Samenvattingen per hoofdstuk bij de 2e druk van Social Psychology van Heinzen & Goodfriend

Samenvatting bij Social Psychology

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Wat is het belang van sociale psychologie? - Chapter 1

    Wat is het belang van sociale psychologie? - Chapter 1

    Wat houdt sociale psychologie in?

    Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie naar hoe mensen elkaars gedachten en gedrag beïnvloeden. Deze invloeden kunnen zowel opvallend zoals de opvoeding door ouders, als onopvallend zoals reclames op televisie zijn.

    Hoe is de sociale psychologie ontstaan?

    De eerste sociaal psychologen  wilden graag wetenschappelijke antwoorden vinden op vragen over de mensheid die ontstonden na de twee wereldoorlogen. Echter, de eerste sociaal psychologen komen uit het einde van de 19de eeuw. Dit was het moment waarop Wilhelm Wundt in Duitsland het eerste wetenschappelijke laboratorium opzette dat onderzoek deed naar menselijk gedrag. Een andere vooruitstrevend psycholoog uit Europa van dat moment was Sigmund Freud. In de Verenigde Staten stond de sociale psychologie op dat moment ook in de kinderschoenen. Hier werd echter vooral getest op dieren omdat hun gedrag makkelijker te observeren en te meten was.

    Tegenwoordig ligt de focus bij sociaal psychologen op moderne problemen zoals de opwarming van de aarde en online pestgedrag. Ook kijken ze naar positieve menselijke interacties zoals de liefde en samenwerking tussen vreemden. De studie naar menselijke kracht, positieve emoties en prestaties wordt positieve psychologie genoemd.

    Wat zijn de domeinen binnen de sociale psychologie?

    De sociale psychologie kan opgedeeld worden in drie domeinen:

    • Sociaal denken: dit domein gaat over hoe een individu zichzelf en anderen beschrijft.
    • Sociale invloed: dit domein gaat over conformiteit, vooroordelen en overtuiging.
    • Sociaal gedrag: dit domein focust op sociaal gedrag tussen mensen.

    Sociale psychologie moet echter niet door elkaar gehaald worden met vergelijkbare disciplines. Zo gaat sociologie over de studie van de maatschappij en sociaal gedrag op groepsniveau. Antropologie is de studie van cultuur en menselijk gedrag door de tijd. Tot slot helpt de klinische psychologie mensen met stoornissen of ander problematisch gedrag.

    Hoe kan de formule van Lewin toegepast worden in de sociale psychologie?

    Kurt Lewin benadrukte het belang van actieonderzoek. Dat is het gebruik van wetenschappelijke principes om sociale problemen op te lossen in de maatschappij. Hierbij bedacht hij de formule B = ƒ(P, E). Het houdt in dat al het menselijk gedrag (B) een functie (ƒ) is van zowel het individu (P) als de directe omgeving (E). Zijn kijk op menselijk gedrag heeft tot de dag van vandaag nog een grote invloed op sociale psychologie.

    Wat is het belang van diversiteit?

    Diversiteit is essentieel om een compleet beeld te krijgen van menselijk gedrag. Robert Guthrie kwam hiervoor met het idee van de intersectionaliteitstheorie. Dit is de studie van hoe verschillende identiteitsfactoren zoals afkomst en geslacht gecombineerd worden tot hoe iemand gezien en behandeld wordt door anderen. Deze theorie toont aan dat elk individu verschillend behandeld wordt op basis van hun unieke combinatie van identiteitsfactoren.

    Wat zijn de hoofdvragen die sociaalpsychologen willen beantwoorden?

    Na de twee wereldoorlogen is sociale psychologie opgesplitst in twee delen. Het eerste deel gaat om het begrip van hoe gedachten, gevoelens en gedrag van iemand beïnvloed wordt door anderen. Het tweede deel gaat om het toepassen van deze inzichten op sociale problemen. Hieruit volgen zes hoofdvragen:

    • Is gedrag gevormd door nature of nurture? Deze vraag gaat over welk deel van menselijk gedrag toe te wijden is aan biologische factoren (nature) en welk deel aan omgevingsfactoren (nurture). Sommige psychologen noemen dit debat een valse dichotomie. Dat wil zeggen dat er wellicht meerdere antwoorden zijn op dit probleem dan deze twee opties.
    • Hoe kunnen we uitleggen dat goede mensen slechte dingen doen en andersom?
    • Hoe denkt de mens?
    • Waarom leven mensen in groepen?
    • Waarom bestaan stereotypen en vooroordelen en waarom blijven ze voortbestaan?
    • Is wetenschap de beste manier om te leren over sociaal gedrag? In de afgelopen eeuw is aan het licht gekomen dat er een replicatiecrisis aanwezig is in de psychologie. De resultaten van bepaalde studies kunnen niet gerepliceerd worden waardoor de resultaten van de originele studie in twijfel getrokken worden. Een valse positieve (of een type I fout) is een fout waarbij er een significant resultaat gevonden is, terwijl het in werkelijkheid niet bestaat. Dit is vaak het geval bij de replicatiecrisis. Gelukkig proberen sociaal psychologen afgelopen tijd dit probleem onder controle te krijgen door replicatiestudies en peer reviews aan te moedigen.

    Hoe kan je sociale psychologie toepassen in je eigen leven?

    Alle informatie uit de sociale psychologie kan ook gebruikt worden in je persoonlijke leven. Alle onderwerpen zijn relevant voor het dagelijks leven en zijn voor iedereen herkenbaar. Hierdoor zal de informatie ook interessanter worden en zal het makkelijker te onthouden zijn.

    Access: 
    Public
    Welke onderzoeksmethoden worden gebruikt in de sociale psychologie? - Chapter 2

    Welke onderzoeksmethoden worden gebruikt in de sociale psychologie? - Chapter 2

    Sociaal psychologen bestuderen constructen. Dat zijn theoretische ideeën als attituden en persoonlijkheid die onzichtbaar zijn en daarom ook moeilijk te meetbaar. 

    Hoe ontwerpen sociaal psychologen onderzoeken?

    Algemene wetenschap is onderzoek naar het begrip en de theorie van de psychologie. Het tracht sociaal gedrag te voorspellen. Aan de andere kant zorgt toegepaste wetenschap er voor dat deze theorie vertaalt wordt naar oplossingen voor problemen. Beide vormen zijn belangrijk om sociale problemen op te lossen.

    Wat houdt de wetenschappelijke methode in?

    De wetenschappelijke methode is een systematische manier om nieuwe kennis te creëren door de volgende stappen te volgen:

    1. Het observeren van een patroon in gedrag
    2. Het opstellen van een hypothese. Een hypothese is een stelling over de verwachte uitkomst van het onderzoek.
    3. Het toetsen van de hypothese door het observeren van mensen, experimenten uitvoeren en meer.
    4. Het interpreteren van de resultaten en het herformuleren van de hypothesen. Na de interpretatie van de resultaten kan het namelijk mogelijk zijn dat de hypothesen aangepast moeten worden. Dan kan het proces opnieuw gestart worden.

    Deze fases zijn allemaal met elkaar verbonden en tijdens het onderzoeksproces kan er vrij genavigeerd worden tussen de stappen.

    Wat is het doel van een beschrijvend ontwerp en een vragenlijst?

    Onderzoek begint vaak met een beschrijvend ontwerp. Dit ontwerp omschrijft, beschrijft en verheldert patronen die natuurlijk voorkomen. Op geen enkele manier zal de onderzoeker dus ingrijpen in de natuurlijke setting.

    Het eerste ontwerp bestaat uit archiefgegevens. Deze gegevens bestaan uit opgeslagen data die oorspronkelijk voor een andere reden zijn verzameld dan voor onderzoek en die later wel nuttig kan zijn om te gebruiken tijdens onderzoek. Dit kunnen bijvoorbeeld cijfers van studenten zijn of schermtijd van tieners.

    Het tweede ontwerp is natuurlijke observaties. Hierbij kijkt de onderzoek naar andermans gedrag en houdt dit systematisch bij. Het gaat hier om natuurlijk gedrag dat ook voorgekomen zou zijn als de onderzoeker niet aanwezig was. Echter, soms passen mensen hun gedrag aan als ze weten dat ze geobserveerd worden. Dit wordt reactiviteit genoemd. Om dit probleem op te lossen kan een onderzoeken undercover gaan en doen alsof hij onderdeel is van de natuurlijke omgeving. In dat geval wordt er gesproken van deelnemersobservatie.

    Het derde en laatste ontwerp is de beschrijvende vragenlijst. Dit is vaak de makkelijkste manier van dataverzameling. Deze vragenlijsten bevatten vaak zelfrapportageschalen waarop de participant informatie moet geven over zichzelf door middel van het beantwoorden van verschillende vragen over hetzelfde thema. Het probleem met vragenlijsten is echter sociale wenselijkheid. Dit is de neiging van participanten om andere antwoorden te geven zodat anderen een beter beeld van hen krijgen.

    Waarom worden correlationele analyses gebruikt?

    Een correlationele analyse is een statistische toets om te testen of twee continue variabelen systematisch geassocieerd zijn met elkaar. Door middel van deze toets kan een onderzoek controleren of de correlatie tussen twee constructen statistisch gezien significant is. Bij een positieve correlatie bewegen beide variabelen in dezelfde richting. Als de ene toeneemt, zal de andere variabele ook toenemen. Daartegenover staat de negatieve correlatie. Hierbij zal de ene variabele afnemen als de andere toeneemt. Ze bewegen dus in tegengestelde richting.

    Soms kan de correlatie tussen twee variabelen verklaard worden met behulp van een derde variabele. Deze derde factor correleert zowel met de eerste als met de derde variabele. Hierdoor staat een correlatie dus niet gelijk aan een oorzakelijk verband. Zelfs als er een oorzakelijk verband speelt tussen de twee variabelen weet je nog niet welke van de twee de oorzaak is en welke het gevolg.

    Hoe worden experimenten toegepast in de sociale psychologie?

    Experimenteel onderzoek bestaat uit pre-experimentele ontwerpen , quasi-experimenten en echte experimenten.

    Wat zijn pre-experimentele ontwerpen?

    Tijdens een pre-experiment wordt één enkele groep van mensen getest om te kijken of een bepaalde ervaring of behandeling effect heeft. Met dit type experiment zijn er geen verschillen tussen mensen wat het een vrij eerlijk en onbevooroordeelde test maakt. Hierdoor is het wel lastig om de gevonden verschillen toe te kunnen schrijven aan de onderzochte variabele en niet aan andere externe factoren.

    Wat zijn quasi-experimenten?

    Tijdens een quasi-experiment worden natuurlijke resultaten van verschillende groepen vergeleken. Dit ontwerp is vooral handig om zeer verschillende groepen te vergelijken, maar het is wel beperkt in hoeverre het kan controleren op de aanwijzigheid van alternatieve verklaringen. Alternatieve verklaringen worden ook wel storende variabelen genoemd.

    Wat zijn echte experimenten?

    Een echt experiment is een onderzoeksontwerp waarbij twee of meer groepen vergeleken worden die zijn ontstaan door willekeurige indeling. Dit experiment kost de meeste moeite en tijd, omdat de groepen nog gemaakt moeten worden door de onderzoeker. De groepen zijn gelijk in elk opzicht, alleen verschillen ze op de factor die de onderzoeker onderzoekt. Het grootste voordeel van dit ontwerp is dat de onderzoeker controleert op derde variabelen.

    Een echt experiment bestaat dus uit twee variabelen. De onafhankelijke variabele is degene die gemanipuleerd wordt tijdens het onderzoek om het effect te kunnen achterhalen. Daartegenover staat de afhankelijke variabele, dit is de gemeten uitkomst op het einde van het experiment en is de variabele die beïnvloed wordt door de onafhankelijke variabele.

    Een onderzoek kan ook een controlegroep bevatten. Dit is een groep participanten die neutraal is, oftewel die geen behandeling ontvangt tijdens het experiment.

    Hoe kunnen resultaten van experimenten geanalyseerd worden?

    Na het verzamelen van de resultaten moet de onderzoeker controleren of zijn hypothesen verworpen of bevestigd worden.

    Hoe worden twee groepen vergeleken?

    Wanneer een onderzoek uit twee groepen bestaat kan een t-test worden gebruikt. Dit is een statistische toets die het gemiddelde en de standaarddeviatie van twee groepen vergelijkt om te kijken of ze significant van elkaar verschillen. Om deze toets te mogen gebruiken moet de steekproef willekeurig en groot genoeg zijn, zodat het representatief is voor de bevolking.

    Hoe worden drie of meer groepen vergeleken?

    Als er meer dan twee groepen gebruikt worden in een onderzoek, wordt er gebruikt gemaakt van een andere statistische toets. Hierbij wordt een analyse van variantie (ANOVA) gebruikt. Deze toets vergelijkt de gemiddelden en standaarddeviaties van drie of meer groepen om te kijken of ze significant van elkaar verschillen.

    Hoe wordt de betrouwbaarheid van onderzoek getest?

    Om te controleren of onderzoek betrouwbaar en aannemelijk is wordt er gekeken naar verschillende factoren als validiteit, ethische richtlijnen en ‘open wetenschap’.

    Hoe wordt betrouwbaarheid, validiteit en randomiseren gebruikt om te controleren of onderzoek betrouwbaar is?

    Betrouwbaarheid is de nauwkeurigheid van een instrument, zowel door de tijd als op verschillende testmanieren. Onderzoek is betrouwbaar als vergelijkbare resultaten worden gevonden op verschillende momenten en plekken. Een andere factor om te controleren of onderzoek goed is, is door te kijken naar de validiteit. De validiteit van een onderzoek is in hoeverre een instrument meet wat het beoogt te meten. Er zijn verschillende soorten validiteit:

    • Interne validiteit: dit is het niveau van zekerheid die onderzoekers hebben dat de patronen uit hun data komen door wat er getest wordt en niet door bijvoorbeeld fouten in de onderzoeksopzet.
    • Constructvaliditeit: dit is in hoeverre toetsen die zijn gekozen voor een onderzoek ook daadwerkelijk meten wat ze moeten meten.
    • Externe validiteit: dit is de mate waarin resultaten van een enkel onderzoek toegepast kunnen worden op andere settings of andere mensen. Dit wordt ook wel generaliseerbaarheid genoemd. Om de externe validiteit toe te laten nemen, kan een onderzoeker gebruik maken van random steekproeven. Bij deze techniek wordt er een random steekproef getrokken van een kleiner groepje uit een grotere populatie.

    Wat is het belang van ethiek in psychologisch onderzoek?

    Psychologie betreft gevoelige onderwerpen. Daarom moeten psychologen zorgvuldig omgaan met de data die ze hebben verzameld tijdens onderzoek. De institutional review boards (IRBs) zijn comités van mensen die de ethische implicaties van een onderzoek controleren voordat het onderzoek uitgevoerd mag worden. Op deze manier is er toezicht op hoe onderzoek veilig uitgevoerd kan worden. Er zijn ook specifieke richtlijnen opgesteld voor onderzoek in psychologie. Deze zijn mede door de IRBs opgesteld, maar ook door de ‘American Pscyhological Association’ (APA). Dit is een organisatie bestaande uit professionele psychologen die de ethische standaarden van onderzoek mogen bepalen. De belangrijkste rechten van onderzoeksparticipanten zijn volgens de APA:

    • Informed consent: een deelnemer moet altijd voorafgaand aan het onderzoek geïnformeerd worden over wat er gebeurt tijdens het onderzoek en de gevaren ervan.
    • Misleiding: een deelnemer heeft het recht om te weten waar het onderzoek over gaat in hoeverre dat mogelijk is. Bij sommige onderzoeken wordt er gebruik gemaakt van misleiding en kan het onderzoek juist verstoord worden als de deelnemer te veel weet.
    • Debriefing (nabespreking): na een onderzoek heeft de participant het recht om alle overige informatie over het onderzoek te krijgen, vooral als er sprake is van misleiding.
    • Het recht om zich terug te trekken: deelnemers kunnen op elk moment van het onderzoek vanwege elke reden stoppen met het onderzoek.

    Hoe heeft de ‘open science’ beweging ethiek beïnvloed in psychologisch onderzoek?

    Open science is een beweging die is gestart om de wetenschap transparanter, coöperatiever, eerlijker en makkelijker reproduceerbaar te maken. Op deze manier zorgt de ethiek ervoor dat de replicatiecrisis overwonnen kan worden. Dit wordt gedaan door:

    • Preregistratie: voor het starten van een onderzoek moet een onderzoeker zijn hypothesen, methode en statistisch plan vastleggen.
    • Resultaatblind peer review: door experts te vragen of zij een onderzoek kunnen beoordelen op de waarde en kwaliteit voorafgaand aan de dataverzameling zal de betrouwbaarheid ook toenemen.
    • Publicatiebadges: dit zijn symbolen die aangeven of een onderzoek onderdeel is van de ‘open science’ beweging.
    Access: 
    Public
    Wat beschrijft de sociale zelf? - Chapter 3

    Wat beschrijft de sociale zelf? - Chapter 3

    Hoe zien mensen de ‘zelf’?

    Er is een aanhoudende discussie over wanneer het moment is dat mensen zelfbewust worden. Is dat op het moment dat de navelstreng doorgeknipt wordt en iemand zelfstandig begint te leven? Of is dat het moment waarop iemand bewust dingen gaat onthouden? De wetenschappelijke uitdaging van nu is het ontwikkelen van een manier om uit te vinden wanneer men zelfbewust wordt. Zelfbewustzijn kan gedefinieerd worden als het begrip dat iemand een individuele entiteit is, losstaand van andere mensen of objecten in de wereld. Dit wordt ook wel zelfherkenning genoemd.

    Hoe is zelfbewustzijn bestudeerd over de jaren?

    Darwin was de eerste om zelfbewustzijn te ontdekken door middel van natuurlijke observaties. Deze voerde hij uit op zijn eigen zoon. Zijn focus lag op imitatie als een teken van zelfbewustzijn. Imitatie wordt tot de dag van vandaag gezien als een kernelement van zelfbewustzijn.

    In 1968 is de spiegelzelfherkenningstest bedacht. Bij deze test wordt er een stip gezet op het voorhoofd van een dier. Vervolgens wordt het dier voor een spiegel gezet om te zien of het dier de stip aanraakt. Doet hij dat, dan is er dus een vorm van zelfbewustzijn aanwezig.

    Hoe kan het zelfconcept en de sociale-vergelijkingstheorie gebruikt worden om uit te vinden wie je bent?

    Het zelfconcept is de persoonlijke samenvatting van wie je bent, inclusief alle positieve en negatieve kwaliteiten, relaties en groepslidmaatschappen. Dit concept wordt gevormd door middel van schema’s: mentale structuren die kunnen helpen met het samenvatten en organiseren van hoe de wereld waargenomen wordt. Hieruit volgt dat zelfschema’s dus mentale structuren zijn die helpen met het samenvatten en organiseren van hoe persoonlijk relevante informatie opgenomen wordt.

    De sociale-vergelijkingstheorie is een theorie over hoe mensen oordelen wie ze zijn en hoe ze hun eigen gedachten en gedrag vergelijken met die van anderen. Deze theorie komt vooral van pas bij abstracte concepten zoals angst of rijkdom. Het eerste type is opwaartse sociale vergelijking. Hierbij vergelijkt iemand zichzelf met iemand die beter dan hij is in een bepaalde kwaliteit, vaak om zo zelf te verbeteren. Het tweede type is neerwaartse sociale vergelijking. Dit wordt gebruikt om iemand zich beter te laten voelen over zichzelf door zichzelf te vergelijken met iemand die slechter is in een bepaalde kwaliteit. De verschillende effecten die de types kunnen hebben benadrukken het belang van hoe mensen informatie verwerken en beoordelen. Er zijn vier factoren die invloed hebben op hoe sociale vergelijking subjectieve informatieverwerking beïnvloedt, bedacht door de W.I.D.E. guide to social comparisons:

    • Wie: het vergelijken van zichzelf met vergelijkbare anderen.
    • Interpretatie: hoe sociale vergelijking geïnterpreteerd wordt, heeft een invloed het zelfconcept.
    • Richting: de richting van de sociale vergelijking heeft ook invloed op het zelfconcept.
    • Eigenwaarde: door het gebruik van neerwaartse sociale vergelijking kan iemand zijn eigen waarde beschermen en daarmee zijn zelfconcept.

    Tajfel, een sociaal psycholoog, kwam met de sociale identiteitstheorie. Hij stelde dat de zelf bestaat uit twee categorieën. De eerste categorie zijn persoonlijke eigenschappen en de tweede zijn sociale eigenschappen. Die tweede categorie wordt gevormd door verschillende groepen:

    • Groepslidmaatschappen
    • Culturele verwachtingen: dit wordt voornamelijk duidelijk op het moment dat iemand zijn eigen cultuur verlaat en een nieuwe instapt.
    • Invididualisme en collectivisme: in westerse culturen ligt de focus op de onafhankelijke zelf en daarmee op onafhankelijke behoeften. In Oosterse culturen ligt de nadruk juist op de onderling afhankelijke behoeften zoals die van groepen en families. Daarom zijn deze culturen collectivistisch.
    • Het huwelijk

    Hoe weet iemand of de zelf sociaal is?

    Wat is de zelfperceptietheorie?

    De zelfperceptietheorie stelt dat de vraag ‘Wie ben ik?’ beantwoord kan worden door het eigen gedrag te observeren en daaruit conclusies te trekken. Door naar je eigen gedrag te kijken kan je patronen vinden in je voorkeuren en worden je normen en waarden zichtbaar.

    Wat is de zelfdiscrepantietheorie?

    De zelfdiscrepantietheorie is van toepassing wanneer er een mismatch ontstaat tussen iemand zijn werkelijke, ideale en verwachte zelf. De werkelijke zelf is wie iemand op dit moment is. De ideale zelf is de persoon die diegene graag zou willen zijn of worden. de verwachte (ought) zelf is wat anderen denken of verwachten dat diegene is. Vaak probeert een persoon deze discrepanties op te lossen door ofwel het werkelijke zelf te veranderen of door het beeld over het zelf aan te passen.

    Wat is de zelfexpansietheorie?

    De zelfexpansietheorie betreft het idee dat je nauwe relaties kunt toevoegen aan je zelfconcept om op die manier te groeien. De talenten, middelen en kwaliteiten van die ander kan jou ook weer helpen groeien. Dit kan heel concreet, zoals samenwonen om de huur te delen, of juist meer abstract, zoals het motiveren van elkaar.

    Het toevoegen van een ander aan het zelfconcept kan gemeten worden met de Inclusion of the Other in the Self (IOS) Scale. Bij dit instrument moet de participant kiezen uit één van de zeven Venndiagrammen die het beste weergeeft in hoeverre de zelf en de ander overlapt.

    Wat is de zelfpresentatietheorie?

    De zelfpresentatietheorie is het idee dat iemand zichzelf strategisch presenteert zodat hij goed in de smaak valt bij anderen, zelfs als hiervoor gelogen moet worden. Dit gedrag komt voort uit de behoefte om erbij te horen die elk mens ervaart. Als je bewust je gedrag aanpast zodat anderen je mogen, wordt dit impressie management genoemd. Verschillende technieken van deze sociale manipulatie zijn:

    • Ingratiatie: dit is het geval wanneer iemand vleierij gebruikt om anderen te beïnvloeden.
    • Zelverbetering: dit is het geval wanneer iemand zijn eigen kunnen overdrijft om vorderingen te maken bij anderen.
    • Opvallende consumptie (conspicuous consumption): dit is het geval wanneer iemand veel merkproducten koopt om daarmee te kunnen laten zien hoe succesvol ze zijn.

    Tegenover deze sociale aanpassing staat juist laag zelf-monitoren. Dit is als mensen hun gedrag niet aanpassen afhankelijk van de situatie. Dit leidt vaak tot minder waardering van de mensen om je heen.

    Wat is een collectief gevoel van eigenwaarde?

    Een collectief gevoel van eigenwaarde (collective self-esteem) is de evaluatie van iemand zijn waarde van zijn sociale groepen. Groepslidmaatschappen zijn namelijk onderdeel van het zelf-concept. Als de collectieve eigenwaarde van een groep versterkt wordt door bijvoorbeeld een teamoverwinning ontstaat ‘basking in reflected glory’, afgekort tot BIRGing. Als een individu een positieve associatie met de groep ervaart voelt diegene zich sterker verbonden met de groep. In het geval van negatieve associaties zal het individu zich eerder distantiëren van de groep. Groepsloyaliteit neemt ook toe als er een duidelijke vijand is van de groep.

    Zijn we eerlijk over onszelf?

    Het perspectief dat iemand heeft over zichzelf is altijd bevooroordeeld en subjectief. Aangezien dit perspectief gemaakt is door degene over wie het gaat, wordt het vaak wat positiever afgeschilderd dan het in werkelijkheid is.

    Hoe kunnen positieve illusies gunstig zijn?

    Lichte vervormingen van de realiteit en ideeën over het zelf kan zorgen voor een hoger psychologisch welzijn. Dit fenomeen staat bekend als de margetheorie, bedacht door Baumeister in 1989. Teveel vervorming kan echter wel voor problemen zorgen, zoals lichaamsbeeldstoornissen.

    Dus in plaats van de waarheid profiteert men van positieve illusies. Dit onrealistisch optimisme over de toekomst en een overdreven positieve kijk op het zelfconcept is gerelateerd aan verminderde angst en betere omgang met stress. Er zijn drie vormen van positieve illusies:

    • Het geloof dat je in je leven meer kan contoleren dan je in daadwerkelijkheid kunt (controle).
    • Een onrealistische optimistische kijk op de toekomst (optimisme).
    • Het ontdekken van de betekenis van belangrijke levensgebeurtenissen (betekenis).

    Een vierde positieve illusie, die voornamelijk zichtbaar is bij ouderen, is de subjectieve leeftijd. Hierbij denken en voelen mensen zich jonger dan ze daadwerkelijk zijn.

    Hoe kunnen zelfdienende cognitieve voordoordelen gunstig zijn?

    Zelfdienende cognitieve vooroordelen zijn mentale vervormingen die het zelfconcept versterken waardoor mensen beter lijken dan ze daadwerkelijk zijn. Deze vooroordelen kunnen gaan over eigenschappen of zelfperceptie. Hier gaat het beter-dan-gemiddeldeffect een rol spelen. Dit effect is een cognitief vooroordeel waarbij men gelooft beter te zijn dan de rest, terwijl het statistisch gezien onmogelijk is dat iedereen beter is dan gemiddeld. 

    De manier waarop mensen hun successen en mislukkingen uitleggen is ook vertekend. Vaak schrijven mensen hun successen toe aan hun eigen talenten terwijl ze hun mislukkingen toeschrijven aan externe factoren. Op dezelfde manier vinden mensen het makkelijker om positieve feedback aan te nemen dan negatieve feedback.

    Wat zijn de voor- en nadelen van het vergroten van eigenwaarde?

    Eigenwaarde is een subjectieve, persoonlijke evaluatie van iemand zijn zelfconcept en of ze tevreden zijn met wie ze zijn. Dit moet niet verward worden met vergelijkbare concepten:

    • Narcisisme: dit is overmatige eigenliefde gebaseerd op het verkeerde idee dat iemand specialer is dan de rest.
    • Zelfeffectiviteit: dit is de mate waarin iemand gelooft hoe makkelijk ze een taak kunnen volbrengen. Dit is vaak een positief iets.
    • Zelfcompassie: dit is een oriëntatie van iemand in tijden van pijn en lijden. In dit geval kan het herkennen en accepteren van iemand's eigen fouten helpen.

    Eigenwaarde kan op verschillende manier gemeten worden maar meestal wordt de Morris Rosenberg’s 10-item self-report measure gebruikt.

    Naast de voordelige effecten, kan het vergroten van eigenwaarde ook negatieve effecten hebben. Bijvoorbeeld als mensen beginnen te geloven dat ze veel beter zijn dan anderen. Uit een onderzoek onder medische studenten bleek dat negatieve feedback hun prestaties aanzienlijk meer verbeterde dan continue lof. 

    Eigenwaarde is dus geassocieerd met veel positieve eigenschappen en ervaringen, maar het is ook belangrijk om eerlijke feedback te geven en aan te nemen, om zo jezelf en anderen te kunnen verbeteren.

    Access: 
    Public
    Hoe denken mensen? - Chapter 4

    Hoe denken mensen? - Chapter 4

    Sociale cognitie is de manier waarop mensen sociale informatie verwerken.

    Waarom is het denken een duaal procesmodel?

    Als iemand een moeilijke keuze moet maken maakt diegene gebruik van duale verwerking. Dit houdt in dat logica gecombineerd wordt met intuïtie. Intuïtie is het vermogen om iets automatisch te weten. Het vereist dus maar weinig cognitief vermogen, wat handig is in plotselinge, gevaarlijke situaties. Het tegenovergestelde systeem is logica. Dit gaat over kennis verkregen door langzaam en systematisch denken. Dit kost meer mentale moeite en wordt dus alleen gebruikt waar nodig.

    Kahneman onderzocht de interactie tussen deze twee systemen. Intuïtie neemt meestal de leiding aangezien het brein een grens heeft voor de cognitieve belasting die hij aankan. De cognitieve belasting is de hoeveelheid informatie die iemand kan verwerken op hetzelfde moment. Verandering in cognitieve belasting laat zien dat de systemen elkaar continu afwisselen afhankelijk van de situatie.

    Hoe kunnen mentale structuren het sociale denken faciliteren?

    Door alle nieuwe technologie van de afgelopen jaren is er een informatie overload ontstaan, ook wel bekend als het TMI-probleem (too much information). Geheugen en mentale structuren kunnen dit probleem oplossen. Er zijn verschillende cognitieve kaders die kunnen helpen om sociale informatie te organiseren en te interpreteren:

    • Schema’s: dit zijn geheugenstructuren die automatisch de nieuw binnenkomende informatie interpreteert en daarbij de urgentie ervan bepaalt. Schema’s veranderen gedurende je hele leven, afhankelijk van de nieuwe informatie die je verzamelt over een bepaald onderwerp. Dankzij schema’s kan je associaties maken tussen nieuwe objecten die je tegenkomt en je voorkennis.
    • Scripts: dit is een andere mentale structuur die de verwachtingen van een sociale situatie vormt. Scripts helpen mensen door een nieuwe sociale situatie heen te komen.
    • Stereotypes: de laatste mentale structuur gaat ervan uit dat iedereen in een bepaalde groep dezelfde eigenschappen deelt waarbij individuele verschillen genegeerd worden. Door het gebruik van stereotypes kunnen mensen makkelijker grote hoeveelheden aan informatie onthouden, maar het zorgt ervoor ook voor dat de kans toeneemt dat mensen verkeerd beoordeeld worden.

    Op welke manieren is het duaal procesmodel gebrekkig?

    Er zijn twee onderliggende verklaringen voor chronische mentale fouten: het TMI-probleem en hoopvol denken.

    Hoe kan informatie overload leiden tot mentale fouten?

    Om mentale overload te voorkomen maakt men gebruik van mental shortcuts. Deze neiging om de cognitieve belasting te minimaliseren door middel van mental shortcuts wordt cognitive miser genoemd. Het brein bepaalt welke informatie belangrijk is en welke informatie overgeslagen kan worden. Bevredigen is het maken van een keuze die goed genoeg is om cognitieve overload te ontwijken. De meeste keuzes worden gemaakt met de minimale moeite die nodig is om een bevredigende keuze te maken. Aan de andere kant van het spectrum staat de maximalisator. Hierbij maakt iemand juist gebruik van een hoge cognitieve load om bij een keuze alle mogelijke opties langs te gaan. Bevredigers zijn over het algemeen gelukkiger dan maximalisatoren en hebben een hoger zelfvertrouwen.

    Hoe kan wensen leiden tot mentale fouten?

    Hoopvol denken betreft het geloof en de perceptie die niet in lijn zijn met de werkelijkheid. Soms houden mensen vast aan deze gedachten als een manier van omgaan met stress of rouw. Er zijn verschillende manieren waarop mensen meedoen aan hoopvol denken:

    • Contrafeitelijk denken is de neiging om alternatieve feiten of gebeurtenissen voor te stellen die tot een andere uitkomst zouden hebben geleid. Neerwaartse contrafeiten zijn ingebeelde uitkomsten die erger zijn dan de werkelijkheid. Dit kan vooral geruststellend zijn als er iets misgaat. Daarentegen zijn opwaartse contrafeiten verbeelde resultaten die beter zijn dan de werkelijkheid. In dit geval is het nuttig omdat het mensen kan helpen om van hun fouten te leren. Het is echter alleen nuttig als men enige controle over de zaak heeft en als soortgelijke situaties zich opnieuw zullen voordoen, anders heeft het geen zin.
    • Het optimisme vooroordeel is de onrealistische verwachting dat alles goed zal komen, ongeacht de omstandigheden. Deze vooringenomenheid is te vinden in bijna elk aspect van het dagelijks leven, zoals academische prestaties en romantische relaties.
    • De planningsfout is het ongerechtvaardigde vertrouwen dat het eigen project zal doorgaan zoals gepland, zelfs wanneer andere soortgelijke projecten van anderen dat niet zullen doen. Dit kan worden veroorzaakt door de optimisme-bias die vervolgens verandert in de planningsfout wanneer de kosten hoger uitvallen dan gepland. Gelukkig kan deze misvatting soms worden opgelost door menselijke creativiteit en vindingrijkheid.

    Kan je vertrouwen op je intuïtie?

    Intuïtie is het vermogen om dingen instinctief te begrijpen zonder bewust te redeneren. Niet alle mensen geloven in het belang van intuïtie, vooral wetenschappers niet. Zij werken met wat het principe van spaarzaamheid wordt genoemd. Dit is de neiging van mensen om de voorkeur te geven aan het eenvoudigste antwoord dat het meeste bewijs verklaart. Dus als intuïtie op die manier wordt uitgelegd, moet je eerst erkennen dat intuïtie mentale toegankelijkheid vereist. Dit is het gemak waarmee een idee in je opkomt, afhankelijk van priming, ervaring en heuristiek:

    • Priming: alle mentale associaties samen worden het semantisch netwerk genoemd. Deze zijn verbonden door gemeenschappelijke kenmerken. Priming is de initiële activering van een concept in dit semantische netwerk waardoor gerelateerde ideeën gemakkelijker in je hoofd kunnen opkomen. Als je een idee eenmaal primed, kun je er later gemakkelijker aan denken als vergelijkbare concepten worden genoemd.
    • Ervaring: door ervaring leren mensen nieuwe associaties en kunnen ze hun intuïtie finetunen. Soms kunnen mensen niet in woorden uitleggen waarom ze bepaalde dingen weten, maar door ervaring en bevestiging weten ze dat ze gelijk hebben.
    • Heuristiek: een algoritme is een systematische manier om naar een oplossing voor een probleem te zoeken, maar het is vaak traag. Om het proces te versnellen kun je mentale shortcuts gebruiken; heuristieken. De kans op fouten neemt echter ook toe met het gebruik van heuristieken over algoritmen. De verankering- en aanpassingsheuristiek is de neiging om zich te laten beïnvloeden door een startpunt bij het maken van numerieke gokken over iets, ongeacht of het startpunt betrouwbaar of realistisch is. Een andere heuristiek is de beschikbaarheidsheuristiek. Dit is de neiging om de frequentie van iets te overschatten op basis van hoe gemakkelijk het in je opkomt. De laatste heuristiek wordt de representativiteitsheuristiek genoemd. Dat is de neiging om beslissingen te nemen op basis van wat normaal lijkt, zelfs als dat statistisch onwaarschijnlijk is. De drie bovengenoemde heuristieken kunnen tegelijkertijd werken in dezelfde situatie.

