Oefententamen A Arbeids- en Organisatiepsychologie - Sociale Arbeids & Organisatiepsychologie - B1 - Psychologie - UvA

Vragen

Vraag 1

Als de output van een persoon de directe input van een andere persoon (of eenheid) is, en niet meer terug komt bij eerdere personen in de keten, dan is er sprake van de volgende vorm van onderlinge taakafhankelijkheid (task interdependence):

  1. Wederkerige onderlinge afhankelijkheid (reciprocal interdependence)

  2. Samengestelde onderlinge afhankelijkheid (pooled interdependence)

  3. Sequentiële onderlinge afhankelijkheid (sequential interdependence)

Vraag 2

Noem de drie hoofdkenmerken van actief luisteren.

  1. Empatie tonen (emphatize), informatie organiseren (organize information) en antwoorden (responding)

  2. Evalueren (evaluating), onderbrekingen voorkomen (aviod interruptions) en interesse behouden (maintain interest)

  3. Voelen (sensing), evalueren (evaluating) en antwoorden (responding)

Vraag 3

Elektronisch mail (e-mail):

  1. Maakt statusverschillen minder opvallend

  2. Is vooral geschikt voor communicatie in ambigue (ambiguous) situaties

  3. Vergroot de kans op bias ten aanzien van factoren als leeftijd en ras

Vraag 4

Welke van de volgende communicatiemedia beschikt over het algemeen over de minste mediarijkheid (media richness)?

  1. Een telefoongesprek tussen twee medewerkers

  2. Een e-mail die verzonden wordt aan alle medewerkers van een organisatie

  3. Een videoconferentie (videoconference)

Vraag 5

Team cohesie (team cohesion) is hoger bij:

  1. Afwezigheid van externe competitie (internal competition) dan bij aanwezigheid van externe competitie

  2. Diverse teams dan bij homogene teams

  3. Wederkerige onderlinge taakafhankelijkheid (reciprocal task interdependence) dan bij sequentiële onderlinge taakafhankelijkheid (sequential task interdependence)

Vraag 6

Met het fenomeen groepsdenken (group think) wordt bedoeld dat:

  1. Hoog cohesieve (cohesive) groepen consensus zo sterk waarderen dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van beslissingen

  2. Bepaalde individuen minder inspanning leveren omdat zij denken dat dit niet opvalt wanneer andere groepsleden het werk wel verrichten

  3. Groepsleden vergeten om hun ideeën te uiten wanneer maar één iemand tegelijk kan spreken

Vraag 7

Welk van de volgende beweringen over harde beïnvloedingstactieken (hard influence tactics) is waar?

  1. Informatiecontrole (information control) is een harde beïnvloedingstactiek

  2. Harde beïnvloedingstactieken zijn gebaseerd op persoonlijke bronnen van macht

  3. Harde beïnvloedingstactieken leiden tot betrokkenheid (commitment) bij werknemers

Vraag 8

Welke macht wordt aan werknemers gegeven door 360-graden feedback?

  1. Referentiemacht (referent power)

  2. Legitieme macht (legitimate power)

  3. Beloningsmacht (reward power)

Vraag 9

Welke vorm van macht wordt geassocieerd met charismatisch leiderschap (charismatic leadership)?

  1. Informatiemacht (information power)

  2. Referentiemacht (referent power)

  3. Expertmacht (expert power)

Vraag 10

Merel wil haar collega's vragen om gebruik te maken van gerecyclede producten. Zij wil graag dat haar collega's zich identificeren met haar verzoek en gemotiveerd zijn om gerecyclede producten te gaan gebruiken. Welke twee beïnvloedingstactieken (influence tactics) kan Merel het beste gebruiken?

  1. Informatiecontrole (information control) en stille autoriteit (silent authority)

  2. Overreding (persuasion) en uitwisseling (exchange)

  3. Impressiemanagement (impression management) en opwaarts appel (upward appeal)

Vraag 11

Een mechanistische organisatiestructuur past het beste bij een technologie die wordt gekenmerkt door een:

  1. Hoge variabiliteit (variability) en een lage analyseerbaarheid (analyzability)

  2. Lage variabiliteit (variability) en een hoge analyseerbaarheid (analyzability)

  3. Lage variabiliteit (variability) en een lage analyseerbaarheid (analyzability)

Vraag 12

Bij welke beïnvloedingstactiek wordt actief gebruikt gemaakt van zowel legitieme macht (legitimate power) als bestraffingsmacht (coercive power)?

  1. Opwaarts appel (upward appeal)

  2. Stille autoriteit (silent authority)

  3. Assertiviteit (assertiveness)

Vraag 13

Wat zijn de kenmerken van een mechanistische organisatiestructuur?

  1. Een nauwe controlespan (narrow span of control) een hoge mate van formalisering (high degree of formalization) en een hoge mate van centralisatie (high degree of centralization)

  2. Een wijde controlespan (wide span of control) een hoge mate van formalisering (high degree of formalization) en een hoge mate van centralisatie (high degree of centralization)

  3. Een nauwe controlespan (narrow span of control) een lage mate van formalisering (low degree of formalization) en een hoge mate van centralisatie (high degree of centralization)

Vraag 14

Deze vraag betreft de oefening:
Wanneer twee vrienden samen eigenaar zijn van een organisatie en er ontstaat een conflict over, dan gaat dat waarschijnlijk over:

  1. Cooperatieconflict en constructief conflict (cooperation conflict and constructive conflict)

  2. Taakconflict en relatieconflict (task-related conflict and relationship conflict)

  3. Win-win oriëntatie en onintentioneel conflict (win-win orientation and unintended conflict)

Vraag 15

Er bestaan diverse structurele benaderingen van conflictmanagement. Een van deze benaderingen is de conflicterende partijen meer de gelegenheid bieden om met elkaar te communiceren en elkaar te begrijpen. Deze benadering is vooral effectief wanneer er sprake is van een:

  1. Sterke behoefte om gezichtsverlies te vermijden en harmonie te handhaven

  2. Sterke mate van differentiatie tussen de conflicterende partijen

  3. Individualistische cultuur

Vraag 16

Deze vraag betreft de oefening:
De twee eigenaren van de boekwinkel/bakkerij in de oefening 'Partnership' hadden een conflict. Over wat voor conflict ging het hier?

  1. Intergroeps conflict (intergroup conflict)

  2. Interpersoonlijk conflict (interpersonal conflict)

  3. Interorganisationeel conflict (interorganizational conflict)

Vraag 17

In welke situatie is het aan te raden om dwang (forcing) als interpersoonlijke conflict managementstijl (interpersonal conflict management style) te gebruiken?

  1. Wanneer je weet dat je gelijk hebt en het conflict snel opgelost moet worden

  2. Als onderhandelen meer kosten heeft dan de voordelen van het oplossen van een conflict

  3. Wanneer je de kans op een relatieconflict (relationship conflict) wil verkleinen

Vraag 18

De situationele leiderschapstheorie (SLT) van Hersey en Blanchard veronderstelt dat:

  1. Effectieve leiders hun stijl van leidinggeven aanpassen aan de gereedheid (readiness) van de ondergeschikten

  2. Prestatie-georiënteerd (achievement-oriented) leiderschap het beste past bij werknemers die veel vaardigheden en ervaring hebben en beschikken over een interne attributiestijl (locus of control)

  3. Leiders het effectiefst functioneren wanneer leidinggevende-ondergeschikte relaties (leader-member relations) goed zijn, er een hoge taakstructuur (task structure) bestaat en de positiemacht (position power) van de leider sterk is

Vraag 19

Wat is géén hoofdreden waarom mensen weerstand bieden tegen verandering?

  1. Openheid voor ervaring (openness to experience)

  2. Directe kosten (direct costs)

  3. Angst voor het onbekende (fear of the unknown)

Vraag 20

In het boek worden zes strategieën genoemd om weerstand tegen organisatieverandering bij werknemers te minimaliseren. Een vorbeeld van de strategie werknemersbetrokkenheid (employee involvement) is dat een organisatie:

  1. Haar werknemers trainingen aanbiedt om te leren omgaan met de nieuwe technologieën die geïmplementeerd zullen worden in de organisatie

  2. Cross-functionele teams samenstelt en hen de opdracht geeft om met aanbevelingen te komen over manieren waarop de organisatie marktleider kan worden

  3. Haar werknemers baanzekerheid verschaft in ruil voor striktere regels aangaande de werktijden

Vraag 21

Bij welke theorie over leiderschap horen de begrippen leider-volger relaties (leader-member relationships), taakstructuur (task structure) en positiemacht (position power)?

  1. De path-goal leadership thoery

  2. Fiedler's contingency model

  3. De situational leadership theory (SLT)

Vraag 22

Een organische (organic) organisatiestructuur wordt gekenmerkt door een ___ mate van centralisatie (centralization) en een ___ span of control.

  1. Lage; smalle (narrow)

  2. Hoge; brede (wide)

  3. Lage; brede (wide)

Vraag 23

Organisatiecultuur bevat drie elementen. Rituelen en organisatietaal (rituals and organizational language) maken deel uit van:

  1. Gedeelde waarden (shared values)

  2. Gedeelde aannames (shared assumptions)

  3. Artefacten (artefacts)

Vraag 24

Voor-waar-aangenomen (taken-for-granted) waarnemingen of overtuigingen, mentale modellen en ideeën zijn een verwijzing naar het begrip:

  1. Gedeelde aannames (shared assumptions)

  2. Gedeelde waarden (shared values)

  3. Artefacten (artefacts)

Vraag 25

Een nauwe (narrow) span of control past beter bij:

  1. Een platte (flat) organisatiestructuur dan bij een hoge (tall) organisatiestructuur

  2. Routinetaken dan bij nieuwe taken

  3. Banen met een hoge onderlinge afhankelijkheid (high interdependence) tussen werknemers dan bij banen met een lage onafhankelijkheid (low interdependence)

Vraag 26

Bij conflicten tussen twee partijen is het mogelijk dat een derde partij uitkomst biedt in het oplossen van het conflict (third-party conflict resolution). Bij welk soort interventie heeft de derde partij een hoge mate van beslissingscontrole (decision control) en een lage mate van procescontrole (proces control)?

  1. Arbitrage (arbitration)

  2. Inquisitie (inquisition)

  3. Mediatie (mediation)

Vraag 27

Een kolenhandel uit het oosten van het land wil een organisatieverandering doorvoeren en praat hiertoe met diverse werknemers van een collega-kolenhandel uit het westen van het land om erachter te komen waar hun fundamentele krachten liggen. In welke fase van het Four D model van waarderend onderzoek (appreciative inquiry) bevindt de kolenhandel uit het oosten zich?

  1. Ontdekken (discovery)

  2. Ontwerpen (designing)

  3. Diagnosticeren (diagnosing)

Vraag 28

Wat is potentieel de sterkste vorm van vertrouwen in teams (team trust)?

  1. Op kennis gebaseerd vertrouwen (knowledge-based trust)

  2. Op identificatie gebaseerd vertrouwen (identification-based trust)

  3. Op berekening gebaseerd vertrouwen (calculus-based trust)

Vraag 29

Bakker Jongman neemt bakker Nieuwenhuis over. Beide bakkers hebben een verschillende organisatiecultuur. Bakker Nieuwenhuis heeft een zwakke disfunctionele organisatiecultuur, is zich hiervan bewust en staat open voor andere culturele waarden. Bakker Jongman heeft een sterke organisatiecultuur die in lijn ligt met de externe omgeving. Welke strategie voor het samenvoegen van verschillende organisatieculturen werkt in dit geval het best?

  1. Integratie (integration)

  2. Assimilatie (assimilation)

  3. Deculturatie (deculturation)

Vraag 30

Werkactiviteiten kunnen worden gecoördineerd met behulp van standaardisatie. Wat is geen vorm van standaardisatie?

  1. Processtandaardisatie (standardized processes)

  2. Motivatiestandaardisatie (standardized motivation)

  3. Vaardighedenstandaardisatie (standardized skills)

Vraag 31

Onder welke omstandigheden is een homogene samenstelling van een team (homogeneous team) gunstig? Bij een taak:

  1. Die complex van aard is

  2. Die een innovatieve oplossing vereist

  3. Waarbij een hoge mate van samenwerking en coördinatie nodig is.

Vraag 32

Welke van de volgende beweringen over de drijvende krachten (driving forces) uit Lewin's Force Field Analysis Model is niet waar? Drijvende krachten:

  1. Kunnen de weerstand tegen verandering vergroten

  2. Kunnen zowel extern (external) als intern (internal) zijn

  3. Handhaven de status quo

Vraag 33

Een sterke bedrijfscultuur kan in potentie het succes van een bedrijf laten toenemen door drie belangrijke functies te vervullen, namelijk dat van:

  1. Controle systeem (control system), sociaal bindmiddel (social glue) en vertrouwen (trusting)

  2. Controle systeem (control system), sociaal bindmiddel (social glue) en betekenisgeving (sense making)

  3. Controle systeem (control system), vertrouwen (trusting) en betekenisgeving (sense making)

Vraag 34

In de norming fase van teamontwikkeling:

  1. Worden rollen vastgesteld (roles established) en ontwikkelt de cohesie zich (cohesion develops)

  2. Wordt de waarde van lidmaatschap geëvalueerd (evaluate value of membership) en worden gedragsgrenzen getest (test boundaries of behavior)

  3. Is er een efficiënte coördinatie (efficient coordination) en veel samenwerking en vertrouwen (high cooperation and trust)

Antwoorden

1. C

Zie hoofdstuk 8

2. C

Zie hoofdstuk 9

3. A

Zie hoofdstuk 9

4. B

Zie hoofdstuk 9

5. C

Zie hoofdstuk 8

6. A

Zie hoofdstuk 8

7. A

Zie hoofdstuk 10

8. C

Zie hoofdstuk 10

9. B

Zie hoofdstuk 10

10. B

Zie hoofdstuk 10

11. B

Zie hoofdstuk 13

12. C

Zie hoofdstuk 10

13. A

Zie hoofdstuk 13

14. B

Zie de oefening

15. C

Zie hoofdstuk 11

16. B

Zie de oefening

17. A

Zie hoofdstuk 11

18. A

Zie hoofdstuk 12

19. A

Zie hoofdstuk 15

20. B

Zie hoofdstuk 15

21. B

Zie hoofdstuk 12

22. C

Zie hoofdstuk 13

23. C

Zie hoofdstuk 14

24. A

Zie hoofdstuk 14

25. C

Zie hoofdstuk 13

26. A

Zie hoofdstuk 11

27. A

Zie hoofdstuk 15

28. B

Zie hoofdstuk 8

29. B

Zie hoofdstuk 14

30. B

Zie hoofdstuk 13

31. C

Zie hoofdstuk 8

32. C

Zie hoofdstuk 15

33. B

Zie hoofdstuk 14

34. A

Zie hoofdstuk 8

 

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries
Check more: study fields and working areas
Check more: study fields and working areas
Check more: institutions, jobs and organizations

Image

Share: this page!
Follow: Vintage Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2470 1
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector