Beginselen Strafrecht - VU - Oefenmaterialen

Oefententamen maart 2015

1 Het opleggen van een straf heeft meerdere doelen. Welke doelen zijn dat onder andere?

a) preventie en schadevergoeding;

b) vergelding en schadevergoeding;

c) preventie en vergelding;

d) vergelding en schadevergoeding.
 

2 Het Wetboek van Strafrecht kent een onderverdeling naar misdrijven en overtredingen. Dit
onderscheid is om een aantal redenen van belang. Waarvoor is dit onderscheid niet van belang?
a) de bepaling van de absolute competentie
b) de bepaling van de relatieve competentie
c) deelneming
d) toepassing van dwangmiddelen
 

3 Wat is de verhouding tussen de artikelen 303 en 302 Sr?
a) Artikel 303 Sr is ten opzichte van artikel 302 Sr een formeel delict.
b) Artikel 303 Sr is ten opzichte van artikel 302 Sr een geprivilegieerd delict.
c) Artikel 303 Sr is ten opzichte van artikel 302 Sr een gekwalificeerd delict.
d) Artikel 303 Sr is ten opzichte van artikel 302 Sr een omissiedelict.
 

4 Vergelijk de artikelen 450 Sr en 225 Sr. Welke van de onderstaande beweringen is juist?
a) Beide betreffen overtredingen.
b) Artikel 450 kent een strafverzwarend gevolg, artikel 225 niet.
c) Beide betreffen commissiedelicten.
d) Artikel 450 betreft een omissiedelict, artikel 225 een commissiedelict.
 

5 In artikel 430a Sr wordt omschreven in welke gevallen naaktrecreatie strafbaar is. Welke van de
onderstaande beweringen is juist ten aanzien van dit artikel?
a) Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn bestanddeel.
b) Wederrechtelijkheid is bestanddeel, verwijtbaarheid niet.
c) Verwijtbaarheid is bestanddeel, wederrechtelijkheid niet.
d) Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid zijn geen bestanddelen.
 

6 Geert wordt vervolgd wegens een misdrijf. Hij beroept zich ter terechtzitting op een noodweer,
een rechtvaardigingsgrond. De rechter honoreert dit verweer. Welke einduitspraak moet hij
doen?
a) Vrijspraak;
b) OVAR wegens niet-wederrechtelijkheid van de gedraging;
c) OVAR wegens niet-kwalificeerbaarheid van het feit;
d) Geen van de bovenstaande antwoorden is juist.

 

7 Welke van de onderstaande beweringen is juist?
a) Een materieel delict wordt ook wel een gevolgsdelict genoemd.
b) Een materieel delict staat in de wet omschreven als een handeling.
c) Een formeel delict is opgenomen in een wet in formele zin.
d) Een formeel delict kan alleen begaan wordeOefententamen maart 2015n door gezagsdragers.

8 Welke van de onderstaande alternatieven is aan te merken als een praktische uitwerking van
het materieelstrafrechtelijke legaliteitsbeginsel?
a) Iemand kan alleen worden gestraft als er sprake is van persoonlijke schuld.
b) De rechter mag de tekst van de wet niet interpreteren.
c) Niemand mag worden gestraft op grond van regels van ongeschreven recht.
d) De toepassing van dwangmiddelen moet een basis hebben in de wet.
 

 

9 Masha komt na een avond stappen met wat vrienden tot de ontdekking dat zij haar fietssleutel
is kwijtgeraakt. Omdat zij nog een behoorlijk stuk moet fietsen, breekt Tim, een vriend van
Masha, op haar verzoek het slot open. Het slot wordt hierbij onherstelbaar beschadigd. Wat is
juist?
a) Tim vervult de delictsomschrijving van artikel 350 Sr.
b) Tim handelt zonder opzet.
c) Tim kan zich beroepen op een schulduitsluitingsgrond.
d) Tim vervult de delictsomschrijving van artikel 350 Sr niet.
 

10 Hugo is gedagvaard om zich voor de Rechtbank Amsterdam te verantwoorden wegens zware
mishandeling (art. 302 Sr). Volgens de tenlastelelegging heeft het feit echter plaatsgevonden in
Maastricht. De dagvaarding is geldig. Welke einduitspraak moet de rechtbank doen?
a) Onbevoegdheid van de rechtbank;
b) Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie;
c) Vrijspraak;
d) Geen van de bovenstaande antwoorden is juist.
 

11 Brigitte wordt gedagvaard. In de tenlastelegging is vermeld dat zij ‘op of omstreeks 28 februari
een horloge heeft gestolen (art. 310 Sr)’. Deze dagvaarding is om drie redenen niet geldig. Welke?
 

12 Zijn de onderstaande stellingen juist of onjuOefententamen maart 2015ist?
I Wanneer niet voldaan is aan een element van het strafbare feit volgt altijd ontslag van alle rechtsvervolging.
II Wanneer het in een op artikel 350 Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘opzettelijk’ niet kan worden aangetoond, volgt ontslag van alle rechtsvervolging, omdat de wetgever niet-opzettelijke vernieling niet strafbaar heeft gesteld. Als opzettelijk niet bewezen kan worden in tenlastelegging volgt vrijspraak. Als het wordt vergeten kan het niet worden gekwalificeerd. 
a) Beide stellingen zijn juist.
b) Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
c) Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
d) Beide stellingen zijn onjuist.

13 Aan een verdachte is vrijheidsberoving (art. 282 Sr) ten laste gelegd. Welke einduitspraak moet
de rechter doen wanneer hij een beroep op noodweer aanvaardt? En welke wanneer hij een
beroep op ontoerekeningsvatbaarheid aanvaardt?
a) Bij aanvaarden van noodweer: vrijspraak. Bij aanvaarden van ontoerekeningsvatbaarheid: vrijspraak.
b) Bij aanvaarden van noodweer: vrijspraak. Bij aanvaarden van ontoerekeningsvatbaarheid: OVAR.
c) Bij aanvaarden van noodweer: OVAR. Bij aanvaarden van ontoerekeningsvatbaarheid:
vrijspraak.
d) Bij aanvaarden van noodweer: OVAR. Bij aanvaarden van ontoerekeningsvatbaarheid:
OVAR.
 

14 Een advocaat wil tijdens het onderzoek ter terechtzitting de volgende verweren voeren:
1. Er is sprake geweest van overmacht als noodtoestand.
2. Artikel 9a Sr moet worden toegepast.
3. Het delict waarvoor de verdachte is gedagvaard, is een klachtdelict en de klacht ontbreekt.
4. In de tenlastelegging ontbreekt de plaatsaanduiding.
De advocaat wil de verweren ordenen overeenkomstig het rechterlijk beslissingsschema. Wat is de juiste volgorde?
a) 4, 3, 1, 2
b) 3, 4, 1, 2
c) 4, 3, 2, 1
d) 3, 4, 2, 1
 

15 Een verdachte wordt vervolgd bij de Rechtbank Maastricht voor openlijke geweldpleging (art.

141 Sr). Ter terechtzitting voert de verdachte aan dat hij het ten laste gelegde feit weliswaar
heeft begaan, maar niet in Maastricht – zoals in de tenlastelegging staat – maar in Antwerpen
(België). Stel dat de rechter dit verweer van de verdachte aannemelijk acht, tot welke uitspraak
dient hij dan te komen?
a) nietigheid van de dagvaarding;
b) onbevoegdheid van de rechtbank;
c) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie;
d) vrijspraak.
 

16 Zijn de onderstaande stellingen juist of onjuist?
I Wanneer de verdachte is vrijgesproken, mag hij opnieuw worden gedagvaard ter zake van hetzelfde feit, omdat de rechter nog niet heeft geoordeeld over de strafbaarheid van het feit.
II Schorsing van de vervolging kan worden uitgesproken wanneer de verdachte ten tijde
van het begaan van het delict niet in staat was te begrijpen waarmee hij bezig was.
a) Beide stellingen zijn juist.
b) Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
c) Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
d) Beide stellingen zijn onjuist.
 

17 Mark wordt vervolgd wegens belediging (art. 266) en verontreiniging van oppervlaktewater (art.
173a Sr). Ten aanzien van de belediging aan dat hij geen opzet heeft gehad. Ten aanzien van de
verontreiniging stelt hij dat hij heeft gehandeld uit overmacht in de zin van noodtoestand, een
rechtvaardigingsgrond. De rechter aanvaardt beide verweren. Welke einduitspraken moet hij
doen?
a) Ter zake van beide feiten vrijspraak;
b) Ter zake van belediging vrijspraak en ter zake van verontreiniging ontslag van alle rechtsvervolging;
c) Ter zake van belediging ontslag van alle rechtsvervolging en ter zake van verontreiniging
vrijspraak;
d) Ter zake van beide feiten ontslag van alle rOefententamen maart 2015echtsvervolging.

18 Een verdachte staat terecht wegens verduistering (art. 321 Sr). Hij voert ter terechtzitting als
verweer dat het bestanddeel ‘opzettelijk’ niet in de tenlastelegging is opgenomen. De rechter
honoreert het verweer. Welke einduitspraak moet hij doen?
a) Nietigheid van de dagvaarding. De tenlastelegging voldoet niet aan alle wettelijke eisen.
b) Schorsing van de vervolging. Op deze manier wordt de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om alsnog het woord ‘opzettelijk’ in de tenlastelegging op te nemen.
c) Vrijspraak. Er is niet voldaan aan het bestanddeel ‘opzettelijk’.
d) OVAR. De officier van justitie heeft een feit ten laste gelegd dat de wetgever niet strafbaar heeft gesteld.
 

19 Twee verdachten staan terecht wegens zware mishandeling (art. 302 Sr). Verdachte 1 voert als
verweer dat hij het slachtoffer per ongeluk heeft geraakt. Verdachte 2 beroept zich op noodweer. De rechter aanvaardt beide verweren. Welke einduitspraken moet hij doen?
a) Hij moet beide verdachten vrijspreken.
b) Hij moet verdachte 1 vrijspreken en verdachte 2 ontslaan van alle rechtsvervolging.
c) Hij moet verdachte 1 ontslaan van alle rechtsvervolging en verdachte 2 vrijspreken.
d) Hij moet beide verdachten ontslaan van alle rechtsvervolging.
 

 

20 Richard, arts, ziet op straat een man liggen, die bewusteloos oogt. Hij vermoedt dat de man aan
suikerziekte lijdt en een ernstig suikertekort heeft. Daarom rent hij een supermarkt in, pakt een
fles limonadesiroop uit een schap en rent zonder te betalen de winkel weer uit. De man komt
redelijk snel na toediening van de siroop weer bij. Richard wordt vervolgd wegens diefstal (art.
310 Sr). De rechter accepteert zijn verweer dat hij in het kader van hulpverlening aan de man de
siroop zonder te betalen mocht meenemen. Tot welke uitspraak moet dit leiden?
a) vrijspraak, omdat Richard geen verwijt kan worden gemaakt;
b) vrijspraak omdat Richard niet het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft
gehad;
c) ontslag van alle rechtsvervolging, omdat Richard geen verwijt kan worden gemaakt;
d) ontslag van alle rechtsvervolging, omdat Richard niet wederrechtelijk heeft gehandeld.
 

21 Remko moet op 30 januari 2003 voor de kantonrechter te Amsterdam verschijnen. Aan hem is
ten laste gelegd dat: ‘hij op 15 januari 2002 een motorvoertuig heeft bestuurd, terwijl hij een
mobiele telefoon vasthield’ (art. 61a Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens). De
kantonrechter in Amsterdam constateert dat dit feit pas strafbaar is gesteld op 30 maart 2002.
Verder is hij er – naar aanleiding van Remko’s pleidooi – niet van overtuigd dat Remko de
telefoon heeft vastgehouden. Welke einduitspraak dient de kantonrechter te geven?
a) nietigheid van de dagvaarding;
b) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie;
c) vrijspraak;
d) ontslag van alle rechtsvervolging.
 

22 Een verdachte wordt vervolgd wegens huisvredebreuk (art. 138 Sr). De tenlastelegging luidt dat ‘hij op 12 april 2010 te Amstelveen in een door F. Jansen in gebruik zijnde woning, gelegen aan
de Nachtegaal 104, is binnengedrongen’. Ter zitting voert hij het verweer dat hij een vrouw in de
gang van de woning had zien liggen en het noodzakelijk was die vrouw hulp te bieden. De
rechter honoreert het verweer. Welke einduitspraak zal hij moeten doen?
a) Vrijspraak.
b) OVAR wegens niet-kwalificeerbaarheid van het feit.
c) OVAR wegens het ontbreken van wederrechtelijkheid.
d) OVAR wegens het ontbreken van verwijtbaarheid.
 

23 Nick rijdt met zijn auto in Delft en ziet op de stoep een bekende politicus lopen. Hij denkt
bij zichzelf: ‘Dat is een mooi doelwit’, geeft plankgas en rijdt de politicus aan. Deze loopt zwaar
letsel op. Nick wordt vervolgd voor zware mishandeling (art. 302 Sr). De psychiater concludeert
dat Nick ten tijde van het plegen van dit feit leed aan een psychose; de rechter acht Nick
daarom ontoerekeningsvatbaar. Welke einduitspraak zal de rechter moeten doen?
a) vrijspraak, omdat Joris niet met opzet heeft gehandeld;
b) vrijspraak, omdat Joris geen verwijt kan worden gemaakt;
c) ontslag van alle rechtsvervolging, omdat Joris niet met opzet heeft gehandeld;
d) ontslag van alle rechtsvervolging, omdat Joris geen verwijt kan worden gemaakt.
 

24 Dries wordt vervolgd wegens verduistering (art. 321 Sr) en doodslag (art. 287 Sr). Ter zake van
de verduistering voert hij aan dat hij niet opzettelijk heeft gehandeld. Ter zake van de doodslag
voert hij aan dat de in de tenlastelegging genoemde datum niet correct is. De rechter honoreert
beide verweren. Welke einduitspraken moet hij doen?
a) verduistering: vrijspraak; doodslag: nietigheid van de dagvaarding;
b) verduistering: vrijspraak; doodslag: vrijspraak
c) verduistering: OVAR; doodslag: nietigheid van de dagvaarding;
d) verduistering: OVAR; doodslag: vrijspraak.
 

 

25 Welke van de volgende redenen kan leiden tot de einduitspraak ‘niet-ontvankelijkheid van de `
officier van justitie’?
a) Nederland heeft geen rechtsmacht.
b) De verdachte ligt zwaar gewond in het ziekenhuis.
c) De verdachte is dertien jaar oud.
d) De verdachte is een rechtspersoon.

 

26 Arjen staat terecht wegens vernieling (art. 350 Sr) en zware mishandeling (art. 302 Sr). Ter zake van de vernieling beroept hij zich op de schulduitsluitingsgrond AVAS. Ter zake van de
mishandeling beroept hij zich op noodweer. De rechter accepteert beide verweren. Welke
einduitspraken moet hij doen?
a) vrijspraak van beide feiten;
b) vrijspraak van de vernieling en OVAR ter zake van de zware mishandeling;
c) vrijspraak van de zware mishandeling en OVAR ter zake van de vernieling;
d) OVAR ter zake van beide feiten.
 

27 Frank H. krijgt een dagvaarding betekend waarin hem ten laste wordt gelegd dat hij:
‘op of omstreeks 2 februari 2007 te Amsterdam, althans in Nederland, een gouden ketting van
het merk Cartier, althans enig goed, toebehorend aan warenhuis De Bijenkorf, althans aan een
ander dan de verdachte, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft
weggenomen’. Is deze dagvaarding geldig?

a) Nee, want het tijdstip ontbreekt.
b) Nee, want het wettelijke voorschrift waarbij dit strafbaar is gesteld ontbreekt.
c) Nee, want het feit kan niet worden gekwalificeerd.
d) Ja, zij voldoet aan de vereisten die de wet aan de dagvaarding stelt.
 

 

Modelantwoorden

 

1. C

2. B

3. C

4. D

5. D

6. D

7. A

8. C

9. D

10. D

11.
Er is niet voldaan aan de eisen van artikel 261 Sv:

  • Geen plaats genoemd

  • Geen jaar genoemd: tijd ontbreekt dus

  • Onvoldoende feitelijke tenlastelegging; de officier van justitie heeft alleen de delictsomschrijving gekopieerd.

12. B

13. B

14. A

15. D

16. D

17. A

18. D

19. B

20. B

21. A

22. B

23. D

24. B

25. A

26. D

27. D

 

Toelichting

 

1. Het opleggen een straf heeft als hoofddoelen vergelding en preventie. Het realiseren van
schadevergoeding is geen doel van straffen. Wel kan schadevergoeding worden bereikt door een
maatregel op te leggen of door een civielrechtelijke procedure te volgen.
Vergelding [generaal specifiek] preventie

 

2.

a) Overtredingen worden door de kantonrechter behandeld en misdrijven door de
politierechter of meervoudige strafkamer van de rechtbank (art. 382 Sv en RO).
b) Correct

c) Medeplichtigheid tot/bij overtreding is niet strafbaar (art. 48 en 52 Sr).
d) Voor de toepassing van dwangmiddelen is dikwijls een eis dat het gaat om verdenking
ter zake van een misdrijf. Zo stelt bijvoorbeeld artikel 67 Sv dat voorlopige hechtenis
alleen toegelaten is in geval van verdenking van een misdrijf (of wanneer de verdachte
geen vaste woon- of verblijfplaats heeft). Zie ook artikel 96 Sv en heel veel andere
artikelen.

 

3.

a) Beide delicten zijn materiële delicten: in de delictsomschrijving is het gevolg omschreven.
b) Een geprivilegieerd delict is een delict dat ten opzichte van een ander (grond)delict met
een minder zware straf is bedreigd.
c) Een gekwalificeerd delict is een delict dat ten opzichte van een ander (grond)delict met
een zwaardere straf is bedreigd.
d) Een omissiedelict is een delict dat door nalaten wordt gepleegd. Daarvan is hier geen
sprake.

 

4.

a) Artikel 450 Sr is een overtreding (opgenomen in boek III van het WvSr) en artikel 225 Sr is
een misdrijf (boek II).
b) Artikel 450 Sr kent geen strafverzwarend gevolg, maar een constitutief gevolg: wanneer
de dood niet intreedt, is de delictsomschrijving niet vervuld.
c) Artikel 450 Sr is een omissiedelict, maar artikel 225 Sr kan slechts door een actief
handelen worden begaan.
d) Zie c).

 

5.

In artikel 430a Sr is noch wederrechtelijkheid noch verwijtbaarheid met zoveel woorden of
impliciet (bijv. door het gebruik van de woorden ‘aan zijn schuld te wijten’) opgenomen.

 

6.

Je kunt je het antwoord op deze vraag alleen geven wanneer je weet welk feit ten laste is gelegd.
Je moet immers weten of de wederrechtelijkheid bestanddeel van de delictsomschrijving is (in
dat geval volgt vrijspraak) of element van het strafbare feit (dan volgt OVAR). Het daarom
essentieel dat bij de onderstaande vragen steeds de delictsomschrijving erbij wordt gezocht.
Zonder te weten hoe die is opgebouwd, is het onmogelijk de vragen te beantwoorden!

 

7.

a) Correct
b) Dit is de omschrijving van een formeel delict.
c) Formele delicten kunnen ook zijn opgenomen in een wet in materiële zin die geen wet in formele zin is.
d) Onjuist. Dat soort delicten wordt wel ambtsdelicten genoemd.

 

8.

a) Dit uitgangspunt geldt weliswaar (zie bijv. de HR in het arrest Melk en Water), maar is
niet het legaliteitsbeginsel.
b) Interpretatie is essentieel voor de toepassing van wettelijke bepalingen. Het
legaliteitsbeginsel sluit dit niet uit.
c) Het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel is neergelegd in artikel 1 Sr: personen mogen
alleen worden gestraft als de wetgever voorafgaande aan hun gedraging heeft bepaald
dat deze strafbaar is. Ongeschreven recht is dus onvoldoende grond voor bestraffing.
d) Dit is een uitwerking van het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel.

 

9.

 

 

Een bestanddeel van artikel 350 Sr is ‘wederrechtelijk’. In deze casus ontbreekt de
wederrechtelijkheid, omdat Masha aan Tim heeft gevraagd het slot te beschadigen. Vergelijk
het voorbeeld in het boek: Grondtrekken, p. 42. Men zou ook kunnen zeggen: Masha heeft
toestemming gegeven voor deze menselijke gedraging. Toestemming is een buitenwettelijke
rechtvaardigingsgrond, die de wederrechtelijkheid wegneemt.

 

10.

De tweede vraag van artikel 348 Sv (Is de rechter bevoegd?) moet als eerste worden
beantwoord. Wat betreft de absolute competentie zal er geen probleem zijn: de rechtbank
behandelt alle zaken in eerste aanleg. De regels voor de relatieve competentie kunnen worden
gevonden in artikel 2 Sv. Daarin worden verschillende aanknopingspunten genoemd ter bepaling
van de relatieve competentie: pleegplaats, woon- of verblijfplaats verdachte, etc. Belangrijk is
de grondslagleer: de rechtbank beantwoordt de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv op grond
van de tenlastelegging en naar aanleiding van de informatie die tijdens de zitting naar voren
komt. In dit geval zegt de tenlastelegging dat het feit in Maastricht heeft plaatsgevonden.
Omdat Maastricht niet in het arrondissement Amsterdam ligt, levert de pleegplaats geen reden
op om de Amsterdamse rechter bevoegd te achten. Dat betekent echter niet automatisch dat de
Amsterdamse rechtbank onbevoegd is. Het is immers best mogelijk dat de verdachte in
Amsterdam woont of daar is gedetineerd. Zou dat het geval zijn, dan zou de Amsterdamse
rechtbank bevoegd zijn. Omdat informatie daarover niet in de casus is genoemd, kan de vraag
niet worden beantwoord.
 

11.

n.v.t.

 

12.

  1. Wanneer wederrechtelijkheid of verwijtbaarheid niet in de delictsomschrijving is
    opgenomen (en dus element is), zal een beroep op een strafuitsluitingsgrond moeten
    leiden tot OVAR. Stelling is juist.

  2. Wanneer ‘opzettelijk’ niet kan worden bewezen, moet vrijspraak volgen. De rechter komt
    dan niet meer toe aan de vraag of het feit kan worden gekwalificeerd. Stelling is onjuist.

 

13.

In artikel 282 Sr is de wederrechtelijkheid een bestanddeel en de verwijtbaarheid een element.
Noodweer is een rechtvaardigingsgrond, die de wederrechtelijkheid wegneemt. Nu de
wederrechtelijkheid (die in de delictsomschrijving en dus ook in de tenlastelegging is
opgenomen) niet kan worden bewezen, moet de rechter tot vrijspraak komen.
Ontoerekeningsvatbaarheid is een schulduitsluitingsgrond, die de verwijtbaarheid wegneemt.
Verwijtbaarheid maakt geen onderdeel uit van de delictsomschrijving. Het delict kan dus worden
bewezen en gekwalificeerd. Er is geen reden om een rechtvaardigingsgrond aan te nemen. Nu de
verwijtbaarheid als element ontbreekt, zal de verdachte moeten worden ontslagen van alle
rechtsvervolging.

 

14.

Wanneer de plaatsaanduiding ontbreekt in de tenlastelegging, zal dat nietigheid van de
dagvaarding met zich mee brengen (eerste formele vraag). Bij het ontbreken van een klacht
heeft de officier van justitie geen vervolgingsrecht (derde formele vraag). Noodtoestand is een
strafuitsluitingsgrond die ofwel bij de eerste ofwel bij de derde materiële vraag aan de orde zal
komen. Artikel 9a Sr (veroordeling zonder strafoplegging) heeft betrekking op de
straftoemetingsvraag, die pas als laatste beantwoord hoeft te worden.

 

15.

a) Er staat een plaatsnaam in de tenlastelegging. Artikel 261 Sv eist niet dat die
plaatsnaam ook correct is. Aan de interne eisen aan de dagvaarding is voldaan.
b) De tenlastelegging vermeldt Maastricht als pleegplaats. De rechtbank moet haar
bevoegdheid beoordelen aan de hand van de plaats die in de tenlastelegging is vermeld
(grondslagleer). Zij is dus bevoegd.
c) Ook de vraag naar de rechtsmacht moet aan de hand van de tenlastelegging worden
beantwoord. Aangezien het feit volgens de tenlastelegging in Nederland is gepleegd,
heeft Nederland rechtsmacht.
d) De tenlastelegging vermeldt Maastricht als pleegplaats. Als het feit in werkelijkheid in
Antwerpen is gepleegd, kan niet worden bewezen dat het in Maastricht is gepleegd. De
verdachte moet worden vrijgesproken.

16.

  1. Voor artikel 68 Sr (ne bis in idem) is niet doorslaggevend of de rechter zich over de
    strafbaarheid heeft uitgesproken, maar of hij inhoudelijk naar het feit heeft gekeken. Bij
    de bewijsvraag doet hij dat. Na een vrijspraak kan de OvJ daarom niet nogmaals ter zake
    van hetzelfde feit dagvaarden.

  2. Bij schorsing van de vervolging gaat het erom dat de verdachte de strekking van de
    vervolging tegen hem niet begrijpt en dus niet om een stoornis ten tijde van het delict
    (zoals bij de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid).

 

17.

Belediging is een opzetdelict. Wanneer de rechter aanneemt dat het opzet ontbreekt, kan dat onderdeel van de tenlastelegging niet worden bewezen en moet vrijspraak volgen. In artikel 173a Sr is wederrechtelijkheid opgenomen als bestanddeel. De OvJ zal dit bestanddeel
ook opnemen in zijn tenlastelegging. Dit onderdeel kan niet worden bewezen, omdat de verdachte succesvol een beroep doet op overmacht in de zin van noodtoestand. Dat is immers een rechtvaardigingsgrond, die de wederrechtelijkheid wegneemt. Ook hier moet vrijspraak
volgen.

 

18.

a) Artikel 261 Sv eist niet dat de opgenomen gegevens juist zijn of alle bestanddelen van de tenlastelegging bevatten.
b) Schorsing van de vervolging is een einduitspraak. Het is uitgesloten dat de OvJ de tenlastelegging nadien nog zou wijzigen. Bovendien is er geen sprake van een grond voor schorsing van de vervolging.
c) Een bestanddeel dat niet in de tenlastelegging is opgenomen, hoeft ook niet te worden bewezen.
d) Dat is correct. Het feit kan niet worden gekwalificeerd, omdat de niet-opzettelijke verduistering geen delict is.

 

19.

Zware mishandeling is een opzetdelict. Wanneer de rechter aanneemt dat niet opzettelijk is gehandeld, zal hij de verdachte moeten vrijspreken. De strafuitsluitingsgrond noodweer is een rechtvaardigingsgrond. Deze neemt de wederrechtelijkheid van de gedraging weg.
Wederrechtelijkheid ligt niet besloten in de delictsomschrijving van mishandeling. Het is daarom een element van mishandeling en dat betekent dat het feit wel bewezen en gekwalificeerd zal kunnen worden, maar dat het niet strafbaar is. OVAR is dan de einduitspraak.
 

20.

Hier is sprake van overmacht in de zin van noodtoestand. Dat is een rechtvaardigingsgrond, die de wederrechtelijkheid wegneemt. Voor diefstal is vereist dat wordt gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Dat oogmerk ontbreekt in deze casus. Daarom zal Richard moeten worden vrijgesproken.

 

21.

In deze casus doen zich drie problemen voor:

  1. In de tenlastelegging ontbreekt een plaatsaanduiding. Volgens artikel 261 Sv moet dat
    leiden tot nietigheid van de dagvaarding.

  2. De rechter is er niet van overtuigd dat Remko het feit heeft begaan. Het feit kan daarom niet worden bewezen en Remko moet worden vrijgesproken.

  3. Het niet-handsfree bellen was nog niet strafbaar op de dag van de constatering van de
    gedraging. De gedraging kan dus niet worden gekwalificeerd. Dat moet tot OVAR leiden.
    De rechter kan echter slechts één einduitspraak doen en wel de einduitspraak die volgens de volgorde van het beslissingsschema van de artikelen 348 en 350 als eerste uit de bus komt. Dat is nietigheid van de dagvaarding.

 

 

 

22.

Deze vraag kan alleen worden beantwoord door de vragen van artikel 350 Sv heel zorgvuldig en in de juiste volgorde te beantwoorden. De delictsomschrijving van artikel 138 Sv bevat het bestanddeel wederrechtelijk. De officier van justitie is echter vergeten dit bestanddeel in de
tenlastelegging op te nemen. Dat betekent dat het dus ook niet hoeft te worden bewezen (grondslagleer). De casus bevat geen informatie op grond waarvan kan worden aangenomen dat het feit niet bewezen zou kunnen worden. Het feit zal echter niet kunnen worden gekwalificeerd,
aangezien het niet-wederrechtelijk binnendringen van een woning niet strafbaar is gesteld (ook niet in de overtredingsvariant van artikel 461 Sr).

 

23.

Een verdachte die ontoerekeningsvatbaar wordt geacht, heeft doorgaans wel met opzet gehandeld. Dat is pas anders wanneer ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen zou ontbreken. Uit de casusbeschrijving blijkt dat Nick welbewust te werk is gegaan. Hij heeft dus
opzettelijk gehandeld. Ontoerekeningsvatbaarheid is een schulduitsluitingsgrond, die de verwijtbaarheid wegneemt. Bij artikel 302 Sr is de verwijtbaarheid geen onderdeel van de delictsomschrijving en dus element. Het feit kan dan wel worden bewezen, maar Nick moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

 

24.

  1. Feit 1: Verduistering is een opzetdelict. Wanneer het opzet niet kan worden bewezen, moet de verdachte worden vrijgesproken.

  2. Feit 2: In de dagvaarding moet een tijd zijn genoemd, maar voor een geldige dagvaarding is niet vereist dat de tijd ook correct is. Is de datum niet correct, dan zal deze niet kunnen worden bewezen en volgt vrijspraak.

 

25.

a) Correct
b) De rechtbank zou het onderzoek ter terechtzitting kunnen schorsen, maar een grond voor niet-ontvankelijkheid levert dit niet op.
c) Pas als de verdachte jonger is dan twaalf jaar zal de OvJ niet-ontvankelijk worden verklaard: artikel 486 Sv.
d) Dit staat niet in de weg aan vervolging. Wél als het gaat om bepaalde publiekrechtelijke
rechtspersonen, zoals de Nederlandse Staat.

 

26.

AVAS is een schulduitsluitingsgrond. Deze neemt de verwijtbaarheid van de dader weg. Vernieling is een delict waarbij verwijtbaarheid geen bestanddeel is (let op: wederrechtelijkheid wel, maar dat doet hier niet ter zake), maar een element. Het feit kan daarom worden bewezen
en gekwalificeerd. Omdat de verwijtbaarheid als element ontbreekt, moet Arjen worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van de vernieling.
Noodweer is een rechtvaardigingsgrond, die de wederrechtelijk wegneemt. Zware mishandeling is een feit waarin noch de wederrechtelijkheid, noch de verwijtbaarheid in de delictsomschrijving is opgenomen. Wederrechtelijkheid is bij dit delict dus een element. Dat betekent dat de zware mishandeling kan worden bewezen en gekwalificeerd. Omdat de wederrechtelijkheid als element ontbreekt, moet Arjen worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van de mishandeling.
 

27.

In deze dagvaarding is een datum (= tijd), plaats en feit opgenomen. De dagvaarding is daarom geldig. Het wettelijk voorschrift waarbij diefstal strafbaar is gesteld is niet opgenomen, maar dat kan niet tot nietigheid van de dagvaarding leiden. Of het feit kan worden gekwalificeerd is niet van invloed op de geldigheid van de dagvaarding.

 

Oefententamen december 2014

 

Casus 1

 

Sander werkt als losser van grote vrachtschepen in de Rotterdamse haven. Hij weet via-via dat er binnenkort een grote container met iPhone’s en iPads uit China binnenkomt. Sander benadert zijn vriend Jonas, die ook losser is, en vraagt hem om de container ongezien de haven uit te smokkelen. Omdat Jonas Sander nog een wederdienst verschuldigd was, stemt hij toe om Sander te helpen. Samen werken ze de details van het plan uit. Ze spreken af dat Jonas de container ’s nachts met behulp van een vrachtauto zal weghalen. Jonas regelt een vrachtauto en Sander regelt een loods in de buurt van Rotterdam, waar de container rustig kan worden leeggehaald. De uitvoering van de diefstal (art. 310 Sr) verloopt volgens plan. Jonas weet de container op een vrachtauto te laden en rijdt ermee weg. Sander wacht hem op in de loods.

 

Vraag 1. Aan welk strafbaar feit heeft Sander zich schuldig gemaakt?

 

 

Casus II
Lucas is drugsverslaafd en krijgt zijn drugs geleverd van Ali, een taxichauffeur uit Amsterdam. Op een avond bevindt Lucas zich in de taxi van Ali, waar hij zijn drugs overhandigd krijgt. Lucas heeft echter geen geld bij zich en zegt dat hij de drugs niet kan betalen. Ali kijkt Lucas dreigend aan en zegt tegen Lucas dat hij een groot probleem heeft. Ali zet de auto aan de kant van de weg en doet de deuren van de taxi op slot. Ali geeft Lucas een stomp in zijn gezicht. Lucas is doodsbang. Hij schreeuwt: ‘Stop! Hou op!’ Als Ali nog een stomp geeft, grijpt Lucas in blinde paniek naar het pistool dat hij voor zijn veiligheid altijd bij zich heeft. Hij schiet Ali door het hoofd. Ali komt door het schot te overlijden.

Vraag 2. Lucas wordt vervolgd wegens doodslag (art. 287 Sr). Hij beroept zich primair op noodweer en subsidiair op noodweerexces. Hoe schat u de kans van slagen van deze verweren in? (8 punten)

 

 

Casus III

De politie krijgt op grond van onderzoek naar aanleiding van aangiften het vermoeden dat Dennis, ontwikkelaar van internetgames, op 12 september 2014 vanuit zijn kantoorpand tientallen valse facturen heeft gestuurd aan diverse bedrijven (art. 225 Sr). Op 20 september 2014 wordt Dennis op bevel van de Officier van Justitie voor zijn woning aangehouden door twee politieambtenaren.

Op 21 september 2014 gaat een officier van justitie met een aantal politieagenten naar het kantoorpand van Dennis toe, met het doel de administratie in beslag te nemen. De officier belt aan. Er wordt niet opengedaan. De agenten breken de deur open en gaan met de officier van justitie in het bedrijfspand op zoek naar de administratie. De officier opent een grote kast en ziet dat deze vol staat met ordners met papieren. Deze ordners neemt hij in beslag.

 

a) Is Dennis rechtmatig aangehouden? (5 punten)

b) Heeft de officier van justitie de kast rechtmatig geopend en de ordners rechtmatig in beslag genomen? (7 punten)

Oefententamen december 2014

 

 

Modelantwoorden

 

Vraag 1.

Sander is medepleger van diefstal (art. 47 lid 1, 1° jo. 310 Sr)

 

De voorwaarden voor medeplegen zijn:

  • Nauwe samenwerking

  • Bewuste samenwerking (dubbel opzet: opzet op de samenwerking en opzet op het strafbare feit)

  • Accessoiriteit

 

Toetsing:

  • De samenwerking bestaat uit het samen uitwerken van het plan, waarbij Sander de loods regelt en Jonas de vrachtauto. Er is sprake van inwisselbare rollen (vgl. arrest Wormerveerse brandstichting), terwijl Sander de initiatiefnemer tot de diefstal is. Aanwezigheid van Sander bij de uitvoering is niet vereist voor medeplegen. In het arrest Moord op Afstand was sprake van een dader die niet aanwezig was tijdens de uitvoering van de moord op zijn vrouw. Hij had wel o.a. het tijdstip van de moord gepland en een wapen verschaft. Bovendien had hij zich niet gedistantieerd van het plan om het slachtoffer te doden. Daarom was volgens het Hof sprake van medeplegen. De Hoge Raad liet dat oordeel in stand. Ook in het arrest Containerdiefstal was de verdachte niet aanwezig bij de diefstal van een container en kon hij desondanks als medepleger worden aangemerkt.

  • Ook is er sprake van dubbel opzet, want de gedragingen van Sander zijn niet alleen gericht op het samenwerken met Jonas, maar ook op de diefstal.

  • Er is een strafbaar feit gepleegd, nl. de diefstal.

 

Oefententamen december 2014Normering:

A Artikel 47 Sr (0,5)

B Criterium van bewuste en nauwe samenwerking (1)
Veel gemaakte fout is dat studenten zijn gaan variëren met de bewoordingen.

C In kaart brengen van gedragingen van Sander en Jonas waaruit nauwe samenwerking blijkt (1)

D Toetsing dubbel opzet (1)

E Arrest Moord op afstand of Containerdiefstal (1)

F Vaststelling dat afwezigheid van Shaun bij uitvoering strafbare feit niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen van medeplegen (1)

(geen punt voor toetsing accessoiriteit)

G Conclusie: medepleger van diefstal (0,5)

Modelantwoorden

Diefstal in vereniging is zelfstandig strafbaar gesteld in artikel 311 Sr. Wanneer een student dat in zijn antwoord betrekt, zou dat eventueel een bonuspuntje kunnen opleveren ter compensatie van een gemist onderdeel van het antwoord. + bonus ½ punt

Ten overvloede: Sander is geen uitlokker van diefstal, omdat hij geen uitlokkingsmiddel heeft gebruikt om Jonas aan te zetten om hem te helpen.

 

Vraag 2.

 

Noodweer

 

Rechtsregel:

Artikel 41 lid 1 Sr geeft de voorwaarden voor een geslaagd beroep op noodweer: er moet sprake zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen de verdachte zich verdedigt, terwijl die verdediging voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

 

Toepassing van de rechtsregel:

  • Ogenblikkelijke aanranding? Was de aanranding gaande op het moment waarop Lucas schoot? Ja: Ali heeft niet alleen Lucas dreigend aangekeken en de deuren van de taxi op slot gedaan, maar heeft hem ook stompen gegeven. Op het moment waarop Ali schoot, werd hij in elkaar geslagen. Er was dus sprake van een ogenblikkelijke aanranding.

  • Wederrechtelijke aanranding? Ja: Ali had weliswaar geld tegoed van Lucas, maar dit betekent nog niet dat hij het recht had Lucas te stompen.

  • Eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed? Het betreft hier het eigen lijf van Lucas.

  • Subsidiariteit? Kon Lucas zich onttrekken aan de aanranding en kon dat ook van hem worden gevergd? Nee: Ali doet de deuren van de taxi op slot. Lucas kan daardoor niet weg. Ali blijft stompen. Lucas probeert Ali te bewegen ermee op te houden. Hij schreeuwt immers: ‘Stop! Hou op!’ Dat heeft echter geen effect. Aan de eis van subsidiariteit is daarom voldaan. Het was noodzakelijk dat Lucas zich verdedigde.

  • (Dis)proportionaliteit? Was de verdediging ‘geboden’? Met andere woorden: stond de verdediging in een redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding? Op het moment waarop Lucas schoot, had Ali hem ‘alleen’ maar twee stompen gegeven. Het doodschieten is ten opzichte van die aanranding disproportioneel (intensief exces).

 

Conclusie 1: het beroep op noodweer is niet kansrijk.

 

Noodweerexces

 

Rechtsregel:

Artikel 41 lid 2 Sr geeft aan dat noodweerexces kan worden aangenomen wanneer in een noodweersituatie de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden vanwege een hevige gemoedsbeweging, die door de aanranding is veroorzaakt.

 

Toepassing van de rechtsregel:

  • Er moet aan de eisen van artikel 41 lid 1 Sr worden voldaan – met uitzondering van de proportionaliteitseis – om met succes noodweerexces te kunnen inroepen. Hiervoor is vastgesteld dat dit inderdaad het geval was.

  • Voorts moet aan het vereiste van dubbele causaliteit worden voldaan. Heeft de aanranding een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt? Uit de casus blijkt dat Lucas doodsbang was. Heeft deze hevige gemoedsbeweging de disproportionele verdediging veroorzaakt? Lucas was als gevolg van de aanranding doodsbang en schoot vervolgens uit blinde paniek Ali dood. Aan de eis van dubbele causaliteit is dus voldaan.

 

Conclusie 2: het beroep op noodweerexces is kansrijk.

 

Normering:

 

  1. artikel 41 Sr (0,5)

 

  1. - toetsing ogenblikkelijke aanranding (1)

  • toetsing wederrechtelijke aanranding (1)

  • toetsing lijf (0,5)
     

  1. - toetsing subsidiariteit (1)

  • toetsing proportionaliteit (1)

 

 

  1. - vaststelling dat disproportionele verdediging in noodweersituatie voorwaarde is voor noodweerexces (0,5)

  • criterium van dubbele causaliteit + toetsing daaraan (2)
     

  1. Juiste conclusie t.a.v. beide verweren (0,5)

 

 

Veelgemaakte fouten:

  1. Bij onderdeel B: de ogenblikkelijkheid van de aanranding werd onvolledig getoetst – de uitleg “de aanranding vond op dat moment plaats” is niet goed gerekend.

  2. Bij onderdeel B: de wederrechtelijkheid van de aanranding werd niet getoetst – het enkele constateren dat er sprake is van een wederrechtelijke aanranding is niet goed gerekend.

  3. Bij onderdeel D: de voorwaarde dat er sprake moet zijn van een noodweersituatie als voorwaarde voor een geslaagd beroep op noodweer werd niet (expliciet) genoemd. Het is goed gerekend als werd uitgelegd dat alleen bij een disproportionele reactie ruimte is voor noodweerexces, als verder wel aan alle andere voorwaarden van noodweer is voldaan.

  4. Bij onderdeel D: het criterium van de dubbele causaliteit werd niet volledig genoemd, of niet goed uitgelegd. Ook de toetsing was vaak onvolledig: er werd bv. alleen de hevige gemoedsbeweging getoetst, maar niet of deze was veroorzaakt door de aanranding en ook niet of deze hevige gemoedsbeweging de oorzaak was van de disproportionele verdediging.

 

Vraag 3.

 

3a. Welke rechtsregel is van toepassing?

Het gaat hier om aanhouding. Er is geen sprake van ontdekking op heterdaad (art. 128 Sv). Het sturen van de facturen heeft immers tien dagen eerder plaatsgevonden. Daarom is artikel 54 Sv van toepassing op de aanhouding.

 

Voorwaarden artikel 54 Sv:

  • een bevoegde persoon.

  • een verdachte in de zin van artikel 27 Sv

  • verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (art. 67 lid 1 en 2 Sv)

 

Toepassing:

  • De agenten waren bevoegd om Dennis aan te houden, omdat de OvJ een bevel tot aanhouding heeft gegeven (art. 54 lid 1, laatste volzin en lid 3 Sv).

  • Er zijn voldoende feiten en omstandigheden om een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van Dennis te kunnen hebben: diverse aangiften.

  • Op artikel 225 Sr staat een maximale gevangenisstraf van 6 jaren. Volgens artikel 67 lid 1 sub a Sv is daarom sprake van een geval waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

 

Conclusie:

Dennis is rechtmatig aangehouden (Grondtrekken, p. 185-188).

 

Normering:

  1. Toetsing ontdekking op heterdaad (1) Geen puntenaftrek wanneer 128 Sv niet wordt genoemd

  2. Vaststelling dat artikel 54 Sv van toepassing is (0,5)

  3. Toetsing verdenking + art. 27 Sv (1)

  4. Toetsing geval VH + art. 67 Sv (1)

  5. Toetsing bevoegde persoon (1)

Conclusie (0,5)

 

3b.

Inbeslagneming

 

Omdat geen sprake is van een inbeslagneming bij aanhouding, is artikel 96 lid 1 Sv van toepassing. Voorwaarden:

  • Voorwerpen vatbaar voor inbeslagneming (art. 94 Sv)

  • Ontdekking op heterdaad of verdenking van feit als genoemd in artikel 67 lid 1 Sv

  • Bevoegde persoon: iedere opsporingsambtenaar

 

Toepassing:

  • Voorwerpen vatbaar voor inbeslagneming (art. 94 Sv): de administratie kan dienen om de waarheid aan het licht te brengen

  • Ontdekking op heterdaad of verdenking van feit als genoemd in artikel 67 lid 1 Sv: op overtreding van art. 225 Sr staat maximaal zes gevangenisstraf. Er is dus is voldaan aan artikel 67 lid 1 sub a Sv.

  • Bevoegde persoon: de officier van justitie is een opsporingsambtenaar (art. 141 sub a Sv)

 

Normering:

  1. Voorwerpen vatbaar voor inbeslagneming (1)

  2. Verdenking van feit als genoemd in 67 lid 1 sub a Sv (1) (alleen punt voor toetsing verdenking als dat bij aanhouding niet is gegeven)

  3. Bevoegde persoon: de officier is een opsporingsambtenaar (1) Artikel 141 Sv hoeft niet te worden genoemd

 

Doorzoeking

Welke rechtsregel is van toepassing?

Het doel van het openen van de kast is inbeslagneming. Door het openen van de kast is niet alleen sprake geweest van zoekend rondkijken (betreden van plaats), maar ook van het doorzoeken ervan. Omdat de doorzoeking niet in een vervoermiddel, woning of kantoor van verschoningsgerechtigde heeft plaatsgevonden (Dennis is ontwikkelaar van internetgames) is artikel 96c Sv van toepassing.

 

Voorwaarden artikel 96c Sv:

  • Ontdekking op heterdaad of verdenking van een strafbaar feit als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv.

  • Bevoegde persoon: de OvJ (lid 1) of eventueel de HOvJ (lid 2)

     

Toepassing:

  • Op artikel 225 Sr staat een maximale gevangenisstraf van 6 jaren. Volgens artikel 67 lid 1 sub a Sv is daarom sprake van een geval waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

  • De OvJ heeft de kast geopend. Hij was daartoe bevoegd.

 

Conclusie:

De OvJ heeft de kasten rechtmatig geopend en de ordners rechtmatig in beslag genomen (Grondtrekken, p. 198-203).

 

Normering:

C/D) Vaststelling doorzoeking (1,5)

D/E) Uitleg waarom artikel 96c Sv van toepassing is (1)

B) (Toetsing artikel 67 lid 1 Sv: alleen een punt als dit bij inbeslagneming niet is getoetst)

(geen afzonderlijk punt voor verdenking)

E/F) Toetsing bevoegde persoon (1)

F/G) Conclusie (0,5)

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries

Image

Share: this page!
Follow: Law Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2065
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector