Overeenkomsten tussen somatische-symptoomstoornis en verwante stoornissen & dissociatieve stoornissen zijn dat de stoornissen worden ontwikkeld om iets wat erg is niet te hoeven ervaren d.m.v. afweermechanismen en overlevingsstrategieën.
Somatische symptoom stoornis: lichamelijke klachten die gepaard gaan met lijdensdruk en beperkingen in het dagelijks functioneren. Het zijn onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten.
Stappen van diagnostiek
- Uitsluiten lichamelijke oorzaak als verklaring (soms is er wel een lichamelijke klacht aanwezig, maar verklaart dit de symptomen onvoldoende).
- Het onderscheiden van medische verklaarde en medisch onvoldoende verklaarde klachten.
- Kijken of de klachten een uiting zijn van psychiatrische klachten
- Brede exploratie van klachten
Biopsychosociaal model voor diagnostiek: kijken naar voorbeschikkende factoren, uitlokkende factoren en onderhoudende factoren.
Diagnoses volgens DSM-5 voor somatoforme stoornissen:
Somatisch-symptoomstoornis: leven draait om ziekterol, ernstige klachten, voornamelijk pijn. Komt 2x zo vaak bij vrouwen voor. Behandeling is moeilijk.
Ziekteangststoornis: hypochondrie, preoccupatie met het hebben of krijgen van ernstige ziekte maar lichamelijke klachten zijn niet aanwezig.
Conversiestoornis: functioneel-neurologisch-symptoomstoornis, symptomen van veranderingen in motorische of sensorische functies, terwijl uit klinisch onderzoek blijkt dat het symptoom niet past bij somatische/neurologische aandoening. Neurologisch onderzoek is essentieel! Vaak is er aanwijsbare stress, maar dit is niet nodig voor diagnose. Voorbeelden van behandeling zijn cognitieve gedragstherapie, hypnotherapie, trauma gerichte behandeling, etc.
Overige diagnoses zijn:
- Psychische factoren die somatische aandoeningen beïnvloeden
- Nagebootste stoornis
- Andere gespecificeerde somatisch-symptoomstoornis of verwante stoornis
- Ongespecificeerde somatisch-symptoomstoornis of verwante stoornis
Dissociatie is een verstoring van normale bewustzijn, waarneming oriëntatie en identiteit.
Symptomen van dissociatieve identiteitsstoornis zijn identiteitsverwarring, wisselen van identiteit, depersonalisatie, derealisatie en amnesie.
DSM-5 diagnoses voor dissociatieve stoornissen:
Dissociatieve amnesie: over het hele leven of een recente periode alles vergeten zijn, waaronder wie je bent. Kan veroorzaakt worden door stress. Selectieve amnesie komt vaker voor: amnesie voor specifieke gebeurtenissen, meestal traumatisch. Gaat vanzelf over. Er is ook een subtype met fugue (=vlucht), dit is geheugenverlies rond een specifieke gebeurtenis. Ze vinden zichzelf vaak terug op een andere plek en weten niet hoe ze er gekomen zijn.
Depersonalisatie-/derealisatiestoornis: sterke gevoelens van onwerkelijkheid die het normaal functioneren belemmeren.
Dissociatieve identiteitsstoornis: twee of meer identiteiten of persoonlijkheidstoestanden hebben die om de beurten controle hebben over het gedrag. Ook is er sprake van dissociatieve amnesie). Het is een gevolg van zeer ernstig trauma, begonnen voor het 7e levensjaar. Wordt behandeld met TAU (treatment as usual)
Overige diagnoses:
- Andere gespecificeerde dissociatieve stoornis
- Ongespecificeerde dissociatieve stoornis
Model van structurele dissociatie (ONP=ogenschijnlijk normale persoonlijkheidsdelen; EP = emotioneel persoonlijkheidsdeel):
Primaire structurele dissociatie: één ONP + één EP (hier moet 1 persoonlijkheidsdeel, 1 traumadeel ‘dragen’)
Secundair: één ONP + meerdere EP (hier moet één persoonlijkheidsdeel meerdere traumadelen ‘dragen’; deze vorm is het zwaarst)
Tertiair: meerdere ONP + meerdere EP (hier moeten meerdere persoonlijkheidsdelen meerdere traumadelen ‘dragen’; dit is dissociatieve identiteitsstoornis)
Kritiek op de behandelwijze TAU is dat het intensief is, een hoge drop-out rate heeft, de meesten niet verder komen dan fase 1 (dus geen volledige integratie), het van lange duur is en er vrijwel geen onderzoek is naar de effectiviteit ervan.
Er is geen biologisch bewijs voor inter-identiteit amnesie. Dit is onderzocht met expliciete en impliciete geheugentaken voor zowel neutraal materiaal, trauma-gerelateerd materiaal en autobiografisch materiaal.
Er is een nieuwe vorm van therapie in ontwikkeling, genaamd schema therapie. Hierbij wordt de aandacht gericht op de zelfbeleving en de verschillende manieren van zichzelf ervaren en beleven, met als doel de zelfbeleving dichter bij elkaar te brengen.
Er zijn twee modellen om dissociatieve stoornissen te verklaren:
Socio-cognitief model: suggestibele mensen, is niet perse trauma gerelateerd.
Trauma model: klachten worden veroorzaakt door ernstig trauma in de vroege kindertijd.
Als je deze aantekeningen handig vond, volg dan gelijk mijn WorldSupport account! Dit kan door rechts naast deze samenvatting op '+ Follow' te klikken. Wordt erg gewaardeerd :)