Het vermogensrecht laat zich onderscheiden in het verbintenissenrecht en het goederenrecht. In het goederenrecht is het rechtszekerheidsbeginsel belangrijk. Het geeft uiting aan de behoefte van derden om de status van goederenrechtelijke rechten te kennen. Deze behoefte bestaat omdat goederenrechtelijke rechten de rechtspositie van derden kunnen aantasten. Het goederenrecht heeft dus derdenwerking.
Goederenrechtelijke rechten zijn absoluut, dus je kunt ze in beginsel tegenover eenieder inroepen. Ze laten de verhouding van mens tot goed zien. Ze dienen te worden onderscheiden van de persoonlijke, relatieve rechten die centraal staan in het verbintenissenrecht.
Van Rede zegt dat de absolute werking van goederenrechtelijke rechten door ervaren juristen als zo vanzelfsprekend wordt gezien dat zij vaak niet door hebben dat zij de werking van het beginsel zijn gaan zien als de verklaring daarvan. Volgens van Rede vormt het gebrek aan werkelijk begrip van de grondslagen van het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten een voedbodem voor vragen. De vraag naar de aard van het bestaan van goederenrechtelijke rechten met absolute werking laat zich volgens hem onderverdelen in drie subvragen, nl:
Bestaat er wel zoiets als rechten op goederen, m.a.w. bestaan er wel goederenrechtelijke rechten?
Van Rede is van mening dat deze rechten bestaan. De bestudering van de historische ontwikkeling van de begrippen goederenrechtelijk en persoonlijk recht leert ons dat voor zover het ingeroepen recht een eigen zaak of beperkt recht betreft, het om een goederenrechtelijk recht gaat en anders om een persoonlijk recht. Men moet zich bij iedere casus de vraag stellen of met het instellen van de rechtsvordering ook daadwerkelijk een vermogensbestanddeel van de wederpartij in het geding is. Is het antwoord ‘nee’, dan is sprake van een recht op een goed, dus een goederenrechtelijk recht.
Waarom hebben goederenrechtelijke rechten absolute werking?
Van Rede is van mening dat rechten niet goederenrechtelijk worden omdat zij absolute werking hebben, maar zij absolute werking hebben omdat zij goederenrechtelijk zij, oftewel omdat zij goederen als object hebben.
Hoe wordt vastgesteld welke rechten goederenrechtelijk zijn en dus absolute werking hebben?
Van Rede is van mening dat er een parallel te trekken valt tussen de rechtsgeschiedenis en het hedendaagse recht waarbij verbintenissen de grondslag vormen voor het ontstaan van persoonlijke rechten, terwijl beperkte rechten een absolute werking hebben omdat zij uit eigendom zijn afgeleid. Aangezien een recht enkel absolute werking heeft voor zover het in het eigen vermogen valt, dient degene die zich beroept op de absolute werking ook daadwerkelijk eigenaar of rechthebbende te zijn. Goederenrechtelijke rechten vormen dan ook altijd het eigendomsrecht zelf of daarvan af te leiden rechten (beperkte rechten). Rechten uit verbintennissen roepen op zichzelf geen absolute rechten in het leven. Alle rechten die binnen de reikwijdte van de wet worden gekwalificeerd als eigendom of een afgeleide daarvan hebben absolute werking. De verbintenis vormt geen grondslag voor het bestaan van een recht met absolute werking. Persoonlijke rechten vallen binnen het domein van het verbintenissenrecht en de goederenrehtelijke rechten binnen dat van goederenrecht.
Deze vragen impliceren een kritische houding tegenover het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten.
Het antwoord op de vragen ligt zowel in het hedendaagse recht als in de geschiedenis en in het bijzonder het Romeinse recht.
Een belangrijk verschil met het Romeinse rechtsstelsel is dat dit stelsel procesrechtelijk is, terwijl in het Nederlands recht subjectieve rechten centraal staan die afgedwongen kunnen worden mbv een rechtsvordering bij de rechter. Het Romeinse recht ging uit van acties en niet van subjectieve rechten en daarom bestond in het Romeins recht niet zoiets als absolute en relatieve rechten. Wel maakten de Romeinen onderscheid tussen zakelijke acties en persoonlijke.
Zakelijke acties hadden betrekking op een vermogensbestanddeel van de eiser zelf. De persoonlijke hadden betrekking op verplichtingen mbt vermogensbestanddelen van de persoon die aangesproken wordt. De objecten verschillen dus.
Een zakelijke actie kreeg vorm door feitelijk de hand te leggen op de zaak waarop de eiser een recht meende te hebben. Bij een persoonlijke actie werd de hand gelegd op de persoon zelf en een persoonlijke actie was dus letterlijk een actie op de persoon van de wederpartij. Bij een persoonlijke actie mocht men de persoon van de wederpartij vastpakken of vastbinden, en daarom spreken we van verbintenissenrecht.
De Romeinen categoriseerden acties naar gelang het rechtsobject. Rechtsbetrekkingen op een persoonlijke actie noemde men rechten op personen, en rechtsbetrekkingen op zakelijke actie noemde men rechten op zaken. Let wel: de Romeinen dachten niet in deze termen aangezien zij niet dachten in subjectieve rechten.
Hugo de Groot plaatste de subjectieve rechten voorop. In zijn visie vloeiden subjectieve rechten niet voort uit het procesrecht, maar andersom. Dit had grote gevolgen voor het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten.
Vinnius maakte een onderscheid tussen rechten die rusten op zaken (zakelijke rechten) en rechten die tot zaken staan (persoonlijke rechten). Dit onderscheid wordt hedendaags nog steeds gemaakt. Wij noemen zakelijke rechten echter goederenrechtelijke rechten, want rechten rusten niet alleen op zaken, maar ook op vermogensrechten (3:1 BW).
Het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten staat dus als een huis, omdat het gaat om een uitvloeisel van een rechtshistorische traditie die vandaag de dag in ons stelsel nog steeds voortleeft.