Hoorcollege 13: Verslavingen
Stoornissen in middelengebruik
Controleverlies: langer of meer gebruiken dan gepland, of willen stoppen of minderen maar daar niet in slagen.
Craving: hunkeren naar het middel op zo’n intense manier dat het moeilijk is om aan iets anders te denken
Negatieve gevolgen: op werk, school en familie, of herhaald gebruik wanneer dit gevaarlijk is (dronken rijden).
tolerantie/ontwenning: tolerantie is dat je steeds meer moet gaan gebruiken om
hetzelfde effect te krijgen en ontwenningsverschijnselen treden op in de vorm van bijwerkingen als er sp rake is van onttrekking van het middel
Ernstclassificering
1) Mild - Deze cliënten hebben 2-3 symptomen uit de 11.
2) Matig - Deze cliënten hebben 4-5 symptomen uit de 11.
3) Ernstig - Deze cliënten hebben meer dan 6 symptomen uit de 11.
Verschil tussen natuurlijke beloners en drugs heeft te maken met de hoeveelheid dopamine die vrij komt bij het nemen van een bepaald middel. Bij voedsel zit het dopamine niveau op 50%, bij seks op 100%, bij cocaïne op 350% en bij meth/speed op 1200%.
Invloeden op verslavingsgevoeligheid
Persoonlijkheidstrekken: extraversie, impulsiviteit (speelt grotere rol bij jongens dan bij meisjes) neuroticisme
Trauma, comborbide depressie
Omgeving: vrienden die experimenten met drugsgebruik bvb
Genetische kwetsbaarheid: gevoeligheid van het dopaminesysteem (erfelijk)
Vroeger beginnen: vergroot de kans. 40% van de kinderen die begonnen is met drinken op hun 15e ontwikkelde een stoornis in middelengebruik, versus 7% van de jongeren die op hun 21e begonnen met drinken.
Comborbiditeit met PTSS: 63% gaf aan eerst PTSS klachten te hebben. Echter ontving 40% behandeling voor verslaving en maar 20% voor PTSS
Comborbiditeit met PTSS
Self-medication hypothesis: mensen gaan middelen gebruiken om de PTSS symptomen te dempen
susceptibility hypothesis: stelt dat mensen met een verslaving kwetsbaarder zijn om PTSS te ontwikkelen. Je hebt namelijk meer stress en zit minder goed in je vel.
high risk hypothesis: het risico op het meemaken van traumatische gebeurtenissen is hoger als je een verslaving hebt. Onder andere door vicitimisatie
shared vulnerability stelt dat mensen die trauma meemaken, een hogere kans hebben opverslaving en PTSS.
Impaired Response Inhibition-Salience Attribution model: bij het zien van een verslavingsgerelateerde stimulus wordt je beloningsysteem (Nucleus Accumbens, Ventrale tegemen en striatum) geactiveerd. Dit leidt tot motivatie doordat ook de insula en orbito frontale cortex secundair geactiveerd worden, deze hangen samen met subjectieve hunkering. Bij verslaving in het beloningssysteem overactief. Ook is er een vermind cognitief controle circuit door verminderde werking van de PFC ten gevolge van het verslavende middel (bidirectionele relatie)
Centrale kenmerken van een verslaving:
Hoge aandacht voor verslavingscuesL er is sprake van een overactief beloningssysteem tijdens cues.
Hoge motivatie/drive : door activatie van de orbito frontale cortex.
Verminderde controle over drive : door verminderde activatie van de dorsolaterale frontale cortex.
Behandeling: komt niet vaak voor door stigma, negatieve attitudes, lastige behandelgrep
People first language: “iemand met een alcoholprobleem” in plaats van “alcoholverslaafde”
Motiverende gespreksvoering: Basishouding van psycholoog is partnerschap, acceptatie, compassie, ontlokken. Bestaat uit vier fasen. Engageren: een gelijkwaardige werkrelatie met de cliënt aangaanFocussen: de hulpverlener en cliënt stellen samen doelen vast en bepalen de agenda Evoceren: het ontlokken van de eigen motivatie van de cliënt Plannen: het plannen van de verandering
CGT: bvb dagelijkse zelf-monitoring van triggers. Leidt tot bewustwording. Gezamenlijke afspraken maken, motivatie versterken en een functie-analyse opstellen, triggers analyseren
12-stappenmethode
ACT
farmacologische interventies: naltrexon, nalmefeen, acamprosaat en disulfiram/antabus