Samenvatting van Logisch en kritisch denken van Burgers - 2e druk

Samenvatting bij Logisch en kritisch denken

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Waar gaat het boek 'Logisch en kritisch denken van Burgers' over? - Chapter 0

    Waar gaat het boek 'Logisch en kritisch denken van Burgers' over? - Chapter 0

    Wat is de achtergrond van de auteur?

    Het boek ‘Logisch & Kritisch denken’ is geschreven door Simon Burgers. Hij doceert onderzoeksvaardigheden en communicatie (vergaderen, schrijven, presenteren) aan de Haagse Hogeschool. Burgers studeerde zelf Nederlandse Taal- en Letterkunde met als minor Psychologie.

    Hoe is het boek opgebouwd?

    Zoals de tekst op de voorkant van het boek al aangeeft, staan drie thema’s hierin centraal: onderzoeken, argumenteren en concluderen. Het boek vangt aan met een definitie van ‘kritisch denken’ en het belang van deze vaardigheid. Hierna wordt uitgelegd wat een redenering is en hoe je een argument en een conclusie kunt herkennen. In hoofdstuk 3 worden redeneringen ontleed en wordt ingegaan op enkelvoudige, meervoudige, onderschikkende en complexe argumentatie, tegenargumenten en hoe je een eigen betoog kunt structureren. Hoofdstuk 4 gaat over logisch denken en conclusies: ongeldige en geldige conclusies, syllogismen en conditionele redeneringen. Afsluitend volgen drie belangrijke leerpunten. Hoofdstuk 5 gaat over logisch denken en voorwaarden: voldoende en noodzakelijke voorwaarden. Hoofdstuk 6 gaat over logisch denken en helder denken in categorieën: de twee vereisten non-overlap en volledigheid, intelligentietesten, het operationeel maken van onderzoeksvragen en het volledig en elkaar uitsluitend maken van deelvragen. In hoofdstuk 7 komen verschillende drogredenen (stroman, ad hominem, post hoc, overhaaste generalisatie, cirkelredenering, omdraaien van de bewijslast, onjuiste analogie) aan de orde. Hoofdstuk 8 gaat over de relevantie en volledigheid van argumenten/gegevens ten aanzien van de conclusie. Hoofdstuk 9 gaat over verschillende soorten conclusies, interne en externe validiteit, inductie en deductie. In hoofdstuk 10 wordt de empirische cyclus (vijf fasen van onderzoek) en het verifiëren en falsifiëren van een hypothese besproken. Hoofdstuk 11 bespreekt het advies genaamd ‘het scheermes van Ockham’ en hoe je dit kunt toepassen op verschillende vraagstukken. Hoofdstuk 12 gaat over de invloed van emoties op de conclusie. Dit wordt uitgelegd aan de hand van drie klassieke voorbeelden. Ook wordt hierin uitgelegd welke twee denksystemen de mens gebruikt. Het laatste hoofdstuk heeft betrekking op het trekken van conclusies uit statistisch onderzoek. Hierin komt significantietoetsing, de alfafout, de effectgrootte, de steekproefgrootte, het onderscheidingsvermogen, de keuze voor eenzijdig of tweezijdig toetsen en de bayesiaanse benadering aan de orde. Aan het einde van elk hoofdstuk heeft de auteur oefeningen geplaatst.

    Hoe verhoudt dit boek zich tot andere boeken over kritisch denken en argumenteren?

    Er zijn veel boeken geschreven over de ontleding van argumentatie en drogredenen. Dit boek onderscheidt zich van andere boeken doordat het veel aandacht besteedt aan logisch denken. Syllogismen worden zelden besproken in andere boeken en ook conditionele redeneringen en het helder denken in categorieën komen in veel andere leermethodes niet voor. Dit boek legt deze leerstukken op begrijpelijke wijze uit, waardoor je ermee kunt werken zonder kennis van logica of wiskunde. Ten tweede worden de begrippen volledigheid, relevantie, deductie en inductie, externe en interne validiteit in veel andere argumentatieboeken niet besproken, terwijl dit belangrijk is voor de beoordeling van een conclusie. Het derde onderscheid met andere boeken betreft het benoemen van een verband tussen enerzijds kritisch denken en goede argumentatie en anderzijds onderzoeksvaardigheden. Het laatste verschil betreft de bespreking van statistisch onderzoek die het mogelijk maakt dat studenten uitkomsten hiervan naar waarde kunnen schatten. Een wiskundige achtergrond is niet nodig voor het begrijpen van deze tekst.

    In deze tweede druk wordt vergeleken met de eerste druk meer aandacht besteed aan hoe psychologische obstakels kritisch denken in de weg staan.

    Het boek bespreekt bijvoorbeeld niet hoe je moet onderzoeken of sprake is van een betrouwbare bron.

    Access: 
    Public
    Wat houdt 'kritisch denken' in? - Chapter 1

    Wat houdt 'kritisch denken' in? - Chapter 1

    Wat wordt bedoeld met 'kritisch denken'? 

    Iemand die 'kritisch denkt' accepteert de informatie (redeneringen of uitspraken) die hij/zij ontvangt niet klakkeloos, maar gaat zorgvuldig na of deze betwist kan worden. Een voorbeeld: een astronoom uit de 17e eeuw beredeneerde dat Jupiter geen manen dan wel satellieten kon hebben, waar een andere astronoom aangaf deze te hebben waargenomen door zijn telescoop. Niet alleen waren enkele uitspraken feitelijk incorrect, ook zijn beredenering klopte niet. Hij stelde dat satellieten niet waarneembaar zijn met het blote oog, zij daarom geen effect hebben op de aarde en dus niet bestaan. Zwaartekracht is tevens onzichtbaar, maar wel degelijk bestaand.

    Een ander voorbeeld betreft een onderzoek naar een verband tussen de doodstraf en het aantal moorden in Amerika. Volgens onderzoekers was hiervan sprake omdat uit data uit verschillende staten bleek dat herinvoering van de doodstraf resulteerde in een afname van het aantal moorden, waar dit aantal opliep ingeval van afschaffing. Zij concludeerden dat de doodstraf een effectief instrument is voor het verminderen van het aantal moorden. Andere onderzoekers betwistten deze conclusie, zij toonden aan dat de data vergelijkbaar is met die van staten waarin de doodstraf niet gehanteerd werd. 

    Is kritisch denken lastig?

    Velen beschouwen zichzelf als kritisch en denken dat zij een goede radar hebben voor de waarheid. Toch zul je zien dat wanneer je een groep mensen een aantal redeneringen voorlegt, de conclusies uiteen zullen lopen. Lees de onderstaande redeneringen. 

    1. Sommige wetenschappelijke artikelen bevatten spelfouten. Sommige Nederlandse artikelen zijn wetenschappelijk. Dus: sommige Nederlandse artikelen bevatten spelfouten. 
    2. Als mijn theorie correct is, komt mijn verwachting uit. Mijn verwachting komt uit. Dus: mijn theorie is correct. 

    Een conclusie is geldig of ongeldig. In het geval van bovenstaande redeneringen zijn er vier opties: 1) de eerste conclusie is geldig, 2) de tweede conclusie is geldig, 3) allebei de conclusies zijn ongeldig, en 4) allebei de conclusies zijn geldig. Antwoord: allebei de conclusies zijn ongeldig (zie hoofdstuk 4).

    Kritisch denken kan lastig zijn, maar iedereen kan het leren. Het is van belang te oefenen en een aantal zaken te onthouden. Relevant is tevens dat je niet klakkeloos redeneringen en uitspraken voor waar aanneemt. Vraag jezelf continu af: is dit argument wel juist? Is het de juiste conclusie? Kan ik er werkelijk niets tegenin brengen?

    Wat heb je aan de vaardigheid 'kritisch denken'? 

    Van de vaardigheid kritisch denken zul je ook in je dagelijkse leven profiteren. Het is niet alleen handig voor je carrière, maar ook bij het doen van een grote aankoop, het afwegen van de voors en tegens wanneer je een medische ingreep overweegt etc. Gedurende je opleiding of carrière kan het uitvoeren van een onderzoek vereist zijn. Je moet dan in staat zijn de onderzoeksconclusies kritisch te analyseren. Om de eisen die de wetenschap stelt aan een degelijk onderzoek te begrijpen moet je kritisch kunnen denken.

    Access: 
    Public
    Waaruit bestaat een redenering? - Chapter 2

    Waaruit bestaat een redenering? - Chapter 2

    We redeneren dagelijks, zowel op de werkvloer als in de privésituatie. Een redenering omvat altijd minstens twee onderdelen: een argument om een standpunt duidelijk te maken of om tot een conclusie te komen. Drie voorbeelden:

    1. Dat advies is betrouwbaar, het komt van een deskundige. Standpunt: dat advies is betrouwbaar. Argument: het komt van een deskundige. 
    2. IJs weerkaatst zonlicht, daarom is het zo koud op de Noordpool. Argument: ijs weerkaatst zonlicht. Conclusie: het is koud op de Noordpool. 
    3. Ik moet goed opletten tijdens dit hoorcollege, dit betreft belangrijke materie. Standpunt: ik moet goed opletten tijdens dit hoorcollege. Argument: dit betreft belangrijke materie. 

    Staat er enkel 'IJs weerkaatst zonlicht', 'Dat advies komt van een deskundige' of 'Ik moet goed opletten', dan is er dus geen sprake van een redenering. Let op, een uitspraak kan uit meerdere onderdelen bestaan, maar hoeft daarom nog geen redenering te zijn. 'IJs weerkaatst zonlicht en ook een autospiegel doet dit" of 'Als je goed oplet, heb je geen tijd om met anderen te praten' zijn geen redeneringen. 

    Welke signaalwoorden wijzen op een redenering?

    Sommige formuleringen of woorden geven aan dat je te maken hebt met een redenering. Dit zijn de zogenaamde signaalwoorden: dus, want, daaruit volgt, daarom, derhalve, immers, aangezien, omdat. Kun je deze signaalwoorden in een zin plaatsen, dan gaat het om een redenering. Zo kun je in de zin 'Ik moet goed opletten tijdens dit hoorcollege, dit betreft belangrijke materie' het woordje 'want' of 'aangezien' plaatsen. In de zin  'IJs weerkaatst zonlicht en ook een autospiegel doet dit', kun je het woord 'daarom' echter niet plaatsen. 'IJs weerkaatst zonlicht, daarom doet een autospiegel dit ook' is onjuist.

    Naast dat signaalwoorden duidelijk maken of er sprake is van een redenering, zijn ze ook relevant bij de bepaling van het argument en het standpunt. Twee kernregels: 

    • Na 'omdat', 'aangezien', 'want' en 'immers' volgt altijd een argument. 
    • Na 'daarom', 'dus', 'daaruit volgt' en 'derhalve' volgt altijd een standpunt. 

    Welke andere termen worden veel gebruikt? 

    In plaats van 'argument' gebruikt men geregeld de term 'premisse'. In plaats van 'conclusie' of 'standpunt' wordt ook wel 'gevolgtrekking' of 'stelling' gebruikt. In plaats van redenering wordt ook wel gesproken over 'argumentatie', wat verwarrend kan zijn, omdat alle argumenten tezamen voor een bepaald standpunt ook de 'argumentatie' wordt genoemd. 

    Access: 
    Public
    Hoe kun je redeneringen ontleden? - Chapter 3

    Hoe kun je redeneringen ontleden? - Chapter 3

    Wanneer is er sprake van enkelvoudige dan wel meervoudige argumentatie?

    Redeneringen zijn vaak verschillend opgebouwd. Een voorbeeld. 'De uitslag klopt niet, want er is een rekenfout gemaakt.' Standpunt: de uitslag klopt niet. Argument: er is een rekenfout gemaakt. Signaalwoord: want. In dit geval wordt het standpunt onderbouwd met één argument. Dit noemt men enkelvoudige argumentatie. Ander voorbeeld. 'De uitslag klopt niet, want er is een rekenfout gemaakt en het verkeerde antwoordmodel is gebruikt.'  In dit geval worden twee argumenten gehanteerd, dit noemt men meervoudige argumentatie. 

    Wat wordt bedoeld met 'onderschikkende argumentatie'? 

    Argumenten kunnen onafhankelijk van elkaar een bepaald standpunt onderbouwen (zie voorgaande paragraaf). Er kan ook een relatie bestaan tussen de argumenten die worden gebruikt. Een voorbeeld. 'De uitslag klopt niet, want er is een rekenfout gemaakt. De rekenmachine werkte niet naar behoren.' In dit geval wordt 'de uitslag klopt niet' gedragen door het argument dat er een rekenfout is gemaakt. Dat argument wordt zelf gedragen door een ander argument: de rekenmachine werkte niet naar behoren. Deze argumenten staan in verband met elkaar, daarom noemt men dit 'onderschikkende argumentatie'. Dit is verkort als volgt weer te geven. A1A1 (rekenmachine werkte niet naar behoren) > A1 (rekenfout gemaakt) = Standpunt: uitslag klopt niet. A1 betreft het hoofdargument en A1A1 het ondersteunende argument van A1.

    Als je iets in wilt brengen tegen een standpunt, moet je het onderscheid tussen onderschikkende en meervoudige argumentatie begrijpen. In geval van meervoudige argumentatie moet je alle afzonderlijke argumenten weerleggen. In geval van onderschikkende argumentatie hoef je maar een argument te weerleggen, het is niet relevant welk argument je weerlegt.

    Wanneer is er sprake van 'complexe argumentatie'?

    Er kan ook sprake zijn van combinaties van enkelvoudige, meervoudige en onderschikkende argumentatie. Een voorbeeld. 'Ik wil deze paper liever niet met Marieke schrijven, omdat ik haar onbetrouwbaar vind. Ze heeft vorig jaar plagiaat gepleegd en komt vaak niet opdagen tijdens de les.' In dit geval is sprake van een combinatie van meervoudige en onderschikkende argumentatie. Standpunt: ik wil de paper liever niet met Marieke schrijven. Dit wordt gedragen door het argument: ik vind haar onbetrouwbaar. Dit argument wordt vervolgens meervoudig ondersteund door een tweetal argumenten: zij heeft vorig jaar plagiaat gepleegd en komt vaak niet opdagen tijdens de les. 

    Wat zijn contra-argumenten?

    Naast argumenten die een standpunt ondersteunen zijn er ook argumenten die een standpunt betwisten. Een voorbeeld. 'Marieke is geen aardige meid. Toch wil ik met haar samenwerken. Zij is namelijk goed in dit vak". Standpunt: ik wil met Marieke samenwerken. Argument dat het standpunt ondersteunt: zij is goed in dit vak (A1). Contra-argument (ook wel 'tegenargument'): Marieke is geen aardige meid (C1). Een contra-argument kan gericht zijn tegen een standpunt, een argument, een onderschikkend argument of een ander contra-argument. 

    Hoe kun je een eigen betoog het best aanpakken?

    Wanneer je in een schriftelijk of mondeling betoog je standpunt moet verdedigen, is het verstandig je argumentatie schematisch vorm te geven (trapsgewijs met pijlen en het gebruik van St, A1, A2, A1A1, C1 etc.). Zo zie je duidelijk hoe je redenering in elkaar steekt en het kan je inspireren tot aanvullende argumentatie. Dit schema kun je vervolgens omzetten in een volledig en duidelijk gestructureerd betoog.  

    Access: 
    Public
    Wanneer is er sprake van een geldige dan wel een ongeldige conclusie? - Chapter 4

    Wanneer is er sprake van een geldige dan wel een ongeldige conclusie? - Chapter 4

    Wanneer een conclusie dwingend volgt uit de argumenten, betreft dit een logisch geldige redenering. Maar in lang niet alle gevallen kun je eenvoudig concluderen dat de redenering logsich geldig is. Het is belangrijk dat je weet wanneer een redenering geldig of ongeldig is, zodat je niet misleid wordt door verkeerde argumentatie. 

    Wat zijn syllogismen?

    Lees onderstaande redeneringen.

    A. Alle gemeenten hebben een burgemeester. B. Tiel is een gemeente. C: Dus: Tiel heeft een burgemeester. 

    D. Geen enkele tractor heeft slechts twee wielen. E. Een Gazelle heeft twee wielen. F: Dus: een Gazelle is geen tractor. 

    G. In sommige wetenschappelijke artikelen staan spelfouten. H. Sommige Nederlandse artikelen zijn wetenschappelijk. I. Dus: In sommige Nederlandse artikelen staan spelfouten. 

    Dit soort redeneringen noemt men 'syllogismen'. Typerend hiervoor is dat uitspraken worden gedaan over eigenschappen, groepen, verzamelingen of klassen die gekoppeld worden aan bijzondere gevallen (éen ding, één volk, één mens etc.). Vaak ziet een syllogisme er als volgt uit. 'Alle A hebben een B'. 'C behoort tot groep D'. 'Niet alle X zijn Z'. 'Geen enkele F behoort tot groep H'.

    Syllogismen bestaan meestal uit twee argumenten (premissen) en een conclusie. Een syllogisme is geldig of ongeldig. Het eerste voorbeeld (ABC) betreft een geldige redenering. Dit zou anders zijn wanneer er had gestaan dat 'sommige gemeenten een burgemeester hebben'. De conclusie volgt dan niet dwingend uit de premissen, er zijn dan ook gemeenten zonder burgemeester. Tiel kán een burgemeester hebben, maar omdat je twee kanten op kunt, noemen we dit een ongeldige redenering. De redenering is uitsluitend logisch geldig wanneer de premissen slechts één mogelijkheid toelaten. Het gaat dus om een strikte beoordeling. 

    Het tweede voorbeeld betreft eveneens een geldige redenering. De conclusie volgt automatisch uit de premissen, er is geen andere conclusie mogelijk. Als er geen tractor met twee wielen bestaat en een Gazelle twee wielen heeft, is het in geen geval een tractor.

    Wat betreft het derde voorbeeld is er sprake van een kleine overlap tussen wetenschappelijke artikelen en artikelen met spelfouten. Tevens is er een overlap tussen wetenschappelijke artikelen en Nederlandse artikelen. Sommige artikelen zijn Nederlands dus. Als je dit uittekent, zie je dat er geen sprake is van een overlap tussen Nederlandse artikelen en artikelen met spelfouten. Je kan zeggen dat sommige Nederlandse artikelen wetenschappelijk zijn en dus spelfouten kunnen bevatten. Deze redering is ongeldig, omdat de premissen niet automatisch tot die conclusie leiden. Soortgelijke redeneringen komen vaak voor, het is dus goed om dit voorbeeld te onthouden. Herken je het, dan heb je geen kennis van het onderwerp zelf nodig, maar kun je toch eenvoudig de geldigheid van de conclusie beoordelen. Dat is een belangrijk wapen. 

    Wat zijn conditionele redeneringen?

    Conditionele redeneringen komen veel voor. Een voorbeeld. A. Als het sneeuwt, wordt de tuin wit. B. Het sneeuwt. C. Dus: de tuin wordt wit. Het eerste gedeelte van deze uitspraak bevat een conditie (een voorwaarde) en het tweede gedeelte beschrijft wat er geschiedt wanneer aan de voorwaarde wordt voldaan. Er zijn nog drie andere basisvormen van conditionele redeneringen.

    Vorm 2: D.  Als het sneeuwt, wordt de tuin wit. E. De tuin wordt wit. F. Dus: het sneeuwt. 

    Vorm 3: G. Als het sneeuwt, wordt de tuin wit. H. Het sneeuwt niet. I. Dus: de tuin wordt niet wit. 

    Vorm 4: J. Als het sneeuwt, wordt de tuin wit. K. De tuin wordt niet wit. L. Dus: het sneeuwt niet. 

    Dit kan schematisch als volgt worden weergeven:

    Vorm 1: 

    1. Als A, dan B

    2. A

    3. Dus: B

    Vorm 2:

    1. Als A, dan B

    2. B

    3. Dus: A

    Vorm 3: 

    1. Als A, dan B

    2. Niet A

    3. Dus: niet B

    Vorm 4: 

    1. Als A, dan B

    2. Niet B

    3. Dus: niet A

    Ondanks dat de vier voorbeelden op elkaar lijken, zijn nummer 2 en 3 ongeldig. 1 en 4 zijn geldig, de conclusie volgt dwingend uit de premissen. In geval van vorm 2 kan de tuin ook wit zijn geworden van bijvoorbeeld kalk of confetti, een witte tuin betekent niet automatisch dat het sneeuwt. Ditzelfde geldt voor vorm 3: ook al sneeuwt het niet, de tuin kan om een andere reden wit worden. 

    Het is van belang dat je het onderscheid herkent tussen deze vier redeneervormen. In onderzoeksconclusies, betogen en debatten worden deze wel eens door elkaar gebruikt en ze hoeven dus niet allemaal correct te zijn. Als iemand een conditionele redering gebruikt en je het lastig vindt om te bepalen om welke vorm het gaat, formuleer deze dan schematisch: 'als A dan B en A of B geschiedt, dus: wel/niet A of B'. 

    Welke drie belangrijke leerpunten moet je onthouden?

    Uit de leerstukken conditionele redeneringen en syllogismen kunnen drie belangrijke leerpunten over logica worden afgeleid:

    1. 'Logische geldigheid' is strenger dan 'zou kunnen'.  
    2. Ongeldige en geldige redeneringen kunnen sterk op elkaar lijken. 
    3. Enkel op grond van de redeneervorm kun je soms bepalen of deze geldig dan wel ongeldig is.
    Access: 
    Public
    Wanneer is er sprake van voldoende en noodzakelijke voorwaarden? - Chapter 5

    Wanneer is er sprake van voldoende en noodzakelijke voorwaarden? - Chapter 5

    De uitspraak 'als het sneeuwt, wordt de tuin wit' is conditioneel. De zin bevat immers een voorwaarde/conditie. Er zijn twee voorwaarden: noodzakelijke en voldoende. 'Het sneeuwt' is een voldoende voorwaarde voor 'de tuin wordt wit'. Het is zeker dat de tuin wit wordt als het sneeuwt. De sneeuw is dus voldoende om de tuin wit te laten worden. Maar de sneeuw is niet noodzakelijk. De tuin kan ook om andere redenen wit worden. 

    De schaakregels kennen is een voorwaarde voor nationaal kampioen schaken worden. Het is echter geen voldoende voorwaarde, want niet iedere deelnemer die de schaakregels kent kan nationaal schaakkampioen worden. Het betreft wel een noodzakelijke voorwaarde: als je de schaakregels niet kent, word je nimmer kampioen. 

    Soms is een voorwaarde zowel voldoende als noodzakelijk. Voor het hebben van de 'huwelijkse staat' is getrouwd zijn noodzakelijk en voldoende. Omgekeerd is eveneens mogelijk: iets lijkt misschien aanvankelijk een voorwaarde, maar is het niet. Een gewapende overval plegen is geen noodzakelijke voorwaarde voor in de cel belanden. Je kunt ook in de cel terechtkomen wegens drugshandel. Het is evenmin een voldoende voorwaarde, want zonder arrestatie kom je niet in de cel. 

    Wanneer een zin de formule 'als X, dan Z' bevat, dan is X in de regel een voldoende voorwaarde voor Z. Wanneer een zin de formule 'als niet X, dan niet Z' bevat, dan is X een noodzakelijke voorwaarde voor Z. Het is van belang dat je het onderscheid tussen een noodzakelijke en een voldoende voorwaarde herkent, daar deze in bijvoorbeeld debatten op listige wijze gebruikt worden. Twee voorbeelden:

    1. Volgens een raadslid moet de politie-inzet in zijn gemeente verdubbeld worden om het aantal hardrijders te verminderen. Deze stelling onderbouwt hij met data waaruit blijkt dat dit zal resulteren in 85% minder snelheidsovertredingen. Dit betreft een voldoende voorwaarde voor een vermindering van het aantal snelheidsovertredingen, maar niet een noodzakelijke. Het plaatsen van wegversmallingen of drempels heeft wellicht hetzelfde resultaat. 
    2. Het bedrijf achter een afslankproduct beweert dat deze de trek naar vette snacks zal verminderen. Binnen een week stopt men met snacken en nemen de cijfers op de weegschaal af. Stoppen met snacken is wellicht een noodzakelijke voorwaarde om af te vallen, maar absoluut geen voldoende voorwaarde. Wanneer je geregeld zoetigheden blijft nuttigen en nauwelijks beweging krijgt, is de kans op gewichtstoename groter dan op een slankere lijn. 
    Access: 
    Public
    Hoe kun je helder denken door middel van categorieën? - Chapter 6

    Hoe kun je helder denken door middel van categorieën? - Chapter 6

    Aan welke twee vereisten moet een goede onderverdeling in categorieën voldoen?

    Wanneer je een verzameling wilt onderverdelen in categorieën, zijn twee aspecten belangrijk:

    1. Non-overlap. De onderdelen mogen elkaar niet overlappen (ze sluiten elkaar uit) en
    2. Volledigheid. De onderdelen tezamen moeten volledig zijn (ze moeten met elkaar de gehele verzameling bestrijken). 

    Een voorbeeld. Iemand heeft het volgende overzicht gemaakt van dieren. Voldoet deze aan de twee vereisten? 

    A. Rundvee.

    B. Pluimvee.

    C. Zeedieren.

    D. Huisdieren.

    E. Vogels. 

    F. Koeien. 

    Antwoord: nee. De lijst is niet volledig, er ontbreken verschillende diersoorten (insecten, roofdieren, amfibieën etc.). Daarnaast is er sprake van overlap: koeien vallen onder rundvee. 

    Het is waardevol om jezelf aan te leren kritisch na te denken over onderdelen van een opsomming. Zo is het een vast onderwerp in intelligentietesten en is het van belang in het kader van onderzoek doen.

    Welke rol spelen categorieën in intelligentietesten?

    Bij de beoordeling van intelligentie wordt altijd aandacht besteed aan het 'helder in categorieën kunnen denken'. Denk aan de veelvoorkomende vraag "Welk element hoort niet in dit rijtje thuis?'  Een voorbeeld. 'Gelderland, Flevoland, Utrecht, Zeeland, Veluwe, Noord-Brabant'. Welke regio hoort niet in dit rijtje thuis? Antwoord: Veluwe, de overige regio's zijn provincies en de Veluwe is een gebied in provincie Gelderland. 

    In intelligentietesten wordt ook vaak gebruikgemaakt van een reeks cijfers. Welk cijfer hoort niet thuis in onderstaande rijtjes?

    24 - 30 - 38 - 46 -53 - 62 

    206 - 359 - 422 - 528 - 654

    1 - 9 - 25 - 33 - 121 

    Een andere serie voorbeelden. Welk element hoort niet thuis in het rijtje?  

    perzik - kiwi - fruit - aardbei - ananas

    metro - trein - tram - auto - stadsbus

    predikant - koster - priester  - kardinaal - organist

    Antwoorden: fruit (overkoepelend begrip), auto (geen openbaar vervoermiddel), organist (geen geestelijk beroep).

    Een vraag die eveneens veel voorkomt in intelligentietesten betreft 'Welk element ontbreekt in het volgende rijtje?' Dit is een tegenovergestelde vraagstelling ten opzichte van de voorgaande voorbeelden. Bekijk de volgende rijtjes en beantwoord de vraag. 

    A. 4 - 8 - 12 - 20 - 24 - 28 - 32 - 36

    B. 384 - 192 - 96 - 24 - 12 - 6  

    C. 5 - 10 - 17 - 37 - 50 -82

    Een andere serie voorbeelden.  

    D. Australië - Azië - Afrika - Noord-Amerika - Zuid-Amerika 

    E. Luipaard - neushoorn - buffel - leeuw

    F. Grootvader - oom - tante - zoon - nicht - grootmoeder

    Antwoorden. A: 16 (tafel van 4). B: 48 (getal telkens delen door 2). C: 26 (kwadraat +1: 2x2, 3x3, 4x4 etc.). D: Europa (continenten). E: Olifant (big five). F: neef (mannelijke en vrouwelijke familieleden).

    Plaatjes met diverse vormgevingen zien we eveneens geregeld terug in intelligentietesten, met daarbij de vraag op welke wijze zij van elkaar verschillen. Wanneer je plaatjes bekijkt en met elkaar vergelijkt, moet je beoordelen welke eigenschappen de plaatjes met elkaar gemeen hebben en/of er soms nieuwe eigenschappen aan toe zijn gevoegd. Deze puzzels worden - naast conditionele redeneringen en syllogismen - tevens ingezet tijdens sollicatieprocedures. 

    Hoe kun je een onderzoeksvraag operationeel maken?

    Wanneer je tijdens opleiding of loopbaan een onderzoek gaat uitvoeren, zal een bepaalde vraag het uitgangspunt zijn: de onderzoeksvraag. Je wilt bijvoorbeeld onderzoeken hoe effectief de reclamecampagnes van een bepaalde onderneming zijn. Je formuleert je onderzoeksvraag dus aanvankelijk als volgt: 'Hoe effectief zijn de reclamecampagnes van deze onderneming?' Maar wat houdt 'effectief' precies in? Je kunt hier pas iets zinvols over zeggen als je het begrip hebt omgezet naar meetbare termen. Het omzetten van een onderzoeksvraag naar een meetbare vraag wordt het 'operationeel maken' van de oorspronkelijke onderzoeksvraag genoemd. In dit concrete geval zou een betere vraag zijn: 'Hoeveel neemt de verkoop toe als gevolg van de reclamecampagnes?' of 'Hoeveel extra winst resteert er na aftrek van de kosten van de reclamecampagnes?' 

    Wat is het belang van deelvragen volledig en elkaar uitsluitend maken?

    Een onderzoeksvraag kan operationeel worden gemaakt door deze op te splitsen in meerdere meetbare deelvragen. Je onderzoeksvraag is bijvoorbeeld 'Wat is de meest klantvriendelijke overheidsinstantie in Nederland?' De term 'klantvriendelijkheid' is onvoldoende meetbaar, dus moet je de onderzoeksvraag operationeel maken middels een aantal deelvragen. Denk hierbij aan 'Welke overheidsinstantie heeft de beste parkeergelegenheid?', 'Welke overheidsinstantie ontvangt het minste aantal klachten?', 'Welke overheidsinstantie heeft het meest klantvriendelijke personeel?', 'Welke overheidsinstantie hanteert de kortste wachttijden?'

    Bij het operationeel maken van de onderzoeksvraag door middel van meetbare deelvragen zijn non-overlap en volledigheid van groot belang. In het kader van bovenstaand voorbeeld moet je je afvragen of de deelvragen tezamen alle aspecten van klantvriendelijkheid bestrijken. Dit is niet het geval, zo kun je bijvoorbeeld ook de openingstijden en telefonische bereikbaarheid hierin betrekken. Daarnaast moeten de deelvragen elkaar uitsluiten, is dat het geval? Nee, want overlap is mogelijk. De aanwezigheid van veel personeel kan ertoe leiden dat de medewerkers zich door een goede werkdruk vriendelijk blijven gedragen, minder klachten ontvangen en er korte wachttijden worden gehanteerd. 

    Een ander voorbeeld van elkaar overlappende deelvragen. Een onderneming wil een divers personeelsbestand, waarbij wordt gestreefd naar 50%: de helft van alle medewerkers moet aan diversiteit bijdragen. Jij moet onderzoeken of zij dit percentage behalen. Je stuurt de personeelsafdeling de volgende vragen: 'Hoeveel personen zijn werkzaam voor uw bedrijf?', 'Hoeveel personen met een migratieachtergrond zijn werkzaam voor uw bedrijf?', 'Hoeveel vrouwen zijn werkzaam voor uw bedrijf?', 'Hoeveel homoseksuele personen zijn werkzaam voor uw bedrijf?' en 'Hoeveel personen met een lichamelijke of geestelijke beperking zijn werkzaam voor uw bedrijf?'. Je ontvangt de volgende gegevens. Aantal medewerkers: 60, aantal medewerkers met een migratieachtergrond: 8, aantal vrouwelijke medewerkers: 20, aantal homoseksuele medewerkers: 3, aantal medewerkers met een beperking: 1. Volgens je berekening dragen 32 medewerkers bij aan een divers personeelsbestand, dat is meer dan 50%. Conclusie: de doelstelling van 50% wordt behaald. Waar je echter aan voorbij bent gegaan, is dat 7 medewerkers met een migratieachtergrond tevens vrouw zijn. Dit betekent dat minder dan 30 medewerkers bijdragen aan een divers personeelsbestand, het percentage van 50% wordt dus helemaal niet behaald. Je conclusie was incorrect. Elkaar overlappende deelvragen kunnen dus leiden tot de verkeerde conclusie.

    Access: 
    Public
    Wat zijn informele drogredenen? - Chapter 7

    Wat zijn informele drogredenen? - Chapter 7

    Een drogreden is een ondeugdelijk argument. Heeft de ondeugdelijkheid te maken met een gebrek aan logische geldigheid, dan is er sprake van een formele drogreden. Deugt een redenering niet, maar heeft dit niet te maken met ongeldigheid of logische geldigheid, dan is er sprake van een informele drogreden. Er zijn verscheidene soorten informele drogredenen. We bespreken zeven informele drogredenen. 

    Wat houdt de drogreden van de stroman in?

    Men gebruikt de drogreden van de stroman wanneer niet het daadwerkelijke standpunt van de andere partij wordt aangevallen, maar een verdraaide versie daarvan. Piet oppert dat er minder geld naar defensie moet gaan en Karin doet alsof Piet defensie helemaal wilt opdoeken. Een ander voorbeeld betreft het bepleiten van een verplichte fietshelm voor gebruikers van een elektrische fiets. 'Ik ben voor en wie daar tegen is, vindt het blijkbaar geen issue als dagelijks fietsers op de spoedeisende hulp belanden. Sorry, maar ik vind dat dus wel problematisch!'.

    Een ander voorbeeld betreft een krantenartikel over een onderzoek naar het gebruik van lidwoorden. Uit het onderzoek volgt dat allochtone Nederlanders een bepaald lidwoord vaker verkeerd gebruiken dan autochtone Nederlanders. In het krantenartikel werd gesteld dat allochtone Nederlanders dit lidwoord nooit gebruiken en het op termijn uit onze taal zal verdwijnen. Dit is niet wat de onderzoekers hadden geconcludeerd. Het verdraaien van een standpunt komt vaak voor. In de media wordt een onderzoeksconclusie nogal eens vervormd tot een meer sensationele tekst.

    Wat houdt de drogreden 'ad hominem' in?

    In sommige gevallen wordt niet het standpunt van de andere partij aangevallen, maar de andere partij zelf. Anders gezegd: er wordt op de man gespeeld. Dit staat bekend als de drogreden 'ad hominem'. Een voorbeeld. 'Mijn tante beweert dat vliegtuigen slecht zijn voor onze leefomgeving. Ik betwijfel of ze gelijk heeft, je weet toch dat ze in de buurt van een vliegveld woont en altijd klaagt over het geluid?' Het standpunt van de tante wordt niet aangevallen, zij wordt zelf verdacht gemaakt. Dit is geen overtuigend betoog, je behoort de aangevoerde argumenten van de tegenpartij te weerleggen.

    Wat houdt de drogreden 'post hoc' in?

    De Latijnse uitdrukking 'post hoc, ergo propter hoc' laat zich vertalen in 'na dit, dus door dit'. Indien na situatie X situatie Z optreedt, mag je niet klakkeloos aannemen dat situatie X de oorzaak was van situatie Z. Een voorbeeld. 'De nieuwe regering is goed van start gegaan. Sinds de regeringsperiode is ingegaan, is de werkloosheid met 2% afgenomen.' Het is mogelijk dat de regeringsperiode is aangevangen tijdens een verbetering van de economische situatie in Europa. Dan is de afgenomen werkloosheid daar waarschijnlijk een gevolg van. Het effect van een regering op de werkloosheidscijfers is pas aannemelijk te maken wanneer er sprake is van concrete maatregelen die gericht zijn op afname van de werkloosheid. 

    Wat wordt bedoeld met overhaaste generalisatie?

    Er is sprake van generalisatie wanneer een algemene uitspraak gebaseerd is op enkele bijzondere gevallen. Twee voorbeelden. 'Als kleuter ben ik door een labrador gebeten en gisteren greep een labrador mij bij een broekspijp. Labrodors zijn gevaarlijke honden.' 'In België heb ik bij 15 frietzaken heerlijke friet gegeten. In België is de friet lekker.' 

    Je moet oppassen met generaliseren. De bijzondere gevallen die je hebt meegemaakt kunnen uitzonderingen zijn in plaats van bevestigingen van de algemene regel. Als 4 van jouw Amsterdamse vrienden vaak te hard rijden, dan kun je niet generaliseren dat 'Amsterdammers hardrijders zijn'. Als je een conclusie wilt trekken, is meer en beter onderzoek vereist. 

    Een generalisatie is niet altijd overhaast. Vormen de gevallen die je ervaren hebt een goede afspiegeling van de volledige populatie, dan mag je een conclusie trekken die betrekking heeft op de volledige populatie. Dit noemt men een representatieve steekproef. Deze moet degelijk onderbouwd zijn met statistiek. Er zijn technieken beschikbaar ter beoordeling van de vraag of de steekproef uitgebreid genoeg is om iets te kunnen concluderen over de volledige populatie (zie hoofdstuk 13). 

    Wat is een cirkelredenering?

    Er is sprake van een cirkelredenering wanneer iemand zijn standpunt herhaalt in andere bewoordingen. Een voorbeeld. 'Dit is mijn auto, want ik ben hiervan de eigenaar'. Beide standpunten betekenen exact hetzelfde. Dit was een simpel voorbeeld, het komt ook voor dat eerst argument X wordt gebruikt ter ondersteuning van argument Z en even later wordt argument Z gebruikt ter ondersteuning van argument X. Ook kan een vraag worden gesteld waarbij het antwoord niets meer is dan een herformulering van de vraag. 

    Wat houdt de drogreden 'omdraaien van de bewijslast' in?

    Als je een bepaald standpunt hebt, dan moet je in staat zijn deze te verdedigen. Het is niet aan iemand die er vraagtekens bij heeft om het tegendeel te bewijzen. Een voorbeeld. "Ik weet zeker dat veel fraudeurs uit Leidschendam komen. Als jij denkt van niet, zul je met hele goede argumenten moeten komen die erop wijzen dat er geen fraudeurs uit Leidschendam komen.' Jij stelt iets en de ander heeft er misschien niet eens een mening over. Het is dus niet aan die ander om te bewijzen dat er geen fraudeurs uit Leidschendam komen en ook in het geval waarin de ander dit niet zou lukken, is het zeker niet bewezen dat ze er wel vandaan komen.

    Het is van groot belang dat je in een debat of discussie duidelijk voor ogen hebt wie waarvoor de bewijslast draagt. Geslepen partijen proberen er geregeld voor te zorgen dat de tegenpartij moet bewijzen waarom het tegenovergestelde van hun standpunt correct is, in plaats van dat zij hun eigen standpunt aannemelijk proberen te maken.

    Wanneer is er sprake van een onjuiste analogie?

    In een analogie wordt een tweetal zaken met elkaar vergeleken. Deze vergelijking kan worden ingezet als argument. Een voorbeeld. 'Naar mijn mening hoor ik 4.500 euro te verdienen, want ik ben de teamleider en alle overige teamleiders hebben een salaris van 4.500 euro.' Dit betreft een redelijke redenering.

    Een ander voorbeeld. 'Naar mijn mening hoor ik 4.500 te verdienen, want ik heb een lichamelijke beperking en de andere drie personen binnen onze onderneming die een lichamelijke beperking hebben ontvangen een salaris van 4.500 euro.' Deze redenering is uiteraard niet redelijk. De drie andere personen ontvangen het salaris van 4.500 niet omdat zij een lichamelijke beperking hebben, maar waarschijnlijk vanwege hun functie. 

    Wanneer een analogie wordt ingezet als argument, moet je dus nagaan of het om een redelijke analogie gaat. Zijn de twee zaken die een gelijkenis vertonen relevant voor de conclusie of niet? 

    Access: 
    Public
    Aan welke vereisten moeten argumenten voldoen voor een toereikende ondersteuning van de conclusie? - Chapter 8

    Aan welke vereisten moeten argumenten voldoen voor een toereikende ondersteuning van de conclusie? - Chapter 8

    Wanneer je de onderzoeksconclusie of de conclusie van een redenering gaat beoordelen, moet je niet alleen kijken naar de waarheidsgetrouwheid van de onderbouwende data en argumenten. Dat een feit waar is, wil niet zeggen dat deze de conclusie ook ondersteunt. Een kritische denker stelt zichzelf twee vragen:

    1. Zijn de argumenten relevant voor de conclusie? (relevantie)
    2. Vormen de argumenten een volledige ondersteuning van de conclusie? (volledigheid)

    Wat houdt het begrip relevantie in?

    Als X relevant is voor Z, dan betekent dit dat X een zekere relatie heeft tot Z. X kan nimmer relevant zijn voor Z als X niets met Z te maken heeft. Voer is relevant voor een huisdier, anders overleeft deze niet. Een discotheek is echter niet relevant voor een huisdier. Voor iemand die slecht ter been is, is de aanwezigheid van een lift relevant. Voor anderen is dit minder of helemaal niet relevant. Zo kunnen ook argumenten al dan niet relevant zijn voor een conclusie. 

    Lees de onderstaande redeneringen. Wat is argument, wat is conclusie en in hoeverre is het argument relevant voor de conclusie?

    X. In kaas en vlees zitten veel eiwitten. Kaas en vlees nuttigen is dus gezond. 

    Y. In kaas en vlees zitten veel eiwitten. Gezamenlijk kaas en vlees eten is dus lekker. 

    Z. Kaas en vlees kun je kopen in de supermarkt. Kaas en vlees zijn dus gezond. 

    Argument redenering X: in kaas en vlees zitten veel eiwitten. Dit argument is relevant voor de conclusie dat kaas en vlees nuttigen dus gezond is. 

    Argument redenering Y: in kaas en vlees zitten veel eiwitten. Dit argument is echter niet relevant voor de conclusie dat gezamenlijk kaas en vlees eten dus lekker is. 

    Argument redenering Z: kaas en vlees kun je kopen in de supermarkt. Dit is niet relevant voor de conclusie dat kaas en vlees dus gezond zijn. 

    Het kan voorkomen dat argumenten relevant lijken, maar dit niet of slechts in zeer beperkte mate zijn. Een voorbeeld. 'Het is veilig om 's nachts door Amsterdam te lopen. Maar 2% van de bewoners voelt zich onveilig tijdens een nachtelijke wandeling.' Dit lijkt een deugdelijke redenering, maar je veilig voelen en veilig zijn twee verschillende dingen. Het is in zekere mate wel relevant, want je veilig voelen kan iets zeggen over de feitelijke veiligheid. Toch kun je je veilig voelen, terwijl je dit niet bent en vice versa. Relevant zijn bijvoorbeeld wel de criminaliteitscijfers. 

    Wanneer vormt een argument een volledige ondersteuning van de conclusie?

    Een argument kan waar zijn en een bepaalde mate van relevantie voor de conclusie hebben, maar de conclusie alsnog onvoldoende ondersteunen. Een voorbeeld. 'Een Volkswagen is een ideale auto. Hij trekt razendsnel op.' Ondanks het snelle optrekken zijn er meer aspecten relevant die ervoor kunnen zorgen dat Volkswagen niet de ideale auto is. Het is en blijft een relevant argument, maar zorgt niet voor een volledige ondersteuning van de conclusie. 

    Een ander voorbeeld vloeit voort uit de Deventer moordzaak. Financieel adviseur E.L. werd verdacht van het vermoorden van zijn cliënt, een welvarende weduwe uit Deventer. Vlak voor de moord had zij E.L. aangesteld als voorzitter van een stichting die belast was met het beheer van haar vermogen na haar overlijden. Men verdacht E.L. ervan dat hij zich te goed had willen doen aan het geld van de stichting. Een argument voor de verdenking was dat E.L. zich als voorzitter kon verrijken door het overlijden van de weduwe. Er speelde echter meer. Vlak na de moord bracht E.L. de afwikkeling van haar geldzaken onder bij zijn werkgever. Dit had als consequentie dat anderen konden inzien wat E.L. met het geld deed en hij verloor het recht om een fors bedrag voor zichzelf te claimen. Een financieel motief voor de moord zou dan niet aanwezig zijn. Dit voorbeeld verschilt qua onvolledigheid met het eerdere Volkswagen-voorbeeld. In het laatste geval legde het argument wel wat gewicht in de schaal, ook al zou er sprake zijn geweest van zwaardere argumenten die een tegenovergestelde conclusie ondersteunen. In dit geval verloor het argument dat E.L. financieel beter wilde worden van de moord juist zijn waarde door de aanwezigheid van de tegenargumenten. 

    Uiteraard zit er een behoorlijk grijs gebied tussen bijna volledig en enorm onvolledig. Het is vaak lastig aan te geven wanneer voldoende argumentatie is aangedragen ter ondersteuning van een standpunt. Dit moet per geval zorgvuldig worden beoordeeld. Logica en formules kunnen hiervoor niet worden aangewend, kennis van zaken is wel handig. 

    Wat is de relatie tussen volledigheid en relevantie?

    Volledigheid en relevantie bestaan niet onafhankelijk van elkaar. Is argumentatie volledig, dan is die ook altijd relevant. Is argumentatie niet relevant, dan is die nooit volledig (denk aan de eerder genoemde 'kaas en vlees'-voorbeelden Y en Z). Is argumentatie relevant, dan is die niet noodzakelijk volledig (denk aan het eerder genoemde Volkswagen-voorbeeld).

    Access: 
    Public
    Welke verschillende soorten conclusies zijn er? - Chapter 9

    Welke verschillende soorten conclusies zijn er? - Chapter 9

    Niet alle conclusies zijn stevig onderbouwd. De ene conclusie geldt algemeen, de andere heeft betrekking op een specifieke zaak. Er zijn conclusies die met zekerheid uit de argumenten voortvloeien en er zijn conclusies die niet volledig zeker zijn. 

    Wat wordt bedoeld met interne validiteit en externe validiteit?

    Validiteit staat voor geldigheid. Een valide redenering is derhalve een geldige redenering. De term 'interne validiteit' wordt gehanteerd in het kader van onderzoek. Als je de meting hebt verricht die je wilde verrichten, dan is je onderzoek intern valide. Stel je wilt meten of je vriezer wel vriest, dan geeft een degelijke thermometer een intern valide resultaat. Steek je enkel je hand in de vriezer om de temperatuur te beoordelen, dan hanteer je geen degelijk meetinstrument en kent je onderzoek een lage interne validiteit. 

    De term 'externe validiteit' wordt eveneens gehanteerd in het kader van onderzoek. Als hetgeen je in een steekproef gemeten hebt ook daarbuiten geldig is, dan is je onderzoek extern valide. Dit betekent dat je onderzoeksconclusie algemene geldigheid heeft. Je wilt bijvoorbeeld weten of Nederlanders vaak naar 'Goede Tijden, Slechte Tijden' kijken. Je besluit dit te vragen aan alle inwoners van een bepaalde wijk. Gaat het toevallig om een wijk waarin veel bewoners de Nederlandse taal niet machtig zijn, dan valt het resultaat totaal anders uit dan wanneer je het in een gemiddelde Nederlandse wijk had gevraagd. Je onderzoek is louter intern valide. Voor een extern valide onderzoek was een representatieve steekproef vereist: eentje die een zuivere afspiegeling vormt van de bevolking.

    Wat wordt bedoeld met inductie en deductie?

    Inductie: redeneerwijze waarbij je een algemene uitspraak doet op basis van een beperkt aantal gevallen. Een voorbeeld. 'De kat die in de straat loopt is grijs, de kat van de buren is grijs en de kat in het park is grijs. Conclusie: alle katten zijn grijs.' 

    Deductie: redeneerwijze waarbij je een conclusie trekt die logisch uit de argumenten volgt. Een voorbeeld. 'Alle honden hebben vier poten. Een Golden Retriever is een hond. Conclusie: deze Golden Retriever heeft vier poten.' 

    Uit de voorbeelden blijkt dat inductie en deductie het tegenovergestelde van elkaar zijn. In het eerste geval worden de uitspraken over individuele gevallen ('die kat en die kat'...) opgevolgd door een algemene conclusie ('alle katten zijn..'). In het deductieve voorbeeld worden algemene uitspraken ('alle honden hebben..') opgevolgd door een conclusie over een individueel geval ('deze Golden Retriever heeft...'). 

    De uitspraak over de kat betreft een syllogisme. Een geldig syllogisme is altijd een deductie. Een geldige conditionele redenering is ook altijd een deductie. Andere geldige redeneringen kunnen een deductie zijn. 

    Deugen de argumenten, dan resulteert deductie altijd in een correcte conclusie. Dit geldt niet voor inductie. In dat geval wordt de conclusie immers niet gebaseerd op alle gevallen. Er kunnen andere gevallen voorkomen waaruit een afwijkende conclusie volgt (je komt een dag later een rode kater tegen bijvoorbeeld). 

    Tijdens het doen van onderzoek kan het voorkomen dat je een inductie gebruikt. De kernvraag is dan: wanneer mag een algemene uitspraak worden gedaan als je slechts een beperkt aantal gevallen hebt bestudeerd? Met andere woorden: hoe voorkom je gebruikmaking van de drogreden van de 'overhaaste generalisatie'? Allereerst moet je je eigen onderzoek uiterst kritisch bekijken. Doe dit door te zoeken naar gevallen die je conclusie betwisten (zie hoofdstuk 10). Ten tweede kun je gebruik maken van statistiek (zie hoofdstuk 13). 

    Access: 
    Public
    Onderzoek doen: wat houden verifiëren en falsifiëren in? - Chapter 10

    Onderzoek doen: wat houden verifiëren en falsifiëren in? - Chapter 10

    In een zogenaamde 'empirische cyclus' is het onderzoeksproces opgesplitst in een vijftal fasen:

    1. Observatie
    2. Inductie
    3. Deductie
    4. Toetsing
    5. Verificatie/falsificatie

    Een voorbeeld. Sam onderzoekt de wijze waarop leraren hun leerlingen beoordelen. Hij woont gedurende zes weken de lessen van een aantal leraren bij. Hij heeft de indruk dat een leraar zich vriendelijker en positiever gedraagt ten opzichte van de volgens hem 'slimme' leerlingen dan ten opzichte van de minder slimme leerlingen. Dit betreft fase 1: observatie. Zijn onderzoekshypothese is dat de leraar de toetsen van zijn 'slimme' leerlingen in de regel minder streng beoordeelt dan die van zijn minder slimme leerlingen. Dit betreft fase 2: inductie. Dit zou inhouden dat hij meer onjuiste antwoorden op toetsvragen gegeven door zijn slimme leerlingen dan door zijn minder slimme leerlingen over het hoofd ziet. Dit betreft fase 3: deductie. Sam vraagt de leraar wie hij beschouwt als de vier slimste en de vier minst slimme leerlingen. Hij bestudeert vervolgens de door de leraar nagekeken toetsen van deze acht leerlingen. Hij ontdekt dat de leraar bij de 'slimme' leerlingen 25% van de onjuiste antwoorden over het hoofd heeft gezien en bij de minder slimme leerlingen 5%. Dit betreft fase 4: toetsing. Sam concludeert dat zijn onderzoekshypothese correct was. Dit betreft fase 5: verificatie. 

    Wanneer is er sprake van een conclusie zonder onderzoek en zonder nadenken?

    Je bent benieuwd of het luisteren naar rockmuziek slecht is voor je gehoor. Je vader is een intelligente man en dus vraag je het aan hem. Hij stelt dat rockmuziek luisteren inderdaad schadelijk is voor je gehoor. Jij concludeert dus dat het waar is. Deze conclusie - gebaseerd op andermans mening - is erg zwak. Ook intelligente mensen als je vader kunnen er naast zitten. En wellicht heeft je eveneens intelligente oom een geheel andere mening. 

    Wanneer is er sprake van een conclusie zonder onderzoek, maar met nadenken?

    Je vader vertelt je dat rockmuziek luisteren slecht is voor je gehoor, maar klopt dit wel? Je bedenkt je dat sommige rockgitaristen met gehoorschade kampen en trommelvliezen vrij kwetsbaar zijn. Je vindt de conclusie dat rockmuziek luisteren slecht voor je gehoor is dus erg redelijk. In dit voorbeeld heb je wel zelf over de kwestie nagedacht. Je redenering is echter makkelijk aan te vallen. Men kan er tegenin brengen dat trommelvliezen het luisteren naar muziek goed kunnen verdragen en rockgitaristen andere geluidsbronnen om zich heen hebben. Voor een degelijk onderbouwd antwoord moet je de kwestie dus onderzoeken. 

    Wanneer is er sprake van een 'niet al te goed' onderzoekje?

    Je gaat zelf onderzoek doen naar het verband tussen een slecht gehoor en het luisteren naar rockmuziek. Je legt een enquête voor aan 50 liefhebbers van rockmuziek met gehoorschade. Je zorgt voor een selectie van personen die dezelfde leeftijd hebben en niet zijn geboren met gehoorproblemen. Uit je onderzoek komt naar voren dat 40 personen vaak rockmuziek luisteren. Je concludeert dat rockmuziek luisteren de kans op gehoorschade vergroot.

    Er is feitelijk sprake van een wetenschappelijk onderzoek. Er is een hypothese/veronderstelling (rockmuziek luisteren is schadelijk voor je gehoor). Hieruit is een voorspelling afgeleid (mensen met gehoorschade luisteren vaak naar rockmuziek). Daarna heb je gegevens gezocht ter ondersteuning van deze voorspelling. Maar het onderzoek is niet goed. Stel dat je 50 personen had geselecteerd die geen gehoorschade hadden en ook vaak naar rockmuziek luisteren. Anders gezegd: 40 personen met gehoorschade die vaak rockmuziek is een noodzakelijke voorwaarde, maar niet een voldoende voorwaarde voor je conclusie. 

    Wanneer is er sprake van een beter onderzoekje?

    Je gaat de opzet van je onderzoek verbeteren door een selectie te maken van 50 personen met gehoorschade en 50 personen zonder gehoorschade. De onderzoekshypothese blijft 'rockmuziek luisteren is schadelijk voor je gehoor'. Je voorspelling is aangepast naar 'personen met gehoorschade luisteren vaker naar rockmuziek dan personen zonder gehoorschade.' Uit je onderzoek volgt dat 42 personen met gehoorschade vaak rockmuziek luisteren en 23 zonder gehoorschade vaak rockmuziek luisteren. Je concludeert dat rockmuziek luisteren schadelijk is voor je gehoor. Toch is ook deze conclusie kwetsbaar (zie 'Onderzoek doen: wat houdt verifiëren in?'). 

    Wat is een klassiek voorbeeld van wetenschappelijk onderzoek?

    Water wordt al vele eeuwen uit de grond gepompt met simpele pompen. Onder de pomp zit een buis die recht naar beneden loopt en uitkomt in het grondwater. De pomp is meestal handmatig te bedienen middels een 'zwengel'. Door te zwengelen komt de zuiger in beweging en komt het water via de buis omhoog. Stop je met pompen, dan zakt het water naar beneden, mits de buis langer is dan tien meter. Gaat het om zo'n buis, dan moet je de volgende keer dus eerst een paar keer 'loos' pompen voordat je water krijgt. Bij een kortere buis hoeft dit niet. 

    Torricelli (Italiaanse natuurkundige) had hier een verklaring voor. Hij overwoog dat de lucht rond de aarde wellicht een bepaald gewicht heeft. Dit gewicht duwt het water in de buis naar boven (luchtdruk). Om deze verklaring te toetsen bedacht hij een experiment. Hij vulde een meterlange buis die aan één uiteinde gesloten was met kwik. De open onderkant plaatste hij een bak met kwik. Hij stelde dat zijn verklaring klopte wanneer het kwik tot een hoogte van circa 76 centimeter in de buis zou blijven staan (kwik is zo'n 13x zwaarder dan water, 10 meter delen door 13 resulteert in 76 centimeter). Zijn verklaring omtrent het achtergebleven water in de buis bleek juist. 

    Onderzoek doen: wat houdt verifiëren in?

    Wetenschappelijk onderzoek ziet er simpel weergegeven als volgt uit: je hebt een hypothese, daar vloeit een voorspelling uit voort, je onderzoekt of de voorspelling uitkomt, zo ja: de hypothese is correct. In dit geval is je hypothese geverifieerd. Redeneerschema:

    • Als de hypothese waar is, komt de voorspelling uit  (als a, dan b)
    • De voorspelling komt uit (b)
    • Dus: de hypothese is waar (dus a)

    Deze conditionele redenering is ongeldig. De conclusie van zo'n onderzoek is nimmer volledig zeker. Het is mogelijk dat de hypothese waar is als de voorspelling uitkomt, maar de hypothese is niet noodzakelijk waar. Een alternatieve verklaring is ook mogelijk. Ook in het geval van het rockmuziek-voorbeeld is wellicht een alternatieve verklaring denkbaar. Een alternatieve verklaring kan geformuleerd zijn als 'a is niet de oorzaak van b, maar het gevolg van b' of 'a is niet de oorzaak van b en evenmin het gevolg'. 

    Een voorbeeld. Muggen komen de afgelopen jaren in grotere getale voor in ons land. Het aantal slakken is echter afgenomen. Onderzoeksvraag: is de mug de oorzaak van de afname van het aantal slakken? Of andersom: is er meer ruimte voor muggen omdat het aantal slakken afneemt? Antwoord: allebei onjuist. Een mug overleeft makkelijker gedurende zachte winters en slakken houden niet van warm weer. Kortom: er is geen sprake van oorzaak-gevolg, maar van een correlatie tussen beide verschijnselen. De oorzaak betreft in beide gevallen een derde factor. 

    Onderzoek doen: wat houdt falsifiëren in?

    Bekijk het rockmuziek-voorbeeld uit 'Wanneer is sprake van een beter onderzoekje?' Hypothese: rockmuziek luisteren is schadelijk voor het gehoor. Voorspelling: personen met gehoorschade luisteren vaker rockmuziek dan personen zonder gehoorschade. Stel de uitkomst was als volgt: 42 personen met gehoorschade luisteren vaak rockmuziek en 42 personen zonder gehoorschade luisteren vaak rockmuziek. De stelling dat rockmuziek luisteren schadelijk is voor het gehoor is dan verworpen: de hypothese is gefalsifieerd. 

    Kortom: hypothese - voorspelling - onderzoeken of de voorspelling uitkomt - voorspelling komt niet uit: hypothese is niet waar. Redeneerschema:

    • Als a, dan b
    • Niet b
    • Dus: niet a

    Deze conditionele redenering is geldig. Dit betekent dat een hypothese nooit met 100% zekerheid kan worden geverifieerd, maar wel worden gefalsifieerd. Dit wil niet zeggen dat verifiëren geen waarde heeft. Voor het doen van een goed onderzoek moet je niet alleen gegevens opsporen die je hypothese ondersteunen, maar ook zoeken naar eventuele tegenstrijdige gegevens. Kun je die niet vinden, dan heb je een sterke conclusie. In geval van de stelling 'alle katten zijn grijs' moet je dus niet alleen speuren naar grijze katten, maar ook op zoek gaan naar een andere kleur,

    Wat houdt de eis van falsificeerbaarheid in?

    Falsifiëren is van groot belang voor wetenschappelijk onderzoek. Een hypothese moet in principe falsificeerbaar zijn. De stelling 'er is een wereld van geesten die we nooit zullen kunnen zien' is niet te falsifiëren. Het is derhalve geen wetenschappelijke hypothese. 

    Access: 
    Public
    Wat houdt het advies 'het scheermes van Ockham' in? - Chapter 11

    Wat houdt het advies 'het scheermes van Ockham' in? - Chapter 11

    Volgens Willem van Ockham (monnik - 14e eeuw) zijn woorden bedoeld om de werkelijkheid te beschrijven en niets meer dan dat. In het geval van verklaringen en beschrijvingen moet je dit lezen als: haal er niet meer bij dan nodig is. Hou het zo simpel mogelijk. Alles wat voor een verklaring of beschrijving niet noodzakelijk is moet je schrappen. Dit advies wordt 'het scheermes van Ockham' genoemd. 

    Een algebraïsch verband: hoe kun je het 'scheermes van Ockham' hierop toepassen? 

    Je wilt onderzoeken of tussen het aantal studie-uren en de tentamenuitslag een verband bestaat. Je onderzoekt dit bij vier studenten en komt tot deze resultaten.

    Als a = 0, dan b = 2

    Als a = 1, dan b = 3

    Als a = 2, dan b = 4

    Als a = 3, dan b = 5

    a: aantal studie-uren, en b: tentamenuitslag. Het verband tussen a en b kun je formuleren als: 

    b = a4 - 6a3 + 11a2 - 5a + 2

    b = a5 - 4a4 - a3 + 16a2 - 11a + 2

    b = a + 2

    Bovenstaande formules leiden tot hetzelfde antwoord, maar op basis van het scheermes van Ockham kies je voor de simpelste (de laatste).

    Welke theorie over het zonnestelsel kies je op basis van het 'scheermes van Ockham'?

    Sterrenkundige Ptolemaeus meende dat de aarde stilstaat en de planeten en zon daar omheen draaien. Vanuit deze visie berekende hij de banen van de planeten, wat resulteerde in zeer ingewikkelde uitkomsten. Copernicus meende dat de planeten en aarde om de zon draaien. Zijn berekening van de banen van de planeten resulteerde in simpelere uitkomsten. Op basis van 'het scheermes van Ockham' kiezen we de theorie van Copernicus. 

    Hoe werd 'het scheermes van Ockham' toegepast in het boek 'De naam van de roos'? 

    Deze roman gaat over een middeleeuws klooster, waarin monnik na monnik sterft op mysterieuze wijze. Een monnik achterhaalt de moordenaar door kritisch en scherpzinnig te redeneren. In een conversatie merkt hij op dat 'de oorzaken en verklaringen niet vermenigvuldigd moeten worden als daarvoor geen dringende noodzaak bestaat. Alles is verklaarbaar door een kleiner aantal oorzaken te gebruiken.' In zijn hypothese kan worden volstaan met drie oorzaken, dus hoeven er niet meer te worden bijgehaald. 

    Goochelaar of helderziende: tot welke conclusie leidt toepassing van het 'scheermes van Ockham'?

    In een populair televisie-programma doet een goochelaar wonderbaarlijke trucjes met willekeurige personen. Het lijkt alsof hij hun gedachten leest. De goochelaar is tevens dokter en denkt dat zijn psychologische en medische kennis hem hierbij helpt. Velen denken dat de man helderziend is. Als hij daadwerkelijk helderziend is, zou dat grote gevolgen hebben voor onze manier van denken. De wetenschap heeft nooit een bepaalde mate van helderziend ontdekt. Gerenommeerde wetenschappers geloven er niet in. Zou de goochelaar helderziend zijn, dan is het huidige wetenschappelijke onderzoek fundamenteel ondeugdelijk, terwijl hier al vele indrukkende ontdekkingen uit zijn voortgekomen. Het hebben van psychologische en medische kennis lijkt niet de verklaring te zijn, want de meeste psychologen en doktoren kunnen niet gedachtelezen. Er blijft een verklaring over: het gaat om goocheltrucs. Volgens de verkoper van een goochelshop kwam de betreffende dokter al van kleins af aan in zijn shop en heeft hij de trucjes daar geleerd. 

    Er zijn drie verklaringen mogelijk:

    1. Hij is helderziend.
    2. Hij heeft een verbazingwekkende psychologische en medische kennis.
    3. Hij is naar de goochelshop geweest.

    Toepassing van het 'scheermes van Ockham' leidt naar verklaring 3. 

    Access: 
    Public
    Welke invloed hebben emoties op conclusies? - Chapter 12

    Welke invloed hebben emoties op conclusies? - Chapter 12

    Zeer geleerde personen of logische denkers hebben niet altijd gelijk. De redenering, mening of het standpunt van eenieder is beïnvloedbaar door emoties. Zo blijkt uit onderzoek dat mensen informatie minder goed waarnemen als die hun mening weerlegt. Een roker 'ziet' gemiddeld minder artikelen over het verband tussen longziekten en roken dan iemand die niet rookt. Denk ook aan het eerder genoemde voorbeeld over de leraar en het missen van foutieve antwoorden gegeven door leerlingen die hij als intelligent beschouwt. Deze voorbeelden zien op emotionele oordelen en gedrag, maar ook het denken zelf kan worden beïnvloed door 'gunstige' conclusies en psychologische blokkades. Een kritische denker beseft dat ook zijn eigen redeneringen en standpunten worden beïnvloed door emoties.

    Wat kun je doen als het niet lukt een probleem op te lossen?

    Voor het oplossen van veel raadsels en andere vraagstukken is het nodig om buiten de kaders te denken. Dit noemt men ook wel 'out of the box denken' of 'jumping out of the system' genoemd. Denken vanuit je gebruikelijke denkwijze en iets louter met een serieuze blik benaderen biedt niet altijd de oplossing. 

    Een voorbeeld. Je hebt een elastieken armband met 21 kralen: 20 witte kralen en met 1 rode kraal. Je wilt er een armband met 20 witte kralen van maken, zonder het elastiek los te maken. Hoe doe je dit? Mogelijk kun je geen oplossing bedenken. Antwoord: de rode kraal kapot slaan. 

    Wat houden Systeem 1 en Systeem 2 in?

    Los de volgende raadsels op.

    Raadsel 1.

    11 = ?

    22 = ?

    33 = ?

    Raadsel 2.

    De prijs van een softijsje met discodip is 1,10 euro. Het softijsje kost 1 euro meer dan de discodip. Hoeveel kost de discodip?

    Antwoord raadsel 1: 1, 4, 27

    Antwoord raadsel 2. Prijs softijsje: 1,05 euro, prijs discodip: 0,05 euro.

    Deze antwoorden had je wellicht fout, terwijl de correcte antwoorden niet te lastig waren voor je denkvermogen. Dit komt omdat iedereen twee denksystemen gebruikt, de 'two-system theory' van psycholoog Kahneman:

    1. Systeem 1: gedachten die automatisch in je hoofd komen;
    2. Systeem 2: gedachten die het resultaat zijn van overwegen, regels toepassen en nadenken.

    Als je naar een geschilderd portret kijkt, komen er waarschijnlijk allerlei gedachten in je op ('het lijkt net een foto', 'ze doet me denken aan mijn buurvrouw' etc.). Dit valt onder Systeem 1, dit vindt heel snel plaats. Kijk je naar een lastige rekensom, dan komt de uitkomst vermoedelijk niet spontaan in je op. Dit valt onder Systeem 2 en is langzamer. Veel mensen zullen het softijs-raadsel beantwoorden met 'ijs 1 euro, dip 0,10 euro' (klopt niet, verschil is dan 0,90 euro). Dit komt omdat dit meteen in hen opkomt, al voordat zij beginnen na te denken.

    Het onderscheid tussen beide systemen is behulpzaam bij het begrijpen van kwetsbaarheden in ons denken. Dit maakt het een handige tool om redeneerfouten te achterhalen. 

    Welke invloed heeft 'wij-zij-denken' op kritisch denken?

    Een uitleg aan de hand van drie klassieke experimenten uit de psychologie.

    Het experiment van Milgram toont aan dat mensen eenvoudig kunnen worden aangezet tot het in levensgevaar brengen van onschuldige anderen als zij denken dat de verantwoordelijkheid voor hun handelingen bij een ander ligt. Er wordt dan al snel niet meer kritisch nagedacht over de eigen verantwoordelijkheid voor deze handelingen. In het experiment moesten mensen in opdracht van een psycholoog elektrische schokken toedienen aan een ander als die een fout maakte, daar gingen zij zelfs mee door toen het aantal volt steeds verder opliep en iemand hartproblemen veinsde. Zij verwezen naar de aanmoedigingen van de psycholoog en achtten zichzelf niet verantwoordelijk.

    Het Stanford Prison Experiment toonde aan dat mensen die de macht over anderen verkrijgen vrij snel alle grenzen overschrijden. In het experiment werden twee groepen gevormd: bewakers en gevangenen. Zij zouden twee weken in een gevangenis verblijven. De bewakers kregen de instructie geen geweld te gebruiken. Het experiment werd voortijdig gestaakt, omdat de bewakers de gevangenen al binnen een week verschrikkelijk behandelden. 

    Uit allebei de onderzoeken blijkt dat mensen het kritisch benaderen van hun eigen handelingen eenvoudig achterwege laten. Het onderscheid is dat het Milgram experiment aantoont hoe ver we gaan als we vinden dat een ander verantwoordelijk is voor onze daden. Het Stanford experiment toont dat grensoverschrijdende handelingen ook voorkomen in gevallen waarin de absolute macht bij de handelende persoon zelf ligt. 

    Iedereen wil dat zijn/haar gedrag conform zijn/haar denkbeelden is. Wanneer dat het geval is, wordt dit 'consonantie' tussen gedrag en mening genoemd. Er kan ook sprake zijn van 'cognitieve dissonantie'. In dat geval ontstaat er spanning (dissonantie) in ons brein (cognitie). Een voorbeeld. Je vindt Pieter een aardige gozer, maar dan hoor je dat hij een hond heeft geschopt. De mens probeert het optreden van cognitieve dissonantie te vermijden, door bijvoorbeeld te denken 'Pieter heeft dat vast niet gedaan' of 'de hond was zeker gevaarlijk, anders doet zo'n prima gozer dat niet'. Een cognitieve dissonantie wordt volgens onderzoek zo veel mogelijk gladgestreken. Denk aan een roker die ongunstige artikelen over roken probeert te ontwijken en vergeten. Zo wordt ook een ongeldig syllogisme vaker als geldig beschouwd wanneer de conclusie ervan overeenstemt met de eigen opvattingen dan wanneer deze tegenstrijdig is.

    Access: 
    Public
    Hoe trek je een conclusie uit statistisch onderzoek? - Chapter 13

    Hoe trek je een conclusie uit statistisch onderzoek? - Chapter 13

    Wat houdt significantietoetsing in?

    In onderzoeken wordt vaak gebruikgemaakt van steekproeven. Je kunt in een onderzoek naar het verband tussen gehoorschade en het luisteren van rockmuziek immers niet alle luisteraars van rockmuziek meenemen. Je kunt berekenen hoe groot de kans is dat de uitkomst van de steekproef voor de gehele populatie geldt. Als deze kans groter is dan 95%, is sprake van een 'significant' resultaat. De 'alfafout' is vaak 0,05: onderzoekers accepteren maximaal 5% kans dat de uitkomst van de steekproef op toeval berust. Een voorbeeld. Een onderzoeker gooit 10 keer een euromunt op. Hij gooit 9 keer munt. Mag hij generaliserend vaststellen dat de euromunt vals is? In geval van een normale euromunt is de kans op minstens 9 keer munt slechts 1,07%. Hij concludeert dus dat de euromunt niet echt is. De kans dat hij de alfafout maakt is een kleine 1%. 

    De veronderstelling waaronder men de kans op de gevonden uitkomst kan berekenen noemt men de 'nulhypothese'. Onderzoekers willen hun nulhypothese meestal verwerpen ten gunste van een 'alternatieve hypothese'. Een onderzoeker die bijvoorbeeld een verband wil aantonen tussen koopgedrag en geslacht, zal de steekproefresultaten berekenen uitgaande van de nulhypothese (Er is geen verband tussen geslacht en koopgedrag in de populatie). Is de kans op het verkrijgen van het steekproefresultaat onder aanname van deze nulhypothese geringer dan 5%, dan is zijn nulhypothese verwerpbaar. Deze procedure noemt men 'significantietoetsing'. 

    Wat houdt onderscheidingsvermogen in?

    Wanneer de nulhypothese correct is en de onderzoeker deze accepteert, dan neemt hij de correcte beslissing. Verwerpt hij de nulhypothese, dan maakt hij de alfafout (ook wel: 'fout van de eerste soort'). Hij kan ook een ander soort fout maken: de nulhypothese accepteren, terwijl de alternatieve hypothese correct is. Hij maakt dan de bètafout (ook wel: 'fout van de tweede soort'). Vervolgens neemt hij de correcte beslissing door de nulhypothese te verwerpen wanneer de alternatieve hypothese correct is. De kans op het nemen van deze laatste correcte beslissing betreft het 'onderscheidingsvermogen' van de onderzoeker. 

    Schematisch weergegeven:

    Nulhypothese is correct & nulhypothese wordt niet verworpen > correcte beslissing (kans is gelijk aan 1 - alfa)

    Nulhypothese is correct & nulhypothese wordt verworpen > alfafout (kans is gelijk aan alfa)

    Alternatieve hypothese is correct & nulhypothese wordt niet verworpen > bètafout (kans is gelijk aan bèta)

    Alternatieve hypothese is correct & nulhypothese wordt verworpen > correcte beslissing (kans is gelijk aan 1 - bèta)

    Naarmate de kans op een alfafout kleiner wordt, wordt de kans op een bètafout groter. Neemt bèta toe, dan neemt het onderscheidingsvermogen af. Kortom: naarmate alfa kleiner wordt, wordt het onderscheidingsvermogen kleiner. 

    Welke tweede factor is bepalend voor de grootte van het onderscheidingsvermogen?

    Naast de grootte van alfa wordt de grootte van het onderscheidingsvermogen bepaald door twee andere factoren. Een hiervan betreft de effectgrootte: de grootte van het verschil tussen nulhypothese en de alternatieve hypothese. Een groot effect is eenvoudiger waar te nemen dan een klein effect. Als algemene regel kun je aanhouden: des te groter de effectgrootte, des te groter het onderscheidingsvermogen. 

    Welke derde factor is bepalend voor de grootte van het onderscheidingsvermogen?

    Naast de grootte van alfa en de effectgrootte is de steekproefgrootte bepalend voor de grootte van het onderscheidingsvermogen. Hoe meer waarnemingen een onderzoeker doet, hoe beter het verschil met de nulhypothese opvalt. Meer meten = meer weten. Kortom: des te groter de steekproef, des te groter het onderscheidingsvermogen.

    Wat houdt de viereenheid tussen onderscheidsvermogen en de drie besproken factoren in?

    De effectgrootte, steekproefgrootte en alfafout vormen samen met het onderscheidsvermogen een viereenheid. Wanneer drie van hen op een zekere waarde worden gefixeerd, dan ligt de resterende automatisch vast. 

    Wat is het onderscheid tussen eenzijdig en tweezijdig toetsen?

    Het onderscheid tussen alfa-eenzijdig en alfa-tweezijdig toetsen is voor een onderzoeker die significantietoetsing toepast erg belangrijk. Heeft hij zeer aannemelijke theoretische verwachtingen over de richting waarin resultaten zullen afwijken van de nulhypothese, dan is eenzijdig toetsen beter. De grootte van de alfafout wordt dan berekend vanuit de veronderstelling dat de steekproefuitkomsten alleen van de nulhypothese zullen afwijken in de verwachte richting. Je moet er erg zeker van zijn dat geen effecten kunnen optreden in de niet-verwachte richting. Weet je niet welke kant het op zal gaan, dan is tweezijdig toetsen beter. Eenzijdig toetsen resulteert in een groter onderscheidingsvermogen. 

    Wanneer maak je wel en wanneer niet gebruik van significantietoetsing?

    Wat significantietoetsing betreft, zijn er drie valkuilen mogelijk:

    1. Significantietoetsing komt met onzekerheden: het maken van een alfa- of bètafout blijft mogelijk. Gebruik het niet als een alternatief onderzoek betrouwbaardere resultaten oplevert dan een steekproef. Soms kun je bijvoorbeeld ergens concrete data opvragen.
    2. Soms denkt een onderzoeker ten onrechte dat significantietoetsing nodig is, terwijl hij geen steekproef uitvoerde, maar een onderzoek onder de gehele populatie. Een geringe populatie kan alsnog de gehele populatie zijn.
    3. De uitgevoerde steekproef is te groot. Te klein is niet goed, maar het tegenovergestelde evenmin. Elk klein verschil wordt dan statistisch significant. Door te gedetailleerd te kijken, verliest de uitkomst betekenis. 

    Wat houdt de bayesiaanse benadering in?

    De bayesiaanse benadering is behulpzaam bij het uitrekenen van de kans op 'indien X, dan Z' wanneer je de kans weet op 'indien Z, dan X'. Je moet goed beseffen dat er een enorm verschil is tussen beide formuleringen. 

    Een voorbeeld. Je werkt op de afdeling personeelszaken en bent op zoek naar een nieuwe jurist. Kandidaat Kim staat je erg aan, maar je twijfelt. Ze heeft namelijk gestudeerd aan Universiteit Utrecht en onlangs werd bekend dat 10% van alle plagiaat plegende juristen daar studeerde. Je vreest dat de kans 10% is dat je een plagiaatpleger aanneemt. In dat geval ben je geen kritische denker. De kans 'indien plagiaatpleger, dan Universiteit Utrecht, is totaal anders dan de kans 'indien Universiteit Utrecht, dan plagiaatpleger'. Neem aan dat 30 juristen in ons land plagiaat plegen. 3 daarvan studeerden aan de Universiteit Utrecht (10% dus). Aan de Universiteit zijn in de laatste 20 jaar 1500 juristen afgestudeerd. Dit resulteert in een percentage van 0,2% plagiaatplegers (3:1500). Het risico dat je de verkeerde persoon aanneemt, is dus niet 10%, maar slechts 0,2%.

    De bayesiaanse benadering speelt een belangrijke rol als je voor een onderzoek bepaalde zaken moet opsporen. Je weet bijvoorbeeld dat 55% van de snelheidsovertreders aan kickboksen heeft gedaan. Is dit zinvolle informatie voor het opsporen van overtreders? Heeft het nut om beter op iedereen die aan kickboksen doet te letten? Vast niet. De kans 'als snelheidsovertreder, dan kickbokser' is 70%, maar de kans 'als kickbokser, dan snelheidsovertreder' is veel kleiner. 

    Access: 
    Public
    TentamenTickets bij Logisch en kritisch denken van Burgers - 2e druk

    TentamenTickets bij Logisch en kritisch denken van Burgers - 2e druk

    Wat houdt 'kritisch denken' in? - TentamenTickets 1

    • Kritisch denken is erg belangrijk voor het doen van een goed onderzoek. Je moet dus weten wat kritisch denken inhoudt. Dit kun je onthouden met behulp van het volgende ezelsbruggetje. BINKA: betwist informatie, niet klakkeloos accepteren.
       
    • Een kritisch denker vraagt zich continu drie dingen af, onthoud deze en zorg dat je het onderscheid ertussen doorhebt: 1) Is dit argument wel juist? 2) Wordt de juiste conclusie getrokken? 3) Is er werkelijk niets tegenin te brengen?
       
    • Een onderzoek wordt voltooid door een conclusie, dit is een belangrijk onderdeel ervan. Je wilt dus in staat zijn een juiste conclusie te trekken. Een conclusie is geldig of ongeldig. Geregeld wordt een ongeldige conclusie getrokken.. Een veelvoorkomende denkfout wordt gemaakt in de vorm van de volgende redenering ‘Sommige…., sommige.. Dus: sommige..’.  Onthoud het volgende voorbeeld (het onderwerp is niet relevant) waarin een ongeldige conclusie wordt getrokken. Dit soort redeneringen zul je vaak tegenkomen: 'Sommige wetenschappelijke artikelen bevatten spelfouten. Sommige Nederlandse artikelen zijn wetenschappelijk. Dus: sommige Nederlandse artikelen bevatten spelfouten.' 

    Waaruit bestaat een redenering? - TentamenTickets 2

    • Let op dat er niet altijd sprake is van een redenering. Een redenering bestaat altijd uit minstens twee onderdelen: een argument en een standpunt of conclusie. Als je een redenering tegenkomt, moet je deze kunnen ontleden: wat is het argument en wat is het standpunt of de conclusie? Een redenering kan beginnen met zowel het argument als met het standpunt. De zinsvolgorde is dus niet relevant.
       
    • Je kunt op een eenvoudige manier nagaan of je te maken hebt met een redenering. Controleer of een formulering de volgende signaalwoorden bevat of deze erin te plaatsen zijn: dus, want, daaruit volgt, daarom, derhalve, immers, aangezien, omdat.
       
    • Staat in een formulering een signaalwoord of kun je deze erin plaatsen? Dan kun je ook beoordelen wat het argument en wat het standpunt is. Onthoud deze regels: na 'omdat', 'aangezien', 'want' en 'immers' volgt altijd een argument. Na 'daarom', 'dus', 'daaruit volgt' en 'derhalve' volgt altijd een standpunt. 
       
    • Laat je niet in de war brengen door de verschillende termen die gebruikt worden, vaak hebben deze dezelfde betekenis. Onthoud het volgende. ‘Argument’ = ‘premisse’.  ‘Conclusie’ of ‘standpunt’ = ‘gevolgtrekking’ of ‘stelling’.  ‘Redenering’ = ‘argumentatie’ (dit kan verwarrend zijn, alle argumenten tezamen voor een bepaald standpunt noemt men ook ‘argumentatie’).

    Hoe kun je redeneringen ontleden? - TentamenTickets 3

    • Het onderscheid tussen enkelvoudige argumentatie (standpunt wordt onderbouwd door één argument) en meervoudige argumentatie (standpunt wordt onderbouwd door meerdere argumenten) is niet ingewikkeld. Wat je goed in de gaten moet houden is het onderscheid tussen onderschikkende en  meervoudige argumentatie. In geval van onderschikkende argumentatie bestaat een relatie tussen de gebruikte argumenten: het ene is het hoofdargument, het andere ondersteunt dit argument. In een debat of betoog hoef je in geval van onderschikkende argumentatie maar één argument te weerleggen (welke maakt niet uit) en in geval van meervoudige argumentatie moet je ingaan op alle argumenten. Deze wetenschap kan je veel tijd besparen.
       
    • De soorten argumentatie die je van elkaar moet onderscheiden, kun je onthouden met behulp van het volgende ezelsbruggetje: EMO. Dit betreft een afkorting van: enkelvoudig, meervoudig, onderschikkend.
       
    • Houd er rekening mee dat er ook sprake kan zijn van complexe argumentatie: een combinatie van een enkelvoudige/meervoudige argumentatie en onderschikkende argumentatie. Zorg dat je kunt onderscheiden om hoeveel en welke hoofdargumenten het gaat en welke de ondersteunende argumenten zijn. Het werkt inzichtelijk om dit schematisch weer te geven en kan je inspireren tot het bedenken van meer argumenten. Maak een trapsgewijs schema met bijvoorbeeld onderaan de onderschikkende argumenten A1A1 – A2A1 die met pijlen verwijzen naar het daarboven geplaatste hoofdargument A1 en daarboven het standpunt St.

    Wanneer is er sprake van een geldige dan wel een ongeldige conclusie? - TentamenTickets 4

    • Het is belangrijk dat je een syllogisme kunt herkennen. Als in een redenering een uitspraak wordt gedaan over eigenschappen, groepen, verzamelingen of klassen die gekoppeld worden aan bijzondere gevallen (één volk, één mens, één ding), dan is sprake van een syllogisme. Meestal bestaan zij uit twee argumenten en een conclusie. Voorbeeld: ‘Alle gemeenten hebben een burgemeester, Tiel is een gemeente, Tiel heeft dus een burgemeester’. Deze conclusie volgt dwingend uit de argumenten. Een syllogisme moet je streng beoordelen. Is een andere conclusie mogelijk, dan is het syllogisme ongeldig. Dit was het geval als er ‘sommige gemeenten’ had gestaan.
       
    • Ezelsbruggetje: S-S (Syllogisme - Streng).
       
    • Een veelvoorkomend syllogisme dat ongeldig is, ziet er uit als volgt. ‘In sommige wetenschappelijke artikelen staan spelfouten. Sommige Nederlandse artikelen zijn wetenschappelijk. Dus: In sommige Nederlandse artikelen staan spelfouten’. De argumenten leiden niet automatisch tot de conclusie, het is slechts een mogelijke conclusie. Leer dit voorbeeld uit je hoofd (of met een ander onderwerp). Soortgelijke redeneringen komen vaak voor. Herken je het, dan hoef je geen kennis van het onderwerp te hebben, maar kun je toch eenvoudig de geldigheid van de conclusie beoordelen. Dit is een belangrijk wapen.
       
    • Conditionele redeneringen doen zich voor in vier basisvormen. Twee ervan zijn geldig, twee ervan zijn ongeldig. Zorg ervoor dat je het onderscheid tussen deze redeneervormen helder voor ogen hebt. Ze  worden in onderzoeksconclusies, betogen en debatten nogal eens door elkaar gebruikt. Wanneer iemand een conditionele redenering gebruikt en je het lastig te bepalen vindt om welke vorm het gaat, zet de uitspraken uit die redenering dan om in symbolen A en B. 1) Als A, dan B. A gebeurt. Dus B. 2) Als A dan B. B gebeurt. Dus: A. 3) Als A, dan B. A gebeurt niet. Dus: niet B. 4) Als A, dan B. B gebeurt niet. Dus: niet A. Nummer 2 en 3 zijn ongeldig (een alternatieve oorzaak is mogelijk), 1 en 4 zijn geldig: de conclusie volgt dwingend uit de argumenten.
       
    • Er zijn drie belangrijke leerpunten over logica die je moet onthouden: 1)  'Logische geldigheid' is strenger dan 'zou kunnen'. De enkele mogelijkheid maakt het niet geldig. 2) Ongeldige en geldige redeneringen kunnen sterk op elkaar lijken. 3) Enkel op grond van de redeneervorm kun je soms bepalen of deze geldig dan wel ongeldig is.

    Wanneer is er sprake van voldoende en noodzakelijke voorwaarden? - TentamenTickets 5

    • Een conditionele redenering kan een noodzakelijke en/of een voldoende voorwaarde bevatten. Deze worden in debatten vaak op listige wijze gebruikt, zorg dus dat je het onderscheid herkent. Wanneer een zin de formule 'als X, dan Z' bevat, dan is X in de regel een voldoende voorwaarde voor Z. Wanneer een zin de formule 'als niet X, dan niet Z' bevat, dan is X een noodzakelijke voorwaarde voor Z.

    Hoe kun je helder denken door middel van categorieën? - TentamenTickets 6

    • Onthoud de twee vereisten voor het onderverdelen van een verzameling in categorieën: non-overlap en volledigheid. De onderdelen mogen elkaar niet overlappen en moeten met elkaar de gehele verzameling bestrijken. Ezelsbruggetje: OV-verzameling.
       
    • Niet alleen in tentamens, maar ook tijdens sollicitatieprocedures kan gebruik worden gemaakt van opsommingen waarin één element niet thuishoort of juist ontbreekt. Bekijk wat bekende voorbeelden hiervan. Door te oefenen leer je kritisch na te denken over een opsomming.
       
    • Het is erg belangrijk dat je een onderzoeksvraag operationeel kunt maken, deze vormt immers het uitgangspunt van je onderzoek. Als je onderzoeksvraag is geformuleerd als een niet-meetbare vraag, zal dit je hele onderzoek beïnvloeden. Zorg dus dat je meetbare termen kunt onderscheiden van niet-meetbare. Het operationeel maken doe je bijvoorbeeld door de onderzoeksvraag op te splitsen in meetbare deelvragen, probeer dit dus altijd te doen. Ook hier zijn de OV-vereisten van belang.

    Wat zijn informele drogredenen? - TentamenTickets 7

    • Het gebruiken van een drogreden – een ondeugdelijk argument – maakt je conclusie zwak. Je tegenpartij kan deze hierop aanvallen. Het is dus goed om te beseffen wanneer jijzelf en zeker ook wanneer de tegenpartij een drogreden gebruikt. Zorg dat je de zeven informele drogredenen herkent. Ezelsbruggetje ‘OPA COOS’. Dit is een afkorting van: overhaaste generalisatie, post hoc, ad hominem, cirkelredenering, omdraaien bewijslast, onjuiste analogie, stroman.
       
    • Onthoud dat de drogreden van de stroman vaak voorkomt: het verdraaien van andermans standpunt. Laat je hierdoor niet misleiden en ga er niet in mee, maar herhaal en verdedig je eigen (originele) standpunt.
       
    • Onthoud dat een overhaaste generalisatie niet aan de orde is wanneer je een (correcte) representatieve steekproef hebt uitgevoerd. Wanneer je een algemene uitspraak wilt baseren op enkele bijzondere gevallen, maak dan gebruik van zo’n steekproef, anders kan je conclusie kwetsbaar zijn.

    Aan welke vereisten moeten argumenten voldoen voor een toereikende ondersteuning van de conclusie? - TentamenTickets 8

    • Onthoud de twee vereisten die gesteld worden aan een argument: relevantie en volledigheid (RV). Besef dat een relevant argument de conclusie alsnog onvoldoende kan ondersteunen. Hoofdregels: argumentatie volledig > argumentatie relevant.  Argumentatie niet relevant > argumentatie nooit volledig. Argumentatie relevant > niet noodzakelijk volledig.

    Welke verschillende soorten conclusies zijn er? - TentamenTickets 9

    • Onthoud dat er vier soorten conclusies mogelijk zijn, beoordeel van welke sprake is in jouw eigen onderzoek. Een algemeen geldende, een conclusie die betrekking heeft op een specifieke zaak, een conclusie die wel/niet met zekerheid uit de argumenten voortvloeit.
       
    • Het is belangrijk dat je het onderscheid kent tussen interne en externe validiteit. Je onderzoeksconclusie heeft pas algemene geldigheid als sprake is van externe validiteit.
       
    • Ook moet je het onderscheid kennen tussen inductie en deductie. Zij zijn het tegenovergestelde van elkaar. Inductie betreft een redeneerwijze die je onderzoek kan ondermijnen door te resulteren in een incorrecte conclusie. Wees hier behoedzaam voor. Een inductie kan leiden tot de drogreden van de overhaaste generalisatie. Zoek dus altijd naar gevallen die de conclusie betwisten.
       
    • Wat betreft conclusies kun je het volgende ezelsbruggetje gebruiken: ID – IE. Dit zijn de afkortingen van de genoemde termen hierboven.
       
    • Onthoud dat een geldig syllogisme en een geldige conditionele redenering altijd deducties zijn. Een deductie resulteert altijd in een correcte conclusie als de argumenten deugen.

    Onderzoek doen: wat houden verifiëren en falsifiëren in? - TentamenTickets 10

    • Zorg dat je de vijf fasen van de empirische cyclus kent: observatie, inductie, deductie, toetsing en verificatie/falsificatie.
       
    • Een goed (wetenschappelijk) onderzoek bevat een hypothese, voorspelling en degelijk verricht onderzoek. Als uit onderzoek blijkt dat je voorspelling uitkomt, dan is je hypothese correct, oftewel: geverifieerd. Er is sprake van een onterechte verificatie als een alternatieve verklaring mogelijk is. Besef dat een hypothese nooit met 100% zekerheid kan worden geverifieerd, maar wel worden gefalsifieerd (voorspelling niet uitgekomen, hypothese verworpen). Een verificatie is wel zinvol. Door te onderzoeken of er tegenstrijdige gevallen zijn, zorg je voor een sterke conclusie.

    Wat houdt het advies 'het scheermes van Ockham' in? - TentamenTickets 11

    • Een belangrijk advies bij het doen van onderzoek is het zogeheten ‘scheermes van Ockham’.  Zorg dus dat je weet wat dit inhoudt en tot welke keuze toepassing ervan leidt. Haal er niet meer bij dan nodig is, alles wat niet noodzakelijk is moet je schrappen. Kun je een formule met 5 symbolen weergeven of met 3 symbolen om tot hetzelfde antwoord te komen, kies dan voor het laatste. Kun je iets verklaren door een kleiner aantal oorzaken, doe dit dan. 

    Welke invloed hebben emoties op conclusies? - TentamenTickets 12

    • Een kritisch denker beseft dat ieders redenering, mening of standpunt beïnvloed wordt door emoties. Denken wordt beïnvloed door gunstige conclusies en psychologische blokkades. Als je onderzoek doet, moet je dus beseffen en proberen te voorkomen dat je onbewust een bepaalde kant op redeneert en blind bent voor informatie die je conclusie betwist. Onthoud in dit kader het begrip ‘cognitieve dissonantie’: spanning in het brein (de verkregen informatie strookt niet met je denkbeeld ergens van).
       
    • Zorg dat je de ‘twee denksystemen’-theorie van Kahneman kent. Systeem 1: gedachten die automatisch in je hoofd opkomen. Dit gebeurt heel snel. Systeem 2: gedachten die het resultaat zijn van overwegen, regels toepassen en nadenken. Dit neemt meer tijd in beslag. Heb je dus een redenering of conclusie gebaseerd op een gedachte die meteen in je hoofd opkwam en er verder niet over nagedacht, dan is deze kwetsbaar. Denk aan het voorbeeld van het ijsje met discodip dat 1,10 euro kost. Het ijsje is 1 euro duurder dan de discodip, hoeveel kosten zij ieder? Je eerste gedachte is misschien direct ijsje: 1 euro en discodip: 0,10 euro. Maar dit dus onjuist.
       
    • Mogelijk wordt in een tentamen gevraagd naar de uitkomst van en het onderscheid tussen het Milgram-experiment en het Stanford Prison-experiment. Zorg dus dat je de resultaten hiervan globaal kent en wat deze betekenen voor kritisch denken.

    Hoe trek je een conclusie uit statistisch onderzoek? - TentamenTickets 13

    • In onderzoeken wordt geregeld gebruikgemaakt van steekproeven. Om de waarde hiervan te kunnen beoordelen, moet je enige kennis van statistiek hebben. Zorg dus dat je weet wat een ‘significant’ resultaat en de alfafout inhouden.
       
    • Zorg dat je weet wat significantietoetsing inhoudt, wat een nulhypothese is en wanneer deze verworpen moet worden.
       
    • Zorg dat je het onderscheid kent tussen een alfafout (fout van de eerste soort) en een bètafout (fout van de tweede soort).
       
    • Zorg dat je weet wat het onderscheidingsvermogen van een onderzoeker inhoudt en hoe de drie factoren effectgrootte, steekproefgrootte, grootte van alfa van invloed zijn op de grootte hiervan.
       
    • Je moet weten wanneer een onderzoeker kiest voor alfa-eenzijdig toetsen en wanneer voor alfa-tweezijdig toetsen. Eenzijdig toetsen doet een onderzoeker wanneer hij zeer aannemelijke theoretische verwachtingen heeft over de richting waarin resultaten zullen afwijken van de nulhypothese. Ben je niet zeker van de richting, dan kies je voor tweezijdig toetsen.
       
    • Zorg dat je de drie valkuilen van significantietoetsing kent: 1) het maken van een alfa- of bètafout blijft mogelijk (als er concrete data uit een andere bron voorhanden is, laat de steekproef dan achterwege), 2) er is geen steekproef uitgevoerd, maar een onderzoek onder de gehele populatie (een gehele populatie kan gering zijn) of 3) de steekproef is te groot.
       
    • Je hoeft niet inhoudelijk te weten wat de bayesiaanse statistiek is, maar je moet wel weten dat deze behulpzaam is bij het uitrekenen van de kans op ‘indien X, dan Z’ wanneer je de kans op ‘indien Z, dan X’ weet. Hier zit namelijk een groot verschil tussen. Het is handig om hier een voorbeeld van in je achterhoofd te hebben, zodat je dit herkent wanneer het zich voordoet. Het kan tot een gehele andere (en dus onjuiste) conclusie leiden.
    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries
    Check more: study fields and working areas

    Image

    Share: this page!
    Follow: Social Science Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    3615
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector