Artikelen m.b.t. Solidariteit (1)

Beyond the nuclear family: The increasing importance of the multigenerational bonds (Bengston, 2001)

 

Het artikel gaat over het belangrijker worden van familierelaties in Amerika. De auteur geeft hiervoor drie redenen: het belangrijker worden van grootouders, het ouder worden van mensen, waardoor ze langer ‘samen leven’ en de sterkte en veerkracht van de intergenerationele verbindingen over de tijd heen. Ook wordt er gesteld dat relaties meer divers zijn geworden door drie redenen: veranderingen in familiestructuur, het langere leven van familieleden en de diversiteit van de verschillende type relaties binnen intergenerationele verbindingen.

 

Als families veranderd zijn, zijn ze dan afgenomen in belang?

De socioloog Burgess was een innovator in de sociologie. Hij stelde dat we en de macrosociologische context van families moesten bekijken, en hun microsociale dynamiek als we de complexiteit van het familieleven wilden begrijpen. Vanuit dit inzicht, kunnen we een aantal grote verschuivingen beschrijven die hebben plaatsgevonden in Amerikaanse families in de 20e eeuw.

Allereerst de opkomst van de moderne, nucleaire familie. Burgess hypothese was dat families zijn veranderd. Hij stelde dat de familie geen institutie meer is, maar kameraadschap. Hij stelde dat dit kwam door de urbanisatie, de toegenomen individualisering en secularisering, en als laatste door de emancipatie van vrouwen. Hij stelde dat de familie meer gespecialiseerd werd in zijn functie en dat de structurele en objectieve aspecten van het familieleven hadden plaatsgemaakt voor meer emotionele en subjectieve functies. De familie was volgens hem meer een proces, een interactief systeem dat beïnvloed wordt door de leden en ten tweede, dat het gedrag van de familie alleen begrepen kon worden vanuit relaties binnen de familie, hun interacties en hun persoonlijkheden, die ontwikkelen en veranderen door interacties. De derde functie die veranderd was, was dat de centrale functies van de families waren veranderd van vooral structurele eenheden naar relaties met individuen en de dingen die een individu nodig had. Het huwelijk was veranderd van een economische eenheid naar één gebaseerd op sentiment en kameraadschap.

Voorstanders van de afname van het belang van de familie hebben zich vooral gefocust op de negatieve consequenties van de veranderende familie structuur, wat vaak uitloopt in alleenstaand ouderschap en scheidingen. Daarnaast stellen ze dat de sociale normen van individuele goals belangrijker worden dan die van collectieve goals, en dat sociale groepen van tevredenheid de sociale institutie van de familie hebben verzwakt.

Er is inderdaad een toename aan scheidingen, en ook het een ouderschap is toegenomen. Door de afwezigheid van vaders zijn er veel problemen ontstaan, zoals economische en emotionele problemen, die het welzijn van de kinderen tegengaan. Tegelijkertijd is de hypothese van de afname van de familie gelimiteerd. Er wordt in de hypothese geen rekening gehouden met de functie van multigenerationele invloeden op kinderen, zoals de rol van grootouders. Ook wordt er niet gesproken over de langere jaren waarin samengeleefd wordt tussen generaties, en welke consequenties dit heeft voor economisch en emotioneel support. Verschillende familievormen komen op, of worden nu herkend. Veel families zijn binucleair: door scheiding en het opnieuw trouwen. De familie neemt inderdaad af, als we de nucleaire familie bedoelen met een vader, moeder en hun biologische of geadopteerde kinderen. Er is de postmoderne familie voor in de plaats gekomen. Een vorm met verschillende soorten familiepatronen en waarden.

Een andere hypothese die wordt gesteld is dat voor veel Amerikanen de multigenerationele banden meer belangrijk worden dan de nucleaire familie. Er wordt gesteld dat de familie gaat veranderen: eerst zag familie eruit als een piramide. Veel kinderen tegenover weinig ouderen. In 2030 lijkt het meer op een rechthoek: evenveel kinderen als ouderen. Doordat er meer grootouders leven, ontstaat er een ‘latent netwerk’, een netwerk dat geactiveerd kan worden om support en welzijn te geven aan jongere familieleden. Er ontstaat, door de langere gedeelde levens, echter ook een toename in solidariteit, conflict of allebei. Veel grootouders zijn belangrijke rolmodellen voor hun kleinkinderen. Het idee dat ze de erfenis van hun ‘kinderen’ verpatsen is echter niet waar; een derde van de ouders gaf hun volwassen kinderen een gift van meer dan 500 dollar het afgelopen jaar, terwijl maar 9% van de kinderen dit terugdeed voor de ouders.

Er zijn 6 typen solidariteit te onderscheiden:

  • Affectieve solidariteit: de sentimenten en evaluaties die familieleden geven over hun relatie met andere familieleden

  • Associatieve solidariteit: het type en het aantal keer contact tussen intergenerationele familieleden

  • Consensuele solidariteit: Overeenstemming in opinies, waarden.

  • Functionele solidariteit: Het geven en ontvangen van support door generaties heen

  • Normatieve solidariteit: verwachtingen met betrekking op de verplichtingen rondom de kinderen en om de ouders.

  • Structurele solidariteit: de kansenstructuur die de geografische nabijheid tussen familieleden biedt voor cross-generationele interactie.

 

Er wordt een vergelijking gemaakt tussen twee generaties, de jongste generatie had gemiddeld minder dan twee broers of zussen, met ouders die opgeleid waren en deze generatie leefden vaak in een huishouden met gescheiden ouders. Terwijl al deze punten bij de babyboomers niet van toepassing waren. Toch zijn de generaties op volwassen leeftijd nagenoeg hetzelfde. Intergenerationele relaties zijn complex. Ze betrekken niet alleen demografische configuraties, maar ook de kansen en structuren voor interactie. Ze geven niet alleen gedrag weer, maar ook emotioneel-cognitieve dimensies. Ze houden zich niet alleen bezig met intergenerationele uitwisselingen, maar ook met normatieve problemen. Daarnaast is er een enorme diversiteit in de intergenerationele relaties.

 

Conclusie

Multigenerationele relaties zijn belangrijker geworden voor individuen in Amerika, deze relaties nemen steeds meer toe in diversiteit, structuur en functie. Daarnaast zijn multigenerationele banden belangrijker dan de nucleaire familie in Amerika. Burgess had vroeger gelijk, de Amerikaanse familie veranderd. Het is alleen niet slechts een transitie van institutie naar kameraadschap. Afgelopen eeuw zijn er meer dingen veranderd in de structuur en functie van de familie. De familiebanden zijn uitgebreid. Het veranderen van families gaat niet samen met een daling in het belang van de familie. De toenemende invloed en belang van multigenerationele banden representeert een nieuwe waardevolle bron voor families in de 21 eeuw.

 

Intergenerational Help and Care (Brandt, 2009)

 

Meer mensen hebben hulp nodig aan de ene kant, maar aan de andere kant zijn er minder mensen die hulp willen geven aan degenen die hulp nodig hebben. De relaties tussen ouder en kind worden belangrijker. Er zijn nog steeds veel en gevarieerde activiteiten die gesteund worden tussen ouders en kinderen tijdens het leven en daar voorbij. Deze activiteiten vallen onder de functionele solidariteit. Zowel de behoeften van de ontvangers als de kansen van de gevers als de familie structuren beïnvloeden de overdracht. De groepen verschillen niet alleen, de verschillende contextuele condities verschillen ook. Culturele contextuele structuren geven alle sociale condities weer waarin intergenerationele relaties zich ontwikkelen. In de onderzochte landen bestaan er drie verschillende regimes. De eerste, in de Scandinavische landen, hebben goed ontwikkelde diensten voor alle burgers, de conservatieve landen zijn te verdelen in twee groepen waarvan er een kinderopvang heeft, en de andere een minder ontwikkelde familie support heeft. Dan zijn er nog de familialistische regimes in de mediterrane landen, waar de familie het minst gesteund wordt door de staat.

Er zijn verschillende hypothesen over de invloed van de welvaartsstaat, namelijk dat het een moreel risico is die de familiesolidariteit ondermijnt. Aan de andere kant wordt gesteld dat affectie en een gevoel van verplichting ervoor zorgen dat het geven van steun doorgaat. Functionele differentiatie houdt in dat families en de overheid allebei een andere taak op zich nemen. Staat en individu beïnvloeden elkaar wederzijds. Het welzijn van een ontvanger hangt af van een meer hulp naar zorg dan naar incidentele hulp. Deze verschillen geven weer dat de algemene hulp meer wordt gegeven door kinderen dan dat er zorg gegeven wordt, en dat er verschillende mechanismen zijn die van invloed kunnen zijn.Er wordt verondersteld dat private zorgvoorzieningen afhangen van de dingen die de ontvangers nodig hebben. Individuele omstandigheden en kansen voor hulp zullen een grotere invloed moeten hebben op hulpdiensten. Daarnaast wordt aangenomen dat, als de afstand tussen woonplaatsen verschilt, minder kinderen hulp willen geven aan hun ouders. Alle verschillende factoren zijn in verschillende familiestructuren ingebed. Deze hebben ook een effect op het type support tussen de volwassen kinderen en hun ouders. Ook als je alle verschillen meeneemt, zouden er toch ook verschillen moeten zitten tussen de landen.

Het onderzoek is gedaan met de SHARE enquête. Er wordt rekening gehouden met verschillende relaties tussen kinderen en ouders, waarbij het kind ouder is dan 49 en in een ander huis leeft dan de ouders. Er worden drie soorten hulp in het artikel genoemd. De persoonlijke zorg, dit houdt de zorg in die betrekking heeft op het aankleden, badderen, eten, naar het toilet brengen of het helpen uit bed. Dan de praktische huishoudelijke hulp, wat betrekking heeft tot het doen van de tuin, shoppen of huishoudelijke klusjes. De laatste categorie is het helpen met papierwerk, waarbij je moet denken aan het invullen van formulieren. Kinderen die zowel hulp als zorg verlenen worden als helpers en zorgverleners aangegeven. De zorg moet echter wel 1x per week hebben plaatsgevonden, gedurende afgelopen 12 maanden.

 

Resultaten

Er zijn significante verschillen in de niveaus waarin hulp verleend wordt in de onderzochte landen met betrekking op het helpen van een ouder in het huishouden tijdens de afgelopen 12 maanden. Meer kinderen die in Noord-Europa wonen geven hun ouders hulp bij het huishouden dan kinderen die in het zuiden wonen. In de mediterrane landen, net zoals in de Benelux landen en Oostenrijk en Zwitserland, zijn meer kinderen geneigd voor hun ouders te zorgen. Aan de andere kant is het verstrekken van zorg in de Scandinavische landen en Frankrijk minder voorkomend dan in bijvoorbeeld Duitsland. Alles bij elkaar genomen laten de resultaten duidelijk zien dat er, in het geval van intergenerationele hulp, substantiële verschillen bestaan tussen de landen. Ook wanneer rekening wordt gehouden met individuele en familiekenmerken. Kinderen zijn meer geneigd hun ouders te helpen in landen waar uitgebreide ondersteuning wordt geboden voor familie en individu. De zorg voor ouders laat echter een ander patroon zien. Een uitgebreid scala aan voorzieningen met inbegrip van zorg voor de ouderen, wordt geassocieerd met een lagere proportie van mensen die verzorgd worden door hun kinderen. Onderzoek naar de invloeden van de eigenschappen van families en individuen met betrekking tot hulp en zorg in Europa laten zien dat er een grotere afstand is tussen huishoudens, en dat dit een negatief effect heeft op vormen van steun. Dit geldt het meeste voor hulp. Kinderen die geld krijgen van hun ouders, of die straks recht hebben op een grote erfenis zullen eerder hun ouders helpen. Zorg volgt meestal behoeften en hulp is ook met name een zaak van kansen.

Er zijn ook verschillen tussen mannen en vrouwen. Vrouwen zorgen vaker en ontvangen meer support. Dochters zullen eerder zorg verlenen dan zoons. Kinderen zijn meer geneigd hun ouders te helpen wanneer ze zelf geen kinderen hebben. Het is van groot belang om vast te stellen of er verschillen zijn in de niveaus van hulp en zorg. Daarnaast moet worden gekeken of je dit wel op nationaal niveau kan neerleggen, en wat dan de gevolgen zijn voor de specifieke nationale factoren. Over het algemeen is het aandeel van hulp diensten die bij het nationaal niveau horen 5% tegenover 2% voor zorg diensten. Hoe hoger het aantal van sociale en gezondheidsdiensten, hoe meer kinderen hun ouders helpen (crowding in) en hoe minder kinderen zorgen voor hun ouders (crowding out). Een laag niveau van support van de staat voor de familie heft zo zijn tol op de familiediensten, zoals het verlenen van hulp iedere dag.

 

Conclusie

De aanvankelijke vraag was: ‘Wat zijn de verschillen tussen hulp en zorg diensten die gegeven worden door volwassen kinderen voor hun ouders in Europa en hoe kunnen deze verklaard worden?’ Hulp en zorg volgen elk hun eigen mechanismen, niet alleen op het individu of de familie maar ook op de sociale gebieden. Publieke diensten, die het makkelijker maken voor de familie om op de ouderen te letten, hebben verschillende effecten op de twee typen steun. Publieke en private diensten stimuleren familiale hulp activiteiten (crowding in) maar verdringen intensieve zorgtaken (crowding out). Professionals geven de meer intensieve en esentiele zorg, terwijl kinderen meer de vrijwillige en minder intensieve hulp verlenen. Als familiebanden verwacht worden sterk te zijn en de gemeenschap van de familie verwacht wordt zelfvoorzienend te zijn, zoals in de mediterrane landen, dan verleent de staat niet veel steun aan individuen of families die hulp nodig hebben. Dit leidt tot een overbelasting van de familie hulp. Hoe meer families aan hun eigen lot worden overgelaten met de zorg voor hun oudere ouders, hoe meer waarschijnlijk het is dat ze zorgtaken op zich nemen. Dit eist echter zijn tol voor de minder zware, vrijwillige steun, zoals het verlenen van hulp elke dag.

 

State care provision, societal opinion and children's care of older parents in European countries (Haberkern, 2010)

 

Solidariteit tussen kinderen en ouders bestaat op veel verschillende manieren in situaties waarbij steun wordt gegeven tussen de generaties tijdens de hele levensloop. De meerderheid van de mensen die ouder zijn dan 50, hebben vermogen opgebouwd tijdens hun werkende levens, en veel ontvangen ook pensioen. Zowel de familie als het leven tijdens het werk hebben afgelopen tijd flinke veranderingen gehad die invloed hadden op de beschikbaarheid van familieleden. Terwijl meer en meer mensen hulp nodig hebben, zit het aantal van zorgverleners niet op dezelfde lijn. Deze ontwikkelingen nemen de huidige sociale organisatie van zorg in vraag, en maken duidelijk dat de overheid een grote taak heeft aan het verzekeren dat oudere mensen in de toekomst ook verzorgd worden. In dit paper wordt de volgende vraag gesteld: ‘hoe gangbaar en variabel is de intergenerationele zorg in Europese landen? Welke karakteristieken van kinderen en ouders komen veel voor in intergenerationele zorg, en welke staan in de weg? Wat is de relatie tussen intergenerationele zorg en institutionele en culturele factoren?’ Deze vragen worden behandelt met behulp van SHARE data.

Europese landen reageren op het demografisch ouder worden en het managen van de zorg van afhankelijke oude mensen op verschillende manieren. Familiezorg is van groter belang en meer wijdverspreid in de Zuid-Europese landen, terwijl in de Noord-Europese landen thuiszorg en woonzorg beter wordt verleend. Volgens Esping-Anderson kunnen de welvaartsregelingen van de landen verdeeld worden in drie groepen. De sociaal democratische landen, zoals Scandinavië, met uitgebreide steun en genereuze betalingen. Dan heb je de conservatieve-corporatistische landen, zoals België, Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk, waarbij aanspraken op ondersteuning voornamelijk gebaseerd zijn op stelsels, zoals verplegingszorg, of langdurige zorg. In de liberale regimes, zoals in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, zijn vrij lage uitgaven, die alleen zich richten op de behoefte.

Deze typologie is niet alleen gericht op het geven van steun aan oudere mensen die zorg nodig hebben. Daarom worden er ook drie dimensies in gedachten gehouden. De eerste dimensie vereist op welke manier er een wettelijke verplichting is om familieleden in nood te ondersteunen. Ten tweede dienen landen ingedeeld te worden naar de diensten die hun land verleend. En ten derde verschillen de meningen tussen de Europese inwoners over wanneer de staat of de familie verantwoordelijk moet zijn voor de zorg en steun van de afhankelijke oudere mensen. In Noord-Europa wordt geloofd dat de staat de grootste aanbieder moet zijn wat betreft zorg. In de mediterrane landen wordt zorg juist gezien als een familiezaak.

Er kunnen drie onderlinge afhankelijkheden tussen staat en familiesteun bedacht worden: de substitutie thesis, die ervan uitgaat dat de staat en familie zorgdiensten functioneel gelijk verdelen, en dat de vraag om zorg niet toeneemt als er een grotere beschikbaarheid is van steun. De tweede afhankelijkheid is de ‘complementarity these’ die stelt dat de diensten van de staat ook gewenste condities maken voor familiezorg. De staat geeft hen de kans en rol om op hun oudere familieleden te letten zonder intensieve persoonlijke zorg te verlenen.

De wettelijke verplichting om een ouder te steunen kan aan de ene kant een kind dwingen tot het financieren van zorg, ook als het kind dit niet wil. Waar deze verplichting bestaat, is de zorg voor elkaar erg hoog. Aan de andere kant kan de wettelijke regeling vrijwillige hulp tegengaan. De voorkeur voor het betrekken van de staat kan ook opgekomen zijn door positieve ervaringen met de publieke voorzieningen die betrekking hebben op zorg en de afwezigheid van wettelijke familieverplichtingen, zoals in de Scandinavische landen.

De ouders’ vraag voor hulp (need structures) en de bronnen van de kinderen en de kansen om steun te geven (opportunity structures) zijn belangrijke voorwaarden voor familiesolidariteit. Een zorg relatie kan alleen ontstaan wanneer de zorgverlener de tijd heeft die gewenst is om te zorgen. Dit is voor kinderen die dichterbij wonen makkelijker. Lange afstanden maken zorgen onmogelijk. Voornamelijk dochters verlenen zorg aan hun ouders, en met name moeders ontvangen deze zorg.

 

Resultaten

In dit paper is gekeken naar welk kind zijn ouder wekelijks zorg verleende tijdens een aantal maanden, afgelopen jaar. Met zorgen wordt bijvoorbeeld het wassen, helpen met eten of het aankleden bedoelt. Er is een duidelijk contrast tussen de Noordelijke en Zuidelijke staten in Europa. In de Scandinavische landen, Nederland en Zwitserland waren meer thuiszorg diensten aanwezig, en werd minder dan twee procent van de ouders die ouder waren dan 64 verzorgd door een kind. In de Zuidelijke landen daarentegen, was tussen de 5 en 10% betrokken bij het geven van zorgdiensten. De vergelijking tussen de 11 landen laat een duidelijk verschil zien tussen op familie gebaseerde zorgsystemen, en service gebaseerde systemen, waarbij de staat verantwoordelijk is voor de oudere mensen. De conclusie is dat het hogere niveau van informele zorg in Midden en Zuid-Europa in grote mate voortkomt uit de betrokkenheid van volwassen kinderen in de zorg. Het is minder waarschijnlijk voor ouders om zorg te ontvangen van kinderen als er geen wettelijke of normatieve verplichting is, dus wanneer de staat wordt gezien als verantwoordelijk. De belangrijke invloeden zijn niet alleen de individuele en familiale factoren, maar ook de cultuur-contextuele structuren.

Er wordt eerder zorg gedragen over de ouders door de kinderen in de Zuidelijke landen, dan in bijvoorbeeld Duitsland. Wanneer er gecontroleerd werd op individuele factoren zoals inkomen, leeftijd of geslacht, en wanneer er ook gecontroleerd werd op andere karakteristieken van relaties in families, zoals de financiële giften, de afstand tussen kind en ouder of dat het kind getrouwd was of niet, kan geconcludeerd worden dat de nationale verschillen afnamen, maar dat het algemene plaatje niet veranderde.

Verschillende modellen voor mannen en vrouwen bevestigden dat zoons en dochters betrokken waren bij de zorg in verschillende mate in de verschillende landen. Wanneer er nog een partner aanwezig was, dan verleende die vaak de zorg. Op het eerste gezicht lijkt genoeg financiële middelen geen invloed te hebben op de zorg die verleend werd door de kinderen, maar financiële prikkels speelden een rol wanneer ouders geld gaven aan hun kind. Ouders kregen meer zorg van hun volwassen kinderen als ze financiële hulp hadden gegeven afgelopen jaar. In het algemeen geven de multilevel bevindingen aan dat zorg gepaard gaat met wederzijdse solidariteit in een ouder-kind relatie, en dat strategische financiële motieven een rol spelen. De afstand van hoe ver kinderen van hun ouders weg woonden is een betrouwbare bron of ze wel of niet voor de ouder zullen zorgen. Hoe verder een ouder weg woont, hoe kleiner de kans dat het kind voor de ouder gaat zorgen. Dochters helpen meer bij de zorgtaken; zoons helpen meer met financiële taken en praktische zaken.

Wanneer een gezin alleen maar uit jongens bestaat, dan maken deze zoons een afspraak voor professionele zorg en houden zich vaak minder bezig met fysieke prestaties. Als laatste wordt beweerd dat het multilevel model de culturele normen die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de voorziening van zorg ook effect hebben op intergenerationele verbindingen. 10% van de Grieken vond dat de staat degene was die zorg moest verlenen voor oudere mensen, terwijl in Denemarken 80% dit vond.

Op basis van de vier macro-indicators kunnen we de bestudeerde landen indelen in twee groepen, die met het formele zorgsysteem en die met het op familie gebaseerde zorgsysteem. Tot de eerste groep horen de Scandinavische landen, Nederland en Zwitserland. De landen die beleid hadden die op familie was gebaseerd waren met name de mediterrane landen, Duitsland en Oostenrijk. Men moet er echter wel over eens zijn dat een toename van thuiszorg niet perse leidt tot een verandering in de algemene regelingen.

 

Conclusie

Deze analyse heeft de factoren onderzocht die beïnvloeden wanneer afhankelijke ouders worden verzorgd door hun kinderen in combinatie met de relatie tot intergenerationele verbindingen, instituties en culturele normen. De resultaten hebben laten zien dat intergenerationele zorg afhangt van verschillende factoren, waarbij de kansen voor kinderen meetelden, en de familiestructuur, en de noodzaak voor zorg van belang waren. Hoe zwakker de voorzieningen voor het zorgen, hoe meer alternatieven voor familiezorg beschikbaar zijn, en hoe meer de publieke opinie de staat als verantwoordelijk beschouwd. Er kan gesproken worden van een specialisatie en verdeling van werk tussen familie en staat in service gebaseerde regimes. Het uitbreiden van thuiszorg hoeft niet een noodzakelijke verandering te zijn voor sociale organisaties om te zorgen. Door Europa moet sociaal beleid streven om institutionele regelingen te bereiken die verenigbaar zijn met de culturele context. Beide moeten worden afgestemd, zodat familiezorg en staatssteun mediëren en zorgen voor de best mogelijke zorg voor oudere mensen die dit nodig hebben.

 

Family support during the transition out of the parental home (Holdsworth, 2004)

 

In Zuid- Europa blijft de familie geïnstitutionaliseerd. Het trouwcijfer is hoog, terwijl het cijfer van scheidingen laag ligt. In dit artikel komen de interpretaties naar voren van wat familie betekent, wat de oriëntatie van het individu is op het gezinsleven met hun rechten en plichten, die variëren in de verschillende contexten. In familialistische landen, zoals Spanje, is het ouder verlaten van het huis van de ouders een resultaat van het onvermogen van de staat om jongere mensen uit het huis te krijgen. Het concept van familialisme is gebaseerd op de verschillende manieren waarop familie verplichtingen worden overgenomen door de staat. Een tweede probleem dat moet worden beschreven is de mate waarin de familie en de ondersteuning van welzijn tegenover elkaar staan.

Het niveau van de sociale bijstand dat beschikbaar is voor jonge mensen mag geregeld zijn in verschillende welvaartstaten, steun van de familie hoeft niet per se de steun van de staat te reflecteren. In de ondersteuning om jongeren het huis te verlaten, ontstaan conflicterende normen over wat verplicht is en wat niet. Dit is om enerzijds het belang van onafhankelijkheid te ondersteunen en anderzijds de zelfredzaamheid te bevorderen. Steun verlenen om thuis te blijven wonen, kan gezien worden als een contraproductief als dit een impact heeft op het gevoel van onafhankelijkheid en volwassenheid van de jongere. Als we dit samenvatten, dan blijkt dat recente debatten gaan over de karakteristieken van de verzorgingsstaat en dat intergenerationele steun het belang van steun door de familie, voornamelijk voor jonge mensen, hebben geïdentificeerd. Toch is er meer nadruk gelegd op manieren waarop verschillende verzorgingsstaten het model van familieverantwoordelijkheid aannemen, in plaats van de manier waarop gezinnen onderhandelen over verantwoordelijkheden, en hoe dit tot uiteenlopende verwachtingen van familie solidariteit of autonomie leidt. Daarom wordt er in dit onderzoek gekeken naar de manier waarop jongeren het ouderlijk huis verlaten in drie contrasterende regimes, namelijk Groot-Brittannië, Spanje en Noorwegen. Door het vergelijken van ervaringen van het verlaten van het huis en de familiesteun op drie verschillende locaties in Europa, is een van de doelstellingen van het artikel om te kijken hoe zowel de echte steun als de verwachtingen van geschikte soorten van steun zijn bemiddeld door cultureel voorgeschreven gedragspatronen.

In de praktijk is het vaak moeilijk om actie strategieën de scheiden van eindwaarden. Dit is wanneer strategieën van steun in het bijzonder kunnen worden begunstigd vanwege de impact die ze hebben op de ontvanger. Individuen, zoals ouders, gedragen zich op een speciale manier om specifieke uitkomsten mogelijk te maken, zoals een grotere onafhankelijkheid van jongeren, of een grotere familiale solidariteit.

 

Resultaten

In alle landen is een hoog niveau van informele en formele steun gevonden. De meeste jongeren ontvingen wel steun van hun ouders. Het type steun dat ouders gaven verschilde vaak wanneer hun kind van een ander geslacht was. Kinderen hoefden niet veel te betalen wanneer ze bij hun ouders inwoonden, soms werd er wel een bijdrage gevraagd, maar dit was om kinderen meer bewust met geld om te laten gaan. Bij het uit huis gaan van de jongeren wordt vaak steun verleend in de vorm van een huis, of een gift van geld, maar ook praktische hulp wordt geboden. Ouderlijke steun tijdens het uit huis gaan hoeft niet altijd gepaard te gaan met betalingen. Het gaat juist om de kleine dingen die ouders en kinderen voor elkaar doen wat een grotere impact heeft op familie relaties. Denk hierbij aan bijvoorbeeld eten kopen, of de was doen.

Hoewel veel Spaanse ouders vinden dat hun kinderen iets van steun moeten krijgen, is het de vraag tot hoeverre deze steun moet gaan. Veel stelden dat er een limiet was. Andere ouders vinden vaak dat ze het juiste moeten doen voor hun kinderen, ook als dit de meer duurdere optie is. Het grote verschil tussen de Noord-Europese landen en Spanje is het verschil tussen het onderhandelen over steun en, allerbelangrijkst, hoe mensen denken over de balans tussen steun en het leren van verantwoordelijkheden. Teveel steun gaat samen met verwende kinderen. Voor ouders uit Groot-Brittannië of Noorwegen was het te accepteren om kinderen te helpen om onafhankelijk te worden. De Spaanse ouders waren minder geneigd om steun van kinderen gelijk te stellen met verwennen en waren meer bezorgd dat kinderen dezelfde levensstandaard als hun ouders zouden houden, wat voor ouders makkelijker is te vergeven vanuit huis. De jongeren in alle drie de landen erkennen dat de steun van ouders niet hun eigen transitie naar volwassenheid en onafhankelijkheid mag belemmeren.

De overheid mag helpen met het geven van steun, maar de overheid moet niet teveel steun geven. Veel Britse ouders waren bezorgd wanneer hun kind ging studeren, omdat de huizen duur waren en jonge mensen schulden op zich namen om te kunnen studeren.

 

Conclusie

In alle landen, die cultureel heel erg verschillen, werd gevonden dat ouders een actieve rol nemen in het steunen van jonge mensen tijdens de transitie uit huis. Op dit niveau is het belang van ouderlijke steun vastgesteld bij de beschikbaarheid van andere vormen van steun. Overeenstemmingen over het geven en ontvangen van steun worden niet bereikt op de basis over wat voor steun er ergens anders beschikbaar is, maar op het begrijpen van wat het beste is voor de jongeren. Individuele omstandigheden tellen ook mee, zoals de relatie tussen ouder en kind. Er zijn wel een aantal sleutelelementen die in bepaalde landen belangrijker zijn dan in andere landen. Culturele normen of ideologieën voorzien niet altijd in wat goed is om te doen, maar ze geven strategieën van goed gedrag, die open zijn voor re-interpretatie en verandering. Het blijkt dat er een belang is voor familiesteun van jongere mensen in het proces van het uit huis gaan in alle landen. Met name de uiteenlopende veronderstellingen over de kosten en baten van steun die verschillende modellen van familie steun beïnvloeden, zijn vergelijkbaar met die die welvaartregimes ondersteunen. Daarnaast reageren families niet op de behoeften van jongeren op een uniforme manier, maar door een proces van onderhandelingen te komen tot verschillende strategieën die bij hun omstandigheden passen.

 

Grandchild care and welfare state arrangements (Igel & Szydlik, 2011)

 

Een centraal probleem is de assistentie van familie naar de ouderen en de individuele en institutionele factoren die ervoor zorgen dat deze vorm van steun gepromoot wordt tussen generaties. Grootouderschap is veel actiever en tijdens een langere periode van het leven aanwezig.

Theoretische concepten van intergenerationele solidariteit helpen met identificeren van de belangrijkste factoren die betrekking hebben op wanneer grootouders voor hun kleinkinderen zorgen.

Opportunity structures reflecteren de kansen of bronnen van solidariteit. Ze kunnen sociale interactie verhinderen, of promoten. Het aanwezig zijn van een partner is van belang bij intergenerationele solidariteit. Need structures gaan erover dat er behoefte is aan solidariteit. Deze kunnen van financiële aard zijn, kunnen te maken hebben met gezondheidsproblemen of kunnen emotionele behoeften zijn voor tijd intensieve steun. Familie structuren betrekken de hele geschiedenis van socialisatie, vroegere familie gebeurtenissen en het bestaan en het aantal van familieleden. Dan als laatste zijn er nog de cultural-contextual structures, die representeren de sociale condities waarin intergenerationele relaties zich ontwikkelen. De middelste generatie, tussen grootouders en kleinkinderen in, heeft een functie als brug en hun rol wordt beschouwd als de ‘gatekeeper role’. De ‘opportunity structures’ van de grootouders spelen een belangrijke rol in het wel of niet kiezen voor kinderopvang.

Het intergenerationele solidariteitsmodel stelt dat cultureel contextuele structuren van familie relaties en functionele overdrachten zijn ingebed. Europese grootouders komen in aanraking met verschillende institutionele settingen die hun steun patronen binnen families beïnvloeden. De economische literatuur zegt dat dit kan door crowding out. Toch zijn familie banden niet gebaseerd op functionele noodzaken. Er zijn ook een aantal andere factoren, zoals normen van wederkerigheid en verwachtingen van uitwisseling, die het intergenerationele gedrag cruciaal veranderen. In dit paper worden welvaartsarrangementen gekoppeld aan de voorziening van kinderopvang door grootouders. Eerdere studies naar grootouderschap hebben zich vooral gericht op de relatie tussen grootouders en kleinkinderen, of op de psychologische consequenties van het worden van een grootouder. De bereidheid om voor de kleinkinderen te zorgen hangt sterk af van karakteristieke benodigdheden van de ouders, familie structuren en contextuele structuren. Maar een paar studies zagen zorg voor de kleinkinderen als een belangrijke vorm van functionele intergenerationele steun. Cultureel-contextuele structuren zijn belangrijke factoren in overschrijvingen van tijd van de grootouders. Er wordt verwacht dat de uitgaven voor kinderopvang infrastructuren een positief effect hebben op het voorkomen van de zorg voor kleinkinderen, maar een negatief effect hebben op de intensiteit ervan.

 

Resultaten

In het algemeen is zorg voor kleinkinderen een duidelijke vorm van intergenerationele solidariteit in Europa. Hulp met het zorgen voor kleinkinderen wordt voor 50% uitgevoerd met grootouder-kind tweetallen. Er zijn geen substantiële verschillen gevonden tussen de landen. In de Noord-Europese landen helpen grootouders meer dan in de Zuid-Europese landen. Het niveau van intensiteit laat echter iets anders zien: in de Zuid-Europese landen helpen grootouders meer intensief dan in de Noord-Europese landen. Hogere publieke investeringen in familie diensten, kinderopvang infrastructuren en uitgaven zijn niet significant zwakker. De relatie tussen publieke investeringen en de zorg voor het kleinkind steunen de crowding in hypothese. Hoe meer staten investeren, hoe lager de intensiteit met betrekking van de grootouder in kinderopvang.

Er wordt nu gekeken of deze bevindingen niet afhangen van samenstellingseffecten zoals de algemene gezondheid van de oudere populatie. Gezondere en jongere grootouders zullen eerder op hun kleinkinderen passen en verlenen meer intensieve diensten. Daarbij zijn hoog opgeleide grootouders sterker geïntegreerd in de familiale netwerken en uitwisselingstructuren die bij hun sociale en culturele kapitaal horen. Daarom zullen ze eerder gevraagd worden door hun kinderen om op hun kleinkinderen te passen. Wanneer grootouders een partner hebben zullen ze eerder op hun kleinkind passen en doen ze dit ook meer intensief. De leeftijd van het jongste kleinkind is ook een belangrijke factor in de ‘need structure’. Grootouders zorgen het meest voor kinderen tussen de 4 en 6, terwijl kinderen onder de 3 het meeste zorg nodig hebben.

De sterke band tussen grootmoeders en dochters wordt verklaard door de grootmoeder hypothese. Grootouders zijn te oud om zelf kinderen te krijgen, dus in plaats van kinderen te krijgen, zullen ze zorgen dat hun nakomelingen overleven.

 

Conclusie

De kansen van grootouders, de benodigdheden van de kinderen en de familie structuren beïnvloeden de tijd transfers tussen grootouders en kleinkinderen. De bronnen van grootouders zijn belangrijk voor de voorziening van zorgactiviteiten en om grootouders te stimuleren om betrokken te raken bij de zorg voor de kleinkinderen. Publieke voorzieningen voor families en op de infrastructuren van zorg voor de familie, ‘crowden in’ de hoeveelheid van zorg voor de kleinkinderen, maar ‘crowden out’ de intensiteit. Deze bevindingen steunen de complementaire hypothese, die stelt dat intergenerationele solidariteit gestimuleerd wordt als de staat families steunt en tijd innemende algemene zorg voor en activiteiten overneemt. Sterke welvaartsstaat regelingen motiveren de familieleden om hun deel van de verantwoordelijkheid te nemen en voorzien in een belangrijke rol van intergenerationele tijd transfers. Grootouders met een actieve levensstijl en die nog steeds werken zijn minder belemmerd en willen eerder zorg voor de kleinkinderen geven. Als een resultaat nemen grootouders sporadisch taken over die geregeld zijn door de publieke instituties. Dit zorgt ervoor dat de kans dat de grootouder overbelast raakt afneemt en zorgt ervoor dat de ouder kan kiezen in hoeverre hij of zij wil dat zijn of haar ouders betrokken raken bij het opvoeden van hun kinderen.

De betrokkenheid van grootouders in taken voor kinderopvang zijn een belangrijke basis voor verdere intergenerationele transfers tussen kleinkinderen en grootouders, en maken een gematigde en evenwichtige betrokkenheid van de ouderen bij de kinderopvang.

Dan als laatste zal de efficiënte combinatie van informele en formele kinderopvang voorzieningen het makkelijker moeten maken voor jonge, werkende moeders om de kinderopvang te regelen en om werk en gezin te combineren.

 

Dismissed intergenerational support? New social risks and the economic welfare of adults (Majamaa, 2011)

 

Veel van de literatuur over sociaal beleid geeft aan dat er een zwakte zit in de welvaartsstaat zijn capaciteit om bescherming te geven tegen sociale risico’s, ook al is de nood voor bescherming wijdverspreid geglobaliseerd. Nieuwe sociale risico’s, risico’s die ontstaan zijn door ons gedrag, zijn veelal aanwezig bij jongere leeftijdsgroepen. Vooral studenten en de jongeren die werkloos zijn geven aan dat ze met economische moeilijkheden te maken hebben. Het grootste doel is om de rol van intergenerationele steun aan te geven, en dan met name de financiële steun die gegeven wordt door ouders aan hun kinderen.

Benodigdheden zijn, op veel manieren, gekoppeld aan tijd, plaats en sociale omstandigheden. Welvaartssystemen hebben de behoefte van verschillende burgers gedefinieerd op verschillende manieren, afhankelijk van de capaciteit van de staat en de attitudes van de maatschappij. Nieuwe sociale risico’s zijn opgekomen zoals een gebrek aan inkomen of ziekte. Er wordt gezegd dat de voorzieningen en diensten in de Noordelijke landen overeenkomt met de behoeften van verschillende leeftijdsgroepen en sociale groepen. Transitie fases in de volwassenheid zijn gefragmenteerd, gediversifieerd en langduriger geworden in de meeste Europese landen sinds 1980. Externe factoren zoals veranderingen in de markteconomie zijn meer geneigd om werkkansen te verminderen, wel helemaal voor jong volwassenen. Een land zijn beleid en uitoefening daarvan, de werksituatie en de voorkeuren van mensen zelf, beïnvloeden de patronen van het van huis gaan van jong volwassenen. Het niveau van inkomen speelt een minder belangrijke rol in corporatistische welvaartregimes. Daarnaast heeft het onderwijssysteem grote impact, maar dan vooral in de liberale regimes zoals Canada.

Het verlaten van het huis gebeurt op verschillende leeftijden. In het Noorden van Europa verlaten jong volwassenen eerder het huis dan in Zuid-Europa. Daarnaast verlaten meisjes eerder het huis dan jongens. De structuur van gender in de maatschappij is ook een reden waarom vrouwen slechtere vooruitzichten op werk hebben dan mannen.

Jong volwassenen moeten over het algemeen leunen op de basis van uitkeringen en vergoedingen doordat ze een gelimiteerde werk geschiedenis hebben. Het niveau van de basis subsidie voor werklozen is toegenomen in relatie tot de consumenten prijzen tijdens de afgelopen 15 jaar. Basis uitkeringen lopen achter op het inkomensniveau ook in relatie naar degene die weinig verdienen, en niet alleen in relatie tot de hogere inkomens. Dit laat een daling zien van het algemene niveau van basis uitkeringen. Samengevat kunnen de meeste basis veiligheidsuitkeringen en vergoedingen de hoge levenskosten niet bijhouden. Er zitten een aantal consequenties vast aan het verzwakken van het beleid van kostenbeheersing zoals het later starten van een gezin en de hoge cijfers van jeugdarmoede. Dit gebeurt ook in de Noord-Europese landen.

De belangrijkste bronnen voor economische welvaart zijn de arbeidsmarkt, de welvaartsstaat en de familie. Steun van de staat is minimaal voor jongvolwassenen in Zuid-Europa. Ook kansen voor banen zijn ongunstig wat mensen in Zuid-Europa meer afhankelijk maakt van hun ouders. Aan de andere kant heb je Noord-Europa, waar jong volwassenen financieel minder afhankelijk zijn van hun ouders vanwege de universele verzorgingsstaat voordelen en de relatief gunstige werksituatie. In Conservatieve regimes hebben zowel de staat als de familie verantwoordelijkheden. Financiële transfers verschillen en hangen af van de socio-economische situatie van de ouders in het algemeen, of ze getrouwd zijn, of ze economisch actief zijn of ouders die hoogopgeleid zijn, zijn meer geneigd om financieel te steunen.

Uit onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de jongeren 53% een vorm van financiële hulp krijgt van de ouders. Studenten, die een studentenbijdrage kregen, werden door hun ouders het vaakst gesteund. Hoe jonger de jongvolwassene is, hoe eerder hij of zij financiële hulp krijgt van ouders. Als we wat dieper in gaan op de rol van familie, dan kan dit verklaringen geven voor de groei aan belangrijkheid van de welvaartsinstitutie terwijl de arbeidsmarkt en welvaartsstaten als pijlers de welvaart hebben verbrokkeld. Huwelijken en andere vormen van relaties kunnen fragiel zijn, maar het belang voor multigenerationele relaties lijkt heel belangrijk. Ouders krijgen minder kinderen, maar ouders kunnen meer investeren in hun kinderen.

 

Discussie & conclusie

Dit artikel ging erover hoe veranderingen in de arbeidsmarkt, de welvaartsstaat en de familie de economie hebben beïnvloed van jong volwassenen. Ook in Finland zijn er nieuwe sociale risico’s voor de jongeren. Het is moeilijker voor jong volwassenen om hun huis te verlaten en toch hun levensstandaard te behouden. Degene die alleen wonen hebben een grotere kans op armoede. De ouder wordende populatie structuur roept vragen op over solidariteit tussen generaties. Onafhankelijkheid kan een goede motivatie zijn voor jong volwassenen als ze een stabiele relatie hebben met hun ouders, en als hun ouders bronnen hebben om hen te steunen. De staat had de grootste verantwoordelijkheid voor het economisch welzijn van de jong volwassenen, toch was de financiële steun van de ouders voor de jong volwassenen het meest aanvullend, vooral in de Noord-Europese staten. Het feit dat de Finse welvaartsstaat de steun voor jongeren die studeren aan het minderen is, betekent dat, doordat ouders met een hoger inkomen en een hogere opleiding hun kinderen moeten steunen, er ongelijkheden bestaan tussen de klassen. Aandacht besteden aan de rol van de familie heeft ervoor gezorgd dat we een duidelijker en ander beeld hebben van de positie die zich voor de jongvolwassenen voordoet. Steun van familie wordt verwaarloosd in de literatuur voor nieuwe sociale risico’s, en verdient meer aandacht in de toekomst.

 

Social Justice and the Reform of Europe’s Pension (Schokkaert & Parijs, 2003)

Welke weg moeten we nemen met ons pensioenstelsel? De feiten over het ouder worden en de consequenties voor het pensioen zijn inmiddels wel bekend. In het artikel komen niet alle politieke voorstellen naar voren. Dit omdat het de belangrijkste reden is om de ethische principes te stellen en te verklaren waarvan de auteurs geloven dat ze de Europese discussie rondom het pensioen hervormingssysteem zouden moeten vormen.

 

Normatief

Dit bevat de volgende overtuigingen: Het ultimate nummer van de sensibele theorie van rechtvaardigheid is nog de generatie, nog de professionele categorie, noch het huishouden. In de ‘Rawlsian fashion’ komt de prioriteit naar voren om te zorgen voor degenen die er het slechtst vanaf komen. Dit standpunt is het meest duurzaam. De ‘equalisandum’ gaat uit van het gelijke. Individuen moeten worden gecompenseerd voor ongelijkheid die vastzit in hun gaven. Verschillen in gaven van mensen moeten worden gecorrigeerd of gecompenseerd. Mensen kunnen nauwelijks verantwoordelijk gehouden worden voor de verschillen in voorkeuren. Als laatste overtuiging bestaat de bezorgdheid over politieke en maatschappelijke haalbaarheid. Het mag geen afbreuk doen aan fundamentele ethische principes.

Om deze algemene overtuiging in het internationaal probleem te zetten, is het belangrijk dat we weten wat bedoelt wordt met generatie. Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen cohort (mensen die geboren zijn in een bepaalde periode) en leeftijdsgroepen. Waar mensen nooit uit hun cohort kunnen stappen, kunnen ze wel veranderen van de leeftijdsgroep (door het doodgaan). Daarom zijn cohorten meer relevant voor gerechtigheid dan de leeftijdsgroepen. Tegen deze achtergrond leggen we de veronderstelling van intergenerationele gelijkheid uit, die volgens ons het beste is voor het omgaan met pensioenen. Omdat cohorten niet overlappen, zijn ze noodzakelijk het financiële type. De pensioenen van de gepensioneerden moeten een vastgestelde contributie zijn, dus de hoogte van een pensioen moet bepaald worden bij het niveau van contributies die betaald moeten worden tijdens het leven. Als mensen te weinig pensioen opsparen, dan kan de overheid een bijdrage leveren.

Als we nu overgaan naar een wereld waarin cohorten wel overlappen, dus waarbij jongere leeftijdsgroepen van een later cohort samenleven met mensen uit oudere leeftijdsgroep van een eerder cohort, dan blijkt dat er een implicatie is. We kunnen nu overgaan op het ‘pay-as-you-go’ type. Hierbij worden arrangementen gemaakt waarbij het inkomen van de ouderen, in plaats van te komen uit spaargeld, verzorgd wordt door overdrachten van de jongeren. Economisch gezien is het voordeel dat risico’s gedeeld kunnen worden. In deze cohorten zijn de aantallen van mensen gelijk, dus het aandeel oud en jong is ideaal. In het volgende deel volgt een beschrijving wanneer de cohorten niet gelijk zijn. Er wordt gesteld dat er een minimum pensioen gegeven moet worden, op een zo hoog mogelijk duurzaam niveau. Een argument hiervoor is dat mensen niet volledig waren geïnformeerd en anders misschien wel hadden gespaard. Daarnaast blijkt dat mensen met een hogere opleiding of met meer loon een lager kortingstarief hebben. Daarom lijkt het handig te zijn om mensen met een hoog kortingstarief te beschermen door het verschuiven van een deel van de herverdeling naar de pensioengerechtigde periode in de vorm van een gegarandeerd minimumpensioen. Het is essentieel dat iedereen hier recht op heeft, zelfs mensen die nooit hebben gewerkt. Is de toename van het afhankelijkheidsratio echt een collectief risico? Er zijn twee demografische kenmerken die hiervoor zorgen, de toename van de leeftijd, maar dit is niet echt een probleem voor intergenerationele gerechtigheid en de toename in de pensioengerechtigde leeftijd. De tweede reden is de afname van geboortes. De lastendruk in de aanwezigheid van de demografische crisis zorgt voor het opleggen van een extra belasting op de huidige werkende generatie want deze generatie ‘bespaarde’ op de kosten van het kinderen opvoeden.

Als Sinn’s redenatie gevolgd wordt, dan valt een verschuiving van de verdeling van de belastingdruk te rechtvaardigen. Het is echter de vraag of een cohort verantwoordelijk gehouden kan worden voor het aantal kinderen dat ze krijgen.

Er worden vijf problemen genoemd in deze normatieve achtergrond van de toekomst van de Europese pensioensystemen. Het verschil tussen ‘funded’ en ‘pay-as-you-go’ valt niet samen met het verschil tussen publieke en private arrangementen. Een langere levensverwachting heeft consequenties voor zowel de kapitaal gedekte als niet kapitaal gedekte pensioensystemen. Een lager geboorteratio laat een afname in de actieve populatie zien, wat kan leiden tot een verandering in de relatieve prijzen voor werk en kapitaal en een relatieve verlaging van een rentepercentage en naar een lagere teruggave van de pensioenfondsen. De pay-as-you-go arrangementen zijn hier meer gevoelig voor.

Er is echter geen manier om de drastische verschuiving van de belastingdruk te rechtvaardigen, die gesuggereerd wordt naar de overgang naar een volledig gefinancierd systeem. Een sterke pay-as-you-go component in het pensioensysteem is wenselijk van het punt van intergenerationele rechtvaardigheid. Hoewel het conceptueel een aparte kwestie is, heeft de keuze van publieke-private mix sterke implicaties voor het probleem van intergenerationele risicodeling. Privaat gefinancierde regelingen delen niet het risico potentieel van een pay-as-you-go schema. Hoewel overheidsbemoeienis noodzakelijk is om verdeelde eerlijkheid en intergenerationele risicodeling te garanderen, passen aanvullende private pensioensregelingen goed in het normatieve standpunt. Tot een bepaalde mate kunnen personen verantwoordelijk gehouden worden voor hun schenking over de levensloop. Tegen de achtergrond van een rechtvaardige verdeling van schenkingen, is de toekenning van een schenking per persoon over de levensloop slechts gerechtvaardigd als iedereen er baat bij heeft. Daarom is er ruimte voor een derde pijler van pensioenen.

Het ‘Bismarck’ systeem is er een waarbij het niveau van de uitkering waarop een persoon recht heeft gevoelig is voor het niveau van de bijdragen die een persoon heeft uitgekeerd. Het Beveridge model is juist een model dat dit niet heeft. Werknemers en hun organisaties zijn meer bereid om een lager inkomen te krijgen als gevolg van hogere belastingen, als er een waargenomen verband bestaat tussen bijdragen en de latere uitkeringen. Vanuit het maximin standpunt gezien is de beste manier om een overheid gestuurd pensioensysteem te maken, is om zowel het ‘beveridge’ en het ‘bismarck’ model te combineren.

Individuen moeten hun eigen patroon van leven kiezen, terwijl ze de consequenties van hun pensioen en spaargedrag moeten dragen. Dit houdt in dat eerder met pensioen gaan inhoudt dan men minder pensioen krijgt, en wanneer men later met pensioen gaat, men meer pensioen krijgt. Er zitten echter wat haken en ogen aan. Mensen die zwaar werk doen, en eerder met pensioen gaan, moeten het dan maar met minder pensioen doen. Een ander punt is dat vrouwen langer leven dan mannen, is het dan rechtvaardig om ze toch evenveel pensioen te geven? Het is ethisch niet juist om hier onderscheid in te maken. Zolang mannen en vrouwen nog niet even oud worden, is het niet mogelijk om onderscheid te maken in wie hoeveel pensioen krijgt.

Op het moment verschillen pensioenstelsel in Europa heel erg van elkaar. Het houdt niet in dat Europese landen los van elkaar beslissingen moeten maken. Ze kunnen leren van elkaars ervaringen en van de dingen die misgingen. Daarom zou het helpen om een open methode van coördinatie te introduceren in de Europese Unie.

 

Conclusie

Interventie vanuit de overheid is nodig voor pensioenstelsels om twee redenen: ten eerste dat de eerlijkheid vereist dat er prioriteit gegeven wordt aan een minimum pensioen. Een beetje Europese coördinatie is hier wel wenselijk. Onder geen beding houdt dit in dat er geïmpliceerd kan worden dat de pensioenen in de verschillende lidstaten moeten worden beperkt tot een minimum. Het ligt aan de historische context of er ruimte is voor het model van Bismarck. Daarnaast moet het pensioensysteem een pay-as-you-go component houden. Wanneer er zo’n element aanwezig is, is er sprake van intergenerationele herverdeling. Een tweede belangrijk punt is het belangrijk worden van een flexibele pensioneringsleeftijd. Deze keuze moet gemaakt worden op basis van de lengte van de pensioenleeftijd. Zijn deze voorstellen acceptabel voor het grootste gedeelte van de populatie? Het idee van een gegarandeerd minimum wordt veelal gesteund. De minst populaire regeling, is de toename van de pensioensleeftijd, ofwel een grotere flexibiliteit van economisch realistische voorwaarden. Er zal sterke oppositie vanuit het volk komen. Maar een publieke opinie zou ons niet moeten leiden naar de juiste politieke beslissing.

Het doel van dit artikel lag niet op de economische houdbaarheid van de pensioensystemen. Houdbaarheid kan op verschillende manieren bereikt worden en weer zal een moeilijk ethisch framewerk wat steun bieden bij welke van de manieren de voorkeur hebben en welke niet. Vanuit het normatieve kader gezien wordt gesteld dat de pensioensleeftijd omhoog gaat en dat mensen die eerder met pensioen willen, een lager pensioen krijgen. Daarnaast gaan of de pensioenen omlaag, of moet de actieve bevolking meer pensioen opbrengen, maar wel zo dat een minimum pensioen gegarandeerd wordt. Als derde punt moet er meer financiering geregeld worden in het pay-as-you-go systeem. We moeten wel rekening houden met dat er in dit artikel bijvoorbeeld niet gekeken is naar dingen als kinderopvang.

 

 

Lees hier verder

 

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Vintage Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
1394
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector