Increases in positive self-views among high school students: Birth-cohort changes in anticipated performance, self-satisfaction, self-liking, and self-competence - Twenge & Campbell - 2008
Er zijn veel tegenstrijdige bevindingen over verandering in positieve zelfbeleving door de generaties heen. Het is mogelijk dat collegestudenten inderdaad veranderd zijn door de generaties heen, maar dat de minder selectieve populatie van middelbare-schoolstudenten geen verandering laat zien. Door het niet random selecteren van studenten komt een vertekend beeld tot stand. Een tweede verklaring is dat de veranderingen verschillend optreden bij middelbare-schoolstudenten door de leeftijd van deze studenten. Het kan zijn dat in er in deze leeftijdscategorie meer sprake is van sociale en academische druk, waardoor de ontwikkeling van positieve zelfbeleving onderdrukt wordt. Een derde mogelijkheid is dat sommige aspecten van de zelfbeleving wel toenemen bij middelbare-schoolstudenten, maar dat eerdere studies niet naar de totaliteit van de data hebben gekeken. Deze studie richt zich op de positieve zelfbeleving bij middelbare-schoolstudenten.
Er is bij dit onderzoek gebruik gemaakt van items uit de Monitoring the Future (MTF) studie. Elk jaar werden 15.000 studenten ondervraagd. De sample van 15.000 studenten is hierbij onderverdeeld in subsamples, die elk andere vragen zijn gesteld. Dertien van deze gestelde vragen richtten zich op de zelfbeleving van de studenten, zes vragen gingen over de zelfwaardering en drie vragen gingen over cijfers en over intelligentie. Bij elke vraag werd het antwoord van de student vergeleken met het eerste en het laatste jaar van aanwezige data. Voor de meeste studenten werden de vragen voor het eerst gesteld in 1975 en voor het laatst in 2006, maar dit kon dus verschillen per student.
Uit de resultaten kwam naar voren dat studenten van de laatste jaren significant meer zelfverzekerd waren over hun toekomstige prestaties dan studenten uit het jaar 1975. Ook waren deze studenten er ook meer van overtuigd dan de vroegere studenten dat zij goede werkers zouden zijn.
De studenten uit 2006 waren meer tevreden met zichzelf dan studenten uit de jaren zeventig.
Studenten uit 2006 vonden zichzelf ook leuker dan de vroegere studenten, terwijl de zelf-competentie afnam.
Studenten uit 2006 rapporteerden significant hogere cijfers. Ook vonden ze zichzelf intelligenter en gaven ze aan zich slimmer te vinden in vergelijking met hun peers.
Uit dit onderzoek komt naar voren dat het positieve zelfbeeld van middelbare-schoolstudenten over de generaties toe is genomen. Er is een toename in score wat betreft zelfverzekerdheid, tevredenheid, het leuk vinden van zichzelf (self-liking) en intelligentie. Er is daarentegen een kleine daling zichtbaar van zelf-competentie.
De toename in het positieve zelfbeeld komt overeen met analyses van middelbare-schoolstudenten over hun verwachtingen voor de toekomst. Hieruit is geconcludeerd dat de verwachtingen van jonge mensen steeds meer onrealistisch werden vergeleken met vroeger. Zo zei 50% van de studenten een graduaat te zullen halen, terwijl slechts minder dan 10% dit ook werkelijk zou kunnen halen.
Deze lichte daling van zelf-competentie wordt verklaard doordat studenten zich tegenwoordig iets lager (of nog even hoog) scoren op items over de beoordeling van kwaliteiten dan vroeger. Echter, studenten rapporteerden wel een grotere competentie wat betreft intelligentie. Dit kan verklaard worden doordat de studenten van de laatste jaren meer positieve feedback krijgen op dit gebied.
Hoe kan het dat jonge mensen meer vertrouwen tonen in hun toekomstige prestaties, zichzelf leuker vinden, geloven dat ze meer intelligent zijn, maar toch lager scoren op het gebied van competentie? Een mogelijke verklaring is dat de toegenomen nadruk op zelfwaardering en cijferinflatie in scholen studenten produceert die niet over zichzelf hoeven na te denken als competent om zichzelf leuk te vinden. Het is niet duidelijk of dit een positieve of een negatieve verandering betreft.
De data moet echter niet overschat worden. Ten eerste zijn de gemeten items niet noodzakelijk indicatief voor zelfverbetering. Als voorbeeld kan het bij de hogere scores van intelligentie zo zijn dat studenten de laatste jaren meer opscheppen over hun cijfers, dat er sprake is van een inflatie van cijfers die leraren geven, dat academische prestatie werkelijk is verbeterd, of alle drie. Wel zijn alle mogelijkheden consistent met het idee dat studenten zich steeds positiever voelen over zichzelf. Ook is het niet zeker of de vragen dezelfde betekenis hebben voor de studenten uit 2006 als voor vroegere studenten.