HR 7 oktober 2008, LJN BD4153 (Herziening Lucia de Berk)
Casus
Achtergrond van deze zaak is dat in september 2001 naar aanleiding van het onverwachte overlijden van een patiëntje in een Haags kinderziekenhuis onderzoek is gedaan naar meerdere overlijdensgevallen. Tijdens dat onderzoek is gebleken dat tussen september 2000 tot september 2001 in het ziekenhuis 9 overlijdensgevallen/reanimatie-incidenten hadden plaatsgevonden, bijna allemaal op dezelfde afdeling. Bij 7 kinderen was er steeds sprake van onverwacht en medisch onverklaarbaar overlijden. Lucia de Berk bleek bij alle incidenten aanwezig te zijn geweest en zij was meestal ook verantwoordelijk voor de verzorging en toediening van medicijnen. Daarom werd Lucia de Berk schuldig bevonden aan de moord op zeven kinderen en drie pogingen tot moord. Zij werd veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De belangrijkste bewijsmiddelen waren de verklaring van een deskundige over de digoxineconcentratie in het bloed, de aanwezigheid van Lucia de Berk op de tijdstippen van overlijden en het feit dat zij het woord ‘compulsie’ in haar dagboek had genoemd. Daarnaast was voor de bewijsvoering gebruik gemaakt van schakelbewijs, waardoor de vaststelling dat Lucia de Berk twee slachtoffers zou hebben vergiftigd een rol heeft gespeeld bij het bewijs van de andere delicten.
Dan volgt een herzieningsverzoek van de AG. De AG heeft niet vanwege het rapport van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) het herzieningsverzoek ingediend, maar heeft dit zelf op grond van door hemzelf opgestart onderzoek ingediend.
Hoge Raad
De Hoge Raad kijkt naar de omstandigheden inzake de moord op een baby en met name naar het oordeel van professor Meulenbelt met betrekking tot de mogelijkheid van een natuurlijke doodsoorzaak. De Hoge Raad stelt op grond daarvan dat het oordeel van prof. Meulenbelt dat gezien het klinisch verloop van een natuurlijk overlijden kan worden gesproken, als een novum moet worden aangemerkt.
Volgens de Hoge Raad ondergraven de resultaten van het door de AG verrichte onderzoek in aanzienlijke mate de bewijsvoering van het Hof met betrekking tot de bewezenverklaarde moord op de baby. Daarbij krijgt het oordeel van prof. Meulenbelt dat op grond van de klinische historie kan worden gesproken van een natuurlijk overlijden, het meeste gewicht. Dat oordeel moet als een novum worden gezien. Met name omdat dat oordeel niet los kan worden gezien van de overige uitkomsten van het onderzoek van de AG. Die uitkomsten zorgen ook voor twijfel aan de juistheid van die bewezenverklaring.
De Hoge raad komt tot de conclusie, net als de AG, dat dit gezien de samenhang in de bewijsvoering van alle levensdelicten, meebrengt dat de aanvraag ook ten aanzien van de andere levensdelicten gegrond moet worden verklaard. Het herzieningsverzoek wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem.