Welke conclusies kunnen we aan de hand van voorgaande chapters trekken? - Chapter 16

Dit chapter bevat een integratief kader van de zeven thema's die door het hele boek heen naar voren zijn gekomen.

Wat kunnen we concluderen over de invloed van genen en omgeving?

Als de prenatale ontwikkeling normaal verloopt, lijkt het alsof dit eenvoudigweg de ontplooiing is van aangeboren potentie, waarbij de omgeving niet van belang is. Echter, als het mis gaat is het overduidelijk dat nature en nurture interacteren. Te denken valt aan teratogenen, schadelijke stoffen waar het kind in de baarmoeder mee te maken kan krijgen. In welke mate er negatieve effecten optreden, is afhankelijk van genen en andere omgevingsfactoren, zoals timing.

Een bepaalde nature roept ook een bepaalde nurture op. Baby’s die schattig zijn, motiveren mensen in de omgeving bijvoorbeeld om met hen te spelen en interacteren. Ook timing is belangrijk, normale ontwikkeling van bepaalde vaardigheden kan alleen wanneer een kind gedurende een specifieke periode wordt blootgesteld aan relevante ervaringen. Gebeurt dit niet, dan kan een ontwikkelingsachterstand ontstaan wat betreft perceptie, taal, intelligentie, emoties en sociaal gedrag.

Veel genetisch beïnvloede eigenschappen komen pas naar voren gedurende de latere kindertijd, adolescentie of volwassenheid. Denk hierbij aan de fysieke veranderingen die ontstaan in de puberteit, of het ontstaan van bijziendheid in de latere kindertijd of vroege adolescentie. Ook schizofrenie komt vaak pas later tot uiting. Bij al deze eigenschappen is ook weer een interactie tussen nature en nurture van belang.

Al met al lijkt het er dus op dat alles elkaar beïnvloedt. Genen, eigenschappen en gedragsneigingen interacteren met de nurture die kinderen ontvangen op verschillende manieren. Op die manier ontstaan zelfbeeld, intellect, acties en andere kwaliteiten.

Wat kunnen we concluderen over de rol van kinderen in hun eigen ontwikkeling?

Al voor de geboorte leren kinderen onderscheid te maken tussen verschillende stimuli en ook als ze net geboren zijn focussen ze al selectief op bepaalde interessante objecten. Hun acties ontlokken ook weer reacties van andere mensen, waarmee ze hun ontwikkeling verder vormgeven. Deze mogelijkheid om te interacteren met de omgeving wordt erg versterkt gedurende het eerste levensjaar, doordat de kinderen dan bewegende objecten leren volgen met hun ogen en ze leren kruipen, zodat ze actief de omgeving kunnen verkennen. Naarmate de ontwikkeling voortduurt, leren kinderen praten en oefenen dit ook wanneer er niemand is om het te horen. Later leren ze conversaties aan te gaan waarmee ze informatie kunnen verkrijgen en waarin ze hun gevoelens kunnen uiten. Nog weer later bepalen de keuzes van het kind met betrekking tot hun vrienden of zij geneigd zullen zijn om crimineel gedrag te vertonen, te drinken of drugs te gebruiken.

Al gedurende het eerste levensjaar ontwikkelen kinderen een gevoel voor wat mogelijk is in de fysieke wereld. Dit wijst op een verlangen om de wereld te leren begrijpen, wat kinderen motiveert om informele theorieën op te stellen met betrekking tot objecten, levende dingen en mensen. Eigenschappen van het kind bepalen hoe zij een gebeurtenis interpreteren en hoe zij erop reageren. Dus zowel subjectieve interpretaties als de objectieve realiteit vormen de ontwikkeling.

Ook de regulatie van gedrag draagt bij aan de ontwikkeling. In de eerste maanden van hun leven zijn kinderen volledig afhankelijk van de verzorgers voor het reguleren van hun emoties, maar later leren zij manieren om daar zelf mee om te gaan. Eerst is dit fysiek (bijvoorbeeld wegkijken), maar op de basisschool leren kinderen cognitieve strategieën te gebruiken en hun problemen te bespreken met vrienden. De manier waarop kinderen beslissingen nemen heeft sterke invloed op hun verdere leven.

Kinderen ontlokken reacties bij de mensen in hun omgeving. Aantrekkelijke baby’s veroorzaken meer positieve reacties en worden vaak meer affectief en speels bemoederd dan minder aantrekkelijke baby’s. Later beginnen ook interesses en vaardigheden de interacties te beïnvloeden. Kinderen die tegendraads en agressief zijn, kunnen ervoor zorgen dat de ouder confrontaties gaat ontwijken en steeds meer toegeeft aan het kind, waardoor een negatieve spiraal ontstaat. Kinderen die coöperatief, vriendelijk en sociaal zijn, zijn vaak populairder onder hun leeftijdsgenoten dan kinderen die zich agressief gedragen. 

Wat kunnen we concluderen over (dis)continuïteit in ontwikkeling?

Het lijkt erop dat veel individuele verschillen in psychologische eigenschappen redelijk stabiel zijn over de hele ontwikkeling, maar deze stabiliteit is altijd verre van 100%. Een voorbeeld is intelligentie. Hierbij neemt de stabiliteit toe naarmate het kind ouder wordt, maar zelfs op hogere leeftijd varieert het IQ enigszins van situatie tot situatie. Ook persoonlijkheidseigenschappen lijken redelijk stabiel over tijd. Verlegen peuters groeien op tot verlegen kinderen, agressieve kinderen tot agressieve adolescenten, enzovoorts. Maar ongeacht of de focus ligt op intellectuele, sociale of emotionele ontwikkeling, wordt de stabiliteit beïnvloed door de omgeving.

Veel van de meest prominente ontwikkelingstheorieën verdelen de ontwikkeling over verschillende stadia (denk bijvoorbeeld aan Piaget en Freud). Deze stadiumtheorieën hebben een aantal dingen gemeen:

  • Ontwikkeling verloopt volgens een aantal kwalitatief verschillende stadia.
  • Wanneer kinderen zich in een bepaald stadium bevinden, geeft een brede reeks gedachten en gedrag de eigenschappen van dat stadium weer.
  • De stadia volgen elkaar voor alle kinderen in dezelfde volgorde op.
  • Transities tussen stadia gebeuren snel.

    Echter, ontwikkeling verloopt veel minder geordend dan deze stadiatheorieën impliceren. Het komt niet vaak voor dat er sprake is van een plotselinge verandering in een brede reeks taken en vaardigheden. Vaak is er sprake van continue toename in bepaalde vaardigheden, maar dit betekent niet dat er helemaal geen sprake is van plotselinge sprongen in de ontwikkeling op bepaalde, specifieke gebieden. Deze plotselinge sprongen zouden toegeschreven kunnen worden aan bepaalde onderliggende, continue processen. Of een proces dus als continu of discontinu gezien wordt, is afhankelijk van waar de focus ligt. Uitspraken doen over wanneer een bepaalde competentie ontstaat kan dus behoorlijk arbitrair zijn, maar het in kaart brengen van de mijlpalen in de ontwikkeling kan wel een beeld geven van hoe ver een kind ongeveer is.

    Wat kunnen we concluderen over de mechanismen van ontwikkelingsveranderingen?

    Volgens Piaget verloopt ontwikkeling door de interactie van assimilatie en accommodatie. Door assimilatie interpreteren kinderen nieuwe ervaringen in termen van hun bestaande mentale structuren. Door accommodatie herzien ze bestaande mentale structuren overeenkomstig de nieuwe ervaringen. Sinds deze theorie hebben we veel geleerd over ontwikkelingsmechanismen op biologische, gedragsmatig en cognitief niveau.

    Het genotype bepaalt een ruwe schets van de ontwikkeling, maar de details worden ingevuld door de interactie tussen genotype en omgeving. De complexiteit van de veranderingen op het biologische niveau wordt goed weergegeven door het ontstaan van de hersenen. Tijdens de neurogenese ontstaan zo’n 10.000 nieuwe hersencellen per minuut. Veel van deze cellen verplaatsen zich naar hun uiteindelijke locatie (celmigratie). Daar aangekomen gaan ze door het differentiatieproces en later in het proces zorgt myelinisatie voor een isolerende laag rondom bepaalde axonen. Synaptogenese zorgt voor de formatie van synapsen. Na een periode van explosieve groei is er een periode van pruning, waarbij het aantal synapsen verminderd wordt, doordat weinig gebruikte synapsen verdwijnen. Hierdoor wordt de informatieverwerking efficiënter. Sommige hersengebieden hebben hele specifieke functies, maar voor sommige functies worden allerlei hersengebieden gebruikt.

    Gedragsveranderingsmechanismen beschrijven responsen op omgevingseigenschappen die bijdragen aan de ontwikkeling en vormen het gedrag vanaf de eerste dagen van het leven. Een voorbeeld is habituatie: zelfs een foetus kan al wennen aan bepaalde stimuli, maar wanneer het geconfronteerd wordt met een nieuwe stimulus zien we weer een reactie (verhoogde hartslag). Habituatie motiveert baby’s om nieuwe stimulatie te zoeken en helpt dus het leren. Ook klassieke conditionering ondersteunt het leren en generalisatie zorgt dat het geleerde ook in andere situaties kan worden toegepast. Instrumentele conditionering houdt in dat gedragingen die beloond worden, vaker voorkomen, terwijl gedrag dat bestraft wordt uitdooft. Tot slot is er statistisch leren, waarbij een kind (al na 2 maanden) leert wat de kans is dat een bepaalde gebeurtenis een andere gebeurtenis opvolgt. Hierdoor leert het kind te anticiperen op de acties van anderen. Rationeel leren is gerelateerd aan statistisch leren, hierbij worden voorgaande opvattingen geïntegreerd met wat daadwerkelijk gebeurt in de omgeving.

    Sociaal leren is leren door het observeren en interacteren met andere mensen. Mensen zijn hier veel beter in dan andere diersoorten, ook wanneer het gaat om het leren van bepaalde vaardigheden áán andere mensen. Van belang hierbij zijn imitatie, sociale referentie, taal en geleide participatie. Imitatie is niet alleen maar na-apen; wanneer kinderen een actie observeren die mislukt, proberen zij na te doen wat het model probeerde te doen, niet wat het model precies deed. Ook kijken kinderen naar de reactie van de moeder op een situatie om te bepalen hoe zij in deze situatie moeten handelen. Een andere vorm van sociaal leren is social scaffolding, waarbij een persoon met kennis van handelen begeleiding geeft bij het doorlopen van een bepaalde taak. Naarmate de leerling beter wordt, krijgt hij steeds meer verantwoordelijkheid, totdat hij de hele taak alleen kan uitvoeren.

    Vier informatieverwerkingsmechanismen zijn in het bijzonder algemeen en alomtegenwoordig: basisprocessen, strategieën, metacognitie en inhoudelijke kennis. Basisprocessen omvatten onder andere het associëren van bepaalde gebeurtenissen met elkaar, het herkennen van objecten als vertrouwd en het ophalen van bepaalde feiten en procedures. Met de leeftijd neemt de snelheid en efficiëntie van die processen toe. Strategieën worden ingezet om allerlei doelen te bereiken, zowel op cognitief gebied als bij bepaalde handelingen en sociale situaties. Metacognitie draagt bij aan grotere ontwikkelingen, zo stamt een vermeerdering in het gebruik van geheugenstrategieën af van vergrotende realisatie dat grote hoeveelheden materiaal niet te onthouden zijn zonder een strategie. Inhoudelijke kennis houdt in dat hoe meer een kind weet over een bepaald onderwerp, hoe makkelijker het is voor dat kind om nieuwe informatie over dat onderwerp op te nemen, doordat kinderen verbanden kunnen leggen tussen nieuwe en bestaande informatie.

    Evolutie lijkt ons te hebben voorzien van gespecialiseerde leermechanismen die zorgen dat we snel en efficiënt bepaalde vaardigheden kunnen leren die van belang zijn voor de overleving. Zo weten kinderen al dat grote bewegende objecten een grotere impact zullen hebben dan kleinere bewegende objecten. Informele theorieën die kinderen hebben over verschillende types entiteiten, faciliteren het leerproces. Basale kennis over bepaalde concepten helpt kinderen om gepast te handelen in nieuwe situaties.

    Het is belangrijk te onthouden dat al deze veranderingsmechanismen samenwerken om verandering te veroorzaken, hoe makkelijk het soms ook is om de verschillende mechanismen apart te onderzoeken.

    Wat kunnen we concluderen over de invloed van sociaal-culturele context op de ontwikkeling?

    Kinderen ontwikkelen zich binnen een bepaalde context met andere mensen: familie, vrienden, buren, leraren en klasgenoten. De context bevat ook historische, economische, technologische en politieke invloeden, met daarnaast maatschappelijke overtuigingen, attitudes en waarden. Wat ‘normaal’ is verschilt vaak per samenleving en zelfs dingen die volledig biologisch geregeld lijken te zijn, verschillen vaak per cultuur. Hechting wordt bijvoorbeeld ook beïnvloed door cultuur: in Japan wordt afhankelijkheid toegejuicht, terwijl in de VS juist onafhankelijkheid wordt toegejuicht. Dit zorgt voor sterk verschillende hechtingsstijlen bij kinderen. Sommige opvoedstijlen die in de VS vaak zorgen voor negatieve uitkomsten bij het kind, hebben deze gevolgen helemaal niet in andere culturen. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de cultureel gestuurde interpretatie door het kind.

    Hoewel met de jaren de levens van kinderen steeds meer zijn verbeterd op het gebied van gezondheid, voeding, onderdak enzovoorts, hebben niet alle veranderingen een positief effect op het welzijn van deze kinderen. Tegenwoordig groeien kinderen veel vaker op met gescheiden ouders, met als gevolg een grotere kans op depressie, een lagere eigenwaarde en minder goede sociale vaardigheden. Meer kinderen gaan naar de kinderopvang, dit lijkt niet per se negatieve of positieve effecten te hebben. Technologische veranderingen kunnen zowel positieve (communicatie met vrienden) als negatieve (cyberpesten) effecten hebben.

    Onder kinderen die opgroeien in dezelfde tijd en samenleving, kunnen verschillen in economische omstandigheden, familiebanden en vriendengroepen leiden tot grote verschillen tussen de levens van deze kinderen. Kinderen uit arme gezinnen doen het minder goed op school, zijn vaker onveilig gehecht, voelen zich vaker eenzaam en lopen een groter risico op drugsgebruik, criminaliteit en depressie. Het opgetelde effect van al deze factoren is de grootste bedreiging voor de ontwikkeling. Ook vrienden en familie hebben een grote invloed op de ontwikkeling: vriendschappen kunnen steun bieden, maar kunnen kinderen ook meeslepen in roekeloos en agressief gedrag.

    Wat kunnen we concluderen over de invloed van individuele verschillen?

    Kinderen verschillen op een groot aantal dimensies, maar hoe weten we welke van deze verschillen cruciaal zijn voor het begrijpen van kinderen en het voorspellen van hun toekomst? Hiervoor zijn breedte van gerelateerde karakteristieken, stabiliteit over tijd en voorspellende waarde van groot belang. Als we IQ als voorbeeld nemen, betekent dit dat een hoog IQ vaak ook wijst op een betere score op andere gebieden (breedte van gerelateerde karakteristieken), dat het kind later ook een hoog IQ zal hebben (stabiliteit over tijd) en dat het hoge IQ nu positieve uitkomsten in de toekomst voorspelt (voorspellende waarde). 

    Voor een aantal belangrijke eigenschappen, waaronder IQ, prosociaal gedrag en empathie, wordt ongeveer 50% van de verschillen verklaard door verschillen in de genetische opmaak. Dit percentage wordt hoger naarmate de ontwikkeling voortduurt. Individuele verschillen reflecteren naast de genen ook de ervaringen van een kind. Een belangrijke invloed komt hierbij van de ouders. Hoe meer stimulerend en steunend de thuissituatie is, hoe beter dit is voor de intellectuele en sociale ontwikkeling van het kind. Welke manier van opvoeden het beste werkt, is afhankelijk van de eigenschappen van het kind. 

    Wat kunnen we concluderen over het belang van ontwikkelingsonderzoek?

    Er is een aantal punten van belang voor goed ouderschap:

    • Kies een goede partner, waarvan de fysieke, intellectuele en emotionele eigenschappen suggereren dat hij of zij een goede ouder zal zijn.
    • Zorg voor een gezonde zwangerschap: let bijvoorbeeld op je dieet en zorg voor weinig stress.
    • Weet welke beslissingen waarschijnlijk invloed hebben op de lange termijn: let er bijvoorbeeld op dat de baby op zijn rug slaapt om wiegendood te voorkomen.
    • Vorm een veilige hechting.
    • Zorg voor een stimulerende omgeving, dit heeft een positief effect op het leren.

    Ook binnen het onderwijs zijn er punten belangrijk bij het verbeteren van de ontwikkeling van het kind:

    • Informatieverwerkingstheorieën stellen dat het analyseren van informatietypes in alledaagse activiteiten het leren bij kinderen kan verbeteren. 
    • Socioculturele theorieën benadrukken de waarde van het indelen van schoolklassen als leergemeenschappen, waar de docent een minimale hoeveelheid sturing geeft. Dit zorgt dat de kinderen leren gebruik te maken van hun eigen competenties en de middelen van de groep.
    • Wanneer kinderen risico lopen op ontwikkelingsproblemen, is het van belang om tijdig te beginnen met de juiste interventies. Timing is hierbij heel belangrijk, want leerproblemen moeten aangepakt worden voordat het kind zijn zelfvertrouwen verliest en wrok gaat voelen ten opzichte van de docent en de school. 
    • Ook van belang is vroege detectie van kindermishandeling. Het risico hierop is extra groot wanneer ouders weinig geld en vrienden hebben, alcohol en illegale drugs gebruiken en wanneer ze mishandeld worden door hun partner. Het is belangrijk dat docenten de signalen hiervoor kunnen herkennen.
    • Het is onmogelijk om dé oorzaak van een bepaald probleem te achterhalen, want alle problemen hebben een grote hoeveelheid oorzaken die eraan bijdragen. Om effectieve behandeling te kunnen geven, moeten dan ook veel verschillende moeilijkheden worden aangepakt.

    Ook beslissingen vanuit de politiek zijn van grote invloed op de kwaliteit van de ontwikkeling van kinderen, met name met betrekking tot het schoolsysteem. Er komt geen einde aan sociale problemen, het begrijpen van de ontwikkeling van kinderen kan helpen om te richten op de problemen die de toekomst van kinderen beïnvloedt.

    Image

    Access: 
    Public

    Image

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Image

    Share: this page!
    Follow: Social Science Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    2480
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector