aantekeningen van hoorcollege 9


Access options

      How do you get full online access and services on JoHo WorldSupporter.org?

      1 - Go to www JoHo.org, and join JoHo WorldSupporter by choosing a membership + online access
       
      2 - Return to WorldSupporter.org and create an account with the same email address
       
      3 - State your JoHo WorldSupporter Membership during the creation of your account, and you can start using the services
      • You have online access to all free + all exclusive summaries and study notes on WorldSupporter.org and JoHo.org
      • You can use all services on JoHo WorldSupporter.org (EN/NL)
      • You can make use of the tools for work abroad, long journeys, voluntary work, internships and study abroad on JoHo.org (Dutch service)
      Already an account?
      • If you already have a WorldSupporter account than you can change your account status from 'I am not a JoHo WorldSupporter Member' into 'I am a JoHo WorldSupporter Member with full online access
      • Please note: here too you must have used the same email address.
      Are you having trouble logging in or are you having problems logging in?

      Toegangsopties (NL)

      Hoe krijg je volledige toegang en online services op JoHo WorldSupporter.org?

      1 - Ga naar www JoHo.org, en sluit je aan bij JoHo WorldSupporter door een membership met online toegang te kiezen
      2 - Ga terug naar WorldSupporter.org, en maak een account aan met hetzelfde e-mailadres
      3 - Geef bij het account aanmaken je JoHo WorldSupporter membership aan, en je kunt je services direct gebruiken
      • Je hebt nu online toegang tot alle gratis en alle exclusieve samenvattingen en studiehulp op WorldSupporter.org en JoHo.org
      • Je kunt gebruik maken van alle diensten op JoHo WorldSupporter.org (EN/NL)
      • Op JoHo.org kun je gebruik maken van de tools voor werken in het buitenland, verre reizen, vrijwilligerswerk, stages en studeren in het buitenland
      Heb je al een WorldSupporter account?
      • Wanneer je al eerder een WorldSupporter account hebt aangemaakt dan kan je, nadat je bent aangesloten bij JoHo via je 'membership + online access ook je status op WorldSupporter.org aanpassen
      • Je kunt je status aanpassen van 'I am not a JoHo WorldSupporter Member' naar 'I am a JoHo WorldSupporter Member with 'full online access'.
      • Let op: ook hier moet je dan wel hetzelfde email adres gebruikt hebben
      Kom je er niet helemaal uit of heb je problemen met inloggen?

      Join JoHo WorldSupporter!

      What can you choose from?

      JoHo WorldSupporter membership (= from €5 per calendar year):
      • To support the JoHo WorldSupporter and Smokey projects and to contribute to all activities in the field of international cooperation and talent development
      • To use the basic features of JoHo WorldSupporter.org
      JoHo WorldSupporter membership + online access (= from €10 per calendar year):
      • To support the JoHo WorldSupporter and Smokey projects and to contribute to all activities in the field of international cooperation and talent development
      • To use full services on JoHo WorldSupporter.org (EN/NL)
      • For access to the online book summaries and study notes on JoHo.org and Worldsupporter.org
      • To make use of the tools for work abroad, long journeys, voluntary work, internships and study abroad on JoHo.org (NL service)

      Sluit je aan bij JoHo WorldSupporter!  (NL)

      Waar kan je uit kiezen?

      JoHo membership zonder extra services (donateurschap) = €5 per kalenderjaar
      • Voor steun aan de JoHo WorldSupporter en Smokey projecten en een bijdrage aan alle activiteiten op het gebied van internationale samenwerking en talentontwikkeling
      • Voor gebruik van de basisfuncties van JoHo WorldSupporter.org
      • Voor het gebruik van de kortingen en voordelen bij partners
      • Voor gebruik van de voordelen bij verzekeringen en reisverzekeringen zonder assurantiebelasting
      JoHo membership met extra services (abonnee services):  Online toegang Only= €10 per kalenderjaar
      • Voor volledige online toegang en gebruik van alle online boeksamenvattingen en studietools op WorldSupporter.org en JoHo.org
      • voor online toegang tot de tools en services voor werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
      • voor online toegang tot de tools en services voor emigratie of lang verblijf in het buitenland
      • voor online toegang tot de tools en services voor competentieverbetering en kwaliteitenonderzoek
      • Voor extra steun aan JoHo, WorldSupporter en Smokey projecten

      Meld je aan, wordt donateur en maak gebruik van de services

      Check page access:
      JoHo members
      Check more or recent content:

      aantekeningen hoorcolleges Psychopathologie jaar 2023 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 1 Psychopathologie 2023 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 1 Psychopathologie 2023 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 1- introductie psychopathologie

      DSM geschiedenis:

      • 1880: 7 diagnoses: manie, melancholie, monomanie, paresis, dementie, dipsomanie, en epilepsie 
      • 1911 DSM 1: 106 diagnoses 
      • DSM 2: 182 diagnoses 
      • DSM 3: 265 diagnoses 
      • DSM 4: 374 diagnoses 2013
      • DSM 5: 491 diagnoses

      stromingen binnen psychologie:

      • psychodynamische stroming
      • behaviorism
      • humanistische stroming
      • cognitieve stroming
      • biologische stroming

      taken therapeuten

      • orde te scheppen in symptomen
      • te begrijpen waarom (luxerende en instandhoudende factoren)
      • te bepalen waar de nood zit en wat beste aangrijpingspunt is

      DSM classificaties: labels om symptomen te ordenen

      • persoonskenmerk → symptoom=uitingsvorm → label
      • vb controlegedrag→ dwangmatig controleren, behoefte aan orde etc → bvb label: OCS. 
      • Een bepaald persoonskenmerk hoeft niet altijd negatief te zijn, zo kan bijvoorbeeld controlegedrag ook leiden tot beter presteren

      DSM limitaties

      • comorbiditeit
      • afbakening onduidelijk omdat er veel overlap is
      • versnippering
      • puur gericht op symptomen en niet op onderliggende aetiologie

      DSM classificatie werkt het best als:

      • iedere classificatie uniek is
      • iedere classificatie stabiel is
      • ze alles weten te verklaren

      Alternatieven voor DSM

      • Research domain criteria (RDOC): symptoomclusters linken aan neurobiologie. 
      • Hierarchical Taxonomy of psychopathology (HITOP): psychopathologie spectra
      • Netwerktheorie: focus op de samenhang van symptomen onderling en dus niet op een achterliggende construct, zoals diagnose, ziekte, latente factor

      RDOC limitaties:

      • Neurobiologische constructen zijn weinig specifiek 
      • Neurobiologische constructen verklaren maar klein deel 
      • Dimensies te vaag en complex 
      • Wel goede bouwblokken voor onderzoek naar onderliggende neurobiologie

      HITOP limitaties:

      • Combinaties van uitersten op een spectrum niet mogelijk 
      • Verschil symptomen en maladaptieve traits onduidelijk 
      • Wel goed overzicht van samenhang tussen stoornissen

      Netwerkmodel limitaties:

      • Het gaat puur om correlaties tussen symptomen die gecorrigeerd zijn voor andere onderlinge correlaties
      • geen causaliteit!
      • wel inzichtgevend: samenhang, overlap, individuele aangrijpingspunten
         
      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege 2 Psychopathologie 2023 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 2 Psychopathologie 2023 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 2: DSM-5 Onderzoeksagenda

      Drie secties DSM

      • introductie
      • diagnostische criteria
      • opkomende meetmethoden en modellen: condities voor toekomstig onderzoek (kunnen mogelijk later worden opgenomen in sectie 2)

      Voorbeelden van "overige specifieke" condities zijn:

      • Attenuated Psychosis Syndrome: er zijn al veel psychotische stoornissen, maar er is vastgesteld dat sommige mensen eens in de week psychotische verschijnselen die mild zijn.
      • Cafeïne Use Disorder: als je verslaafd bent aan red bull of koffie en niet kan functioneren zonder koffie, kun je deze stoornis hebben.
      • Internet Gaming Disorder: een preoccupatie met online activiteiten.
      • Suicide Behavior Disorder: iemand heeft een poging gedaan en dat is voldoende om deze stoornis te geven. In de DSM-5-TR (text revision) is deze verschoven als een V-code, als een aandachtspunt voor klinische aandacht. Dat komt omdat als mensen een poging doen, dat een voorspeller is voor nog een poging te doen. 10% van de pogingen doen mensen zonder een psychologische stoornis.

      Criteria voor een stoornis: voorbeeld van persisiterende rouwstoornis

      1. Een coherente set van symptomen : verschillende onderzoeksgroepen onderstelde consistente criteria. Onder andere  aanhoudende separatie stress, onophoudelijk ongeloof en bitterheid over het verlies, etc.
      2. Het syndroom gaat gepaard met lijden en disfunctioneren: het ervaren van intense rouw, 6 maanden na verlies, beperkt het dagelijkst functioneren. Internet gaming disorder zou dus niet voldoen aan dit criterium.
      3. Het syndroom is verbonden met verstoringen in psychobiologische processen: de psychologie is begonnen vanuit een medische invalshoek. We vinden iets pas een stoornis als ergens een biologisch substraat voor te vinden is. Bij veel mentale stoornissen is er echter geen biologisch substraat en voor geen enkele stoornis zijn er unieke biologische disregulaties. ER zijn wel kenmerken  aan te wijzen die de kans vergroten dat iemand deze stoornis krijgt. Denk aan de verstoring in het herstel na separatie van een dierbare en verhoogde activatie van de nucleus accumbes.
      4. Het syndroom onderscheidt zich voldoende van andere stoornissen: in termen van symptomen, onderliggende mechanismen en klinische bruikbaarheid. Uit
      5. Het syndroom heeft klinische bruikbaarheid : rouwstoornis heeft klinische bruikbaarheid, want het heeft diagnostische waarde. Een kleine groep mensen die iemand verliezen heeft iets wat we eerst niet konden benoemen en daardoor ook beter kunnen behandelen.
      6. Voordelen van erkennen syndroom: er moeten meer voordelen zijn aan het opnemen van de stoornis in het systeem moeten opwegen tegen de nadelen. 

      DSM-5-TR is van de APA  en wordt veelal gebruikt in westerse landen. gaat alleen over mentale stoornissen. Wordt ook gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Als je een berekening doet, kun je op 636.120 manieren voldoen aan de criteria van PTSS, leidt dus tot hogere prevalenties en heterogeniteit.

      ICD-11 is van de World Health Organization en wordt ook in landen met lage inkomens gebruikt. includeert ook somatische problematiek. heeft eenvoudige beschrijvingen van stoornissen, in eenvoudige taal, zodat het makkelijk gebruikt kan worden, ook in landen waar men minder bronnen heeft voor uitvoerige diagnostiek. Leidt tot meer bruikbaarheid, maar ook minder beetrouwbaarheid. Zo zijn er minder specifieke criteria. Wordt voornamelijk gebruikt voor klinisch werk. Als je een berekening doet, kun je op 27 manieren voldoen aan de criteria van PTSS

      .....read more
      Access: 
      Public
      Hoorcollege 3 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 3 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 3: Depressie

      Criteria voor Depressie

      • Symptomen veroorzaken lijden/beperkingen in het dagelijks leven
      • Symptomen niet toegeschreven aan een middle/somatische aandoening
      • Symptomen niet verklaard door psychotische stoornis
      • Geen manie/hypomanie

      Lastige zaken omtrent depressie

      • heterogeniteit: verschillende neurologische paden, uitingsvormen, symptomen, onder/overdiagnose. Studie die keek naar 3703 patienten ondervonden hierbinnen 1030 unieke symptoom profielen. Grote mate van heterogeniteit dus
      • Hoge comorbiditeit: er is een hoge overlap tussen depressie en oa angststoornissen (65%), persoonlijkheidsstoornissen (45%), alcoholmisbruik (12 tot 30%), somatische stoornissen (20 tot 60%)
      • Vaak is er een slechtere prognose (behandeluitkomst), mede door deze comorbiditeit. Comorbiditeit bij persoonlijkheidsstoornissen heeft dit geen negatief effect op het behandelresultaat

      Multifactoriële ontstaan Depressie

      • Biologische factoren: genetische factoren, hersenen, HPA-as, immunologie
      • Sociale factoren: Life events, stress. Jeugdtrauma: met name emotionele verwaarlozing en mishandeling is geassocieerd met depressie, maar dit leidt niet tot slechtere behandeluitkomsten
      • Psychologische factoren: theorie van Lewinsohn, cognitieve theorie over depressie van beck, aangeleerde hulpeloosheid theorie/attributie

      Behandeling Depressie (op basis van lichte naar zware vormen van depressie)

      1. interventies zoals, activatie, runningtherapie, e-interventies
      2. PST/ kortdurende interventies
      3. psychotherapie en/of farmacotherapie
      4. elektroconvulsietherapie

      Verschillende therapiemethodes

      • Cognitieve gedragstherapie (CGT): relatie tussen gevoel, gedrag en gedachten
      • Interpersoonlijke psychotherapie (IPT): werken aan 1 van de 4 foci die in relatie staan tot interpersoonlijk functioneren
      • Kortdurende psychodynamische therapie: ondersteunende en inzichtgevende technieken om de depressie beter te begrijpen in de context van huidige relaties, relaties in het verleden en interpersoonlijke patronen
      • Problem-solving therapie: aanleren van vaardigheden om met stressvolle situaties om te gaan
      • Gedragsactivatie (BA): activeren van belonend gedrag, deactiveren van niet belonend gedrag
      • Mindfulness-based cognitieve therapie: Een meer accepterende houding aan te nemen ten aanzien van gedachten, gevoelens en lichamelijke sensaties

      Wat werkt?

      • alle psychotherapieen zijn even effectief
      • CGT is net zo effectief als antidepressieve medicatie (ADM), maar alleen op korte termijn.
      • CGT is effectiever op lange termijn
      • Combinatietherapie werkt beter dan alleen ADM, maar niet beter als alleen CGT

      Cognitieve Gedragstherapie (CGT)

      • Sessies verlopen gestructureerd (agenda setting en er is huiswerk)
      • 12-20 sessies
      • Vaak eerst BA en vervolgens cognitieve therapie (gedachten identificeren en evalueren)
      • CBT skills aanleren: de patiënt wordt zijn eigen therapeut. Leert zelf zijn negatieve gedachtepatronen te herkennen, te vinden en aant te pakken

      Voorbeelden van gedragsactivatie (BA)

      • Activiteiten registreren
      • Activiteiten Plannen of veranderen
      • Lijst maken van plezierige activiteiten

      → Hierbij noteert de patiënt zijn gemoedsstemming

      lagen van negatieve cognities

      • automatische gedachten: “hij vind mij niet aard”
      • assumpties: “als ik alles perfect doe ben ik oke, anders faal ik”
      • schema’s: “ik faal in alles wat ik doe”

      Omgaan met negatieve gedachten “ik faal altijd”

      • vasthouden aan de gedachten → altijd om hulp vragen
      • het tegendeel proberen te bewijzen → nooit om hulp vragen
      • de gedachte proberen te vermijden → geen dingen ondernemen waar er een kans op falen is

      Interpersoonlijke psychotherapie (IPT)

      • Beginfase: interpersoonlijke situatie in kaart brengen. Er wordt een kaart gemaakt waarbij de patiënt in het midden staat en de mensen die belangrijk voor hem zijn eromheen.
      .....read more
      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege 4 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 4 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 4: Netwerkmodellen

      Bij psychopathologie is kritisch nadenken belangrijk omdat er sprake is van een hoge prevalentie, de etiologie is onbekend, er een beperkte effectiviteit van behandelingen is

      DSM-5: 7 classificaties (1880) → 419 classificaties (2012). Is van belang voor orde scheppen in de chaos, door eenduidigheid te scheppen in symptomen. Waardoor we beter evidence based behandelingen kunnen onderzoeken en gebruiken
      kritiek: iedere patiënt heeft een unieke set aan symptomen en vaak is er ook sprake van comorbiditeit, heeft het dus eigenlijk wel nut om te classificeren? vb een groep van 3703 patiënten met unipolaire depressie bleken 1030 unieke combinaties van symptomen te hebben

      kritiek op classificeren

      • classificaties zijn heterogeen
      • grenzen tussen classificaties zijn vaag
      • hoge comorbiditeit: komt grotendeels door overlappende symptomen
      • doet geen recht aan de diversiteit van psychopathologie

      Voorbeeld netwerktheorie van groep opstellen: 840 patiënten met unipolaire depressie → Quick Inventory of Depressieve Symptomatologie stelt 12 depressie symptomen op baseline vast → hiertussen LI-geregulariseerde partiële correlaties ondervonden

      (Voorbeeld) Netwerktheorie van DSM Symptomen van 12 verschillende stoornissen: 

      • Tussen bepaalde stoornissen een sterke overlap is tussen symptomen
      • Tussen vrijwel alle stoornissen wel sprake was van samenhang

      (Voorbeeld) Netwerktheorie van problemen

      • Problemen variëren in de connecties die ze hebben met andere problemen
      • Tussen bijna alle problemen is wel een vorm van een connectie
      • De cluster domeinen van problemen zijn dus eigenlijk meer diffuus dan gedacht

      wat leert zo’n netwerk ons?

      • toont de heterogeniteit binnen classificaties: symptomen verschillen in het aantal connecties
      • toon onduidelijke grenzen tussen classificatie: connecties via specifieke symptoom paren (brugsymptomen) van verschillende classificaties

      Mogelijke zaken om mee te nemen in je netwerk:

      • somatische problematiek kan zorgen voor hogere comorbiditeit, maar is wel van belang om mee te nemen
      • externe problematiek staan niet los van symptomen, maar hebben er wel veel invloed erop. Dus bedenk of deze mee moeten worden genoemd
      • Er zijn heel veel verschillende soorten factoren die verbonden zijn met de klachten die mensen laten zien: emoties, gedrag, cognities, directe omgeving, sociale factoren, stressoren, biologie, genetica etc

      kritische kanttekening: alle symptomen zijn zo erg verbonden met bepaalde elementen. Kan je dan psychopathologie dan wel echt te onderscheiden van de rest?. Een symptoom netwerk doet dus meer recht aan de complexiteit van psychopathologie, maar heet net als elke andere benadering beperkingen

      Klassiek ziektemodel: er is een bepaalde ziekte die bepaalde symptomen veroorzaakt. Een behandeling pakt deze ziekte aan en zo zullen de symptomen/klachten verdwijnen. 
      Vb behandeling → bacterie in longen → tuberculose → hoestklachten, nachtzweten etc

      Momentele kijk: 

      • Er is geen eenduidig biologisch mechanisme dat leidt tot een psychische stoornis. 
      • Er is geen behandeling behandeling waarop we kunnen richten waardoor alle symptomen zullen verdwijnen. 
      • Er is meer sprake van een netwerk met feedback loops: het kan ook zo zijn dat een trigger meerdere symptomen veroorzaakt en/of een behandeling meerdere symptomen kan verminderen. 
      • Een symptoom netwerk is dynamisch, waarbij vicieuze cirkels aanwezig kunnen zijn.  
      • Strenght in het netwerk: omvat de mate waarvan een
      .....read more
      Access: 
      Public
      Hoorcollege 5 Psychopathologie 2023 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 5 Psychopathologie 2023 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 5: angststoornissen

      Angstoornis: subjectief lijden/gehinderd worden door een abnormale angstrespons. Dit is houdt in dat de intensiteit van de response niet in verhouding is tot de ernst van de dreiging en heeft dus niet te maken met de aard van de angstresponse zelf. 

      Soorten angststoornissen: 

      • Separation Anxiety disorder
      • Selective mutism
      • Specifieke fobie: afhankelijk van de aard van de fobie( bvb angst voor vliegen)
      • Sociale angststoornis: angst voor afkeuring door anderen omdat andere tekenen van sociale angst zien (blozen, trillen etc)
      • Paniekstoornis: catastrofale misinterpretatie van lichamelijke sensaties
      • General anxiety disorder (GAD): wisselend, doorlopend aan het piekeren

      Tot 59 neemt de prevalentie van angststoornissen toe, na de 60 is er sprake van een dip (meer dan een halvering)

      Cruciale elementen angststoornissen

      • geconditioneerde stimulus (CS):  “voorspeller van gevaar”
      • ongeconditioneerde stimulus (US): gevreesd gevaar/catastrophe
      • geconditioneerde respons (CR): veiligheidsgedrag en vermijdingsgedrag
      • Emotie i.h.b subjectieve angst als reactie op de CS
      • VB: Hondenfobie: Hond (CS) → Gebeten worden (US/ UR) → Angst  (CR)
      • Vermijdingsgedrag: gedrag gericht op het voorkomen of stoppen van de confrontatie met CS (inclusief vluchtgedrag)
      • Veiligheidsgedrag: gedrag gericht op het afwenden van het optreden van US/UR-en. Dit kan heel subtiel zijn en nterfereert met exposure behandeling. Het zorgt voor geen disconfirmatie van de gevreese CS US relatie. Het uitblijven van de US/UR wordt dan ‘gevoelsmatig’ niettoegeschreven aan de zeer matige voorspellende waarde van de CS, maar aan de genomen maatregelen (veiligheidsgedrag) waarmee de ramp is afgewend.

      G-schema: Gebeurtenis → angstige driehoek (gedrag, gedachte, gevoel) → gevolgen

      Verdere zaken omtrent angststoornissen:

      • Comorbiditeit: hoog met andere stoornissen, depressie en andere stoornissen (zoals alcoholverslaving. Een patiënt met een primaire angststoornis heeft 50% meer kans op een (tenminste 1) comorbide stoornis
      • Differentiatie: is ingewikkeld. Bvb depressie, bij beiden is er sprake van afwezigheid van een positief gevoel. Bij angst is het meer toekomstgericht, terwijl bij depressie het meer gericht is op het verleden. 
      • Etiologie: Neuroticisme, Life events (vaak is er sprake van algemene stressoren, terwijl de meerderheid geen traumatische ervaring heeft)
      • Instandhouding: Van belang zijn situatie&cognitie (A→B en biases), veiligheidsgedrag en vermijdingsgedrag. Weinig relevant zijn persoonlijkheid, opvoeding, vroegkinderlijke ontwikkeling etc. 

      Theoretische modellen van informatieverwerking: Het filter is handig, tenzij deze wordt gestuurd door maladaptieve schema’s. Dit zorgt dan voor interpretatiebias. 

      Interpretatiebias testen: Homografen (woorden met twee betekenissen) worden getoont. Hiermee moet de participant een zin vormen. 

      Behandeling

      • Zorgvuldige diagnostiek: Eerst in kaart brengen van instandhoudende mechanismen en selecteren van evidence based targets voor effectieve behandeling
      • Cognitieve gedragstherapie (CGT): richt zich op cognitieve vertekeningen (zoals aandachtsbias, interpretatiebias), Als…Dan relaties (CS-US associaties), gedrag
      • Onderdelen van CGT: cognitieve technieken, exposure, gedragsexperimenten

      Cognitieve technieken:

      • Socratische dialoog: vangen van gedachten
      • Perspectief neming
      • Socratische dialoog: gedachten uitvragen en vragen stellen
      • Bewijs voor-tegen techniek
      • Helpende gedachten aanreiken
      • Gedachten en denkfouten opsporen
      • Meerdimensionaal denken
      • Dagboeken bijhouden
      • Kansberekening
      • Rolwisseling
      • Informatie zoeken
      • Taartpunt techniek

      Gedragsexperiment: Testjes bedenken om vertekeningen en als… dan verwachtingen te toetsen. Gebeurt creatief, collaboratief (samen) en middels een stappenplan
      1. Wat is de gedachten/verwachting? Indien mogelijk formuleer

      .....read more
      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege 6 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 6 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 6: OCS & PTSS

      Obsessive Compulsive Disorder (OCS): Geschatte prevalentie is 1-3% bij volwassenen en 1% bij jongeren. Het is de 4de meest voorkomende psychologische stoornis
      Obsessies: 

      • intrusieve en verontrustende gedachte, beelden of impulsen. 
      • Enorme inzet om gedachte, beeld of impulsen te onderdrukken of te neutraliseren. Insight in ‘internal origin”

      Compulsies: 

      • Gedrag als respons op obsessies (covert or overt). 
      • Gedrag often rigide, repetitief en volgens strikte regels. 
      • Bedoeld om de ervaren angst te reduceren of om de ramp te voorkomen

      90% van de gezonde control deelnemers rapporteren negatieve intrusies. Klinische experts kunnen maar ‘normale’ van ‘abnormale’ intrusies onderscheiden. Klinische niet-klinische obsessies onderscheiden zich in interpretatie, stress, hardnekkigheid, moeite om te onderdrukken en frequentie

      Smetvrees: dwangmatig wassen, zoals compulsief schoonmaken en ritueel handen wassen

      Cognitieve domeinen in OCS

      • Thought-action-fusion (TAF): je gedachten hebben negatieve consequenties. Negatieve morel gedachten zijn gelijk aan daden
      • Overdreven verantwoordelijkheidsgevoel: overdreven overtuiging dat je in staat bent om een ramp te voorkomen of een negatieve gebeurtenis te veroorzaken
      • Controleerbaarheid van gedachten: controleren van wensen en gedachten
      • Perfectionisme: overtuiging dat er maar één manier is om dingen juist te doen
      • Overschatten van gevaar: het risico van ernstige negatieve gebeurtenissen wordt overschat
      • Intolerance of uncertainty: de gedachte dat iets niet te verdragen is zonder 100% zekerheid ervan te hebben
      • Exposure therapie kan helpen deze cognitieve domeinen te verminderen. Ook de taarttechniek is mogelijk, hierbij worden percentages toegekend aan hoe waarschijnlijk het is dat iets gebeurd

      comorbiditeit van ocs

      • Tussen de 30% tot 55% comorbiditeit met depressie (MDD)
      • 65% lifetime history van depressie
      • 25% tegelijkertijd met andere angststoornissen- meestal GAD, Sociale angst, PTSS
      • 8% tegelijkertijd met een eetstoornis
      • 5% tegelijkertijd met Tourette’s syndrome

      Studie naar effecten van herhaaldelijk checken ondervond een verminderd zelfvertrouwen in het uitvoeren en details en levendigheid van herinnering. Dit verklaard waarom mensen met OCS zovaak controleren, ze hebben namelijk een minder zekere herinnering door herhaling. 

      Psychologische behandelingen OCS

      • Exposure en Response Preventie (ERP)
      • Exposure therapie: de cliënt wordt blootgesteld aan datgene waar hij/zij daadwerkelijk bang voor is
      • Responspreventie: de cliënt mag niet gedrag vertonen dat de obsessie neutraliseren of de ingebeelde bedreiging voorkomen
      • Cognitieve therapie
      • ERP+ medicatie
      • Motiverende gespreksvoering: je aansluiten bij de patiënt en dingen in perspectief brengen. Je wilt dan de verandertaal uitlokken (willen, kunnen, redenen, noodzaak, commitment, actiebereidheid, stappen gezet). Bijvoorbeeld middels een voordelen en nadelenbalans. Shared Decision Making en Routine Outcome Monitoring

      Two factor therapie van Mowler

      • Obsessies zorgen voor angst en spanning
      • Compulsies reduceren de obsessieve angst
      • Door het uitvoeren van compulsies wordt het uitdoven van de angst voorkomen
      • Compulsies worden negatief bekrachtigd door de korte reductive in ervaren angst

      Gedachten (intrusies): intrusies zijn een serieuze waarschuwing voor gevaar: ramp+ spanning. Inntrusies leiden tot veiligheidshandelingen, die actief zijn (wassen, controleren) en passieve handelingen (vermijding) die zorgen voor een tijdelijke spanningsreductie. Op lange duur leidt dit tot uit de hand gelopen routinegedrag

      Posttraumatische stressstoornis (PTSS): 

      A) Iemand maakt een ingrijpende gebeurtenis mee
      vier symptoomclusters
      Intrusies:

      .....read more
      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege 8 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 8 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 8: Forensische psychologie

      Forensische settings

      • Voorhechtenis: Individu wacht op een uitspraak van de rechter
      • Gevangenis: Individu is al veroordeeld
      • Forensisch psychiatrische centra (open of gesloten): individu vormt een gevaar voor zichzelf en/of zijn omgeving
      • Fornenisische verslavingsklinieken: ter gevolgen van middelgebruik
      • Pieter Baan Centrum: diagnostiek en risicotaxatie

      Doelgroep

      • Mannen 90%: doordat ze sneller geneigd zijn agressief gedrag te vertonen
      • 25-45 jaar 60%: jongeren mensen ontvangen vaak lichtere straf en voeren minder heftige daden uit
      • Migratieachtergrond 65%: is disproportioneel met de samenstelling van de populatie
      • Middelengebruik 65%

      Risk-Need-Responsivity Model
      Big 4: tellen zwaar mee
      Geschiedenis van antisociaal gedrag
      Antisociaal persoonlijkheidspatroon
      Antisociale cognities
      Antisociaal netwerk: bvb crimineel netwerk
      Moderate 4: tellen minder zwaar mee
      Familie/gezinsomstandigheden
      School/werk
      Vrije tijd/ontspanning
      Middelengebruik
      Need
      Dynamische noden: gebaseerd op risico
      Intensiteit van de behandeling wordt aangepast aan risico. Minder hoog risico leidt tot een minder intensieve behandeling
      Responsiviteit: de behandeling moet aansluit bij de dader, zoals zijn intellect, persoonlijke stijl

      Stoornissen in de forensische setting

      • Aan middelen gebonden stoornissen 33-36%
      • Psychotische stoornissen 18% in TBS
      • ADHD: heeft te maken met impulscontrole
      • Autisme spectrum stoornissen
      • Parafiele stoornissen/pedofilie
      • Impulscontrole stoornissen
      • Traumagerelateerde stoornissen
      • Persoonlijkheidsstoornissen 18-30%: Bij cluster B hebben anderen vaak hier meer last van en is er weinig behandelmotivatie

      Narcistische persoonlijkheidsstoornis: algemeen 0.2-3.3%, in forensische setting 30%

      • Grandioos zelfbeeld
      • Nood aan admiratie
      • Arrogant
      • Gevoel bijzondere rechten te hebben
      • Fantasieën van macht, succes etc
      • Jaloers op anderen
      • Voelt zich speciaal
      • Gebrek aan empathie
      • Uitbuitend

      Antisociale persoonlijkheidsstoornis: 0,2-3,3%. In FS 30%

      • Niet conformeren aan sociale normen (herhaald illegaal gedrag)
      • Bedrieglijkheid (liegen bedriegen)
      • Impulsiviteit
      • Irriteerbaarheid en agressie
      • Roekeloze minachting voor de veiligheid van zichzelf en anderen
      • Consistent onverantwoordelijk gedrag
      • Gebrek aan berouw

      Borderline persoonlijkheidsstoornis: 1,5-5.9% in FS 30%. vaker bij vrouwen gediagnosticeerd

      • Instabiele relaties
      • Identiteitsproblemen
      • Verlatingsangst
      • Suïcidaal gedrag
      • Gevoel van leegte
      • Affectieve instabiliteit
      • Paranoia/dissociatie

      Psychopathie
      Factor 1: affectief/interpersoonlijke
      Affectief: gebrek aan schuld, emotioneel vlak, gebrek aan empathie, gebrek aan verantwoordelijkheid
      Interpersoonlijk: gladheid/oppervlakkige charme, grandioos, pathologisch liegen, bedriegen/manipuleren
      Factor 2: antisociale/levensstijl
      Antisociaal: slechte gedragscontrole, vroege gedragsproblemen, delinquent gedrag in de jeugd, intrekking van voorwaardelijke vrijlating, criminele veelzijdigheid
      Levensstijl: nood aan stimulatie, gebrek aan realistische lange termijn doelen, parasitische levensstijl (leven op anderen), impulsiviteit, onverantwoordelijkheid
      Andere
      Promiscue seksueel gedrag
      Veel korte termijn relaties

      Risicotaxatie:

      • Nood aan externe informatie: ter aanvulling en om te controleren of de cliënt te waarheid verteld
      • Gebruik van delictanalyse: eerst wordt dossier gelezen en dit wordt met de cliënt aangevuld. Zo wordt er een tijdlijn gemaakt om te kijken hoe de situatie tot stand is gekomen
      • Gebruik van interviews: ook over de algemene achtergrond
      • Gebruik van risicotaxatie instrumenten: op basis van het RNR model
      • Belangrijk voor de rechtbank: speelt mee in de uiteindelijke beslissing

      Diagnostiek: 

      • Nood aan observatie
      • Gebruik van externe informatie: in verschillende contexten zijn verschillende opvattingen
      • semi-gestructureerde interviews: bvb voorafgaand een stoornis in gedachten
      • Belangrijk voor de verdere
      .....read more
      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege 9 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 9 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 9: Psychosomatiek

       
      Terminologie
      • Psychosomatische ziektebeelden
      • Lichamelijke onverklaarbare klachten
      • Hysterie
      • Somatisatie
      • Onbegrepen klachten
      • Medisch onverklaarde somatische symptomen
      • Somatoforme stoornissen
      • Functionele klachten
      • Psychogene klachten
      • Somatisch Onvoldoende Lichamelijk Verklaarde Klachten (SOLK)
      • Aanhoudelijke Lichamelijke Klachten (ALK)
       
      Aantal verschijningsvormen van psychosomatiek
      • Vermoeidheid
      • Pijn
      • Duizeligheid
      • Overgevoeligheid voor licht, geluid, straling
      • Darmklachten/braken
      • Uitval van spraak, zicht, ledematen
      • Aanval (Psychogene Niet-epileptisch Aanvallen (PNEA))
       
      Lichaam-geest dualisme
      • Angst, Depressie en ALK komen gezamenlijk voor, maar er is geen causale relatie
      • Patiënten met somatische aandoeningen hebben meer klachten dan te verwachten valt op basis van de aandoening
      • Problematisch diagnostisch proces door het verschil van (dualistische) visie over oorsprong van de klachten bij patiënt en behandelaar
      • Dalai Lama: Als je praat herhaal je vaak wat je al weet. Als je luistert leer je vaak iets nieuws
       
      Biopsychosociale model: Er is overlap tussen sociale, psychologische en biologische componenten die bijdragen/invloed uitoefenen op de psychische gezondheid
      • Sociaal: vrienden, familie, school
      • Sociaal-psychologisch: trauma, relaties
      • Psychologisch: zelfvertrouwen, draagkracht, sociale vaardigheden
      • Psychologisch-biologisch: DNA, beperkingen, fysieke gezondheid
      • Biologisch-sociaal: Medicatie effect
      Matrix voor aanhoudelijke lichamelijke klachten (ALK)
       
      Biologisch
      Psychologisch
      Sociaal
      Voorbeschikkendheid
      genetisch kwetsbaar
      jeugdtrauma
      (omgang met) ziekte in de familie
      Uitlokkend
      ontsteking, letsel
      stress
      ingrijpende gebeurtenis
      Onderhoudend
      conditieverlies
      ongerustheid
      weinig sociale steun
       
      Milde ALK
      • Lichte functionele belemmeringen en
      • Één of enkele ALK-klachten binnen één of twee klachtenclusters: maag-darmklachten, hart-longklachten, bewegingsapparaat, algemeen aspecifiek (dat wil zeggen moeheid, hoofdpijn, duizeligheid, concentratie/geheugenklachten).
      Behandeling door huisarts of daartoe getrainde POH-GGZ.
       
      Matig-ernstige ALK
      • Matig-ernstige functionele belemmeringen en
      • Meerdere ALK-klachten in ten minste drie klachtenclusters; en/of
      • Klachtenduur langer dan verwacht, afhankelijk van het normale beloop van de betreffende klacht.
      Behandeling door generalistische basis ggz, huisarts met POH-GGZ, (psychosomatische) fysio- of oefentherapeut en ggz-zorgverlener.
       
      Ernstige ALK
      • Ernstige functionele belemmeringen en
      • ALK-klachten in alle klachtenclusters en/of
      • Klachtenduur langer dan drie maanden
      Behandeling in S GGZ of HS GGZ of in multidisciplinair werkende teams in de somatische tweede lijn. In de meeste behandelprogramma’s werken somatisch medisch specialisten samen met ggz-zorgverleners.
       
      Altrecht Psychosomatiek Eikenboom
      • Intensieve Klinische, Deeltijd  en Poliklinische behandelingen
      • Voor ernstige ALK: combinatie met PTSS, Angst, Stemming & Persoonlijkheidsproblematiek
      • Interdisciplinair: Psycholoog, Psychiater, Arts, Fysiotherapeut, Psychomotore therapeut, Kunstzinnige therapeut, Systeemtherapeut, Sociotherapeut, Verpleegkundige
      • Aandacht voor ACT, L-MBT, Systeem & Psychofysiologie
       
      .....read more
      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege 10 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 10 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 10: Eetstoornissen

       
      Je spreekt van een voedings-of eetstoornis als het probleem met eten de lichamelijke, psychische of sociale ontwikkeling benadeelt. Bvb:
      • Groeivertraging op jonge leeftijd
      • Bot/ en nierproblemen op latere leeftijd
      • Sociaal niet mee kunnen komen
      • School/-studie-/werkproblemen
      • Komt vaker voor bij vrouwen, westerse landen, hogere intelligentie
       
      Voedingsstoornis: geen lichaamsbeeld probleem. Dus ‘raar’ of ‘niet kunnen’ eten
       
      Soorten voedings- en eetstoornissen: 
      • Anorexia Nervosa (AN): 
        • Het beperken van de energie-inname ten opzichte van de energiebehoefte met als gevolg ondergewicht 
        • Intense angst om aan te komen of dikt te worden .
        • Er is een verstoorde lichaamsbeleving, overwaardering van lichaamsvormen en gewicht of onderkenning van de ernst van het ondergewicht
        • Twee types: restrictief type en purgerend type
        • Ernst Classificatie wordt gedaan middels BMI
        • Lifetime prevalentie: 1,2%. waarvan 90% vrouw
      • Boulimia Nervosa (BN)
        • Recidiverende eetbui episodes: In afzonderlijke tijdsperiode (bv 2 uur) substantieel meer eten dan een ander in die context zou doen. Gepaard met een gevoel van controleverlies
        • Eetbuien wroden gevolgd door recidiverend inadequaat compensatiegedrag
        • Gedurende 3 maanden minimaal 1x per week eetbui en compensatiegedrag
        • Overwaardering van lichaamsvormen en gewicht
        • Ernst Classificatie op purgeergedrag
        • Lifetime prevalentie: 2% waarvan 90% vrouw
      • Eetbuistoornis (BED)
        • Recidiverende eetbui episodes: In afzonderlijke tijdsperiode (bv 2 uur) substantieel meer eten dan een ander in die context zou doen . Gepaard met een gevoel van controleverlies. Eetbui bestaat uit 5000-10 000 calorieën
        • Kenmerken eetbuien: hoog tempo, dooreten tot ongemakkelijk gevoel, eten in afwezigheid van honger, alleen eten uit schaamte, achteraf gevoelsn van spijt, schaamte, schuld of walging, lijdensdruk, geen compensatiegedrag
        • Minimaal 3 maanden 1x per week een eetbui
        • Ernst Classificatie op aantal eetbuien
        • Lifetime prevalentie: 5,5% waarvan 60% vrouw
      • Andere gespecificeerde voedings- of eetstoornis (OSFED): 11%
      • Vermijdende en restrictieve voedselinname stoornis (ARFID): 
        • Niet voorzien in in voedings- en/ of energiebehoeften
        • Mogelijke kenmerken: Gewichtsverlies, Voedingsdeficiëntie, Afhankelijk van sondevoeding of voedingssupplementen, Interfereren met psychosociaal functioneren
        • Er is geen sprake van angst voor gewichtstoename of een verstoorde lichaamsbeleving
        • 3 verschijningsvormen: desinteresse, angst of sensorische gevoeligheid.
        • Kan komen door: sensorische bepaald (bvb ASS), angstige constitutie (bepaalde angsten voor voedsel), traumatische ervaring (stikervaring)
        • Lifetime prevalentie: 1-2%
      • Pica
        • Het eten van stoffen die niet voor consumptie bestemd zijn. 
        • Komt voor bij andere psychiatrische ziektebeelden 
        • Zwangerschappen
        • Komt vaker voor in ontwikkelingslanden
      • Ruminatiestoornis
        • Herhaald terughalen van voedsel, om het daarna opnieuw te kauwen, in te slikken of uit te spugen.
        • Minimaal 1 maand
        • Kan niet worden verklaard door een somatische aandoening
      .....read more
      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege 11 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 11 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 11: Psychose

       
      Psychose
      • Meestal tussen de 18 en 35 jaar
      • Vroegsignalering: als je opzoek gaat naar vroege signalen kun je de psychose voorkomen middels een preventieve behandeling (effectief in 45%)
      • Traumabehandeling is effectief om niet alleen traumaklachten te verminderen, maar ook psychotische klachten
      • Combinatie van medicatie en CGT wordt aangeraden
      • Kwetsbaarheid neemt toe door trauma’s, heftige gebeurtenissen, erfelijke aanleg
      • Psychotische stoornissen: schizofrenie, de schizoaffectieve stoornis en de bipolaire stoornis
      • Iedereen kan een psychose krijgen, maar niet iedereen is even gevoelig. Voor het krijgen moet je veel stresss en kwetsbaarheid hebben. 
      • Kenmerken ervan zijn sterk individualistisch en verschillen dus
      • Behandeling is gefocust op weerbaarheid, waarbij iemand leert hoe hij getriggerd wordt.
      • Prevalentie:  Schizofrenie komt bij 0.6-0.7% van de mensen mee. Een psychotische stoornis komt bij 2-3% voor en psychotische symptomen bij 4%. Psychotisch ervaringen komt bij 8% voor.
       
      Wanneer is iets niet psychotisch?
      • Bij die gevangenen zie je dat sensorische deprivatie leidt tot psychotische kenmerken. Een
      • verveeld brein gaat namelijk fantaseren. Een bepaald monotonie zorgt ervoor dat de hersenen van alles gaan creëren om actief te blijven. Dit is echter niet psychotisch
      • Hoe specifieker, hoe kleiner de kans dat het psychotisch is. Bvb de ervaring als je in een achtbaan zit.
      • Een keer is geen keer: als je maar een keer een bijzondere ervaring hebt gehad is er geen sprake van psychose. 
      • Als het consistent is. Bvb als je hele leven zo, dan is het eerder een persoonskenmerk. Denk bvb aan een excentriek persoon. Het grote verschil is dat deze mensen nog wel normaliter kunnen functioneren. 
       
      Handvaten voor het vaststellen van psychotisch
      • Preoccupatie: de aandacht voor bepaalde onderwerpen. Iets gaat centraal staan in het leven van de cliënt.
      • Lijdensdruk: Zonder lijdensdruk, geen pathologie.
      • Angstniveaus:  Angst stijgt en stijgt door.
      • Veiligheids- en vermijdingsgedrag : Iemand gaat niet meer naar werk bijvoorbeeld.
      • Disfunctioneren: Het dagelijks leven lijdt eronder.
       
      Symptomen van psychose
      • Psychotische ervaringen
      • Motivatie problemen
      • Cognitieve problemen (problemen met aandacht, geheugen en leren)
      • Depressie
      • Manie
      Positieve kenmerken van psychose
      1) Hallucinaties: Zintuiglijke waarnemingen zonder externe prikkels. Dit kan auditief zijn, sensorisch, olfactorisch, gustatoir en proprioceptief (gevoel hebben te vliegen of zweven).
      2) Wanen : Sterke overtuigingen waar iemand niet vanaf te brengen is, gebaseerd op onjuiste gevolgtrekkingen. Een voorbeeld is een nihilistische waan: iemand heeft dan het gevoel dat hij/zij niet bestaat, of een deel van hem/haar niet. Een andere vorm is achterdocht. Verder heb je nog een grootheidswaan, of de waan waarbij mensen denken dat ze door buitenaardse wezens worden meegenomen.
      3) Desorganisatie: Diagnostisch gezien is deze lastig, want je kan niet bij iemand in het hoofd
      Kijken. Wel kan er worden gekeken naar handelen. 
       
      Waan (DSM):
      .....read more
      Access: 
      Public
      Hoorcollege 12 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 12 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 12: 

       
      Bipolaire stoornis (BD)
      • Prevalentie 1-1.7%
      • Diagnose wordt vaak gemist
      • Tussen eerste aanvang klachten en diagnose zit gemiddeld 6-10 jaar
      • Er is veel overlap met andere stoornissen
      • Juiste diagnostiek is belangrijk omdat de farmacotherapeutische behandeling (met name stemmingsstabilisatoren) afwijkt van die van unipolaire depressie, ADHD en Borderline. In veel gevallen leidt foutief behandelen (unipolaire depressie, ADHD, borderline ipv bipolaire middels antidepressiva en stimulantia) contradictie en kan het de stoornis verergeren. 
      • Er is nog geen evidentie dat de bipolaire stoornis uitsluitend met psychotherapie behandeld zou kunnen worden
      • Lithium is eerste keus behandeling
       
      Bipolaire depressie
      • sombere stemming duidelijk verminderde) interesse of plezier in alles of bijna alle activiteiten
      • Significant gewichtsverlies of gewichtstoename
      • Insomnia of hypersomnia bijna elke dag
      • Psychomotorische agitatie of vertraging
      • Vermoeidheid of verlies van energie, bijna elke dag
      • Gevoelens van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens (die het karakter van een waan kunnen hebben) bijna elke dag g(niet alleen zelfverwijt of schuldgevoel over het ziek zijn)
      • Verminderd vermogen tot nadenken of concentreren, of besluiteloosheid
      • Recidiverende gedachten aan de dood
       
      Verschillen in depressieve episodes bij BD en Major Depressive Disorder (MDD)
      • Geïrriteerde gemoedstoestand
      • Meer spraakzaam
      • Snelle overvolle gedachten
      • Verhoogde doelgerichte activiteit
      • Psychomotorische agitatie
      • Hypo Manische symptomen
      • Rusteloosheid
      Voorbeeld depressieve patiënt met BD besloot naar Berlijn te fietsen
       
      (Hypo)Manische episode: een duidelijk herkenbare periode met een abnormaal en persisterend verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming en een abnormaal en persisterend verhoogde doelgerichte activiteit of energie. Gedurende minsten 1 week/4 dagen en het grootste gedeelte van de dag, bijna elke dag
       
      Manische symptomen
      • Opgeblazen gevoel van eigenwaarde/grootheidsideeën: meer zelfvertrouwen wordt aangegeven. Dit is terug te zien in 
        • uiterlijk: make-up, kleding
        • gedrag: sociale souplesse, alles aanpakken
        • denken: plannen, ideeën, wanen
      • Afgenomen behoefte aan slaap: Soms wordt er dagenlang niet geslapen. Het mindere slapen verergert vaak de manie
        • aanzienlijk minder slapen zonder vermoeid te raken
        • en/of meer energie hebben,
        • en/of met afwijkende nachtelijke activiteiten. 
      • Spraakbehoefte: 
        • opvallend versnelde spraak
        • opvallend veel meer praten
        • moeilijk te onderbreken: onderbreken leidt vaak tot irritatie
        • moeilijk te volgen
      • Gedachtevlucht of de subjectieve beleving dat de gedachten jagen: 
        • heel druk in hoofd zijn met plannen, ideeën, beelden 
        • constant liedjes in het hoofd hebben 
        • Gevoel de eigen gedachten iets meer te kunnen volgen
        • Knetterend of tintelend gevoel in de hersenen
        • Gevoel gek te worden
      • Verhoogde afleidbaarheid: De aandacht wordt te makkelijk getrokken door onbelangrijke of niet ter zake doende prikkels
      • Toename doelgerichte activiteit: werken,
      .....read more
      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege 13 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 13 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 13: Verslavingen

       
      Stoornissen in middelengebruik 
      • Controleverlies: langer of meer gebruiken dan gepland, of willen stoppen of minderen maar daar niet in slagen. 
      • Craving:  hunkeren naar het middel op zo’n intense manier dat het moeilijk is om aan iets anders te denken
      • Negatieve gevolgen: op werk, school en familie, of herhaald gebruik wanneer dit gevaarlijk is (dronken rijden). 
      • tolerantie/ontwenning:  tolerantie is dat je steeds meer moet gaan gebruiken om
      • hetzelfde effect te krijgen en ontwenningsverschijnselen treden op in de vorm van bijwerkingen als er sp rake is van onttrekking van het middel
      Ernstclassificering
      1) Mild - Deze cliënten hebben 2-3 symptomen uit de 11.
      2) Matig - Deze cliënten hebben 4-5 symptomen uit de 11.
      3) Ernstig - Deze cliënten hebben meer dan 6 symptomen uit de 11.
       
      Verschil tussen natuurlijke beloners en drugs heeft te maken met  de hoeveelheid dopamine die vrij komt bij het nemen van een bepaald middel. Bij voedsel zit het dopamine niveau op 50%, bij seks op 100%, bij cocaïne op 350% en bij meth/speed op 1200%. 
       
      Invloeden op verslavingsgevoeligheid
      • Persoonlijkheidstrekken: extraversie, impulsiviteit (speelt grotere rol bij jongens dan bij meisjes) neuroticisme
      • Trauma, comborbide depressie
      • Omgeving: vrienden die experimenten met drugsgebruik bvb
      • Genetische kwetsbaarheid: gevoeligheid van het dopaminesysteem (erfelijk)
      • Vroeger beginnen: vergroot de kans. 40% van de kinderen die begonnen is met drinken op hun 15e ontwikkelde een stoornis in middelengebruik, versus 7% van de jongeren die op hun 21e begonnen met drinken.
      • Comborbiditeit met PTSS: 63% gaf aan eerst PTSS klachten te hebben. Echter ontving 40% behandeling voor verslaving en maar 20% voor PTSS
      Comborbiditeit met PTSS
      • Self-medication hypothesis: mensen gaan middelen gebruiken om de PTSS symptomen te dempen
      • susceptibility hypothesis: stelt dat mensen met een verslaving kwetsbaarder zijn om PTSS te ontwikkelen. Je hebt namelijk meer stress en zit minder goed in je vel. 
      • high risk hypothesis: het risico op het meemaken van traumatische gebeurtenissen is hoger als je een verslaving hebt. Onder andere door vicitimisatie
      • shared vulnerability stelt dat mensen die trauma meemaken, een hogere kans hebben opverslaving en PTSS.
       Impaired Response Inhibition-Salience Attribution model: bij het zien van een verslavingsgerelateerde stimulus wordt je beloningsysteem (Nucleus Accumbens, Ventrale tegemen en striatum) geactiveerd. Dit leidt tot motivatie doordat ook de insula en orbito frontale cortex secundair geactiveerd worden, deze hangen samen met subjectieve hunkering. Bij verslaving in het beloningssysteem overactief. Ook is er een vermind cognitief controle circuit door verminderde werking van de PFC ten gevolge van het verslavende middel (bidirectionele relatie)
       
      Centrale kenmerken van een verslaving:
      • Hoge aandacht voor verslavingscuesL er is sprake van een overactief beloningssysteem tijdens cues.
      • Hoge motivatie/drive : door activatie van de orbito frontale cortex.
      • Verminderde controle over drive : door verminderde activatie van de dorsolaterale frontale cortex.
      Behandeling:
      .....read more
      Access: 
      Public
      Hoorcollege 14 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 14 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 14: Persoonlijkheidsstoornissen

       
      Persoonlijkheid: geheel van stabiele gedragingen, gedachten en gevoelens dat gedurende de levensloop vertoont wordt door iemand en in verschillende situaties naar voren komt. Karaktertrekken ontwikkelen vanuit een wisselwerking tussen aangeboren persoonlijkheidstrekken en aanwezige omgevingsfactoren.
       
      Five-factor-model
      • Neuroticism
      • Extraversion 
      • Agreeableness,
      • Conscientiousness: hoe rigide je bent, passend bij OCS
      • Openness.
      Persoonlijkheidsstoornis: consistent patroon (over tijd en context) van gedragingen die zich buiten de norm van je eigen normgroep bewegen. Is dus cultuurafhankelijk. Voornamelijk de omgeving leidt hieronder, maar kan ook interfereren met levensgebieden zoals werk, relaties. 
      • Vaak traumagerelateerd. Er is dan een onveilige hechting, waardoor ze niet goed de wereld hebben kunnen ontdekken en strategiën hebben aangeleerd
      • Stoornis in de interactie tussen individu en andere personen
      • Prevalentie: is verschillend per stoornis. De prevalentie in de normale bevolking is 10-20% en in de GGZ 50-60%
      • Verschijning ervan verloopt anders over leeftijd, zo verzwakt borderline
      • Vaker gediagnosticeerd in steden
      • Er is een gebrek aan emotieregulatievaardigheden
      • Dissociatie: is veelvoorkomend en wordt getriggerd door onderliggende trauma’s
      De 3 P’s van een persoonlijkheidsstoornis
      • Pathologisch - afwijken van de populatienorm.
      • Persistent - het komt over lange tijd voor.
      • Pervasief - het komt in een veelheid aan situaties voor
       
      Van primaire zorgers leert een kind het volgende:
      • Welke emoties ze ervaren
      • Wat ze moeten doen als ze bepaalde emoties ervaren
      •  Hoe ze emoties moeten uitleggen aan de ander
      • Hoe ze om moeten gaan met emoties
       
      Window of tolerance: mate van omgang met emoties. Worden helemaal weggestopt of gaan juist alle kanten op.
      • Upper limit: mensen tonen soort hyper-arousal, met een vecht/vlucht respons, ze zijn angstig en sympathisch. 
      • Under limit: mensen tonen soort hypo-arousal, et depressie of dissociatie, en parasympathisch.
       
      CPTSS (wel in ICD-11): Als op latere leeftijd sprake is van traumatisering nadat vroeger al een onderliggend trauma heeft geleid tot persoonlijkheidsproblematiek. Hierbij horen naast PTSS symptomen ook affect- en emotieregulatieproblemen
      Behandeling: traumaverwerking gericht met imaginaire exposure en EMDR. Van uit hotspots (trauma herinneringen) pas je EMDR toe en verminder je spanning.. Met imaginaire exposure wordt vermijding doorbroken. Uiteindelijk kunnen ook nog emotieregulatievaardigheden worden aangereikt. 
       
      Drie clusters persoonlijkheidsstoornissen
      • Cluster A ( Buitenbeentjes): weten niet hoe ze met emoties om moeten gaan,  zijn vreemd en excentriek. Soms hebben ze psychotische kenmerken. Het zijn vaak mensen die alleen leven of wonen en weinig contact hebben met anderen en in isolatie leven
      • Cluster B (Laspakken):  impulsief, onverantwoordelijk en vinden het moeilijk om met hun emoties om te gaan.
      • Cluster C (Angsthazen): mensen die bang zijn, om relaties aan te gaan, of om mensen te verliezen. Ze vermijden conflicten. De angst is altijd de drijvende kracht.
       
      Cluster A
      • Paranoïde persoonlijkheidsstoornis: wantrouwend. Onderontwikkeld
      .....read more
      Access: 
      Public
      Hoorcollege 15 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 15 Psychopathologie 23 Universiteit Utrecht

      Hoorcollege 15: neuropsychiatrie & ouderenpsychiatrie

       
      Psychiatrie en Neurologie zijn losse specialismen. Zo wordt er onderscheidt gemaakt tussen bodyless psychiatry (ofwel breinloze klinische psychologie) en mindless neurologie (ofwel emotieloze neuropsychologie). Echter heeft iedere therapeut kennis nodig van het brein en lichaam, denk aan:
      • neurobiologische oorzaken
      • slaap
      • medicatie/drugs
      • lichamelijke comorbiditeiten
      • zwangerschappen/hormonen
      • veroudering
       
      Een aantal psychiatrische aandoeningen op volgorde van de grote van de rol van neurobiologie (links) naar psychologische (rechts)
      autisme- ADHD- Psychose- PTSS- Depressie
       
      Het rol van het brein in neuropsychiatire
      • niet te gebruiken voor diagnostiek
      • is te gebruiken voor prognostiek: het begrijpen van het voorloop
      • Voor het begrip waar symptomen vandaan komen
      • In kaart brengen van transdiagnostische traits: bvb disfunctie ventromediale  PFC
      • Vb invloed op emotionele reactie: De biologie bepaalt de start van je reactive en de snelheid van verandering (temperament)
       
      De prefrontale cortex: is pas klaar met ontwikkelen als je 25 bent. IIs onder te verdelen in vele kleine onderdelen (dorsolateraal, ventromediaal, orbitofrontaal, anterior cingulate cortex) die elk een ander aspect van regulatie reguleren (emotie regulatie, emotie herkenning, sociale cognitie (ToM/empathie/compassie))
      • Top down control: In alerte staat is er sterke prefrontale cortex regulatie. In stressvolle situaties, drugs/alcoholgebruik is er zwakke controle. Alle psychiatrische stoornissen zijn geassocieerd met verminderd PFC functie. Vb consequenties zijn:
        • Vergeetachtig:  fouten maken in werk en studie
        • Concentratieproblemen, desorganisatie: problemen met situaties overzien en begrijpen
        • Verminderde besluitvaardigheid: fouten maken in werk en studie
        • Verminderd inzicht en beoordelingsvermogen: verkeerd inschatten wat nog realistisch is, verlies van decorum
        • Verminderde empathie en compassie: verminderde sociale vaardigheden, antisociale houding
        • Verminderd optimisme en doorzettingsvermogen: snel opgeven, pessimisme, ruminatie
        • Verminderde zelfregulatie en controle: egocentrisch gedrag, ruzie maken, toegeven aan impulsen, hyperactief gedrag, minder controle over irreële gedachten
      Voorbeeld Awakenings
      In 1917-1928 was er een wereldwijde pandemie (griepvirus), waardoor mensen slaapziekte (encephalitis lethargica) ontwikkelde. Na herstel van inflammatie waren er overblijvende symptomen: lethargie, parkinoismes (maserkgezicht; niet kunnen bewegen), te veel/te weinig slapen. De patiënten werden omschreven als “zombies” en werden 40+ jaar opgenomen in verzorgingstehuizen
      • Oliver Sacks: besloot uiteindelijk te behandelen met L-DOPA, een dopamine agonist. De patienten maken grote vooruitsprongen, weer kunnen bewegen etc. Te veel dopamine leidt tot manie, ongeremd gedrag (o.a. hyperseksueel), chorea en tics
       
      Gilles de la Tourette: stoornis die te maken heeft met overactivatie van het brein
      Motorische tics en vocale tics: als reactie op premotorische fenomenen
      • Aandachtsproblemen
      • Slaapproblemen
      • Angst, paniek, somberheid of boosheid
      • Snel overprikkeld
      • Ongeremd
      • Herhalende gedachten die je niet los kunt laten, zoals steeds sommen in je hoofd moeten maken
      • Hersenafwijkingen: basale ganglia (globus, pallidus, putamen), thalamus, insula
      • Behandeling: Exposure met responspreventie, CGT, Antipsychotica, Deep brain stimulation (van de thalamus, globus pallidus,
      .....read more
      Access: 
      JoHo members
      Work for WorldSupporter

      Image

      JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

      Working for JoHo as a student in Leyden

      Parttime werken voor JoHo

      Check more of this topic?
      How to use more summaries?


      Online access to all summaries, study notes en practice exams

      Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

      There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

      1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
      2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
      3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
      4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
      5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

      Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

      Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

      Field of study

      Access level of this page
      • Public
      • WorldSupporters only
      • JoHo members
      • Private
      Statistics
      1218
      Comments, Compliments & Kudos:

      Add new contribution

      CAPTCHA
      This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
      Image CAPTCHA
      Enter the characters shown in the image.
      Follow the author: Yara Claassen