    Hoe kunnen vooroordelen gedrag beïnvloeden?

    Zoals we eerder hebben gezien kun je niet volledig op intuïtie vertrouwen, maar het kan soms wel handig zijn om mentale shortcuts te maken. Deze snelkoppelingen kunnen echter ook tot negatieve uitkomsten leiden. Een valse verwachting wordt een vooroordeel (bias) genoemd:

    • Confirmation bias: de neiging om alleen informatie te onthouden en te zien die reeds bestaande overtuigingen bevestigt.
    • Hindsight bias: de neiging om te geloven dat men de uitkomst had kunnen voorspellen van iets dat al is gebeurd, maar pas nadat ze al weten wat er is gebeurd. Het is vergelijkbaar met het gevoel van 'het altijd al geweten te hebben’.
    • Negativiteitsbias: de neiging om negatieve informatie gemakkelijker te onthouden en te zien dan positieve informatie. Vanuit een evolutionair perspectief is het erg handig om alert te zijn in gevaarlijke, negatieve situaties.
    Access: 
    Public
    Hoe nemen mensen anderen waar? - Chapter 5

    Hoe nemen mensen anderen waar? - Chapter 5

    Hoe ontstaan eerste indrukken?

    Persoonsperceptie is de manier waarop mensen anderen waarnemen gebaseerd op hun eerste indruk en interpretaties van hun gedrag daarna. Deze veronderstellingen kunnen gebaseerd zijn op stereotypen en zijn daarom niet altijd juist.

    Hoe communiceren mensen non-verbaal?

    Non-verbale communicatie is de manier waarop mensen informatie naar elkaar signaleren door het gebruik van lichaamstaal, gezichtsuitdrukkingen en intonatie. Dit kan een toevoeging zijn op de verbale communicatie zoals praten of het kan een manier van communiceren op zichzelf zijn.

    De universaliteitshypothese stelt dat non-verbale gezichtsuitdrukkingen universeel zijn, ongeacht van cultuur. Dit is aangetoond door onderzoekers die de gezichtsuitdrukkingen van blinde mensen onderzochten. Zij uitten hun emoties op dezelfde manier als mensen die wel kunnen zien. Dit laat dus zien dat gezichtsuitdrukkingen niet aangeleerd zijn.

    Mensen kunnen ook hun gezichtsuitdrukkingen veranderen zonder die emotie te voelen. Op deze manier kunnen mensen anderen misleiden met non-verbale communicatie. De Duchenne-glimlach is een oprechte lach, heel anders dan een opgezette, neppe lach. De duping delight is een gezichtsuitdrukking die mensen laten zien als ze denken dat ze weg zijn gekomen met een leugen. Als anderen deze uitdrukking echter herkennen, is hij niet meer effectief. Een micro-expressie is een onvrijwillig ogenblik van emotionele eerlijkheid die mensen soms tonen zonder dat ze het willen of dat ze zich er bewust van zijn.

    Een cultureme is een cultuurspecifiek symbool dat een algemeen gedeeld idee of sociale impressies communiceert. Dit kunnen bijvoorbeeld inside jokes of religieuze symbolen zijn. De betekenis van een cultureme kan door de tijd heen veranderen.

    Hoe kunnen eerste indrukken verwachtingen creëren?

    Eerste indrukken zijn snel en makkelijk gemaakt, maar het effect dat ze hebben kan veel langer duren. Een van deze effecten is het halo-effect. Dit effect ontstaat als de gehele sociale indruk van een persoon gebaseerd is op één positieve eigenschap. Deze centrale eigenschap – een grote eigenschap van iemand die zorgt voor een uniforme indruk van de hele persoon – zorgt er vaak voor dat iemand beter of mooier lijkt dan hij in daadwerkelijkheid is. Halo-effecten worden daarom ook vaak ingezet in reclames.

    Vergelijkbaar met het halo-effect is het 'wat mooi is, is goed' effect. De naam zelf legt het effect eigenlijk al uit. Fysieke aantrekkelijkheid kan er dus voor zorgen dat iemand ook in andere aspecten van zijn leven gezien wordt als beter.

    Hoe zorgen verwachtingen voor self-fulfilling prophecies?

    Een self-fulfilling prophecy ontstaat wanneer verwachtingen zichzelf waar maken door de verandering in iemands gedrag op basis van die verwachting en hoe anderen daar weer op reageren. In dit geval bepalen de verwachtingen de gevolgen. Volgens recent onderzoek zijn self-fulfilling prophecies ook zichtbaar in het onderwijs waarbij leraren sommige leerlingen voortrekken. Doordat deze kinderen meer aandacht krijgen, zullen zij dus ook beter gaan presteren. Andere voorbeelden zijn de opvoeding van kinderen en prestaties in professionele sporten. Gelukkig neemt het effect van self-fulfilling prophecies af over de tijd en heeft het vaak maar een kleine invloed vergeleken met alle andere factoren die een rol kunnen spelen.

    Hoe verklaren mensen het gedrag van anderen?

    Hoe mensen mental shortcuts gebruiken om keuzes te maken, gebruiken zij ook mental shortcuts om conclusies te trekken over de manier waarop anderen zich op een gedragen.

    Wat is de attributietheorie?

    Het idee dat mensen het gedrag van anderen proberen te begrijpen door middel van verklaringen uit gezond verstand wordt de attributietheorie genoemd. Een attributie is de gok voor de oorzaak van andermans gedrag. Er zijn twee soorten attributies. Interne attributies zijn dispositionele, binnen-een-persoon verklaringen. Ze zijn onder iemand zijn controle en zijn bewuste keuzes. De andere soort zijn externe attributies. Deze attributies zijn situatie-afhankelijk, buiten-de-persoon verklaringen. Deze attributies liggen buiten iemand zijn controle over de situatie. Weiner bedacht drie stadia waarin attributies voor andermans gedrag ontstaan:

    1. We observeren andermans gedrag.
    2. We gaan ervan uit dat ze zich zo gedragen omdat ze het zo bedoelden.
    3. Als het lijkt alsof iemand geforceerd werd om zich op een bepaalde manier te gedragen is de attributie extern. Echter, als het lijkt alsof iemand zich vrijwillig zo heeft gedragen is de attributie intern. 

    Dus mensen geloven vaak dat successen het gevolg zijn van hun eigen kunnen (intern) en hun mislukkingen door externe factoren. De just-world hypothese is het idee dat mensen graag willen geloven in een eerlijke wereld waarin iedereen krijgt wat hij verdient, wat kan leiden tot incorrecte interne attributies voor andermans gedrag. Dit idee kan mensen geruststellen, omdat ze het gevoel hebben in een systematisch geordende wereld te leven. Het kan ook helpen om mensen beschermd te laten voelen tegen gevaar, omdat ze geloven dat ze goede mensen zijn en dat hen daarom niks slechts kan overkomen.

    Het geloven in een eerlijke wereld wordt vaak geassocieerd met de locus van controle. Dit is het geloof dat mensen controle hebben over hun eigen toekomst – de interne locus – of dat de toekomst overgelaten is aan het lot. Mensen met een externe locus van controle geloven dat de toekomst niet in hun eigen handen ligt, maar dat het bepaald wordt door het lot, geluk of door een hogere macht.

    Kelley kwam met een driedelig model dat mensen gebruiken als ze proberen te begrijpen waarom iets gebeurd is. Dit wordt het covariatie model van attributie genoemd. In elke situatie is er één acteur, degene die de actie uitvoert, en één doel, de ontvanger van de actie. Er zijn drie delen in het model om erachter te komen waarom iets gebeurt:

    • Overeenstemming: deze dimensie verwijst naar de vraag of mensen de neiging hebben om op dezelfde manier te handelen ten opzichte van een doelpersoon.
    • Consistentie: deze dimensie verwijst naar de vraag of een acteur in een situatie de neiging heeft om zich tegenover iedereen hetzelfde te gedragen.
    • Onderscheidend vermogen: deze dimensie verwijst naar iets unieks aan een situatie dat het gedrag van de acteur ten opzichte van het doelwit verklaart.

    Waarom schatten mensen elkaar verkeerd in?

    Wat is de impact van mentale fouten?

    De fundamentele attributiefout is de neiging om de invloed van persoonlijkheid te overschatten en de kracht van de situatie te onderschatten bij het toeschrijven van andermans gedrag. Deze neiging is diep geworteld in het menselijk oorzakelijk redeneren. Het laat zien dat mensen aannemen dat het gedrag van anderen weerspiegelt wie ze zijn, terwijl ze vergeten rekening te houden met de situatie.

    Het acteur-waarnemer vooroordeel is een ander vooroordeel. Bij deze bias wordt aan persoonlijkheid gedacht bij het uitleggen van het gedrag van andere mensen. Bij het eigen gedrag wordt echter juist gekeken naar de omstandigheden en dus niet naar persoonlijkheid. Het is gemakkelijker om de fouten van andere mensen toe te schrijven aan hun persoonlijkheid en eigen fouten aan externe oorzaken. Op deze manier voel je je beter over jezelf. Bovendien leiden verschillende culturele veronderstellingen ook tot verschillende verklaringen. Dit kan leiden tot misverstanden tussen culturen en soms zelfs binnen culturen met dezelfde taal.

    Hoe kunnen onjuiste overeenstemmingen leiden tot self-serving attributies?

    Self-serving attributies worden door mensen gemaakt om hun zelfrespect te behouden, zodat ze hun persoonlijke belangen kunnen beschermen. Voor dit onderwerp zijn er ook enkele vooroordelen:

    • Het valse consensuseffect is de overschatting van hoeveel andere mensen dezelfde waarden, percepties en overtuigingen delen. In de ontwikkelingspsychologie staat dit fenomeen bekend als egocentrisme. Gerelateerd hieraan is het werkelijk valse consensuseffect. Dit is de overschatting dat anderen jouw overtuigingen delen, zelfs nadat je objectieve statistische informatie hebt gekregen die deze overtuiging tegenspreekt.
    • De false uniqueness bias is de overtuiging dat mensen unieker zijn dan anderen als het gaat om positieve, sociaal wenselijke eigenschappen.

    Soms kunnen deze self-serving vooroordelen grappig en onschuldig zijn, maar in complexe situaties kunnen ze leiden tot verkeerde en mogelijk schadelijke conclusies.

    Access: 
    Public
    Hoe worden attitudes gevormd? - Chapter 6

    Hoe worden attitudes gevormd? - Chapter 6

    Waar komen attitudes vandaan?

    Attitudes zijn abstracte ideeën over de innerlijke evaluaties van iets of iemand. Ze kunnen zowel positief als negatief zijn.

    Hoe kunnen attitudes een object beoordelen?

    Het attitudeobject is een persoon, ding, plaats of idee dat iemand beoordeelt bij het creëren van een attitude. Dit kan vermoeilijkt worden als iemand gemixte gevoelens heeft over het attitudeobject. Dubbele attitudes zijn tegengestelde evaluaties – positief dan wel negatief – over een enkel attitudeobject.

    Attitudes kunnen uit drie bronnen komen:

    • Affect: emotionele, onderbuik reacties op zaken.
    • Gedrag: zoals gewoonten.
    • Cognitie: bedachtzame, logische reacties op zaken.

    Attitudes kunnen echter veranderen. Het model van dubbele attitudes stelt voor dat nieuwe attitudes de oude attitudes overschrijven in plaats van vervangen. Beide attitudes kunnen dus blijven bestaan, maar één heeft de overhand. In dit geval wordt een dubbele attitude gevormd. 

    Een andere manier waarop dubbele attitudes vormen, is wanneer impliciete en expliciete houdingen in de geest met elkaar concurreren. Impliciete attitudes zijn automatische, onbewuste evaluaties die soms zonder bewustzijn kunnen worden gemaakt. Expliciete attitudes zijn gecontroleerde, bewuste, doordachte evaluaties waarvan mensen zich bewust zijn. In dit geval weten mensen soms dat iets goed is, terwijl het verkeerd aanvoelt en andersom.

    Hoe worden unieke beslissingen gemaakt die gebaseerd zijn op attitudes?

    Een unieke beslissing is een beslissing die gebaseerd is op een attitude ten opzichte van een attitudeobject die goed of slecht is, maar niet beide. Attitudes kunnen dus helpen bij het nemen van die beslissingen maar ze kunnen ook leiden tot verkeerde conclusies door vooroordelen.

    Ontstaan attitudes door nature of nurture?

    In het nature vs. nurture-debat wint geen van beide en wordt vaak geconcludeerd dat het gaat om de interactie tussen de twee. Gedragsgenetica is de studie van hoe natuur en opvoeding op elkaar inwerken om attitudes en gedrag te vormen.

    Natuur en opvoeding werken samen door middel van assortatieve paring. Dit is het proces waarbij vergelijkbare organismen met elkaar paren. Dit is deels toe te wijden aan nature en deels aan nurture. Er zijn drie bronnen van attitudes van nurture:

    • Sociaal leren: de sociale leertheorie stelde voor dat mensen attitudes vormen door anderen te observeren en te imiteren.
    • Klassieke conditionering: dit is een proces waarbij een automatische reactie of houding ten opzichte van het ene wordt overgedragen op het andere na herhaalde koppelingen. De ongeconditioneerde stimulus veroorzaakt de automatische reactie en deze wordt vervolgens gecombineerd met de neutrale stimulus om diezelfde associatie te krijgen.
    • Operante conditionering: dit is het proces waarbij de houding of het gedrag van mensen wordt versterkt door eerdere beloningen of wordt verzwakt door eerdere straffen. Wanneer attitudes uit het verleden worden beloond is de kans groter dat ze in de toekomst worden herhaald.

    Voorspellen attitudes gedrag?

    Hoe worden expliciete en impliciete attitudes gemeten?

    Expliciete attitudes zijn de attitudes waarvan mensen zich bewust zijn en die dus gemeten kunnen worden door mensen zelfrapportages te laten invullen. Dit werkt wanneer mensen bereid zijn de waarheid te vertellen en wanneer ze zich bewust zijn van wat ze denken. Er kan echter ook een bogus pipeline worden gebruikt. Dit is een nep-leugendetector die wordt gebruikt om eerlijke reacties van de deelnemers te vergroten. Dit werkt niet in alle gevallen, maar meestal wel.

    De IAT, of impliciete associatietest, wordt gebruikt wanneer mensen zich niet volledig bewust zijn van hun eigen attitudes. Het is een indirecte manier om attitudes of mentale associaties te meten. Tijdens de test maakt het brein associaties tussen twee concepten. Hierdoor kunnen onderzoekers conclusies trekken over iemands impliciete attitudes.

    Hoe kunnen attitudes gedrag voorspellen?

    Houdingen die mensen hebben weerspiegelen niet noodzakelijk hun gedrag. Er zijn vier belangrijke inzichten die sociaal psychologen helpen te begrijpen hoe attitudes en gedrag met elkaar verbonden zijn:

    • Het specificiteitsprincipe stelt voor dat het verband tussen houding en gedrag sterk is wanneer de houding en het gedrag op hetzelfde specificiteitsniveau worden gemeten.
    • De zelfperceptietheorie is het idee dat mensen eerst hun eigen gedrag observeren en vanuit daar beslissen wat voor soort persoon ze zijn. Het is dus soms onduidelijk of de houding of het gedrag eerst komt. De gezichtsfeedbackhypothese kan worden gebruikt om te testen of gedrag op de eerste plaats komt. Dit is het idee dat emoties kunnen optreden nadat iemand een overeenkomstige gezichtsuitdrukking heeft gemaakt. Dus als mensen glimlachen worden ze ook blijer.
    • Impressiemanagement stelt dat mensen hun houding en gedrag aanpassen om strategisch te beïnvloeden hoe anderen hen zien. Volgens de zelfbevestigingstheorie kunnen mensen ook indruk maken op zichzelf. Deze theorie stelt dat mensen indruk op zichzelf kunnen maken om hun gevoel van waarde en integriteit te behouden.
    • De theorie van gepland gedrag stelt dat gedrag het best kan worden voorspeld aan de hand van drie factoren: attitudes, subjectieve normen en waargenomen controle. Subjectieve normen zijn de perceptie van wat andere mensen doen of wat de norm is in een bepaalde situatie. Waargenomen controle is de perceptie of iemand het gevoel heeft dat hij in staat is om een ​​bepaald doel met succes te bereiken.

    Hoe veranderen attitudes?

    Hoe kan cognitieve dissonantie ervoor zorgen dat mensen van gedachte veranderen?

    Zelfrechtvaardiging is het verlangen om je acties uit te leggen op een manier die een positieve kijk op het zelf behoudt of versterkt. Wanneer deze positieve kijk in gevaar komt, veroorzaakt het cognitieve dissonantie. Dit is een toestand van psychologisch ongemak die optreedt wanneer mensen tegenstrijdige overtuigingen en gedragingen ervaren. Om dit probleem op te lossen, veranderen mensen hun overtuigingen of houdingen om die angst te verminderen.

    Cognitieve dissonantie kan positief zijn wanneer het wordt gebruikt voor probleemoplossende psychologische interventie die mensen motiveert om hun houding op een positieve manier te veranderen. Mensen verschillen in de mate van dissonantie die ze kunnen verdragen voordat ze er iets aan doen. Als mensen in het openbaar gezonde gewoonten promoten, zullen ze cognitieve dissonantie ervaren als ze zelf die gewoonten niet hebben. Het is dus waarschijnlijk dat ze een gezondere levensstijl zullen leiden om met de dissonantie om te gaan.

    Cognitieve dissonantie is ook cultuurafhankelijk. Uit onderzoek blijkt dat mensen in westerse culturen meer dissonantie ervaren wanneer hun persoonlijke competentiegevoel wordt bedreigd, terwijl mensen uit Oosterse culturen meer dissonantie ervaren wanneer ze worden bedreigd met groepsafwijzing.

    Hoe kunnen mensen anderen overtuigen?

    Overtuiging is nodig om een ​​succesvol en sociaal wezen te zijn. Overtuiging kan zowel indirect als direct zijn. Als mensen actief op zoek zijn naar verandering of hulp van anderen, is directe overtuiging het meest effectief. Het elaboration likelihood model stelt deze twee paden naar overtuiging voor: de directe, expliciete, centrale route en de indirecte, impliciete, perifere route. Welke beter werkt, hangt af van het vermogen en de motivatie van het publiek om op te letten. Een vergelijkbaar model is het heuristisch-systematische model. Dit model stelt twee paden naar overtuiging voor: het heuristische (indirecte) pad en het systematische (directe) pad. Dit is in wezen hetzelfde idee als het eerste model.

    Het indirecte pad kan gebruikmaken van beroemdheden idolisering. Dit kan worden verklaard door de communicatie-overtuigingsmatrix. Dit stelt zes stappen in het overtuigingsproces voor die op elkaar voortbouwen:

    • Aandacht
    • Begrip
    • Leren
    • Acceptatie
    • Behoud
    • Conclusie

    Beroemde mensen trekken gemakkelijk onze aandacht (stap 1), waardoor de consument ook eerder op de volgende informatie zal letten.

    Hovland kwam met de message-learning benadering van overtuigen. Hij redeneerde dat er vier elementen zijn om te overtuigen:

    • De bron: een bronvariabele is degene die een overtuigende boodschap creëert en geeft. Zoals geloofwaardigheid en aantrekkelijkheid.
    • Het bericht: een berichtvariabele is de informatie die in een overtuigend bericht wordt verstrekt en hoe het wordt gepresenteerd. Zoals persoonlijk belang en framing.
    • De ontvanger: de ontvangervariabele is het publiek dat het bericht ontvangt. Zoals intelligentie, persoonlijkheid en zelfrespect.
    • De context: contextvariabelen zijn situationele aspecten van hoe een bericht wordt ontvangen. Zoals afleiding, waarschuwing en herhaling.

    Ze beantwoorden allemaal dezelfde algemene vraag; 'Wie zei wat tegen wie en hoe?'

    Hoe werkt directe overtuiging?

    Mensen geven de voorkeur aan toewijding en consistentie om fatsoenlijke mensen te zijn. Hierdoor kunnen mensen via verschillende technieken overtuigd worden. De eerste is de lowball-techniek. In dit geval gaan mensen door met een beslissing, zelfs nadat de voorwaarden van de deal zijn gewijzigd. De tweede is de voet-in-de-deur-techniek. In dit geval is de kans groter dat mensen instemmen met een groot verzoek als ze al ja hebben gezegd tegen een kleiner verzoek. Beide technieken zijn effectief omdat mensen toegewijd en consistent moeten zijn.

    Andere technieken voor directe overtuiging komen voort uit sociale normen. Een sociale norm is de norm van wederkerigheid. Dit is het idee dat mensen vriendelijk reageren op beleefdheden van anderen, omdat mensen graag eerlijk zijn en elkaar daarom ook gelijk willen behandelen. Volgens deze norm kunnen een paar andere technieken worden gebruikt voor directe overtuiging. De eerste techniek wordt de door-in-the-face techniek genoemd. Dit gebeurt wanneer mensen die een groot verzoek weigeren eerder geneigd zijn om in te stemmen met een later, kleiner verzoek. De tweede techniek is die van de niet-zo-gratis monsters. In dit geval delen mensen gratis monsters uit om de consument een schuldgevoel te bezorgen als ze niets van hen kopen.

    Access: 
    Public
    Hoe worden mensen beïnvloed door anderen? - Chapter 7

    Hoe worden mensen beïnvloed door anderen? - Chapter 7

    Sociale invloed is wanneer gedachten, gevoelens en gedragingen veranderen onder druk van de sociale wereld. Anderen beïnvloeden een individu gedurende hun hele leven. De toewijding aan bepaalde rollen in iemands jeugd leiden uiteindelijk naar sociale invloeden die de samenleving stabiliseren. Sociale invloed kan zowel positief als negatief zijn.

    Welke soorten sociale invloed zijn er?

    Sociale invloed kan worden ingedeeld in twee overlappende categorieën. De eerste is impliciete verwachtingen. Dit zijn de ongeschreven regels afgedwongen door groepsnormen die iemands gedrag beïnvloeden. Ook deze bestaat uit twee typen. De eerste is conformiteit, wat betekent dat mensen vrijwillig hun gedrag veranderen om anderen om hen heen te imiteren. Het tweede type impliciete verwachtingen zijn sociale rollen met betrekking tot hoe bepaalde mensen eruit zouden moeten zien en zich zouden moeten gedragen. Deze rollen vormen de stereotypen van groepen mensen.

    Het tweede type van sociale invloed is expliciete verwachtingen. Dit zijn duidelijke en formeel geformuleerde verwachtingen voor sociaal gedrag. Er zijn ook twee vormen van deze invloed. De eerste is meegaandheid. Dit type doet zich voor wanneer mensen zich gedragen als reactie op een direct of indirect verzoek. Het tweede type is gehoorzaamheid. Dit type doet zich voor wanneer mensen zich gedragen als reactie op een bevel van iemand die macht over hen heeft. Ze kunnen een hogere status hebben of ze kunnen je straffen als je ze niet gehoorzaamt (zoals een overvaller). Gehoorzaamheid kan worden beschouwd als een extremere versie van meegaandheid.

    Hoe creëren sociale normen een kuddementaliteit en op welke manieren is het besmettelijk?

    Mensen absorberen groepsgedrag als sociale normen wanneer ze opgroeien. Dit zijn impliciete sociale regels over hoe mensen zich moeten gedragen, ook wel groepsnormen genoemd. Normaal gesproken lukt het daarmee prima om een ​​groep in harmonie te houden, maar ze kunnen ook gevaarlijk worden. Er ontstaat een kuddementaliteit als mensen blindelings een groep volgen. Dit kan zelfs zo ver gaan dat de groepsleden hun leider niet meer in twijfel trekken.

    In nieuwe situaties zullen mensen op zoek gaan naar de sociale normen om ze te kunnen gehoorzamen. Ze worden vaak niet expliciet verteld. Het kunnen echter zeer specifieke richtlijnen zijn over sociale verwachtingen.

    Sociale besmetting is de spontane verspreiding van ideeën, houdingen en gedragingen onder een grotere groep mensen. Dit kan worden toegeschreven aan de behoefte om erbij te horen of de angst om iets te missen. Als sociale besmetting een schadelijke situatie wordt komt mass psychogenic illness in het spel. Dit is een fenomeen waarbij symptomen van een ziekte verschijnen binnen een groep, maar geen duidelijke fysieke oorzaak hebben.

    Welke sociale krachten leiden tot conformiteit?

    De theorie van informatieve en normatieve invloed is het idee dat er twee manieren zijn waarop sociale normen conformiteit veroorzaken. De eerste is informatieve sociale invloed. Dit gebeurt wanneer mensen zich conformeren aan groepsnormen omdat ze het juiste willen doen en niet zeker weten wat dat is. De tweede is normatieve of generationele invloed. Dit is het culturele geloof dat voortduurt als de mensen die ermee begonnen zijn vertrekken en nieuwere leden van de groep blijven. Deze cyclus gaat door, omdat nieuwe leden altijd proberen aan te sluiten bij de oude leden.

    Om de eerste invloed te testen bedacht Sherif het autokinetische effect. Dit is een optische illusie die optreedt wanneer mensen denken dat een stilstaand licht beweegt. Uit autokinetische experimenten vloeien drie conclusies voort:

    • Deelnemers kunnen valse percepties echt geloven.
    • Onzekerheid bevordert sociale conformiteit.
    • Sociale conformiteit blijft bestaan. Ook als de oorsprong van de ‘traditie’ gebaseerd is op een onnauwkeurige schatting en de eerste gissing al weg is.

    Hoe eisen sociale normen conformiteit?

    Een sociale cascade is een grote sociale verandering als reactie op de overtuigingen van enkele vroege visionairs. Dit idee berust op de groepsconformiteit die ontstaat wanneer mensen elkaar gaan imiteren. Normatieve sociale invloed is wanneer mensen zich conformeren aan groepsnormen om sociale acceptatie te krijgen en erbij te horen. Er zijn twee soorten sociale normen. Het eerste type zijn beschrijvende normen. Dit is de perceptie van wat de meeste mensen in een bepaalde situatie doen. Het andere, tweede type zijn gebodsnormen. Dit verwijst naar de perceptie van wat mensen zouden moeten doen in een bepaalde situatie. Deze normen kunnen een sterke invloed op gedrag hebben.

    Asch bedacht een experiment om conformiteit te testen. Hij liet een groep mensen 3 lijnen en één doellijn zien. Vervolgens vroeg hij de groep welke lijnen even lang waren. Alle mensen die in het complot zaten, gaven het verkeerde antwoord, maar de enige echte deelnemer van het experiment kon gemakkelijk zien dat het andere antwoord goed was. Asch ontdekte dat mensen liever het verkeerde antwoord geven en de groepsnormen bevestigen dan de groep in twijfel te trekken door het antwoord te geven waarvan zij denken dat het juist is. Hij ontdekte dat conformiteit vooral toeneemt wanneer:

    • De omvang van de meerderheid toeneemt.
    • Verschillen tussen de regels meer dubbelzinnig waren.
    • De meerderheidsgroep alleen leden van de eigen sociale ingroup omvatte.
    • Het aandeel vrouwelijke deelnemers toenam.

    Hoe geeft cultuur conformiteit vorm?

    Het conformiteitspercentage in de Asch-experimenten schoot omhoog in Fiji, een collectivistische cultuur die conformiteit met de groep hoog in het vaandel heeft staan. Hoe kan een cultuur waarde hechten aan conformiteit met sociale normen? Een idee over dit onderwerp is de voedselaccumulatiehypothese. Dit is het idee dat culturele opvattingen over conformiteit voortkomen uit de relatie van die groep met voedsel. Als overleven van anderen afhangt speelt groepsconformiteit een grotere rol dan wanneer mensen gemakkelijker alleen kunnen overleven. In collectivistische culturen is conformeren dus een sociale beleefdheid waarbij de behoeften van de groep boven de eigen behoeften geplaats worden.

    Hoe worden mensen beïnvloed door sociale rollen en gehoorzaamheid aan autoriteit?

    Er zijn door de eeuwen heen veel experimenten uitgevoerd op het gebied van de sociale psychologie. De twee bekendste zijn de Stanford Prison Study en Milgram's Obedience Study. Ze waren allebei tot in de details gedocumenteerd en er is veel controverse over beiden tot op de dag van vandaag.

    Wat was de Stanford Prison Study?

    Zimbardo wilde de kracht van sociale rollen testen in een omgeving waar sommige mensen volledige macht over anderen hadden. Deze setting is vergelijkbaar met de Tweede Wereldoorlog omdat Zimbardo benieuwd was of de Holocaust herhaald kon worden. In zijn experiment werd een deel van de deelnemers gevangenen in de kelder van Stanford University en het andere deel werd de bewakers. Ze kregen allebei een uniform om de verschillende sociale rollen te benadrukken. Belangrijk om te onthouden is dat de deelnemers willekeurig werden toegewezen aan elke groep, dus er waren geen aanvankelijke verschillen tussen de groepen. Daarna moest de hele groep een tijdje samenleven om te zien hoe de machtsverhoudingen verliepen.

    Het eerste resultaat van dit experiment was deïndividuatie. Dit is wanneer zelfbewustzijn wordt vervangen door een sociale rol of groepsidentiteit, wat resulteert in het verlies van individualiteit. Beide groepen, gevangenen en bewakers, raakten verstrikt in hun rol en omarmden hun nieuwe sociale rollen. Dit liep echter zo uit de hand dat bewakers de gevangenen fysiek en mentaal pijn begonnen te doen. Dus het experiment werd na zes dagen stopgezet in plaats van na twee weken. Hierdoor ontstond er veel kritiek van het publiek en van andere psychologen. Ongeacht het protest heeft dit experiment later veel andere onderzoeken beïnvloed waaruit nieuwe conclusies getrokken werden:

    • Omgevingssignalen moedigen ontremming aan: het gevoel van anonimiteit kan ertoe leiden dat mensen zich twijfelachtig gaan gedragen. Disinhibitie is de versoepeling van sociale beperkingen wanneer iemand zich anoniem of niet identificeerbaar voelt. Wanneer mensen worden herinnerd aan hun identiteit en individualiteit verdwijnt de ontremming. Cyber-ontremming is een voorbeeld van ontremming waarbij het ontbreken van sociale beperkingen vanwege de anonimiteit van internet leidt tot gedragingen zoals trollen of online intimidatie.
    • Anonimiteit kan agressie in de hand werken. Achter een valse naam zijn mensen meer bereid om agressief te handelen. Door deze anonimiteit verdwijnt het verschil in agressie tussen mannen en vrouwen.

    Hoe kunnen sociale rollen vriendelijkheid aanmoedigen?

    Sociale rollen kunnen leiden tot zowel positief als negatief gedrag dat aansluit bij de verwachtingen van de samenleving. Anonimiteit kan bijvoorbeeld intimiteit bevorderen. Dat bleek uit een onderzoek waarin vreemden elkaar in het donker of op klaarlichte dag ontmoetten. De donkere groep toonde veel meer genegenheid dan de andere groep.

    Hoe kan gehoorzaamheid wreedheid aanmoedigen?

    Een van de andere beroemde experimenten in de sociale psychologie was het Milgram-experiment. Milgram wilde bewijzen dat iedereen in staat is tot wreedheid, zoals bij de massamoorden in de Tweede Wereldoorlog, onder de juiste omstandigheden.

    In deze experimenten werden deelnemers toegewezen als leraar en kreeg een andere persoon die aan het experiment meedeed de rol van student. De leraar moest de leerling straffen als hij de verkeerde antwoorden gaf. De straf was een elektrische schok die bij elk fout antwoord hoger werd. Als de leraar niet door wilde gaan met het geven van schokken, zou de onderzoeker de leraar alsnog aanmoedigen om door te gaan. Soms zei de onderzoeker zelfs dat stoppen geen optie was in dit experiment. Zelfs als de deelnemers de student hoorden schreeuwen van de pijn zouden ze doorgaan omdat de onderzoeker dat zei. Gelukkig waren de schokken nep, maar anders zouden de studenten zijn overleden door de hoge stroomspanning.

    Zoals je zou verwachten kwamen er veel ethische problemen voort uit de experimenten van Milgram. Hij zei dat hij destijds geen van de ethische regels had overtreden, maar hij verborg wel de mate van trauma die de deelnemers doormaakten. Hij debriefde ook niet alle deelnemers.

    Hoe kunnen de onderzoeken van Zimbardo en Milgram worden geïnterpreteerd?

    Er zijn drie manieren waarop de Zimbardo- en Milgram-studies kunnen worden geïnterpreteerd:

    • Mensen zijn van nature slecht. Dit wordt echter niet gemakkelijk getoond vanwege sociale normen.
    • Mensen zijn neutraal. De kracht van een situatie kan hun gedrag modelleren om goed of slecht te handelen.
    • Mensen zijn goed en behulpzaam. De deelnemers aan beide onderzoeken probeerden de onderzoeker zoveel mogelijk te gehoorzamen om bij te dragen aan het onderzoek.

    De nieuwste interpretatie van deze onderzoeken is dat de deelnemers betrokken volgers waren die er trots op waren hun tijd en moeite aan wetenschap te besteden. Dit is ook terug te koppelen aan de Tweede Wereldoorlog. De nazi's geloofden misschien ook dat ze het juiste deden voor een hoger doel.

    Wat is het belang van non-conformiteit?

    Conformiteit is goed als mensen doen wat het beste is voor de groep. Daarom wordt conformiteit door velen gewaardeerd en geprezen. Conformiteit kan echter ook een gebrek aan sociale vooruitgang zijn. Non-conformiteit kan juist leiden tot grootschalige maatschappelijke veranderingen.

    Access: 
    Public
    Hoe beïnvloeden groepen individuen en andersom? - Chapter 8

    Hoe beïnvloeden groepen individuen en andersom? - Chapter 8

    Waarom zijn groepen belangrijk voor mensen?

    Een groep ontstaat wanneer twee of meer individuen interactie met elkaar hebben of door een gemeenschappelijk lot met elkaar verbonden zijn. Voor bijna iedereen is de eerste groep die ze hebben familie.

    Hoe kunnen groepen zorgen voor steun, veiligheid en samenhang?

    Mensen hebben emotionele, instrumentele, informatieve en beoordelingsondersteuning nodig. Alle vormen van ondersteuning kunnen alleen door anderen worden verleend, daarom is het belangrijk om bij een groep te horen. Deel uitmaken van een groep betekent dat de kans om iemand te vinden die dat soort steun kan geven groter wordt.

    Bij gevaar komen mensen ook vaak in groepen bij elkaar. Angstige mensen hebben echter niet de neiging om zich te groeperen met andere angstige mensen. Dit is niet omdat ze niet bij anderen willen zijn, maar omdat ze omringd willen zijn met mensen die niet angstig zijn. Groepscohesie is de mate waarin leden van een groep zich met elkaar verbonden voelen, harmonieus samenwerken en bedreigingen weerstaan. Groepscohesie vergroot de overlevingskansen door voedsel en onderdak te kunnen delen in moeilijke tijden. Dus naast het bieden van vriendschappen en werkrelaties, is groepscohesie belangrijk om te overleven. In zeldzame gevallen kan groepscohesie echter leiden tot schade op de lange termijn, zoals bij sektes.

    Waarom hechten mensen meer waarde aan groepen waarvan het moeilijker is om lid te worden?

    Mensen voelen zich dankbaarder wanneer hen wordt gevraagd om lid te worden van selectieve groepen, omdat exclusiviteit hen een speciaal gevoel geeft. Als een groep teleurstelt nadat ze lid zijn geworden, ervaren mensen cognitieve dissonantie omdat ze moeite hebben gedaan om in de groep te komen, maar nu krijgen ze niet de resultaten die ze hadden verwacht. Een reactie op deze situatie is het initiatie-effect. Dit houdt in dat mensen groepen meer waarderen als ze moeilijk te bereiken zijn of als je een moeilijke initiatie moet doormaken om geaccepteerd te worden. Dit wordt ook wel inspanningsverantwoording genoemd. Mensen vertellen zichzelf gewoon dat een groep nog steeds geweldig is, zelfs als dat niet zo is, alleen om hun cognitieve dissonantie te verminderen.

    Hoe beïnvloeden groepen individuen?

    Groepen zijn dus belangrijk voor mensen om te overleven en dat is een van de belangrijkste redenen waarom mensen groepen zo waarderen. Groepen kunnen echter ook negatieve effecten hebben op mensen als ze zich tegen iemand keren.

    Hoe kan mishandeling het gezag van een groep versterken?

    Hazing treedt op wanneer leden van een groep rituelen voor nieuwe leden instellen die fysieke of emotionele schade kunnen veroorzaken, wat dan een soort val kan zijn voor aspirant-leden. Deze val zorgt ervoor dat hazing en initiatie-effect doorgaan. Hazing is zeer generaliseerbaar, het bestaat in alle delen van de samenleving. Mensen keuren ontgroening goed als het onderdeel is van de traditie en als ze geloven dat hazing mensen loyaler kan maken aan hun groep.

    Zowel inwijdingsrituelen als hazing versterken de autoriteit van een groep over een individu. Maar waarom houden mensen het vol? Een reden hiervoor kunnen de effecten van mishandeling zijn. Wanneer hazing sociale afhankelijkheid uitlokt zorgt dit er ironisch genoeg voor dat de loyaliteit aan de groep wordt bevordert. Mensen doorlopen vijf stadia van mishandeling tot liefde voor de groep die deze schade heeft veroorzaakt:

    1. Mishandeling zorgt voor verwarring, vooral als het wordt gedaan door vrienden of familie.
    2. Verwarring creëert onzekerheid over iemands waarde en plaats in zijn sociale wereld.
    3. Onzekerheid leidt tot emotionele kwetsbaarheid.
    4. Kwetsbaarheid creëert een afhankelijkheid van de mensen die de macht hebben. Dan heb je hun acceptatie nodig.
    5. Afhankelijkheid creëert dankbaarheid wanneer aan je behoeften wordt voldaan.

    Het Stockholm-syndroom is een goed voorbeeld van het effect van mishandeling. Dit gebeurt wanneer gijzelaars genegenheid ontwikkelen voor hun ontvoerders. Dit gebeurt ook bij mensenhandel. Slachtoffers zijn vaak dakloos en ruilen seks in voor basisbehoeften zoals voedsel en onderdak. Hun situatie verstoort identiteitsvorming in hun adolescentie. Dit resulteert in rolverwarring die op zijn beurt het gevoel van eigenwaarde vermindert en gezondheidsgrenzen vernietigt. Ze kunnen afhankelijk worden van de daders en zich aan hen gaan hechten terwijl zij degenen zijn die hen schade toebrengen.

    Hoe kunnen groepen individuen buitensluiten?

    Afwijzingsgevoeligheid is de angst voor sociale afwijzing en uitsluiting. Iedereen ervaart dit in meer of mindere mate. Deze angst om afgewezen te worden draagt ​​de sociale macht over van het individu naar de groep. Sociale afwijzing kan veel dingen bedreigen zoals:

    • De behoefte om erbij te horen door mensen van hun groep te scheiden.
    • Iemands zelfrespect, omdat het impliceert dat ze ongewild zijn.
    • De behoefte aan controle, omdat mensen de beslissing niet kunnen beïnvloeden.
    • Het bestaansgevoel van mensen.

    Als mensen zien dat iemand anders belachelijk wordt gemaakt, vergroten ze vaak hun sociale conformiteit om hun eigen sociale plek te beschermen. Afgewezen worden door een groep kan namelijk veel pijn doen. Zelfs het zien dat iemand anders wordt uitgesloten kan anderen pijn doen.

    Mensen willen niet alleen deel uitmaken van een groep, maar ook een uniek individu zijn. De oplossing voor dit conflict kan worden verklaard door de theorie van optimaal onderscheidend vermogen. Dit is het idee dat mensen tegelijkertijd de doelen kunnen bereiken om uniek te zijn en een groep te zijn door lid te zijn van een kleine en elitegroep. Deze elitestatus kan ook trots en meer toewijding aan de groep toevoegen.

    Hoe kunnen groepen prestaties bevorderen?

    Sociale facilitering is wanneer mensen harder werken in het bijzijn van anderen dan ze alleen zouden doen. Mensen zijn meer gemotiveerd om te winnen als ze een publiek hebben. Dit kan zijn om indruk te maken op anderen of om te pronken en zich beter te voelen over zichzelf. Sociale facilitering werkt alleen bij eenvoudige of goed geoefende taken. Dus als een taak moeilijk is kan de aanwezigheid van anderen iemands prestaties juist verminderen. Studies hebben aangetoond dat dit gebeurt door een combinatie van zowel mentale als fysieke effecten.

    Studies met kakkerlakken zijn gebruikt om sociale facilitering te bestuderen. Dit staat bekend als vergelijkende sociale psychologie. Vergelijkende sociale psychologie is de vergelijking op soortniveau van sociaal gedrag die gewoonlijk wordt gebruikt om de uniciteit van menselijk gedrag te bepalen. De kakkerlakken lieten dezelfde resultaten zien als mensen. Hun prestaties namen toe met een publiek wanneer de taak gemakkelijk was en andersom. Dit fenomeen kan worden verklaard door de enkel-aanwezigheidshypothese. Dit idee stelt dat alleen al het hebben van andere mensen in de kamer je fysiologische opwinding zal vergroten en je taakprestaties zal beïnvloeden, zelfs als ze je niet echt in de gaten houden. De opwinding zorgt ervoor dat je lichaam meer adrenaline gebruikt die ons vervolgens weer energie geeft. Deze opwinding kan ons echter tegenwerken als we nerveus zijn of nieuwe dingen proberen te leren. Op deze manier kunnen we niet ontspannen, opwinding vermindert dan alleen de prestaties.

    Een andere verklaring is de evaluatie-angsthypothese. Dit is het idee dat het hebben van andere mensen in de kamer je taakprestaties zal beïnvloeden vanwege de angst dat ze je veroordelen. Het belangrijkste verschil met de eerste hypothese is dat je bij de tweede verklaring moet denken dat mensen aandacht aan je besteden. 

    Hoe kunnen individuen groepen beïnvloeden?

    Hoe kunnen sociale meelifters een groep schaden?

    Social loafing (meeliften) treedt op wanneer mensen die in een groep werken hun individuele inspanning voor de groep verminderen. Ze vertrouwen dus op de inspanningen van andere groepsleden die hun nalatigheid moeten compenseren. Hoe groter de groepsgrootte, hoe lager de individuele inspanning. Dit fenomeen wordt echter niet altijd bewust uitgevoerd. Er zijn twee verklaringen voor productiviteitsverlies in groepen. De eerste is procesverlies, de vermindering van inspanning in groepsverband die voortkomt uit een gebrek aan motivatie. Social loafing is belangrijk in dit proces als mensen expres minder moeite  gaan doen. De tweede verklaring is coördinatieverlies, dit gebeurt wanneer een gebrek aan samenwerking en communicatie de effectiviteit van een groep verzwakt of social loafing vergroot. Mensen zijn dus wel bereid om te werken, maar communiceren niet genoeg. Social loafing is minder waarschijnlijk in bepaalde gevallen:

    • De groep doet iets moeilijks.
    • Je bijdragen kunnen worden geïdentificeerd als afkomstig van jou als individu.
    • Je gelooft dat wat je doet belangrijk en waardevol is.
    • Je werkt met mensen die je kent.

    Social loafing kan toenemen wanneer er sprake is van diffusie van verantwoordelijkheid. Dit gebeurt wanneer mensen zich door de aanwezigheid van anderen minder verantwoordelijk voelen voor een uitkomst. Ze geloven allemaal dat iemand anders de verantwoordelijkheid zal nemen.

    Social loafing verschilt ook per cultuur. Mensen uit Oosterse culturen en vrouwen nemen minder vaak deel aan social loafing. Mensen met een hoge mate van consciëntieusheid - een eigenschap die betrekking heeft op aandacht voor detail, verantwoordelijkheid en het streven naar prestaties - hebben minder kans om mee te liften. Ook mensen met een hoge mate van vriendelijkheid hebben minder kans om mee te liften. Dit is een persoonlijkheidskenmerk met betrekking tot de bereidheid om flexibel te zijn en samen te werken met anderen. Ten slotte is social loafing minder waarschijnlijk bij mensen met een hoge protestantse arbeidsethos, waarbij discipline, toewijding en hard werken gewaardeerd worden.

    Cyberloafing of cyberslacking is een nieuwe vorm van social loafing. Dit gebeurt wanneer mensen die in een groep werken hun individuele inspanning verminderen vanwege afleiding door het internet.

    Wat is de meest effectieve leider?

    Groepsdynamiek zijn de sociale rollen, hiërarchieën, communicatiestijlen en cultuur die van nature ontstaan ​​wanneer groepen met elkaar omgaan. Hierdoor zullen sommige mensen de rol van leider op zich nemen en zullen anderen een stapje terug doen. Voor verschillende groepen of situaties zijn verschillende leiders nodig. De contingentietheorie van leiderschap is het idee dat de 'beste' leiderschapsstijl afhangt van de gegeven groepsdynamiek. Er zijn een paar soorten leiders:

    • Een taakleider richt zich op het voltooien van opdrachten, het behalen van doelen en het halen van deadlines.
    • Een sociaal leider richt zich op de betrokkenen, focust op teamwerk en biedt emotionele steun.
    • Een transactieleider gebruikt beloningen en straffen als een manier om groepsleden te motiveren. Deze leiders proberen de status quo te handhaven.
    • Een transformationele leider gebruikt inspiratie en groepscohesie om leden te motiveren. Deze leiders zijn nuttig voor het uitdagen van gevestigde regels en procedures. Dit type kan de samenleving beïnvloeden in de richting van positieve veranderingen.

    Hoe kunnen individuen de besluitvorming van een groep beïnvloeden?

    Er zijn drie onderzoekslijnen die het onderwerp hebben onderzocht hoe individuen de groepsbesluitvorming kunnen beïnvloeden:

    • Groepspolarisatie: groepen nemen vaak grotere risico's dan individuen. De neiging van groepen om risicovollere beslissingen te nemen na een discussie wordt de risky shift genoemd. Groepspolarisatie treedt op wanneer een groep na een discussie een extremere beslissing neemt in de richting van een meer of minder risicovolle optie. Dit kan worden verklaard door sociale vergelijkingen of overtuigende argumenten.
    • Groepsdenken: dit is de neiging van mensen in hechte groepen om conflicten te minimaliseren door publiekelijk met elkaar in te stemmen, ondanks persoonlijke twijfels. Dit komt het meest voor wanneer er sprake is van een hoge groepscohesie, sterk en directief leiderschap of in stressvolle situaties.
    • Invloed van minderheden: de invloed van een minderheid heeft vaak een kleine impact op groepsbesluitvorming via de stiltespiraal. Dit gebeurt wanneer angst voor afwijzing ertoe leidt dat mensen zwijgen over hun persoonlijke mening. Vanwege deze angst zijn ze nog minder geneigd om hun mening te delen, wat ertoe leidt dat nog minder mensen die mening delen. Een ander ding dat een minderheidsopinie in groepen het zwijgen oplegt, is pluralistische onwetendheid. Dit gebeurt wanneer een meerderheid van de individuen in een groep de verkeerde indruk krijgt dat anderen hun privéperspectief niet delen omdat niemand iets zegt.

    Hoe kunnen individuen de creativiteit van de groep inspireren?

    Er zijn veel voorbeelden van individuen die groepscreativiteit hebben geïnspireerd. Dit komt vaak door brainstormen. Dit is een groepsbenadering van het oplossen van problemen die de nadruk legt op niet-oordelend, creatief denken waarbij leden geen enkel idee beoordelen. Dit kan zowel de hoeveelheid als de kwaliteit van ideeën verhogen.

    Er zijn twee verklaringen waarom brainstormen kan mislukken. De eerste is het eerder besproken concept van diffusie van verantwoordelijkheid. De tweede verklaring is angst voor evaluatie. Ook al mogen mensen elkaar niet beoordelen, mensen kunnen toch bang zijn om beoordeeld te worden en spreken daarom niet hun ideeën uit.

    Om de effecten van brainstormen te vergroten moeten mensen afwisselen tussen het genereren van individuele en groepsideeën. Daarnaast moeten mensen zichzelf ook als creatief beschouwen.

    Access: 
    Public
    Wat zijn de gevolgen van stereotypen, vooroordelen en discriminatie? - Chapter 9

    Wat zijn de gevolgen van stereotypen, vooroordelen en discriminatie? - Chapter 9

    Waarom maken mensen gebruik van stereotypen?

    Stereotypen zijn de te vereenvoudigde overtuigingen dat alle mensen van een groep dezelfde kenmerken delen. Vooroordelen zijn op emoties gerichte oordelen over mensen op basis van hun waargenomen lidmaatschap van een groep. Zowel stereotypen als vooroordelen leiden tot discriminatie. Dit is bepaald gedrag jegens iemand vanwege hun vermeende lidmaatschap van een groep. In dit geval zijn stereotypen negatief, maar ze kunnen ook positief zijn. Zelfs met positieve stereotypen kan de uitkomst negatief zijn.

    Om onderscheid te maken tussen de drie kunnen stereotypen worden gezien als de manier waarop mensen denken, vooroordelen verwijzen naar gevoelens en discriminatie naar gedrag.

    Hoe kan stereotypering je mentale leven gemakkelijker maken?

    Stereotypen zorgen ervoor dat mensen mentaal lui worden door mentale snelkoppelingen te maken waardoor de aandacht vrijkomt voor andere, belangrijkere dingen. Adaptieve categorisering is het idee dat het instinct om andere mensen en dingen te groeperen en te labelen ontstond, omdat het een voordeel was voor het overleven. Het eerste dat je ziet als je nieuwe mensen ontmoet is hun uiterlijk, dus een deel van je eerste indruk is daarop gebaseerd. Neurale tekeningen zijn gevestigde paden door gebieden van de hersenen. Met behulp hiervan kunnen stereotypen in de hersenen worden opgeslagen.

    Hoe kunnen stereotypen de identiteit versterken?

    Mensen kunnen anderen stereotyperen om hen te helpen hun eigen identiteit beter te begrijpen. Iedereen maakt deel uit van verschillende groepen. Ingroups zijn alle groepen waarvan iemand lid is en outgroups zijn alle groepen waarvan iemand geen lid is. Mensen brengen vaak meer tijd door met hun ingroup, omdat ze op elkaar lijken. Door stereotypering beschouwen mensen hun ingroup als beter dan de outgroups.

    De neiging om je ingroup te beschermen is erg sterk. Het minimale groepsparadigma is een experimentele methode om groepen te creëren op basis van betekenisloze categorieën om intergroepsdynamiek te bestuderen. In deze onderzoeken ontdekten onderzoekers dat mensen zich gemakkelijk identificeerden met een nieuwe groep, zelfs als die groep volledig willekeurig was.

    Hoe kunnen stereotypen veranderen in self-fulfilling prophecies?

    Stereotypen blijven bestaan, ​​omdat hun bestaan ​​ze waarmaakt. De kern van waarheid-theorie stelt het idee voor dat stereotypen op een bepaald moment voor een kleine groep mensen met waarheid zijn ontstaan, maar nu overdreven worden en vaak verouderd zijn. Er zijn twee verklaringen voor hoe dit stereotype kan veranderen in een self-fulfilling prophecy.

    De eerste verklaring is de sociale roltheorie. Dit is het idee dat stereotypen ontstaan ​​wanneer mensen observeren wat anderen doen, aannemen dat ze daar goed in zijn en ze vervolgens versterken om het te blijven doen. Dit is bijvoorbeeld te zien in genderstereotypen. Mannen worden in de media afgeschilderd als de kostwinners, terwijl de vrouwen voor het gezin zorgen. Deze stereotypen worden tijdens de kindertijd aangeleerd en worden meegenomen naar de volgende generatie.

    De tweede verklaring is de stereotype dreiging. Dit is angst om een ​​negatief stereotype over je groep te bevestigen, wat afleidt en daardoor ironisch genoeg leidt tot slechtere prestaties. Deze negatieve resultaten zijn vaak van korte duur en wanneer stereotypen worden overwonnen zijn mensen meestal meer gemotiveerd om nog beter te presteren. Een oplossing voor de stereotype dreiging zou ook kunnen zijn om het te herformuleren en mensen te vertellen dat het stereotype niet bestaat.

    Hoe worden stereotypen versterkt door cultuur?

    Cultuur is een verzameling gedeelde overtuigingen en sociale normen die van de ene generatie op de andere worden doorgegeven. Stereotypen kunnen hier ook deel van uitmaken. Ze kunnen intrinsieke onderdelen van culturen zijn die worden versterkt door:

    • Groepsprivilege: het leven is over het algemeen makkelijker voor de dominante, grotere groep. Deze groep beseft dit niet per se omdat ze eraan gewend zijn. Witte privileges zijn de culturele voordelen van blank zijn in samenlevingen waarin de blanken centraal staan. Witte mensen in dezelfde situatie als zwarte mensen zullen altijd meer kansen hebben dan zwarte mensen.
    • Sociale beloningen en straffen: culturen kunnen het volgen van specifieke stereotypen op subtiele wijze belonen. Sociale agenten zijn mensen die berichten sturen over culturele overtuigingen en verwachtingen die helpen om ideeën van de ene generatie op de andere over te dragen.
    • Institutionele discriminatie: niet alleen individuen, maar ook instellingen kunnen racisme vertonen. Institutionele discriminatie is de oneerlijke behandeling van individuen of bepaalde groepen door de samenleving of organisaties door middel van ongelijke selectie, kansen of onderdrukking. Dit kan voorkomen in het rechtssysteem, sociale diensten of mediavertegenwoordiging. Een gevolg van institutionele discriminatie is dat de groepen van elkaar worden gescheiden. Als mensen alleen met hun ingroup zijn ervaren ze meer heterogeniteit binnen de groep. Dit is de neiging van individuen om een ​​grote diversiteit binnen hun ingroup te zien. Aan de andere kant heb je outgroup homogeniteit. Dit is de perceptie dat alle leden van een bepaalde outgroup identiek zijn aan elkaar. Beide tendensen worden versterkt door het feit dat deze groepen vaak gescheiden zijn.

    Hoe veranderen stereotypen in vooroordelen?

    Wat zijn de soorten vooroordelen?

    Er zijn tegenwoordig drie soorten vooroordelen:

    • Ouderwetse vooroordelen zijn voor de hand liggende, openlijke vooroordelen die door moderne sociale normen als ongepast worden beschouwd. Het is in de loop der jaren afgenomen, maar is tot op de dag van vandaag nog in subtielere vormen aanwezig.
    • Modern-symbolische vooroordelen zijn vooroordelen van mensen die denken dat ze belang hechten aan gelijkheid, maar zich verzetten tegen elke sociale verandering die de traditie zou verbreken om gelijkheid mogelijk te maken. Deze mensen geloven dat vooroordelen niet meer bestaan. Ze verwijten minderheidsgroepen zonder macht dat ze machteloos zijn door hun eigen schuld. Ze denken dat deze minderheden zich in die situatie bevinden vanwege zichzelf.
    • Welwillende vooroordelen behoren tot de perceptie dat leden van een bepaalde groep positieve eigenschappen hebben die geprezen en gewaardeerd moeten worden en die in lijn zijn met de eigen verwachtingen. Als deze mensen niet aan de normen voldoen zullen ze strenger worden beoordeeld dan anderen. Vijandige vooroordelen zijn dit negatieve oordeel over mensen die niet passen in de voorgeschreven groepsstereotypen of die de grenzen verleggen van wat mensen in hun groep ‘moeten’ doen. Ambivalente vooroordelen zijn de combinatie van welwillende en vijandige vooroordelen. Het betekent dat sommige groepsleden zeer positief worden beoordeeld, terwijl anderen zeer negatief worden beoordeeld, afhankelijk van of ze aan de verwachtingen voldoen.

    Wat is de realistische conflicttheorie?

    De realistische conflicttheorie is het idee dat vooroordelen het gevolg zijn van de rechtvaardigingen die mensen creëren om te bepalen dat hun ingroup bepaalde schaarse middelen 'verdient'. Realistische conflicten over beperkte middelen kunnen historische gebeurtenissen verklaren. Slavenhandelaren rechtvaardigden hun gedrag door het feit dat de outgroups slechter af waren dan zij en dat ze zelf ‘beter’ waren.

    Waarom gebruiken mensen zondebokken?

    Een andere theorie over vooroordelen is de frustratie-agressietheorie. Dit is het idee dat frustraties opbouwen totdat ze worden losgelaten door agressie naar zwakkere doelen die mensen de schuld kunnen geven. Frustratie kan een fysieke en mentale spanning opbouwen die moet worden losgelaten, vaak door agressie. Mensen rechtvaardigen deze agressie door een doelwit te gebruiken. Dit is waar vooroordelen in het spel komen. Ze kiezen iemand die volgens hen het verdient om gestraft te worden. De zondeboktheorie stelt dat vooroordelen het gevolg zijn van het beschuldigen van een outgroup voor je frustraties. Het beste historische voorbeeld hiervan zijn de joden als zondebok voor de nazi's.

    Wat is het stereotype contentmodel?

    Het stereotype-inhoudsmodel is het idee dat twee categorieën van oordeel, warmte en competentie, op elkaar inwerken om vier verschillende soorten vooroordelen en emotionele reacties op outgroups te vormen. Outgroups die de ingroup niet schaden zijn gemakkelijk aardig te vinden, dus ze worden gemakkelijker als warm ervaren. Ze worden echter ook als incompetent gezien. Dit wordt het paternalistische vooroordeel genoemd. Andere, belangrijkere outgroups met betere middelen worden gemakkelijker als competent gezien maar zullen tegelijkertijd gehaat worden door de dreiging die ze kunnen vormen. Dit worden jaloerse vooroordelen genoemd. Een outgroup met zowel hoge warmte als hoge competentie wordt het bewonderingsvooroordeel genoemd en een groep met zowel lage warmte als lage competentie is het minachtende vooroordeel.

    Wat zijn de gevolgen van een bevooroordeelde persoonlijkheid?

    Het behouden van een positief zelfbeeld is belangrijk voor het welzijn. Een interactionalistisch perspectief is het idee dat persoonlijkheid en situaties samen het sociale gedrag van een individu bepalen. Het richt zich op hoe verschillende persoonlijkheden betekenis geven aan situaties. Persoonlijkheid hangt samen met iemands neiging om bevooroordeeld te zijn. Een bevooroordeelde persoonlijkheid is het idee dat bepaalde eigenschappen verband houden met een algemene neiging om niet alle outgroups te mogen. Er zijn drie persoonlijkheidskenmerken die verband houden met vooroordelen over outgroups:

    • Autoritarisme: een autoritaire persoonlijkheid wordt gekenmerkt door onderwerping aan autoriteit, discipline jegens degenen die autoriteit trotseren en zich conformeren aan conventionele overtuigingen. Studies over dit onderwerp maken gebruik van double-barrelled items. Dit zijn items op een schaal die meer dan één basisidee bevatten, waardoor het voor individuen moeilijk is om te weten hoe ze moeten reageren als ze het eens zijn met een van de ideeën, maar niet met de andere. Dit is echter niet altijd de beste manier om vooroordelen te meten.
    • Oriëntatie op sociale dominantie (SDO): SDO is een voorkeur voor sociale hiërarchie en macht over outgroups. Het omvat ook de mate waarin mensen verlangen dat hun ingroup domineert en superieur is aan outgroups. Mensen met een hoge SDO hebben meer kans om onethische beslissingen te nemen.
    • Religiositeit: religiositeit is de mate waarin iemand religieus is en waarom. Religie is geen persoonlijkheidskenmerk zoals autoritarisme of SDO, maar religiositeit kan bijna wel een eigenschap zijn. Het hangt niet af van de soort religie maar van de manier waarop hun religie is verbonden met vooroordelen.

    Het verband tussen religiositeit en vooroordelen hangt af van de motivatie van mensen om religieus te zijn. Er zijn vier soorten vormen van religiositeit:

    • Intrinsieke religiositeit is het oprechte geloof in een religie en pogingen om die principes toe te passen op alledaags gedrag.
    • Extrinsieke religiositeit is het beoefenen van een geloof alleen vanwege sociale of praktische beloningen.
    • Fundamentalisme is de overtuiging dat iemands geloof de enige ware religie is, dat nieuwe kennis letterlijk moet worden genomen en dat het kwaad overal om ons heen is.
    • Religie als zoektocht is een spirituele of filosofische benadering van religie die scepsis en verkenning waardeert.

    Hoe kunnen mensen vooroordelen en discriminatie verminderen?

    Wat beschrijft de contacthypothese?

    De contacthypothese is het idee dat vooroordelen zullen afnemen bij blootstelling aan leden van een niet gewaardeerde outgroup, bedacht door Allport. Stereotypen ontstaan ​​namelijk, omdat mensen zich prettiger voelen in de omgang met mensen die op hen lijken. Dus misschien kan het beter leren kennen van de outgroups leiden tot minder vooroordelen. Als dit contact tussen groepen echter zonder toezicht verloopt, kan het averechts werken en zelfs vooroordelen versterken.

    Allport specificeerde dat interactie tussen twee vijandige groepen alleen tot minder vooroordelen zou leiden als aan vier criteria werd voldaan:

    • De groepen hebben een gelijke status.
    • Groepsleden moeten elkaar op individueel niveau kunnen leren kennen.
    • Elke gezagsdrager of leider in de situatie moet de positieve verandering van de groep ondersteunen.
    • De groepen moeten samenwerken aan een gemeenschappelijk doel waarin ze elkaar nodig hebben om te slagen.

    Voor het laatste criterium worden hogere doelen gebruikt. Dit zijn doelstellingen die niet kunnen worden bereikt zonder de medewerking van een outgroup. Ze verminderen vaak vooroordelen wanneer het doel is bereikt.

    Hoe worden hogere doelen tegenwoordig gebruikt?

    Bovengeschikte doelen moeten al tijdens de kindertijd worden gebruikt, omdat het het beste is om vooroordelen al vroeg te verminderen. Als vooroordelen bij kinderen worden verminderd of zelfs voorkomen, zullen ze de vooroordelen niet doorgeven aan de volgende generatie. Een techniek die in het onderwijs wordt gebruikt is de puzzelklas. Dit is een lestechniek waarbij leerlingen in groepen worden verdeeld die elkaar lesstof moeten aanleren. Studenten moeten op elkaar kunnen vertrouwen en samenwerken om tests te halen. Op deze manier moet iedereen bij de taak worden betrokken en moeten de studenten naar elkaar luisteren om iets te bereiken. Als ze echter niet goed presteren, kunnen ze elkaar de schuld geven, wat kan leiden tot een toename van vooroordelen.

    Een andere manier om vooroordelen op te lossen is door vriendschap. Vriendschapscontacten zijn individuele, positieve, persoonlijke interacties die vooroordelen verminderen. De kwaliteit van de vriendschap heeft een grotere invloed op de vermindering van vooroordelen dan de kwantiteit van de vriendschap.

    Access: 
    Public
    Wat is het belang van helpen en prosociaal gedrag? - Chapter 10

    Wat is het belang van helpen en prosociaal gedrag? - Chapter 10

    Wat motiveert mensen om anderen te helpen?

    Prosociaal gedrag is elke actie die wordt uitgevoerd om anderen te helpen, zowel op individueel als op groepsniveau. Mensen zijn op die manier een paradox, ze kunnen zowel nuttig zijn voor anderen als egoïstisch en schadelijk voor anderen.

    Wat is het verschil tussen puur en egoïstisch altruïsme?

    Puur altruïsme beschrijft acties die alleen worden gemotiveerd door de wens om te helpen zonder enige vorm van beloning te verwachten. Sommige mensen beweren dat puur altruïsme een mythe is en dat alle altruïsme egoïstisch altruïsme is. Dit is het helpen van anderen in ruil voor wat persoonlijk voordeel. Deze beloning hoeft niet tastbaar te zijn, maar het kan ook het goede gevoel zijn dat je over jezelf krijgt als je iets altruïstisch doet.

    Wat zijn de vier verklaringen voor prosociaal gedrag?

    Er zijn vier verklaringen waarom mensen zich prosociaal gedragen. De eerste drie zijn theorieën die samenwerken en gaan over egoïstisch altruïsme. De vierde theorie betreft puur altruïsme.

    Het eerste perspectief is het evolutionaire perspectief, delen is namelijk nodig om te overleven. Alleen de mensen die prosociaal gedrag vertoonden konden overleven en zich dus voortplanten. Er zijn een paar belangrijke elementen in dit perspectief:

    • Evolutie vereist sociale uitwisseling. De sociale uitwisselingstheorie is het idee dat mensen grotere groepen vormen vanwege wederzijds gedeelde voordelen. Sociale uitwisselingen zijn overal.
    • Evolutie maakte altruïsme sexy. In groepen is de kans groter dat egoïstische eenlingen verhongeren of door een prooi worden opgegeten. Daarnaast zijn ze niet aantrekkelijk voor de rest van de soort. Prosociaal gedrag helpt individuen te overleven door kansen te bevorderen om zich voort te planten en genen door te geven. Prosociaal gedrag helpt groepen ook om te overleven door voedsel, sociale steun en verdediging tegen vijanden te delen.
    • Evolutie maakt gebruik van verwantschapsselectie. Dit is de evolutionaire drang om degenen met een nauwere genetische verwantschap te bevoordelen. Hieraan gerelateerd is inclusieve fitness. Dit is de kans dat genetisch erfgoed behouden blijft bij het nageslacht van familieleden.
    • Evolutionair prosociaal gedrag kan wiskundig worden beschreven. Hamilton kwam met een formule die helpen voorspellen: (r x b) > c. Dit staat bekend als de regel van Hamilton en voorspelt wanneer hulp zal plaatsvinden wanneer de voordelen (b) voor onszelf of onze genetische verwanten (r) opwegen tegen de kosten (c).

    Het tweede perspectief gaat over hoe prosociale normen het helpen vergroten. Er zijn ook bepaalde aspecten aan dit perspectief:

    • Wederzijds altruïsme: sociale normen onder prosociale vampiervleermuizen. Wederzijds altruïsme is de verwachting om in de toekomst ‘terugbetaald’ te worden. Dit is te zien bij vampiervleermuizen. Ze delen bloed met andere vleermuizen in nood, in de verwachting dat ze later bloed terugkrijgen wanneer ze het nodig hebben. Ze zijn ook selectief met wie ze hun bloed delen.
    • Geloof in een rechtvaardige wereld. Verandering begint klein met één persoon die prosociaal gedrag vertoont. Deze mensen doen het niet omdat ze er iets voor terug verwachten, maar omdat ze in een rechtvaardige wereld geloven.
    • De norm voor sociale verantwoordelijkheid is het idee dat mensen elk de plicht hebben om de wereld te verbeteren door mensen in nood te helpen. Zelfs mensen die niet in een rechtvaardige wereld geloven voelen deze plicht.

    Het derde perspectief over egoïstisch altruïsme is het negatieve staatshulpmodel. Dit model stelt het idee voor dat het zien van een andere persoon in nood mensen emotioneel leed veroorzaakt en helpen die negatieve emoties vermindert. Als mensen zich om andere redenen slecht voelen, zijn ze soms ook meer bereid om anderen te helpen alleen maar om zich beter te voelen. Dit model doet drie voorspellingen over wanneer mensen meer prosociaal gedrag gaan vertonen:

    • Om negatieve emoties en percepties over zichzelf te verminderen als ze niet helpen.
    • Om hun eigen ongemak te verlichten wanneer ze anderen zien lijden.
    • Om te ontsnappen aan een slecht humeur.

    Het laatste perspectief op prosociaal gedrag betreft puur altruïsme. Dit is de empathie-altruïsme-hypothese. Dit verklaart het idee dat gevoelens van medeleven een puur onbaatzuchtige motivatie creëren om te helpen. Deze hypothese bevat de volgende aspecten:

    • Empathie: omdat vreemden empathie voelen voor anderen, willen ze hen helpen.
    • Empathie is niet genoeg: er is meer nodig om mensen authentieke hulp te bieden. Ten eerste moeten ze kunnen helpen. Ten tweede moeten ze er zeker van zijn dat hun hulp de andere persoon ten goede komt. Ten derde moeten mensen denken dat hun hulp nuttiger is dan de hulp van anderen. Dus deze hypothese stelt dat puur altruïsme mogelijk is onder de juiste omstandigheden. Het delen van attitudes en interesses kan mensen helpen sympathiseren.
    • Spiegelneuronen: empathie bestaat door spiegelneuronen. Deze neuronen reageren parallel wanneer mensen observeren dat anderen iets ervaren.
    • Spiegelneuronen vragen om empathie tussen soorten.

    Waarom zijn sommige mensen meer behulpzaam dan anderen?

    Waarom is een prosociale persoonlijkheid ingewikkeld?

    Prosociaal gedrag komt niet voort uit één persoonlijkheidskenmerk. Het is een combinatie van een aantal verschillende en kan ook worden beïnvloed door de context. Iemands persoonlijkheid bestaat uit vijf componenten, samengevat door OCEAN. Het big 5-model is een theorie dat vijf fundamentele persoonlijkheidskenmerken mensen onderscheiden en gedrag voorspellen:

    • Openstaan ​​voor ervaring
    • Consciëntieusheid
    • Extraversie
    • Aangenaamheid
    • Neuroticisme

    Aangenaamheid is de beste voorspeller of mensen behulpzaam zijn, ongeacht de omstandigheden. Hun toegenomen empathie kan ook de oorzaak zijn van hun vriendelijkheid en dus prosociaal gedrag.

    Mensen die niet behulpzaam zijn hebben vaak een combinatie van drie eigenschappen. De dark triad is een groep van drie persoonlijkheidskenmerken die verband houden met een gebrek aan ethiek en behoefte aan macht:

    • Machiavellisme: deze persoonlijkheid oefent macht uit door bedrog en manipulatie.
    • Narcisme: dit is het gevoel van recht, superioriteit en het verlangen naar dominantie.
    • Psychopathologie: dit is de hoge impulsiviteit en het zoeken naar spanning in combinatie met een laag niveau van empathie en angst.

    Welke sociale normen zijn er?

    Sociale normen sturen een groot deel van prosociaal gedrag. Er zijn drie belangrijke normen die duidelijk zijn in elke samenleving en cultuur:

    • Religieuze normen: waarom mensen religieus zijn beïnvloedt hoe mensen religieus zijn. Tot welke religie men behoort maakt dus niet uit, maar hun motieven zijn belangrijk. Mensen met intrinsieke religiositeit vertoonden meer prosociaal gedrag dan degenen die religie als een zoektocht zien. De omstandigheden waarin iemand zich bevindt hebben echter ook invloed op het effect van religieuze normen op het helpen. Morele hypocrisie is wanneer iemands gedrag niet overeenkomt met hun morele en ethische normen. In tegenstelling tot morele hypocrisie, is morele integriteit wanneer mensen gemotiveerd zijn om hun eigen gestelde moraal en ethiek na te leven.
    • Gendernormen: er zijn verschillende verwachtingen van mannen en vrouwen in elke cultuur. Gendersocialisatie is de verwachte gedragspatronen die geschikt worden geacht voor mannen en vrouwen. Dit omvat wanneer en hoe iemand behulpzaam kan zijn. De sleutel tot gendersocialisatie is keuzevrijheid. Dit is een stereotiep mannelijk georiënteerd gedragspatroon dat de nadruk legt op meesterlijk, assertief, competitief en dominant zijn. Voor vrouwen is dit communie. Een stereotiep op vrouwen georiënteerd gedragspatroon dat de nadruk legt op vriendelijk, onzelfzuchtig, op anderen gericht en emotioneel expressief zijn. Deze twee patronen komen in veel culturen voor. Gelukkig zijn de genderverwachtingen de afgelopen decennia veranderd en worden mannen en vrouwen gelijker behandeld.
    • Culturele normen: prosociaal gedrag kan sterk verschillen tussen culturen. Het prosociale gedrag kan op dezelfde manier worden uitgedrukt, maar de redenen of motieven kunnen verschillend zijn. Er kunnen verschillende cultuurspecifieke paden zijn naar prosociaal gedrag. Onderwijs is onderdeel van cultuur en ook scholen kunnen invloed hebben op prosociaal gedrag. Prosociaal moreel redeneren is het vermogen om morele dilemma's te analyseren waarin de behoeften van twee of meer mensen met elkaar in strijd zijn en waar formele regels ontbreken. Dit kan op school worden geleerd.

    Welke omstandigheden maken helpen meer of minder waarschijnlijk?

    Wanneer is helpen het meest waarschijnlijk?

    Het lijkt vanzelfsprekend dat hoe meer mensen aanwezig des te meer hulp iemand krijgt. Dit blijkt echter onjuist te zijn. De urban overload hypothese is het idee dat mensen in steden sociale interacties vermijden, zoals het helpen van vreemden, omdat ze overweldigd worden door het aantal mensen dat ze elke dag tegenkomen. Dus aangezien er meer mensen in steden zijn, moeten ze irrelevante informatie zoals voorbijgangers eruit filteren en zich concentreren op de belangrijke dingen. Hun aandacht zal niet uitgaan naar de mensen om hen heen die hulp nodig zouden kunnen hebben, ook al zijn er juist veel mensen in nood, omdat er zoveel mensen in de stad zijn.

    Het omstandereffect kan verklaren waarom mensen anderen niet helpen, ook al is er maar één persoon in nood. Het omstandereffect is de bevinding dat de kans om geholpen te worden in een noodsituatie negatief gecorreleerd is met het aantal mensen dat er getuige van is, waarschijnlijk als gevolg van diffusie van verantwoordelijkheid. Mensen voelen zich minder verantwoordelijk als er anderen zijn die voor hetzelfde verantwoordelijk zijn. De #metoo-beweging kan dit effect echter ondermijnen. Deze beweging heeft slachtoffers in staat gesteld om seksueel geweld te melden. Hierdoor voelden andere slachtoffers zich gemotiveerd om ook hun verhaal te delen. Het erkennen van individuele slachtoffers en het benadrukken dat het tegengaan van seksueel geweld voor iedereen belangrijk moet zijn, is essentieel om mensen zich persoonlijk verantwoordelijk te laten voelen wanneer ze de mogelijkheid hebben om het te voorkomen.

    Er zijn ook andere uitzonderingen op de regel waarbij het omstandereffect niet optreedt. In gevaarlijke situaties kan de aanwezigheid van anderen ervoor zorgen dat mensen zich veiliger voelen om te handelen en te helpen. Als mensen alcohol hebben gedronken, is de kans groter dat ze helpen, ongeacht hoeveel mensen er in de buurt zijn.

    Waarom helpen mensen anderen die ze leuk vinden of op hen lijken?

    Mensen zijn eerder geneigd om anderen te helpen die ze aardig vinden of die op hen lijken. Dit is logisch in het geval van vrienden en familie, maar het gebeurt ook met volslagen vreemden die er gewoon hetzelfde uitzien. Gelijkenis kan om verschillende redenen prosociaal gedrag bevorderen:

    • Mensen vertrouwen op beschikbare informatie om te beslissen wie op hen lijkt.
    • Mensen brengen meer tijd door met anderen die tot hun ingroup behoren.
    • Selectief tijd doorbrengen bevordert positieve evaluaties van ingroups en negatieve evaluaties van outgroups.
    • Mensen zijn eerder geneigd anderen te helpen die volgens hen op hen lijken: leden van hun ingroup.

    Wat is het vijfstappenmodel van helpen?

    Latané en Darley stelden een vijfstappenmodel voor om de omstandigheden te verklaren die tot prosociaal gedrag leiden. Mensen zijn eerder geneigd om te helpen als ze de volgende vijf vragen positief beantwoorden:

    1. Heb je de gebeurtenis opgemerkt? De persoon moet zich bewust zijn van de andere persoon en dat deze persoon in nood is.
    2. Heb je de gebeurtenis geïnterpreteerd als een noodgeval? De persoon moet er zeker van zijn dat zijn hulp nodig is.
    3. Heb je verantwoordelijkheid genomen? Als mensen zich verantwoordelijk voelen, wordt de kans groter dat ze helpen.
    4. Wist je hoe je kon helpen? De persoon moet ook in staat zijn om te helpen zonder zichzelf in gevaar te brengen.
    5. Heb je besloten om te helpen? Na het overwegen van de eerste vier vragen, kan de persoon de kosten en de baten van helpen vergelijken.
    Access: 
    Public
    Waarom zijn mensen agressief? - Chapter 11

    Waarom zijn mensen agressief? - Chapter 11

    Wat is agressie?

    Agressie is gedrag dat bedoeld is om anderen te schaden die niet gekwetst willen worden. Het kan geen agressie zijn waneer er een logische reden voor is, zoals een kind laten vaccineren of een pijn hebben tijdens het boksen. Gerelateerd hieraan is cyberpesten, agressie via elektronische outlets zoals sociale media.

    Hoe kunnen typologieën helpen bij het definiëren van agressie?

    Typologieën worden gebruikt om lange lijsten in categorieën in te delen. Het zijn categorische systemen die mensen helpen bij het organiseren van complexe maar gerelateerde evenementen. Er zijn vier typologieën voor agressie.

    • Typologie 1 is agressie-inhoud. Dit betreft de soorten gedragsagressie. Fysieke agressie is het opzettelijk schade toebrengen aan iemands lichaam of eigendom. Verbale agressie is het gebruik van communicatie om anderen te schaden. Ten slotte is relationele agressie anderen schade toebrengen door hun sociale netwerken te beschadigen.
    • Typologie 2 betreft vormen van agressie. In dit geval wordt agressie onderverdeeld in fysieke of verbale, directe of indirecte en actieve of passieve agressie. Deze categorieën kunnen elkaar echter overlappen en er is niet altijd een duidelijk onderscheid tussen.
    • De derde typologie, typologie 3, identificeert motivaties voor agressie. Vijandig-reactieve agressie is een impulsieve, op emoties gebaseerde reactie op waargenomen bedreigingen. Dit kan worden veroorzaakt door negatieve gevoelens zoals jaloezie of woede. Instrumenteel-proactieve agressie daarentegen is een doordachte of op redenen gebaseerde beslissing om andere mensen schade toe te brengen om middelen zoals territorium, geld of sociale status te verwerven. Deze twee typen kunnen worden gezien als twee uitersten van één spectrum.
    • Typologie 4 betreft microagressie. Dit wordt gedefinieerd als subtiel gedrag of beledigingen die groepsleden marginaliseren of negatief stereotyperen. Ze omvatten micro-insulten, micro-aanvallen en micro-invalidaties.

    Alle typologieën overlappen elkaar. Daarom zijn ze geïntegreerd in het General Aggression Model (GAM). Dit model is de theorie dat agressie een ontwikkelingsproces is, inclusief biologische reacties op de omgeving, cognitieve verwerking en beslissingen over hoe zich te gedragen. Elke factor heeft een andere invloed in de verschillende stadia van agressie. Agressie ontwikkelt zich namelijk in drie fasen:

    1. Inputs; dit zijn factoren in de directe omgeving.
    2. Routes; dit is hoe inputs cognitief worden verwerkt.
    3. Uitkomsten; dit zijn de gedragingen als resultaat van de inputs en routes.

    Waarom blijft agressie bestaan?

    Agressie is in elk deel van de geschiedenis aanwezig en wordt tot op de dag van vandaag overal gezien. Vroeger gebruikten mensen religie vaak om geweld te rechtvaardigen. Het leek misschien alsof er niet veel agressie was, het werd echter alleen op een andere manier uitgelegd. Dit is te zien aan de vele oorlogen die in de geschiedenis zijn uitgevochten. Tegenwoordig hebben mensen veel meer middelen om nieuwe manieren van agressief zijn te ontwikkelen zoals atoombommen. Dus mensen zijn efficiëntere moordenaars dan onze voorouders, maar de agressieve impulsen zijn niet veranderd.

    Er zijn bepaalde manieren waarop agressie zich ontwikkelt. Het escalatie-van-agressie-effect is de neiging van agressie om in een situatie een vicieuze cirkel te vormen en toe te nemen. Een ander model, het model met drie fasen van provocatie, stelt voor dat gedachten, gevoelens en gedragingen samen bijdragen aan de escalatie van agressie in drie fasen.

    1. Eerst leidt provocatie niet tot een zeer agressieve reactie. De cognitieve reactie is ergernis.
    2. Ten tweede ervaren mensen bozere gedachten. Ze raken emotioneel opgewonden en worden assertiever in de verbale interactie.
    3. Tot slot worden de gedachten vertroebeld door vooringenomen waarnemingen en overdreven reacties. Een golf van adrenaline en woede is het gevolg. In dit geval reageren mensen met een fysieke of verbale aanval.

    Waarom neemt de wereldwijde agressie af?

    In de afgelopen eeuwen is het wereldwijde geweld afgenomen en neemt het nog steeds af. Een verklaring zou kunnen zijn dat mensen intelligenter zijn geworden en dat dit heeft geleid tot een afname van de behoefte aan geweld. Mensen zijn efficiëntere moordenaars geworden, maar hun daadwerkelijke moorden zijn afgenomen.

    Waarom zijn mensen agressief?

    Wat zijn de biologische invloeden op agressie?

    Er is een evolutionaire verklaring voor waarom mensen agressief zijn, het helpt mensen te overleven zodat ze zich kunnen voortplanten. Genetisch determinisme is het idee dat alleen genetische invloed de gedragsuitkomst bepaalt. Genen zijn echter vaak niet de enige verklaring. Iedereen erft vier mogelijke agressie-gerelateerde biologische reacties wanneer ze een bedreiging ervaren. Als gevolg van een adrenalinestoot gaan mensen vechten of vluchten. Voor beide opties is energie nodig. De derde optie is bevriezen waarbij mensen en andere dieren stoppen met bewegen om de dreiging te misleiden en ongemerkt voorbij te laten gaan. De vierde optie is de verplegen en vriendschap sluiten. In dit geval proberen mensen vriendschap te sluiten met anderen om de dreiging te verminderen.

    Een andere biologische factor is de hartslag. Een lage hartslag in de vroege adolescentie is een goede voorspeller van meer delinquentie in de jongvolwassenheid. Een verklaring zou kunnen zijn dat mensen met een lage hartslag minder gevoelig zijn voor de negatieve gevolgen van hun gedrag. Zodat ze minder empathie of moreel bewustzijn zouden kunnen hebben. Een andere verklaring is dat een lager moreel geweten en gebrek aan impulscontrole symptomen zijn van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit hangt ook samen met agressie.

    Alcohol is een andere biologische factor. De alcoholontremmingshypothese stelt dat alcohol het vermogen van de hersenen om gewelddadig gedrag te onderdrukken verstoort door angst te verminderen en het vermogen om een ​​situatie nauwkeurig in te schatten aantast. Mensen die alcohol hebben gedronken vinden het ook moeilijker om sympathie voor anderen te voelen en handelen daarom sneller agressief.

    De laatste biologische factor bij agressie is testosteron. Dit is het mannelijke hormoon. Onderzoekers vonden een positieve correlatie tussen agressie en testosteron. De effecten van testosteron veranderen gedurende het hele leven. Er is echter geen causaal verband gevonden.

    Wat zijn de culturele invloeden op agressie?

    Cultuur kan een verklaring zijn voor groepsverschillen in agressie. Een cultuur van eer is een cultuur waarin mensen, vooral mannen, de neiging hebben om beledigingen te zien als een bedreiging voor hun mannelijkheid en vaak tot agressie overgaan. Dit is vooral zichtbaar in culturen waar ze leren dat geweld mannelijk is en belangrijk voor iemands sociale status.

    Gerelateerd aan het belang van mannelijkheid in een cultuur zijn genderrollen. Onderzoekers ontdekten dat in culturen waar de gelijkheid tussen de seksen toenam, het slachtofferschap van vrouwen afnam. Dit leidde echter soms ook tot meer mannelijk slachtofferschap. Mannen kunnen zich bedreigd voelen wanneer vrouwen meer macht krijgen, zodat ze zich agressief gaan gedragen. Een voorbeeld is de arbeidsparticipatie van vrouwen in Zweden die het hoogste is in Europa, maar tegelijkertijd is het aantal gemelde verkrachtingen ook het hoogste van Europa. Fysieke agressie is meer zichtbaar bij mannen en verbale agressie meer bij vrouwen.

    Agressie vind je ook in de sportcultuur. Niet op de manier waarop mensen elkaar pijn mogen doen zoals bij boksen, want dan zou het geen agressie zijn, maar op een manier die buiten de regels van de sport valt. Ook het publiek van de sport, de fans, kan door de rivaliteit agressief gaan optreden. Een andere opvallende bevinding in de sportcultuur was dat teams die in zwarte outfits speelden agressiever gedrag vertoonden. Dit wordt ook vertaald naar andere delen in de cultuur waar zwart als slecht wordt gezien. Zo worden zwarte kinderen vaker ontmenselijkt dan blanke kinderen. Ontmenselijking vindt plaats wanneer een persoon wordt gezien als een persoon zonder positieve menselijke eigenschappen en meer als een dier of object wordt gezien.

    Gelukkig kan sport ook een positief effect hebben op de cultuur. Het kan een uitlaatklep zijn voor mensen, zodat ze zich niet agressief gaan gedragen in situaties waarin het ongepast is.

    Wat zijn de situationele invloeden op agressie?

    Er zijn vier vrij voor de hand liggende situationele triggers voor agressie die bijna iedereen zal herkennen. Want naast de genetische en culturele invloeden kan ook de context een belangrijke rol spelen bij het uiten van agressie.

    • Oorlogshysterie en morele paniek: oorlogshysterie is een soort morele paniek wanneer een bepaalde groep als vijand wordt bestempeld of als slecht wordt bestempeld of wordt afgeschilderd als iemand die het verdient om gestraft te worden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog gingen jonge Britse mannen bijvoorbeeld het leger in, omdat ze dachten dat het doden van de vijand moed zou tonen en noodzakelijk was voor een hoger nobel doel.
    • Modelleren van agressieve rolmodellen: er zijn positieve correlaties gevonden tussen televisiegebruik of gamen en agressie, maar geen causale correlaties. Er kan dus niet worden gesuggereerd dat het kijken naar televisie of het spelen van games ervoor kan zorgen dat mensen zich agressiever gaan gedragen. Uit een gecontroleerd experiment bleek echter dat kinderen agressiever gedrag zouden vertonen als ze een voorbeeld zouden zien of een rolmodel hadden dat ook agressief gedrag vertoonde. Ze ontdekten ook dat jongens over het algemeen agressiever waren dan meisjes, maar beide geslachten waren allebei gemotiveerd om het gedrag van hun 'voorbeeld' in verschillende mate te kopiëren. Als agressie beloond zou worden voor zowel het voorbeeld als het eigen gedrag van de kinderen, zouden ze ook meer agressie vertonen.
    • Mediageweld: agressie is niet alleen in het echt te zien, maar ook online of op televisie. Er zijn drie psychologische processen die op korte termijn kunnen leiden tot een toename van agressie. De eerste is dat priming bestaande herinneringen en mentale verbindingen kan activeren. Ten tweede is het nabootsen of kopiëren van de agressieve reacties van anderen. Ten slotte kunnen veranderingen in fysiologische opwinding op korte termijn meer agressie veroorzaken. Redenen voor langdurige toename van agressie zijn onder meer observerend leren, desensibilisatie en verminderde sympathie.
    • Omgevingsfactoren: de eerder genoemde GAM is een goed model om agressie te beschrijven en er nieuwe vragen over te bedenken. Verschillende omgevingssignalen kunnen vergelijkbare effecten hebben. Dit komt omdat agressie begint met input die bepaalde mentale routes neemt om de input te verwerken en vervolgens tot agressief gedrag leidt. Een omgevingssignaal zou de aanwezigheid van wapens kunnen zijn. Het wapeneffect is de neiging van de aanwezigheid van een wapen om agressieve gedachten, gevoelens en gedragingen op gang te brengen. Een ander omgevingskenmerk is alcohol. Zelfs afbeeldingen van alcohol kunnen agressie in je hersenen veroorzaken. Het laatste omgevingskenmerk is warmte. Hoe warmer de omgeving, hoe groter de kans dat mensen agressief gedrag gaan vertonen. Ook deze bevinding is echter alleen correlatief en niet causaal.

    Hoe kunnen mensen agressie beheersen of zelfs verminderen?

    Hoe werkt catharsis?

    De oorspronkelijke frustratie-agressietheorie stelde voor dat frustratie tot agressie kan leiden. Uit deze theorie kwam de catharsis-hypothese. Dit is het idee dat het doelbewust aangaan van kleine agressie groter agressief gedrag in het algemeen zal verminderen. Dit klinkt logisch, maar het werkt niet altijd. Het kan mensen ook stimuleren om bozer te worden of in een slechtere stemming te komen. In dit geval bevordert catharsis alleen agressie. Het kan goed voelen om je frustratie te uiten door agressie, maar dit gevoel is vaak van korte duur.

    Culturen van vrede zijn mogelijk. Er zijn culturen die nog steeds competitief zijn, maar vreedzame relaties kunnen hebben. Er zijn veel vormen van vrede en ze kunnen allemaal bijdragen aan het verminderen van culturele agressie. In de journalistiek wordt vaak alleen het slechte nieuws gerapporteerd. Dit in tegenstelling tot vredesjournalistiek. Dit is de berichtgeving die gericht is op het beëindigen van conflicten en de oorzaken ervan in plaats van de nadruk te leggen op agressie. Dit type journalistiek kan ook bijdragen aan minder agressie als het wijdverbreid is.

    Zoals onderzoekers ontdekten dat kinderen agressief gedrag kopiëren van rolmodellen, kunnen ze ook goed gedrag kopiëren. Het is dus belangrijk om een ​​goed, geweldloos voorbeeld te geven aan de volgende generatie, zodat de cyclus van voortdurende agressie misschien kan worden doorbroken of op zijn minst kan worden verminderd. De media spelen een belangrijke rol bij deze oplossing. Ze hebben een enorm publiek, dus het is belangrijk dat zij de juiste boodschap overbrengen.

    Access: 
    Public
    Wat is het belang van intieme relaties? - Chapter 12

    Wat is het belang van intieme relaties? - Chapter 12

    Wat veroorzaakt aantrekkingskracht?

    Bijna iedereen voelt zich aangetrokken tot andere mensen. Soms zonder te begrijpen waarom. Dit kan worden veroorzaakt door situationele voorspellers of factoren die verband houden met fysieke aantrekkingskracht. 

    Wat zijn de situationele voorspellers van aantrekkingskracht?

    De vergelijking van Lewin kan worden aangepast om te werken voor aantrekking. De oorspronkelijke formule is B = ƒ(P, E) en in het geval van aantrekking kan B worden vervangen door A (aantrekking).

    'Tegenpolen trekken elkaar aan' is een beroemd citaat, maar onderzoek in de sociale psychologie heeft uitgewezen dat het tegenovergestelde waar is. De gelijkenis-aantrekkelijkheidshypothese beschrijft de neiging om relaties aan te gaan met mensen met vergelijkbare attitudes, waarden, interesses en demografie. Dit geldt zowel voor romantische relaties als voor vriendschappen. In het geval van romantische relaties wordt dit fenomeen ook wel assortative mating genoemd. Een verklaring voor deze hypothese zou kunnen zijn dat mensen zich vaak in hun eigen groep bevinden, dus bij mensen die al op hen lijken. De kans is dus groter dat ze daar hun vrienden of partner vinden. Een andere verklaring is dat mensen willen daten met iemand die hun interesses deelt zodat het gemakkelijker is om te communiceren en activiteiten te plannen. Overeenkomsten verminderen ruzies tussen koppels. Aan de andere kant kan het anders zijn en verschillende kwaliteiten hebben mensen ook helpen om van elkaar te leren en te groeien.

    Een andere situationele factor is mere exposure. Dit is de neiging van mensen om de voorkeur te geven aan bekende objecten en individuen, vooral als de blootstelling eraan toeneemt. Het wordt het nabijheidseffect genoemd als het gaat om de neiging van mensen om van anderen te houden die zich dicht bij hen bevinden, vanwege het mere exposure effect. Belangrijk om op te merken voor beide effecten is dat de eerste indruk van het object of de persoon neutraal of positief moet zijn om deze effecten te laten werken. Een onderzoek dat hieraan gerelateerd is, is de Westgate Housing Study. Dit was een onderzoeksproject naar hoe sympathie toeneemt op basis van fysieke nabijheid en mere exposure aan de buren. Er zijn twee soorten blootstellingen gevonden in dit appartement. De eerste was fysieke afstand; hoe ver twee mensen van elkaar verwijderd zijn. De tweede was functionele afstand; hoe vaak twee mensen elkaar zien vanwege zaken als architectonisch ontwerp.

    Wanneer mensen zich seksueel tot anderen aangetrokken voelen ervaren ze fysiologische opwinding, de laatste situationele voorspeller van aantrekking. Deze opwinding kan echter ook door andere factoren worden veroorzaakt. De verkeerde attributie van opwinding is de neiging van mensen om aan te nemen dat fysiologische reacties op hun omgeving echt te wijten zijn aan seksuele aantrekking tot een andere persoon. Nauw verwant hieraan is het excitatie-overdrachtseffect. Dit is de neiging om opwinding over een situatie te interpreteren als opwinding over een andere persoon.

    Wat zijn de fysieke voorspellers van aantrekking?

    Onderzoekers hebben ontdekt dat bepaalde fysieke kenmerken die algemeen als aantrekkelijk worden beschouwd, waarschijnlijk voortkomen uit overgeërfde instincten. De voorkeur voor deze eigenschappen kan onbewust gebeuren. Een ding dat mensen vaak als mooi ervaren, is symmetrie, zowel in het lichaam als in het gezicht. Bilaterale symmetrie komt voor wanneer de linker- en rechterhelft van een gezicht of lichaam overeenkomen; symmetrie is positief gecorreleerd met waargenomen aantrekkelijkheid. Dit kan een evolutionaire verklaring hebben, omdat symmetrie een indicator kan zijn voor genetische kwaliteit.

    Naast symmetrie kan slechts ‘gemiddeld’ zijn ook een positieve eigenschap zijn. Een gemiddeld of samengesteld gezicht is een door de computer gegenereerd gezicht dat is gemaakt door verschillende individuele gezichten te combineren. Gemiddelde gezichten worden vaak als aantrekkelijker gezien dan individuele gezichten. Er zijn drie mogelijkheden waarom gemiddelde gezichten aantrekkelijk zijn:

    • Het kan een procedureel artefact zijn. Dit is een bevinding die het resultaat is van hoe een onderzoeker het experiment heeft uitgevoerd, in plaats van de introductie van de onafhankelijke variabele.
    • Gemiddelde gezichten zijn misschien alleen aantrekkelijk, omdat ze ook meer symmetrisch zijn.
    • Gemiddelde gezichten passen bij onze culturele verwachtingen. De meeste mensen voelen zich aangetrokken tot wat hun cultuur en media vertellen wat aantrekkelijk is.

    De taille-tot-heupverhouding is de verhouding tussen de middelomtrek en de heupomtrek die vaak een rol speelt bij het bepalen van de aantrekkelijkheid van het vrouwelijk lichaam. In de meeste culturen is de gewenste verhouding 0,70. voor mannenlichamen wordt de taille-tot-schouders-verhouding gebruikt. Dit is de verhouding tussen taillebreedte en schouderbreedte, die een rol speelt bij het bepalen van de aantrekkelijkheid van het mannelijk lichaam. Dit aantal ligt vaak tussen de 0,70 en 0,75.

    Hoe besluiten mensen zich aan een bepaalde relatie te binden?

    Er zijn veel modellen die beschrijven hoe mensen hun partners kiezen, maar er zijn drie modellen die het meest bekend zijn.

    Wat is Sternbergs driehoekstheorie van liefde?

    Sternbergs driehoekstheorie van liefde suggereert dat alle intieme relaties bestaan ​​uit een combinatie van:

    • Intimiteit: de emotionele component dat is het gevoel van nabijheid, verbinding, binding en warmte jegens een partner.
    • Passie: de fysieke, de motiverende of het gedragscomponent die de seksuele drang of aantrekking tot een partner is.
    • Commitment: de cognitieve component die een doordachte, beredeneerde beslissing is om bij een bepaalde partner te blijven.

    Als geen van de drie componenten aanwezig is in een relatie wordt het niet-liefde genoemd en als ze alle drie aanwezig zijn is het volledige of perfecte liefde. De meeste relaties vallen tussen deze twee uitersten.

    Wat is de gehechtheidstheorie?

    De gehechtheidstheorie is het idee dat onze vroege gezinsomgeving ons vermogen beïnvloedt om gezonde volwassen relaties aan te gaan en te onderhouden. Bowlby ontwikkelde de test voor vreemde situaties. Dit is de experimentele methode waarbij een moeder en kind in een kamer worden geobserveerd terwijl de moeder weggaat en terugkeert of in de kamer zelf waar dit gebeurt. Door dit experiment werden drie hechtingsstijlen gevonden. Een hechtingsstijl is het patroon van vertrouwen en zelfvertrouwen binnen relaties. De drie stijlen zijn:

    • Veilig: komt van ondersteunende ouders en verandert in een gezonde volwassenheid.
    • Angstig-ambivalent: komt van inconsequente ouders en leidt tot een lager zelfbeeld.
    • Vermijdend-angstig: komt van gewelddadige ouders, wat ertoe leidt dat mensen in het algemeen langdurige verbintenis met anderen vermijden wanneer ze opgroeien.

    Een nieuw model stelt vier stijlen voor in plaats van drie. Op basis van de twee vragen ‘Heb ik een positief of negatief beeld van mezelf?’ en ‘Heb ik een positief of negatief beeld van anderen?’ worden vier mogelijke uitkomsten gevormd:

    • Veilig: de antwoorden op beide vragen zijn positief.
    • Afwijzend: het antwoord op de eerste vraag is positief en op de tweede negatief.
    • Preoccupatie: het antwoord op beide vragen is negatief.
    • Angstig: het antwoord op de eerste vraag is negatief en op de tweede positief.

    Wat is de onderlinge afhankelijkheid en het investeringsmodel?

    De interdependentietheorie is in het leven geroepen om erachter te komen hoe mensen over hun partner beslissen. Dit is een model dat de betrokkenheid van relaties voorspelt op basis van hoe tevreden elke partner is en wat hun alternatieven zijn. Er zijn twee voorspellers van commitment. De eerste is tevredenheid. Dit is de perceptie of iemands romantische relatie beter of slechter is dan gemiddeld. De tweede voorspeller van commitment zijn alternatieven. Dit is het aantal en de kwaliteit van andere opties die iemand heeft als zijn huidige relatie is beëindigd. De interactie tussen beide is belangrijk. Als iemand meer alternatieven had, zou hij minder toegewijd kunnen zijn en andersom. Dit wordt de afwijzing van alternatieven genoemd; de neiging van zeer toegewijde mensen om mogelijke alternatieven te downgraden en zo verleiding te vermijden.

    Het investeringsmodel stelde een derde voorspeller van commitment voor: investeringen. Investeringen zijn de tijd, energie en middelen die in een relatie worden gestoken die verloren zouden gaan als de relatie zou eindigen. Investeringen hangen positief samen met commitment. Het investeringsmodel voegt deze derde component toe als een even belangrijke voorspeller van commitment, samen met tevredenheid en alternatieven.

    Hoe beïnvloeden gender en cultuur relaties?

    Mensen reageren op vergelijkbare manieren op ervaringen uit de kindertijd en huidige situaties. Er zijn echter meer invloeden op hoe mensen denken en handelen, zoals cultuur en gender.

    Wat is de invloed van gender op relaties?

    Geloven in het bestaan ​​van slechts twee geslachten is een valse tweedeling. Dit systeem negeert mensen met ‘intersekse’ aandoeningen. Evenzo is alleen rekening houden met hetero- of homoseksuele mensen ook onjuist. Biseksueel is dan ook onjuist omdat het ook maar naar twee geslachten verwijst. Een betere omschrijving is panseksueel. Dit is de seksuele aantrekking tot bepaalde individuen, ongeacht hun sekse of gender. Het kan worden gezien als de bijgewerkte versie van biseksualiteit. Dus zowel sekse als seksuele geaardheid moeten als een spectrum worden gezien.

    Mannen en vrouwen verschillen in hun gevoelens van jaloezie. Mannen zouden vaak jaloerser zijn op seksuele ontrouw en vrouwen zouden meer van streek zijn door emotionele ontrouw. Een evolutionaire verklaring zou de onzekerheid over het vaderschap kunnen zijn. Dit is de angst van mannen over twijfel of een kind genetisch van hen is. Dit zou de reden kunnen zijn waarom mannen meer overstuur zouden zijn over seksuele ontrouw.

    Mannen en vrouwen verschillen ook in promiscuïteit. Promiscuïteit is het aantal seksuele partners dat men heeft. Het stereotype in veel culturen is dat mannen meer seks en meer sekspartners willen dan vrouwen. Als door een vreemde wordt gevraagd om naar huis te gaan om seks met iemand te hebben gaan mannen vaker mee dan vrouwen. Een evolutionaire verklaring voor deze bevinding kan een ouderlijke investering zijn. Dit is de hoeveelheid tijd, moeite en fysieke middelen die een individu nodig heeft om genetische nakomelingen te produceren en groot te brengen. Dit is veel hoger voor vrouwen dan voor mannen. Dit maakt het dus makkelijker voor mannen om meer bedpartners te hebben. Het maakt het ook logischer voor vrouwen om één toegewijde partner te vinden om hen te helpen dan meerdere sekspartners. Een andere verklaring kan een culturele verklaring zijn. Veel culturen accepteren meer dat mannen meer sekspartners hebben dan vrouwen. Er zijn dubbele normen voor beide geslachten en daarom worden vrouwen strenger beoordeeld. Hiervoor zijn drie mogelijke verklaringen:

    • Ouderlijke investering.
    • Seksuele dubbele moraal op basis van cultuur.
    • Bezorgdheid van vrouwen over veiligheid en aanranding.

    De meeste onderzoeken richten zich op heteroseksuele relaties, omdat de meeste relaties heteroseksueel zijn. Het aantal homoseksuele relaties neemt echter toe. Het is dus belangrijk om ook naar die relaties te kijken. Er zijn namelijk een paar verschillen tussen deze relaties. Homomannen voelen zich vaker betrokken bij een relatie die gebaseerd is op materiële investeringen en geven meer om immateriële investeringen zoals opofferingen om samen te zijn. De neiging tot gelijkenis is daarentegen meer zichtbaar in heteroseksuele relaties. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat homo's minder keuze hebben in hun partners, waardoor de kans kleiner is dat ze een vergelijkbare partner zullen vinden. The field of eligibles datums zijn de potentiële keuzes en partners die beschikbaar zijn voor een persoon die geen toegewijde romantische relatie heeft, op basis van de criteria van die persoon voor een romantische partner. The field of eligbles is dus kleiner voor homo's.

    Wat is de invloed van cultuur op relaties?

    Er zijn drie stellingen gevonden in een onderzoek naar het effect van cultuur op relaties.

    • 'Romantische liefde' wordt belangrijker gevonden in individualistische culturen. Of familie een gekozen partner goedkeurt, is bijvoorbeeld belangrijker in collectivistische culturen waar mensen in individualistische culturen voor zichzelf kiezen.
    • Mensen uit individualistische culturen verwachten een hogere mate van emotionele intimiteit van hun partners.
    • Individualistische verwachtingen van romantiek en intimiteit kunnen leiden tot problemen binnen relaties.

    Een voorbeeld dat duidelijker naar voren komt in collectivistische relaties is het gearrangeerde huwelijk. Dit is een huwelijk dat is gepland door de families van het koppel, vaak om pragmatische redenen zoals gelijkenis of financiële voordelen. Als de mensen die gaan trouwen het gevoel hebben dat ze een keuze of enige controle over de uiteindelijke beslissing hadden, zijn ze gelukkiger in hun huwelijk.

    Of mensen ervoor kiezen om te trouwen of niet en wat hun verwachtingen van het huwelijk zijn verschilt ook per cultuur. Noord-Amerikanen geloven bijvoorbeeld dat liefde een noodzakelijk onderdeel is van het huwelijk. Dit is minder duidelijk te zien in Aziatische culturen. Deze bevindingen verschillen niet veel tussen de geslachten.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: this content refers to
    Psychology and behavioral sciences - Theme
    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Sociale psychologie en sociale relaties: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries

    Image

    Share: this page!
    Follow: Psychology Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    3888 1
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector