Europa is meer divers dan de VS, elk land heeft een eigen taal en immigratiegeschiedenis. In 1960 leidde de economische groei tot een schaarsheid van arbeidskrachten. Hierdoor kwamen veel gastarbeiders uit Mediterrane landen naar West-Europa. Nu is 5-10% van de populatie Moslim in West-Europa. Het aantal groeit nog steeds terwijl de inheemse populatie afneemt. Ook West-Europa is bicultureel. Eerder was er een lange christelijke traditie en nu is er een vitale en groeiende input van de Islam.
    • Australië is het meest Anglo gedomineerde immigratieland. In ’71 kwam 83% van de populatie uit Engeland. In de vroege jaren 70 (ontmanteling van het ‘Wit Australisch beleid’) kwamen er ook immigranten uit niet-Europese landen. Nu is 7% van de populatie in Australië Aziatisch. In ’86 kwam het beleid van multiculturalisme. De verwachting is dat de Aziatische culturele input nog groter wordt door het hoge geboortegetal van Aziaten in Australië en door de nabijheid van de dichtbevolkte Aziatische landen.

    Wat zijn acculturatiestrategieën?

    Acculturatie is het proces van het aanpassen aan een andere cultuur. Er zijn al veel verschillende theoretische modellen ontwikkeld en deze kunnen in twee brede categorieën worden ingedeeld:

    1. Eendimensionale modellen: de culturele verandering wordt gezien als een lineair proces die van originele cultuur naar gastcultuur gaat.
    2. Multi-dimensionale modellen: de processen van culturele veranderingen vinden onafhankelijk plaats in de originele- en gastculturen.

    Tegenwoordig vindt men de ontvangende maatschappij belangrijk in de acculturatieprocessen.

    Eendimensionale modellen

    In eendimensionale modellen wordt de eigen cultuur opgegeven en identificeert men zich geleidelijk met de gastcultuur. De culturele normen, waarden, houdingen en het gedrag van de gastcultuur worden aangenomen. Dit model was eerder beter toepasbaar dan tegenwoordig, dit komt door verschillende omstandigheden. Het model is goed toepasbaar als gastmaatschappijen een homogene cultuur hebben, immigranten relatief welkom zijn (om economische, ideologische en morele redenen), wanneer ze een klein deel van de populatie vormen en wanneer het culturele verschil klein is. Daarom konden ex-koloniën zich zo goed aanpassen aan de gastmaatschappij waar ze een kolonie van waren. In het algemeen conformeerden immigranten zich aan de lichte druk van assimilatie. Bij latere generaties gebeurde dit vanzelf. 

    De melting pot ideologie zegt dat immigranten zelf hun eigen acculturatie in eigen waarden mogen kiezen, maar er is een sterke informele druk om met de hoofdcultuur te mengen. Deze ideologie is realistisch in het geval dat de gastcultuur homogeen is. De VS had een Europees karakter en de meeste immigranten kwamen uit Europa. In de 20ste eeuw kwamen grote groepen immigranten uit niet-westerse landen naar de VS, zij konden zich moeilijker mengen in de gastcultuur. Iedere culturele groep werd een stukje van het mozaïek. Eendimensionale modellen werden op een gegeven moment te simplistisch en identificatie met de originele en de gastcultuur werden als onafhankelijk gezien.

    Multi-dimensionale modellen

    Er kunnen twee aannames gedaan worden: 

    1. Het acculturatieproces functioneert op verschillende afzonderlijke domeinen zoals houdingen, waarden, culturele identiteit, taal en gedrag. Immigranten zouden dus op de verschillende domeinen en in verschillende mate gerelateerd zijn aan hun originele en aan hun gastcultuur.
    2. De originele cultuur en de gastcultuur zijn onafhankelijke domeinen. Berry meent dat immigranten met twee fundamentele vragen te maken krijgen, of het waardevol is om de originele cultuur te behouden en of het waardevol is om relaties met de gastmaatschappij te houden. Op basis van de antwoorden kunnen vier strategieën onderscheiden worden, namelijk marginalisatie (er wordt geen rekening gehouden met beide vragen), integratie (het behouden van zowel de culturele identiteit als het onderhouden van een positieve relatie met de gastmaatschappij), separatie (alleen de eigen cultuur wordt behouden), assimilatie (alleen een positieve relatie met de gastmaatschappij is belangrijk). Berry meent dat het proces van veranderingen op tenminste zes gebieden van psychologisch functioneren invloed heeft, namelijk taal, cognitieve stijl, persoonlijkheid, identiteit, houding en stress met betrekking tot acculturatie. Individuen kunnen veranderen van strategie. De culturele afstand tussen de originele en de gastcultuur is breder geworden. Gastculturen zijn niet meer homogeen, maar er is vaak wel een dominante cultuur. 

    Marginalisatie zou moeilijk te veranderen zijn, sinds migranten niet kiezen voor marginalisatie, maar hier eerder toe gedwongen worden. Ook is het mogelijk dat ze zich niet gelijk identificeren met beide culturen omdat ze een meer individualistische acculturatiestrategie hebben bedacht. Er is dan vaak sprake van een hoog niveau van kosmopolitisme (selectief aannemen van elementen van een aantal culturen).

    Nu is er meestal de keuze of er geassimileerd of geïntegreerd wordt. Integratie is het meest gewild en het is ook de meest adaptieve strategie voor immigranten. Daarnaast is het belangrijk om te kijken naar de verwachtingen van de ontvangende maatschappij ten opzichte van acculturatie.

    Het interactief acculturatie model van Bourhis is gefocust op de rol van acculturatieverwachtingen van de ontvangende maatschappij, en de acculturatie oriëntaties die door immigranten worden aangenomen. Vijf acculturatie oriëntaties zijn integratie (zie Berry’s integratie; multiculturele maatschappij), segregatie (zie Berry’s separatie; de immigrant culturen scheiden van mainstream maatschappij), assimilatie (zie Berry’s assimilatie; opgeven van originele cultuur voor cultuur van gastland), exclusie (variant van Berry’s marginalisatie; immigranten zijn een bedreiging voor de nationale maatschappij) en individualisme (variant van Berry’s marginalisatie; individuen zien zelf welke strategie het beste aansluit). Een overeenkomst tussen de acculturatievoorkeuren van immigrant en gastland komt niet altijd voor, daardoor zijn er soms problematische of conflictuitkomsten (deze zijn nog niet goed onderzocht). Immigranten willen over het algemeen integratie, gastmaatschappijen willen liever assimilatie. Als de druk op assimilatie te groot wordt, zullen sommigen assimileren en anderen juist niet. Dit laatste leidt dan tot versterking van separatie of marginalisatie. In Canada en Nieuw-Zeeland geven immigranten en gastmaatschappijen voorkeur aan integratie (in tegenstelling tot veel andere landen).

    Welke sociaal psychologische theorieën zijn er over intergroepsrelaties?

    Sociaal psychologische theorieën van intergroepsrelaties zijn toepasselijk bij de analyse van relaties tussen groepen immigrant en gastmaatschappijen. Vaak worden deze theorieën gecombineerd met individuele verschilmetingen in intergroep onderzoek.

    Volgens de gelijkheid-aantrekkelijkheid hypothese, leidt gelijkheid tot aantrekkelijkheid. We vinden mensen en groepen aardig die gelijk zijn aan ons en onze groep. Gelijkheid neemt onzekerheid weg in inter-persoonlijke en intergroepsrelaties. Culturele gelijkheid suggereert dat ons geloof en onze waarden correct zijn.

    Zolang iemand niet gelijk is aan alle karakteristieken van een in-group, zal diegene minder aardig gevonden worden. Etnische hiërarchie is een volgorde van voorkeuren volgens de culturele afstand ten opzichte van de in-group.

    Contacthypothese stelt dat de negatieve houding van een groep ten opzichte van een andere groep komt door een gebrek aan kennis over die groep. Individuen van groepen moeten zorgen voor een positief, persoonlijk en samenwerkend contact.

    Daarnaast moet de interactie plaatsvinden tussen individuen met een gelijke status, autoriteiten moeten het contact steunen. De groepen zullen positiever worden door de groeiende herkenning van gelijkenissen.

    Sociale identiteitstheorie (SIT) heeft een toepasselijker perspectief op intergroepsprocessen tussen immigranten en gastmaatschappijen. Twee kernpunten zijn sociale categorisatie en vergelijking. Individuen streven naar een positieve identiteit.‘Bij een groep horen’ is een belangrijk deel van de identiteit, daarom zoeken individuen naar positieve groepsonderscheidingen, hierdoor krijgen of houden ze een positief zelfbeeld. Dit komt door de vergelijkingen tussen in-group en verschillende out-groups zodanig te maken, dat ze gunstig zijn voor de in-group. Etnocentrisme (voorkeur voor in-group en afbreuk aan out-group) is dan een onvermijdelijke consequentie van sociale identificatie. De SIT wordt wereldwijd gebruikt om intergroepsrelaties te interpreteren vanuit beide perspectieven (zowel migrant als gast).

    Het common In-group Identity Model stelt dat als sommige mensen eenmaal gezien worden als een deel van een in-group, ze op een gelijke manier behandeld worden als in-group mensen. Door cognitieve representaties van in-group en out-group mensen te veranderen in een inclusieve sociale identiteit binnen een enkele groep, zullen meer gunstige houdingen ten opzichte van de eerdere out-group gemaakt worden. Dit gebeurt door pro-in-group bias. Een gemeenschappelijke in-group identiteit kan bereikt worden door de opvallendheid van bestaande superordinate leden toe te laten nemen, of door factoren te introduceren die gedeeld moeten worden door beide groepen. De originele, minder inclusieve groepsidentiteit hoeft niet opgegeven te worden. Mensen behoren tegelijk tot verschillende groepen en hebben multipele identiteiten.

    Manipulatie van nationale in-groups vermindert de negatieve houdingen ten opzichte van immigranten onder sociaal dominanter georiënteerde Canadese deelnemers. Het versterkt echter juist de negatieve houdingen van sociaal dominanter georiënteerde Duitse deelnemers. Het onderzoek laat de waarde zien van het promoten van een algemeen nationale in-group die non-immigranten en immigranten betreft. Daarnaast laat het onderzoek zien dat een dergelijke strategie niet zonder discriminatie toegepast kan worden. Historische en eigentijdse vragen binnen een land moeten in acht genomen worden.

    Het Instrumentaal Model van GroepsConflict is geïnspireerd op de groepconflicttheorie en identificeert twee determinanten van intergroepsvijandschap, ten eerste de aanwezigheid van een relevante out-group die moet opvallend, onderscheidend en een haalbare concurrent zijn voor waardevolle bronnen. Een toenemend aantal out-group leden of een onderscheidend uiterlijk kunnen bijdragen aan het opvallen en het onderscheiden. Daarnaast de bron van stress die voortkomt uit begrensde bronnen, ongelijke toebedeling van bronnen en de acceptatie van ongelijke toebedeling gebaseerd op sociale hiërarchie. De toebedeling door sociale hiërarchie is een individuele verschilvariabele en wordt vaak bediscussieerd in de rubriek Sociale Dominantie Oriëntatie.

    Mensen met een sociaal dominante oriëntatie moedigen groepshiërarchie en ongelijkheid in de maatschappij aan, ze zien de wereld als een competitieve plek en ze discrimineren.

    Een combinatie van de twee determinanten resulteert in intergroepscompetitie met een cognitieve en affectieve perceptie van bedreiging. Het cognitieve component draait rond een zero-sum geloof systeem, enkele gelegenheden en voordelen die een groep ontvangt worden gezien als een directe vermindering van de gelegenheden en voordelen van andere groepen. Het affectieve component houdt in dat uitdagingen van out-group concurrenten leiden tot waarneembare angst en vrees.

    Sociaal psychologische theorieën in combinatie met acculturatieonderzoek

    Twee lijnen van onderzoek zijn onafhankelijk van elkaar voortgekomen uit het onderzoek naar gastland-immigrant relaties. Sociaal psychologen hebben steeds maar naar een geïsoleerd deel van intergroepsrelaties gekeken, terwijl het acculturatieonderzoek heel breed is. Acculturatieonderzoekers moedigden de sociaal psychologen aan om breder onderzoek te doen en om ook te kijken naar de context van immigratie. Sociaal psychologen moedigden de acculturatieonderzoekers aan een meer nauwkeurige theoretische verklaring te formuleren. Sociaal psychologen demonstreerden een samensmelting van theorieën van acculturatieonderzoek en intergroepsonderzoek. Een nieuw concept hierbij is hechting, dit is de neiging om andere mensen in nieuwe situaties te benaderen.

    Onderzoek laat zien dat contextuele activatie verzwakt door het gevoel van een zekere basis, negatieve reageren op een out-group en negatief of kritisch reageren op het wereldbeeld van een ander. Hierbij speelt de hechtingsstijl geen rol. Het gevoel geliefd te zijn en omgeven te worden door steunende anderen laat mensen meer open staan voor alternatieve wereldbeelden.

    Er zijn verschillende innnovaties op het gebied, voorbeelden zijn de SIT en de Sociale Categorisatie Theorie die worden toegepast bij het onderzoek naar immigratie en geleid hebben tot nieuwe theorieën zoals Common In-Group Identity Model. Daarnaast zijn er vergelijkende onderzoeken gedaan naar de perspectieven van gastland en immigranten en van verschillende groepen immigranten, landen, leeftijden, culturen. Er moet meer aandacht besteed worden aan de verfijning van kernconstructen, identiteit en cultuur. Cultuur houdt omvattende artefacts, sociale instituties, tradities, gedeelde meningen, gewoonten en taal in. Culturele identiteit is het gevoel van trots en saamhorigheid van een groep. Immigranten kunnen zo de nieuwe cultuur overnemen, maar niet perse de culturele identiteit.

    Sociale inclusie is een normatief concept, omdat het gewenst is om condities te promoten die voordelig zijn voor de inclusie van individuen en groepen in de maatschappij. Aan de andere kant is het niet normatief, omdat immigranten de eigen cultuur of identiteit kunnen aanhouden.

    Interventies

    Verschillende interventies kunnen gebruikt worden om de intergroepsrelaties te verbeteren:

    • Acceptatie van en respect voor de identiteit van de andere: de groep waar iemand bij hoort is een deel van de identiteit van die persoon.
    • Training van vaardigheden: culturele scripts zijn cultuur specifiek en zouden ouderwets zijn. Er is meer bewijs dat persoonlijke factoren een belangrijke rol spelen. Sommige mensen zijn intercultureel effectief, anderen niet en daar kan dan wat aan gedaan worden. De vaardigheden zijn in elke cultuur zinvol en ze zijn nooit ouderwets.
    • Verminderen van onnodige sociale categorisatie: sociale categorisatie is een normaal en noodzakelijk cognitief proces. Als men in de out-group ingedeeld is, zijn er ongewenste reacties. Technieken die hiermee te maken hebben zijn gebaseerd op de SIT. Een stap die onnodige sociale categorisatie helpt te voorkomen is door nieuwkomers geen vreemdelingen te noemen.
    • Verbeteren van het contact tussen leden van verschillende groepen: het contact moet een persoonlijk karakter hebben, autoriteiten moeten het gedrag goedkeuren, het verschil in status moet niet te groot zijn en er moet een gemeenschappelijk of overkoepelend doel zijn. Samenwerking verbetert de interculturele relatie (vooral als de kans op succes goed is).

    Wat is de context van de sociale psychologie?

    Het is belangrijk om ook aandacht te geven aan de invloeden van globalisatie op acculturatie en intergroepsrelaties. Er zijn twee factoren die een rol spelen bij een verandering in de mogelijkheden voor immigranten en hun gast-maatschappijen. Dit zijn de niet-parallelle gelegenheden voor transnationaal contact en het steeds maar groeiend aantal immigranten op wereldbasis.

    Transnationalisme zijn de verscheidene banden en interacties die mensen en instituties met verschillende landen hebben. Vaak refereert deze term naar het proces waarbij immigranten sociale relaties creëren en onderhouden die hun oorspronkelijke en hun nieuwe maatschappij aan elkaar verbinden. Belangrijk hierbij is de veelzijdigheid en omvangrijkheid van de verhoudingen die immigranten met de oorspronkelijke en de nieuwe maatschappij hebben. Transnationalisme wordt makkelijker gemaakt door geografische nabijheid en goede telecommunicatie. Sommigen menen dat het goed zou zijn dat immigranten een aanzienlijk deel van het land vormen. Aan de twee vragen die Berry opstelde kan dus een derde vraag worden toegevoegd: “Wens om transnationaal contact te hebben?”. De wens voor transnationaal contact kan op verschillende manieren gecombineerd worden met de vier acculturatiestrategieën. Dergelijke etnische enclaves hebben veel connecties met de originele maatschappij. Het terugtrekken in etnische enclaves is aantrekkelijk voor immigranten die gediscrimineerd worden of voor immigranten die de druk om te assimileren als te groot ervaren.

    Transnationalisme zorgt voor meer alternatieven voor het leven in de nieuwe maatschappij, daarnaast zijn er meer mogelijkheden voor immigranten om afstand te doen van de nieuwe maatschappij wanneer de identiteit bedreigd wordt. Paradoxaal is, dat men zich juist meer op zijn gemak voelt en zich thuis voelt door de verschillende mogelijkheden.

    Immigranten veranderen in leden van een bepaalde gemeenschap en vormen nu een groot deel van de populatie, dit leidt tot culturele heterogeniteit. Dit leidt ook tot nieuwe acculturatiestrategieën en uitkomsten:

    1. Pluralisme: moedigt het houden van de cultuur en het intergroepscontact aan. De culturen worden niet gemixt, maar verschillende groepen vormen samen een nieuwe gemeenschap. Er kunnen statusverschillen zijn, maar iedere groep is een belangrijk deel van de maatschappij (geen meerderheidsgroepen). Het verschil met integratie is dat er bij integratie een tweevoudige relatie bestaat tussen immigrant (subgroep) en gastmaatschappij (dominante groep). Separatie en marginalisatie komen minder voor bij pluralisme omdat deze maatschappij culturele diversiteit aanvaardt.
    2. Creolisatie: verschillende culturele groepen bestaan naast elkaar en er is geen duidelijke dominante groep. Tradities of culturen worden gemixt. Voorbeelden zijn de spontane vormen van een jeugdtaal, of muziek met elementen van verschillende etnische groepen. Creolisatie vindt vooral plaats onder de transnationale jeugd bij wie de eerste socialisatie plaatsvond op plekken waar verschillende culturele invloeden samenkomen. Gevolg van creolisatie is dat immigranten de gastcultuur vormen door elementen van de eigen cultuur eraan toe te voegen en zich gemakkelijker identificeren met de nationale cultuur.

    De nationale identiteit in multiculturele maatschappijen is belangrijk en zou meer aandacht moeten krijgen. Landen met een hoge etnische tolerantie moedigen het behouden van de originele cultuur aan, terwijl ook een betere nationale identiteit wordt gepromoot. Voorbeelden zijn Canada en Singapore. De ontwikkelingen in deze landen komen overeen met het Common In-group Identity model van Gaertner.

    Access: 
    Public
    Wat is de rol van sociale psychologie bij mentale gezondheid? - Chapter 12

    Wat is de rol van sociale psychologie bij mentale gezondheid? - Chapter 12

    Wat zijn mentale gezondheidsstoornissen?

    Mentale gezondheidsstoornissen zijn het meest voorkomende probleem bij volwassenen, 30% van de populatie heeft er in een periode van een jaar last van. Het geeft een economische druk op de maatschappij en een emotionele druk op het individu met de stoornis. Klinische psychologen analyseren de oorzaken van de problemen en helpen de cliënten hiermee om te gaan. Mentale gezondheidsproblemen komen voor een groot deel door de manier waarop mensen de sociale wereld waarnemen en de manier waarop individuen in interpersoonlijke relaties functioneren. Drie problemen die veel voorkomen, en daarnaast verzwakkende consequenties voor het individu en diens sociale context hebben (en daarom veel psychologen bezig houden) zijn depressie, een verstoord lichaamsbeeld en relatieproblemen.

    Verstoord lichaamsbeeld

    Het lichaamsbeeld is de interne representatie van ons uiterlijk, dus onze unieke eigen waarneming van ons lichaam. Het is een continu model, variërend van vrij van verstoringen tot extreem verstoord. De meeste mensen vallen in het midden van het model en hebben een gemiddelde lichaamsontevredenheid. 43% van de mannen en 56% van de vrouwen is ongelukkig met hun uiterlijk. Door de tijd heen zijn mannen en vrouwen meer ontevreden geworden. Er bestaat een verschil tussen het waargenomen uiterlijk en het echte uiterlijk. Meer dan 95% van de vrouwen overschat de grootte van lichaamsdelen (gemiddeld met 25%).

    Vrouwen zijn over het algemeen meer ontevreden dan mannen. Rond de leeftijd van 8-10 jaar ontstaan deze geslachtsverschillen. Naarmate de leeftijd voordert komt lichaamsontevredenheid steeds meer naar voren, vooral bij meisjes. Individuen zijn over het algemeen meer ontevreden over de lichaamsdelen die meer vet bevatten, dit komt vooral voor bij vrouwen.

    Vrouwen kiezen uit een reeks plaatjes een groter figuur als representatie voor hun huidige figuur en een dunner figuur als hun ideale figuur. Het vrouwelijk figuur dat door henzelf als meest aantrekkelijk wordt beschouwd, is veel dunner dan het figuur waar mannen de voorkeur aan geven. Voor mannen is het omgekeerde waar. Ze kiezen vaker een vergelijkbaar figuur uit als representatie van hun huidige figuur, ideale figuur en het figuur waarvan ze denken dat vrouwen die het meest aantrekkelijk vinden.

    Uit een experiment kwam naar voren dat mannen graag gewicht erbij willen krijgen (spiermassa) en vrouwen juist willen afvallen. Een minpunt van het experiment is dat de figuren die gebruikt zijn slechts in hoeveelheid lichaamsvet verschillen, en niet in spiermassa. Daardoor kan het experiment de lichaamsontevredenheid van mannen niet goed weergeven. Bij gebruik van nieuwe figuren bleek dat mannen groter en meer gespierd willen zijn. Daarnaast kwam naar voren dat jonge mannen gespierder willen zijn dan ze werkelijk zijn en de mate van mannelijkheid overschatten die vrouwen aantrekkelijk zouden vinden.

    Consequenties van een verstoord lichaamsbeeld

    De gevoelens van ontevredenheid en de inaccurate waarnemingen zijn niet meteen problematisch. Lage tot gemiddelde verstoringen in lichaamsbeeld zijn zelfs voordelig en zorgen ervoor dat individuen zich gezonder gaan gedragen. Hoe hoger de mate van ontevredenheid, hoe waarschijnlijker iemand klinische problemen kan krijgen. De meeste problemen veroorzaakt door lichaamsbeeldverstoringen resulteren in eetstoornissen (anorexia nervosa en bulimia nervosa) en body dismorphic disorder (BDD). Bij anorexia bestaat er een grote angst om aan te komen of dik te worden, zelfs als iemand ondergewicht heeft. Bij bulimia eet men heel veel in een korte tijd en daarbij ervaart men een gebrek aan controle. Om dit te compenseren gaat men bijvoorbeeld overgeven of vasten. Bij BDD is men gepreoccupeerd bezig met een zeer kleine of ingebeelde afwijking van het uiterlijk (vooral het van het gezicht of hoofd), ze ervaren dit detail als afstotelijk. De mensen met BDD geloven dat andere mensen ‘hun tekortkomingen’ zien en daardoor voelen ze zich beschaamt, waardeloos, depressief en angstig. Velen gaan naar de cosmetische chirurg en 7-24% doet een poging tot suïcide.

    Wat zijn de theoretische verklaringen voor een verstoord lichaamsbeeld?

    Schematheorie

    De schematheorie gaat verder op de sociale vergelijkingstheorie door te suggereren dat het schema die individuen gebruiken bepaalt hoe informatie geïnterpreteert wordt, en welke informatie wordt verkregen. Mensen hebben fundamentele schema's voor het lichaamsbeeld die iemands kern, affect geladen assumpties of geloven bevatten over de importantie en de invloed van het uiterlijk op geluk en succes in het leven. Ook leiden en organiseren ze de processen van informatie die aan het lichaamsbeeld zijn gerelateerd. Er kunnen twee type schema’s onderscheiden worden, namelijk lichaamsbeeld evaluaties (de gevoelens van (on)tevredenheid met het lichaam) en lichaamsbeeld investeringen (de cognitieve, gedrag en emotionele belangrijkheid van het lichaamsbeeld voor iemands zelfevaluatie). Met een negatieve lichaamsbeeld evaluatie en een lage lichaamsbeeld investering is de kans klein dat iemand een klinisch probleem ontwikkeld. Appearance schematic houdt in dat men meer aandacht besteed aan het uiterlijk en hier veel waarde aan hecht en bij voorkeur informatie verwerkt die relevant is voor het uiterlijk.

    Sociale vergelijkingstheorie

    Mensen willen hun meningen en bekwaamheden graag evalueren en streven daarnaast naar stabiele en accurate beoordelingen van zichzelf.

    Mensen zullen zichzelf vergelijken met anderen wanneer er geen objectieve informatie beschikbaar is, want ze willen graag objectieve informatie en niet-sociale standaarden gebruiken. Mensen kunnen zich met gelijke anderen (laterale vergelijkingen), met slechtere anderen (neerwaartse vergelijkingen) of met betere anderen (opwaartse vergelijkingen) vergelijken. Bij opwaartse vergelijkingen ervaren mensen een afname in lichaamstevredenheid, bij neerwaartse vergelijkingen ervaren ze juist een toename. Het hangt dus van de vergelijkingspersoon af. Vaak hebben de vergelijkingen in het dagelijks leven meer negatieve dan positieve effecten. Vooral vrouwen vergelijken zich opwaarts.

    Ondanks dat iedereen aan het schoonheidsideaal wordt blootgesteld, wordt niet iedereen er in gelijke mate door beïnvloed. Individuen die gevoelens van onzekerheid en angst willen verminderen, zullen zich onder deze omstandigheden vergelijken met anderen. Het is gebleken dat mensen met een lage eigenwaarde zich eerder sociaal vergelijken en minder tevreden zijn met hun uiterlijk dan mensen met een hoge eigenwaarde.

    Voorkomen van een verstoord lichaamsbeeld

    Het opbouwen van eigenwaarde is een van de beste manieren om lichaamsbeeld gerelateerde problemen te voorkomen. Hierdoor is men meer tevreden, vooral doordat de noodzaak om zichzelf met anderen te vergelijken wordt verminderd. Het verhogen van de eigenwaarde kan ook door middel van overheidscampagnes en schoolprogramma’s. De ‘everybody is different program’ is een voorbeeld van een schoolprogramma. Het bestaat uit vijf componenten, namelijk stress management, het ontwikkelen van een positief gevoel over jezelf,het onderzoeken van individualiteit, acceptatie van jezelf en anderen en communicatievaardigheden. Het programma is effectief gebleken.

    Interventies zouden gericht moeten zijn op kinderen en adolescenten, wat leidt tot een groter gevoel van autonomie en zelfvertrouwen die dan als een buffer fungeert voor de sociaal-culturele invloeden op het lichaamsbeeld. Ook regelmatig sporten is effectief, niet alleen voor het gewicht maar ook voor de gevoelens van eigenwaarde.

    Wat is depressie?

    Depressie is een groot mentaal gezondheidsprobleem in de Westerse maatschappij. 17% van de mensen is wel eens depressief in zijn leven. Depressie kan zomaar ontstaan maar het kan ook uitgelokt worden door een stressvolle gebeurtenis. Mensen met een depressie voelen zich zeer bedroefd en bezorgd, waardeloos, moe en trekken zich terug van anderen. De meeste depressies blijven onbehandeld (de gemiddelde onbehandelde periode is 6-8 maanden of meer), slechts 28% heeft een zekere behandeling ontvangen gedurende het laatste jaar.

    Vrouwen ervaren meer stress en depressie als response op dezelfde gebeurtenissen dan mannen (vooral op het interpersoonlijk domein). Theoretische verklaringen zijn:

    • Vrouwen hebben in de meeste maatschappijen minder macht dan mannen. Daardoor ervaren ze meer chronische spanningen, worden ze meer gedwongen keuzes en hebben ze een hoger risico voor seksueel misbruik in kindertijd.
    • Vrouwen zouden kwetsbaarder zijn voor depressie door unieke biologische karakteristieken (hormonen en genetische aanleg). Alleen epidemiologische onderzoeken hebben hier enig bewijs voor.
    • De manier van omgaan met stress (stresstheorie).

    Verklaringen voor depressie

    Stresstheorie

    Er zijn twee soorten copingstrategieën, de probleemfocus coping en de emotiefocus coping. Bij de eerste proberen mensen de bron van stress te veranderen en bij de tweede reguleren mensen hun emotionele reacties op de stressor. De probleemfocus coping gaat gepaard met minder depressieve symptomen en de emotiefocus coping met meer depressieve symptomen en verlaagd daarnaast gevoel van eigenwaarde (vooral als de stressor veranderlijk is). Vrouwen gebruiken de emotiefocus coping en mannen de probleemfocus coping. Bedroefdheid is minder natuurlijk bij jongens en daardoor krijgen jongens meer steun om instrumentele reacties te gebruiken om stress te verminderen. Meisjes krijgen deze aanmoediging veel minder en daardoor zijn ze kwetsbaarder voor depressie. Iemands niveau van mannelijkheid (ongeacht de sekse) is negatief gerelateerd aan depressie in beide seksen.

    Het voorkomen van depressie

    Depressie begint al op vroege leeftijd, dus preventieprogramma’s en overheidscampagnes moeten naast volwassenen ook op adolescenten gericht worden. Verschillende cognitieve gedragsprogramma’s voor adolescenten zijn effectief in het verminderen van het risico om een depressie te ontwikkelen (vooral voor meisjes). Men leert pessimistische gedachten te identificeren en te evalueren door alternatieven te bedenken. Ook wordt er bewijs voor en tegen de negatieve gedachten gezocht en worden vaardigheden voor ontspanning, probleem oplossen, assertiviteit en dergelijken aangeleerd.

    Onderzoeksresultaten:

    1. Soms gaat een depressie zomaar weg. Onderzoek laat zien dat scholieren (met een hoog risico op een depressie) die een 8-weeks preventieprogramma volgden niet meer verbeterden dan de scholieren (met een hoog risico) die zo een programma  niet volgden. Beide groepen lieten een afname zien van depressieve symptomen en een verbetering in sociaal functioneren gedurende het jaar.
    2. Overheidscampagnes kunnen de maatschappelijke kosten van depressie verminderen. Ze informeren het brede publiek over de symptomen en hoe en waar mensen hulp kunnen krijgen. Door de drempel voor hulp te verlagen, zullen meer mensen hulp zoeken en zullen de kosten op korte termijn toenemen, maar op lange termijn afnemen (minder afwezigheid op werk).
    3. Onder volwassenen zijn korte preventieprogramma’s (die ingaan op negatief denken) effectief om het ontwikkelen van een depressie te voorkomen. Positieve self-talk en het stoppen van negatieve gedachten zijn effectief om gevoelens van hulpeloosheid en minderwaardigheid te verminderen. Sommige onderzoeken suggereren dat sociale vergelijking de gevoelens van depressie tijdelijk kan verlichten. Individuen die zich vaak met anderen vergelijken denken dat ze de inspanning om van de depressie af te komen niet aankunnen, als ze zien dat er veel werk voor nodig is. Dit komt door het gevoel van hulpeloosheid. Ze reageren echter positief op de informatie dat anderen uit hun depressie konden komen zonder speciale inspanning.

    Wat zijn relatieproblemen?

    Door de stress van een huwelijk kunnen echtgenoten lijden aan mentale en fysieke gezondheidsproblemen (bijvoorbeeld depressie, verslaving). Kinderen van gescheiden ouders lopen hetzelfde risico (ze stoppen bijvoorbeeld eerder met school of worden delinquent).

    Hechtingtheorie en relaties

    Kinderen ontwikkelen onbewust een specifieke hechtingsstijl, afhankelijk van de manier waarop hun ouders of verzorgers met ze omgingen. Dit is een consistente manier van reageren op scheiding met de ouders. De ervaringen met relaties met verzorgers leidt tot de ontwikkeling van mentale representaties of interne werkmodellen. Er bestaan drie hechtingsstijlen:

    1. Veilige hechtingsstijl: ontstaat als verzorgers steeds beschikbaar zijn voor de kinderen en ze reageren op hun benodigdheden wanneer ze in nood zijn. Ze zien anderen als betrouwbaar en behulpzaam en ze ontwikkelen een positieve mening over zichzelf.
    2. Vermijdende hechtingsstijl: ontstaat als verzorgers afwijzen, fysiek of emotioneel misbruik toepassen of niet reageren. Men houdt afstand van anderen en men ziet anderen als onbetrouwbaar.
    3. Angstige-ambivalente hechtingsstijl: ontstaat als de verzorgers inconsistent reageren op de behoeften van het kind. Men heeft een sterke behoefte om dicht bij anderen te zijn, maar er is tegelijk een gevoel van angst dat anderen niet zullen reageren op hun wensen.

    De effecten van de hechting in de kindertijd duren voort tot in de volwassenheid en spelen dus een rol in intieme relaties. De oorzaken van problemen in een huwelijk kunnen dus voortkomen uit de hechting die in de kindertijd met de ouders ontstaan is.

    Bartholomew meent dat de vermijdende hechtingsstijl meer complex is en verdeeld kan worden in twee soorten. Allereerst wil men intieme relaties met anderen, maar worden ze vermeden omdat men bang is om pijn te worden gedaan, dit is de angstige hechtingsstijl. Ten tweede geeft men voorkeur aan vrijheid en onafhankelijkheid van dichtbij staande anderen, ook wel de ‘dismissing’ hechtingsstijl.

    Het onderscheid tussen de vier hechtingsstijlen kan verdeeld worden in twee dimensies, het model van het zelf en het model van de ander. Als beide positief zijn ontstaat er een veilige hechtingsstijl, als beide negatief zijn ontstaat er een angstige hechtingsstijl, als de eerste positief en de tweede negatief ontstaat er een dismissing hechtingsstijl en als de eerste negatief is en de tweede positief is ontstaat er een gepreoccupeerde hechtingsstijl.

    Vaak worden vragenlijsten gebruikt om de kwaliteit van de relatie en de hechtingsstijl te onderzoeken (“Relationship Questionnaire”). Onderzoek met de 'Relationship Questionnaire' liet zien dat mensen met de veilige hechtingsstijl meer tevreden zijn met hun relaties, zich meer verbonden voelen in de relatie en meer vertrouwen hebben in de relatie dan bij de andere hechtingsstijlen het geval was. Bij de gepreoccupeerde hechtingsstijl is er meer conflict in de relatie, is er weinig controle over woede, conflicten escaleren en ze bieden geen effectieve steun. De vermijdende mensen laten hoge vijandigheid zien en ze pruilen om aanmoediging van de partner te krijgen.

    Uit een ander onderzoek kwam naar voren dat gepreoccupeerde en vermijdende deelnemers veel meer negatief reageerden op hun partner dan veilig gehechte deelnemers.

    Als reactie op stress door de relatie, laten gepreoccupeerde en angstig gehechte personen een hogere bloeddruk en polsslagreactiviteit zien. De mensen met een dismissing hechtingsstijl laten een lagere bloeddruk en polsslagreactiviteit zien, waardoor ze meer kwetsbaar zijn voor ziekten zoals cardiovasculaire ziekten of verhoogde bloeddruk. Als de vrouw gepreoccupeerd of angstig gehecht is en de man dismissing, is er een verhoogd risico op fysiek geweld waarbij de vrouw het slachtoffer is.

    Social exchange/interdependence theory en relaties

    Volgens deze theorie vormen mensen relaties en zetten ze voort op basis van wederkerigheid in kosten en beloningen. Mensen gaan zich ellendig voelen wanneer de ander iets aan hen verschuldigd is. Men raakt overstuur wanneer ze iets verschuldigd zijn aan de ander. Hierdoor neemt de relatietevredenheid af. De seksuele tevredenheid neemt af wanneer partners ongelijkheid op seksueel gebied ervaren. De relaties zijn het meest stabiel en geven de meeste tevredenheid wanneer ze billijk zijn, als de uitkomsten voor beide partners min of meer gelijk zijn. Wanneer partners merken dat de relatie niet billijk is, zullen ze de relatie willen herstellen. Deze pogingen hebben echter vaak serieuze gevolgen voor de relatie, want het leidt vaak tot conflicten.

    De ongelijke verdeling van kosten en beloningen kan leiden tot vraag-terugtrek conflicten (een destructief type conflict). Een andere manier om de ongelijkheid te herstellen zijn buitenechtelijke relaties. Vrouwen kiezen hier vaker voor dan mannen. Wat de consequenties van ongelijkheid zijn en hoe zwaar ze zijn wordt mede bepaald door individuele verschillen. Belangrijk hierbij is dat de verdeling van bijvoorbeeld het huishouden niet perse eerlijk hoeft te zijn, het gaat ook om de waarneming van de verdeling. De waarneming van eerlijkheid is gebaseerd op het gedrag en de gevoelens van wederzijds respect en wederzijdse steun. Wanneer inspanningen niet worden gewaardeerd door de andere partner dan leiden grotere kosten tot lagere relatietevredenheid.

    Als men hoog scoort op “exchange georiënteerd” (problemen hebben met gul geven en dankbaar ontvangen) draagt dit negatief bij aan de relatietevredenheid en verbondenheid.

    Voorkomen van relatieproblemen

    Relatieproblemen kunnen voorkomen worden door kinderen een stabiele en veilige thuissituatie te bieden en ouders opvoedkundige vaardigheden te leren. In verschillende landen (o.a. Nederland en Zweden) kunnen ouders oudertraining volgen. Oudertraining is vooral zinvol voor ouders in kwetsbare socio-economische of psychologische condities. Simpele pedagogische principes worden door bepaalde tv-programma’s bijgebracht. De technieken die bij dergelijke tv-programma’s geboden worden, moeten ervoor zorgen dat ouders hun kinderen kunnen disciplineren en hun eigen frustraties (door ongehoorzaamheid van hun kinderen) kunnen verminderen.

    De overheid kan ook bijdragen aan de herstelling van gelijkheid in relaties. Verschillende communicatiemiddelen werden bijvoorbeeld ingezet om partners te laten nadenken over de verdeling van huishoudelijke activiteiten om zo tot eerlijke oplossingen te komen.

    Wat is de context van de sociale psychologie?

    De bijdrage van sociale psychologie was vooral empirisch en theoretisch. Aan de ene kant hebben sociale psychologen hun concepten en methoden toegepast bij klinische problemen. Aan de andere kant hebben klinische psychologen die concepten en methoden van de sociale psychologen geleend om de problemen van de cliënten te begrijpen net zoals hun eigen rol als therapeut. Vooral praktiserende klinische psychologen hebben een andere manier van denken tegenover onderzoeksgeoriënteerde psychologen. Clinici zijn vooral bezig met het vinden van een effectieve therapie, sociale psychologen zijn hoofdzakelijk bezig met de theoretische achtergrond van klinische problemen.

    Access: 
    Public
    Wat valt er te zeggen over criminaliteit? - Chapter 13

    Wat valt er te zeggen over criminaliteit? - Chapter 13

    In Nederland worden ongeveer 1,2 miljoen misdrijven per jaar gepleegd. Veel van deze misdrijven worden gepleegd door jongeren. Dit suggereert dat er een verband is tussen leeftijd en criminaliteit. Het blijkt dat misdrijven onder jongeren vooral gepleegd worden vanaf het twaalfde levensjaar tot in de tienerjaren. Daarna neemt het weer af. In de criminologie wordt dit de leeftijd-misdaadcurve genoemd. In dit hoofdstuk wordt er ingegaan op één van de meest invloedrijke verklaringen voor dit fenomeen, het 'Dual-Taxonomy' model.

    Wat verklaart de leeftijd-misdaadcurve?

    Alle misdrijven die een individu pleegt in zijn of haar leven, worden samen het criminele carrière genoemd. Hierbij wordt rekening gehouden met verschillende dimensies zoals de frequentie, het begin en de looptijd van criminele activiteiten. De looptijd is de tijd tussen de eerste en de laatste criminele activiteit. 

    De leeftijd-misdrijf curve

    Gottefredson en Hirschi hebben theorieën opgesteld over criminele neigingen. Zij stellen dat elke overtreder dezelfde leeftijd-misdrijf curve doorloopt, en dat verschillen tussen individuen ontstaan door één stabiele factor: de criminele neiging. Dit wordt ook wel lage zelfcontrole genoemd. Lage zelfcontrole is de grootste voorspeller voor het begin, de frequentie en de looptijd van crimineel gedrag. Hoe hoger een de criminele neiging of hoe lager de zelfcontrole van een individu, hoe eerder het begin van criminele neigingen, hoe hoger de frequentie en hoe langer de looptijd van het criminele carrière. Ze verklaren individuele verschillen alleen door te kijken naar persoonlijkheid en niet door te kijken naar verschillen in omgeving. De leeftijd-misdaadcurve lijkt hetzelfde voor alle culturen over de wereld. Gottefredson en Hirschi stellen dat doordat een individu zich ontwikkelt en volwassen wordt ('maturation'), hij of zij stopt met criminele activiteiten. 

    Wat is de Dual-Taxonomy theorie?

    De Dual-Taxonomy theorie stelt dat er naast individuele factoren, ook omgevingsfactoren zijn die veel invloed hebben op crimineel gedrag. Het stelt twee verschillende carrières voor, die een verklaring bieden voor de leeftijd-misdaadcurve. Ten eerste is er een kleine groep in de populatie (ongeveer 5% van de mannen) die vanaf jongs af aan al antisociaal gedrag vertoont. Wanneer zij ouder worden, verandert dit antisociaal gedrag in crimineel gedrag. Deze individuen worden 'Life course persistent offenders (LCP)' genoemd. De tweede groep in de populatie is die van mensen die geen antisociaal of ander problematisch gedrag vertoonden, maar die tijdens hun puberteit toch criminele activiteiten ondernemen. Dit is een veel grotere groep. Hun criminele carrière is vaak kort en stopt meestal na de puberteit. Deze groep wordt de 'Adolescence-limited offenders (AL)' genoemd en is verantwoordelijk voor de piek die te zien is in de 'leeftijd-misdaadcurve'. 

    Life-course persistent offenders (LCP)

    Uit onderzoek blijkt dat een kleine groep individuen verantwoordelijk is voor een groot deel van de misdrijven. Dit worden ook wel chronische overtreders of Life-course persistent offenders genoemd. Volgens de Dual-Taxonomy theorie zijn er stabiele, individuele kenmerken die chronisch crimineel gedrag verklaren. Dit zijn vooral neuropsychologische factoren, die er toe leiden dat een kind overactief, irriteer baar, impulsief, langzaam lerend is en dat een kind moeite heeft om zichzelf te uiten. Door deze factoren wordt een kind moeilijk handelbaar, waardoor zij meer negatieve reacties krijgen van hun ouders (zoals straf). De individuele kenmerken van individuen worden dus versterkt door omgevingsfactoren. Daarnaast is het vaak zo dat deze problemen een genetische basis hebben. De ouders van deze kinderen zijn vaak ook niet goed in staat om hun emoties te controleren. Wanneer problematische kinderen ouder worden, ervaren zij veel negatieve reacties vanuit hun omgeving. Ze horen er niet echt bij. Kinderen die worden bestempeld als LCP, vertonen dus al van jongs af aan problemen. Deze problemen worden vervolgens versterkt omdat anderen hen afwijzen. Dit kan op den duur leiden tot crimineel en antisociaal gedrag. Er is dus een ontwikkeling.

    Adolescence-limited offending (AL)

    In tegenstelling tot LCP, hebben AL individuen geen neuropsychologische tekorten. Volgens de Dual-Taxonomy theorie ontstaat AL door sociale factoren.

    Volgens deze theorie heeft AL vooral te maken met de puberteit zelf. De puberteit is de periode waarin een kind verandert in een volwassene. Deze periode kenmerkt zich door biologische veranderingen, maar ook door sociale veranderingen. Zo worden kinderen minder afhankelijk van hun ouders en worden ze steeds zelfstandiger. Vaak is het zo dat de biologische veranderingen de sociale veranderingen voorgaan. Zo kan een kind behoorlijk gegroeid en ontwikkeld zijn, maar mag hij of zij pas op zijn achttiende autorijden. Dit wordt de 'maturity gap' genoemd, individuen zijn biologisch gezien al volwassen maar kunnen nog niet als een volwassene meedraaien in de maatschappij (vanwege regels). Wat uiteindelijk problemen veroorzaakt is het feit dat deze kinderen wél zelfstandig willen zijn, maar dat dit wordt tegengehouden door hun omgeving. Hierdoor zoeken zij andere manieren om zich tóch zelfstandig te kunnen voelen. Dit bereiken zij dan meestal door regels te breken (of door criminele activiteiten te ondernemen). Ook de sociale relaties veranderen tijdens de puberteit. Zoals al eerder gezegd is ongeveer 5% van de mannelijke populatie een LCP (life-course persistended offender). LCP vertonen gedrag zoals spijbelen, roken, drugs gebruiken en seks hebben. In de meeste middelbare schoolklassen zijn ongeveer één of twee individuen die als LCP kunnen worden bestempeld. Wat er vervolgens gebeurt, is dat de AL deze LCP zien en bewonderen. Zij willen ook autonoom zijn. Volgens de Dual-Taxonomy theorie zien de AL deze LCP als rolmodellen en gaan zij hen nadoen, dit wordt ook wel mimicking genoemd. 

    Populariteit

    Uit onderzoek blijkt dat populaire jongeren vaak zowel prosociale, als antisociale gedragingen vertonen. Er zijn twee typen van populaire jongeren, namelijk prosociaal-populair en populistisch. Pro-sociaal populaire jongeren worden gezien als sociaal, behulpzaam en academisch georiënteerd. Populistische jongeren worden gezien als antisociaal, uitdagend, luidruchtig en als pestkoppen. Volgens de Dual-Taxonomy theorie zijn populistische jongeren vooral populair doordat zij crimineel gedrag vertonen. 

    Desistantie van AL

    Zoals al hiervoor besproken, komt crimineel gedrag tijdens de puberteit relatief veel voor. De gemiddelde criminele carrière in de levensfase duurt ongeveer 4-7 jaar. Vervolgens stopt het, dit wordt ook wel 'desistance' genoemd. 

    Criminele activiteiten tijdens de puberteit zijn vooral 'status inbreuken'. Individuen vertonen crimineel gedrag, omdat zij dingen willen doen (autorijden, sigaretten kopen) die hen door de wet verboden worden. Als zij vervolgens ouder worden mogen zij meer. Er is dan ook geen reden meer om criminele activiteiten te plegen. Wanneer adolescenten ouder en volwassener worden, verandert ook hun sociale rol. Zij willen dat andere volwassenen hen mogen en met hen om willen gaan. Antisociaal gedrag past niet bij deze sociale rol en voortzetting van criminele activiteiten past dan ook niet meer bij hun zelfbeeld. Desistantie in AL heeft dus vooral te maken met sociale factoren.

    Voortzetting van criminele activiteiten

    Ondanks dat de meeste AL desistantie vertonen, zijn er ook jongeren die zulke negatieve consequenties hebben ervaren als gevolg van antisociaal of crimineel gedrag, dat zij er maar lastig uit kunnen komen. Zij komen dan niet in een volwassen rol. Denk bijvoorbeeld aan een meisje dat in de puberteit zwanger raakt, het is dan lastig om daarna nog een 'normaal' leven te leiden. Ook kan het zijn dat iemand een strafblad heeft gekregen, wat natuurlijk invloed heeft op het latere leven.  Dit wordt een 'cumulatief nadeel' genoemd. Het fenomeen wordt verklaard door de labelling theory of etiketteringstheorie, die stelt dat anderen een negatief beeld hebben van een crimineel, wat vervolgens leidt tot dat deze persoon na de puberteit het criminele gedrag voortzet. Primair crimineel gedrag (gedrag tijdens puberteit) kan vervolgens leidt tot secundair crimineel gedrag (na de puberteit). Individuen die negatief worden bekeken door anderen (negatief worden gelabeld), kunnen zichzelf zien als een mislukking. Dit kan weer leiden tot de 'self-fulfilling prophecy', wat inhoudt dat mensen zich gedragen naar het beeld dat anderen van hen hebben.

    Beleid

    De Dual-Taxonomy theorie heeft veel implicaties voor het beleid. Zo kunnen er interventies worden opgesteld voor individuen die van jongs af aan antisociaal gedrag vertonen. Ook kan men proberen om neuropsychologische afwijkingen te voorkomen, door hier voor de geboorte al op te letten (geen alcohol en niet roken tijdens de zwangerschap). Voor AL is het belangrijk dat de sociale invloeden worden gecontroleerd. Echter is dit vrij moeilijk, het is moeilijk om er voor te zorgen dat jongeren niet met 'probleemjongeren' omgaan. Het blijkt dat het verbieden van gedrag er juist voor zorgt dat pubers het gaan doen. Het is wel effectief gebleken om de status van bepaald gedrag te verminderen  (roken, drugs gebruiken). Dit kan worden bereikt door middel van massacampagnes.

    Access: 
    Public
    Hoe zit het met de sociale psychologie van organisaties? - Chapter 14

    Hoe zit het met de sociale psychologie van organisaties? - Chapter 14

    Wat zijn organisaties?

    Organisaties zijn erg belangrijk is ons dagelijks leven. Veel mensen werken jarenlang bij een organisatie. Ze bestaan in veel verschillende types en vormen, maar ze hebben allemaal een gemeenschappelijk kenmerk.  Een organisatie is namelijk een sociale regeling ten behoeve van het behalen van doelen. Organisaties bieden hun werknemers verschillende dingen zoals een gebouw, computers en regels. Al deze dingen hebben het doel om gedrag te coördineren en mensen te motiveren, zodat de doelen van de organisatie kunnen worden behaald. Het is dus belangrijk dat mensen als een team samenwerken binnen een organisatie. Er zijn drie recente contributies vanuit de sociale psychologie die een organisatie kunnen helpen om samenwerking te faciliteren. Die worden hier besproken.

    Wat is de sociale psychologie van organisaties?

    Organisaties onderscheiden zich van andere sociale groepen. Het eerste verschil is dat een organisatie niet spontaan ontstaat, terwijl sociale groepen (zoals een groep vrienden) wel vaak wel plotseling ontstaan. Daarnaast heeft een organisatie vaak een hiërarchische structuur. Mensen worden in organisaties niet aangenomen omdat men hen mag, maar eerder op basis van hun vaardigheden. Voor mensen die zich aanmelden bij een organisatie is de grootste motivatie vaak geld. Ook wordt er gebruik gemaakt van management om gedrag te monitoren. Gedrag kan ook worden beloond of bestraft. Sociale psychologie in organisaties gaat niet zozeer om het beïnvloeden van gedrag van mensen in de organisaties, het gaat vooral om het begrijpen van menselijk gedrag. Het voornaamste doel is dus om sociale processen te verklaren en om te kijken naar de invloed die organisationele veranderingen hebben op sociale processen in organisaties.

    Het sociale identiteitsperspectief 

    Om groepen en groepsprocessen op het werk beter te begrijpen maakt men binnen de sociale psychologie vaak gebruik van de 'sociale identiteitsbenadering'. Hierbij horen processen zoals zelf-categorisatie en sociale identificatie. De nadruk ligt bij deze benadering op het feit dat mensen graag een duidelijk zelfbeeld willen hebben en ergens bij willen horen. Dit bereiken zij door zichzelf bijvoorbeeld in groepen te plaatsen. Dit wordt ook wel sociale categorisatie genoemd en gaat over de neiging van individuen om anderen te categoriseren op basis van de kenmerken van de groep waar ze bij horen. Voorbeelden van groepen waar mensen zich mee identificeren zijn muzikanten, vrouwen en studenten. Het dragen van een bepaald uniform heeft ook te maken met deze categorisatie. Het doel hiervan is dat werknemers sneller herkent en gecategoriseerd kunnen worden. Mensen kunnen ook er voor kiezen om bepaalde groepen waar zij toe behoren te benadrukken. Dit heet sociale identificatie. Een voorbeeld hiervan is wanneer iemand student, moeder en werkneemster is. Zij kan dan bepalen of zij meer als student, moeder of werkneemster gezien wil worden. Dit is afhankelijk van welke rol en welke groep zij het belangrijkste vindt.

    Assumpties in de sociale identiteitsperspectief

    Een basisassumptie van het sociale identiteitssperspectief is dat men graag een positieve sociale identiteit wil. Dit wordt bereikt door zichzelf te associëren met groepen die een positieve uitstraling hebben. De sociale status van groepen wordt bepaald door de groep te vergelijken met andere groepen. Door middel van zelf-categorisatie kan men bepalen wat voor hen gepast gedrag is. Een voorbeeld hiervan is een student, die het niet zo erg vindt dat hij vaak weinig geld heeft, omdat dit nou eenmaal hoort bij het studentenleven.

    Hoe zit het met motivatie en toewijding aan werk?

    Een belangrijk onderwerp binnen organisaties en binnen de organisatiepsychologie is werknemersmotivatie. Het is een belangrijk onderwerp, omdat de prestatie van een organisatie afhankelijk is van de prestaties van de werknemers. Binnen de organisatiepsychologie  zijn verschillende theorieën opgesteld over wanneer en waarom werknemers gemotiveerd zijn om zich in te zetten voor een organisatie. Deze theorieën hebben als doel om te begrijpen welke condities een positieve invloed hebben op het gedrag en de motivatie van werknemers, welke activiteiten werknemer vooral stimuleren en wat er voor zorgt dat werknemers hun best blijven doen. 

    Voor werknemers is het vooral belangrijk dat zij zich autonoom voelen, dat hun taken gevarieerd zijn en dat de vaardigheden die benodigd zijn voor taken variëren. Ook zijn individuele kenmerken van belang. Werknemers richten zich vaak op taken waarvan zij verwachten dat zij het goed zullen doen. Ook taken die men leuk vindt of die positieve uitkomsten hebben worden meer gewaardeerd door werknemers. Dit is een individualistische benadering. Echter is een organisatie meer dan de individuen. Zoals eerder benoemd, zijn sociale processen en groepsprocessen ook erg belangrijk. Uit onderzoek blijkt dat vooral organisationele toewijding invloed heeft op het gedrag van werknemers. Dit houdt in dat wanneer werknemers zich verbonden voelen met de organisatie, zij meer gemotiveerd zijn om hun best te doen. Ook zijn deze werknemers minder geneigd om ontslag te nemen. Toewijding leidt daarnaast tot meer organisationeel burgerschapsgedrag. Dat is gedrag van werknemers dat bijdraagt aan de prestaties van een organisatie, wat uitgevoerd wordt zonder dat het verplicht is. Voorbeelden hiervan zijn het helpen van collega's of onbetaald overwerken.

    Het is dus belangrijk om te bepalen welke persoonlijke waarden en karakteristieken leiden tot meer toewijding aan organisaties. Zo is uit onderzoek gebleken dat een werknemer zich vaak meer verbonden voelt met zijn team, dan met zijn organisatie. Hoe meer verbonden een werknemer zich voelt, hoe hoger zijn of haar toewijding en hoe beter de prestaties van een organisatie. Het verhogen van de motivatie van werknemers gaat dus niet alleen over het verhogen van hun salaris.

    Wat valt er te zeggen over innovatie en verandering?

    Er vinden de laaste jaren veel technologische veranderingen plaats. Deze veranderingen hebben invloed op organisaties. Zij moeten zich effectief aanpassen aan deze veranderingen. Nieuwe producten, ideeën of manieren van werken worden aangeduid als innovaties. Voor organisaties heeft dit bepaalde implicaties, zoals dat werknemers niet uitsluitend moeten worden gekozen om hun vaardigheden. Het kan namelijk zo zijn dat hun vaardigheden binnen een paar jaar niet meer benodigd zijn. Een andere implicatie is dat wanneer organisaties willen innoveren, werknemers zich hier tegen kunnen verzetten. Het kan namelijk zo zijn dat werknemers bij een organisatie wilden horen, juist omdat deze organisatie specifieke kenmerken had. Als deze kenmerken dan veranderen, kan het zijn dat werknemers er niet blij mee zijn. Een oplossing is het aannemen van nieuwe werknemers, die nieuwe inzichten bieden. Een andere oplossing is het organisationele klimaat te veranderen. Een organisationeel klimaat gaat over de sfeer op de werkvloer. Als een organisatie probeert om een 'open klimaat' te bereiken, is het makkelijker om te veranderen zonder dat werknemers hier tegenin gaan.

    Wat valt er te zeggen over diversiteit op werk?

    Tegenwoordig is er, mede door de enorme globalisatie en immigratiestromen, veel diversiteit. Dit geldt ook voor organisaties, de groep van werknemers wordt steeds diverser. Dit houdt in dat er werknemers zijn met verschillende achtergronden, verschillende beweegredenen, verschillende doelen en ambities. Voor organisaties is het belangrijk dat zij de positieve kanten van diversiteit benadrukken. Voor de minderheidsgroepen binnen een organisatie is het belangrijk dat zij zich gerespecteerd en geliefd voelen. Als dit niet het geval is, hebben ze een lagere motivatie. Dat zal geen positieve uitkomsten hebben voor de organisatie. Voor minderheidsgroepen die niet direct zichtbaar zijn (denk aan seksuele voorkeuren), is het belangrijk dat zij de mogelijkheid voelen om open te zijn. 

    Wat valt er te zeggen over fouten (errors)?

    Uit onderzoek blijkt het toeschrijven van fouten aan individuen geen positief effect heeft op de organisatie. Wanneer men fouten op deze manier waarneemt, leidt dit vaak tot het verbergen van fouten. Echter, wanneer organisaties fouten als iets dat onvermijdelijks is en zelfs nuttig kan zijn, heeft dit positieve effecten op de werknemerstevredenheid en op de motivatie. Dit leidt dan weer tot betere prestaties binnen organisaties.

    Wat is de context van de sociale psychologie?

    Om een succesvol team te creëren, is het volgens de sociale psychologie belangrijk om te kijken naar individuele verschillen. Vervolgens is het van belang om een klimaat te creëren waarin deze individuele verschillen worden gerespecteerd en toegejuicht. Hierbij is communicatie erg belangrijk.

    Access: 
    Public
    Wat valt er te zeggen over de sociale psychologie van politiek gedrag? - Chapter 15

    Wat valt er te zeggen over de sociale psychologie van politiek gedrag? - Chapter 15

    Wat is politieke psychologie?

    Het toepassen van sociaalpsychologische kennis op politiek heet politieke psychologie. Politieke psychologie wordt ook wel gedefinieerd als het toepassen van wat er bekend is over menselijke psychologie op politiek gedrag. Van alle velden binnen de psychologie is vooral de sociale psychologie van invloed geweest op de politiek. Voorbeelden van onderwerpen die zijn bestudeerd, zijn bijvoorbeeld politieke socialisatie, stemgedrag, ideologieën, terrorisme en genocide. In dit hoofdstuk worden drie onderwerpen besproken die centraal staan binnen de politieke psychologie, namelijk politiek leiderschap, stemgedrag en ideologie. In het veld van de politieke psychologie zijn er vier verschillende typen studies.

    Ten eerste zijn er psychologische studies die zich niet direct richten op politiek gedrag, maar die toch gebruikt kunnen worden voor het begrijpen van politieke processen. Een voorbeeld hiervan is het Milgram's experiment, dat aantoonde dat men in staat is om alles te doen zo lang er maar een autoritair persoon is die hen hier opdracht voor geeft. Deze studie is onder andere te gebruiken als verklaring voor de Holocaust. Ten tweede zijn er psychologische theorieën die worden toegepast op politiek gedrag, maar die niet speciaal op politiek gedrag zijn gericht. Een voorbeeld hier van is het onderzoek van Ajzen en Fishbein naar stemgedrag. Zij gebruikten hun theorie voor gepland gedrag en pasten dit toe op stemgedrag. Hun theorie is dus niet zozeer gebaseerd op politiek gedrag, maar het was gewoon een onderwerp waarbij ze hun theorie konden testen. Het derde type zijn onderzoeken die zich richten op politieke fenomenen, maar die ook gebruikt kunnen worden voor onderwerpen die niet met politiek te maken hebben. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek naar gemotiveerde redenering, wat aantoonde dat men nieuwe informatie gebruikt en bekijkt op basis van de attitudes die zij hebben. Het vierde en laatste type onderzoek is onderzoek dat specifiek gericht is op politiek gedrag. De theorieën die ontstaan als gevolg van deze onderzoeken zijn dan ook niet toepasbaar op andere onderwerpen. 

    Wat is politiek leiderschap?

    Politiek leiderschap is een belangrijk onderwerp binnen politieke psychologie. Vragen die hierbij horen zijn "hoe kan leiderschap worden onderzocht?" en "hoe kan de beste leider worden gekozen?". 

    De Big Five 

    Volgens het Big Five model bestaat de persoonlijkheid van alle mensen uit vijf dimensies, namelijk neuroticisme (of emotionele stabiliteit), extraversie (of energie), vriendelijkheid, openheid voor nieuwe ervaringen en nauwkeurigheid. Onderzoek heeft aangetoond dat openheid voor nieuwe ervaringen positief gerelateerd is aan het liberalisme en dat nauwkeurigheid vooral gerelateerd is aan het conservatisme. Deze persoonlijkheidstrekken worden meestal aan de hand van zelf-ingevulde vragenlijsten gemeten. Echter is dit voor politieke leiders soms moeilijk. Zo kan het zijn dat zij geen tijd hebben om dit in te vullen, of dat zij al overleden zijn. In het laatste geval kan men ervoor kiezen om anderen de vragenlijsten in te laten vullen. Dit wordt dan vaak gedaan door mensen die de politieke leiders goed kenden, of mensen die biografieën hebben geschreven over deze leiders. Dit is wat Rubenzer, Faschingbauer en Ones hebben gedaan. Uit hun onderzoek bleek dat de gemiddelde president hoger scoort op openheid voor ervaringen, extraversie en neuroticisme en lager op vriendelijkheid.

    Het profileren van politieke leiders

    Een andere manier om politiek leiderschap te meten, is content- of inhoudsanalyse. Zo kan men bijvoorbeeld kijken naar de speeches en interviews die leiders hebben gegeven. Dit is wat Winter heeft gedaan. Hij concludeerde dat de prestatie van een politieke leider afhankelijk is van de match tussen zijn persoonlijkheid en de behoeften van de gemeenschap. Hij bekeek hiervoor de motieven van de leider (zoals de prestatiedrang en de behoefte aan macht). De behoefte van de gemeenschap werd bepaald door te kijken naar culturele documenten zoals populaire verhalen of kinderboeken.

    Een andere benadering is meer cognitief. Er wordt dan gekeken naar de operationele code van leiders. De operationele code gaat over de overtuigingen. Zo kan de wereld gezien worden als een harmonische plek, maar ook als een plek vol conflicten. Daarnaast kan een leider denken dat de toekomst beïnvloedbaar is, of dat de toekomst niet controleerbaar is. Deze overtuigingen beïnvloeden het politiek gedrag. 

    Hoe verlopen keuzes in crisistijden?

    In tijden van crisis is politiek leiderschap erg belangrijk. Het is echter niet alleen de politieke leider die bepaalt wat er in tijden van crisis gebeurt, ook de publieke opinie is belangrijk. Daarnaast zijn er mensen die de politieke leider bijstaan en die ook invloed hebben op keuzes, zoals ministers. Om keuzes in crisistijden te begrijpen moet men dus ook kijken deze factoren, en niet alleen naar de persoonlijkheid van de leider. Uit onderzoek is gebleken dat in crisistijden vooral agressieve acties worden gesteund, acties van verzoening ontvangen juist minder steun. Een theorie die dit probeert te verklaren, is de vooruitzicht of prospect theorie. Volgens deze theorie is de verklaring voor dit fenomeen dat politieke leiders bang zijn om hun aanhang te verliezen wanneer zij kiezen voor verzoening. Hierdoor kiezen politieke leiders vaker voor agressieve acties.

    Groepsdenken

    Zoals eerder besproken worden politieke leiders beïnvloed door de mensen om hen heen (zoals ministers). Een nadeel hiervan is dat er groepsdenken op kan treden. Groepsdenken houdt in dat men in een groep slechtere keuzes maakt in vergelijking tot wanneer een individu alleen een keuze maakt. Oplossingen zijn bijvoorbeeld het introduceren van een 'tweede ronde van discussie', of het meewegen van de mening van mensen van buiten de groep. Die hebben vaak een neutralere kijk op de kwestie. 

    Stemgedrag

    Stemgedrag is een belangrijk onderwerp binnen de psychologie van politiek. Uit onderzoek is gebleken dat mensen vooral stemmen omdat zij het als een plicht zien. Het is dus afhankelijk van sociale normen, in plaats persoonlijke overtuiging. 

    De Theorie van Gepland Gedrag (Theory of Planned Behavior)

    Om stemgedrag beter te begrijpen, kan men psychologische theorieën toepassen. Een voorbeeld van zo'n theorie is de theorie van gemotiveerde beredenering, wat een kleine uitbreiding is op de theorie voor gepland gedrag. Volgens de theorie van gemotiveerde beredenering is de intentie van mensen de belangrijkste voorspeller van gedrag. Deze intentie wordt bepaald door de evaluatie over de consequenties van het gedrag, en de mate waarin dit gedrag past bij de subjectieve (waargenomen) normen. Ondanks dat deze theorieën interessante inzichten bieden in politiek gedrag, worden de vragen die onderzoekers naar stemgedrag hebben hiermee niet echt beantwoordt.

    Het Michigan Model voor stemgedrag

    Het Michigan model biedt meer interessante inzichten voor onderzoekers naar stemgedrag. Volgens dit model worden politieke kwesties inderdaad geëvalueerd. Echter zijn er bij de keuze voor een politieke partij ook andere factoren van belang. Voorbeelden hiervan zijn de thuissituatie van mensen en de sociale groepen waar ze bijhoren. Ook speelt de partij-identificatie van mensen een belangrijke rol. Als het Amerikaanse systeem als uitgangspunt genomen wordt, betekent dit dat mensen van jongs af aan al één van de twee richtingen op worden gestuurd. Deze identificatie kan het stemgedrag direct beïnvloeden, maar ook indirect via de 'partijdige attitude'. De partijdige attitude bevindt zich op een continuüm van pro-republikein tot prodemocratisch.

    Gemotiveerde politieke redenering

    Meer inzicht in de onderliggende processen komt van de theorie voor gemotiveerde politieke redenering. Deze theorie verklaart hoe gevoel (affect) en cognitie interacteren. Deze interactie leidt tot bevooroordeelde informatieverwerking. Zo is het vaak het geval dat mensen, wanneer zij nieuwe informatie krijgen, deze eerst bekijken op basis van hun eerdere attitudes en gevoelens. Consequenties hiervan zijn bijvoorbeeld de disconfirmatie bias, die stelt dat mensen meer moeite doen om argumenten die tegen hun overtuigingen in gaan te weerleggen, dan dat ze moeite doen om argumenten te weerleggen die hun overtuiging bevestigt. Dit heet de confirmatie bias, mensen nemen argumenten die passen bij hun overtuigingen heel snel aan, zonder deze kritisch te evalueren. Ook het voorgaande-attitude effect is een consequentie van de interactie tussen gevoel en cognitie. Dit effect verklaart dat mensen die sterke attitudes en overtuigingen hebben de argumenten die passen bij hun attitude, als sterker zien. Deze drie mechanismen verklaren het politieke gedrag van mensen en kan ook verklaren waarom mensen soms extreme posities innemen. 

    Wat is een ideologie?

    Non-attitudes

    Een ideologische oriëntatie gaat over of mensen links of rechts zijn. Uit onderzoek blijkt dat deze oriëntatie vrij weinig invloed heeft op de keuzes die men maakt. Mensen spreken dus vaak wel over hun oriëntatie, maar deze oriëntatie heeft vaak weinig invloed op de keuzes die zij maken. Dit soort meningen die eigenlijk geen invloed hebben worden non-attitudes genoemd. 

    Ideologie en waarden

    Uit onderzoek blijkt dat er vier politieke ideologieën zijn die het meest invloedrijk zijn, namelijk het socialisme, het kapitalisme, het communisme en het fascisme.

    Access: 
    Public
    Wat is sportpsychologie? - Chapter 16

    Wat is sportpsychologie? - Chapter 16

    Waarom is sport belangrijk?

    Regelmatig sporten heeft positieve effecten, zo helpt het tegen chronische ziektes en heeft het een positieve invloed op het humeur en op de hersenfuncties. Ook helpt sporten bij het opbouwen van spieren en het versterken van botten. Sporten helpt ouderen hun balans te versterken, waardoor zij minder vaak vallen. Dit is belangrijk, omdat vallen de grootste oorzaak is van overlijden onder ouderen. 

    Hoe kan sport gepromoot worden?

    Sociaal psychologische theorieën zijn nuttig gebleken bij het verklaren van sportgedrag. Deze theorieën kunnen gebruikt worden om interventies op te stellen. Interventie mapping is een nuttig raamwerk voor het plannen, toepassen en het evalueren van theoriegedreven interventies. Bij interventie mapping gaat het om het diagnosticeren van het probleem of de oorzaak, het vaststellen van welke variabelen het gewenste gedrag voorspellen, interventies ontwikkelen die gebaseerd zijn op antecedenten van het gewenste gedrag en tot slot het evalueren van de inhoud en het proces van de interventie. Een voorbeeld hiervan is de theorie van gepland gedrag. Met behulp van deze theorie kan er worden gekeken naar welke factoren fysieke activiteit bepalen. Zo is het gebleken dat attitudes en de waargenomen gedragscontrole de belangrijkste voorspellers zijn voor sportgedrag bij kinderen.

    Fysieke zelfwaardering 

    Fysieke zelfwaardering kan worden bepaald aan de hand van vier componenten, namelijk:

    1. Fysieke aantrekkelijkheid: de mate waarin mensen zichzelf als aantrekkelijk zien. 
    2. Fysieke conditie: de mate waarin mensen zichzelf als fit zien.
    3. Fysieke sterkte: de mate waarin mensen zichzelf als sterk zien.
    4. Sportcompetentie: de mate waarin mensen zichzelf als succesvol zien in sport.

    Bij kinderen is de perceptie van de fysieke zelf de grootste voorspeller voor hun algehele zelfwaardering. Kinderen kunnen er voor kiezen om niet te sporten, omdat zij zich druk maken om hoe zij er uitzien (te dik, te dun). Ook kan het zijn dat kinderen hoge sociale fysieke angst vertonen, wat inhoudt dat zij bang zijn dat anderen hen negatief zullen beoordelen tijdens het sporten.

    Hoe kan sportprestatie worden verklaard en worden verbeterd?

    Sportpsychologie gaat vooral over hoe de sportprestaties kunnen worden verbeterd. Vaak zijn de participanten van onderzoeken atleten en mensen die erg gemotiveerd zijn om te sporten. 

    Cohesie en prestatie

    De meeste sporten worden in teams gespeeld. Hierdoor is het belangrijk dat men zich richt op het versterken van het team of de groep. Teams en groepen zijn vaak dynamisch, soms presteert een team heel goed en soms heel slecht. Groepscohesie is hierbij een belangrijk concept. Cohesie bestaat uit twee dimensies, namelijk groepsintegratie en persoonlijke aantrekking. Groepsintegratie gaat over de verbondenheid met een groep, en persoonlijke aantrekking gaat over de individuele motivatie en gevoelens over hoe aantrekkelijk een groep is. Er is een positieve relatie tussen groepscohesie en individuele- en teamprestatie. Echter is het niet duidelijk wat de richting van de relatie is, leidt hogere groepscohesie tot hogere prestaties of is dit omgekeerd? 

    Doordat cohesie positief gerelateerd is aan individuele- en teamprestaties, is het belangrijk om te kijken naar hoe cohesie binnen een team bevorderd kan worden. Er zijn hierbij een aantal factoren van belang. Ze kunnen worden onderverdeeld in teamfactoren, omgevingsfactoren, individuele factoren en leiderschapsfactoren.

    Teamfactoren

    De stabiliteit binnen een team draagt bij aan cohesie. Het is moeilijk om cohesief te zijn wanneer de groep steeds verandert of wanneer spelers vaak afwezig zijn. Ook het reguleren van gedrag binnen een team draagt bij aan de teamcohesie, voorbeelden zijn het opstellen van bepaalde regels of het dragen van uniforms.

    Omgevingsfactoren

    De grootte van de groep is ook belangrijk voor teamcohesie. Meestal geldt hoe groter de groep, hoe minder cohesie. Ook contracten binnen teams zijn belangrijk. Wanneer spelers ontevreden zijn met hun contracten, leidt dit tot minder cohesie binnen een team.

    Individuele factoren

    Individuele gedragingen en overtuigingen spelen een rol. Wanneer spelers meer toegewijd zijn aan hun sport (wat inhoudt dat zij hun sociale leven opgeven of dat zij zich aan specifieke diëten houden), dan heeft dit een positieve invloed op de teamcohesie. Individuele factoren die juist leiden tot minder cohesie zijn bijvoorbeeld zelf-handicapping. Dit houdt in dat men soms minder moeite doet voor iets (vaak het geval wanneer iemand iets als heel moeilijk ervaart), zodat er minder schuldgevoel is wanneer het misgaat.

    Leiderschapsfactoren

    De coaches van een team hebben ook invloed op de teamcohesie. Wanneer atleten hun coach als toegewijd en betrouwbaar zien, heeft dit een positieve invloed op de teamcohesie.

    Hoe kunnen succesvolle teams worden opgesteld?

    Er zijn verschillende team-building strategieën, zoals:

    • Het versterken van de participatie van atleten: het betrekken van atleten binnen een team bij het maken van keuzes leidt tot meer toewijding aan het team.
    • Het verbeteren van collectieve werkzaamheid: collectieve werkzaamheid of competentie gaat over het gevoel het team competent is.
    • Rolacceptatie: elke atleet in een team moet voelen dat hij een unieke en belangrijke rol heeft voor het behalen van succes.
    • Teamdrills: het leren te vertrouwen op het team.
    • Vermijd kliek formatie: kliekjes hebben een negatieve invloed op teamprestaties. 
    • Wees voorbereid op conflicten.
    • Persoonlijke informatie: coaches moeten interesse tonen in het persoonlijke leven van atleten. Atleten houden er van om samen te werken men coaches die persoonlijke informatie zoals verjaardagen en de namen van kinderen onthouden.

    De beste individuele atleten

    Een team vormen met de beste atleten die er zijn is niet de beste strategie voor succes. Het is vaak voorgekomen dat teams bestaande uit extreem getalenteerde atleten, het slechter deden dan verwacht. Dit kan komen doordat er een slechte coördinatie is van deze teams. Ook kan het te maken hebben met motivationele processen. Het laatste wordt het Ringelmann effect of sociaal luieren (social loafing) genoemd. Ringelmann vond dat, als groepen in aantal toenamen, de gemiddelde prestatie per teamlid afnam. Als teams groter worden is er minder oog voor de individuele prestatie van atleten. Hierdoor kan het zijn dat atleten minder moeite doen, omdat zij weten dat anderen wel voor succes zullen zorgen. Wanneer een atleet opmerkt dat anderen meerijden op hun succes, zal hij ook geneigd zijn om minder moeite te doen en een minder goede prestatie te leveren. Dit wordt een sociaal dilemma genoemd.

    Hoe kan sociaal luieren worden verminderd?

    Er zijn een aantal strategieën om sociaal luieren tegen te gaan:

    • Het verhogen van het zelfbewustzijn van atleten of het monitoren van individuele prestatie: zelfbewustzijn kan worden verhoogd door atleten te vragen een logboek bij te houden. Ook individuele prestaties kunnen worden gemonitord, door bijvoorbeeld hartslagmeters en GPS systemen. 
    • Het persoonlijk maken van taken: door het opstellen van teamdoelen kan de trots worden vergroot. Dit helpt de atleet daarnaast met het bewustzijn dat zijn prestatie bijdraagt aan het succes van het team.
    • Doelen stellen: er kunnen teamdoelen (bijvoorbeeld 60% winst) en individuele doelen (bijvoorbeeld minimaal 10 punten scoren) worden opgesteld.
    • Posities roteren: door teamleden soms in andere posities te zetten, kan er worden bepaald wanneer sociaal luieren optreedt.

    Wat is sociale facilitatie?

    Sport heeft een sociale aard. De mensen die betrokken zijn bij sport (de coach, het team, toeschouwers, de scheidsrechter) kunnen allemaal sociale invloed uitoefenen. Onderzoeken naar het effect van anderen op sportprestaties hadden gemixte conclusies. De sociale facilitatie theorie biedt een verklaring voor deze gemixte resultaten. Volgens deze theorie verhoogt de aanwezigheid van anderen de fysieke opwinding. Dit leidt tot verbeterde prestatie wanneer het om een makkelijke taak gaat. Echter, als de taak moeilijk is leidt de aanwezigheid van anderen juist tot mindere prestaties.

    Bezwijken onder druk

    Het komt soms voor dat atleet heel gemotiveerd is en ook de vaardigheden heeft om succesvol te zijn, maar toch slecht presteert. Dit komt vaak voor wanneer atleten zich erg onder druk voelen gezet (of zich verstikt voelen). Dit gevoel kan ontstaan door zelfbewustzijn, een atleet is erg gemotiveerd om te presteren en let daardoor heel erg op wat hij aan het doen is. Dit verstoort de automatische verwerking, denk bijvoorbeeld aan een pianist die erg bezig is met de plek van zijn vingers, dit maakt het moeilijk om vloeiend piano te spelen. 

    Er zijn twee theorieën over de manier waarop verhoogd zelfbewustzijn leidt tot bezwijken onder druk. De acclimatisatie theorie stelt dat atleten die van zichzelf al de neiging hebben om zelfbewust te zijn, minder vaak bezwijken onder druk. Wanneer atleten het echter niet gewend zijn om onder druk te staan, leidt hoge het juist tot slechtere prestaties. De tweede theorie, de herinvestering theorie, stelt dat herinvestering (het controleren van gedrag) leidt tot verslechterde prestaties wanneer de druk toeneemt. Dit wordt verklaard door de progressie-regressie hypothese, die stelt dat het aanleren van motorvaardigheden in verschillende fases verloopt. Als een atleet erg bezig is met zijn of haar motorvaardigheden, vermindert de prestatie. Een belangrijk en interessant weetje over deze bevinding is dat atleten soms bewust anderen prijzen om hen zelfbewust te maken en dat leidt dus tot slechtere prestaties.

    Omgevingsinvloeden op sportprestaties

    Een belangrijke voorspeller voor succes in sport is de locatie waar de wedstrijd plaatsvindt. Teams die thuis spelen, hebben een grotere kans om te winnen. Er zijn hier een aantal verklaringen voor. Zo zijn er meer fans aanwezig bij thuiswedstrijden. Uit onderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van meer fans leidt tot een grotere kans om te winnen. Ook kan het zijn dat atleten door te reizen vermoeid raken. 

    Access: 
    Public
    Wat heeft sociale psychologie te zeggen over rijgedrag? - Chapter 17

    Wat heeft sociale psychologie te zeggen over rijgedrag? - Chapter 17

    Wat valt er te zeggen over verkeersongelukken?

    Verkeersongelukken is een van de belangrijkste doodsoorzaken wereldwijd. Het is dus belangrijk om te bepalen welke factoren leiden tot ongelukken. Factoren van invloed zijn slechte wegen en slechte auto's, maar de grootste oorzaak voor botsingen zijn toch menselijke fouten. 

    Het voorspellen van ongelukken

    Er zijn drie factoren die een groot deel van afwijkend rijgedrag verklaren, namelijk overtredingen (violations), foutjes (errors) en vergissingen (lapses). Overtredingen zijn bewuste en intentionele schendingen van verkeersregels, zoals door rood rijden, bumperkleven of toeteren bij irritatie. Foutjes zijn onbewuste schendingen van verkeersregels, zoals te vroeg remmen op een gladde weg. Vergissingen hebben te maken met aandacht en geheugen. Zo kan iemand bijvoorbeeld vergeten waar hij of zij zijn auto heeft geparkeerd. Overtredingen voorspellen botsingen het beste. Als overtredingen voorkomen kunnen worden, zullen er dus minder ongelukken plaatsvinden. Bij het opstellen van interventies is het belangrijk om cross-culturele verschillen in de gaten te houden.

    Gedragsmatige (attitudinal) factoren hebben invloed op overtredingen. De attitude van een persoon tegenover veilig rijden en de maximumsnelheid zijn bepalend voor de mate van overtredingen. Volgens de theorie van gepland gedrag is het zo dat als iemand negatief denkt over veilig rijden, hij of zij meer overtredingen begaat. In deze theorie worden overtreding voorspeld via intenties, en overtredingen voorspellen weer botsingen.

    Eigenschappen die tot risicovol rijgedrag leiden

    Bestuurders variëren in de mate waarin zij een veilige of risicovolle rijstijl hanteren. Ook variëren zij in het beoordelen van hun rijvaardigheden. Sommige bestuurders zien autorijden als een manier om hun innerlijke behoefte aan spanning te bevredigen. Hierbij is sensation-seeking belangrijk. Sensation-seeking houdt in dat men op zoek gaat naar nieuwe ervaringen die voor spanning zorgen, ondanks de sociale en fysieke risico's die gepaard gaan met dit gedrag. Dit kan dus ook met autorijden worden bereikt. Mensen die hoog scoren op sensation-seeking hebben een hogere tolerantie voor risico vergeleken met mensen die laag scoren. Dit betekent dat risicovol rijgedrag, zoals rijden onder invloed of te hard rijden, niet als risicovol wordt beschouwd. Dit kan weer leiden tot meer overtredingen en dus meer ongelukken. Sensation-seeking komt vooral voor bij mannen en bij jonge mensen. Een ander persoonlijkheidskenmerk dat belangrijk is bij rijgedrag is agressie. Agressie voorspelt overtredingen en ook risicovol rijgedrag. Agressieve overtredingen kunnen op twee manieren ontstaan, namelijk door trek-agressie of door staat-agressie. Trek-agressie houdt in dat iemand van zichzelf al agressief is. Staat-agressie houdt in dat iemand normaal niet agressief is, maar in een specifieke context (of staat) wel (zoals tijdens het autorijden). Situationele factoren hebben invloed op agressie achter het stuur. Andere individuele factoren die belangrijk zijn voor rijgedrag zijn de optimisme bias en de illusie van controle. De optimisme bias houdt in dat iemand denkt dat zij zelf nooit in een bepaalde situatie terecht zullen komen. De illusie van controle houdt in dat iemand denkt alles aan te kunnen. Deze gedachten leiden tot een zelf-verwezenlijking bias (self-enhancement bias). Dit houdt in dat iemand vooral positieve gedachten heeft over zichzelf. Zulke gedachten kunnen leiden tot meer risicovol rijgedrag.

    Subjectieve risico's

    De waargenomen risico's gaan over de mate waarin iemand risico waarneemt en ervaart (het subjectieve risico). Risicomodellen beschrijven hoe bestuurders deze subjectieve risico's gebruiken om hun rijgedrag te reguleren. 

    De Risico Homeostase theorie

    Volgens de Risico Homeostase theorie hebben bestuurders een bepaalde limiet van het risico dat zij accepteren. Als men aan het rijden is en de grens van het risico is niet bereikt, past men zich aan door bijvoorbeeld risicovoller te gaan rijden. Echter, wanneer de grens van de risico wél is bereikt, nemen bestuurders een veiligere rijstijl aan. Bestuurders zoeken, volgens deze theorie, dus een balans (homeostase).

    De Risico Allostase theorie

    Het 'taak capabiliteit interface model' beschrijft hoe bestuurders de taakeisen en hun vaardigheden vergelijken. Volgens dit model voelt een bestuurder zich in controle wanneer de taakeisen en de vaardigheden in lijn zijn. Wanneer dit niet in lijn is, is de kans op ongelukken hoger. Maar, hoe evalueren bestuurders dit? Volgens de risico allostase theorie gebeurt dit op basis van de moeilijkheidsgraad van een taak. De moeilijkheidsgraad van de taak wordt bepaald aan de hand van het subjectieve risico. Als bestuurders de taak als te moeilijk waarnemen compenseren zij hiervoor, door bijvoorbeeld langzamer te rijden. Het verschil met de homeostase theorie is dat er bij de allostate geen sprake is van een stabiele grens. Zoals de taakcapabiliteit model beschrijft, zijn er verschillende contextuele en motivationele factoren die rijgedrag bepalen. Dit betekent dat er in verschillende situaties verschillende grenzen zijn. In deze theorie gaat het dus om een bereik van grenzen van verschilende taken, in plaats van één grens. 

    Wat zijn de onderzoeksmethoden in verkeerspsychologie?

    De meeste onderzoeken in de psychologie van rijgedrag worden uitgevoerd met behulp van zelfrapportages. Men wordt dus gevraagd naar hun rijgedrag. Dat kan natuurlijk vertekend beeld opleveren. Als je wil weten hoeveel mensen een gordel dragen tijdens het rijden bijvoorbeeld, is het niet handig om zelfrapportage te gebruiken. Men zal namelijk geen eerlijk, maar een sociaal wenselijk antwoord geven. Andere methoden die meer geschikt zijn worden hier besproken.

    Simulaties

    Door middel van rijsimulaties kan men verschillende dingen onderzoeken. Een voorbeeld is het effect van muziek tijdens het rijden bepalen en vergelijken of dit effect verschillend is in moeilijke en makkelijke rijsituaties. Om er voor te zorgen dat iedereen dezelfde situatie heeft kan een rijsimulatie gebruikt worden. 

    Directe en naturalistische observaties

    Observationele studies hebben als doel het rijgedrag in de natuurlijke, realistische context te bekijken. Een voorbeeld is het onderzoeken hoeveel mensen een gordel dragen in de auto.

    Welke interventies kunnen gebruikt worden voor veiliger rijgedrag?

    Handhaving

    Eén van de meest gebruikte manier om veilig rijgedrag te bevorderen is handhaving. Dit houdt in dat er straffen verbonden worden aan het breken van de verkeersregels. Denk hierbij aan boetes of gevangenisstraffen. Handhaving is vooral effectief wanneer er een kans is om betrapt te worden. Als men het idee heeft dat er geen camera's of politie aanwezig is, dan houden zij zich vaak niet aan de regels. Dit is dus een probleem omdat deze regels worden opgesteld ten behoeve van veiligheid, om doden en ongelukken te voorkomen. Een uitdaging voor de verkeerspsychologie is dus een manier zoeken om mensen wel zo ver te krijgen dat zij zich aan de regels houden, ongeacht of zij wel of geen straf kunnen krijgen. Een ander nadeel is dat de methode vooral gebaseerd is op straffen. Straffen heeft effect, maar men leert niet waarom het belangrijk is zich aan de regels te houden.

    Educatie

    Een andere interventie die wordt gebruikt is educatie of theorie. Dit is bedoeld voor mensen die hun rijbewijs nog niet hebben gehaald. Theorie heeft als doel mensen te leren veilig te rijden. Of educatie effectief is als interventie hangt af van het motivationele component. Wanneer de motivatie om veilig te rijden wordt verhoogd, is het waarschijnlijk dat educatie effectief is als interventie.

    Overredende berichten

    Een andere interventie die wordt gebruikt om veilig rijgedrag te promoten is het gebruik van overredende (persuasive) berichten. Een voorbeeld hier van zijn borden waarop staat "denk aan uw kinderen". Voor overredende berichten is het belangrijk dat ze persoonlijk gericht zijn. Er moet dus rekening worden gehouden met wat men belangrijk vindt in het leven (zoals hun kinderen), dan zijn deze berichten het meest effectief.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: this content refers to
    Psychology and behavioral sciences - Theme
    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Sociale psychologie en sociale relaties: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries

    Image

    Share: this page!
    Follow: Psychology Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    4111
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector