Wat is de invloed van cultuur? - Chapter 7

De meeste onderzoeken naar opvoeding zijn uitgevoerd in westerse culturen, waardoor het niet altijd te generaliseren is naar andere culturen. Dit veld van pedagogiek wordt de interculturele pedagogiek genoemd. In Nederland zijn er vier grote migrantengroepen: Marokkaanse, Turkse, Surinaamse-Creoolse en Chinese migranten. 

Wanneer gebruiken we de term migrant?

Over bijna alle begrippen die te maken hebben met migratie bestaan discussies. Het proces van migratie, geografische mobiliteit van mensen waarbij zij een grens overschrijden met de bedoeling langere tijd in een andere woonplaats te blijven, is de oorsprong van de term migrant. Een emigrant is iemand die zich in het buitenland vestigt en een immigrant  is iemand die zich in een ander land dan het herkomstland vestigt. Voorheen werd er onderscheid gemaakt tussen autochtoon en allochtoon, maar is kwetsend vanwege de letterlijke Griekse betekenis 'van een andere bodem'. Allochtoon  definiëren we als iemand die in Nederland woont en staat ingeschreven en van wie ten minste een ouder in het buitenland is geboren. Hierin maken we onderscheid tussen eerste en tweede generatie allochtonen en westerse en niet-westerse allochtonen. Het gebruik van de term allochtonen kent zowel voor- als nadelen. Een voordeel is het zo kunnen beschrijven van maatschappelijke positie waarop overheidsbeleid zich op kan richten. Een nadeel is dat de term stigmatiserend werkt. 

Wat is de migratiegeschiedenis van Nederland?

Vanwege de vroegere handelspositie van Nederland vestigen immigranten zich al vanaf de zestiende eeuw. Dit nam af in de negentiende eeuw toen Nederland zijn centrale positie in de internationale handel kwijtraakte. De eerste helft van de twintigste eeuw werd het migratieproces naar Nederland gekenmerkt door vluchtelingen uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog. De migratie na de Tweede Wereldoorlog is samen te vatten in zes migratiegolven:

  1. Repatrianten uit Nederlands-Indië in de jaren veertig en vijftig
  2. Arbeidsmigratie uit Spanje, Italië, Turkije, Marokko, Algerije en Tunesië in de jaren zestig
  3. Gezinshereniging en -vorming van de Marokkaanse en Turkse migranten in de jaren zeventig
  4. Surinaamse immigranten in de jaren zeventig en tachtig
  5. Asielmigranten uit de jaren tachtig en negentig
  6. Arbeidsmigranten uit Midden-Oost Europa in de jaren 2000

Wat is de oorsprong van Marokkaanse en Turkse migranten?

Marokkanen en Turken kwamen naar Nederland vanwege economische redenen. In Nederland was er grote vraag naar arbeidskrachten, waardoor er wervingsverdragen gesloten werden met verschillende landen. Omdat dit van tijdelijke aard zou zijn, was er geen sprake van integratiebeleid. De meeste arbeiders kwamen uit Spanje, Italië, Turkije en Marokko. Toen de welvaart in Italië en Spanje weer toenam, keerden veel Italianen en Spanjaarden terug naar hun land van herkomst. In de jaren zeventig ontstond er een recessie in Nederland, waardoor de arbeidsmigratie stop werd gezet. Voordat dit daadwerkelijk gebeurde, kregen veel arbeidsmigranten een verblijfstatus. Door de economische achterstand in Marokko en Turkije zagen migranten het leven in Nederland meer veelbelovend en kans op een toekomst. Daarmee startte de gezinsmigratie (vrouw en kinderen uit land van herkomst kwamen naar Nederland), maar daarnaast ook gezinsvorming  (niet-getrouwde arbeidsmigranten uit Nederland trouwde een vrouw uit het land van herkomst). 

Wat is de oorsprong van Surinaamse migranten?

Suriname is vroeger een Nederlandse kolonie geweest waar slaven uit West-Afrika werkten op de plantage. Na de afschaffing van de slavernij werden contactarbeiders uit India en Indonesië gehaald om de leegloop van de plantages tegen te gaan. De grootste bevolkingsgroepen in Suriname zijn daardoor Creolen, Hindoestanen, Chinezen en Javanen. Vanwege de grote economische vooruitgang in Nederland in de jaren zestig kwam er een grote migratiestroom op gang. Daarna kwam er een tweede migratiestroom in de jaren zeventig met de naderende onafhankelijkheid van Suriname. In 1980 werd de visumplicht ingevoerd, waardoor er de vijf jaren hiervoor sprake was van een overgangsregeling. Veel Surinamers maakte hier gebruik van en vertrokken naar Nederland nu het nog kon. Toen in de jaren negentig de welvaart in Suriname achteruitging, kwamen veel hoger opgeleide Surinamers naar Nederland voor scholing en beroepskansen. Hun sociaaleconomische positie was daardoor beter dan die van de Marokkanen en Turken.

Wat is de oorsprong van Chinese migranten? 

De meeste Chinezen zijn in vier immigratiegolven naar Nederland gekomen:

  1. Rond 1900 arriveerden Chinese zeelui in Rotterdam als goedkope arbeidskrachten.
  2. Na de Tweede Wereldoorlog vestigden Chinezen zich uit de voormalige Nederlandse koloniën. 
  3. Tijdens de bloeiperiode van Chinese restaurants in Nederland kwamen migranten uit Hongkong en China.
  4. Mannelijke Chinese migranten kwamen naar Nederland vanwege economische motieven en daarna ook veel vrouwen en familieleden. Ook kwam er een Chinese migratiestroom opgang nadat China meer mogelijkheden gaf om te emigreren naar het buitenland.

Rond de jaren negentig stelde de regering strengere regels op betreft migratie, waardoor immigranten niet om economische redenen naar Nederland konden komen. Een grote migratiegolf in 2000 van Chinezen was vanwege studiemogelijkheden in Nederland, echter hebben zij geen permanent verblijf voor ogen.

Wat is de oorsprong van Poolse migranten?

Polen kwamen voornamelijk in Nederland vanwege het trouwen van Poolse vrouwen met een autochtone Nederlander. Nu Polen is toegetreden tot de Europese Unie neemt de immigratie sterk toe. De Polen die naar Nederland komen, komen vooral via uitzendbureaus om hier te werken. Polen kent namelijk een hoge werkeloosheid. De Polen die met hun gehele gezin in Nederland wonen, hebben als plan hier te blijven wonen.

Waar komen de vluchtelingen vandaan?

De vier grootste vluchtelingengroepen in Nederland worden gevormd door Afghaanse, Iraanse, Iraakse en Somalische migranten. De snelst groeiende groep van vluchtelingenmigranten zijn Syriërs. De eerste vluchtelingen kwamen uit de middenklasse van Iran, om hier hun westerse leefstijl verder te kunnen zetten. Daarnaast vindt migratie van Iraniërs ook plaats vanwege gezinsmigratie of studie. Afghanen kwamen naar Nederland om te vluchten voor de islamitische staat die strenge religieuze wetten invoerde. De eerste Iraakse asielmigranten, voornamelijk Koerden, sloegen op de vlucht naar Nederland voor het geweld van de Iraakse regering tegen hun strijd om autonomie. De immigratie van Somalische migranten had als oorzaak de oorlog in Somalië, dit waren vooral jonge mannen, weduwen en minderjarigen zonder ouders. Het aantal vluchtelingen die vragen om asiel in Nederland is sinds 2014 sterkt toegenomen, waaronder Syriërs de grootste groep vormen.

Integratie of assimilatie?

De migratiegeschiedenis en migratiefactoren verschillen sterk tussen migranten. Bij immigratie vindt er een interactieproces plaats tussen immigranten en de gastsamenleving. Acculturatie is een cultureel veranderingsproces dat ontstaat als twee autonome culturen langdurig en direct in contact komen met elkaar. Er zijn twee dimensies van acculturatie: het belang van het behouden van culturele identiteit van het herkomstland en het belang van het onderhouden van relaties met de dominante cultuur in het gastland. Hieruit zijn vier verschillende acculturatiestrategieën te onderscheiden:

  1. Integratie: immigranten gaan relaties aan met andere groeperingen, maar behouden eigen culturele identiteit en culturele kenmerken.
  2. Segregatie: iemand is alleen gericht op de cultuur uit het land van herkomst.
  3. Assimilatie: iemand is alleen gericht op de gastcultuur.
  4. Marginalisatie: er zijn geen bindingen, niet met de cultuur van herkomst noch met de gastcultuur.

De strategieën die worden toegepast zijn van invloed op de mate van participatie van immigranten in maatschappelijke instituties. Integratie gaat samen met een hoger niveau van welbevinden. Acculturatie is geen symmetrisch proces, de dominante groep bepaalt voor een belangrijke deel in hoeverre de andere groep mag participeren. De integratie is succesvol wanneer de immigranten zich als gelijkwaardig voelen en participeren in de samenleving, dezelfde kansen hebben en zich verbonden voelen met de samenleving.

Wat is de invloed van een interculturele opvoeding?

In de meeste theoretische modellen wordt er geen rekening gehouden met de cultuur en cultuurverschillen in de directe omgeving van kinderen. Het ecologisch model van Bronfenbrenner heeft de culturele dimensie beperkt tot het macroniveau, terwijl op elk niveau de cultuur invloed heeft. Het theorerische model van Super en Harkness genaamd development niche vormt met zijn culturele dimensie een aanvulling op het model van Bronfenbrenner. Dit model bevindt zich op microniveau en bestaat uit drie subsystemen:

  1. De fysische en sociale settings (omgevingen) waarin het kind leeft.
  2. Cultureel bepaalde gewoonten van verzorging en opvoeding.
  3. De psychologie van opvoeders.

Deze drie subsystemen vormen samen de culturele context van de opvoeding en ontwikkeling van het kind. Elk van de subsystemen heeft een eigen wisselwerking met de wijdere culturele en ecologische context en de subsystemen beïnvloeden elkaar ook. 

Welke opvoedingsdoelen hebben migranten?

Opvoedingsdoelen zijn aspecten en gedragingen die ouders voor hun kind voor ogen hebben. In een onderzoek bij autochtone, Chinese, Marokkaanse, Turkse en Creools-Surinaamse moeders en vaders in Nederland zijn vier opvoedingsdoelen onderzocht: autonomie (zelfbepaling, onafhankelijkheid), conformisme (houden aan regels), sociabiliteit (empathie) en maatschappelijk presteren. Turkse, Marokkaanse en Chinese ouders lieten een vergelijkbaar patroon zien in welke opvoedingsdoelen zij nastreven. Zij hechten veel waarde aan conformiteit en prestatie. Dit is in tegenstelling met Nederlandse moeders waarbij de nadruk ligt op autonomie en sociaal gevoel. Bij de Surinaams-Creoolse moeders is er een tussenweg, zij hechten waarde aan autonomie, maar ook aan prestatie.

Deze voorkeuren in opvoedingsdoelen zijn enerzijds te herleiden naar de samenleving van herkomst, namelijk een samenleving waar collectivisme en wederzijdse afhankelijkheid centraal staat. Dit wordt weergegeven in het interdependentiemodel. Het onafhankelijkheidsmodel is meer zichtbaar in individualistische culturen, waarbij het ontwikkelen van autonomie centraal staat. Anderzijds zijn de voorkeuren te herleiden naar de sociale status van de gezinnen, waarbij ouders met een lagere sociaaleconomische status voor hun kinderen wensen dat zij het in de toekomst beter krijgen. Hierbij staat prestatie opvoedingsdoel hoog in de rangorde.  Er zijn echter ook culturele verschillen in hoe de participanten de opvoedingsdoelen interpreteren, dit maakt dit soort onderzoeken moeilijk. 

Welk opvoedgedrag en welke opvoedstijlen hanteren migranten?

In lijn met conformiteit als opvoedingsdoel, voeden migrantenouders hun kinderen meer autoritair op dan autochtone ouders. In alle culturen zijn er zowel permissieve als autoritaire opvoedstijlen te vinden, maar toch blijkt dat Nederlandse ouders het meest autoritatief zijn en Marokkaanse, Turkse, Afghaanse en Somalische ouders meer autoritair. Ouders afkomstig van de Antillen, Suriname, Irak en Iran nemen een tussenpositie is, maar hoe ouder het kind, hoe meer autoritatiever de ouder. In alle culturen spelen moeders een grotere rol in de opvoeding van kinderen dan vaders. Migrantenvaders hebben een grotere rol als kostwinner, het bijdragen van morele opvoeding, disciplinering en monitoren van kinderen. Ook de vaders uit collectivistische culturen streven vaker naar conformiteit en neigen meer naar een autoritaire opvoeding dan autochtone vaders.

Wat is de relatie tussen cultuur en opvoeding?

Er bestaan verschillen tussen welke idealen ouders nastreven in hun opvoeding en hoe zij daarnaar handelen. Of de verschillen in opvoedgedrag te verklaren zijn door cultuurverschillen is te beantwoorden met onderzoek naar sensitiviteit. Uit onderzoek blijkt dat Surinaamse en Turkse moeders minder sensitief zijn dan autochtoon-Nederlandse moeders. Echter blijkt uit onderzoek waarop moeders ingedeeld worden op sociaaleconomische status dit verschil er niet te zijn. Dus cultuur of etniciteit heeft geen invloed op de mate van sensitiviteit, maar meer de sociaaleconomische status, waarbij gezinnen die lager op de maatschappijladder staan ook vaker te kampen hebben met opvoedingsproblemen. 

Hoe kan het dat er meer probleemgedrag voorkomt bij migrantengezinnen?

Migrantengezinnen hebben vaker gezondheidsproblemen, vertonen meer gedragsproblemen en komen vaker in aanraking met justitie en criminaliteit. De vraag die hierbij gesteld kan worden, is of probleemgedrag onder migrantenkinderen te herleiden is naar cultuur of etniciteit. Er is weinig onderzoek gedaan naar opvoeding en gedrag binnen migrantengezinnen. Het onderzoek dat is verricht legt de nadruk op de grotere migrantengroepen en maken een expliciete tweedeling tussen autochtoon-Nederlands vs. migrant. De onderzoeken laten geen consistente uitkomsten zien over een mogelijk verschil in probleemgedrag tussen culturen. Om goed onderzoek naar deze verschillen uit te kunnen voeren, moet er rekening gehouden worden met verschillende factoren, zoals de validiteit van meetinstrumenten. Het is afhankelijk van cultuur en etniciteit wat wordt ervaren als druk of als probleemgedrag. Daarnaast wordt er onvoldoende rekening gehouden met mogelijke verklarende factoren in de relatie tussen etniciteit en probleemgedrag. In plaats van dat de oorzaak bij de cultuur wordt gezocht, kan de oorzaak ook liggen bij kenmerken van de persoon, zoals dat de migratie voor veel stress heeft gezorgd of het balanceren tussen gedrag thuis en op school door de verschillende verwachtingen die worden gesteld. Migrantenkinderen hebben in de basis al meer risicofactoren dan autochtone kinderen. De belangrijkste algemene risicofactor in de opvoedingsomgeving van migranten jeugd betreffen de lage sociale positie van hun ouders, de achterstandswijken waarin zij opgroeien, weinig speelruimte, een onveilige buurt en het sociale netwerk. Specifieke risicofactoren zijn bijvoorbeeld migratiestress, acculturatieconflicten en een pedagogische mismatch die zich kan voordoen op verschillende terreinen. Hoe meer risicofactoren kinderen hebben, hoe grotere kans zij hebben op psychosociale problemen.

Preventie en interventie: cultuursensitief of is dit niet nodig?

Nu de risicofactoren in het ontstaan van probleemgedrag bekend zijn, is de vraag of pedagogische preventie en interventie dan ook cultuursensitief moeten zijn. Het aantal migrantenouders die gebruik maakt van hulpverlening in de opvoeding is gelijk aan het aantal autochtoon-Nederlandse ouders. Hoewel Turkse en Marokkaanse gezinnen de meeste problemen ervaren, doen zij relatief weinig beroep op opvoedingsondersteuning. Het kan zijn dat migrantenouders een andere probleemperceptie hebben dan autochtone ouders en daardoor bepaald gedrag niet als probleem bestempelen. Of dat ze te weinig vertrouwen hebben in de opvoedingsondersteuning. Daarnaast sluit het bestaande aanbod onvoldoende aan bij de wensen en behoeften van niet-westerse migranten. Voor migranten is het daardoor ook lastig om zelfstandig hulp te zoeken vanwege praktische belemmeringen. Als ze dan terecht zijn gekomen bij de hulpverlening krijgen ze nog niet de juiste preventie- en interventieprogramma's, omdat deze niet toegerust zijn op culturele diversiteit. Er is onvoldoende aandacht voor vroegtijdig herkennen van problemen bij migrantenjongeren. Deze situatie draagt bij aan de oververtegenwoordiging van migrantenjongeren in de niet-vrijwillige, zwaardere hulpverlening, waaronder ook de justitiële keten. 

Wanneer het hulpverleningssysteem verbeterd wordt en de toegankelijkheid van instellingen onderdeel vormt van een breder interculturalisatieproces, kan de hulpverlening pas slagen. Er moet meer rekening gehouden worden met de etnische-culturele diversiteit. Om de bereikbaarheid van migrantengezinnen te vergroten, zou een verbreding van de behandeling een optie kunnen zijn. Een bredere aanpak van de problematiek binnen het gezin vergroot de kans op toelating binnen het gezin en langdurige effectiviteit van opvoedingsondersteuning. 

De meeste onderzoeken naar opvoeding zijn uitgevoerd in westerse culturen, waardoor het niet altijd te generaliseren is naar andere culturen. Dit veld van pedagogiek wordt de interculturele pedagogiek genoemd. In Nederland zijn er vier grote migrantengroepen: Marokkaanse, Turkse, Surinaamse-Creoolse en Chinese migranten. 

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2437
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector