Samenvatting van Emotion Science van Fox - 1e druk

Samenvatting bij Emotion Science

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Hoe ziet de wetenschap van emotie er uit? - Chapter 1

    Hoe ziet de wetenschap van emotie er uit? - Chapter 1

    In dit boek komen allerlei belangrijke vragen met betrekking tot emoties aan bod. Wat zijn emoties en waarom hebben we ze? Beïnvloeden emoties onze gedachten en herinneringen, en beïnvloeden onze herinneringen onze emoties? Zijn emoties hetzelfde als gevoelens? Zijn sommige mensen vatbaarder voor het ontwikkelen van emotionele stoornissen dan anderen?

    Wat zijn de verschillende benaderingen voor het bestuderen van emotie?

    Wanneer we terugdenken aan gebeurtenissen uit ons leven, zijn het vaak de affectieve eigenschappen van die momenten die als eerst naar boven komen. Wat zijn de fundamentele eigenschappen van emotionele ervaringen?

    Emotionele momenten bevatten normaal gesproken een aantal verschillende componenten, zoals acties, gedachten, gevoelens, lichamelijke reacties enzovoorts. Verschillende onderzoeken hebben geprobeerd te focussen op verschillende componenten van emotie. De meesten zijn het erover eens dat gevoelens het meest belangrijke aspect zijn van emoties. Hoe iets voelt heeft de grootste invloed op onze gedachten en herinneringen en het bepaalt hoeveel we ergens van genieten.

    Er zijn ook wetenschappers die stellen dat gevoelens wel belangrijk zijnvoor het begrijpen van emoties. Zij stellen dat een reeks fysiologische, neurale en gedragsreacties het fundament vormen van emoties. Emoties zouden volgens hen al gevormd zijn voordat gevoelens ontstaan.

    Een terugkerend probleem in de wetenschap van emotie is dat verschillende onderzoeksstromingen focussen op verschillende aspecten van emoties en daardoor andere vragen stellen en andere definities van emoties hanteren. Bovendien gebruiken ze verschillende onderzoeksmethodes. In dit boek wordt een beeld geschetst van onderzoek naar emoties door de verschillende stromingen en disciplines te belichten: cognitieve, sociale en klinische psychologie en cognitieve en affectieve neurowetenschap.

    Emoties als biologisch fenomeen

    Veel onderzoekers stellen dat emoties voortkomen uit evolutie. Volgens deze theorie werden emoties geselecteerd omdat ze goede oplossingen verzorgden voor terugkerende problemen van onze voorvaderen (het vinden van water en voedsel, het vinden van seksuele partners, het ontwijken van gevaar, het verzorgen van nakomelingen).

    Het biologische perspectief stelt dat emoties het best begrepen kunnen worden als door de natuur geselecteerde oplossingen die ervoor zorgen dat wij dingen willen doen die goed zijn voor het doorgeven van onze genen. Door dit perspectief verschuift de nadruk van het onderzoeken van menselijke gevoelens naar het onderzoeken van eigenschappen en gedragspatronen die we delen met een grote groep andere diersoorten. Emoties worden dan gezien als een complexe reactie op een betekenisvolle gebeurtenis.

    Omdat emoties bestaan uit veel verschillende mogelijke acties (oorbeeld: een snelle ontsnapping), is er vaak veel lichamelijke ondersteuning nodig van mechanismen die zich bezighouden met processen van opwinding (bijvoorbeeld het afgeven van adrenaline). Emoties kunnen dus gezien worden als lichamelijke processen die zowel psychologische als cognitieve en gedragsmatige implicaties hebben voor het organisme.

    De meeste onderzoekers nemen aan dat we van nature een primaire set emotiesystemen meekrijgen maar dat deze ook aangepast kunnen worden door leerprocessen en culturele invloeden. Een fundamentele aanname is wel dat emoties genetisch gecodeerde responssystemen zijn die geactiveerd worden door biologisch of evolutionair relevante situaties. Dit is gevonden in dierstudies waarbij dieren die in strikte laboratoriumomstandigheden waren opgevoed toch klassieke angstreacties lieten zien. Het gaat om een selectief leerproces: angstreacties worden veel makkelijker aangeleerd voor biologisch relevante stimuli (bijvoorbeeld een slang) dan voor irrelevante stimuli (bijvoorbeeld een bos bloemen).

    Samengevat; evolutie heeft ons voorzien van een aantal redelijk automatische reacties op stimuli die gevaarlijk of juist voordelig waren voor onze voorvaderen. Deze stimuli worden nog steeds gezien als belangrijke oorzaken van onze emotionele reacties.

    Opvallend is dat tussen culturen - en ook tussen soorten – de gezichtsuitdrukkingen die bij bepaalde basale emoties (zoals boosheid, angst, blijheid, verdriet en walging) horen vrijwel gelijk zijn.

    Emoties zorgen dat een reeks processen in gang wordt gezet om een onmiddellijk en dringend probleem op te lossen. Angst zorgt er bijvoorbeeld voor dat de op dat moment actieve processen worden onderbroken, zodat de aandacht snel gericht kan worden op potentieel gevaar.

    Emoties als sociaal construct

    Volgens deze benadering zijn emoties helemaal geen biologische fenomenen, maar sociaal geconstrueerde verhaaltjes die vorm en betekenis geven aan onze sociale omgeving. Hier zijn emoties dus een aangeleerd product van cultuur, die helpen met het definiëren van waarden en verschillende rollen. Verschillende culturen waarderen emoties op verschillende manieren en dat speelt een belangrijke rol in hoe mensen bepaalde emoties ervaren. In plaats van een universele set emoties heeft elke cultuur dus een andere set emoties. Deze theorie wordt bevestigd door het feit dat verschillende talen ervoor zorgen dat emoties verschillend worden uitgedrukt.

    Verschillende culturen kijken verschillend naar het individu. Het onafhankelijke zelf is een vorm van individualisme (veelvoorkomend in westerse culturen), waarbij onafhankelijkheid van anderen als waardevol wordt gezien. Gedrag wordt gezien als een product van interne factoren zoals persoonlijke motivatie. Daartegenover staat het onderling afhankelijke zelfzelf, dit komt meer voor in collectivistische culturen (zoals in Azië). Hierbij is het zelfconcept afgeleid van de contacten met andere mensen. Identiteit en status zijn een product van connecties met belangrijke groepen zoals familie, in plaats van persoonlijke prestaties. Gedrag wordt hierbij dus verklaard door externe factoren.

    Uit onderzoek van Kitayama blijkt dat mensen uit culturen waar wordt uitgegaan van een onafhankelijk zelf, minder negatieve emoties voelden naarmate zij meer positieve emoties voelden. Dit is in overeenstemming met de westerse cultuur, waarin mensen worden aangemoedigd om de nadruk te leggen op positieve emoties en negatieve emoties te minimaliseren. Mensen uit culturen met een onafhankelijk zelf blijken ongeveer evenveel positieve als negatieve emoties te ervaren. Dit is consistent met de cultuur, waarin het behoud van harmonie en balans belangrijker is dan het ervaren van positieve gevoelens.

    Omgaan (coping) met de omgeving verschilt ook per cultuur. In westerse culturen wordt van mensen verwacht dat zij hun eigen wil aan de situatie opleggen en proberen de omgeving te veranderen. In oosterse culturen daarentegen, wordt van mensen verwacht dat zij zichzelf aanpassen aan moeilijke situaties. Dit betekent dat verschillende emoties heel verschillend gewaardeerd worden in beide culturen. Boosheid wordt in oosterse culturen bijvoorbeeld als negatief gezien omdat het een teken is dat de persoon zich niet aanpast aan de situatie en daarmee de balans verstoort.

    Sommige emoties zijn uniek voor een bepaalde cultuur, bijvoorbeeld de emotie amae in Japan. Deze emotie is een fijn gevoel dat voortkomt uit een gevoel van saamhorigheid, vooral wanneer dit voortkomt uit complete afhankelijkheid van een ander persoon. Deze emotie wordt niet vaak ervaren in westerse culturen, omdat het in strijd is met het bereiken van onafhankelijkheid anautonomie. Deze unieke emoties helpen mensen om efficiënt om te gaan met de eisen die door hun sociale verantwoordelijkheden gesteld worden binnen een cultuur.

    Emoties als resultaat van de perceptie van lichamelijke veranderingen

    Binnen deze stroming bestaan twee empirische benaderingen. De eerste is de James-Lange theory of emotions, een aanname dat emoties ontstaan als gevolg van onze perceptie van een lichamelijke toestand. Dus als we een beer zien, ervaren we een reeks lichamelijke veranderingen (activatie van het autonome zenuwstelsel) en de perceptie hiervan is de emotie.

    Deze theorie is recent herzien door Damasio, met zijn somatic-marker hypothesis. Deze stelt dat emotionele ervaringen worden veroorzaakt door de perceptie van veranderingen in een grote reeks lichamelijke processen. Hierbij identificeert Damasio meer veranderingen dan James en Lange, onder andere biochemische en hormonale indicators. Ook vond hij dat een emotionele staat soms al voorkomt wanneer er nog geen veranderingen in het lichaam zijn gesignaleerd. We kunnen dus een emotie ervaren zonder de daadwerkelijke lichamelijke reacties. In tegenstelling tot James en Lange, hoeven emoties volgens Damasio niet per sé bewust ervaren te worden.

    Emoties als resultaat van cognitieve evaluatie

    Deze stroming stelt dat een cognitieve evaluatie van het belang van een object een goede indicator is voor een emotionele respons. Het centrale idee van deze theorie is dat de manier waarop we het belang van gebeurtenissen om ons heen evalueren en taxeren, bepaalt wat voor emotie we voelen. Dus cognitieve evaluaties zijn evaluaties van de relaties tussen het zelf en de omgeving. Wanneer een verandering in de omgeving relevant is voor ons, resulteren deze evaluaties in specifieke acties en uitkomsten die worden gevoeld als emoties.

    Deze theorie kan verklaren waarom verschillende mensen op verschillende momenten zulke verschillende emoties kunnen voelen als reactie op dezelfde gebeurtenis. Het is dus niet de situatie zelf die een emotie veroorzaakt, maar eerder hoe de situatie geëvalueerd wordt ten opzichte van huidige doelen van de persoon.

    Neurowetenschap en cognitieve benaderingen

    De noties dat cognitie belangrijk is voor emoties en dat emoties geïmplementeerd zijn in het brein zijn beide ideeën die al erg lang de ronde doen. Relatief recente verbeteringen in brain imaging instrumenten hebben gezorgd voor een explosie van onderzoeken met menselijke participanten. Sociale en klinische psychologen hebben een reeks gedragstaken ontwikkeld om te onderzoeken welke cognitieve processen invloed hebben op affectieve responsen en vice versa. Het is dus tijd om cognitieve en neurowetenschappelijke benaderingen van emoties dichter bij elkaar te brengen.

    Bestaat er een emotiecentrum in het brein?

    Vroeger werd gedacht dat het limbisch systeem verantwoordelijk was voor alle emoties. Dit idee bleek later incorrect. Het blijkt dat er geen deel van de hersenen aan te wijzen is dat volledig verantwoordelijk is voor emoties. Het is eerder zo dat verschillende combinaties van hersendelen verantwoordelijk zijn voor de verwerking van verschillende emoties.

    Ondanks dat er geen emotiecentrum bestaat, zijn er wel hersenstructuren die een uitzonderlijk belangrijke rol spelen bij emoties. Deze structuren komen verbazingwekkend veel overeen tussen mensen en dieren. Een belangrijk verschil echter is encephalisatie, wat betekent dat mensen een grotere neocortex en frontale cortex hebben dan dieren. Dit heeft in de evolutie gezorgd voor een toename in cognitie, wat een grote invloed heeft gehad op emotionele processing in het menselijk brein. Menselijke emotie wordt verder voor een groot deel beïnvloed door de ontwikkeling van taal. Dus de kernprocessen van emotie vinden grotendeels plaats in subcorticale structuren, maar de gevoelens hebben zich met de evolutie verplaatst naar de corticale regionen.

    De triune brain theory

    De triune brain theory van James Papez is één van de eerste pogingen om uit te vinden hoe emotie geïmplementeerd is in het brein. Sensorische informatie van zowel de externe wereld als de interne processen gaan het brein binnen via een aantal sensorische systemen en bereiken vervolgens de thalamus. Hier wordt de informatie gesplitst in drie paden: de striatale regio (beweging), de neocortex (gedachten) en het limbisch systeem (gevoelens).

    Wat is de basis van neuroanatomie?

    Het menselijk brein kan onderverdeeld worden in drie globale regionen: het cerebrum, de mesencefalon en de hersenstam.

    Het cerebrum bestaat uit de neocortex, herkenbaar aan de gekreukelde vouwen aan de buitenkant van het brein. Verder is het cerebrum onderverdeeld in vier lobben: de frontale, temporale, pariëtale en occipitale lobben.

    De hersenen zijn verdeeld in een linker hemisfeer en een rechter hemisfeer. Alle belangrijke hersenstructuren komen dus eigenlijk twee keer voor; één keer in iedere hersenhelft. Er zijn termen ontwikkeld om te beschrijven naar welk deel van de hersenen gekeken wordt. De richting die naar voren wijst wordt anterieur, rostraal of frontaal genoemd, de richting die naar de achterkant van het hoofd wijst posterieur of caudaal. Omhoog wordt dorsaal genoemd, omlaag (richting de grond) ventraal. Een mediaal gezichtspunt op de hersenen is er wanneer we recht tegen het midden van de hersenen aankijken, wanneer deze doormidden gesneden zouden zijn. Een lateraal gezichtspunt kijkt recht op de buitenkant van de hemisfeer; de kant het verst verwijderd van het centrum.

    Wat is het onderwerp van emotiewetenschap?

    Affectieve processen zijn belangrijk in het reguleren van onze relaties en sociale interacties en helpen ons om effectief met elkaar te communiceren. Ook zijn ze belangrijk om gezond te blijven of juist in het ontwikkelen van ziekte. Tijdens de periode van behaviorisme werd er echter weinig onderzoek gedaan naar emotie omdat er geen objectieve manieren waren om emotie te meten. Tegenwoordig wordt er juist weer veel onderzoek naar emotie gedaan. Er is zelfs een nieuw onderzoeksveld ontwikkeld: affectieve neurowetenschap. Het meeste onderzoek gaat over de interactie tussen emotie en cognitie. Emoties hebben namelijk invloed op cognitieve processen zoals selectieve aandacht, geheugen en het nemen van beslissingen. Andersom kunnen cognities ook invloed hebben op emoties.

    Hoe wordt affect gedefiniërd: emoties, stemmingen en gevoelens?

    • Emoties zijn relatief korte episodes van gecoördineerde hersen-, autonimische en gedragsveranderingen die een reactie op een externe of interne gebeurtenis veroorzaken, die van belang is voor het organisme.

    • Gevoelens zijn de subjectieve representatie van emoties.

    • Stemming is een diffuse affectieve staat met een lagere intensiteit dan emotie, maar die wel veel langer aanhoudt.

    • Attitudes zijn relatief lang aanhoudende, affectieve overtuigingen, voorkeuren en aanleg ten opzichte van objecten en personen

    • Affectieve stijl is een relatief stabiele aanleg die zorgt dat een persoon op een bepaalde manier waarneemt en reageert ten opzichte van mensen en objecten

    • Temperament is een combinatie van affectieve stijlen die al vroeg in het leven zichtbaar worden, en dus waarschijnlijk bepaald worden door genetische factoren

    Wat zijn affect-cognitie interacties?

    Cognitie verwijst naar de mentale processen en gaat er vanuit dat er sprake is van interne, mentale staten (bijvoorbeeld overtuigingen, verlangens en intenties), die geïnterpreteerd kunnen worden in termen van informatieverwerking. Een klassieke definitie van cognitie is: ‘alle processen waarlangs de sensorische input getransformeerd, gereduceerd, uitgebreid, opgeslagen, opgehaald en gebruikt wordt’. Cognitieve psychologie heeft cognitie opgedeeld in kleinere delen, zoals perceptie, aandacht, geheugen, het nemen van beslissingen en probleem oplossen.

    Oatley en Jonson-Laird ontwikkelden de cognitieve theory of emotions, die suggereert dat een primaire functie van bepaalde basisemoties is om een complex cognitief systeem te coördineren. Dit systeem moet zeer flexibel zijn om aan te kunnen passen aan een dynamische omgeving. Emoties hebben als functie om dit systeem wanneer nodig te reorganiseren. Hierdoor komen doelen die relevant zijn voor die specifieke emotie naar de oppervlakte.

    De manier waarop we informatie verwerken kan ons algemene gevoel van geluk en welzijn bepalen. Een positieve blik op het leven leidt vaak tot gelukkig zijn, een negatieve blik op bepaalde situaties kan een neerwaartse spiraal tot gevolg hebben. Individuele verschillen in informatieverwerking kunnen dus indicatief zijn voor serieuze affectieve stoornissen zoals angst of depressie.

    Welke controverses komen voor in het onderzoek naar emotie?

    Er wordt op heel veel verschillende manieren onderzoek gedaan naar emoties. Daardoor worden er ook veel verschillende soorten onderzoeksvragen gesteld. Nog belangrijker zijn de verschillende resultaten die gevonden worden, door verschillende onderzoekstechnieken. Een uitdaging van onderzoek naar emotie is dus om op de één of andere manier alle uitkomsten te integreren.

    Veel uitkomsten die inconsistent lijken, zijn een gevolg van verschillende onderzoekers die dezelfde terminologie gebruiken om zeer verschillende fenomenen te bestuderen. Door voorzichtig te zijn met het definiëren van verschillende termen en door te erkennen dat affect op veel verschillende niveaus onderzocht kan worden, komen we hopelijk dichter bij een algemeen begrip van emoties en de rol die ze spelen in ons leven.

    Access: 
    Public
    Hoe kunnen emoties, stemmingen en gevoelens gemeten worden? - Chapter 2

    Hoe kunnen emoties, stemmingen en gevoelens gemeten worden? - Chapter 2

    Dit hoofdstuk beslaat een korte geschiedenis van wetenschappelijk onderzoek rondom affect, om vast te stellen wat er over het algemeen bedoeld wordt met emoties, gevoelens en stemmingen. Het gaat hier vooral om de verschillende methodes die gebruikt zijn om deze verschillende aspecten van affect te meten.

    Hoe worden emoties en stemmingen gedefiniërd?

    Emotie

    Er is geen eenduidige definitie van emotie. Veel theorieën zijn het er echter wel over eens dat elke emotie bestaat uit een aantal verschillende componenten: subjectieve rapportage, fysiologische respons, cognitieve evaluatie enzovoorts. Elke component vervult een bepaalde functie in het omgaan met een emotionele situatie.

    Een veelgestelde vraag is of cognitieve evaluaties een oorzaak zijn van emotie of er eerder een component ervan zijn. Het component process model stelt dat evaluaties belangrijke componenten zijn en dat emoties alleen ervaren worden als meerdere subsystemen gecoördineerd worden om een adaptieve reactie te veroorzaken op een gebeurtenis die als significant wordt gezien voor het welzijn van een persoon. Vanuit dit perspectief wordt emotie gezien als een voorval van onderling gerelateerde, gesynchroniseerde veranderingen in de toestand van de subsystemen, in reactie op de evaluatie van een interne of externe stimuluswaarneming die relevant is voor het organisme.

    Het erkennen van een cognitieve component in emotie is erg controversieel omdat veel onderzoekers aannemen dat emotie en cognitie compleet aparte – maar interacterende – systemen zijn. Izard stelt bijvoorbeeld dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen een emotie en een emotieschema. Een emotie is enkel een respons op een gebeurtenis en vereist volgens hem geen evaluatie, maar een emotieschema integreert de emotionele respons met ingewikkelde cognitieve evaluaties.

    Het component process model stelt dat alle vijf de componenten (cognitief, lichamelijk, actieneiging, uitdrukking en gevoelens) het grootste deel van de tijd apart van elkaar opereren. Om een emotie te kunnen vormen, moeten deze componenten gedurende een korte tijd gecoördineerd en gesynchroniseerd zijn, en dit proces wordt gedreven door evaluatieprocessen.

    Emoties kunnen begrepen worden als gecoördineerde reacties op een aantal verschillende objecten en situaties, die emotioneel-competente stimuli worden genoemd. De vraag is of elke stimulus die geëvalueerd wordt emotioneel-competent is, of dat er stimuli zijn die eerder als significant beoordeeld worden door hun belangrijke biologische of sociale invloed. Een mogelijkheid is dat stimuli die emoties uitlokken opgedeeld kunnen worden in de categorieën beloningen en straffen. Deze versimpelde verdeling van emotioneel-competente stimuli is een elegante manier om de oorzaak van emoties te beschrijven maar geeft de complexiteit van de stimuli en evaluaties niet goed weer.

    Sommigen stellen dat emoties het beste begrepen kunnen worden als actieneigingen die een organisme voorbereiden om op een bepaalde manier te handelen. Vanuit een evolutionair perspectief kunnen emoties gezien worden als de regelaars van gedrag dat bedoeld is om ons te helpen om te gaan met de eisen van de evolutie.

    Emoties hebben drie unieke eigenschappen:

    1. Emoties zijn geïmplementeerd in het lichaam, ze zijn duidelijk te herkennen aan gedragspatronen, gezichtsuitdrukking en opwinding

    2. Emoties zijn minder gevoelig voor onze intenties dan andere psychologische toestanden

    3. Emoties hebben een grotere reikwijdte dan andere psychologische toestanden, wat duidelijk wordt in hun globale effecten

    Stemming

    Stemming (mood) beschrijft een breed scala aan gevoelens. Stemmingen worden over het algemeen gezien als evaluaties van ons algemene welzijn. Ze kunnen gezien worden als toestanden die iemands algemene positie in het leven weerspiegelen. Dit verklaart waarom een situatie soms wel een verandering in emotie teweeg kan brengen, maar niet per sé in stemming. Stemmingen zijn dus eigenlijk emoties die over een langere periode zijn uitgespreid. Volgens Damasio betekent dit dat de gevoelens en lichamelijke veranderingen die met de emotie verbonden zijn, ook over de tijd worden uitgespreid.

    Hoe worden stemmingen en emoties onderscheiden?

    Emoties zijn van korte duur, ontstaan in reactie op specifieke gebeurtenissen en zijn ze relatief intens met de bijkomende fysiologische opwinding. Dit bevestigt dat het een belangrijke functie van emoties is om aanpassing aan belangrijke gebeurtenissen mogelijk te maken. Tegenover emoties staan stemmingen, die worden gekarakteriseerd als van langere duur en minder intens. De fysiologische opwinding is meer diffuus en stemmingen hebben meer invloed op cognities (in plaats van acties). Stemmingen kunnen ontstaan door de invloed van emoties.

    Emoties zijn gerelateerd aan specifieke objecten of gebeurtenissen, terwijl stemmingen deze duidelijke focus missen. Dit kan verklaard worden door het feit dat een stemming ook wel wordt gezien als een emotie zonder de cognitieve evaluatie van de eigenschappen van een stimulus. Er is dus geen directe stimulus nodig om een stemming te veroorzaken.

    Een andere theorie stelt dat stemming altijd aanwezig is als een soort affectieve achtergrond voor ons dagelijks leven. Het kleurt onze cognitieve processen, terwijl emoties gezien kunnen worden als verstoringen in deze achtergrond. Emoties zorgen dus meer voor kortdurende veranderingen in de manier waarop we de wereld zien.

    Hoe wordt affect in het algemeen gemeten?

    Er is een breed scala aan meetinstrumenten voor zowel emoties als stemmingen. Sommigen focussen op subjectieve zelf-rapportage: aan iemand vragen hoe deze zich voelt. Anderen focussen op fysiologische- en gedragsindicators, terwijl weer anderen direct hersenactiviteit meten. Een uitdaging is om stemmingen en emoties op te wekken in een laboratoriumsetting. Dit kan bijvoorbeeld met de mood induction procedure, een techniek waarbij mensen een lijst met stellingen over zichzelf lezen die ofwel verdrietig, ofwel blij zijn. Dit is een effectieve techniek, maar het is niet altijd duidelijk of het een stemming is of een emotie die wordt opgewekt. Om echte emoties op te wekken worden vaak emotioneel competente stimuli gebruikt, zoals een boos gezicht. Meer cognitieve taken (bijvoorbeeld het herinneren van een traumatisch voorval) hebben eerder de neiging om een stemming op te wekken.

    Hoe worden emoties gemeten?

    Emoties worden vaak vergezeld door een gevoel. Deze bewuste gevoelens kunnen alleen gerapporteerd worden uit de eerste hand, deze zelf-rapportage kan dus niet vervangen worden door alle andere componenten die we meten van emotie. We kunnen echter ook geen volledig beeld van emoties krijgen zonder fysiologische- en gedragsmetingen uit te voeren.

    Meten van de gedragsaspecten van emoties

    Een vorm van gedrag die duidelijk gelinkt is aan emotie is gezichtsuitdrukking. Andere gedragingen zijn bijvoorbeeld schreeuwen bij angst, of bij woede. Een probleem voor onderzoekers is echter dat mensen goed zijn in het onderdrukken van deze gedragingen: een verdrietig persoon kan zijn best doen om vrolijk over te komen op zijn omgeving. Daarnaast verschilt het per cultuur of het gepast is om een bepaalde emotie te tonen. In Japan is het bijvoorbeeld ongepast om boosheid of agressie te laten zien.

    Observatietechnieken worden gebruikt om kinderen of dieren te observeren in hun natuurlijke omgeving, waardoor verschillende gedragsreacties bekeken kunnen worden in relatie tot de aanwezigheid van een bepaalde stimulus. Veel diersoorten laten een reeks gedragingen zien die indicatief zijn voor emotionele toestand, vooral angst.

    Charles Darwin was één van de eersten die gezichtsuitdrukkingen bestudeerde. Zijn conclusie was dat soortgelijke gezichtsuitdrukkingen over de hele wereld soortgelijke emoties aanduidden. Ekman vond hetzelfde door zijn onderzoek met een geïsoleerde groep mensen uit Papua Nieuw-Guinea, die in staat bleken om emoties af te leiden van de gezichtsuitdrukkingen van blanke Amerikanen. Dit wijst erop dat gezichtsuitdrukkingen universeel in plaats van cultureel bepaald zijn.

    Meten van de fysiologische aspecten van emoties

    Behalve met gedragsresponsen, zijn emoties ook geassocieerd met een scala aan fysiologische reacties, zoals een verhoogde hartslag, zweethanden of de afgifte van grote hoeveelheden hormonen. Bij een extreme angstreactie wordt bloed weggevoerd van langzame processen zoals vertering en aangevoerd bij spieren en in de hersenen, om een snelle vecht- of vluchtreactie mogelijk te maken. Al deze fysiologische veranderingen worden gestuurd door het autonome zenuwstelsel. Dit stelsel zorgt voor de functieregulatie van het interne milieu van het lichaam en bestaat uit twee delen. Het sympathische zenuwstelsel controleert de effecten van opwinding, het parasympatische zenuwstelsel controleert de effecten die optreden wanneer we ons in rusttoestand bevinden. Algemene technieken die worden gebruikt bij het meten van fysiologische responsen in emotion science zijn: skin conductance response (SCR), meten van hartslag (HR), meten van bloeddruk (BP), meten van cortisolwaarde, elektromyografie (EMG) en meten ademhalingsritme.

    Meten van de neurale aspecten van emoties

    Ondanks dat bepaalde structuren die deel uitmaken van het limbisch systeem (cingulate cortex, hippocampus, thalamus, hypothalamus, amygdala) belangrijk zijn voor emoties, wijst recent onderzoek uit dat verschillende hersencircuits verschillende aspecten van emoties controleren. Daarnaast zijn veel van deze hersendelen naast bij emotie ook betrokken bij andere functies.

    Veel van wat we weten over de hersenen en emotie komt van dierstudies, waarbij specifieke delen van de hersenen werden verwijderd en er vervolgens gekeken werd welke veranderingen er optraden. Een andere veelgebruikte techniek is single cell recording. Hierbij wordt een elektrode diep in de hersenen ingebracht die direct de activiteit van een enkel neuron of een kleine groep neuronen kan meten.

    De meeste vooruitgang in het onderzoek naar de neurale basis is echter geboekt door de ontwikkeling van functional imaging van het brein. Verschillende technieken zijn positron emission tomography (PET), functional magnetic resonance imaging (fMRI), electroencephalography (EEG) en magnetoenchephalography (MEG). PET en fMRI werken beide door het meten van veranderingen in de bloedstroom in verschillende hersendelen. Actievere delen gebruiken meer zuurstof en krijgen dus meer bloed. EEG werkt door elektrische activiteit in het brein te meten. Hieruit kunnen we een meting verkrijgen genaamd event-related potential (ERP), een specifiek elektrisch signaal dat optreedt in reactie op een specifieke stimulus. MEG maakt gebruik van een apparaat dat het magnetische veld kan meten dat ontstaat door de elektrische activiteit in de hersenen.

    Meten van de subjectieve aspecten van emoties

    Veel mensen vinden dat de subjectieve component van emoties het belangrijkst is, omdat hoe een emotie voelt vaak het meest saillant voor ons is. Introspectie (‘de eigen geest inkijken’) is lange tijd een belangrijke methode geweest om emoties te onderzoeken. Tegenwoordig wordt het bijna niet meer gebruikt omdat het geen betrouwbare methode blijkt te zijn. Mensen hebben namelijk vaak geen goed beeld van de oorzaken van hun eigen gedrag. We hebben een natuurlijke neiging om te zoeken naar een redelijke verklaring voor ons gedrag, ook al is deze verklaring vaak fout. Daarnaast hebben we ook geen goed beeld van de oorzaken van onze emoties; stimuli die we onbewust binnenkrijgen kunnen nog steeds ons gedrag beïnvloeden.

    Backward masking is een techniek waarbij een targetstimulus heel kort te zien is, waarna vrijwel meteen een maskerende stimulus wordt getoond. De proefpersoon is zich niet bewust dat hij de targetstimulus gezien heeft maar wanneer dit een angstopwekkend beeld is, ontstaat er toch een lichamelijke angstreactie. Dit bewijst dat een emotionele reactie kan ontstaan zelfs wanneer er geen bewuste herkenning van de stimulus plaatsvindt.

    Het is belangrijk om methodes te ontwikkelen voor het meten van subjectieve ervaringen. Het bijhouden van een dagboek is een voorbeeld van een veelbelovende techniek maar deze wordt nog niet vaak gebruikt. Wat op dit moment wel vaak gebruikt wordt zijn vragenlijsten, ontwikkeld om mensen de mogelijkheid te geven hun subjectieve gevoelstoestand te rapporteren.

    Vragenlijsten om emoties mee te meten

    Bij een vragenlijst is het belangrijk om onderscheid te maken tussen state en trait-aspecten van emotie. Dat betekent dat van tevoren goed bedacht moet worden of er gevraagd gaat worden naar de gevoelens op het moment dat de vragen worden gesteld (state), of naar meer algemene gevoelens (trait). State-emoties hebben vaak een bredere range van intensiteit dan trait-emoties en refereren naar een specifieke gebeurtenis van beperkte duur. Als iemand een bepaalde trait-emotie bezit, betekent dit dat hij of zij geneigd is die emotie vaker te ervaren in verschillende situaties.

    Meten van de cognitieve aspecten van emoties

    Wanneer we het hebben over de cognitieve aspecten van emoties, bedoelen we de fundamentele neigingen in de perceptie, aandacht en het geheugen. De meest gebruikte meting is simpelweg reactietijd, die heel precies aangeeft hoe snel iemand een motorische of verbale reactie kan geven op een bepaalde stimulus. Het blijkt dat de verwerking van negatief geladen woorden (zoals ‘kanker’ of ‘falen’), sneller gaat dan bij positief geladen woorden (zoals ‘vakantie’ of ‘prijs’).

    Naast reactietijd wordt geheugen ook gebruikt als meetbaar concept. Wanneer mensen bijvoorbeeld een aantal positief geladen en negatief geladen woorden te zien krijgen en we ze later vragen zo veel mogelijk van deze woorden te herhalen, blijkt dat mensen over het algemeen de negatieve woorden beter onthouden.

    Samengevat wordt voor het meten van emoties dus vooral gekeken naar de gedrags-, fysiologische-, en neurale componenten ervan. Er bestaat wat controverse over of de cognitieve factoren (evaluaties en neigingen) ook componenten van emoties zijn, of toch oorzaken van emoties. Ook de subjectieve aspecten zijn belangrijk, hoewel er onenigheid bestaat over de kwaliteit van de bestaande metingen hiervan.

    Hoe worden stemmingen gemeten?

    De termen emoties en stemmingen worden vaak door elkaar gebruikt, dit gebrek aan een duidelijke scheidslijn zou wel eens een remmend effect gehad kunnen hebben op de ontwikkeling van het onderzoek naar de twee fenomenen. De meeste van de bovengenoemde metingen kunnen gebruikt worden voor zowel emoties als stemmingen. Het is dan ook niet altijd duidelijk welke van de twee precies gemeten wordt.

    Meten van de fysiologische en neurale aspecten van stemmingen

    De eerder genoemde brain-imagingtechnieken EEG, PET, fMRI en de fysiologische metingen van hartslag en cortisol-afgifte zijn ook te gebruiken voor het bestuderen van stemmingen. Dit heeft zelfs voordelen; omdat stemmingen van langere duur zijn, is er meer tijd om de effecten te bekijken. Een probleem is echter dat het meeste dat we weten van stemmingen afkomstig is uit onderzoek naar stemmingsstoornissen zoals depressie.

    Uit dit onderzoek blijkt dat een verminderde aanwezigheid van neurotransmitters zoals dopamine en serotonine in het lichaam een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van depressie. Volgens de monoamine hypothesis of mood disorders is een depressieve stemming gerelateerd aan een verminderde aanwezigheid van monoamine neurotransmitters (met name serotonine en noradrenaline) in de hersenen. Andersom leidt een verhoogde aanwezigheid van deze transmitters in de hersenen tot een positieve stemming. De hypothalamic-pituitary-adrenal (HPA) as is verantwoordelijk voor de afgifte van de neurotransmitters (vooral cortisol) die te maken hebben met stress. Een overactieve HPA-as wordt in verband gebracht met angststoornissen en stemmingsstoornissen, die vaak samen voorkomen.

    Een interessant feit is dat de HPA-as gereguleerd wordt door de amygdala en de hippocampus, die beide van groot belang zijn voor affect. Activiteit in de amygdala (vaak gerelateerd aan angst) stimuleert de HPA-as, terwijl activiteit in de hippocampus deze onderdrukt. De hippocampus bevat glucocorticoïd receptoren, die cortisol uit de HPA-as binden. Hierdoor weet de hippocampus wanneer de activiteit in de HPA-as onderdrukt moet worden. Een reductie van het aantal van deze receptoren verklaart dan ook een deel van de te hoge activiteit van de HPA-as bij depressie en angststoornissen. Deze reductie van de receptoren kan een gevolg zijn van verwaarlozing en mishandeling in de kindertijd. Dit heeft grotere gevolgen voor stemmingstoestanden dan voor emoties.

    Uit onderzoek naar neurale structuren, blijkt dat emoties met name gemedieerd worden door onder andere de amygdala en de anterieur cingulate cortex (ACC). Deze structuren werken strak samen met motorcircuits en kunnen daardoor actie-georiënteerde responsen veroorzaken, getriggerd door perceptie. Stemmingen daarentegen worden in verband gebracht met een meer verfijnde cognitief-georiënteerde respons, getriggerd door complexe cognitieve processen. Deze zijn voornamelijk gelokaliseerd in de prefrontale cortex (PFC).

    Meten van de cognitieve aspecten van stemmingen

    De meest gebruikte onderzoeksstrategie in dit veld is om de effecten van stemming op geheugen of sociale oordelen te meten. Dit wordt gedaan door het veroorzaken van een bepaalde stemming, waarna een geheugentaak gedaan moet worden waarin negatief of positief geladen woorden onthouden moeten worden. Deze moeten later, wanneer de persoon weer in een neutrale stemming is, herhaald worden. Uit dit soort onderzoek is mood congruent encoding gevonden, wat betekent dat mensen in een bepaalde stemming meer geneigd zijn om informatie te herinneren die consistent is met die stemming. Met andere woorden, de huidige stemming bepaalt ook of mensen neigen een positieve of negatieve voorspelling over hun toekomst te maken. Stemming bepaald door het weer, kan van invloed zijn op ons gevoel van welzijn en onze tevredenheid met het leven. Wanneer mensen in een goede stemming zijn, identificeren ze sneller blije woorden, maar wanneer ze in een slechte stemming zijn identificeren ze eerder verdrietige woorden.

    De ervaring van emoties en stemmingen

    Een belangrijke component van emoties en stemmingen is de bewuste ervaring van affect; de gevoelstoestanden die zulke essentiële ingrediënten zijn van menselijke emotie. Wanneer we in het dagelijks leven over emoties praten, hebben we het eigenlijk altijd over hoe we ons voelden in deze situaties. Sommigen stellen zelfs dat affectieve responsen (emoties en stemmingen) en gevoelens zo dicht bij elkaar liggen dat het geen zin heeft om ze van elkaar te onderscheiden. Damasio is het daar echter niet mee eens. Volgens hem zijn gevoelens de mentale representatie van de fysiologische veranderingen die optreden tijdens een emotie, of tijdens een stemming.

    Wat en hoe voelen we?

    Het is nog niet zo lang geleden dat emoties en gevoelens voor het eerst als aparte concepten behandeld werden in het onderzoek naar affect. Dat dit eerder niet gebeurde, zou te wijten kunnen zijn aan het feit dat onderzoekers gebruik moeten maken van de onbetrouwbare introspectietechnieken. Er komt steeds meer bewijs dat emoties en stemmingen alleen in het bewustzijn gevoeld worden als toestanden van ofwel genoegen ofwel ongenoegen. De mentale representatie van een emotie geeft dan aan of de mate van genoegen (of ongenoegen) hoog of laag is. Gevoel is een complexe combinatie van informatie uit allerlei verschillende systemen, die de valentie en opwinding representeert in het bewustzijn.

    Damasio bedacht de first-order bodily representations: zowel het eigen lichaam en een extern object zijn opgeslagen als neurale patronen, dit zijn de first-order maps. Op basis van veranderingen in deze maps die gerelateerd zijn aan veranderingen in het lichaam, kunnen second-order maps gevormd worden. Deze geven de relatie tussen het externe object en het lichaam weer. Second-order bodily representations houden in dat de neurale patronen uit de second-order maps mentale afbeeldingen vormen die de relatie beschrijven; dit zijn volgens Damasio de gevoelens. Ze helpen om geïntegreerde feedback te geven, die weer aangepast kan worden door voortdurende ervaringen. Volgens Damasio zijn gevoelens dus het bewustzijn van de biologische functies en dit bewustzijn zorgt dat we de verschillende emoties kunnen onderscheiden. Gevoelens zijn daarmee dus afhankelijk van bewustzijn.

    Meten van de neurale en fysiologische aspecten van gevoelens

    De moeilijkheid in het ontdekken van de neurale basis van gevoelens is dat gevoelens per definitie privé mentale toestanden zijn. Daarnaast ontstaan gevoelens pas na emoties, waardoor het moeilijk is om de functionele neuroanatomie van emoties te scheiden van die van gevoelens. Velen hebben geprobeerd gevoelens te onderzoeken door mensen herinneringen op te laten halen van emotioneel beladen momenten. Helaas werd er bij vrijwel geen van deze studies een significant verschil gevonden tussen de hersenactiviteit bij verschillende gevoelens.

    Wanneer de activiteit werd vergeleken met een baseline, werd er wel gevonden dat bij alle verschillende stemmingen sprake was van een verhoogde activiteit in de ponsen hypothalamus. Deze vinding ondersteunt de theorie dat gevoelens geassocieerd zijn met veranderingen in de autonome zenuwfuncties, die gecontroleerd worden door dezelfde hersendelen.

    Access: 
    Public
    Welke individuele verschillen in emotionele reacties en emotieregulaties zijn er? - Chapter 3

    Welke individuele verschillen in emotionele reacties en emotieregulaties zijn er? - Chapter 3

    Er zijn duidelijke individuele verschillen in hoe mensen reageren op affectieve stimuli. Het meeste onderzoek gaat echter vooral over hoe mensen in het algemeen reageren. Dit hoofdstuk focust op de manieren waarop mensen verschillen in hoe ze hun affectieve toestand ervaren en hoe ze affectieve situaties verwerken, reageren en reguleren.

    Wat is temperament?

    Temperament kan beschreven worden als de neiging om op een bepaalde manier te reageren op een breed scala aan situaties. Deze neigingen staan zeer waarschijnlijk in verband met bepaalde neurale circuits. Twee fundamentele aspecten van temperament zijn hoe gemakkelijk emotionele opwinding ontstaat (reactiviteit) en hoe goed iemand is om deze opwinding onder controle te houden (zelfregulatie). Zelfregulatie heeft te maken met een reeks processen, waaronder aandacht mechanismen, benaderingsgedrag, ontwijking, aanval enzovoorts. Dat wijst erop dat de hersenen zowel excitatory (opwekkende-) als inhibitory (onderdrukkende-) circuits bevat. Iemand met een sterk inhibitoir circuit is beter in staat om zijn reacties onder controle te houden. Er wordt aangenomen dat genen een sterke invloed hebben op temperament.

    Thomas en Chess vonden in hun onderzoek dat er drie soorten kinderen zijn (onderverdeeld op temperament): “makkelijke” kinderen, kinderen die moeilijk op gang komen en “”moeilijke kinderen. Het bleek dat “moeilijke” kinderen een grotere kans hadden om op latere leeftijd psychiatrische problemen te ontwikkelen. Dit heeft zeer waarschijnlijk te maken met de manier waarop emoties worden geuit en gereguleerd, dit vormt de basis van temperament.

    Wat is persoonlijkheid?

    Persoonlijkheid is vaak verward met temperament. Een belangrijk verschil is echter dat temperament vaak getest wordt bij kinderen, om de invloed van ontwikkeling en genen te onderzoeken. Persoonlijkheid wordt juist vaak onderzocht bij volwassenen, vooral bij diegenen die last hebben van psychologische problemen. Persoonlijkheid treedt, net als temperament, op als een factor die emotionele reactiviteit en reguleringsprocessen bepaalt.

    Zelf-rapportage-technieken zijn vaak gebruikt om de persoonlijkheidsfactoren (traits) te onderzoeken, die ons iets kunnen vertellen over hoe uniek een persoon is en hoe mensen van elkaar verschillen. Een definitie van persoonlijkheid is: de dynamische organisatie binnen een individu van de mentale en biologische systemen die de karakteristieke gedragingen en gedachten bepalen. Volgens Allport zijn karaktereigenschappen niet alleen labels voor verschillende gedragingen, maar ook neuropsychologische structuren die daadwerkelijk bestaan binnen een persoon. Geen twee mensen hebben exact dezelfde persoonlijkheid, maar we gebruiken wel veelvoorkomende eigenschappen om mensen in te delen in meer algemene termen (vrolijk, betrouwbaar, etc.). Persoonlijkheidsfactoren zijn belangrijk omdat ze de kernaspecten van persoonlijkheid vormen en deze bepalen hoe een bepaalde situatie wordt geïnterpreteerd. Dit is weer van invloed op gedrag.

    De trait-benadering van persoonlijkheid

    Cattell stelde dat er drie belangrijke bronnen van persoonlijkheidsdata zijn. L-data is een verzameling van informatie over iemands leven, zoals schoolarchieven en beoordelingen van anderen in de omgeving. Q-data komt voort uit een zelf-rapportage vragenlijst of een interview, waarbij iemand een beschrijving van zichzelf geeft. Als laatste is er T-data, wat voortkomt uit een objectieve test, een perceptuele taak. In persoonlijkheidsonderzoek rondom emoties wordt het meeste gebruik gemaakt van Q-data.

    Cattell ontwikkelde ook een schaal met 16 kern-persoonlijkheidsfactoren (16-PF scale). Elk van de 16 eigenschappen staat voor een continuüm tussen twee extremen, bijvoorbeeld conservatief-experimenteel. Norman vond vervolgens dat de 16 eigenschappen van Cattell nog eens op te delen waren in vijf kernfactoren. Recent onderzoek sluit zich aan bij Norman en de uiteindelijke big five van persoonlijkheidsfactoren bestaat uit extraversie, ordelijkheid, inschikkelijkheid, emotionele stabiliteit en openheid voor ervaringen. Een vragenlijst (de NEO-Personality Inventory) is ontwikkeld om deze vijf factoren te meten.

    Kritiek op de trait-benadering

    Het vijf-factormodel van persoonlijkheid mist een aantal belangrijk aspecten, zoals religie, manipulatie, eerlijkheid, mannelijkheid/vrouwelijkheid, gevoel voor humor enzovoorts. Deze aspecten zijn wel degelijk in staat om reacties op affectieve situaties te beïnvloeden. Verder is uit onderzoek gebleken dat de vijf factoren niet helemaal onafhankelijk van elkaar zijn. Daarnaast houdt het geen rekening met culturele verschillen en geldt dus waarschijnlijk alleen in westerse culturen, waar men uitgaat van een onafhankelijk zelf. Er wordt namelijk geen rekening gehouden met invloeden vanuit de omgeving, zoals familie en andere sociale groepen.

    Wat zijn de invloedrijke theorieën over persoonlijkheid?

    Eysenck’s model

    Eysenck ontwikkelde een model van menselijk temperament, dat twee belangrijke dimensies van persoonlijkheid bevatte: introvert/extravert en neurotisch/stabiel. Introverten zijn wat meer teruggetrokken, minder sociaal actief, stil en introspectief, terwijl extraverten sociaal actief, blij, impulsief en assertief zijn. Deze dimensie heet extraversioe-positievaffectiviteit (E-PA). Neuroticisme bestaat uit een reeks emotionele toestanden (angst, depressie, spanning) en correleert hoog met metingen van - de persoonlijkheidstrek angst. Deze dimensie heet neuroticisme-negatieve affectiviteit (N-NA). Later werd de factor psychoticisme nog toegevoegd, die gekarakteriseerd wordt door egocentrisch, agressief en impulsief gedrag. De drie factoren zijn volledig onafhankelijk van elkaar en worden beïnvloed door de genen. Introverten hebben meer activiteit in de cortex dan extraverten, dit wordt gereguleerd door het ascending reticular activating system (ARAS) in de hersenen. Er zijn meerdere onderzoeken die verschillen in activiteit vonden tussen de dimensies van Eysenck’s model.

    Kagan’s model

    Kagan heeft een tweedimensionaal model van temperament ontwikkeld, waarbij hij vooral geïnteresseerd was in hoe jonge kinderen reageren op onbekende situaties (mensen of objecten). De kinderen werden ingedeeld in twee categorieën: Geïnhibeerd en ongeïnhibeerd. Geïnhibeerde kinderen reageren angstig en gestrest op nieuwe situaties, terwijl ongeïnhibeerde kinderen minder angstig zijn en meer geneigd om de situatie te onderzoeken. De geïnhibeerde kinderen raken snel in een staat van opwinding en ontwikkelen zich tot relatief angstige en voorzichtige individuen. Dat deze kinderen sneller opgewonden raken van een situatie (hoge reactiviteit) komt door een lage drempel voor opwinding in de amygdala en de effecten hiervan op het ventrale striatum, de hypothalamus, cingulate en andere hersendelen.

    Gray’s model

    Gray ontwikkelde een persoonlijkheidstheorie waarbij hij uitging van drie basis-emotiesystemen in de hersenen: een Fight or Flight System (F/FLS), een Behavioural Activation System (BAS) en een Behavioural Inhibition System (BIS).

    Het BIS-systeem zorgt voor de inhibitie van gedrag wanneer een gevaar gedetecteerd wordt, vergroot waakzaamheid en resulteert in een verhoogde opwinding. De input (een gevaarlijke situatie), zorgt voor een conflict met bestaand gedrag en verstoort dit, om een vecht-vluchtreactie mogelijk te maken. Wanneer er sprake is van een approach-avoidance conflict, een conflicht tussen de voordelen van een snelle ontsnapping en die van het verder onderzoeken van de situatie, kunnen anti-angstmedicijnen een verschil maken. Deze zorgen dat de focus verschuift naar approach. Dit is ook de manier waarop deze medicijnen werken bij mensen met een angststoornis. Uit onderzoek blijkt verder dat het septo-hippocampale systeem cruciaal is voor angst. Daarom wordt aangenomen dat de BIS zich bevindt in dit systeem en van daaruit gedragsinhibitie controleert.

    Het F/FLS is betrokken bij directe angstreacties en controleert actief vecht-vluchtgedrag. De keuze voor vechten of vluchten hangt af van de defensieve afstand tussen het gevaar en het individu. Vechten is alleen toepasselijk wanneer het gevaar erg dichtbij is en ontsnappen niet mogelijk is. Dit systeem wordt waarschijnlijk gestuurd door de amygdala en speelt een rol in paniek en fobieën bij mensen.

    Het BAS-systeem houdt zich bezig met reacties op signalen van beloningen of niet-straffen. Wanneer dit systeem geactiveerd wordt, resulteert dat in actief benaderingsgedrag.

    De basis van angstreacties wordt gezien als de activatie van BIS door middel van de gelijktijdige activatie van F/FLS en BAS. Deze gelijktijdige activatie leidt tot een approach-avoidance conflict (F/FLS leidt immers tot avoidance, BAS tot approach) Wanneer dit conflict ontstaat, is de taak van de BIS om de reactie meer in de richting van avoidance te krijgen, omdat het systeem ontworpen is om mogelijk gevaarlijke stimuli meer saillant te maken.

    Twee vragenlijsten zijn ontwikkeld om BIS- en BAS-activering te meten in de vorm van zelf-rapportage. Mensen die hoog scoren op BAS-activering zijn over het algemeen meer gevoelig voor beloningen, terwijl mensen die hoog op BIS-activering scoren meer gevoelig zijn voor straffen.

    Cloninger’s model

    Cloninger ontwikkelde ook een psychobiologisch model van temperament, gebaseerd op het idee dat er drie primaire temperament-typen zijn. Deze typen zijn drie onafhankelijke systemen die zich bezighouden met activatie, handhaving en inhibitie, in reactie tot specifieke soorten stimuli. Onderdeel hiervan zijn automatische responsen die eigenlijk consistente biases in informatieverwerking reflecteren. Na verder onderzoek door vragenlijsten werd nog een vierde factor toegevoegd: volharding. De vier typen worden geassocieerd met verschillende genetische profielen. Elk type bestaat op zichzelf weer uit suptypes.

    De evolutie van temperament begon met de ontwikkeling van het BAS-systeem en het BIS-systeem, waarna verschillende subsystemen toegevoegd werden om het aantal gedragingen te handhaven. Onderzoek suggereert dat het ontwijken van gevaar gerelateerd is aan het norepinefrine-systeem (NE), terwijl het onderzoeken van nieuwe dingen gerelateerd is aan het dopaminerge-systeem (DA). Beloningsafhankelijkheid is gerelateerd aan het serotoninesysteem (5-HT).

    Zelfconcept is ook een belangrijk deel van de menselijke persoonlijkheid. Hoe dit zelfconcept ontwikkelt hangt af van in hoeverre iemand zichzelf identificeert als een autonoom individu, als een integraal deel van de samenleving en als een integraal deel van het universum. Cultuur heeft grote invloed op deze identificatie: mensen in collectivistische culturen zullen zichzelf veel meer als een integraal deel van de samenleving zien, terwijl mensen in individualistische culturen zichzelf veel meer als autonome individuen zien. Cloningen ontwikkelde een meer uitgebreide vragenlijst waarin hij, naast de vier typen temperament, ook drie nieuwe karakterdimensies meenam:

    1. Zelfsturing (self-directedness): de mate van individuele zelfacceptatie

    2. Samenwerking (cooperativeness): de mate van acceptatie van anderen

    3. Zelfoverstijging (self-transcendence): de mate waarin iemand zich een deel van het universum en de natuur als geheel voelt

    Dit zeven-factormodel geeft een veel beter beeld van de menselijke persoonlijkheid dan het vier-factormodel alleen.

    Hoe staan deze theorieën met elkaar in verband?

    Ondanks dat de theorieën data gebruiken uit hele verschillende velden, is er een verbazingwekkende hoeveelheid overlap. De BIS- en BAS-systemen van Gray doen erg denken aan Kagan’s theorie van inhibitie en gebrek aan inhibitie. Gray gaf ook zelf aan dat Eysenck’s neuroticisme een aanwijzing is voor grotere sensitiviteit voor zowel beloning als straf. Extraversie wijst op een grotere gevoeligheid voor beloning, terwijl introversie op een grotere gevoeligheid voor straf wijst. Cloninger’s gevaarvermijding komt overeen met de BIS, zijn verkennen van nieuwe situaties met de BAS. Beloningsafhankelijkheid hangt ook vrijwel zeker samen met de BAS.

    Wat houdt Maslow’s hierarchy of needs in?

    Maslow stelde dat het noodzakelijk is voor het begrijpen van de menselijke persoonlijkheid om te focussen op positieve karaktereigenschappen, in plaats van de negatieve. Hij stelde dat het uiteindelijk doel van behoefte (need) was dat mensen handelen op het hoogst van hun kunnen (i.e. self actualization). De behoefte aan persoonlijke groei motiveert veel van het menselijk gedrag. Maar voordat de behoefte van self-actualization vervuld kan worden, zijn er andere, basisbehoeften die vervuld moeten worden. De meest basale van deze behoeften is de fysiologische behoefte (eten, water, slaap, seks etc.). Daarna komt de behoefte aan veiligheid, gevolgd door de behoefte aan liefde en het gevoel dat we bij een groep horen. Daarboven komt nog de behoefte aan persoonlijke erkenning en respect, wat leidt tot zelfvertrouwen. Pas als al deze behoeften vervuld zijn, kan men door naar self-actualization.

    Mensen die self-actualization hebben bereikt, hebben behoefte aan privacy, hebben een realistische blik op het leven, accepteren zichzelf en anderen en de wereld zoals deze is. Ze zijn vaak spontaan, onafhankelijk en gaan met situaties om op een verfrissende, flexibele manier. Ze zijn zeker van zichzelf en laten zich niet makkelijk beïnvloeden door negatieve meningen van anderen. Blijkbaar kan de drive om te handelen op het hoogst van je kunnen een grote invloed hebben op de affectieve kwaliteit van het leven.

    Wat houdt Affectiestijl in?

    Affectiestijl verwijst naar de mate waarin iemand positief affect (PA), dan wel negatief affect (NA) ervaart in het dagelijks leven. Onderzoek naar affectiestijl wordt gedaan om te kijken naar persoonlijke verschillen in hoe mensen reageren op affectieve situaties en hun affectieve responsen reguleren. De person-environment covariance verwijst naar het feit dat mensen met verschillende temperamenten verschillende omgevingen en stressoren voor zichzelf creëren. Dit komt doordat de manier waarop iemand omgaat met de wereld, een grote invloed kan hebben op de sociale omgeving die we opbouwen. De mate waarin we PA of NA ervaren is afhankelijk van zowel onze evaluatie van een situatie als onze emotionele reactiviteit in deze situatie.

    Componenten van affectiestijl

    Emotieperceptie is een component van affectiestijl, waarbij cognitieve processen bevooroordeeld kunnen zijn in de richting van dan wel positieve, dan wel negatieve stimuli. Verder kunnen individuele verschillen bestaan in alle respons systemen van het lichaam - subjectief, gedragsmatig, fysiologisch, enzovoorts – en in de hersenenactiviteit. Ook de regulatie van emoties (een reeks processen die de sterkte van emotionele reacties vergroot, verkleint of handhaaft) kan verschillen tussen mensen.

    Wat zijn de individuele verschillen in emotionele respons?

    Er is een aantal manieren waarop we kunnen reageren op een emotionele stimulus. Als iets bijvoorbeeld grappig is, kunnen we lachen (gedragsoutput), ons blij voelen (subjectieve ervaring) of zelfs huilen of pijn in onze buik krijgen (fysiologische respons). Daarnaast treden er neurologische en biochemische reacties op. In deze reactiesystemen kunnen individuele verschillen zitten, met name in de drempelwaarde die bepaalt wanneer een emotionele reactie uitgelokt wordt. Het kan ook zijn dat verschillende mensen eenzelfde evaluatie maken, maar dat er een verschil zit in de reactie op die evaluatie. Naast verschillen in drempelwaarden, zijn er ook verschillen in de sterkte van de respons. Angst kan bijvoorbeeld bij de ene persoon zorgen voor een grotere versnelling van de hartslag dan bij een ander. Ook verschilt de tijd die nodig is om het hoogtepunt van de emotionele reactie te bereiken (sommige mensen worden direct boos als iets gebeurt, anderen pas na een paar minuten). Tot slot zijn er verschillen in de hersteltijd en de duur van de respons. Wanneer de hersteltijd van een reactie erg lang is, kan deze overgaan in een langdurige stemming.

    Wat zijn de neurale factoren van individuele affectiestijl-verschillen?

    De meeste focus bij individuele verschillen in affectieve reacties ligt bij asymmetrie in de activiteit van de prefrontale cortex. Uit onderzoek blijkt dat de linker PFC zich bezighoudt met de ervaring van positief affect, terwijl de rechter PFC zich bezighoudt met negatief affect. Individuele verschillen in prefrontale activiteit blijken stabiel te zijn over tijd, een aanwijzing dat deze activiteit behandeld kan worden als een stabiele eigenschap. Een grotere activiteit in de linker PFC wordt geassocieerd met de neiging om een emotionele stimulus te benaderen, terwijl activiteit in de rechter PFC geassocieerd wordt met de neiging om terug te trekken van de stimulus. Veel linker PFC-activiteit leidt ook tot een betere sociale vaardigheid, bij veel rechter PFC-activiteit is dit tegenovergesteld. Extreem verhoogde activiteit in de rechter PFC wordt geassocieerd met toename van angstige emoties.

    De activiteit in de linker en rechter PFC is ook vergeleken met scores op de tests voor BIS- en BAS-activatie. De notie van BIS en BAS is vrijwel gelijk aan de benaderings- en terugtrekkingssystemen. Het is dan ook niet verrassend dat mensen met meer linker PFC-activiteit hoger scoorden op BAS en mensen met meer rechter PFC-activiteit op BIS.

    Interessant is het onderzoek naar boosheid. Boosheid is een speciaal geval, omdat het een negatief geladen emotie is, maar wel één die duidelijk benadering gerelateerd is, in plaats van terugtrekking gerelateerd. Het blijkt dat mensen die vaak boos zijn, meer linker PFC-activiteit laten zien, ondanks dat boosheid dus een negatief affect is. Dit wijst erop dat de activiteit in de linker of rechter PFC meer te maken heeft met benaderings- en terugtrekkingsmechanismen dan met positief of negatief affect.

    Welke Affectregulatie-strategieën zijn er?

    Er zijn veel manieren waarop emoties en stemmingen gereguleerd kunnen worden. Een theorie om deze manieren in kaart te brengen bestaat uit vier overlappende constructen: coping, emotieregulatie, stemmingsregulatie en afweersystemen. Coping focust op het verkleinen van negatieve affectiviteit en omvat alle handelingen om dit doel te bereiken. Emotieregulatie focust op processen die gebruikt kunnen worden om specifieke emoties te reguleren. Stemmingsregulatie focust op processen die doorlopende stemmingen kunnen reguleren. Omdat stemming vaak niet gericht is op een specifiek object, bestaat dit construct uit minder goed gedefinieerde responsen dan emotieregulatie. De afweersystemen zijn processen voor het reguleren van seksuele of agressieve impulsen.

    Wat is emotieregulatie?

    Zoals al eerder genoemd, beslaat emotieregulatie een aantal processen die dienen om de sterkte van emotionele reacties te vergroten, verkleinen of handhaven. Onderzoek naar emotieregulatie bij kinderen focust voornamelijk op externe factoren omdat de mensen om het kind heen veel invloed hebben op hoe een kind leert met de emoties om te gaan. Bij volwassenen wordt voornamelijk gefocust op interne factoren. Veel onderzoek is gedaan naar bewuste regulatie, maar het blijkt dat dit proces ook op een vrij automatische manier kan plaatsvinden.

    Er zijn vijf sets van emotieregulatieprocessen geïdentificeerd: Situatie selectie, situatie modificatie, aandacht verzetten, cognitieve verandering en respons modulatie. De eerste vier vinden plaats nog voordat de evaluatieresultaten gevormd zijn en heten antecedent-focused-strategieën. De response-focused-processen zijn degenen die optreden nadat een respons is gegenereerd.

    Situatieselectie en situatiemodificatie helpen allebei om de eigenschappen van de situatie te vormen. Met andere woorden, deze processen zorgen dat we dan wel meer, dan wel minder geneigd zijn om in een situatie terecht te komen die een bepaalde emotionele lading heeft, en dat we proberen de situatie zo te beïnvloeden dat de emotionele beleving optimaal is. De aandacht verzetten houdt in dat de aandacht gefocust wordt op iets anders dan een negatief geladen emotionele situatie (ogen dichtdoen, aan iets anders denken, etc.). Cognitieve revaluatie wordt gebruikt om de betekenis van een situatie aan te passen, zodat de emotionele impact verandert. Tot slot is er respons modulatie, wat pas voorkomt wanneer de respons is gestart. Een voorbeeld is het gebruik van drugs of sport om de fysiologische of belevingsaspecten van emoties te beïnvloeden.

    Spiegelneuronen zijn waarschijnlijk van belang voor het ontwikkelen van empathie voor anderen. Deze neuronen vuren wanneer we iemand anders iets zien doen, en we krijgen daardoor de neiging om het gedrag na te doen. Het is dan een logische stap om te stellen dat het willen nadoen van een actie ook leidt tot dezelfde gevoelens als die van de andere persoon. Spiegelneuronen vormen een goede basis voor het onderzoek naar onbewuste emotieregulatie.

    Individuele verschillen in emotieregulatie

    Moeizame (effortful) controle processen worden gedefinieerd als het vermogen om een dominante respons tegen te houden om in plaats daarvan een minder dominante respons uit te voeren. Kinderen verschillen erg van elkaar in hun vermogen om dit te doen. Deze verschillen kunnen onderverdeeld worden in overgecontroleerd, ondergecontroleerd en optimaal gecontroleerd. Een goede controle wordt in verband gebracht met betere aanpassing en sociale vaardigheden. Informatie wordt verwerkt op een meer onpartijdige manier waardoor gepast gedrag voor een bepaalde situatie makkelijker is. De mate waarin deze processen gebruikt kunnen worden, heeft een belangrijke invloed op hoe goed iemand het BIS- of BAS-systeem kan onderdrukken (afhankelijk van welke de situatie vereist). Hoe iemand omgaat met boosheid laat ook zien hoe goed hij deze controleprocessen kan inzetten; bij slechte controle is er vaak sprake van open agressie, terwijl goede controle eerder leidt tot verbale omgang met boosheid. Het is ook te verwachten dat scores op de big five van invloed zijn op de mate van controle, maar hoe dat precies in zijn werk gaat is nog niet onderzocht.

    Neurale factoren van emotieregulatie

    De prefrontale cortex (PFC) en anterieur cingulate cortex (ACC) spelen een belangrijke rol in emotieregulatie. Mensen die goed zijn in het verminderen van negatief affect, demonstreren een hogere mate van activatie in het dorsale gedeelte van de ACC. Het verminderen van negatief affect is ook zichtbaar als activatie in delen van de linker ventromediale PFC en verminderde activatie in de rechter amygdala. Het lijkt er dus op dat succesvolle emotieregulatie de activiteit in de amygdala vermindert.

    Access: 
    Public
    Hoe zien categorische benaderingen van de structuur van affect er uit? - Chapter 4

    Hoe zien categorische benaderingen van de structuur van affect er uit? - Chapter 4

    Welke categorieën emoties zijn er?

    Veel onderzoekers zien emoties als voorbeelden van discrete categorieën zoals boosheid, angst, verdriet, blijheid enzovoorts. Vaak wordt een klein aantal emoties ook gezien als basis- of primaire emotie, omdat deze emoties in alle culturen worden teruggezien. Er wordt aangenomen dat verschillende emoties verschillende neurologische structuren hebben, die direct en automatisch geactiveerd worden door de juiste stimuli of evaluaties. Het is belangrijk te noemen dat wanneer we het hebben over basisemoties, het vaak gaat om groepen gerelateerde affectieve toestanden met gedeelde eigenschappen (emotion families), in plaats van specifieke emoties.

    Wat wordt bedoeld met basisemoties?

    Basisemoties worden gezien als de emoties die van belang zijn voor het overleven van de soort, de samenleving of de zelf. Deze biologische benadering is de mees voorkomende, maar biologische mechanismen veroorzaken alleen beperkingen voor gedrag. Sociale factoren zijn ook een belangrijke factor voor het ontstaan van basisemoties. Denk aan emoties als amae in Japan. Amae wordt daar gezien als basisemotie, terwijl het in andere culturen niet voorkomt.

    De categoriebenadering, die stelt dat emoties kenmerkend zijn voor verschillende categorieën (sommigen meer basis dan anderen), blijft tot op heden de meest dominante benadering. Basisemoties zijn gelinkt aan interne lichaamsprocessen die ontstaan zijn uit bepaalde neurale structuren. Ze worden uitgelokt door emotioneel-competente stimuli en kunnen invloed uitoefenen op zowel cognitieve processen als actieneigingen. Daarnaast heeft elke emotie een uniek gevoel. Het belangrijkste element dat zorgt dat emoties van elkaar onderscheiden worden is dat onze evaluatie van een gebeurtenis beïnvloed wordt door onze voorouders, dus door de evolutie.

    Criteria voor basisemoties

    Het centrale idee van een discrete emotie-respons is dat zodra een emotie ontstaat, er een set gemakkelijk te herkennen gedrags- en lichamelijke responsen wordt veroorzaakt. Deze responsen zijn gecoördineerd in de tijd en gecorreleerd in intensiteit. Levenson stelt dat zodra een emotie geactiveerd is, er een aantal subroutines voor de verschillende responssystemen wordt geactiveerd, met gevoel (feeling) als belangrijkste. De anderen zijn gezichtsuitdrukking, verbale uitdrukking, motorische actie en lichamelijke activatie. Een emotie kan ontstaan als onmiddellijk gevolg van een gebeurtenis, of door een evaluatie van de gebeurtenis.

    Er is nog steeds geen duidelijke set criteria voor het onderscheiden van basisemoties. Doordat er steeds verschillende criteria worden gebruikt, worden er ook steeds weer andere emoties aangewezen als basisemoties. Door dit gebrek aan overeenstemming wordt het bestaan van basisemoties wel eens in twijfel getrokken. Echter, ondanks alle verschillende theorieën en criteria, zijn veel onderzoekers het eens dat blijheid, angst, boosheid, walging en verdriet goede voorbeelden zijn van basisemoties.

    Overzicht van empirisch bewijs voor discrete emoties

    Elke emotie wordt gekenmerkt door bepaalde signalen om de affectieve toestand te communiceren naar anderen. Tomkins was de eerste die specifieke responspatronen identificeerde voor de verschillende emoties bij mensen. Het meeste onderzoek hiernaar focust op gezichtsuitdrukking maar er is ook onderzoek gedaan naar verbale uitdrukking. Beide worden hieronder verder uitgelicht.

    Hoe worden verschillende gezichtsuitdrukkingen herkend?

    Sommige emoties worden gekenmerkt door dezelfde gezichtsuitdrukkingen in verschillende culturen of zelfs in verschillende diersoorten. In vroeg onderzoek hiernaar werd gekeken of mensen op basis van foto’s in staat waren om emoties te herkennen uit gezichtsuitdrukkingen. Het probleem hiermee was dat mensen te veel verschillende woorden gebruikten om bepaalde uitdrukkingen te beschrijven. Hieruit ontstond de methode waarbij mensen gevraagd werd voor elke foto de beste beschrijving te kiezen uit een beperkt aantal labels. Deze labels waren meestal de zes basisemoties die hierboven al genoemd werden. Deze techniek verbeterde de accuraatheid aanzienlijk.

    Cross-culturele studies lieten ook veel overeenstemming tussen mensen zien maar deze resultaten werden in twijfel getrokken omdat er misschien sprake was van invloeden van westerse televisie. De oplossing hiervoor was een herhaling van de studie in Nieuw Guinea, waarbij een groep mensen werd onderzocht die zeer geïsoleerd leefden en vrijwel geen contact hadden met de westerse maatschappij. Ook bij deze mensen werd een grote mate van overeenstemming gevonden. Tot slot werden ook nog foto’s gemaakt van de Nieuw Guineanen die verschillende emoties uitdrukten. Deze emoties werden vervolgens weer correct geïdentificeerd door Amerikaanse studenten. De conclusie hieruit was dat bepaalde emoties dus echt universeel bepaald zijn.

    Kritiek op deze theorieën is onder andere dat het gebruik van tevoren vastgestelde labels kan zorgen voor een verhoogde mate van overeenstemming. Daarnaast kan het zijn dat niet de gezichtsuitdrukkingen, maar bepaalde componenten ervan (gefronste wenkbrauwen) het universele signaal zijn.

    Hoe worden intonatie en vocalisatie herkend?

    Het communiceren van emoties kan ook door vocalisatie. Sommige vocalisaties zijn waarschijnlijk ook universeel, bijvoorbeeld het ‘yuck’-geluid dat we maken wanneer we walging voelen, of een schreeuw van angst. De methode om dit te onderzoeken is vergelijkbaar met die voor het onderzoeken van gezichtsuitdrukkingen: participanten luisteren naar zinnen die worden uitgesproken met een bepaalde emotionele toon en de participant moet de emotie identificeren aan de hand van een aantal keuzemogelijkheden. De overeenstemming tussen de participanten was behoorlijk hoog maar de meeste van de kritieken op het onderzoek naar gezichtsuitdrukkingen geldt hier ook weer.

    Ondanks het kleine aantal cross-culturele studies lijkt het erop dat sommige emoties universeel zijn in hun vocale uitingen. Het is wel zo dat hoe minder de taal van de spreker lijkt op die van de participant, hoe minder goed de emotie herkend wordt. Het lijkt er dus op dat cultuur van invloed is op het verbaal uitdrukken van emotie.

    Er is ook neurale activiteit te zien in de auditory cortex. Participanten in een studie van Grandjean moesten een geslacht toewijzen aan een stem die zij hoorden. De stem sprak een niet-bestaande taal op een neutrale of boze toon. De boze toon zorgde voor verhoogde activiteit in de superieure temporale sulcus, wat suggereert dat hersenresponsen versterkt worden door de aanwezigheid van dreigende informatie.

    Sociale interactie kan ook een grote rol spelen bij het herkennen van emotionele intonatie (hetzelfde geldt voor gezichtsuitdrukking). Er is altijd sprake van bepaalde interactie tussen de spreker en de luisteraar. Helaas zijn deze ingewikkelde en snel veranderende processen moeilijk te vangen in een laboratoriumstudie waardoor er nog niet veel onderzoek is gedaan naar dit effect.

    Wat is het bewijs voor emotie-specifieke ANS-activatie in kenmerkende fysiologie?

    Een belangrijke vraag in onderzoek naar emotie is of elke emotie samengaat met een specifiek patroon van fysiologische responsen. Veel studies hebben onderzocht in hoeverre elke emotionele toestand samengaat met unieke activatie van het autonome zenuwstelsel (autonomic nervous system (ANS)). Dit systeem reguleert de automatische systemen in het lichaam (hart en bloedvaten, spijsvertering, ademhaling etc.).

    Omdat de functie van het ANS is om te zorgen voor een consistente en stabiele lichamelijke toestand (homeostase), is het aannemelijk dat de reactie op veel emoties grotendeels gelijk is. Levenson stelt echter dat wanneer een emotie zeer specifiek gedrag vereist, dit ook te zien is al een specifieke verandering in ANS-activiteit. Boosheid en angst zijn goede voorbeelden van zulk soort emoties. Ekman vond ook dat emoties te onderscheiden zijn door specifieke patronen in ANS-activatie, door zijn onderzoek waarin proefpersonen gevraagd werd bepaalde gezichtsuitdrukkingen te vormen. Dit werd gedaan door specifieke aanwijzingen (‘trek je wenkbrauwen op’). Wanneer de gezichtsuitdrukking leek op een prototypische uitdrukking voor een emotie, voelden mensen deze emotie ook vaker. Dit onderzoek is herhaald in andere culturen en daar werd gevonden dat bepaalde ANS-activatiepatronen universeel zijn.

    Welke kenmerkende neurale circuits zijn er?

    Als er een set basisemoties bestaat, zouden we kunnen verwachten dat er neurale activatiepatronen bestaan die specifiek zijn voor elk van deze emoties. Hiernaar is veel onderzoek gedaan bij zowel dieren als mensen, zoals hieronder besproken zal worden.

    Wat houdt dieronderzoek in?

    Sommig onderzoek focust op het identificeren van neurochemische systemen die van invloed zijn op emotionele responsen. Ander onderzoek kijkt naar de rol van specifieke anatomische structuren in de hersenen die van invloed zijn op het leren en uitdrukken van bepaalde emoties. Panksepp stelt dat affectieve processen ontstaan uit subcorticale emotie-actiesystemen, die leiden tot unieke affectieve ervaringen van gevoel. De systemen zijn universeel voor zoogdieren en zijn ontstaan door evolutie. Dit zou te onderzoeken zijn door onderzoek naar dieren te doen maar de kritiek daarop is dat veel soorten alleen emoties zouden hebben en geen gevoelens. Sommige andere onderzoekers stellen dat gevoelens helemaal niet belangrijker zijn dan andere aspecten van emotie. Weer anderen vinden het makkelijker om gevoelens te bestuderen bij mensen, waar ze veel directer gemeten kunnen worden.

    Wat houdt Panksepp’s benadering van emotie-actiesystemen in?

    Panksepp stelt dat de werking van neurotransmittersystemen het belangrijkste aspect van emotie-actiesystemen is. Volgens hem moeten we dieren onder natuurlijke omstandigheden onderzoeken, zodat de neurotransmitters die van belang zijn voor specifieke systemen geïdentificeerd kunnen worden. Deze transmitters kunnen vervolgens gemanipuleerd worden door drugs om te kijken welk effect dit heeft op subjectieve gevoelens.

    Een conclusie van Panksepp is dat affectieve processen in de hersenen verdeeld kunnen worden over drie algemene categorieën die verschillen in de mate van complexiteit: reflectieve affecten, Blue-ribbon (niveau A emoties) en hogere sentimenten. Het idee is dat de basisemoties ontstaan in de middenhersenen en dat de frontale cortex zorgt voor de meer ingewikkelde emoties zoals schaamte, schuldgevoel, jaloezie, et cetera. Verder stelt Panksepp dat er zeven primaire affectieve systemen zijn die als basis gezien kunnen worden en die we te danken hebben aan evolutie. De onderstaande tabel laat zien welke zeven systemen dit zijn met hun belangrijkste neurotransmitters:

     

    Primaire affectieve systemenNeurotransmitters
    SeekingDopamine (+), glutamaat (+), verscheiden neuropeptiden, opiaten (+), neurotensine (+)
    WoedeSubstantie P (+), ACh (+), glutamaat (+)
    AngstGlutamaat (+), verscheidene neuropeptiden, CCK, NPY
    LustSteroïden (+), vasopressine en oxytocine, CCK
    ZorgOxytocine (+), prolactine (+), dopamine (+), opioiden(+/-)
    PaniekOpioiden (-), oxytocine (-), prolactine (-), CRF (+), glutamaat (+)
    SpelenOpioiden (+/-), glutamaat (+), ACh (+)

    * (-) betekent dat de neurotransmitter het prototype inhibeert en (+) betekent dat de neurotransmitter het prototype activeert

    Wat is het verband tussen oxytocine, moederzorg en romantische liefde?

    De peptide oxytocine is cruciaal voor het ontwikkelen van moederlijk gedrag, hechting en mogelijk zelfs romantische liefde. Het is belangrijk voor vrouwelijke seksualiteit en speelt een rol in de bevalling en borstvoeding. Daarnaast heeft het een bredere rol in de ontwikkeling van koestering en moederlijk gedrag. Verschillen in dit gedrag lijken (volgens onderzoek bij ratten) direct gerelateerd te zijn aan verschillen in de hoeveelheid oxytocinereceptoren; hoe meer receptoren, hoe minder angstig en hoe meer moederlijk. Er is ook bewijs voor een link met het panieksysteem: hoe meer oxytocine in de hersenen, hoe minder noodsignalen een ratje afgeeft wanneer het wordt gescheiden van de moeder.

    Het is de vraag of oxytocine echt moederlijke gevoelens beïnvloedt, of eerder direct de specifieke moederlijke gedragingen uitlokt. Deze gedragingen kunnen natuurlijk voorkomen zonder dat er gevoelens bij betrokken zijn. Onderzoek heeft wel uitgewezen dat hechting wordt versneld door een grotere hoeveelheid oxytocine maar het wordt niet duidelijk of dit gemedieerd wordt door gevoelens. Er is geen onderzoek bij mensen gedaan naar de link tussen hersenactivatie door oxytocine en subjectieve gevoelens. Er is wel een onderzoek geweest dat de link tussen oxytocine-reactiviteit en subjectieve gevoelens van liefde bekeek. Hieruit bleek dat er wel een correlatie was met de gedragsindicatoren van liefde, maar niet met de subjectieve gevoelens. Dit is dus een indicatie dat oxytocine geen directe invloed heeft op gevoelens.

    Wat houdt de benadering van LeDoux over angstconditionering in?

    Veel van wat we weten over de neurale paden die betrokken zijn bij angst, komt van studies over angstconditionering. Hierbij wordt een geconditioneerde respons aangeleerd (een angstreactie) op een geconditioneerde stimulus (meestal een geluid). Dit wordt gedaan door het geluid op te volgen met een pijnlijke stimulus die angst veroorzaakt. Na een aantal keer ontstaat de angst al als reactie op het geluid, zonder dat de pijnlijke stimulus aanwezig is.

    De amygdala is de belangrijkste hersenstructuur bij angst. Deze bestaat uit drie belangrijke delen: de corticomediale nuclei, de basolaterale nuclei en de centrale nucleus. Er zijn twee routes die een stimulus kan nemen. De lage route is de snelste route, hierbij gaat de stimulus direct van de thalamus naar de amygdala. De hoge route is iets langzamer, hierbij gaat de stimulus van de thalamus naar de auditory cortex en van daar naar de amygdala, waardoor de stimulus ook bewust wordt waargenomen.

    Contextuele angst-associatie komt voor wanneer een individu al een angstreactie ontwikkelt voor de ruimte waarin de respons geconditioneerd is, zelfs zonder dat er een geconditioneerde stimulus aanwezig is. Dit komt door de hippocampus, die gerelateerd is aan episodisch geheugen.

    Extinction ontstaat wanneer de geconditioneerde stimulus heel vaak voorkomt zonder de pijnlijke prikkel, waardoor het individu leert om niet meer bang te zijn voor deze stimulus. De angstrespons zal langzaam minder worden en uiteindelijk verdwijnen. Dit leerproces vindt voornamelijk plaats in de mediale PFC, samen met andere corticale gebieden, en is van invloed op hoe de amygdala en hippocampus reageren op situaties en stimuli.

    Wat zijn de effecten van amygdalaschade in niet-menselijke primaten?

    Het weghalen van de temporale kwab (die de amygdala bevat), leidt bij apen tot het Kluver-Bucysyndroom, wat zorgt dat de apen zeer tam en niet agressief werden. Daarnaast waren ze niet meer bang voor stimuli waarvoor ze dat voor de ingreep wel waren. Andere effecten van de ingreep waren hyperseksualiteit en een neiging om niet-eetbare dingen te eten, zoals stenen en uitwerpselen. Omdat er meer verwijderd was dan alleen de amygdala, kunnen deze effecten ook door andere hersendelen komen, maar van het gebrek aan angstreacties is later wel aangetoond dat dit door het verwijderen van de amygdala kwam.

    Uit onderzoek naar beschadiging van de frontale kwab blijkt dat dit deel van belang is voor het regelen van de emotionele respons. Zo kunnen er stoornissen ontstaan in uiting van emoties (gezichtsuitdrukkingen etc.) en verstoring van sociale gedragingen. Het goed functioneren van amygdala en PFC is dus van kritiek belang voor de ontwikkeling van sociaal gedrag.

    Welke Laesie-studies in onderzoek bij mensen zijn er?

    Veel van de kennis over hoe emoties zich manifesteren in het menselijk brein komt van studies naar mensen met hersenschade, vaak veroorzaakt door een hersenbloeding, tumor of ongeluk. Een bekend voorbeeld is Phineas Gage, die een ijzeren staaf door zijn hoofd kreeg, daarmee zijn PFC beschadigde, maar het ongeluk overleefde. Hij hield er geen motorische- of taalproblemen aan over, maar zijn persoonlijkheid veranderde van betrouwbaar, vriendelijk en hardwerkend naar ongeremd, ongeduldig en hij hield geen rekening meer met anderen. Phineas Gage was het bewijs dat de PFC voor een groot deel verantwoordelijk is voor het reguleren van emoties.

    Bij mensen met schade aan de amygdala was vooral een verandering in emotioneel gedrag te zien, voornamelijk een vermindering in de herkenning van angstige gezichten. Herkenning van andere emoties blijft wel intact.

    Schade aan de insula en basale ganglia leidt ertoe dat mensen moeite hebben met het herkennen van gezichten en vocalisaties die walging uitdrukken. De herkenning van angst en boosheid blijft wel normaal. Onderzoek naar patiënten met Huntington (waarbij het striatum, een onderdeel van de basale ganglia, beschadigd is), wees ook uit dat dit hersengebied van invloed is op het herkennen van walging. Schade aan de ventrale basale ganglia is echter weer gerelateerd aan het herkennen van boosheid.

    Het zelf ervaren van bovenstaande emoties wordt ook beïnvloed door hersenschade. Het is echter niet zo dat mensen met deze laesies de betreffende emoties helemaal niet meer voelen, ze voelen ze alleen op een afwijkende manier of op afwijkende momenten.

    Hoe werkt angstconditionering bij patiënten met een hersenbeschadiging?

    Voor angstconditionering bij mensen wordt vaak de huidgeleiding gemeten, dit is een goede indicator voor ANS-activatie. Verschillende studies hebben uitgewezen dat de amygdala inderdaad cruciaal is voor het ontwikkelen van geconditioneerde angst bij mensen. De hippocampus blijkt verantwoordelijk voor het expliciet leren van een angstrespons.

    Patiënten met schade aan de amygdala zijn wel in staat te leren welke geconditioneerde stimuli gelinkt zijn aan bepaalde ongeconditioneerde stimuli, maar zij ontwikkelen niet de bijbehorende angstrespons. Patiënten met schade aan de hippocampus daarentegen, waren niet in staat om te leren welke stimuli bij elkaar hoorden, maar ontwikkelden wel een normale geconditioneerde angstrespons. Patiënten met schade aan beide hersengebieden konden niet leren welke stimuli bij elkaar hoorden en ontwikkelden ook geen geconditioneerde angstrespons. Dit wijst erop dat expliciete/hippocampale representaties ontstaan zodat we weten dat een gevaarlijke situatie kan optreden, ook al hebben we dat nooit direct meegemaakt. Impliciete/amygdala-representaties daarentegen, ontstaan zodat we direct op een dreiging kunnen reageren, zelfs als we niet expliciet weten wat deze dreiging is.

    Is de amygdala specifiek voor angst?

    Naast angst, blijkt de amygdala ook betrokken te zijn bij een aantal andere emoties. Zo worden bepaalde neuronen geactiveerd door zowel beloning gerelateerde als straf gerelateerde stimuli. De amygdala reageert ook op een reeks positieve stimuli, maar deze respons wordt sterk beïnvloed door persoonlijkheidseigenschappen. De amygdala is dus niet alleen maar betrokken bij angstreacties.

    Brain imaging van emoties

    Brain imaging maakt het makkelijker om te onderzoeken welke delen van de hersenen verantwoordelijk zijn voor bepaalde emoties, ook bij gezonde participanten. Veel van deze studies hebben emotieperceptie onderzocht door een emotionele stimulus te presenteren en te kijken welke hersengebieden geactiveerd worden bij bepaalde emoties. Meestal worden hier foto’s van gezichtsuitdrukkingen voor gebruikt.

    Vroeg onderzoek vond zeer uiteenlopende resultaten, waarschijnlijk door het lage aantal participanten aan elke studie. Daarom werden er meta-analyses gedaan, waarbij een groot aantal gelijksoortige onderzoeken bij elkaar genomen wordt om een grotere statistische power te creëren. De meta-analyse van Murphy vond dat bepaalde hersengebieden vaker geactiveerd zijn voor bepaalde discrete emoties:

    1. Angst – amygdala

    2. Walging – insula / operculum en globus pallidus

    3. Boosheid – laterale orbitofrontale cortex

    4. Blijheid – rostrale supracallosale ACC / dorsomediale prefrontale cortex (dmPFC)

    5. Verdriet – rostrale supracallosale ACC / dmPFC

    Het lijkt er dus op dat er duidelijk afgescheiden gebieden zijn voor angst, walging en boosheid, maar niet voor blijheid en verdriet. Verder waren gebieden in de PFC en ACC geactiveerd bij alle emoties, wat erop wijst dat deze gebieden waarschijnlijk een meer algemene rol spelen.

    Wat zijn kenmerkende voorafgaande gebeurtenissen?

    Een belangrijke eigenschap van een basisemotie is dat deze voorafgegaan moet worden door een duidelijk aan te wijzen gebeurtenis, anders kan de emotie niet gezien worden als van belang voor overleven. Deze gebeurtenissen kunnen via twee soorten stimuli emoties veroorzaken: biologisch geprimede stimuli en stimuli die responsen veroorzaken door leerervaringen. Je kan bijvoorbeeld leren om bang voor iets te zijn (zoals met conditionering), of je bent van nature bang voor slangen, ook al heb je nog nooit eerder een slang gezien. In veel gevallen speelt een combinatie van deze beide variaties een rol.

    Dit werd zichtbaar in onderzoek van Mineka, waarbij aapjes die nog nooit een slang of een bos bloemen hadden gezien (en voor beiden ook niet bang waren voor het onderzoek) een filmpje kregen te zien waarin een volwassen aap een angstreactie liet zien na het zien van een slang, of na het zien van een bos bloemen. De jonge aapjes lieten vervolgens zelf alleen een angstreactie zien na het zien van een slang, niet bij een bos bloemen. Dit wijst erop dat er een selectief leerproces (beïnvloed door biologische factoren) aan de gang is.

    Wat is het evaluatie-model van emoties?

    Het is duidelijk dat een bepaalde set voorafgaande gebeurtenissen niet altijd dezelfde emoties in iedereen veroorzaken. Het is de evaluatie van de situatie die deze betekenis geeft en vervolgens een basisemotie veroorzaakt. Zo bekeken kunnen basisemoties gereduceerd worden tot basis evaluatie scenario’s. Hierbij is sprake van een kleine set gedragsdoelen, geassocieerd met een kernset van evaluaties. Deze zijn gelijk in alle culturen, wat aantoont dat de evaluaties die aan deze doelen gelinkt zijn resulteren in de basisemoties.

    Evaluaties zijn volgens Arnold gebaseerd op drie dimensies: of de situatie voordelig of schadelijk is, of een belangrijk object aan- of afwezig is en of het object moeilijk te benaderen of te ontwijken is. Deze evaluaties van of een situatie van invloed is op het zelf, resulteren in specifieke actie-tendensen die ervaren worden als emoties. Fundamentele evaluatie wordt ervaren over alle culturen en leidt tot basisemoties, in dit onderzoek ook wel modale emoties.

    Richard Lazarus

    Zijn cognitieve-motivationele-relationele theorie beschrijft dat elke discrete emotie geassocieerd is met een kern relationeel thema. Een evaluatie van zo’n thema leidt tot een emotie. Bijvoorbeeld een kern relationeel thema als geconfronteerd met een onzekere dreiging leidt tot de emotie angst. De lijst lijkt echter erg op een lijst met definities van de verschillende emoties en is daarom niet heel veel waard als verklarend model.

    Oatley en Johnson-Laird

    Een functie van discrete emoties is om te zorgen dat belangrijke levensdoelen behaald kunnen worden. Het idee is dat een gebeurtenis beoordeeld wordt in relatie tot verscheidene doelen. Dit gebeurt automatisch en onbewust en wordt gedreven door een klein aantal basisemoties. Volgens hen heeft een complex organisme zoals wij mensen twee belangrijke problemen: persoonlijke doelen en de onvoorspelbaarheid van de omgeving. De doelen kunnen conflicterend zijn en daarom moet er prioriteit aan sommige doelen gegeven worden. Emoties dienen ervoor om deze prioriteit te kunnen geven, en om de planning aan te passen wanneer een onverwacht voorval plaatsvindt. De verschillende veranderingen zijn gerelateerd aan specifieke basisemoties en kunnen geïdentificeerd worden door cognitieve evaluaties.

    Access: 
    Public
    Hoe zien dimensionele benaderingen van de structuur van affect er uit? - Chapter 5

    Hoe zien dimensionele benaderingen van de structuur van affect er uit? - Chapter 5

    Wat is een dimensionele blik op affect?

    Veel emotiewetenschappers zien emoties en stemmingen als weerspiegelingen van algemene dimensies van ervaringen, in plaats van als discrete categorieën. Hierbij gaat het dus om hoe de wereld ervaren wordt, dit wordt vaak onderzocht door zelf-rapportage. Een aanname is dat emoties voor een groot deel gedefinieerd worden door de verbale labels die we ermee associëren. Het probleem hiermee is dat we niet weten of een bepaald begrip ook echt verwijst naar een biologisch of psychologisch fenomeen. Het kan dus zijn dat onze ervaring van emoties bepaald wordt door onze taal en cultuur, wat zou betekenen dat emoties aangeleerd of sociaal geconstrueerd zijn, in plaats van iets natuurlijks.

    Wat bedoelen we met dimensies?

    Volgens de dimensiebenadering is de menselijke ervaring van emoties, (i.e. het gevoel), het belangrijkste fenomeen dat verklaard moet worden. Deze nadruk op gevoel leidt tot de hypothese dat de wereld ervaren wordt langs brede dimensies, in plaats van categorieën van verschillende emoties. Uit veel onderzoek zijn uiteindelijk twee belangrijke dimensies gekomen waarlangs affect beschreven kan worden: arousal (opwinding) en valence (valentie, positief/negatief).

    Opwinding beschrijft de hoeveelheid energie die we voor ons gevoel beschikbaar hebben. Dit kan lopen van diepe slaap en slaperigheid aan de ene kant van de schaal tot hyperactiviteit aan de andere kant. Opwinding verandert gedurende de dag, afhankelijk van omgeving, tijdstip, activiteiten, weer, etc. Daarnaast is het afhankelijk van persoonlijkheidsverschillen. Deze variaties worden gevoeld als veranderingen in het zogenaamde kern affect, en vormen een belangrijke dimensie van onze subjectieve ervaring van affectieve toestand. Valentie of plezier verwijst naar of de staat waarin we verkeren wordt ervaren als positief of negatief, plezierig of onplezierig.

    Opwinding en valentie lijken universele dimensies te zijn in menselijke ervaringen. De twee zijn de meest saillante dimensies, en het is erg lastig om een derde dimensie toe te voegen die nog net zo onderscheidend is. Het is belangrijk dat opwinding geen apart fenomeen is in de hersenen, maar dat het eerder variaties in de valentie-dimensie weergeeft.

    Criteria voor het identificeren van algemene dimensies van affect

    Het idee dat we een mix van brede dimensies ervaren in plaats van discrete emoties lijkt wat contra-intuïtief, omdat onze perceptie van discrete emoties erg sterk is. Maar wanneer je je een situatie voorstelt waarin je erg bang was en één waarin je erg boos was en deze probeert te beschrijven, is het lastig om verder te gaan dan een beschrijving van opwinding en valentie. Het enige dat de twee dan onderscheidt is perceptie en interpretatie van de context.

    Wat is empirisch bewijs voor dimensies in subjectieve rapportage?

    Description experience sampling metingen van affectieve ervaring

    In de Descriptive Experience Sampling procedure worden grote aantallen mensen getest over verschillende situaties en wordt hen gevraagd hoe ze zich voelen in elke situatie. Sommigen beschrijven hun emoties in meer specifieke termen van emoties, maar alle participanten beschrijven hun gevoel ook naar aanleiding van valentie. Dit geeft aan dat valentie een meer fundamentele eigenschap van affect is dan discrete emotietermen.

    Emotional granularity verwijst naar of iemand discrete emotietermen gebruikt op een hele precieze manier (hoog op emotional granularity), of deze gebruikt op een meer globale manier (laag op emotional granularity). Dit geeft aan dat mensen verschillen in hoe goed ze zijn in het beschrijven van hun interne affectieve toestand. Het lijkt erop dat boosheid, verdriet, angst, etc., vaak niet ervaren worden als duidelijk onderscheiden toestanden. Daarom moeten deze toestanden opgebroken worden in kleinere onderdelen, die relateren aan valentie en opwinding.

    Vragenlijstmetingen van affectieve ervaring

    Wanneer zelf-rapportage-data van de ervaring van emoties in een grafiek wordt geplaatst, waarbij valentie en opwinding tegen elkaar worden afgezet, ontstaat meestal een circumplex structure. Hierin vallen de basisemoties in een bepaald kwadrant van het model. Dit suggereert dat affect het beste gezien kan worden als variaties op basis van een aantal dimensies, in plaats van als discrete categorieën. Elke emotie is dus een combinatie of mix van deze dimensies.

    Scores op een dimensie hoeven niet compleet van elkaar afhankelijk te zijn. In extreme gevallen is dit wel zo: wanneer iemand extreem positief affect ervaart, voelt hij meestal erg weinig negatief affect. Als iemand echter relatief laag zit op negatief affect (hij is redelijk relaxed), betekent dat niet per sé dat hij zich ook blij voelt. Hieruit blijkt dat positief en negatief affect verrassend onafhankelijk van elkaar zijn. Scores kunnen zich overal op het continuüm bevinden. Het tweedimensionale model heeft dan twee assen, één voor positief affect en één voor negatief affect, waarop de scores kunnen worden uitgezet.

    Het is ook nog mogelijk om een model te maken met de dimensies van activatie: spanning en energie. Al deze modellen lijken erg verschillend, maar het blijkt dat ze eigenlijk allemaal dezelfde affectieve ruimte beschrijven. Wanneer valentie en opwinding gebruikt worden om de resultaten van deze onderzoeken te beschrijven (in plaats van de originele dimensies), was de verklaarde variantie nog steeds erg hoog.

    Empirisch bewijs voor dimensies: fysiologische specificiteit

    Het idee hier is dat benaderings- of terugtrekkingsmechanismen een verklaring zijn voor de valentie-dimensie. Deze mechanismen zijn wederzijds inhiberend, dus wanneer de één geactiveerd is, wordt de ander onderdrukt. Opwinding wordt hier niet gezien als een derde systeem, maar als de metabolische en neurale activatie van dan wel benadering, dan wel terugtrekking, of de co-activatie van beiden samen. Daarom worden de benaderings- en terugtrekkingsmechanismen gezien als de neuro anatomische basis van zowel valentie- als opwindingseffecten. Als dit klopt zouden we fysiologische responsen moeten vinden die geactiveerd zijn door toenemende opwinding, maar niet beïnvloed worden door valentie (of andersom).

    Hoe worden gezichtsspieren geactiveerd?

    Belangrijke spieren in het gezicht zijn onder andere de corrugator spieren (verantwoordelijk voor het samentrekken van de wenkbrauwen, fronsen) en de zygomatische spier (verantwoordelijk voor glimlachen bij blijdschap). Activatie van deze spieren geeft dus een indicatie van positief of negatief affect (valentie). Hierbij gaat het om de mate van activatie: er is altijd activatie, maar hoe positiever de stimulus ervaren wordt, hoe minder activatie te zien is in de corrugator spier. Logischerwijs treedt het tegenovergestelde effect op bij de zygomatische spier. Er is wel een verschil in geslacht: mannen voldoen veel minder vaak aan de verwachte uitkomsten. Het lijkt erop dat vrouwen meer expressief zijn met hun gezicht wanneer zij positief of negatief affect ervaren.

    Wat is de rol van hartslag en huidgeleiding?

    Variaties in hartslag worden gebruikt als index voor de reactie op emotioneel geladen stimuli. Het standaardpatroon is een afname van hartslag wanneer een foto voor het eerst verschijnt, dan een versnelling en tot slot weer een afname. De valentie van de foto beïnvloedt de mate waarin deze veranderingen zich voordoen: onplezierige stimuli veroorzaken de grootste afname (in zowel de eerste fase als de laatste) in hartslag, terwijl plezierige stimuli de hoogste versnelling laten zien. Hartslag is dus een meting voor valentie.

    Een meer betrouwbare methode is het meten van huidgeleiding. De mate van huidgeleiding neemt toe wanneer opwinding toeneemt, dit is onafhankelijk van valentie. De huidgeleiding neemt dus toe wanneer er sterk emotioneel geladen afbeeldingen getoond worden, zowel positief als negatief. Het feit dat de dimensies zo duidelijk gescheiden zijn, geeft aan dat het hier wel degelijk om twee aparte factoren gaat.

    Hoe wordt een schrikreactie gemeten?

    Het meten van een schrikreactie naar aanleiding van een emotionele stimulus, blijkt een goede manier te zijn om te testen of de activatie van het terugtrekkingsmechanisme (en deactivatie van het benaderingsmechanisme) beïnvloed wordt door het algehele niveau van activatie (opwinding). Een schrikreactie is een beschermende reflex, die lopend gedrag onderbreekt, zodat een mogelijke dreiging de aandacht kan krijgen. Volgens de motivational priming hypothesis zou deze schrikreactie sterker moeten zijn wanneer het terugtrekkingsmechanisme al geactiveerd is (bijvoorbeeld wanneer je een horrorfilm kijkt).

    De schrikreflex wordt bij mensen gemeten door het oogreflex te meten (waarbij iemand met het oog knippert wanneer hij schrikt). Wanneer shock-geconditioneerde stimuli verwerkt worden, is de schrikreflex als gevolg van een schrik-stimulus (bijvoorbeeld een harde knal) sterker. Dit is consistent met de bovengenoemde motivational priming hypothesis. Omdat de activatie van het terugtrekkingsmechanisme samengaat met de onderdrukking van het benaderingsmechanisme, heeft de schrikreflex tijdens het verwerken van een plezierige stimulus juist een lagere intensiteit. Hoe hoger de opwinding, hoe sterker de reflex bij negatieve stimuli en hoe minder sterk de reflex bij positieve stimuli.

    Dillon en laBar vonden dat bewuste pogingen om de emotionele reactie op een afbeelding te vergroten of te onderdrukken, vergelijkbare effecten hadden op de schrikreactie (onafhankelijk van valentie). Dit is inconsistent met de motivational priming hypothesis, maar geeft aan dat opwinding belangrijker is voor het reguleren van de schrikreactie dan valentie.

    Hoe worden neurale circuits geïdentificeerd?

    Het identificeren van neurale circuits voor valentie en opwinding is lastig. Als het twee aparte dimensies zijn, zouden we verwachten dat er bepaalde hersengebieden geactiveerd worden als respons op opwinding, maar niet op valentie. Bij valentie is dit nog veel ingewikkelder, omdat het niet duidelijk is of valentie één dimensie is met twee uitersten, of dat positief affect en negatief affect ieder een aparte, onafhankelijke dimensie zijn.

    Een model waarbij positief affect en negatief affect variëren in intensiteit lijkt logisch, want de intensiteit heeft vaak een invloed op hoe plezierig of onplezierig iets wordt ervaren. Dit model suggereert dus dat valentie toeneemt op basis van opwinding, van het meest neutraal tot het meest intens, onafhankelijk van of dit positief of negatief is.

    EEG-studies van de neurale factoren van valentie

    Het valentie asymmetrie model suggereert dat de rechter en linker prefrontale cortex verschillende rollen spelen in hoe we positieve en negatieve emoties waarnemen en ervaren. Positieve emoties lijken te zorgen voor grotere activiteit in de linker PFC, negatieve emoties in de rechter PFC. Het is niet altijd zo dat negatieve emoties terugtrekking gerelateerd zijn. Boosheid bijvoorbeeld is meer gericht op benadering. Het zou dus te makkelijk zijn om te zeggen dat positieve en negatieve emoties hetzelfde zijn als benadering gerelateerde en terugtrekking gerelateerde emoties. Het is dus de vraag of de activiteit in de linker of rechter PFC afhangt van valentie of van de benaderings- en terugtrekkingsmechanismen.

    De functionele neuroanatomie van valentie

    Twee meta-analyses van een groot aantal studies naar de neuroanatomie van valentie vonden zeer inconsistente resultaten. Uit één analyse kwam dat benadering gerelateerde emoties geassocieerd waren met grotere activatie in de linker PFC. Voor de terugtrekkingsmechanismen werden echter geen verschillen gevonden tussen de twee hersenhelften. Een andere analyse vond dat positieve emoties geassocieerd waren met grotere activatie van de linker laterale PFC en de basale ganglia, terwijl negatieve emoties geassocieerd werden met toegenomen activatie van de insula. Ook hier was linker PFC-activatie gerelateerd aan benaderingsemoties, samen met de activatie van de mediale PFC. Met terugtrekkingsemoties waren de amygdala, linker mediale PFC, anterieur cingulate, basale ganglia, linker insula en linker fusiform en superior occipitale cortices gerelateerd.

    Een andere studie vond het volgende: onafhankelijk van of een afbeelding negatief of positief was, als de afbeelding emotioneel geladen was, was er sprake van een toegenomen activatie van de vmPFC. Deze relatie is dus volledig onafhankelijk van valentie. Wanneer de afbeeldingen ook ingedeeld moesten worden op basis van valentie, was er sprake van activiteit in de dlPFC, die dus van invloed lijkt te zijn op emotionele beoordeling. De vmPFC relateert dus waarschijnlijk aan de affectieve significantie (zowel positief als negatief) van een emotionele stimulus, terwijl de dlPFC relateert aan het evaluatieve aspect van valentie.

    De functionele neuroanatomie van opwinding en valentie

    Recente fMRI-onderzoeken hebben uitgewezen dat de activatie van de amygdala specifiek gecorreleerd is met emotionele opwinding, terwijl de amygdala niet reageert op verschillen in valentie. Valentie was geassocieerd met een toename in activiteit in de orbitofrontale cortex (OFC), dit gebied reageerde weer niet op verschillen in intensiteit (opwinding). Lewis vond zelfs dat verschillende delen van de OFC zich bezig hielden met positieve of negatieve valentie. Positieve valentie was gelinkt aan de rechter laterale OFC en de anterieur insula, terwijl negatieve valentie gerelateerd was aan de posterior insula, de ACC en de rechter en rechter mediale OFC.

    Lewis vond ook dat grote delen van het brein geactiveerd werden door de samenkomst van valentie en opwinding, waardoor de twee geïntegreerd zouden kunnen worden tot een enkele representatie. Deze valentie-specifieke respons op opwinding ondersteunt het idee dat emotionele inhoud invloed heeft op de manier waarop we op opwinding reageren.

    Wat houdt de neurowetenschap van beloning en straf in?

    Rolls’ schema classificeert emoties en termen van belonende effecten. Zijn model beschrijft op de verticale as de emoties die geassocieerd zijn met de uitreiking van een beloning (omhoog) of straf (omlaag). Op de horizontale as beschrijft het de emoties geassocieerd met het niet uitreiken van een verwachte beloning (naar links) of verwachte straf (naar rechts). Het gaat hier echter niet om dimensies, want de parameters van het model zijn niet volledig onafhankelijk van elkaar.

    De OFC lijkt een grote rol te spelen in het coderen van stimuli die gerelateerd zijn aan beloning of straf. Zo wordt deze bijvoorbeeld geactiveerd wanneer iemand zijn favoriete eten eet, of er zelfs maar aan denkt. De scores die mensen gaven aan hoe plezierig het eten was namen langzaam af naarmate zij meer aten en dus verzadigd raakten en dit was ook terug te zien als verminderde activiteit in de OFC. Ook hier waren weer verschillende delen van de OFC actief, afhankelijk van of een score gegeven moest worden aan hoe plezierig het eten was, of hoe onplezierig. De mediale OFC speelt een rol in het coderen van belonende stimuli, de laterale OFC in het evalueren van straffende stimuli. De nucleus accumbens (NAcc) zorgt ervoor dat dopamine wordt afgegeven. Dit wordt geassocieerd met het ervaren van positief affect en beloning. Zowel de OFC als de NAcc zijn dus belangrijke gebieden voor het coderen van beloning en straf.

    Een beloning is niet zomaar een simpele kwestie van dopamine-afgifte in de NAcc. Er zijn drie processen waaraan een stimuli moet voldoen om belonend te zijn. Ten eerste moet het individu gemotiveerd zijn om te handelen en te leren. Ten tweede moet hij de stimuli en de consequenties van acties aan elkaar leren te relateren. Tot slot moet de consumptie van de beloning hedonistische consequenties veroorzaken, in de vorm van plezier. Elk van deze drie processen bestaat uit zowel expliciete en impliciete componenten. De expliciete (verlangen, verwachting, plezier) worden bewust ervaren, de impliciete (gewoontes, saillantie van de prikkel) niet. Volgens Berridge en Robinson kunnen variaties in zowel motivationele als emotionele componenten onbewust voorkomen, zelfs als de subjectieve scores die mensen aan hun stemming en gevoelens geven niet veranderen.

    Middelen die mate van dopamine-afgifte beïnvloeden lijken geen invloed te hebben op het subjectief ervaren plezier als gevolg van drugs of eten. Opioïden daarentegen hebben wel een invloed op subjectief plezier: een injectie van opioïden zorgt voor meer uitingen van plezier, het blokkeren van de opioïde-receptoren vermindert de beloningswaarde. Opioïden lijken dus betrokken te zijn bij ‘liking’ en toename van het plezier als gevolg van sensorische stimuli.

    De saillantie van een prikkel, ook wel wanting (willen hebben), wordt sterk beïnvloed door dopamine, maar hangt ook af van andere hersenstructuren zoals de connecties tussen de NAcc en de amygdala en delen van de cortex. Dit verklaart het feit dat de manipulatie van dopaminesystemen sterke effecten heeft op gemotiveerd gedrag maar niet op de mate van ‘liking’ van de beloning.

    Hoe worden cognitieve evaluaties onderscheiden?

    Omdat mensen ook aangeven een aantal duidelijk te onderscheiden emoties te voelen, moeten dimensionele theorieën ook laten zien dat cognitieve evaluatie kan leiden tot de indruk van discrete emoties.

    Zijn valentie en opwinding de dominante dimensies van evaluatie?

    De eerste stap in het proces van evaluatie van een stimuli is de evaluatie van valentie; is iets goed of slecht? Op een subjectief niveau zijn er grote overeenkomsten tussen verschillende emoties. Hoewel boosheid en angst van elkaar onderscheiden kunnen worden door gezichtsuitdrukking, worden ze op een gelijke manier ervaren (onplezierig en opwindende). Om deze overeenkomsten goed in kaart te brengen, is een dimensionele benadering nodig. Zo’n benadering kan verklaren waarom mensen zo makkelijk van de ene naar de andere emotie overgaan.

    Smith en Ellsworth ontwikkelden een model bestaande uit zes dimensies waarop gedifferentieerd kon worden tussen vijftien verschillende emoties. Voor de meeste van deze emoties kon een uniek patroon van cognitieve evaluaties geïdentificeerd worden. De evaluaties van valentie en opwinding waren ook meegenomen in deze lijst. Er werd een sterke relatie gevonden tussen de cognitieve interpretatie van een gebeurtenis en de emotionele reactie erop.

    Over het algemeen is het onderzoek naar cognitieve evaluaties het niet eens met de benadering dat er maar twee dimensies zijn. Het gaat er vanuit dat mensen zeer veel dimensies overwegen in de samenstelling van hun emotionele ervaring.

    Zorgt cognitieve interpretatie van affectieve toestand voor te onderscheiden emoties?

    De theorie van James dat fysiologische opwinding de oorzaak is van emoties heeft een aantal tekortkomingen. Zo ontstaat dezelfde opwinding ook als we hard sporten, maar het is onwaarschijnlijk dat we dan ook dezelfde emotie voelen. Daarnaast zijn fysiologische veranderingen te langzaam om vooraf te gaan aan een bewuste ervaring van emzieotie. Een ander probleem is nog dat mensen die zeer uiteenlopende emoties ervaren, toch vrijwel dezelfde fysiologische opwinding ervaren. Cannon stelde daarom dat emotie ontstaat wanneer de thalamus tegelijkertijd signalen zendt naar de cortex (voor de bewuste ervaring van emotie) en het autonome zenuwstelsel.

    Schachter en Singer – tweefactormodel

    Schachter en Singer stelden dat het ervaren van emotie afhangt van twee factoren: fysieke opwinding en cognitieve interpretatie van die opwinding. Dus als je een fysiologische opwinding ervaart, zoek je in je omgeving naar een verklaring. Dit is deels in overeenstemming met James, maar verklaart ook hoe het kan dat dezelfde opwinding een andere emotie tot gevolg heeft. Een emotionele ervaring heeft dus twee delen: een fysiologisch element en een (extern gericht) cognitief evaluatie-element.

    Deze theorie werd bevestigd in een experiment waarin proefpersonen adrenaline of een placebo toegediend kregen. Een deel werd goed ingelicht over de bijwerkingen (opwinding bij de adrenaline en geen bijwerkingen bij de placebo) en een ander deel kreeg de omgekeerde (dus verkeerde) informatie. Het bleek dat wanneer iemand dacht dat de adrenaline geen bijwerkingen had, hij de opwinding die ontstond toeschreef aan een andere persoon in de kamer. Wanneer deze zich blij gedroeg, voelde de proefpersoon zich ook blij, maar wanneer deze zich boos gedroeg voelde de proefpersoon zich ook boos. De opwinding wordt dus gecombineerd met een evaluatie van de situatie: ‘ik ben opgewonden, dus dat zal wel blijdschap/boosheid zijn omdat deze andere persoon zich ook zo gedraagt’.

    Wat zijn misattributies van opwinding?

    Veel onderzoek wijst uit dat lichamelijke opwinding onze subjectieve ervaring van de wereld kleurt. Zo was er bijvoorbeeld een onderzoek waarbij mannen een rivier moesten oversteken over een lage stenen brug, of over een hoge, wiebelende, smalle brug. Daarna kwam er een vrouwelijke onderzoeker naar ze toe die hen een vragenlijst gaf. Ze kregen echter ook haar telefoonnummer met de vraag of ze haar wilden bellen na het onderzoek. De mannen die over de wiebelige brug waren gelopen (en dus meer opgewonden waren) belden vaker op. Zij hadden hun door de brug veroorzaakte opwinding dus verkeerd geattribueerd: ze dachten dat het kwam doordat ze zich aangetrokken voelden tot de onderzoekster.

    De NAcc is anatomisch verbonden aan een aantal gebieden in de PFC, maar ook aan een aantal subcorticale gebieden zoals de amygdala. Het is daarom mogelijk dat de NAcc een belangrijke rol speelt in het bepalen van de affectieve significantie en saillantie van een stimulus, en niet specifiek opwinding of valentie.

    Wat houdt het conceptual act model in?

    Het conceptual act model stelt dat discrete emoties een illusie zijn, gecreëerd door een cognitief categorisatieproces genaamd kern affect. De hypothese hierbij is dat wat we waarnemen en ervaren als individuele emoties, eigenlijk voortkomt uit hoe we veranderingen in een meer algemeen kern affectieve systeem waarnemen en categoriseren.

    In andere woorden: onze achtergrondstemmingen (core affect) worden ervaren langs de algemene dimensies valentie een opwinding. Deze toestanden zijn onderverdeeld in discrete emotiecategorieën, gebaseerd op een cognitieve evaluatie van de huidige context.

    Hoe worden discrete en dimensionele benaderingen vergeleken?

    Onderzoekers die kijken naar discrete emoties, focussen vaak op de neurale of fysiologische basis van emoties of stemmingen. Sommigen vinden zelfs dat de subjectieve ervaring van emoties irrelevant is voor het begrijpen van de emotie. Daarentegen, onderzoekers die uitgaan van een dimensionele benadering, focussen juist op subjectieve ervaring van gevoelens. Daarnaast wordt dimensioneel onderzoek vaker gedaan met mensen, terwijl de discrete-emotie-aanhangers vaker onderzoek doen bij ratten.

    De uitdaging van het onderzoek naar emotie is om deze twee verschillende onderzoekstradities te vergelijken en te kijken of het empirisch bewijs van beiden geïntegreerd kan worden in één verklarend model van affect. Beide tradities geven informatie uit verschillende niveaus van analyse (subjectieve rapportage tegenover neurale activatie). Deze data zouden dus best samengevoegd kunnen worden in een allesomvattend model.

    Tot slot is het jammer dat er bijna niet gekeken wordt naar individuele verschillen in hoe mensen reageren in emotionele situaties en hoe ze deze situaties waarnemen en interpreteren. Dit zijn juist invloedrijke aspecten in de structuur van affect.

    Access: 
    Public
    Welke relaties bestaan er tussen affect en cognitie? - Chapter 6

    Welke relaties bestaan er tussen affect en cognitie? - Chapter 6

    Hoe keerde affect terug in psychologie en neurowetenschap?

    Lang voordat psychologie als wetenschap bestond, werd er al gespeculeerd over de relatie tussen affect en cognitie. Plato stelde dat emotie (of passie, in zijn woorden) de cognitie (of rede) verstoorde. Tijdens de verlichting werd voor het eerst onderscheid gemaakt tussen cognitie, affect en wil. Kant maakte weer onderscheid tussen pure rede (intellect, cognitie), praktische rede (wil en actie) en beoordeling (gerelateerd aan plezier en pijn).

    Deze drie aspecten werden tot vrij recent apart bestudeerd, hoewel ze samen één psychologische ervaring vormen. Een uitzondering daarop was de New Look benadering, waarbij veel nadruk gelegd werd op de mogelijke invloed van affectieve toestand en motivatie op de fundamentele mechanismen van perceptie en aandacht.

    Pas rond 1980 kwam onderzoek naar de relatie tussen affect en cognitie terug in de mainstream van de wetenschap. Rond die tijd raakten cognitieve psychologen ook geïnteresseerd in hoe affectieve toestand cognitieve processen kon beïnvloeden, zoals geheugen en leren. Daarnaast kwam de neurowetenschap op, dit liet zien dat de neurale structuren onderliggend aan affect, belangrijke componenten zijn in het coördineren van adaptieve cognitieve responsen. Met andere woorden, de realisatie groeide dat affect en cognitie nauw geïntegreerd waren en dat om de één te begrijpen, ook een goed begrip van de ander nodig was.

    Wat is de interactie tussen affect en cognitie?

    Onderzoek gericht op emotie kijkt vooral naar de cognitieve antecedenten en evaluatiestrategieën voor emoties. Daarentegen kijkt onderzoek naar stemmingen eerder naar de consequenties van stemming op cognitieve processen zoals aandacht, geheugen en sociale oordelen. Deze onderzoeksgebieden hadden weinig met elkaar te maken, tot ontdekt werd dat de neurale basis voor beide processen sterk verbonden is.

    Het Zajonc-Lazarus-debat

    Zajonc vond dat affect niet altijd onafhankelijk was van cognitie, maar dat de twee wel werden gecoördineerd door aparte processen, waardoor het wel mogelijk was dat ze onafhankelijk opereerden. Zijn hypothese was dat de affectieve eigenschappen van een stimulus binnen een paar milliseconden geïdentificeerd werden, nog voor bewuste cognitieve verwerking. Het mere exposure effect bevestigt dit; dit houdt in dat mensen een stimulus positiever beoordelen naarmate ze deze vaker waarnemen, zonder dat ze zich hiervan bewust zijn. Volgens Zajonc is er dus geen cognitie nodig om een affectieve reactie te veroorzaken.

    Lazarus was het hier niet mee eens en geloofde dat een emotie niet kon ontstaan zonder een voorafgaande cognitieve evaluatie. De voorkeur die te zien is in het mere exposure effect lijkt immers erg veel op een simpele evaluatie van valentie, zoals besproken in het vorige hoofdstuk. Hij stelde ook dat een voorkeur niet hetzelfde is als een affectieve reactie: ergens voorkeur voor hebben betekent niet dat je ook een sterke affectieve reactie voor dit object hebt. Verder liet hij zien dat cognitieve evaluaties cruciaal zijn voor het bepalen van het type en de intensiteit van de affectieve respons.

    Tegenwoordig geloven onderzoekers over het algemeen dat cognitie zonder bewustzijn kan plaatsvinden. Hierdoor zouden zij het feit dat voorkeuren geen bewuste verwerking nodig hebben, niet meer zo snel interpreteren als bewijs dat affect onafhankelijk van cognitie wordt verwerkt. Nu wordt affect vaak gezien als een geïntegreerd onderdeel van cognitie, waarbij het invloed uitoefent op informatieverwerking op verschillende domeinen (aandacht, geheugen, redeneren, beslissingen maken). Emotionele reacties kunnen bepalen hoe een situatie geïnterpreteerd wordt.

    Cognitieve modellen van affect

    Op evaluatie gebaseerde modellen stellen dat de ervaring van emotie wordt bepaald door de manier waarop een situatie geïnterpreteerd wordt. Echter, veel van deze modellen geven geen goede verklaring voor het feit dat verschillende emoties snel achter elkaar kunnen ontstaan zonder bewuste waarneming van de stimulus. Als reactie hierop zijn nu process-based modellen ontwikkeld. Deze stellen dat evaluaties voor kunnen komen op verschillende niveaus, variërend van low-level actieneigingen tot high-level bewuste beslissingen. Veel onderzoek gebruikt echter nog steeds zelf-rapportage, waardoor het lastig is om onbewuste evaluatie te onderzoeken.

    Wanneer we zouden kijken naar neurowetenschap, kan de amygdala gebruikt worden als relevantie detector, een neurale structuur die snel en automatisch de relevantie van een stimulus detecteert. Zo is er bewijs gevonden dat een positieve interpretatie van een situatie zorgt voor activatie in de vmPFC, terwijl een negatieve interpretatie zorgt voor activatie in de linker ventrale amygdala. Activatie in deze delen is dus direct gerelateerd aan verschillen in evaluatie.

    Information-processing benaderingen zijn apart van evaluatie-gebaseerde modellen ontwikkeld. Ze focussen met name op gedragsmethodes, ontworpen om te bepalen hoe mensen zich oriënteren richting een gebeurtenis of object en hoe ze deze onthouden. Hierbij werd echter niet gekeken naar de rol van affectieve toestand. Interessant was, dat deze benadering maar niet kon verklaren hoe biases in evaluatie ontstaan. Evaluatietheorieën zien evaluatie als de verklaring voor emoties, maar hier was dit onderwerp juist een probleem omdat er niet naar emoties werd gekeken.

    Het toepassen van information-processing modellen op emotie en emotionele stoornissen zorgt dat bekeken kan worden welke biases voorkomen op een onbewust niveau. Dit geeft deze methode een groot voordeel over zelf-rapportagemethodes. Verder kan de methode makkelijk in combinatie gebruikt worden met brain-imagingtechnieken zoals Event Related Potential (ERP). Rond 1980 werden deze modellen voor het eerst gebruikt om emotie en emotiestoornissen te onderzoeken. Affect zorgt dat het cognitieve systeem een representatie ontvangt van de waarde of significantie van een stimulus, waardoor snelle acties en responsen op omgevingseisen mogelijk zijn.

    Hoe wordt affectieve informatie in empirische data verwerkt?

    Een stemming of emotie kan een cognitieve bias veroorzaken, waardoor stemmingsrelevant materiaal de voorkeur krijgt van het verwerkingssysteem. Deze bias is ook weer van invloed op de stemming en emoties. De cyclus wordt verder beïnvloed door individuele verschillen en externe factoren. Onze opvattingen over de wereld worden grotendeels bepaald door fundamentele cognitieve processen: perceptie, aandacht, interpretatie, beoordeling en beslissingen en geheugen. Een bias in deze processen heeft een sterke invloed op iemands blik op het leven.

    Perceptie en aandacht

    Information-processing benaderingen gaan er vanuit dat er limieten zijn aan hoeveel informatie tegelijk verwerkt kan worden. Dit leidt tot een hoge mate van selectiviteit in aandacht. Er zijn dus mechanismen die belangrijke informatie scheiden van de stroom irrelevante informatie. Aandacht moet echter extreem flexibel zijn, want irrelevante informatie kan het volgende moment relevant worden.

    Er is een debat tussen vroege- versus late selectietheorieën. Dit houdt zich bezig met of informatie geïdentificeerd wordt voor of nadat aandacht op een bepaald object gericht wordt. Het lijkt logisch dat een deel van de verwerking van affectieve significantie al plaatsvindt voordat perceptuele processen compleet zijn, om de effectiviteit en snelheid van aandacht te verklaren.

    Een object kan affectief significant zijn omdat het vanaf onze geboorte ‘hard-wired’ in ons systeem zit. Veel stimuli zijn dit echter omdat we geleerd hebben dat ze belangrijk zijn en omdat we selectieve associaties hebben gevormd tussen objecten en emotionele responsen. Op basis van Zajonc’s theorieën kunnen we stellen dat een onderscheid tussen goede en slechte stimuli (valentie) al heel vroeg in het aandachtsproces gemaakt wordt. Hierdoor ontstaat een attentional bias voor met name dreigende stimuli. Deze bias kan voorkomen op een impliciet (onbewust) niveau en bestaat in elk stadium van de verwerking, maar bias richting negatieve objecten ontstaat over het algemeen zeer vroeg in het proces.

    Affectieve processen kunnen perceptuele processen zowel direct als indirect (via aandacht mechanismen) beïnvloeden. Aandacht voor een bepaald object of locatie kan namelijk delen van de visuele cortex activeren die zich bezighouden met de initiële registratie van stimuli, waardoor de perceptie van het object zal verbeteren.

    Wat houden gedragsstudies in?

    Gedragstaken zijn ontwikkeld om te kijken in welke mate mensen bevooroordeeld zijn richting bepaalde soorten stimuli. Uit zoektaken blijkt bijvoorbeeld dat mensen sneller een target vinden wanneer deze zich onderscheidt op een enkele eigenschap (bijvoorbeeld kleur), dan wanneer deze zich onderscheid op een samenstelling van eigenschappen (kleur, vorm, etc.). De grootte van de display (en dus het aantal afleiders) heeft wel invloed op de zoektijd bij deze samengestelde zoekopdrachten, maar niet op de enkele. Dit komt doordat er een seriële zoekstrategie moet worden toegepast, terwijl een enkele eigenschap als kleur er meteen uitspringt.

    Het blijkt dat wanneer mensen gezichten moeten detecteren, zij sneller boze gezichten dan blije gezichten vinden. De aandacht wordt dus richting deze dreigende stimuli getrokken. Dit heet het threat-superiority effect. De grootte van de display had minder effect op reactietijd bij de boze gezichten dan bij de blije gezichten. Dit wijst erop dat boze uitdrukkingen efficiënter gedetecteerd worden. Hetzelfde effect werd niet gevonden voor verdrietige gezichten, wat erop wijst dat het effect veroorzaakt wordt door dreiging en niet door negatieve valentie. Het effect is ook gevonden voor veel andere objecten, waarvan sommige van evolutionair belang zijn (dreigende gezichten, slangen etc.), terwijl anderen aangeleerd zijn (geweren, injectienaalden etc.).

    Ook een Stroop taak wordt vaak gebruikt voor aandachtsonderzoek. Hierbij krijgen mensen woorden te zien, maar ze moeten de betekenis ervan negeren en alleen de kleur noemen waarin het woord gedrukt staat. De betekenis van de woorden zorgt echter wel voor een interferentie effect: het verstoort de verwerking van de kleuren. Het blijkt dat mensen er langer over doen om de kleur te noemen bij negatieve woorden, dan bij positieve woorden. Dit wijst op een algemene waakzaamheid voor negatieve sociale informatie, vergeleken met positieve sociale informatie.

    Er is ook gevonden dat de affectieve significantie van een stimulus kan resulteren in een verbeterde perceptie. Met andere woorden, we zien of horen beter. Phelps liet dit zien in haar onderzoek waarbij mensen beter contrast konden onderscheiden nadat ze een angstig gezicht hadden gezien, dan nadat ze een neutraal gezicht hadden gezien. Dit effect is het sterkst wanneer het gaat om gefocuste aandacht (dus op één stimulus), vergeleken met gespreide aandacht (dus op meerdere stimuli verspreid over het beeld). Deze vindingen geven een sterke indicatie dat negatieve stimuli zowel een direct als een indirect effect (via de impact van aandacht) op perceptie kunnen hebben, zoals hierboven al besproken werd.

    Wat houden brain imaging-studies in?

    Meerdere neuro-imagingstudies hebben aangetoond dat activiteit in de amygdala correleert met meer activiteit van neuronen in de extrastriate cortex wanneer er emotionele stimuli waargenomen worden. Dit komt overeen met de hypothese dat emotionele stimuli sensorische verwerking kunnen versterken, met name wanneer het gaat om bedreigende stimuli.

    Er werd ook gevonden dat gezichten met name worden verwerkt in de fusiforme cortex. Uit onderzoek kwam dat alleen al de aanwezigheid van een angstige gezichtsuitdrukking zorgde voor een toename in activiteit in de fusiforme gyrus, zelfs wanneer er geen aandacht naar deze gezichten ging. Dit was niet het geval wanneer de gezichten een neutrale uitdrukking hadden. Hetzelfde effect werd gevonden voor activiteit in de amygdala. Het gevolg van deze grotere activiteit in de sensorische cortex na het zien van een dreigende stimulus, is dat gevaarlijke stimuli eerder opgemerkt worden dan andere, minder saillante stimuli. Dit effect is meerdere keren bevestigd door onderzoek met patiënten met links spatiëel neglect (zij ‘missen’ stimuli in het linker gezichtsveld, maar deze worden onbewust wel verwerkt).

    Eenzelfde effect is ook gevonden voor auditieve stimuli, waarbij het gaat om activiteit in de superieur temporale sulcus (STS). Dus voor zowel de visuele als de auditieve modaliteit, kan alleen al de aanwezigheid van dreigende informatie leiden tot extra stimulatie van sensorische verwerking.

    Waarschijnlijk speelt de amygdala een cruciale rol in het regelen van de versterkte sensorische respons op dreigende stimuli. Specifieker gezien stimuleert de aanwezigheid van een negatieve stimulus cellen in de amygdala, die dan weer zorgt voor een toename in activatie van cellen in de sensorische cortex. De amygdala heeft een perfecte ligging voor deze rol, want deze ontvangt sensorische informatie van elke modaliteit, en stuurt projecties door naar veel subcorticale en corticale gebieden. Daardoor kan de amygdala invloed uitoefenen op (en beïnvloed worden door) meerdere perceptuele en cognitieve processen.

    Wat is het tijdsverloop van affectieve verwerking?

    Het zou kunnen dat bij een aandachtszoektaak de aandacht even snel gericht wordt op positieve als op negatieve stimuli, maar dat responsen voor negatieve stimuli sneller geselecteerd worden. fMRI- en PET-data kunnen dit niet goed laten zien, omdat zij geen precieze weergave van het tijdsverloop geven. Dit effect lijkt in ieder geval wel logisch, want in de aanwezigheid van gevaar is het nuttig om snel in actie te kunnen komen.

    ERP (event related potential) kan wel een goede tijdsweergave produceren. Data van ERP-onderzoek dat kijkt naar een component genaamd P100 (die veranderingen in de toewijzing van aandacht laat zien), wijst uit dat er wel degelijk een sterkere aandachtstoewijzing was voor negatieve stimuli dan voor neutrale of positieve stimuli. Dus misschien dat verschillen in responsselectie een kleine rol hebben gespeeld in de gedragsstudies, maar de ERP-data geven aan dat de resultaten niet geheel veroorzaakt kunnen worden door langere of kortere responsselectie. Later bleek ook dat, ongeacht of er een respons gegeven moet worden, aandacht direct getrokken wordt richting angstige gezichten/stimuli, ten opzichte van blije gezichten.

    Een andere ERP-component, genaamd C1, ontstaat 60-90 msec nadat de stimulus verschijnt. De piek in C1 wordt versterkt door aversieve stimuli. Dit effect bleef ook intact wanneer het ging om neutrale stimuli die zo waren geconditioneerd dat ze een negatieve associatie hadden gekregen. Door de enorm korte tijd tussen stimuluspresentatie en reactie van C1, lijkt het waarschijnlijk dat sensorische processen direct versterkt worden voor aversieve stimuli. Dit komt overeen met het idee dat dreigings-evaluaties al heel snel plaatsvinden.

    Hoe werkt beoordeling en het nemen van beslissingen?

    Aangezien affect sterke attention-bias-effecten kan hebben op neurale mechanismen, lijkt het waarschijnlijk dat dezelfde affectieve eigenschappen van de omgeving ook een grondig effect hebben op hoe we onze omgeving beoordelen en evalueren. Belangrijke beslissingen in het leven zijn bijna altijd geassocieerd met affectieve significantie. Dit idee komt voort uit onderzoek naar mensen met hersenschade, die daardoor bepaalde affectieve signalen niet meer kregen en als gevolg bepaalde basale keuzes niet meer konden maken. Daarnaast heeft algemene stemming een belangrijke invloed op hoe we sociale situaties en onze eigen tevredenheid met het leven evalueren.

    Is affectieve verwerking nodig voor effectief beslissingen nemen?

    Lichamelijke toestand, of somatische staat (bijvoorbeeld een ‘onderbuikgevoel’) kan ontstaan door primary inducers (geleerde stimuli die positieve of negatieve emotionele toestanden oproepen) of secondary inducers (een herinnering aan een echte of hypothetische primary inducer, die een lichamelijke toestand kan veroorzaken wanneer deze in het werkgeheugen komt).

    Primary inducers activeren direct de amygdala, die vervolgens een lichamelijke toestand veroorzaakt door de afgifte van verschillende neurotransmitters te veroorzaken in de hersenstam. Secondary inducers daarentegen, activeren lichamelijke toestanden door corticale circuits, waarbij de vmPFC een belangrijke rol speelt. Deze kan kennis van secondary inducers samenvoegen tot lichamelijke toestand patronen die weergeven hoe het voelt om je in een bepaalde situatie te bevinden.

    De as if body loop beschrijft dat de activatie van representaties van lichamelijke toestand in de brain stem (door een secondary inducer) kan resulteren in veranderingen in neurotransmitterafgifte, zonder daadwerkelijk het lichaam hierbij te betrekken. Deze worden echter wel gevoeld als een daadwerkelijke lichamelijke toestand.

    Patiënten met bilaterale schade aan de PFC hebben grote problemen met het nemen van beslissingen in het dagelijks leven en nemen vaak beslissingen met rampzalige gevolgen. Dit komt waarschijnlijk omdat zij een somatic marker missen (dit is het ‘onderbuikgevoel’). De somatic marker hypothesis (SMH) is ontworpen om dit uit te leggen. De problemen met beslissingen worden veroorzaakt door een afwijking in het emotionele mechanisme dat signalen afgeeft met betrekking tot de mogelijke gevolgen van een actie. Het onderbuikgevoel is hierbij cruciaal. Wanneer deze somatic marker wel goed werkt, worden mensen weggeleid van slechte beslissingen, in de richting van een voordelige respons.

    Kritiek op de theorie wijst op de mogelijkheid dat een somatic marker eerder een gevolg is van het nemen van een risicovolle beslissing, in plaats van een signaal dat gebruikt wordt tijdens het nemen van de beslissing.

    Heeft stemming invloed op persoonlijke en sociale oordelen?

    Veel studies hebben uitgewezen dat stemming een sterk effect kan hebben op onze oordelen over objecten en mensen. Dit kan verklaard worden door het feit dat mensen evaluaties maken die in overeenstemming zijn met hun huidige stemming, dus wanneer ze in een positieve stemming zijn, zijn hun oordelen ook positiever. Wanneer een bepaalde stemming geactiveerd wordt, worden alle gebeurtenissen geassocieerd met die stemming ook geactiveerd in onze herinnering.

    Mensen in een negatieve stemming denken bijvoorbeeld dat bepaalde negatieve gebeurtenissen (het krijgen van een ziekte bijvoorbeeld) waarschijnlijker zijn dan mensen in een neutrale stemming. Ook wanneer het gaat over oordelen over zichzelf heeft stemming een grote invloed op mensen. Blije mensen geven zichzelf een hogere score op zelfvertrouwen dan mensen met een negatieve of neutrale stemming. Daarnaast schrijven ze zichzelf meer positieve eigenschappen toe. Dit effect wordt wel verminderd wanneer een vraag wordt gesteld waarover mensen diep moeten nadenken.

    De affect-as-information benadering

    De affect-as-information benadering stelt dat mensen vaak oordelen vellen door zichzelf te vragen hoe ze zich over iets voelen. Het idee hier is dus dat mensen hun huidige affectieve staat gebruiken als informatie die helpt een oordeel of evaluatie te vormen. Dus in tegenstelling tot veel andere benaderingen, die gevoelens als output ziet, ziet deze benadering gevoel als een input voor cognitie en gedrag. Er is zelfs enig bewijs voor een neuraal netwerk dat deze relatie bevordert.

    Er zijn echter wel uitzonderingen. Als de gevoelens niet worden geattribueerd aan het object dat beoordeeld moet worden, verdwijnt de relatie. Dus als het object duidelijk niet de oorzaak is van de stemming, kan deze niet als input dienen.

    Access: 
    Public
    Welke affect-cognitierelaties hebben betrekking op het geheugen? - Chapter 7

    Welke affect-cognitierelaties hebben betrekking op het geheugen? - Chapter 7

    Worden affectieve gebeurtenissen beter herinnerd dan neutrale gebeurtenissen?

    Er is bewijs dat mensen hun affectieve reacties op bepaalde stimuli onthouden, zelfs wanneer ze zich niet bewust kunnen herinneren die stimulus ooit eerder gezien te hebben. Dit heet ook wel impliciet geheugen; de impact die een vorige confrontatie met een (expliciet vergeten) stimulus heeft op huidig gedrag en beoordeling.

    Hoe werken studies van autobiografische herinneringen?

    De affectieve eigenschappen van een situatie kunnen zorgen voor een verbeterd geheugen van alledaagse gebeurtenissen. Een goed voorbeeld hiervan zijn flashbulb memories, zeer levendige herinneringen aan sterk emotionele gebeurtenissen, zoals de aanslag op het WTC in 2001. Er wordt een hoge correlatie gevonden tussen de levendigheid van de herinnering en hoe emotioneel de gebeurtenis was. Dit is onafhankelijk van of de emoties positief of negatief waren. De levendigheid van de herinnering is echter geen garantie dat deze ook daadwerkelijk accuraat is, dat is vaak juist niet zo. Na een aantal jaar vertellen mensen de gebeurtenis nog in veel detail na en zijn er dan ook zeker van dat wat ze vertellen correct is. Echter, de navertelling is na een aantal jaar vaak veel veranderd en klopt niet meer met de daadwerkelijke gebeurtenis.

    Onderzoek naar autobiografisch geheugen is problematisch, omdat je niet kunt weten of mensen die meer affectieve gebeurtenissen ophalen uit het geheugen dit doen omdat het makkelijker is om die gebeurtenissen op te halen, of omdat ze meer van dat soort gebeurtenissen hebben meegemaakt. Daarom wordt onderzoek naar geheugen vaak in het laboratorium uitgevoerd.

    Laboratoriumstudies

    Het onthouden/kennen-paradigma meet twee onafhankelijke processen die ten grondslag liggen aan herinnering. De eerste is onthouden (remember) en gaat over het terughalen van een gebeurtenis met verschillende contextuele details. De tweede is kennen (know) en is een gevoel dat een item bekend is, zonder een precieze herinnering van de contextuele details. In dit onderzoek moeten participanten bepalen of ze een (affectief positief, negatief of neutraal) item hebben onthouden, of dat ze het kennen. Hoog affectieve items werden beter onthouden (zowel positief als negatief). Voor negatieve items werd vaker het oordeel ‘onthouden’ gegeven. Dit bevestigt de levendigheid van autobiografische herinneringen van negatieve gebeurtenissen (ook al is de accuraatheid niet per sé beter).

    Een fMRI-studie bevestigt de vinding dat accuraatheid tussen positieve en negatieve stimuli niet verschilt, maar dat negatieve stimuli vaker als ‘remember’ worden aangegeven. Dit komt waarschijnlijk door een grotere activiteit in de amygdala bij negatieve items. Bij neutrale items werd een hogere ‘remember’-score gelinkt aan een grotere activiteit in de parahippocampale cortex.

    Hoe werkt geheugen voor de essentie van dingen?

    Er zijn indicaties dat affect de accuraatheid van onze herinneringen vooral verbetert voor de kern, of de essentie van een gebeurtenis. Zo kunnen ooggetuigen van een misdrijf vaak het wapen tot in detail beschrijven, maar hoe beter het wapen beschreven wordt, hoe minder goed de details over de dader onthouden zijn.

    Deze vindingen komen overeen met een eerdere hypothese die stelt dat emotionele opwinding een versmalling van de aandacht (narrowing of attention) tot gevolg heeft, waardoor vooral het centrale deel van een scene in detail wordt verwerkt. Dus affect verbetert de accuraatheid van geheugen voor de centrale aspecten van een gebeurtenis, maar vermindert het geheugen voor de perifere aspecten.

    Het zou kunnen dat we emotionele gebeurtenissen beter onthouden doordat we er vaker aan denken, en deze gebeurtenissen dus eigenlijk ‘repeteren’. Daarnaast trekken negatieve stimuli veel sterker de aandacht, waardoor een verbeterde codering in het geheugen plaatsvindt. Deze argumenten wijzen erop dat geheugen verbeterd zou worden door indirecte effecten van affect op codering en repetitie.

    Heeft affect invloed op geheugen door opwinding of door valentie?

    We weten dat opwinding en valentie een te onderscheiden effect hebben op neurale processen, wanneer er aandacht wordt gegeven aan stimuli. Er is echter nog niet veel onderzoek geweest dat de twee onderscheidt wanneer het gaat om affect en geheugen.

    Effecten van opwinding op geheugen voor affectief materiaal

    Er wordt gesteld dat de amygdala belangrijk is voor het verbeteren van geheugen voor opwindende stimuli. Psychologische opwinding leidt tot activatie van beta-adrenergic receptoren in de amygdala. Dit zorgt weer voor activiteit van de hippocampus, die zorgt voor verbeterde consolidatie (opslag) van herinneringen over gebeurtenissen die een opwindingrespons opwekten.

    Er werd gevonden dat schade aan de amygdala vooral geheugen van centrale aspecten van een scene beperkt, maar niet van de meer perifere aspecten. Daarnaast kwam uit een onderzoek dat activiteit in de amygdala tijdens de codering van een aversieve emotionele gebeurtenis sterk gecorreleerd is met het terughalen van de gebeurtenis op een later moment. Deze correlatie was niet aanwezig bij de neutrale gebeurtenissen, maar er is wel een correlatie tussen de activiteit in het hippocampale gebied en het terughalen van neutrale stimuli. Dit wijst erop dat de amygdala betrokken is bij een verbeterd geheugen voor emotionele stimuli, en het hippocampale gebied bij het ophalen van neutrale stimuli.

    Omdat de stimuli gebruikt in bovenstaande onderzoeken allemaal negatief waren, is het niet zeker of de effecten veroorzaakt worden door opwinding of valentie. Later onderzoek waarbij ook positieve emotionele stimuli werden betrokken, vond dezelfde resultaten: geheugen voor opwindende gebeurtenissen was beter dan voor neutrale gebeurtenissen. Daarnaast was de amygdala-activiteit gecorreleerd met de opwindende eigenschappen van de stimuli, onafhankelijk van valentie.

    Tot slot vonden Kensinger en Corkin nog dat activatie van de amygdala en de hippocampus correleerde tijdens het coderen van opwindende woorden die later herinnerd werden. Dit suggereert dat een amygdala-hippocampale netwerk ten grondslag zou kunnen liggen aan het verbeterde expliciete geheugen voor emotionele opwindende stimuli.

    Effecten van valentie op geheugen voor affectief materiaal

    Een onderzoek naar de invloed van valentie op geheugen vond dat participanten meer negatieve woorden onthielden, onafhankelijk van opwinding. Echter, het verbeterde geheugen voor hoge en lage opwindingwoorden leek wel geassocieerd te zijn met verschillende neurale netwerken. Voor de negatieve hoge opwinding-woorden was er vooral activiteit in de amygdala en hippocampus, voor de negatieve lage opwinding-woorden vooral in de PFC en hippocampus. In de uiteindelijke gedragsoutput zat er geen verschil in het terughalen van de negatieve woorden, of het ze nou hoog of laag waren op opwinding.

    Er zijn ook studies die geen verschil vinden tussen het geheugen voor positieve en negatieve gebeurtenissen, en zelfs studies die vinden dat positieve gebeurtenissen beter onthouden worden. Dit laatste wordt de positivietsbias genoemd. De vraag is echter of dit wel een bias is, want over het algemeen maken mensen ook echt meer positieve situaties mee dan negatieve.

    Affectief geheugen voor plezierige en onplezierige gebeurtenissen lijkt te vervagen met verschillende snelheden; dit gaat sneller voor negatieve dan voor positieve gebeurtenissen. Dit effect (fading affect bias) geeft ons een gevoel van positiviteit; we zien ons leven als positiever.

    Dus is er nou een effect voor valentie? Het lijkt erop dat er onder laboratoriumcondities geen verschil is tussen geheugen voor positieve en negatieve gebeurtenissen. Echter, gebeurtenissen die relevant zijn voor ons laten een bias zien waarbij positieve gebeurtenissen beter blijven hangen. Het hangt er wel vanaf of de taak gaat over de zelf, of een onbekend ander persoon. Negatieve informatie over de zelf wordt op een vrij oppervlakkige manier verwerkt, terwijl informatie die vleiend is voor de zelf veel nauwkeuriger wordt verwerkt. Over anderen onthouden we veel meer negatieve informatie dan over onszelf.

    Heeft affect invloed op geheugen bij coderen, consolideren of ophalen?

    Er zijn drie momenten waarop affect invloed kan hebben op geheugen. Het eerste moment is bij de codering, waardoor emotioneel saillante gebeurtenissen in meer detail verwerkt worden en daardoor beter herinnerd. Het tweede moment is consolidatie, dus wanneer de herinneringen vastgelegd worden in het lange termijngeheugen. Het derde moment is bij het ophalen van de herinneringen. Deze stadia volgen elkaar niet zomaar op, maar overlappen voor een groot deel. Daarnaast gebruiken ze verschillende neurale circuits.

    Het feit dat consolidatie enige tijd duurt (minuten tot uren of meer), betekent dat geheugen voor affectieve opwindende gebeurtenissen waarschijnlijk verbetert vergeleken met neutrale gebeurtenissen, naarmate de tijd vordert. Dit betekent dat wanneer herinneringen worden opgehaald vlak na de gebeurtenis, er weinig verschil zou moeten zijn in het geheugen voor affectieve en neutrale gebeurtenissen. Na enige tijd zou dit verschil groter moeten zijn.

    Het blijkt dat affect wel degelijk een effect heeft op geheugen tijdens zowel het coderen en de consolidatie, en misschien ook tijdens het ophalen van herinneringen.

    Coderingseffecten

    Het effect van attentional bias, zoals besproken in het vorige hoofdstuk, is dat verhoogde aandacht voor opwindende stimuli zorgt voor een beter mentaal beeld. Dit zorgt dus voor een boost in geheugen voor affectieve stimuli. Ondersteuning voor deze theorie komt uit onderzoek waarin de amygdala-activiteit tijdens de coderingsfase gecorreleerd is met hoe goed de emotionele gebeurtenissen onthouden worden. Echter, verbeterd geheugen werd niet direct na codering gevonden, maar pas enkele weken later. Het kan dus zijn dat de amygdala-activiteit tijdens de codering effect heeft op het daarop volgende consolidatieproces op een manier die wat tijd nodig heeft om te ontwikkelen.

    Consolidatie-effecten

    Veel van de vindingen op dit gebied komen van dierstudies. Zo werd er gevonden dat wanneer er na de training drugs worden toegediend die het geheugen bevorderen, deze leiden tot een nog grotere verbetering van geheugen dan de training op zich. Dit effect is niet meteen te zien, maar 24 uur later wel. Dit patroon suggereert dat de drugs selectief de consolidatie beïnvloeden.

    Adrenaline en cortisol (stress hormonen) spelen een belangrijke rol in de consolidatie van geheugen. De amygdala is belangrijk voor het mediëren van deze invloed; dit weten we omdat laesies aan de amygdala de effecten van deze hormonen op consolidatie kunnen blokkeren. Ook bij mensen zijn deze bevindingen bevestigd, onder andere door toedienen van adrenaline na het doen van een geheugentaak. Dit bevorderde de consolidatie voor alle stimuli.

    Het lijkt er dus op dat emotionele opwindende stimuli beter geconsolideerd worden in het lange termijngeheugen. Dit effect is gelinkt aan een aantal hormonen en wordt verder geregeld door de amygdala. Daarnaast is het amygdala-hippocampale netwerk (dat actief is bij codering) direct van invloed op consolidatie. Het enige probleem is dat geheugen vaak maar één keer getest wordt (als consolidatie al een eind op weg is), waardoor we niet weten of opwinding vooral van invloed is op consolidatie, of op codering.

    Ophaaleffecten

    Er is wat bewijs dat activatie van de amygdala en gebieden in de anterieur temporale pole specifiek betrokken zijn bij het ophalen van affectieve informatie. Zo werd er gevonden dat verschillende neurale netwerken betrokken waren in het ophalen van neutrale informatie en het ophalen van affectieve informatie. Voor het ophalen van zowel positieve als negatieve afbeeldingen was er activatie in de rechter anterieur temporale pole en de linker amygdala. Deze gebieden waren niet actief bij het ophalen van neutrale afbeeldingen. Het probleem bij deze studie was wel dat de amygdala misschien niet geactiveerd werd voor het ophaalproces, maar juist door de emotionele reactie op de opgehaalde herinneringen.

    Hebben stemmingen invloed op geheugen?

    Het zou kunnen dat door het bekijken van emotionele stimuli een bepaalde stemming wordt veroorzaakt, die vervolgens van invloed is op het geheugen, in plaats van dat deze invloed komt van eigenschappen van de stimulus of de gebeurtenis. Wanneer we in een bepaalde stemming zijn, hebben we de neiging om dingen op te merken die in overeenstemming zijn met die stemming en herinneren we ons ook meer dingen uit het verleden die bij de stemming passen.

    We behandelen hier twee fenomenen: stemmings-congruent geheugen (stemmings-congruent geheugen) en stemmingsafhankelijk geheugen(stemmingsafhankelijk geheugen). Stemmings-congruent geheugen beschrijft dat wat we ons herinneren in overeenstemming is met onze stemming: als we ons depressief voelen, herinneren we ons meer verdrietige gebeurtenissen. Stemmingsafhankelijk geheugen beschrijft dat we dingen die we leren wanneer we in een bepaalde stemming zijn, beter herinneren wanneer we weer in diezelfde stemming zijn.

    Stemmings-congruent geheugen

    Stemmings-congruent geheugen kan voorkomen bij zowel coderen als ophalen. De invloed van stemming bij coderen wordt vaak getest door een stemming te veroorzaken en mensen dan een lijst met positieve en negatieve woorden te laten leren. Later, wanneer deze mensen in een neutrale stemming zijn, wordt gekeken welke woorden ze zich herinneren. Er wordt inderdaad gevonden dat woorden die overeenkomen met de stemming waarin de persoon was tijdens het leren, beter worden onthouden. De verklaring hiervoor kan gevonden worden in het associatieve netwerk model, dat voorspelt dat informatie die overeenkomt met de stemming meer saillant is en op een dieper niveau wordt verwerkt dan andere informatie.

    De invloed van stemming bij het ophalen lijkt wat minder duidelijk. Hierbij wordt mensen vaak gevraagd een lijst met positieve en negatieve woorden te leren terwijl ze in een neutrale stemming zijn. Hierna wordt ze gevraagd zo veel mogelijk woorden op te halen wanneer ze in een positieve of negatieve stemming zijn. De resultaten hiervan zijn uiteenlopend: sommige studies vinden geen effect, anderen wel.

    De studies naar autobiografische herinneringen geven een duidelijker beeld. Hier wordt een stemming opgeroepen, waarna mensen gevraagd wordt om gebeurtenissen op te halen uit hun eigen leven. De bevindingen hier zijn over het algemeen dat mensen meer gebeurtenissen ophalen die overeenkomen met hun stemming, hoewel sommige studies het tegenovergestelde vonden.

    Het probleem met deze studies is dat de gebeurtenissen die opgehaald worden vaak ook in overeenstemming zijn met de stemming op het moment dat de gebeurtenis plaatsvond. Dus het kan net zo goed zijn dat de effecten veroorzaakt worden door de invloed van de stemming op het moment van coderen. Daarnaast kan de huidige stemming de herinnering verdraaien, waardoor ze gereconstrueerd worden op zo’n manier dat ze meer bij de huidige stemming passen. Dit laatste kan een adaptieve functie zijn, aangezien evaluaties van de huidige affectieve situatie een betere leidraad kunnen zijn voor toekomstig gedrag dan wanneer de herinnering een perfecte weerspiegeling zou zijn van het verleden.

    Een aantal factoren is van invloed op of stemmings-congruentie voorkomt. Zo is de vraag of het materiaal gerefereerd is aan de zelf of aan een ander en of de persoon zich bewust is van het feit dat de informatie overeenkomt met de stemming of niet. Daarnaast is de intensiteit van de stemming en van het materiaal van belang. Zo is er in een onderzoek gevonden dat wanneer de intensiteit van het materiaal laag is, er zelfs stemmingsincongruentie effecten optreden. Wanneer stemming en materiaal worden opgemerkt (dus intens zijn), worden er diepere associaties gevormd, wat geheugen ten goede komt.

    De gevonden stemmingsincongruentie effecten zijn lastiger te verklaren. Het is mogelijk dat cognitieve controlestrategieën aan het werk zijn, die zich bezighouden met het reguleren van de stemmingen. Dus het ophalen van stemmingsincongruente informatie kan een poging zijn om de stemming te veranderen.

    Er is ook een effect gevonden waarbij stemming bij codering van invloed is op hoe woorden ‘gekleurd’ worden. Wanneer mensen in een bepaalde stemming zijn en een lijst neutrale woorden leren, krijgen deze woorden een betekenis mee door de affectieve achtergrond (de stemming). Hierdoor werden meer woorden correct onthouden, wat een aanvulling is op de theorie dat emotioneel geladen stimuli beter onthouden worden.

    Mood dependent memory

    Zoals al eerder besproken, zorgt stemmingsafhankelijk geheugen dat materiaal dat geleerd wordt in een bepaalde stemming, beter opgehaald wordt wanneer iemand weer in diezelfde stemming is. Het gaat hier dus om consistentie tussen de stemmingen op het moment van coderen en het moment van ophalen.

    Een studie door Bower gaf een zeer sterk effect van stemmingsafhankelijk geheugen, maar de resultaten zijn nooit goed gerepliceerd. Onderzoekers zijn het er echter wel over eens dat er bepaalde omstandigheden zijn waarin stemmingsafhankelijk geheugen vrijwel altijd voorkomt. Zo komen de effecten veel vaker voor in real-life situaties dan in het laboratorium. In deze situaties is de affectieve aard van de situatie veel saillanter en intenser. Daarnaast zijn affectieve situaties uit het echte leven vaak meer verbonden met de levensdoelen van een persoon, waardoor ze eerder geëvalueerd en geïnterpreteerd worden als significant.

    Het is waarschijnlijk dat een sterkere stemming tijdens het coderen resulteert in een sterkere associatie met het materiaal. Dus als de stemming bij het ophalen hetzelfde is als de stemming met het coderen, is de stemming zelf een goede aanwijzing. Dit verklaart waarom het effect het sterkste is wanneer de stemming intens is, er is dan sprake van duidelijk aanwezige context voor het leren van het materiaal. Het effect treedt namelijk ook op wanneer in plaats van stemming, locatie of aroma wordt gebruikt als context.

    Wanneer andere aanwijzingen bijna niet aanwezig zijn, geldt stemming als een belangrijke cue. Echter, wanneer er heel veel andere, sterke aanwijzingen aanwezig zijn, valt stemming daar een beetje tegen weg. Dus dit verklaart waarom het effect minder tot niet aanwezig is wanneer de stemming niet heel intens is: het valt dan weg tegen de andere cues uit de omgeving.

    Eich stelde dat stemmingsafhankelijke geheugeneffecten betrouwbaar en consistent zijn, zo lang de stemmingen sterk en stabiel zijn en wanneer mensen betrokken zijn bij het actief genereren van de target-gebeurtenissen die later onthouden moeten worden. Dit is vrijwel altijd het geval in alledaagse sociale situaties, dus dit is een goede verklaring voor het feit dat het effect vaker in real-life optreedt dan in het laboratorium.

    Maakt het type stemming een verschil voor het geheugen?

    Uit bovenstaand onderzoek blijkt dat valentie van de stemming geen verschil maakt, maar intensiteit wel degelijk. Verder stellen Levine en Pizarro dat er gekeken moet worden naar welk doel een emotie dient. Dit is niet zomaar een kwestie van opwinding of valentie, maar hangt af van wat iemand met een emotie bereikt. Volgens deze theorie zouden emoties geheugen moeten verbeteren voor de details die het meest relevant zijn voor de motivaties die geassocieerd zijn met discrete emoties. Er is enige verwarring tussen emoties en stemmingen, maar het lijkt logisch dat verschillende stemmingen ook gerelateerd zijn aan verschillende adaptieve functies.

    Zijn positieve en negatieve stemmingen geassocieerd met verschillende informatieverwerkingsstrategieën?

    Er is een lijn van onderzoek die stelt dat verschillende stemmingen geassocieerd zijn met verschillende informatieverwerkingsstrategieën. Zo vertrouwen blije mensen meer op algemene kennis en stereotypes. Een blije stemming is immers een gevolg van het bereiken van een doel, dus er is geen onmiddellijk probleem dat opgelost moet worden. Negatieve stemmingen daarentegen, leiden tot meer gedetailleerde evaluatie van informatie. Deze stemmingen zijn immers veroorzaakt doordat belangrijke doelen bedreigd worden of falen.

    Bij positieve stemmingen wordt assimilatie gebruikt, waarbij actieve cognitieve elaboratie van stimuli gebeurt door interne schema’s en kennisstructuren. Dit is vooral goed wanneer exploratie en creativiteit van belang zijn. Bij negatieve stemmingen daarentegen, wordt accommodatie gebruikt. Dit is een adaptief proces, waarbij gefocust wordt op de eisen van de omgeving. Dit brengt voorzichtige en gedetailleerde perceptie en analyse van stimuli met zich mee, voor wanneer er geen fouten gemaakt mogen worden.

    Dit is ook van invloed op geheugen. Wanneer mensen een verhaaltje te horen krijgen waarin bepaalde gebeurtenissen in het script passen (bijvoorbeeld een verhaaltje over een restaurant waar de serveerster de menu’s op tafel legt) en andere gebeurtenissen niet (dat iemand zijn tennisracket wegzet), ‘herinneren’ mensen die in een positieve stemming waren zich later meer scriptrelevante informatie, ook als deze niet in het verhaal genoemd werd. Mensen die in een negatieve stemming waren zijn accurater in het benoemen wat wel en niet in het verhaal zat. Dit laat zien dat positieve stemming leidt tot meer vertrouwen in algemene kennis, waardoor er fouten in het geheugen sluipen.

    Uit een ander onderzoek blijkt dat mensen in een blije stemming een beter geheugen hebben voor een vertelling als geheel, terwijl boze of verdrietige mensen zich meer details van het verhaal konden herinneren. Daarbij herinnerden verdrietige mensen zich meer informatie gerelateerd aan negatieve uitkomsten dan de boze mensen. Boze mensen herinnerden zich juist weer meer informatie over gestelde doelen dan de verdrietige mensen. Dit geeft weer aan dat mensen in verspillende stemmingen de neiging hebben om verschillende soorten informatie op te halen.

    Wat zijn theoretische verklaringen voor stemming en geheugeninteracties?

    Associatieve netwerk modellen

    Het centrale idee achter associatieve netwerk theorieën is dat alle concepten en feiten die we in ons lange termijngeheugen hebben, opgeslagen zijn als knooppunten in een complex netwerk. Het concept ‘hond’ is bijvoorbeeld opgeslagen als knooppunt naast dingen als dier, blaf, bijt, Fikkie, etc. Het idee is dat wanneer een bepaald knooppunt geactiveerd wordt, er een golf door het netwerk gaat waardoor sterk gerelateerde concepten sterker geactiveerd worden dan nauwelijks gerelateerde concepten. Zo’n netwerk is een goede verklaring voor semantic priming effects. Dit houdt in dat de verwerking van een concept sneller gaat, wanneer we vlak daarvoor een gerelateerd concept hebben verwerkt.

    Bower stelde dat stemmingen ook opgeslagen kunnen worden als knooppunten in zo’n netwerk, samen met andere ‘cognitieve’ concepten. Dus voor elk concept kan een reeks affectieve toestanden (emoties en stemmingen ervaring in associatie met het concept) gelinkt worden aan dit kernconcept. Dit betekent dat wanneer een bepaald concept geactiveerd wordt, er ook een bepaalde stemming geactiveerd kan worden (of andersom; door stemming wordt een concept geactiveerd). Dit model kan dus zowel stemmings-congruentie als stemmingsafhankelijk geheugen verklaren.

    Er wordt vanuit gegaan dat bepaalde emotieknooppunten (verdriet) andere emotieknooppunten (blijdschap) inhiberen, waardoor het bijvoorbeeld moeilijker wordt om concepten op te halen die geassocieerd zijn met blijdschap wanneer je verdrietig bent.

    Het model gaat wel uit van vrij algemene voorspellingen over stemmings-congruentie, terwijl uit ander onderzoek blijkt dat het per stemming verschilt wat voor effect er is op geheugen. Deze differentiatie kan niet goed gemaakt worden door een associatieve netwerk. Daarnaast wordt er niet ingegaan op de effecten van motivatie op stemmings-congruentie. Mensen ervaren niet zomaar passief affectieve toestanden, ze gebruiken een scala aan strategieën om deze te reguleren en positieve stemmingen vast te houden of te bereiken. Eén zo’n strategie is afleiding, waarbij mensen aan iets anders proberen te denken. Hierdoor wordt de activatiegolf door het model verstoord, waardoor de activatie van concepten gerelateerd aan de negatieve stemming geremd wordt.

    Affect infusion model (AIM)

    Wanneer motivaties aanwezig zijn om emoties te reguleren, komen vaak stemmingsincongruïteitseffecten voor. Het Affect Infusion Model (AIM) is bedoeld om een duidelijkere specificatie te geven van de omstandigheden waarin wel of juist niet waarschijnlijk is dat stemmingscongruentie voorkomt. Het model gaat er vanuit dat stemmingsovereenkomstige voorspellingen van associatieve netwerk modellen alleen voorkomen onder omstandigheden die een open en onbevooroordeeld zoek- en verwerkingsstrategie toelaten.

    AIM identificeert vier verwerkingsstrategieën. De keuze voor een strategie is afhankelijk van eigenschappen van de taak, de persoon en de situatie als geheel. Twee van de strategieën (direct access en motivated) brengen gesloten en gerichte verwerking met zich mee, die de mogelijkheid voor affect infusion (het proces waarbij affectief saillante informatie betrokken wordt bij cognitieve en gedragsprocessen) limiteren. De twee andere strategieën daarentegen (heuristic en substantive) vragen om een meer open en constructieve verwerkingsstijl, waardoor er meer mogelijkheden zijn voor affect infusion. De verschillende strategieën bepalen dus voor een belangrijk deel de eigenschappen van affect-cognitierelaties.

    AIM komt tot de onverwachte conclusie dat affect infusion vooral voorkomt wanneer diepgaandere verwerking nodig is. Dit komt doordat deze strategieën het achteloze gebruik van affectieve informatie bevorderen. Wanneer de situatie vraagt om een simpele, al bestaande respons, heeft affectieve informatie vrijwel geen impact op cognitieve verwerking. Verder gaat AIM er vanuit dat als alle andere omstandigheden hetzelfde blijven, mensen kiezen voor de simpelste verwerkingsstrategie, die het minste moeite kost.

    Die vier verwerkingsstrategieën zijn als volgt:

    1. Direct access strategy: gaat over het directe ophalen van een vooraf geprogrammeerde respons, wordt gebruikt wanneer de taak bekend is.

    2. Motivated strategy: gestuurd door een specifiek motivationeel doel, gekenmerkt door een zeer gerichte en selectieve zoektocht naar informatie. Negatieve stemmingen kunnen deze strategie uitlokken, om de stemming te ‘repareren’.

    3. Heuristic strategy: gebruikt wanneer er geen motivationele druk is en wanneer de taak simpel en bekend is. Affect infusion komt alleen voor als mensen affect gebruiken als heuristic cue

    4. Substantive processing strategy: gebruikt wanneer de taak moeilijk of complex is, of wanneer het nieuw is en er geen motivationeel doel is om de verwerking te leiden. Affect infusion komt voor doordat er constructieve, creatieve processen nodig zijn.

    Samengevat is de belangrijkste voorspelling van AIM de aanwezigheid van stemmingscongruentie effecten wanneer heuristic en substantive processing strategieën gebruikt worden, en de afwezigheid van affect infusion wanneer direct access of motivated processing gebruikt wordt. AIM breidt dus de associatieve netwerk motels uit, door de omstandigheden te specificeren waaronder affect infusion en dus ook mood congruent en mood dependent geheugeneffecten voorkomen.

    Access: 
    Public
    Wat zijn mogelijke individuele verschillen in de verwerking van emoties? - Chapter 8

    Wat zijn mogelijke individuele verschillen in de verwerking van emoties? - Chapter 8

    Zijn cognitieve biases van invloed op emotionele reactiviteit?

    Chapter 3 liet zien dat verschillende temperamenten en persoonlijkheidseigenschappen geassocieerd worden met verschillende maten van emotionele reactiviteit. Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of deze verschillen gerelateerd zijn aan persoonlijkheidsovereenkomstige biases in de cognitieve verwerking. Variatie in temperament bepaalt hoe we de wereld om ons heen zien en verwerken, dus betekent dit dat mensen aandacht verdelen, interpreteren en herinneren op een manier die overeenkomt met hun persoonlijkheid? Deze theorie heet de trait congruency hypothesis.

    Een overzicht van empirisch bewijs

    De impact die alledaagse situaties hebben op mensen, wordt sterk beïnvloed door verschillen of biases in hoe mensen dezelfde informatie verwerken. Helaas gaat veel van het voorgaande onderzoek over de impact van negatieve eigenschappen, emoties en stemmingen. Er is nu echter ook een groeiende beweging die zich bezighoudt met positieve cognitieve biases. Dit is interessant omdat het ons informatie geeft over factoren die kunnen helpen een weerstand (resilience) op te bouwen tegen stress en spanningen. Dit hoofdstuk bespreekt de associatie tussen natuurlijke variaties in eigenschappen of temperament en fundamentele biases in hoe informatie verwerkt wordt. Dit verband is bi-directioneel; temperament kan een bias veroorzaken, maar een bias kan ook een bepaald temperament veroorzaken.

    Waar liggen de interacties tussen persoonlijke eigenschappen, emoties en stemmingen?

    Een lastig probleem is hoe de effecten van temperament op cognitieve verwerking gescheiden moeten worden van de effecten van de huidige stemming. Bepaalde eigenschappen zijn sterk gecorreleerd met de neiging om bepaalde emoties en stemmingen te ervaren. Daardoor kunnen veel van de temperament-invloeden eigenlijk veroorzaakt zijn door een stemming of emotie. Het is waarschijnlijk dat eigenschappen en stemmingen samenwerken om de sterkte van affect-cognitierelaties te bepalen.

    Cognitieve verwerking kan direct gemoduleerd worden door variaties in eigenschappen en temperament. Daarnaast kunnen eigenschappen eerst emoties en stemmingen moduleren, die dan weer van invloed zijn op cognitieve verwerking. Hierbij is dus sprake van een indirect verband, waarbij eigenschappen de intensiteit van de stemming beïnvloeden. Tot slot kunnen eigenschappen en stemmingen dus met elkaar interacteren om de cognitieve biases te versterken.

    Perceptie en aandacht

    Verschillende vormen van opwinding zorgen dat een organisme waakzaam is voor bepaalde informatie. Aandacht werkt op een veel specifiekere manier door de meest belangrijke bronnen van informatie in een situatie uit te lichten. Hierbij wordt de meeste aandacht gegeven aan negatieve stimuli. Persoonlijkheid kan echter weer moduleren welke stimuli (positief of negatief) een bepaalde hoeveelheid aandacht krijgen. Aandacht werkt via het posterieure aandachtssysteem, dat bestaat uit drie subsystemen: het loskoppelen van de huidige focus, het verplaatsen naar een nieuwe locatie en het koppelen aan de nieuwe locatie. Dit systeem is reflexmatig en automatisch. Daarnaast bestaat het anterieur aandachtssysteem, dat verantwoordelijk is voor meer vrijwillige en flexibele controle over aandacht. Het anterieure systeem kan de activiteit van het posterieure systeem moduleren, waardoor we niet altijd beïnvloed worden door alle kleine dingen die om ons heen gebeuren.

    Persoonlijkheidsovereenstemmende biases

    Een studie vond dat positieve stimuli sneller verwerkt worden dan negatieve stimuli. Daarnaast werd gevonden dat mensen met een hogere score op de eigenschap extraversie, nog sneller waren in het verwerken van deze positieve stimuli. Vreemd genoeg werd er geen verband gevonden tussen de eigenschap neuroticisme en de verwerking van negatieve stimuli, terwijl dit wel te verwachten viel. Een andere studie vond ook een relatie tussen extraversie en positieve aandachtsbias, zelfs wanneer gecontroleerd werd voor huidige stemming.

    Weer een andere studie vond dat extraverte mensen de aandacht langzamer loskoppelden van positieve informatie, terwijl introverte mensen de aandacht langzamer loskoppelden van negatieve informatie. Dit effect werd nog eens versterkt bij de mensen (zowel introvert als extravert) die ook nog hoog scoorden op neuroticisme. Dit wijst erop dat zowel extraversie als neuroticisme op een zeer interactieve manier van invloed zijn op de reacties op affectieve stimuli.

    Neuroticisme en selectieve verwerking van negatieve informatie

    Voor het onderzoek naar selectieve verwerking van negatieve informatie wordt vaak een disruption-task uitgevoerd, waarbij mensen een aangepaste stroop-test moeten doen met neutrale en negatief geladen woorden. Zo doen mensen die depressief zijn er langer over om de kleur te noemen van een woord dat negatief is, dan van een neutraal woord. Mensen die bang zijn voor spinnen doen er veel langer over om de kleur te noemen bij spin-gerelateerde woorden dan andere, algemene negatieve woorden. Dit wijst er dus op dat prestatie op de stroop-test vooral verstoord wordt wanneer de negatieve woorden gerelateerd zijn aan de specifieke zorgen of eigenschappen van een persoon. Dezelfde resultaten zijn gevonden in dichotic-listening tasks, waarbij negatieve informatie werd aangeboden in het onoplettende oor. Deze vindingen kunnen echter ook te maken hebben moet moeite om de aandacht af te leiden van de negatieve informatie, in plaats van een neiging om meer aandacht aan deze informatie te geven.

    Om dit probleem te omzeilen werden attentional probe paradigma’s gebruikt. Hierbij wordt een paar stimuli getoond op twee locaties op het scherm, waarvan er één neutraal en één negatief is. Hierna wordt een probe getoond op één van de twee locaties, waarop de participant moet reageren. Het blijkt dat de reactietijd op de probe wanneer deze verschijnt op de locatie van de negatieve stimulus, alleen versneld wordt bij mensen die hoger scoorden op trek-angst. Deze resultaten ondersteunen de hypothese dat een hoge score op neuroticisme samengaat met versterkte aandacht richting negatieve stimuli.

    Een andere studie vond ook nog dat de effecten van persoonlijkheid op verwerking versterkt worden wanneer mensen in een angstige stemming zijn. Dus mensen die hoog scoren op neuroticisme hadden een sterkere neiging om selectief aandacht te geven aan negatief materiaal, wanneer ze zich angstig voelden.

    Het is waarschijnlijk dat persoonlijke eigenschappen de drempel beïnvloeden waarboven aandacht gegeven wordt aan negatieve, gevaarlijke stimuli. Wanneer de dreiging erg sterk is, hebben deze persoonlijke eigenschappen veel minder effect en trekt de dreigende stimulus bij iedereen de aandacht.

    Beïnvloeden persoonlijke eigenschappen het oriënteren of vasthouden van aandacht?

    Een belangrijk theoretisch probleem is of de bevindingen in de attentional probe task laten zien dat aandacht getrokken wordt richting de dreiging, of dat de resultaten een worsteling reflecteren om de dreiging los te laten.

    Posner vond bewijs dat angst-gerelateerde verschillen veroorzaakt worden door het loskoppelen van de aandacht van een dreigende stimulus. In dit experiment kregen mensen een cue in de vorm van een neutraal of boos gezicht, dan wel links, dan wel rechts op het scherm. Hierna verscheen de targetstimulus, soms op dezelfde locatie als de cue, soms juist aan de andere kant. Wanneer de target op dezelfde locatie verscheen, waren er geen verschillen tussen de lage en hoge angst groepen. Wanneer de target echter aan de andere kant verscheen, bleek dat de mensen die hoog scoorden op angst er langer over deden om te reageren op de target wanneer de cue een boze gezichtsuitdrukking was. Deze resultaten kunnen echter niet uitwijzen of aandacht ook sneller getrokken wordt richting dreigende stimuli.

    Om dit probleem op te lossen is een ander soort experiment nodig. Uit een aantal onderzoeken werd gevonden dat mensen die sociaal angstig zijn, eerder boze gezichten detecteren en dat mensen die bang zijn voor spinnen of slangen eerder spin- en slang-gerelateerde stimuli detecteren. Dit wijst erop dat een algemene neiging om dreiging te detecteren, versterkt kan worden door individuele verschillen in persoonlijkheid. Andere studies vonden deze resultaten dan weer niet, maar het zou kunnen dat de invloeden van deze individuele verschillen sterker zijn bij specifieke fobieën, maar niet bij meer algemene variaties in trek-angst.

    Er wordt ook vaak onderzoek gedaan dat gebruik maakt van attentional blink. Dit houdt in dat een reeks stimuli snel achter elkaar getoond wordt. Wanneer een stimulus direct (binnen 500ms) na een andere targetstimulus wordt getoond, ontsnapt deze tweede stimulus aan de aandacht. Echter, wanneer deze tweede stimulus affectief saillant is (bijvoorbeeld de eigen naam), wordt het attentional blink-effect tenietgedaan. Het blijkt dat ook wanneer deze tweede stimulus sterk negatief is, het attentional blink-effect sterk verminderd wordt en de woorden dus vaak wel opgemerkt worden. Opvallend is dat patiënten met schade aan de amygdala wel gewoon last hebben van de attentional blink, onafhankelijk van de valentie van de tweede stimulus. Dit wijst erop dat het effect gedreven wordt door invloeden vanuit de amygdala.

    Hierop volgend onderzoek vond nog dat er een attentional blink voorkomt voor zowel blije als angstige gezichten, maar dat mensen die hoger scoren op trek-angst significant minder last hebben van attentional blink bij angstige gezichten. Dit patroon wijst erop dat aandacht sneller wordt toegewezen aan negatieve stimuli wanneer trek-angst en neuroticisme toenemen.

    Samenvattend lijkt het erop dat persoonlijke eigenschappen (met name neuroticisme) een belangrijke invloed hebben op de werking van het posterieure aandachtssysteem. Angstige of neurotische mensen (vooral wanneer ze laag scoren op extraversie) zijn langzaam in het loskoppelen van de aandacht van dreigende locaties. Extraverten (vooral als ze hoog scoren op neuroticisme), zijn langzaam in het wegleiden van de aandacht van belonende locaties. Daarnaast is er enig bewijs dat mensen die hoog scoren op trek-angst sneller de aandacht richting een dreigende stimuli sturen en minder snel dreigende stimuli missen onder druk van verwerking.

    Persoonlijke eigenschappen een controle over aandacht

    Een aantal studies heeft de rol van persoonlijke eigenschappen in het moduleren van het anterieure aandachtssysteem onderzocht. Er werd gevonden dat angstige mensen met slechte aandachtscontrole moeite hadden om hun aandacht weg te leiden van dreigende locaties. Angstige mensen met een goede aandachtscontrole waren echter beter in staat om de aandacht te verplaatsen van dreigende naar veilige locaties. Dit wijst erop dat controle over aandacht verschilt tussen mensen en dat dit onafhankelijk is van de mate van angst of neuroticisme.

    Geheugen

    Temperament kan een invloed hebben op het type materiaal dat het beste onthouden wordt. Zo onthouden extraverte mensen meer positieve woorden dan negatieve of neutrale. Neurotische mensen daarentegen, onthouden meer negatieve woorden. Deze effecten bleken nog steeds significant wanneer er gecontroleerd werd voor huidige stemming. Echter, wanneer een bepaalde stemming actief veroorzaakt wordt, wordt deze stemming een sterkere voorspeller voor het soort woorden dat onthouden wordt.

    Afzonderlijke effecten van depressie en angst op herinneren

    Temperament kan van invloed zijn op autobiografisch geheugen. Zo is gevonden dat depressieve mensen de neiging hebben om meer negatieve autobiografische herinneringen op te halen. Het blijkt lastiger te zijn om selectief geheugen voor negatief materiaal te demonstreren bij mensen die hoog scoren op trek-angst. Dit is opvallend omdat metingen voor depressie en angst vaak sterk met elkaar correleren.

    Over het algemeen wordt gevonden dat alleen wanneer oppervlakkige codering nodig is, er een selectieve bias bestaat die veroorzaakt wordt door trek-angst. Wanneer er een diepere analyse nodig is om een taak uit te voeren, was er geen sprake van een selectief geheugenvoordeel. Deze bevindingen wijzen erop dat depressie en angst verschillende invloeden hebben op expliciet geheugen. Omdat depressie geassocieerd wordt met problemen met het controleren van stemming en buitensporig piekeren over negatieve gebeurtenissen, lijkt het erop dat individuele verschillen in depressie gerelateerd zijn aan het selectief ophalen van negatieve herinneringen.

    De invloed van mood repair strategies op selectief ophalen van herinneringen

    Iemands motieven zijn van groot belang in het bepalen welk soort herinneringen wordt opgehaald. Vanuit dit perspectief worden herinneringen gezien als dynamische aspecten van een ontwikkelend individu, waardoor ze actief opgehaald worden om een huidige stemming te behouden of te veranderen. De zelfregulatie van stemming is dus een belangrijk motief.

    Er is bewijs dat het ophalen van bepaalde typen herinneringen stemming kan reguleren. Wanneer een verdrietige stemming wordt veroorzaakt en mensen vervolgens wordt gevraagd twee sterk emotionele herinneringen op te halen, is de eerste herinnering vaak een verdrietige (stemmings-congruentie). De tweede herinnering wordt bepaald door hoe hoog iemand scoort op depressie: depressieve mensen haalden nog een verdrietige herinnering op, maar niet depressieve mensen probeerden een positieve herinnering op te halen om hun stemming te verbeteren. Het is duidelijk dat deze verschillen en het gebruik van ‘stemmingsreparatie-strategieën’ een belangrijke rol kunnen spelen in de stemmings-congruentie-effecten van geheugen.

    Interpretatie en oordelen

    Op basis van de verschillen in temperament, zouden we sterke effecten van persoonlijke eigenschappen op de interpretatie van ambigue situaties (‘word ik uitgelachen of toegelachen?’) kunnen verwachten. Er is inderdaad gevonden dat wanneer mensen een reeks homophones te horen krijgen (woorden die hetzelfde klinken, maar verschillende betekenissen kunnen hebben; die – dye), dat de mensen die hoog scoren op trek-angst meer geneigd zijn om de negatieve betekenis te interpreteren. Dit effect kan echter ook veroorzaakt worden door een response bias; misschien komen beide betekenissen op in de gedachten, maar uiten angstige mensen de negatieve betekenis eerder.

    Om dit probleem te omzeilen werd een priming-taak gebruikt met homographs (woorden met dezelfde spelling die verschillende betekenissen hebben; arms, stroke, etc.). Hierbij is er geen sprake van een respons, waardoor gevonden werd dat er wel degelijk sprake is van een verschil in interpretatie; er was een groter priming-effect voor de negatieve betekenis bij angstige participanten.

    Bij onderzoek met homophones naar extraversie en neuroticisme werd gevonden dat extraverte mensen meer geneigd waren om ambigue informatie op een positieve manier te interpreteren, terwijl neurotische mensen meer geneigd waren ambigue informatie op een negatieve manier te interpreteren.

    Risicoschattingen

    Wanneer mensen beoordelen hoe waarschijnlijk het is dat een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt in de toekomst, gebruiken ze meestal het gemak waarmee ze een mentaal model kunnen vormen van de gebeurtenis als maatstaf. Dit heet de availability heuristic of simulation heuristic. Over het algemeen blijkt dan ook dat mensen die hoog scoren op extraversie voorspellen dat positieve gebeurtenissen waarschijnlijker zijn. Mensen die hoog scoren op neuroticisme voorspellen juist dat negatieve gebeurtenissen waarschijnlijker zijn.

    Wanneer mensen sneller een reden kunnen bedenken waarom een bepaalde gebeurtenis voor zou komen, schatten zij deze gebeurtenis ook in als waarschijnlijker. Mensen hoog op neuroticisme komen sneller op een reden waarom een negatieve gebeurtenis voor zou komen en zagen zo’n gebeurtenis ook als meer waarschijnlijk. De waarschijnlijkheid van positieve gebeurtenissen wordt door deze mensen onderschat. Andersom werd in een andere studie ook gevonden dat extraverte mensen eerder verwachtten dat positieve gebeurtenissen plaats zouden vinden. Dit effect is onafhankelijk van de huidige stemming.

    Deze resultaten wijzen er dus op dat stabiele persoonlijke eigenschappen zoals extraversie en neuroticisme, zorgen voor bevooroordeeld affectieve beoordelingen. Deze eigenschappen kunnen de huidige interpretatie van ambigue gebeurtenissen en de geschatte waarschijnlijkheid van toekomstige gebeurtenissen beïnvloeden.

    Wat houdt neurale reactiviteit in?

    Fundamentele verschillen in de reactiviteit van de benaderings- en vermijdingssystemen zou ten grondslag liggen aan de opbouw van persoonlijkheid. Zo zou extraversie sterk correleren met psychofysiologische reactiviteit op positieve gebeurtenissen (beloningssignalen) en neuroticisme met psychofysiologische reactiviteit op negatieve gebeurtenissen (strafsignalen). Gevonden resultaten wijzen erop dat bij neuroticisme een hyper-activatie van het limbisch systeem betrokken is, met een constante lage tolerantie voor aversieve stimuli.

    Neuro imaging studies

    fMRI-studies vonden dat reactiviteit ten gevolge van positieve stimuli sterk correleerde met de score die een participant had op extraversie in zowel corticale als subcorticale gebieden. Activatie ten gevolge van negatieve stimuli correleerde sterk met scores op neuroticisme in linker frontale en temporale corticale gebieden. Deze bevindingen wijzen erop dat er inderdaad individuele verschillen in hersenactivatie zijn, geassocieerd met bepaalde persoonlijkheidskenmerken.

    De richting van de causaliteit is niet altijd duidelijk in studies naar cognitieve biases en neurale factoren. Zo kan het zijn dat verschillende patronen van hersenactivatie resulteren in verschillende subjectieve interpretaties van dezelfde objectieve ervaring. Het kan echter ook andersom zijn, dat de hersenprocessen zelf bevooroordeeld zijn door verschillen in cognitieve interpretaties.

    Er werd ook gevonden dat de amygdala bij iedereen, onafhankelijk van persoonlijkheidskenmerken, actief is in reactie op angstige stimuli. De reactie van de amygdala op positieve stimuli (blije gezichten) was erg inconsistent. Het bleek dat de activatie in dit geval afhing van de score op extraversie; een hogere score op extraversie betekende een hogere (benadering gerelateerde) activatie van de amygdala. Deze personen zijn meer geneigd om benadering gerelateerde neurale systemen gebruiken, die geassocieerd worden met positieve emoties als gevolg van beloning gerelateerde stimuli. Neuroticisme blijkt de sterkte van amygdala-activatie als reactie op negatieve stimuli te kunnen moduleren.

    Een fMRI-studie vond dat de mate van ACC-activatie als gevolg van positieve stimuli varieerde als functie van extraversie, maar varieerde niet als functie van positieve stemming. Daarentegen, de ACC-respons op negatieve woorden varieerde significant als functie van negatieve stemming, maar varieerde niet als functie van neuroticisme. Deze resultaten laten zien dat solide persoonlijkheidskenmerken en meer kortstondige stemmingen verschillende effecten kunnen hebben. Er wordt gespeculeerd dat negatieve stemming de activatie van de ACC moduleren, waardoor sensorische selectie en stimulus-anticipatie verbeterd worden. Dit past goed bij de bevindingen van verbeterde cognitieve verwerking voor negatieve stimuli. Daarentegen suggereert het feit dat ACC-activatie op positieve woorden een functie is van extraversie dat er een neuraal mechanisme is voor meer langdurige en consistente verschillen tussen mensen.

    Genetische determinanten van individuele verschillen in emotionaliteit

    Het is al lang bekend dat genen een belangrijke bijdrage leveren aan individuele verschillen in persoonlijkheid. Zo dragen genetische factoren 40-60% bij aan de verklaarde variantie van extraversie en neuroticisme. Omdat er ontzettend veel verschillende genen zijn die aan de basis van persoonlijkheid liggen, zijn er waarschijnlijk geen specifieke genen die verantwoordelijk zijn voor emotionele stoornissen zoals depressie of angst. Er zijn misschien wel genen die onderliggend zijn aan bepaalde gedragsdimensies, zoals neuroticisme, extraversie etc.). Een strategie om dit te onderzoeken zou zijn om te analyseren hoe variaties in enkele genen van invloed zijn op specifieke gedragsdimensies of persoonlijkheidskenmerken.

    Om de genen te vinden die hierop van invloed zijn, moet gekeken worden naar polymorphische genen. Dit zijn genen waarvan een variant (allel) bestaat die gekoppeld kan worden aan een specifieke eigenschap. Dit polymorfisme moet relevant zijn voor de eigenschap, dus als hoge scores op neuroticisme geassocieerd worden met lage niveaus van serotonine, zijn allelen die resulteren in verminderde serotonine duidelijke kandidaten.

    Welke rol spelen serotonine en variatie in emotionele reactiviteit?

    Het serotonine-transportgen (5-HTT) heeft twee varianten: S en L. Iedereen heeft twee varianten van het gen in zich, één die vanaf de vader komt en één vanaf de moeder. Dit betekent dat iemand homozygoot voor S (S/S) kan zijn, homozygoot voor L (L/L) of heterozygoot (S/L). Het blijkt dat wanneer iemand minimaal één S-allel bij zich draagt (dus S/S of S/L), dit al leidt tot significant hogere scores op neuroticisme.

    Als polymorfisme van het 5-HTT-gen geassocieerd wordt met neuroticisme, dan zou het ook geassocieerd moeten zijn met individuele verschillen in hoe het brein reageert op angst gerelateerde stimuli. Mensen die het S-allel bij zich dragen, hebben dan ook een grotere activatie van de amygdala als reactie op angstige en boze gezichten dan mensen die het allel niet dragen. Daarnaast werd een grotere activatie van de vmPFC gevonden bij dragers van het S-allel, wanneer negatieve informatie verwerkt werd.

    Het blijkt echter dat het verschil in activatie van de amygdala bij S-alleldragers, eigenlijk te wijten is aan een verminderde activatie bij neutrale stimuli, in plaats van een daadwerkelijk toegenomen activatie bij negatieve stimuli. Desondanks blijft het wel zo dat S-alleldragers over tijd een relatief grotere activatie van de amygdala ervaren als reactie op negatieve stimuli dan L-homozygoten.

    Er werd ook gevonden dat een vermindering van serotonine in het brein leidt tot een toename van reactiviteit van de rechter amygdala als reactie op angstige gezichten, dit als functie van individuele verschillen in gevoeligheid voor dreiging. De vermindering van serotonine had niet op iedereen hetzelfde effect, maar degenen met een hoge score op neuroticisme (en dus waarschijnlijk een S-allel) werden zeer reactief voor aversieve stimuli.

    Andere studies hebben gekeken naar polymorfisme in het human tryptophan hydroxylase-2 gen (hTPH2) in termen van amygdala-activatie door negatieve stimuli. Dit gen beïnvloedt de hoeveelheid serotonine die wordt aangemaakt in het brein. De verschillende allelen zijn hier G en T.

    Het blijkt dat dragers van het T-allel meer bilaterale activatie van de amygdala lieten zien als reactie op angstige en verdrietige gezichtsuitdrukkingen dan G-homozygoten (hierbij werd gecontroleerd voor het genotype van 5-HTT). Er werd echter ook gevonden dat dragers van het T-allel een hogere activatie van de amygdala hadden als reactie op blije gezichten. De verklaring hiervoor is dat het gen de activatie van de amygdala moduleert als een meer algemene functie van opwinding in plaats van negatieve valentie.

    Welke rol spelen dopamine en variatie in emotionele reactiviteit?

    Er is al vroeg onderzoek gedaan naar genetische polymorpfismen van het dopamine D4 receptorgen (D4DR). Hier wordt ook weer onderscheid gemaakt tussen een L- en een S-allel. Uit het onderzoek bleek dat degenen die het L-allel droegen, significant hoger scoorden op novelty seeking vergeleken met de S-homozygoten. Deze L-alleldragers scoorden ook hoger op extraversie, maar lager op conscientiousness. Deze studies leveren bewijs voor een verband tussen polymorfisme van het D4DR-gen en novelty seeking.

    Een belangrijke eigenschap van mensen die hoog scoren op extraversie, is dat zij gevoelig zijn voorbeloningen. Dopamine zeer sterk betrokken bij het beloningssysteem in de hersenen. Vooral het dopamine D2 receptorgen (D2DR) lijkt hiervoor belangrijk. Voornamelijk het A1-allel wordt geassocieerd met lagere hoeveelheden D2-receptoren in de hersenen en daardoor met klinische stoornissen van beloningsgevoeligheid en alcoholisme.

    Uit een fMRI-studie bleek dan ook dat de beloningsrespons hoger was bij degenen die hoog scoorden op extraversie dan degenen die daar laag op scoorden. Het dragen van een A1-allel zorgde inderdaad voor een verminderde beloningsrespons. Een verminderde hoeveelheid D2DR-receptoren in het brein leidt dus tot een verminderde gevoeligheid voor beloningen.

    Access: 
    Public
    Waardoor kunnen emotionele stoornissen veroorzaakt worden? - Chapter 9

    Waardoor kunnen emotionele stoornissen veroorzaakt worden? - Chapter 9

    Iedereen gaat wel eens door een periode van stress, maar voor sommigen wordt dit zo erg dat zij niet meer in staat zijn om een normaal leven te leiden. Welke factoren zijn er betrokken bij het ontwikkelen van zo’n emotionele stoornis? De American Psychiatric Association (APA) heeft de Diagnostic and Statistical Manual of mental Disorders (DSM-IV) uitgebracht, als hulpmiddel om psychische stoornissen te classificeren en diagnosticeren. Deze handleiding bevat vijf assen (I: klinische stoornissen, II: persoonlijkheidsstoornissen en mentale retardatie, III: algemene medische aandoeningen, IV: psychosociale- en omgevingsproblemen. V: globale beoordeling van functioneren) die een scala aan symptomen en karakteristieken van meer dan 200 psychische stoornissen bevatten. De eerste drie assen worden altijd gebruikt, de vierde en vijfde zijn optioneel en kunnen gebruikt worden als de specialist dit nodig vindt.

    Het probleem met DSM-IV is dat er geen rekening wordt gehouden met culturele verschillen, daarom is het voornamelijk relevant in westerse samenlevingen. Daarnaast is het een categorische classificatie, waardoor mensen wel of niet een stoornis kunnen hebben, terwijl veel symptomen voorkomen over een breed scala aan verschillende stoornissen. Deze symptomen kunnen ook sterker of minder sterk ervaren worden. Een dimensionele benadering zou daarom toepasselijker zijn.

    Emotionele stoornissen zijn veelvoorkomend, in ongeveer 20% van de populatie. De prevalentie (proportie van de populatie die een stoornis heeft) van stemmingsstoornissen is hoger bij vrouwen, terwijl andere stoornissen (zoals verslaving) weer meer voorkomen bij mannen. Tussen depressie en angststoornissen heerst een hoge comorbiditeit: bijna 90% van de mensen met een angststoornis ervaart minstens één episode van klinische depressie.

    Wat zijn de risicofactoren voor angst en depressie?

    De risicofactoren die mensen meer vatbaar maken voor emotionele stoornissen zijn als volgt:

    • Stressvolle gebeurtenissen in het leven of de omgeving

    • Eigen temperament of persoonlijkheidskenmerken

    • Neurobiologische factoren, zoals de afname van bepaalde neurotransmitters en receptoren in het brein

    • Bepaalde cognitieve processen en biases

    • Een genetische aanleg voor emotionele stoornissen

    Deze factoren zijn niet onafhankelijk van elkaar, ze werken op elkaar in om iemand meer vatbaar te maken voor een stoornis. Het samenwerken van deze factoren wordt beschreven door het diathese-stress model van psychopathologie. Dit model gaat er vanuit dat een stoornis ontstaat als gevolg van twee dingen: een diathese (aanleg voor een bepaalde ziekte of stoornis; dit kan zowel genetisch als sociaal zijn) en stress (door een ernstige gebeurtenis in de omgeving).

    Omgevingsinvloeden

    Zeer traumatische levensgebeurtenissen kunnen een belangrijke rol spelen in het kwetsbaar maken van mensen voor een emotionele stoornis. Deze link tussen omgeving en stoornissen is het duidelijkst in Posttraumatische Stressstoornis (PTSS/PTSD). Vrijwel iedereen die een traumatische gebeurtenis meemaakt, krijgt in de periode direct erna wel te maken met symptomen van PTSS. Er moeten echter andere factoren aanwezig zijn, wil de stoornis ook op de lange termijn aan blijven houden.

    Stress is een belangrijke factor geassocieerd met emotionele stoornissen. Het heeft een direct effect op de hersenen, waarbij het verlies van neuronen veroorzaakt (neuronale atrofie) in onder andere de hippocampus. Kinderen die stress ervaren (bijvoorbeeld in de vorm van mishandeling of misbruik) hebben een grotere kans op emotionele stoornissen later in hun leven. Ook de kans op andere ernstige stoornissen zoals schizofrenie wordt hierdoor vergroot.

    Veel onderzoek wordt gedaan met de Social Readjustment Rating Scale. Die onderzoekt welke van 43 verschillende levensgebeurtenissen, iemand heeft meegemaakt in het afgelopen jaar. Elke gebeurtenis heeft een score op basis van hoeveel aanpassing er nodig is (hierbij kunnen zowel positieve gebeurtenissen als negatieve gebeurtenissen als stressvol gezien worden). Scores op deze schaal correleren sterk met de hoeveelheid angst en depressie die iemand ervaart.

    De vraag is hoe het komt dat stressvolle levensgebeurtenissen een kwetsbaarheid voor stoornissen veroorzaken. Het kan zijn dat de ervaring van stress (op jonge leeftijd) de neurobiologische mechanismen aantast, die normaal gesproken helpen met coping. Zo hebben mensen met een angststoornis vaak een overactief hypothalamic-pituitary-adrenal (HPA)-systeem, wat zeer waarschijnlijk komt door een tekort aan glucocorticoïd receptoren in de hersenen, wat weer veroorzaakt wordt door een hoge mate van stress tijdens de jeugd. Chronische stress kan ook leiden tot een hyperreactieve staat van de amygdala, waardoor deze eerder geactiveerd wordt.

    Negatieve ervaringen in de kindertijd worden ook geassocieerd met een grotere kans op het ontwikkelen van een neurotische persoonlijkheid, wat op zich weer geassocieerd wordt met het ontwikkelen van een kwetsbaarheid voor emotionele stoornissen.

    Temperament en persoonlijkheid

    Er zijn vier manieren waarop temperament van invloed kan zijn op het ontwikkelen van klinische stoornissen zoals angst of depressie. Deze vier modellen sluiten elkaar niet uit; er bestaat bewijs voor allemaal.

    1. Het kwetsbaarheids- of aanlegmodel: temperament speelt een directe causale rol.

    2. Het pathoplastie-model: temperament beïnvloedt het verloop van de stoornis (bijvoorbeeld via de sociale omgeving) zonder een directe causale rol te spelen.

    3. Het litteken- of complicatiemodel: volgens dit model is het andersom; de ervaring van een emotionele stoornis beïnvloedt juist het temperament.

    4. Het continuïteits- of spectrummodel: temperament en emotionele stoornissen reflecteren dezelfde onderliggende processen; emotionele stoornissen zijn extreme manifestaties van normale persoonlijkheidskenmerken.

    Zijn temperament-dimensies risicofactoren voor emotionele stoornissen?

    Om de richting van het causale verband tussen risicofactoren en het ontstaan van een emotionele stoornis te onderzoeken, zijn jarenlange longitudinale studies nodig bij een groep mensen die nog geen stoornis heeft. Uit dit soort studies komen de affectieve dimensies neuroticisme-negatieve affectiviteit (N-NA) en extraversie-positieve affectiviteit (E-PA) vaak naar voren als factoren die een rol spelen bij de ontwikkeling van emotionele stoornissen.

    Wat houdt neuroticisme-negatieve affectiviteit (N-NA) in?

    N-NA is een belangrijke dimensie van persoonlijkheid met effecten op stemming, cognitie, neurobiologische processen en gedrag. Verder heeft het een duidelijke genetische component. N-NA is verbonden aan het behavioural inhibition system (BIS), wat weer verbonden is aan behaviourally inhibited temperament. Deze constructen zijn sterk geassocieerd met neurobiologische circuits gerelateerd aan het vermijden van schade. Veel meetinstrumenten voor angst en depressie meten voor een belangrijk deel het meer algemene construct N-NA, waardoor de co-morbiditeit van angst en depressie deels verklaard kan worden.

    N-NA is dus een overkoepelende factor in beide soorten stoornissen. Gedragsgeïnhibeerd temperament is op zichzelf een goede voorspeller van emotionele stoornissen. 30% van de gedragsgeïnhibeerde kinderen ontwikkelen een scala aan angststoornissen. Deze kinderen lieten een sterke amygdalarespons zien op onbekende gezichten in hun adolescentie. Een relatief groot deel van deze jongeren werd gediagnosticeerd met sociale angststoornis.

    Hoewel N-NA en gedragsinhibitie risicofactoren zijn, is het belangrijk om te onthouden dat het grootste deel van de kinderen in de risicogroepen geen stoornis ontwikkelt.

    Continuïteitsmodellen stellen dat N-NA en angst en depressie in causaal verband met elkaar staan, maar op een zelfde continuüm liggen. Het kan dus zijn dat iemands positie op dit continuüm over tijd verandert, waardoor deze persoon dichter bij depressie of een angststoornis komt. Dit model voorspelt dat gedeelde genetische factoren voor al deze aspecten geassocieerd zijn met zowel temperament als de emotionele stoornis.

    Er is bewijs voor het feit dat N-NA van invloed is op de waarschijnlijkheid dat een stoornis zich ontwikkelt, dat het voorspelt hoe lang de stoornis aanhoudt en hoe waarschijnlijk het is dat iemand goed reageert op een behandeling.

    Wat houdt extraversie-positieve affectiviteit (E-PA) in?

    E-PA is verbonden aan het behavioural approach system (BAS), wat weer verbonden is aan het uninhibited temperament dat geobserveerd wordt in kinderen. Er is bewijs dat E-PA gerelateerd is aan neurobiologische circuits die rijk zijn aan dopamine, waaronder de amygdala en de nucleus accumbens (NAcc) en de ACC en dlPFC.

    E-PA wordt niet geassocieerd met meerdere emotionele stoornissen, maar lijkt specifiek verbonden te zijn met depressie (en misschien sociale angststoornis). Het feit dat een depressief persoon niet meer kan genieten van het leven of plezier kan ervaren, leidde tot de theorie dat depressie te maken heeft met een afwijking (tekort) in het E-PA-systeem. Depressieve mensen reageren ook minder op beloningen, dit is ook terug te zien als een gebrek aan linker frontale activiteit in de hersenen als gevolg van een beloning. Dit suggereert dat deze groep een afwijking heeft in het benaderingssysteem dat onderliggend is aan E-PA.

    Er is enig bewijs dat een hoge mate van E-PA kan werken als een beschermende factor voor het ontwikkelen van depressie, in plaats van dat een lage mate van E-PA een risicofactor is.

    Wat houdt het tripartite model van persoonlijkheids-psychopathologierelaties in?

    Het tripartite model (tri-partitiemodel) werd ontwikkeld om de hoge co-morbiditeit tussen angst en depressie te verklaren. Het stelt dat een algemene factor van tegenspoed (in de vorm van N-NA) zowel voorkomt bij depressie als bij angst. Echter, lage levels van E-PA zijn specifiek voor depressie, terwijl hyper-opwinding van het autonomische zenuwstelsel specifiek is voor angststoornissen. Daarnaast bestaat er nog een derde factor genaamd angstgevoeligheid, wat een hoge mate van angst voor de lichamelijke symptomen van angst inhoudt (zoals versnelde hartslag, ademnood, etc.). Dit zou een significante risicofactor zijn voor het ontwikkelen van een angststoornis.

    Welke neurobiologische factoren spelen een rol?

    Veel studies laten zien dat angststoornissen geassocieerd zijn met een toename aan activiteit in de amygdala. Het is echter niet duidelijk of dit het resultaat van de angststoornis is, of de oorzaak ervan.

    Frontale brein-asymmetrieën en emotionele stoornissen

    Veel studies vonden dat schade aan de linker hemisfeer vaak resulteert in een depressieve stemming, terwijl schade aan de rechter hemisfeer resulteert in een euforische stemming. Vooral schade aan de linker PFC leidt vaker tot depressie. Hoe dichter de schade zich bij de voorkant van de cortex bevindt, hoe ernstiger de depressie. Vaak wordt bij mensen die gediagnosticeerd zijn met depressie dan ook een verminderde bloedtoevoer gevonden in de linker PFC, met daarnaast een toename van activiteit in de rechter PFC.

    De rechter PFC houdt zich waarschijnlijk voornamelijk bezig met de coördinatie van waakzaamheid, wat een duidelijke eigenschap is van angstige stemmingen. Wanneer er dus sprake is van een extreme rechter asymmetrie in de PFC, is dit een indicatie voor angststoornissen. Er wordt echter ook wel eens gevonden dat angst gerelateerd is aan grotere activiteit in de linker PFC. Deze verwarrende resultaten worden verklaard door het valentie-model van frontale asymmetrieën en angst. Volgens dit model bestaat angst uit twee processen: anxious apprehension en anxious opwinding. Grotere linker PFC-activiteit wijst op anxious apprehension, grotere rechter activiteit op anxious opwinding. Rechter activiteit wordt dan ook geassocieerd met sociale angst wanneer een sociale dreiging wordt geanticipeerd.

    Frontale asymmetrie zorgt dus dat mensen meer kwetsbaar zijn voor zowel depressie als angststoornissen.

    Corticaal-subcorticale circuits in emotionele stoornissen

    Het is belangrijk om te achterhalen welke verbindingen tussen corticale en subcorticale structuren betrokken zijn bij het ontwikkelen van emotionele stoornissen. De structuren die betrokken zijn bij de psychopathologieën gerelateerd aan N-NA en E-PA zijn de corticale structuren orbitofrontale cortex, anterieur cingulate cortex en dorsolaterale PFC, en de subcorticale structuren amygdala, hippocampus en nucleus accumbens.

    Het circuit gerelateerd aan N-NA bevindt zich voornamelijk in de rechter hemisfeer, het circuit gerelateerd aan E-PA in de linker hemisfeer. Angst en depressie worden geassocieerd met toename van activiteit in de amygdala en hippocampus, waarbij de PFC faalt om deze activiteit te inhiberen. Succesvolle regulatie van negatieve affectieve staat rust dus op een goed functionerende inhiberende werking van de PFC op de amygdala.

    Het is dus niet zo dat de hersengebieden die geassocieerd zijn met emotionele stoornissen op zichzelf verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling hiervan. Het is waarschijnlijker dat de oorzaak ligt in een disfunctioneren van de verbindingen tussen deze gebieden. Wel lijkt het erop dat de hyperactiviteit van de amygdala een eigenschap is van zowel angststoornissen als depressie. De verschillen tussen de stoornissen hebben meer te maken met het functioneren van de PFC-gebieden en de ontwikkeling van stoornis-specifieke neurale circuits.

    Regulatie van neurotransmittersystemen in emotionele stoornissen

    De HPA-as is het belangrijkste systeem dat zorgt voor interacties tussen genetische en omgevingsfactoren die een causale rol spelen in emotionele stoornissen. Met name de neurotransmitters noradrenaline (ook wel norepinefine, NE), serotonine (5-HT), dopamine (DA) en gamma-aminobutyric acid (GABA) spelen een grote rol bij depressie en angststoornissen. Medicijnen voor angst en depressie werken dan ook in op deze neurotransmitters.

    Een afname in NE, 5-HT en DA wordt gezien als een belangrijke oorzaak van depressie, terwijl een toename ervan leidt tot euforie. Medicijnen die zorgen voor hogere concentraties van deze neurotransmitters in de hersenen, helpen om depressie te bestrijden.

    Onderzoek naar angst focust met name op GABA, de mees voorkomende inhiberende neurotransmitter in de hersenen. Medicijnen die gebruik worden voor de bestrijding van angststoornissen zorgen dat de GABA-receptoren gevoeliger worden, waardoor GABA beter kan binden en dus beter werkt in het brein. Er zijn ook medicijnen die zowel antidepressieve als anti-angstwerkingen hebben. Deze werken niet in op GABA, maar met name op de 5-HT-receptoren en de hoeveelheden aanwezige NE en DA. Dit laat ook weer zien dat er een grote overlap is tussen de twee soorten stoornissen.

    Een probleem met onderzoek naar de relatie tussen neurotransmitters en emotionele stoornissen (met name angst) is dat dit onderzoek vaak bij ratten gedaan wordt. Ratten hebben niet dezelfde cognitieve biases als mensen, waardoor modellen gebaseerd op dierstudies vaak belangrijke componenten missen.

    Welke cognitieve factoren spelen een rol?

    Een belangrijke eigenschap van emotionele stoornissen is de aanwezigheid van verwrongen, irrationele overtuigingen en gedachten. Vier algemene klassen van ‘denken’ worden gezien als belangrijk voor emotionele stoornissen. Dit zijn zorgen, negatieve automatische gedachten, binnendringende gedachten (of obsessies) en overgegeneraliseerd geheugen.

    Zorgen

    De definitie van zorgen (worry) is: een reeks gedachten en beelden, geladen met negatief affect en relatief oncontroleerbaar. Zorgen representeren een poging om mentaal problemen op te lossen waarvan de uitkomst onzeker is, maar waar een mogelijkheid bestaat voor één of meerdere negatieve uitkomsten. Zorgen zijn sterk gerelateerd aan angstprocessen.

    Zorgen zijn met name gerelateerd aan gegeneraliseerde angststoornis (GAD), maar ook andere angst- en depressieve stoornissen. Mensen maken zich met name zorgen om sociale evaluatie en de mogelijkheid van fysiek letsel of ziekte. Bij stoornissen worden vaak continue herhaaldelijk zorgen gerapporteerd. Zorgen worden dan vaak gezien als een vorm van cognitieve vermijding van de daadwerkelijke problemen.

    Een van de gevolgen van excessief zorgen maken, is dat er een constante waakzaamheid voor dreigende cues ontstaat, waardoor het onderwerp van de zorgen continue in de gedachten aanwezig blijft.

    Negatieve automatische gedachten

    Deze gedachten komen onvrijwillig in iemand op en worden vaak uitgelokt door een bepaalde situatie. Zo zou iemand met sociale angst in een sociale situatie automatisch dingen kunnen denken als ‘ik ben onaantrekkelijk’. Deze gedachten zijn heel moeilijk te controleren en herhalen zichzelf voortdurend. Ze komen zo snel op dat de persoon zich vaak niet eens bewust is van het voorkomen ervan. Het verschil met zorgen is dat deze automatische gedachten meer gecomprimeerd en minder bewust gemedieerd zijn.

    Obsessies

    Klinische obsessies worden gedefinieerd als ‘herhaaldelijke gedachten, beelden of impulsen die onacceptabel en ongewild zijn. Ze gaan vaak samen met subjectief ervaren ongemak’. Deze obsessies onderbreken constant de huidige activiteit, hebben een interne oorzaak en zijn moeilijk te controleren. Ze worden vaak door de persoon zelf ervaren als zinloos en onacceptabel.

    Over-gegeneraliseerd geheugen

    Wanneer een depressief persoon gevraagd wordt een herinnering op te halen aan blije, veilige, interessante, pijnlijke of boze gebeurtenissen, hebben zij de neiging om hele algemene herinneringen op te halen (‘ik liet elke dag de hond uit’). Iemand zonder stoornis zou een veel specifieker voorbeeld van een herinnering geven.

    Over-gegeneraliseerd geheugen lijkt niet voor te komen bij angststoornissen, wat aangeeft dat het een specifieke eigenschap kan zijn van depressie in plaats van een algemene eigenschap van emotionele stoornissen.

    Wat houdt cognitieve bias in?

    Een reeks cognitieve biases speelt ook een causale rol in het ontwikkelen van emotionele stoornissen. Dit gebeurt vaak op een impliciet, onbewust niveau. Veel theorieën gaan er vanuit dat stemmingsovereenkomstige cognitieve biases een belangrijke eigenschap zijn van zowel het ontstaan als het voortbestaan van emotionele stoornissen. Het is echter ook mogelijk dat de bias ontstaat als gevolg van de stoornis, of dat de bias ontstaat door een derde factor die ook ten grondslag ligt aan de stoornis.

    Bias in aandacht

    Een bias richting het verwerken van negatieve informatie is een belangrijke eigenschap van depressie en ook een kwetsbaarheidsfactor voor het ontwikkelen van depressie of angst. Een depressief persoon heeft dus de neiging om negatieve informatie sneller in zich op te nemen, terwijl positieve informatie veel minder wordt opgemerkt. Dit soort bias komt voor bij alle belangrijke angststoornissen zoals PTSD, sociale angst, specifieke fobieën, paniekstoornis, OCD en GAD. Het effect treedt ook op wanneer de informatie subliminaal wordt aangeboden. Het lijkt er daarom op dat de informatie verwerkt wordt op een automatisch niveau, waardoor het lastig te controleren is.

    Therapie voor angststoornissen kan helpen om de bias te elimineren. Een vermindering van de bias in aandacht zorgt ook voor een vermindering in zorgen. Deze resultaten lijken erop te wijzen dat aandachtsbias voor dreiging een eigenschap is van klinische angststoornissen, in plaats van een kenmerkende eigenschap van mensen die kwetsbaar zijn voor deze stoornissen. Ook wijst het erop dat de bias waarschijnlijk geen gevolg is van de stoornis.

    De sterkte van de bias varieert vrijwel niet over alle verschillende angststoornissen, daarnaast maakt het ook niet uit of er sprake is van een klinische angststoornis of gewoon een neiging om meer angstig te zijn dan gemiddeld. Die bias is dus waarschijnlijk gerelateerd aan een hoge mate van het overkoepelende N-NA, dat voorkomt bij alle angststoornissen.

    Er wordt vaak een vigilant-vermijdend-patroon gevonden bij mensen met een angststoornis. Dit houdt in dat zij door de cognitieve bias eerst heel snel de aandacht richten op de dreigende stimulus, waarna ze vrijwel meteen deze stimulus vermijden. Door deze vermijding komt geen habituatie (gewenning) voor, waardoor de angst blijft bestaan.

    Bij mensen met depressie wordt er juist meer aandacht gegeven aan negatieve stimuli die voor een langere tijd aangeboden worden. Zowel mensen die op dit moment depressief zijn als mensen die dat in het verleden zijn geweest (dit laatste geldt al als risicofactor voor een depressie in de toekomst) lieten een aandachtsbias zien voor verdrietige gezichten. Dit geeft aan dat aandachtsbias geen eigenschap is van een huidige depressie, maar eerder een aanwijzing voor een aanhoudende karaktereigenschap voor depressie. Het kan echter ook zijn dat de bias een consequentie is van een periode van hevige depressie.

    Bias in oordeel en interpretatie

    De meeste theorieën zijn het erover eens dat bevooroordeeld oordelen en interpretaties veelvoorkomend zijn bij alle emotionele stoornissen. Zowel angstige als depressieve mensen schatten negatieve gebeurtenissen als meer waarschijnlijk in voor de toekomst. Daarentegen wordt het inschatten van positieve gebeurtenissen als minder waarschijnlijk gezien als een specifieke eigenschap van depressie. Dit laatste komt overeen met het idee dat lagere scores op E-PA wel voorkomen bij depressie, maar niet bij angststoornissen.

    Zowel angstige als depressieve mensen hebben de neiging om ambigue situaties op een negatieve manier te interpreteren.

    Bias in geheugen

    Depressieve mensen herinneren zich meer negatieve informatie, vooral wanneer deze informatie gecodeerd is op een manier die in verband staat met de zelf. Er is enig bewijs dat deze expliciete geheugenbias een kenmerk is van kwetsbaarheid voor depressie; de sterkte van de bias is een goede voorspeller van een volgende depressieve episode. De bias komt ook nog steeds voor bij mensen die hersteld zijn van depressie, wat lijkt te betekenen dat de bias een factor is van aanleg voor depressie, in plaats van voor huidige depressie. Wanneer informatie opgehaald moet worden, is er vaak sprake van het overgegeneraliseerde geheugeneffect, wat eerder ook al besproken werd.

    Hoewel het logisch lijkt dat informatie beter onthouden wordt wanneer het meer aandacht krijgt, zoals bij angst het geval is voor negatieve informatie, is er geen bewijs gevonden voor een geheugenbias bij angststoornissen. Het is mogelijk dat dit komt omdat angst geassocieerd wordt met de neiging om het uitgebreid verwerken van dreigende informatie te vermijden.

    Causale status van cognitieve bias

    Een belangrijke vraag is of bias in cognitieve verwerking een significante risicofactor is voor het ontwikkelen van angststoornissen en/of depressie. Beide zijn sterk geassocieerd met deze biases, hoewel het specifieke type van de bias (aandacht vs. geheugen) kan verschillen. Het is echter niet duidelijk of dit een oorzaak of een gevolg is van de stoornis.

    Een manier om hierachter te komen is cognitive bias modification (CBM). Hierbij wordt een bias veroorzaakt die lijkt op de bias die gevonden wordt in angstige mensen. Als deze bias een oorzaak is van de stoornis, zou de veroorzaakte bias emotionele kwetsbaarheid moeten versterken. Andersom zou het verminderen van deze bias de emotionele kwetsbaarheid moeten verlagen. Op deze manier hebben verschillende studies gevonden dat zowel aandachts- als interpretatiebiases een causale rol spelen in de ontwikkeling van angst.

    Met dezelfde methode werd ook gevonden dat cognitieve bias een causaal effect kan hebben op de interpretatie van nieuwe en ambigue informatie. Een bias kan dus zorgen voor een verhoogde angstige reactiviteit als gevolg van een stressvolle ervaring.

    Met CBM werd ook gevonden dat aandachtsbias ervoor zorgt dat meer stress ervaren wordt bij een stressvolle taak. De bevindingen suggereren dan ook dat cognitieve biases inderdaad een causale rol spelen in het mediëren van angstreacties. Er is echter nog meer onderzoek nodig om erachter te komen of biases ook als oorzaak kunnen dienen voor depressie.

    Welke cognitieve theorieën van emotionele stoornissen zijn er?

    Cognitieve modellen gaan er vanuit dat expliciete afwijkingen in gedachteprocessen belangrijke karakteristieken zijn van psychopathologie. Zo zijn irrationele overtuigingen, voornamelijk wanneer deze gerelateerd zijn aan het zelfconcept, een belangrijke eigenschap van emotionele stoornissen. Omdat deze overtuigingen makkelijk onder woorden gebracht kunnen worden, zijn er therapieën zoals cognitieve gedragstherapie ontwikkeld. Dit is een van de meest effectieve therapieën voor angst en depressie. Een bias is veel moeilijker te behandelen in therapie, maar het zou kunnen dat CBM daarvoor de oplossing is.

    Beck’s idee van disfunctionele schema’s

    Een schema beschrijft hoe we onze overtuigingen en geheugenstructuren organiseren. De originele definitie is als volgt: ‘functionele structuren van relatief langdurige representaties van voorgaande kennis en ervaring’. Schema’s werken als cognitieve ‘afsnijweggetjes’, waardoor we niet altijd elk detail van een situatie opnieuw hoeven te verwerken. Als een deel van het schema geactiveerd wordt, wordt het volledige schema vrij automatisch geactiveerd, waardoor het schema automatisch informatie invult die niet aangeboden is bij de oorspronkelijke input.

    Schema’s over sociale relaties en persoonlijke doelen kunnen op dezelfde manier geactiveerd worden, waardoor het makkelijk wordt voor biases om automatisch opgeroepen te worden. De hypothese is dan ook dat emotionele stoornissen ontwikkelen als een belangrijke levensgebeurtenis resulteert in een disfunctioneel schema. Dit zorgt bij depressie voor automatische (negatieve) gedachten over de zelf, de wereld en de toekomst. Bij angst zorgt het voor automatische gedachten over de mogelijkheid van letsel in de toekomst en het eigen onvermogen om daarmee om te gaan.

    Cognitieve vermogens worden gericht op informatie die overeenkomt met het schema, dus bij depressie leidt dit tot selectieve verwerking van negatieve informatie, terwijl bij angst vooral dreigende informatie verwerkt wordt.

    Een probleem met deze theorie is dat de verschillen tussen depressie en angst in termen van cognitieve bias veel groter zijn dan verwacht zou worden op basis van de schematheorie.

    William’s cognitieve model van angst en depressie

    Williams maakte een onderscheid tussen integratie en elaboratie. Integratie verwijst naar cognitieve processen die resulteren in het sterker maken van een bepaalde representatie. Elaboratie daarentegen, verwijst naar het proces dat pas later bij de informatieverwerking begint, waarbij een bepaalde representatie gekoppeld wordt aan vele andere representaties. De hypothese is dat angst vooral effect heeft op het passieve, automatische aspect van coderen en ophalen (integratie), terwijl depressie voornamelijk effect heeft op de meer actieve, moeizame aspecten van encoding en retrieval (elaboratie). Dit wordt bevestigd door andere studies die vonden dat angst gerelateerd is aan aandachtsbiases richting informatie die overeenkomt met de angst, terwijl deze items niet beter onthouden worden. Depressie daarentegen, wordt gekarakteriseerd bij het beter op kunnen halen van negatieve informatie, terwijl een aandachtsbias niet gevonden wordt.

    Het idee is dat de valentie van de stimulus bepaalt welk soort verwerking er plaats moet vinden, waardoor de aandacht naar het object toe of juist er vanaf kan worden geleid. Dit heet het affective decision mechanism (ADM). Een angstige stemming kan van invloed zijn op het ADM, terwijl een angstige persoonlijkheid een directere en meer hardnekkige invloed heeft op het sturen van de aandacht. Latere onderzoeken laten zien dat dit model de rol van persoonlijkheidskenmerken in de toewijzing van aandacht overdrijft. Deze kenmerken bepalen alleen de drempel waarboven mensen waakzaam worden, maar elke hele dreigende stimulus trekt de aandacht.

    Activatie van een dreigende stimulus kan verbeterd worden door een emotioneel label. Dit label kan ontstaan door biologische factoren of door eerdere ervaring en zorgt dat de stimulus in kwestie

    Welke genetische factoren spelen een rol?

    Er zijn vier voorname benaderingen die ingaan op hoe genenvariatie geassocieerd is met de uiting van emotionele stoornissen.

    1. Gaat er vanuit dat er een vrij directe, lineaire relatie is tussen een specifiek genotype en een bepaalde stoornis.

    2. Verbindt genen met tussenliggende endofenotypes (bijvoorbeeld temperament, neurofysiologische systemen etc.). Deze fenotypes zouden een directer verband hebben met genen dan de stoornis zelf.

    3. Gaat er vanuit dat de omgevingsfactoren (mishandeling, misbruik) de belangrijkste oorzaak zijn van emotionele stoornissen, maar dat genen de vatbaarheid beïnvloeden. Er is dus een dynamische interactie tussen genen en omgeving.

    4. Gaat uit van een integratie van de endofenotype-benadering en de gen-omgevingsinteractiebenadering. Door de effecten van gen-omgevingsinteracties op specifieke neurale circuits (endofenotype) te bekijken, wordt duidelijk hoe het zit.

    Deze vierde benadering neemt zo veel verschillende factoren mee, dat de allelen die iemand draagt een steeds kleinere invloed hebben, naarmate het onderzochte gedrag complexer wordt. De effecten van de allelen zijn wel sterk in specifieke neurale systemen en nog sterker in individuele cellen.

    Bepaalde genetische polymorfismen kunnen een significant effect hebben op de invloed die levensgebeurtenissen hebben op de ontwikkeling van emotionele stoornissen. Zo zijn dragers van het S-allel van het 5-HTT-gen meer geneigd om depressief te worden als zij meer dan vier stressvolle levensgebeurtenissen meemaken.

    Dragers van het S-allel hebben ook minder grijze stof in de ACC en de amygdala, en de verbindingen tussen deze twee gebieden waren ook minder aanwezig. Hierdoor kan de ACC zijn inhiberende functie niet meer goed uitvoeren en is er dus meer activiteit in de amygdala. Het lijkt hier voornamelijk te gaan om een verhoogde amygdala-activiteit in rusttoestand, met als gevolg een hogere baseline voor opwinding, toename van waakzaamheid, verbeterd geheugen voor affectief materiaal, verminderde extinctie van angst gerelateerde herinneringen, etc. Het verschil in activiteit lijkt verder veroorzaakt te worden door een verlaagde activiteit bij neutrale stimuli, in plaats van een verhoogde activiteit bij negatieve stimuli.

    Access: 
    Public
    Waardoor kunnen weerstand en welzijn beïnvloed worden? - Chapter 10

    Waardoor kunnen weerstand en welzijn beïnvloed worden? - Chapter 10

    Historisch gezien wordt er in het onderzoek naar emotie veel meer gekeken naar negatieve in plaats van positieve emoties. De belangrijkste reden hiervoor is dat aan negatieve emoties veel meer kosten verbonden zijn, waardoor het veel waardevoller is om daar meer over te weten. Er komt hier momenteel echter verandering in; de positieve psychologie is aan het opbloeien. Dit veld focust zich op die subjectieve ervaring van welzijn, tevredenheid en voldoening, hoop, optimisme en geluk.

    Veel van het onderzoek gaat over subjective well-being (SWB, subjectief welzijn), wat de manier inhoudt waarop mensen hun leven evalueren. Praktisch gezien is dit begrip gelijk aan geluk, wat gekarakteriseerd kan worden als de ervaring van voldoening en plezier, samen met het gevoel dat het leven betekenisvol en de moeite waard is. Uiteraard wordt dit altijd gemeten door middel van zelfrapportage, vaak door de Satisfaction with Life Scale.

    We weten nog erg weinig over wat ons precies gelukkig maakt en de vraag is of we SWB moeten zien in termen van een algemene dimensie van positief affect (E-PA), of om de ervaring te beschrijven in termen van discrete emoties (e.g. plezier, enthousiasme, tevredenheid, etc.). Verder is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen resilience en well-being. Resilience is een weerstand voor stress en tegenslagen, well-being beschrijft wat mensen gelukkig maakt zonder dat er sprake is van deze tegenslagen.

    Wat is de invloed van weerstand op stress?

    Een belangrijke reden dat niet iedereen emotionele stoornissen ontwikkelt wanneer zij stress ervaren, is dat er veel individuele verschillen zijn in hoe mensen op stress reageren. Sommigen laten stressvolle gebeurtenissen makkelijker achter zich dan anderen en zeggen in sommige gevallen zelfs dat zij sterker geworden zijn door tegenslagen (post-traumatic growth). Het overgrote deel van de mensen ontwikkelt geen psychische problemen als gevolg van stress, wat aangeeft dat goede weerstand eerder de norm is dan een uitzondering.

    Sommige theorieën stellen dat er een meetbaar persoonlijkheidskenmerk is dat weerstand bepaalt, terwijl anderen stellen dat weerstand alleen gemeten kan worden als de respons op stressvolle gebeurtenissen.

    Hoe werkt weerstand voor psychopathologie in Longitudinale studies?

    Er zijn drie sets factoren die van invloed zijn op de weerstand van kinderen, namelijk temperamentdimensies, cohesie binnen de familie en de beschikbaarheid van steun buiten de familie. Een hoge mate van E-PA is goed voor de weerstand, net als een interne locus van controle. Dit laatste betekent dat het individu gelooft dat de uitkomsten en vooruitzichten in het leven binnen de eigen controle liggen, waardoor diegene zich niet machteloos voelt.

    Longitudinale studies naar weerstand bij mensen die in hun jeugd mishandeld en misbruikt zijn, vonden bepaalde factoren die onderscheid maken tussen de mensen die emotionele stoornissen ontwikkelden als gevolg hiervan en diegenen die dat niet deden. Zo bleek dat goede zorg door de ouders, goede interpersoonlijke relaties met vrienden tijdens de adolescentie en de kwaliteit van relaties tijdens de volwassenheid bijdroegen aan een goede weerstand. Deze groep werd ook gekenmerkt door een lage score op neuroticisme.

    De positieve invloed van sociale steun en familiecohesie werd teruggevonden in veel andere studies.

    Zorgt het ervaren van stress voor bescherming?

    Sommige studies wijzen uit dat blootstelling aan stress onder sommige omstandigheden een beschermend effect heeft op mensen wanneer zij later blootgesteld worden aan een nieuw trauma. Wat hierbij van belang is, is de manier van omgaan met stress. Een vermijdende copingstijl vergroot het risico op PTSD, terwijl een actiegeoriënteerde copingstijl (het hebben van een plan) geassocieerd wordt met een goede weerstand.

    Uit dierstudies blijkt dat wanneer een traumatische gebeurtenis niet voorkomen kan worden, er een grotere activatie in de Dorsale Raphe Nucleus (DRN) te zien is. Dit wordt geassocieerd met veranderingen in gedrag, waarbij er bij toekomstig trauma dat wel voorkomen zou kunnen worden, geen actie wordt ondernomen (dit is dus geleerde hulpeloosheid). Dit effect wordt gemedieerd door de vmPFC, die in verbinding staat met de DRN. Wanneer het inhiberende effect van de vmPFC verbeterd wordt, zorgt dit voor een betere weerstand tegen stress. Het lijkt er in het algemeen op dat sterkere corticaal-subcorticale circuits betrokken bij de verwerking leiden tot een beter ontwikkelde weerstand.

    Gen-omgevingsinteracties voor weerstand

    Caspi vond een functioneel polymorfisme in het monoamine-oxidase A-gen (MAOA). Dit gen zorgt voor een enzym dat bepaalde amine-gebaseerde neurotransmitters in de hersenen deactiveert. Kinderen die mishandeld werden en ook nog eens dragers waren van de lage uitdrukkingsvorm van het MAOA-gen, hadden een grotere kans op een latere diagnose voor gedragsstoornissen, antisociaal gedrag en geweld. Mishandelde kinderen die drager waren van de hoge uitdrukkingsvorm van het gen daarentegen, lieten een vrij goede weerstand zien tegen emotionele problemen. Dit laat zien dat zowel genen als omgeving een belangrijke invloed hebben op de ontwikkeling van emotionele problemen. Omdat dit gen specifiek is voor het X-chromosoom, kan het bij mannen niet gemodereerd worden door nog zo’n zelfde gen omdat zij geen tweede X-chromosoom hebben. Mede hierdoor komt geweld en agressie vaker voor bij mishandelde mannen.

    Bestaat er een persoonlijkheidstype met een hogere weerstand?

    Rutter stelde dat weerstand niet gezien kan worden als een persoonlijkheidskenmerk omdat er belangrijke invloeden buiten de persoon liggen. Desondanks is het mogelijk dat bepaalde temperamenten of eigenschappen van invloed zijn op factoren die weer een invloed hebben op weerstand. Zo hebben mensen met een hoge E-PA vaak een groter netwerk van vrienden en dus een betere toegang tot sociale steun, wat weer een buffer vormt tegen stress.

    Ander onderzoek vond dat mensen die een goede weerstand hebben, vaak een veel sneller fysiologisch herstel laten zien van een stressvolle ervaring. Deze mensen ervaren ook minder depressieve symptomen als gevolg van sterk emotionele situaties. Ego resiliency (of trait resilience) wordt gezien als het vermogen om je flexibel aan te passen aan veranderende omstandigheden. Dit wordt gezien als een stabiel persoonlijkheidskenmerk.

    Positieve emoties zijn een belangrijk onderdeel van trait resilience

    Positieve emoties vormen een cruciaal deel van trait resilience. Mensen met een goede weerstand gebruiken positieve emoties als een manier om om te gaan met stressvolle en moeilijke situaties. Deze mensen ervaren meer emoties, zowel positief als negatief, wanneer zij een tegenslag meemaken. Mensen verschillen dus in hoe goed ze negatieve emoties kunnen reguleren ten tijde van stress.

    Iemand die veel positieve emoties ervaart heeft ook nog eens minder kans op een hersenbloeding op latere leeftijd en leeft gemiddeld langer. De wijdverspreide voordelen van positieve emoties kunnen verklaard worden door de broaden-and-build theorie van positieve emoties. Positieve emoties verbreden het gedachten-actierepertroire waardoor iemand een verscheidenheid aan persoonlijke bronnen kan bouwen die helpen bij de lange-termijnaanpassing aan tegenslagen.

    Positieve emoties zorgen dat mensen meer open staan voor nieuwe ideeën en dat zij meer flexibel en creatief zijn in hun denken. De aandachtsfocus wordt verbreed.

    Is een onderdrukkende copingstijl goed voor de weerstand?

    Mensen met een onderdrukkende (repressive) copingstijl vermijden over het algemeen dreiging en negatieve emoties. Een belangrijke eigenschap ervan is een scheiding tussen zelfrapportage (hier wordt weinig angst gevonden) en fysiologische respons (hier wordt juist hoge angst gevonden). Mensen met deze copingstijl worden gekarakteriseerd door aandachtsbiases voor het ontwijken van dreigingsgerelateerde stimuli. Daarbij halen ze bij geheugentaken relatief veel positieve herinneringen op. Dit automatische ontwijkingssysteem zou een beschermend mechanisme kunnen zijn om de niveaus van angst laag te houden in stressvolle situaties.

    In longitudinale studies werd de onderdrukkende copingstijl geassocieerd met verminderde psychologische symptomen van depressie, angst en PTSD. Dit lijkt in tegenspraak met het feit dat vermijding van negatief affect juist kan leiden tot negatieve affectiviteit en PTSD. Het blijkt echter dat vermijding van negatief affect bij onderdrukkende coping automatisch en onbewust gebeurt en dit lijkt te zorgen voor een beschermende functie, in tegenstelling tot bewuste pogingen om dreiging te vermijden.

    Hoe verhouden geluk en welzijn zich tot elkaar?

    Wanneer geluk wordt onderzocht, geeft de meerderheid van de mensen aan dat zij boven neutraal zitten en dus gelukkig zijn. Er is echter verschil tussen individualistische en collectivistische culturen: in individualistische culturen wordt veel nadruk gelegd op eigen subjectief welzijn en geluk, terwijl collectivistische culturen het welzijn en geluk van anderen belangrijker vinden.

    Het meten van geluk

    Veel schalen die SWB en geluk meten, meten een aanhoudende stemming maar onderzoek wijst erop dat SWB relatief stabiel is over allerlei situaties. Emoties en stemmingen fluctueren over tijd, maar hangen over het algemeen rond een gemiddeld niveau dat varieert tussen mensen. Dit gemiddelde niveau van positief affect zou gemeten moeten worden door instrumenten die SWB in kaart trachten te brengen.

    Het is echter problematisch om mensen een oordeel te laten geven over hun SWB over een bepaalde tijdsperiode. Het blijkt namelijk dat mensen bij het beoordelen van hun ervaring over een korte tijdsperiode vooral de piek en het einde ervan in acht nemen. Dus ongeacht de rest van de ervaring, de piek en het eind zijn de beste voorspellers van de algehele beoordeling. Dit betekent dat wanneer mensen in een goede stemming zijn wanneer ze een SWB-vragenlijst invullen (dus aan het eind van hun ervaringen), de kans groot is dat zij hun ervaringen positiever beoordelen. Hier moet dus rekening mee gehouden worden bij het meten van SWB.

    Het blijkt ook dat over een langere tijdsperiode de intensiteit van positieve affectieve ervaringen niet zo’n grote rol speelt in de algehele beoordeling van geluk en SWB, maar eerder de frequentie waarmee positieve emoties en stemmingen voorkomen. Dit kan komen omdat mensen die zeer intense positieve emoties ervaren, ook zeer intense negatieve emoties ervaren waardoor het positieve effect enigszins tenietgedaan wordt.

    Seligman stelt dat geluk bestaat uit drie factoren die gemeten moeten worden om een beeld te krijgen van SWB. De eerste factor is positieve affectiviteit en in welke mate dit ervaren wordt. De tweede component is hoe verbonden mensen zijn met het leven; of ze zich in een staat van flow bevinden. Dit betekent dat het leven veel betekenis krijgt doordat mensen zich zeer verbonden voelen en trots zijn op de kleinste, simpelste taken.

    De derde component, tot slot, is hoe betekenisvol mensen hun leven vinden, waarbij breder gekeken wordt dan alleen de alledaagse factoren.

    Met andere woorden, geluk gaat niet alleen om het maken van plezier maar ook om de mate van controle die we hebben over ons leven; hoe creatief we zijn in het vinden van betekenis en verbondenheid met een reeks activiteiten. Mensen verschillen van elkaar op deze factoren. De gelukkigste mensen zijn degenen die zich richten op het maximaliseren van alle drie deze factoren. Het is belangrijk dat er ook metingen worden ontwikkeld die alle drie de factoren op een andere manier kunnen vastleggen dan alleen via zelfrapportage, zodat er een completer beeld ontstaat van geluk en SWB.

    De bepalende factoren van geluk

    Het vermogen om meer positieve dan negatieve emoties te ervaren is een goede voorspeller van SWB. Dit wordt ook gevonden in een studie naar getrouwde stellen: wanneer zij op zijn minst vijf positieve affectieve interacties met elkaar hebben voor elke negatieve interactie, is de kans dat zij lang bij elkaar blijven veel groter. Natuurlijk zijn externe factoren en temperament hierin wel bijdragende factoren.

    Externe factoren en levensgebeurtenissen

    Hoewel meestal wordt aangenomen dat factoren als gezondheid en rijkdom gezien worden als bepalend voor geluk, blijkt dat deze factoren slechts een hele kleine bijdrage leveren. Een toename in inkomen bijvoorbeeld, maakt alleen verschil voor SWB als het oorspronkelijke inkomen erg laag was. Ook wanneer mensen een tegenslag in hun gezondheid hebben ervaren, zorgt dit vaak niet voor een significante vermindering van SWB. Dit kan verklaard worden door de hedonic adaptation theory. Mensen reageren op goede en slechte gebeurtenissen op het moment dat deze gebeuren maar hierna begint al snel de adaptatie en komen zij in korte tijd weer dichtbij de persoonlijke baseline van SWB. Verschillen in deze baseline worden waarschijnlijk veroorzaakt door genetische en temperament-oorzaken.

    Hoewel de hedonic adaptation theory geldt voor een breed scala aan gebeurtenissen, zijn er ook ervaringen die wel zorgen voor een significante verandering in SWB. Voorbeelden zijn het overlijden van een echtgenoot of plotselinge werkeloosheid. Bij dit soort heftige gebeurtenissen kan het wel acht jaar duren voordat SWB weer in de buurt komt van de baseline. Ook hier moet echter de invloed van temperament en andere persoonlijke verschillen weer meegenomen worden.

    Ondanks dat mensen zich redelijk snel aanpassen aan bovengenoemde gebeurtenissen, zijn er ook zeker wel bepaalde ervaringen die bijdragen aan een beter SWB. Voorbeelden zijn het doorbrengen van tijd met andere mensen en religieuze overtuigingen en praktijken. Voor dit laatste kan het echter ook zijn dat dit alsnog te maken heeft met de omgang met andere mensen in een hechte, steunende omgeving.

    Het belang van ervaren controle

    Het lijkt erop dat een gevoel van controle in werk en leven één van de belangrijkste factoren is die ten grondslag licht aan een positieve mentale gezondheid en welzijn. Een interessante bevinding is met name dat zelfs wanneer dit gevoel van controle maar een illusie is, mensen zich toch gelukkiger voelen. Het hoeft dus niet eens zo te zijn dat mensen daadwerkelijk meer controle hebben. Wanneer mensen hun gevoel van controle verliezen, kan dit ernstige gevolgen hebben voor mentale (en tot op zekere hoogte fysieke) gezondheid, zoals depressie en hulpeloosheid.

    Het verlangen naar deze illusie van controle is zo sterk, dat mensen zich gedragen alsof ze oncontroleerbare zaken toch kunnen controleren. Zo denken mensen vaak dat ze een grotere kans hebben op het winnen van de loterij, wanneer ze zelf hun lotnummer mogen bepalen. De bevindingen komen overeen met het feit dat mensen met een depressie vaak het gevoel hebben dat zij geen controle hebben over zaken.

    Het depressive realism effect houdt in dat depressieve mensen beter zijn in het schatten hoeveel controle ze hebben over een bepaalde uitkomst. Gelukkige mensen hebben de neiging om de mate van controle te overschatten. Dit lijkt een vreemde uitkomst, gezien het feit dat veel andere onderzoeken vinden dat depressieve mensen juist last hebben van negatieve bias. Het blijkt dat depressive realism alleen voorkomt wanneer mensen hun eigen gedrag moeten beoordelen. Wanneer zij de mate van controle van anderen moeten beoordelen, overschatten ze die ook. Het lijkt er dus op dat depressieve mensen met name het idee hebben dat zij minder controle over zaken hebben dan de mensen om hen heen.

    Fouten in affectieve voorspellingen

    Affective forecasting (affectieve voorspellingen) blijkt zeer onbetrouwbaar te zijn. Mensen zijn niet zo goed in het voorspellen wat hen blij of verdrietig zou maken. Zo is de impact bias de neiging om de duur en intensiteit van een emotionele reactie (positief of negatief) op een toekomstige gebeurtenis te overschatten. Dit komt met name doordat we ons niet realiseren hoe snel we wennen aan de dingen die ons overkomen. Daarnaast onderschatten we de mate waarin gebeurtenissen - anders dan de gebeurtenis waar we over nadenken – van invloed zijn op onze reacties.

    Wat zijn temperament- en persoonlijkheidsfactoren?

    De onderzoeken die tot nu toe besproken zijn, wijzen erop dat E-PA een belangrijke temperamentdimensie is die geassocieerd is met het ervaren van meer positieve stemmingen en emoties. Mensen met een hoog E-PA zijn meer reactief voor positieve stimuli op neurale en cognitieve niveaus. Er is dan ook bewijs dat verschillende aan E-PA gerelateerde constructen (extraversie, neuroticisme, zelfrespect en optimisme) sterk correleren met SWB. Dit komt deels doordat extraverten meer beloningen uit hun omgeving en sociale interacties halen, waardoor ze een hogere mate van geluk ervaren.

    Het verband tussen temperament en SWB kan een direct verband zijn (enhancement model), of kan gemoduleerd worden door factoren als het type vrienden en de levensstijl die iemand heeft (facilitation model). Het kan ook zijn dat SWB een rol speelt in het veroorzaken van een hoge E-PA (consequence model). Tot slot kunnen SWB en E-PA een continuüm vormen, met SWB aan het extreme eind van de dimensie (spectrum model).

    Deze vier modellen zijn niet wederzijds uitsluitend; ze kunnen allemaal voorkomen. De richting van het causale verband tussen temperament en SWB kan alleen vastgesteld worden met longitudinale studies die zowel temperament als welzijn meten. Veel van deze studies zijn er niet maar er is wel aangetoond dat een hoge E-PA zorgt voor minder depressie. Dit wijst erop dat temperament een causale rol kan spelen bij het bepalen van SWB, als we er vanuit gaan dat weinig depressie geassocieerd is met een beter welzijn.

    De big five geeft ook geen uitsluitsel, want de manier waarop SWB gemeten wordt blijkt een belangrijke invloed te hebben op de bevindingen. Wanneer de Satisfaction with Life scale gebruikt wordt, is er een sterke relatie tussen SWB en ordelijkheid. Wanneer, echter, geluk gemeten wordt in termen van hoe vaak positieve emoties ervaren worden, blijkt er een sterkere relatie te zijn met extraversie.

    Samengevat wordt dus consistent gevonden dat een hogere E-PA leidt tot het ervaren van meer positieve emoties en stemmingen. Echter, positieve affectiviteit is slechts één component van geluk en andere persoonskenmerken zoals conscientieusheid hebben ook een sterke invloed in het bepalen van SWB.

    Wat zijn cognitieve en neurobiologische factoren?

    Positieve stemmingen worden geassocieerd met een selectieve aandachtsbias richting beloningsgerelateerde woorden. Dus door een positieve stemming wordt iemand meer gevoelig voor beloningen uit de omgeving. Daarnaast halen mensen in een positieve stemming meer positieve informatie op. Deze biases kunnen helpen om de relatie tussen temperament en SWB te verklaren.

    Wat zijn de voordelen van positieve emoties?

    In de volgende sectie worden positieve emoties als vreugde, interesse, dankbaarheid enzovoorts besproken, met de effecten die zij hebben op cognitie en gedrag en of de effecten van de positieve emoties gelijk zijn of van elkaar verschillen.

    Vreugde/geluk

    Vreugde (joy) of geluk is de meestvoorkomende positieve emotie die op een constante basis ervaren wordt. De emotie wordt geassocieerd met een duidelijke gezichtsuitdrukking: de glimlach, die universeel herkend wordt. Het is makkelijk om onderscheid te maken tussen een oprechte glimlach (Duchenne smile) en een onoprechte glimlach want wanneer een glimlach oprecht is, is er ook sprake van een samentrekking van de spieren bij de ogen. Dit type glimlach wordt geassocieerd met linker asymmetrie in de hersenactiviteit, wat gezien wordt als een neurale marker voor positief affect.

    Mensen die veel glimlachen hebben een beter SWB. Het ervaren van vreugde lijkt dus geassocieerd te zijn met een verbetering van het SWB. Daarnaast vergroten vreugde en geluk iemands openheid voor ervaringen, wat weer geassocieerd wordt met sociale interactie het het versterken van sociale banden. Mensen worden onder andere meer behulpzaam door vreugde.

    Vreugde is sterk geassocieerd met de drang om te spelen, wat belangrijk is voor het ontwikkelen van blijvende sociale banden en connecties en andere belangrijke overlevingsvaardigheden. Daarnaast leidt vreugde tot een verbetering van verschillende cognitieve processen zoals creativiteit en probleemoplossing.

    Interesse

    Interesse is een plezierige emotie, hoewel de vraag is of het wel als emotie bestempeld mag worden. Het overlapt voor een deel met nieuwsgierigheid, verwondering en intrinsieke motivatie en speelt een belangrijke rol in het ontwikkelen van de drang tot het ontdekken van de omgeving. Dit ontdekken is geassocieerd met iemands verbondenheid met de omgeving, wat weer een sleutelelement in geluk is.

    Dankbaarheid

    Dankbaarheid wordt ervaren wanneer mensen zichzelf zien als de ontvangers van een bewust gegeven object. De emotie wordt het sterkst ervaren als het gegeven object waardevol is voor de ontvanger en kostbaar voor de gever. Dankbaarheid zou geassocieerd zijn met een actieneiging om in de toekomst bij te dragen aan het welzijn van de gever. Een belangrijke functie van dankbaarheid is dus om sociale cohesie te bevorderen door reciprociteit aan te moedigen. Dit gaat er wel vanuit dat dankbaarheid voor een langere periode aanhoudt, veel onderzoekers stellen dan ook dat dit een relatief stabiele eigenschap is.

    Een aantal studies heeft op zijn minst gevonden dat dankbaarheid als tijdelijke stemming kan leiden tot meer pro-sociaal gedrag, wat helpt in het opbouwen van sociale relaties. Opvallend was dat wanneer amusement toegevoegd werd aan het experiment (dus een andere positieve emotie), dit niet leidde tot meer pro-sociaal gedrag, terwijl dankbaarheid dit wel deed. Dit komt waarschijnlijk door de sociale basis die aan dankbaarheid ten grondslag ligt.

    Emoties die gebaseerd zijn op de eigen waarden en prestaties (zoals trots) zullen veel minder snel leiden tot pro-sociaal gedrag.

    Er is ook een causaal verband gevonden; mensen die vaak ergens dankbaar voor zijn, rapporteren een beter SWB. Ze zijn meer alert, enthousiast, toegewijd, aandachtig en energiek. Dankbaarheid wordt verder geassocieerd met een positieve geheugenbias, waarbij dankbare mensen meer geneigd zijn om positieve levensgebeurtenissen op te halen. Dit leidt tot een positieve spiraal, waarbij gevoelens van dankbaarheid leiden tot gevoelens van geluk, die weer leiden tot gevoelens van dankbaarheid, etc. Het causale verband gaat dus in twee richtingen.

    Wat houdt Fredricksons broaden-and-build hypothese in?

    De broaden-and-build-theorie verklaart de correlaties tussen positieve emoties en mentale en fysieke gezondheidsvoordelen als volgt: positieve emoties verbreden het huidige gedachte-actie-repetoire, waardoor mensen kunnen bouwen aan een reeks persoonlijke bronnen die helpen met de lange-termijnaanpassing aan nadelige omstandigheden. Veel negatieve emoties zijn verbonden aan specifieke actieneigingen die helpen met overleven. Positieve emoties daarentegen komen vaak voor in een veilige omgeving. Hier is de smalle aandachtsfocus die nodig is om snel te reageren niet noodzakelijk. De focus kan verbreed worden, waardoor de cognitieve context vergroot wordt, wat weer goed is voor het bouwen van hulpbronnen voor de toekomst. Alle positieve emoties hebben dit effect, ondanks dat de subjectieve ervaringen van de emoties verschillen. Kortom, volgens deze theorie vergroten positieve emoties het welzijn door het verbreden van de cognitieve processen.

    Welke neurobiologische mechanismen spelen een rol?

    De neurotransmitter dopamine (DA) speelt een belangrijke rol in het beloningssysteem van de hersenen. Het blijkt dan ook dat mensen met een hogere E-PA verhoogde niveaus van DA-activiteit hebben. DA wordt afgegeven in delen van de ACC die een rol spelen in flexibele denkvaardigheden.

    Een verhoogd niveau van DA wordt dus geassocieerd met meer cognitieve flexibiliteit. De afgifte van DA tijdens een positieve stemming kan dus verklaren waarom flexibel denken en problemen oplossen zoveel beter gaat.

    EEG-studies vinden bewijs voor de theorie dat linker frontale asymmetrie samengaat met positief affect. Baseline metingen van linker asymmetrie waren sterke voorspellers van verbeterd welzijn bij volwassenen. Het vermogen om negatieve emoties te reguleren is vaak te zien in de hersenen door de onderdrukking van subcorticale structuren (amygdala) door de PFC. Dit is ook een mogelijke indicator voor welzijn.

    Bestaan er interventies die geluk kunnen versterken?

    Als er daadwerkelijk een baseline is voor iedere persoon die het gemiddelde welzijn bepaalt, kan het wel eens heel moeilijk worden om een interventiestrategie te ontwikkelen die een blijvende impact heeft op het welzijn. Er zijn echter bepaalde oefeningen die gedaan kunnen worden om het gevoel van welzijn voor een langere periode te verbeteren. Voorbeelden zijn het schrijven van een dankbare brief aan iemand die dat verdient, maar nooit echt bedankt is, of elke dag drie dingen opschrijven die goed gingen.

    Een onderzoek vond zelfs dat meditatietraining niet alleen een positief effect had op subjectief welzijn, maar dat het immuunsysteem ook beter ging werken. Positief affect en welzijn spelen dus een rol in het verbeteren van zowel mentale als fysieke gezondheid.

    Transcendentie en spiritualiteit

    Volgens de filosofen moeten we, om echt gelukkig te zijn, uitstijgen boven de materiële en sociale wereld. Iemand kan alleen wijs worden als hij op deze manier transcendent is. Een waardering van het wijdere universum en een gevoel van spiritualiteit worden gezien als essentieel voor waar geluk.

    Cloninger stelt dat er drie persoonlijke eigenschappen essentieel zijn voor welzijn. Self-directedness kan ontwikkeld worden door te leren om kalm te zijn, de eigen beperkingen te kennen en alledaagse angsten en conflicten los te laten. Cooperativeness kan ontwikkeld worden door het gevoel van ‘mindfulness’ te vergroten en te werken voor anderen. Mensen kunnen leren om self-transcendent te zijn door te groeien in zelfbewustzijn van de perspectieven die negatieve emoties voortbrengen, en het ervaren van deze emoties te beperken. Door alle drie deze eigenschappen te ontwikkelen, zouden mensen echt kunnen opbloeien en het goede leven kunnen leiden.

    De drie eigenschappen kunnen gezien worden als drie voorwaarden voor het ontstaan van een spontane opwaartse spiraal van zelfbewust zijn. Interessant genoeg zijn veel van de behandelmethoden voor depressie gebaseerd op het creëren van mindfulness, waarbij veel van de theorieën van Cloninger naar boven komen. Hoe meer ‘mindful’ mensen zijn, hoe beter ze in staat zijn om delen van de PFC te activeren wanneer ze affectieve stimuli categoriseren. Dit gebeurt vooral bij negatieve stimuli, en leidt tot een verminderde activatie in de amygdala. Dit suggereert dat mindfulness en meditatie in staat zijn om positief affect en welzijn te versterken door het versterken van de neurale mechanismen onderliggend aan de regulatie van negatief affect.

    Access: 
    Public
    Wat zijn de theoretische kaders van emotie en cognitie? - Chapter 11

    Wat zijn de theoretische kaders van emotie en cognitie? - Chapter 11

    Wat zijn de kernaspecten van emotiewetenschap?

    Uit de voorgaande hoofdstukken van dit boek zijn zes kernaspecten naar boven gekomen

    1. Affect is sterk doorgedrongen in ons leven

    2. Emoties, emotieschema’s, stemmingen, gevoelens en temperament zijn verschillende aspecten van affect

    3. Affect kan bestudeerd worden op verschillende analyseniveaus

    4. Affect wordt teruggezien in een breed scala aan zowel corticale als subcorticale hersengebieden

    5. Individuele verschillen zijn belangrijk

    6. Het bestuderen van normale emotie en verstoorde emotie kan elkaar aanvullen

    Affect is sterk doorgedrongen in ons leven

    Het affectieve leven van mensen is rijk en gevarieerd en is van invloed op ieder deel van ons leven. Het is van invloed op aandacht, geheugen en onze beslissingen. De meeste van onze belangrijkste ervaringen en herinneringen worden gekenmerkt door de valentie van situaties. Het is dan ook niet verbazend dat een verstoorde beleving van affect (zoals bij emotionele stoornissen) vernietigende consequenties kan hebben, of dat het goed kunnen reguleren van emoties cruciaal is voor welzijn en geluk.

    Emoties, emotieschema’s, stemmingen, gevoelens en temperament zijn verschillende aspecten van affect

    De verschillende componenten van affect worden vaak door elkaar gehaald in het onderzoek naar emotie. Dit zorgt voor veel verwarring en misverstanden. Affect is een overkoepelend concept waar zowel emoties als stemmingen onder vallen. Emotie wordt beschreven als een snelle en kortdurende respons op een gebeurtenis, inclusief lichamelijke respons, gevoelens en cognitieve evaluatie. Basisemoties zijn evolutionair bepaald en kunnen onderscheiden worden van niet-basisemoties, ook wel emotieschema’s genoemd. Deze emotieschema’s zijn mentale representaties van gecombineerde affectieve en cognitieve componenten.

    Stemmingen houden langer aan en kunnen gezien worden als een soort objectloos kernaffect, een emotie die uitgerekt wordt over een langere tijd. Hierdoor kunnen we op een meer algemene manier interpreteren hoe we het doen in het leven. Gevoelens kunnen weer gezien worden als de bewuste vertegenwoordiging van emoties en stemmingen. Het is interessant dat hoewel mensen duidelijk onderscheid kunnen maken tussen gevoelens van boosheid, verdriet en angst, ze bij het beschrijven hiervan niet veel verder komen dan een beschrijving van valentie (positief-negatief) en opwinding (intensiteit). Dit kan komen doordat emoties ver voor taal geëvolueerd zijn, waardoor taal er geen goede beschrijving voor heeft.

    Temperament, tot slot, refereert naar meer aanhoudende (misschien zelfs levenslange) neigingen om op een bepaalde manier te handelen. Er is een aantal belangrijke dimensies gerelateerd aan temperament: Neuroticism-Negative Affectivity (N-NA) en Extraversion-Positive Affectivity (E-PA). Een derde systeem (disinhibitie versus beperking) bepaalt hoe N-NA en E-PA worden ervaren en uitgedrukt. De affectieve toon van iemands leven is een resultaat van interacties tussen temperament, levenservaringen, ervaringen van emoties, emotieschema’s en stemmingen.

    Affect kan bestudeerd worden op verschillende analyseniveaus

    Affect kan bestudeerd worden op neuronaal niveau, responsniveau of subjectief niveau. Deze niveaus zijn aan elkaar gerelateerd op allerlei complexe manieren. Deze relaties moeten nog veel verder onderzocht worden in de toekomst.

    Affect wordt teruggezien in een breed scala aan zowel corticale als subcorticale hersengebieden

    Emoties, stemmingen en gevoelens zijn terug te zin in grote en onderling verbonden hersengebieden. Met name neurale circuits tussen corticale en subcorticale gebieden zijn van belang voor het uitdrukken en ervaren van emoties en stemmingen.

    Individuele verschillen zijn belangrijk

    Er zijn sterke individuele verschillen in zowel emotionele reactiviteit als emotieperceptie. Mensen verschillen consistent in hoe ze reageren op affectieve situaties, hoe ze er aandacht aan geven, ze interpreteren en onthouden. Deze verschillen worden helaas vaak genegeerd door cognitieve psychologen en neurowetenschappers.

    Het bestuderen van normale emotie en verstoorde emotie kan elkaar aanvullen

    Er was altijd een duidelijke scheiding tussen onderzoek naar normale emoties en onderzoek naar emotiestoornissen. Dit is nu aan het veranderen. Onderzoek naar de ene kant van emoties kan de kennis en het begrip van de andere kant versterken.

    Wat zijn de zeven zonden in het bestuderen van emotie?

    Davidson identificeerde zeven zonden in het bestuderen van emotie en stelde dat ontwikkelingen in het onderzoek daar veel van zou kunnen corrigeren.

    De eerste zonde is de aanname dat affect en cognitie gescheiden zijn binnen het brein. Het blijkt echter dat elk van deze domeinen is opgemaakt uit veel subcomponenten en dat de twee diep geïntegreerd zijn op neuraal niveau. De affectieve en cognitieve processen zijn terug te vinden in vele overlappende hersengebieden.

    De tweede zonde is de aanname dat affect voornamelijk subcorticaal is. Er is geen twijfel mogelijk dat subcorticale structuren (met name de amygdala) van kritiek belang zijn voor een scala aan affectieve staten. Desondanks is er veel bewijs dat zowel corticale als subcorticale gebieden zijn betrokken bij affect. Meer concreet zijn subcorticaal-corticale circuits cruciaal voor het uitdrukken en reguleren van emoties. Het is wel zo dat het vermogen van corticale gebieden om subcorticale activiteit te inhiberen, veel meer voorkomt bij hogere primaten (vooral mensen), dan bij ratten en andere dieren. Deze connecties lijken de ervaring en uiting van emoties, stemmingen en gevoelens te hebben veranderd.

    De derde zonde is de aanname dat emoties zich volledig in het hoofd bevinden. Psychofysiologisch onderzoek wijst uit dat een reeks perifere processen kritiek is voor het realiseren van emoties, stemmingen en gevoelens. Affectieve en gedragsprocessen worden gekenmerkt door zowel hersenprocessen als fysiologische processen. Emoties zijn dus belichaamd. Somatic markers zijn belangrijke aanwijzingen voor gevoelens.

    De vierde zonde is het idee dat neurobiologie compleet genegeerd kan worden. Gelukkig zijn er steeds minder cognitief psychologen die er zo over denken. ERP-, en fMRI-studies hebben uitgewezen dat neurale processen sterk verbonden zijn met gedragsresponsen en met de blootstelling aan emotionele stimuli. Verschillen in hersenactiviteit hebben een verschil aangetoond tussen leuk vinden en willen hebben, twee componenten van positief affect die zonder neuro-onderzoek niet uit elkaar te houden zijn.

    De vijfde zonde is de aanname dat emoties gelijk zijn tussen verschillende leeftijdsgroepen en verschillende soorten. Hoewel het leeftijdsaspect in dit boek niet echt naar voren is gekomen, is er veel bewijs dat emotie (met name emotieregulatie) verandert naarmate men ouder wordt. Het bestuderen van een proces in één soort kan ons iets vertellen over soortgelijke processen in andere soorten (denk aan dierstudies bij ratten). De vraag is echterof dit alleen geldt voor basale processen of ook voor de meer ingewikkelde.

    Met name wanneer het gaat om de regulatie van emoties door de meer uitgebreide PFC die bij mensen aanwezig is, is dit een lastig probleem.

    De zesde zonde is de aanname dat verschillende emotionele systemen zich op specifieke locaties in de hersenen bevinden. Hoewel er relatief gedifferentieerde neurale systemen ten grondslag kunnen liggen aan bepaalde emoties, is er een groot aantal onderling verbonden hersengebieden actief bij vrijwel alle affectieve staten. Hersengebieden zijn dus ieder betrokken bij meerdere circuits.

    De zevende zonde is de aanname dat emoties bewuste gevoelsstaten zijn. Het is nu duidelijk dat emoties en stemmingen onderscheiden kunnen worden van gevoelsstaten. Gevoelens zijn de bewuste representaties van emoties en stemmingen maar emoties kunnen op verschillende niveaus opereren en hoeven niet bewust te zijn.

    Welke niveaus van analyse zijn er?

    Affect kan bestudeerd worden op het niveau van moleculen of cellen (en genen) of op het niveau van gedrag; op het niveau van neuronale systemen of op cultureel niveau. Al deze niveaus zijn op zichzelf van belang, maar beïnvloeden elkaar ook. Daarom is het huidige onderzoek naar affect opgebouwd uit biologisch, psychologisch en sociaal-contextueel onderzoek naar normaal en abnormaal affect.

    Analyse op een enkel niveau is erg handig om algemene theoretische modellen te ontwikkelen die bepaalde fenomenen verklaren. Deze modellen kunnen echter geen verklaring geven voor fenomenen die veroorzaakt worden door de andere niveaus. Zo worden discrete en dimensionele benaderingen van emotie vaak gezien als tegenovergesteld aan elkaar, terwijl beide misschien wel nodig zijn om een volledige verklaring van affectieve ervaring en uiting te vinden.

    Wat houdgt het allesomvattende kader in?

    Er bestaat een allesomvattend, integratief kader laat een kader van hoe dimensionele en discrete benaderingen gecombineerd kunnen worden. Hierin zijn Panksepps primaire emotionele systemen meegenomen. Deze zijn gelijk aan basisemoties. De activatie van deze primaire emotionele systemen leidt tot een verstoring in de algemene affectieve achtergrond, of kernaffect of stemming. Deze verstoringen worden bewust waargenomen en dit leidt tot een subjectieve ervaring, die wordt geïnterpreteerd in termen van valentie en opwinding. Dit verklaart ook waarom mensen deze valentie en opwinding wel beschrijven, maar vaak niet de discrete emotie die erbij hoort. Deze bevindt zich onder het oppervlak. Dit model maakt dus gebruik van zowel de discrete emotiebenadering als de dimensionele benadering.

    Wat houdt de Teasdale en Barnards interacterende cognitieve subsystemen-benadering in?

    Bij een multi-level approach van de interacties tussen affect en cognitie gaat men er vanuit dat veel verschillende componenten of subsystemen betrokken zijn bij emotie. Een emotionele respons treedt op wanneer deze verschillende componenten tijdelijk gesynchroniseerd zijn, bijvoorbeeld door de evaluatie van een bepaalde situatie.

    De multi-entry memory (MEM) approach stelt dat veel emoties voortkomen uit zowel low-level sensorische processen (bijvoorbeeld het verwerken van de eigenschappen van een slang) als high-level reflectieve processen (bijvoorbeeld je voorstellen dat je opgesloten zit in een ruimte met een slang). Sommige emoties (de basisemoties) komen voor op elk niveau van verwerking, terwijl andere alleen voorkomen op de meer reflectieve niveaus (de secondaire emoties zoals jaloezie, schuldgevoel etc.). Dit model geeft een verklaring voor gemengde gevoelens.

    Het interacting cognitive subsystems (ICS) framework stelt negen verschillende cognitieve subsystemen voor, die onderling op een complexe manier met elkaar interacteren. Bepaalde soorten informatie, corresponderend met bepaalde soorten ervaringen, worden verwerkt door gespecialiseerde subsystemen. Drie hiervan zijn de akoestische, visuele en lichamelijke staat subsystemen. De systemen kijken naar objecten, locatie, vorm, betekenis etc. Propositionele betekenis kan overgebracht worden in een zin, terwijl implicatie-betekenis refereert naar een meer intuïtief of holistisch schematisch model van levenservaringen. Er zijn ook nog subsystemen voor verbale en lichamelijke output. De andere subsystemen zijn: morphonolexicale, propositionele, implicationele, articulatorische, object en ledematen.

    Het ICS stelt ook dat specifieke processen die voorkomen in elk subsysteem gelijke interne structuren hebben, maar compleet onafhankelijk van elkaar opereren en daarom parallel voor kunnen komen. Deze processen kunnen informatie transformeren van een code (bijvoorbeeld akoestisch) naar een andere (bijvoorbeeld visueel).

    Wat zijn propositionele en implicatieniveaus van betekenis?

    Een van de belangrijkste aspecten van het ICS-framework is het onderscheid dat gemaakt wordt tussen propositionele en implicatieniveaus van betekenis. Propositionele betekenis kan uitgedrukt worden in taal en leidt tot intellectuele overtuigingen die een waarheidswaarde hebben (ze kunnen waar of onwaar zijn). Dit type informatie wordt meestal niet beïnvloed door informatie die komt uit intonatie of lichamelijke staat van opwinding.

    Implicatiebetekenis daarentegen, leidt tot emotionele overtuigingen (‘onderbuikgevoelens’) die afgeleid worden van actuele emotionele ervaringen. Deze overtuigingen worden wel beïnvloed door informatie uit vele bronnen en hebben geen waarheidswaarde. Ze kunnen vaak niet worden uitgedrukt in woorden, maar zijn intuïtief. Informatie uit alle subsystemen wordt dus samengevoegd in het implicatie-subsysteem. Gevoel wordt volgens deze theorie veroorzaakt door schematische modellen die terugkerende thema’s halen uit de emotionele patronen van soortgelijke, voorgaande ervaringen. Wanneer bepaalde affect-geladen schematische modellen geactiveerd worden door het implicatie-subsysteem, ontstaat de daarbij horende emotie. Het ICS legt hierbij ook nadruk op de lichamelijk effecten.

    Het ICS-model, in tegenstelling tot andere modellen, stelt dat het mogelijk is dat een puur intellectuele overtuiging geen invloed heeft op ‘onderbuikgevoelens’. Dit kan voorkomen wanneer alle andere subsystemen niet geactiveerd zijn, maar alleen het propositionele subsysteem. Er komt dan geen emotie voor.

    Cognitieve bias kan door dit model verklaard worden als een transformatie van een implicatie-code in een propositionele code, waarbij allerlei andere factoren uit de sensorische subsystemen en stemming worden meegenomen. Deze factoren zorgen ervoor dat de transformatie als het ware ‘gekleurd’ wordt, verschillende schematische modellen worden samengevoegd, waardoor evaluatieve oordelen onder invloed van bias komen te staan.

    Het verwerken van depressiegerelateerde schematische implicatie-modellen wordt gezien als een oorzaak van depressieve stemming. Negatieve automatische gedachten die typisch zijn voor emotionele stoornissen spelen geen directe rol in het genereren van een negatieve stemming zoals depressie. Er is echter wel een connectie tussen de cognitieve en sensorische processen, waardoor een interventie in negatieve gedachten toch kan leiden tot een vermindering van de depressieve gevoelens.

    Wat houdt de Power en Dalgleishs SPAARS-benadering in?

    Een ander model, vergelijkbaar met ICS, is de Schematic, Propositional, Analogical and Associative Representation Systems (SPAARS) approach. Het model heeft veel overeenkomsten met ICS, maar ook een aantal belangrijke verschillen. Zo legt SPAARS veel nadruk op doel-gebaseerde cognitieve evaluaties, deze zouden cruciaal zijn voor het genereren van emotie. Emoties zijn opgebouwd uit een aantal verschillende componenten (fysiologische veranderingen, bewustzijn, acties, evaluatie), maar kunnen alleen van elkaar onderscheiden worden op basis van evaluatie.

    In dit model stelt het analogische niveau de processen voor die voorkomen op een sensorisch-motorniveau. Het propositionele niveau gaat over representaties (gedachten en overtuigingen) die uitgedrukt kunnen worden in taal. Het schematische niveau gaat over de meer abstracte representaties over de staat van de wereld en de zelf, die niet in taal uitgedrukt kunnen worden. In dit niveau zijn ook de belangrijke doelen en evaluaties opgenomen. Emoties worden dus direct gegenereerd vanuit het schematische niveau en indirect vanuit het propositionele niveau. Het associatieve niveau zorgt voor een automatische verbinding tussen bepaalde stimuli en responsen, waardoor er een alternatieve route ontstaat voor het genereren van emotie waarbij het schematische niveau niet meer nodig is.

    In dit model is een functie van de basisemoties om het cognitieve systeem zo bij te stellen dat een doel (dat eerst geblokkeerd was) toch weer bereikt kan worden. Emotionele stoornissen komen voort uit een disfunctioneren van een van de vijf basisemoties. Een emotie stelt het systeem bij door de relevante doelen van die emotie saillant te maken (bijvoorbeeld vluchtgedrag bij angst).

    Welke multi-levelmodellen zijn er?

    Het sterkste punt van de multi-levelbenaderingen is dat zij in staat zijn om een theoretische verklaring te geven van zowel normale als verstoorde emoties binnen één enkel kader. Dat informatie verwerkt kan worden op verschillende niveaus verklaart dan ook dat er soms een scheiding bestaat tussen onze emoties en onze rationele analyse van een situatie. Omdat deze modellen zoveel verschillende niveaus erkennen, geven zij een realistischer beeld van de complexe interacties tussen deze verschillende niveaus van verwerking.

    Het integreren van neurobiologische en cognitieve modellen van affect

    Het is erg lastig om deze verschillende modellen te integreren, omdat de verschillende onderzoeksgebieden vaak ander taalgebruik en andere benaderingen hebben. Daarnaast is er vaak verwarring over of cognitie en affect gezien moeten worden als gescheiden systemen, of als delen van een samengesteld geheel.

    Wat houdt een dynamische systemenbenadering in?

    Cognitieve psychologie gaat vaak uit van een rechtlijnige benadering over oorzaak en gevolg. Er wordt vooral gekeken naar psychologische gehelen, zoals aandacht, geheugen en emotie, zonder dat wordt gekeken naar de samenwerkende onderdelen waaruit deze gehelen ontstaan. Neurowetenschap daarentegen, kijkt juist naar hoe de verschillende neurale systemen elkaar beïnvloeden, zonder dat er een aanname van lineariteit of causaliteit is.

    De dynamische systemenbenadering geeft weer hoe complexe systemen zoals het brein werken en betrekken daarbij meerdere causale processen. De systemen laten zien hoe gehelen ontstaan uit interacterende onderdelen. Dit komt door zelf-organisatie (het spontaan ontstaan van orde uit non-lineaire interacties) en circulaire causaliteit (causaliteit in twee richtingen tussen de verschillende niveaus van een systeem). Oorzaak-gevolgrelaties lopen dus in twee richtingen. Effecten hoeven daarnaast niet lineair te zijn, er kunnen ook exponentiële of drempeleffecten optreden, waardoor het lastig is om een toekomstige staat van het systeem te voorspellen uit de huidige staat.

    In plaats van er vanuit te gaan dat informatie uit de zintuigen verwerkt wordt en vertaald wordt in een output (lineaire theorie), gaat een dynamisch systeem er vanuit dat informatieverwerkingssystemen zichzelf herconfigureren op basis van een constante stroom sensorische informatie. Zo’n systeem kan dus laten zien hoe interacties tussen subcomponenten gerelateerd zijn aan het ontstaan van samenhangende gehelen, ze kunnen dus een beschrijving geven van zowel psychologische als neurobiologische studies van emotie.

    Zijn cognitie-affectrelaties bi-directioneel?

    Er bestaan drie belangrijke benaderingen van emotie-cognitierelaties. De eerste is evaluatie-theory, waarbij betekenis gegeven wordt aan de situatie om de juiste emotionele respons te veroorzaken. Vaak wordt evaluatie gezien als iets dat vooraf gaat aan de emotie, hoewel emotie ook wel van invloed lijkt te zijn op evaluaties. Het lijkt er dus op dat dit een bi-directioneel verband kan zijn.

    De tweede benadering focust op functies van emoties. De belangrijkste functie van emotie lijkt het focussen van aandacht op de meest relevante omgevingsaspecten te zijn, waardoor de juiste acties kunnen worden voorbereid. Vanuit dit perspectief loopt het verband uitsluitend van emotie naar cognitie.

    De derde benadering suggereert dat persoonlijkheidskenmerken en klinische stoornissen van invloed zijn op cognitieve bias. Hierbij is dus sprake van een verband dat loopt van temperament naar cognitie. Er wordt echter ook gevonden dat cognitieve bias een belangrijke rol kan spelen in het ontwikkelen van persoonlijkheidskenmerken. In dat geval zou de causaliteit in de andere richting lopen. Deze tegengestelde bevindingen duiden er naar alle waarschijnlijkheid op dat het verband eerder in twee richtingen loopt. Het negeren van deze bi-directionele invloeden leidt waarschijnlijk naar incomplete modellen van emotie en maakt het lastig om tot een geïntegreerde theorie van de verschillende benaderingen te komen.

    Karakteristieken van dynamische systemen

    De non-lineaire benadering van cognitie focust op hoe geordende structuren voortkomen uit complexe dynamische systemen. Vanuit dit perspectief is cognitie een vorm van zelf-organisatie die voorkomt in de context van een complex dynamisch systeem. De bi-directionele causale relaties kunnen leiden tot een emotionele interpretatie Dit begint met een ‘trigger event’, waarop een fase van self-amplification volgt (hierin wordt een emotionele interpretatie gevormd). Aandacht en opwinding en vele andere componenten interacteren hierin dus in een snelle en dynamische manier. Na deze fase volgt een fase van self-stabilization, waarbij hogere niveaus van complexiteit betrokken zijn. In deze fase worden plannen gemaakt om om te gaan met de situatie en deze plannen zijn afhankelijk van de gevormde emotie uit de vorige fase.

    Trigger phase

    Een trigger event zorgt voor een verandering in fase, waarbij de orde van het systeem plotseling verstoord wordt. Zo’n gebeurtenis kan voorkomen in elke fase van een emotionele interpretatie en kan bestaan uit externe of interne input (herinneringen etc.). Bij zo’n gebeurtenis wordt de amygdala actief om de aandacht op de juiste plaatsen te richten. Deze activatie leidt tot een emotionele interpretatie met behulp van de OFC, ACC etc., die als spil fungeren voor de wederkerige connecties in de hersenen. Dit is een voorbeeld van een positive feedback loop, waardoor een continue versterking van veranderingen in de hersenen ontstaat als gevolg van de trigger event.

    Self-stabilization phase

    Tijdens deze fase begint negatieve feedback te domineren. Dit zorgt voor het behouden van de huidige staat binnen het systeem. Er is dus sprake van inhibitie van de hersencircuits (door regulatie door de OFC en vmPFC). Hierdoor vermindert de activatie in de amygdala. Een emotionele interpretatie ontwikkelt zich, stabiliteit komt voor wanneer aandachtsoriëntatie en actieneigingen leiden tot een versmalling van de aandachtsfocus en gedrag richting relevant materiaal.

    Learning phase

    Er kan een versterkte verbinding ontstaan tussen subcomponenten die vaak geactiveerd worden, wat kan leiden tot aanhoudende cognitieve bias en overtuigingen. Stabiele emotionele staten zijn essentieel voor het leren, omdat deze een blijvend spoor achterlaten op de componenten.

    Dit model beschrijft dus een systeem van stabiel evenwicht; het blijft alert voor veranderingen, maar er is ook een belangrijke graad van stabiliteit. Het is belangrijk dat een trigger event op elk niveau in het model kan leiden tot een dynamische verandering in de stabiele staat van het volledige systeem. Door dynamische systemen is het makkelijker om een realistisch kader te ontwerpen waarin neurobiologie gerelateerd wordt aan cognitieve psychologie.

    Hoe wordt de wetenschappelijke basis van emotie vertaald naar de klinische praktijk?

    Ondanks dat er veel onderzoek gedaan is naar emotionele stoornissen, is er nog steeds een grote scheiding tussen onderzoek en praktijk. Een reden hiervoor is dat de doelen van wetenschappers en behandelaars ver uit elkaar liggen. Onderzoek is vaak erg specifiek en onderzoekers doen vaak geen stapje terug om naar het grote plaatje te kijken. Voor een psychisch behandelaar is het juist belangrijk om overzicht te hebben over het grotere geheel. Daarnaast staat theoretisch onderzoek vaak erg ver van de alledaagse werkelijkheid waar behandelaars mee te maken hebben.

    Vertaalonderzoek zou een oplossing voor deze problemen kunnen zijn. Hierbij worden de bevindingen in emotiestudies vertaald naar het ontwikkelen van betere benaderingen voor behandeling. Een goed begrip van een basaal affectief fenomeen zorgt ook voor een beter begrip van een extreme vorm hiervan, zoals gezien wordt in een stoornis.

    De toepassing van bevindingen uit de wetenschap

    De bruikbaarheid van wetenschappelijk onderzoek voor het ontwikkelen van klinische interventies wordt het meest duidelijk in de gedragspsychologie, vooral bij conditionering. Dit wordt vaak gebruikt voor gedragstherapie.

    Van angst-extinctie naar blootstellingstherapie

    Blootstellingstherapie is gebaseerd op extinctie. Bij deze therapie wordt keer op keer een object getoond waar de patiënt bang voor is. Omdat er geen negatieve effecten optreden als gevolg van het zien van deze stimulus, wordt de angst steeds minder. Uit onderzoek blijkt ook dat het toedienen van d-cycloserine helpt bij het extinctieproces. Dit kan dus eventueel gebruikt worden in de behandeling van angststoornissen. Het middel is geen directe behandeling voor specifieke fobieën, maar kan gebruikt worden in combinatie met psychologische behandeling om de effecten van de therapie te versterken.

    Van cognitieve bias naar klinische interventie

    Meer cognitief gefocuste therapieën zoals cognitieve gedragstherapie gaan meer uit van het aanpakken van biases die typisch zijn voor voor bepaalde stoornissen zoals depressie en angst. Deze therapieën ware echter nooit zo diep geworteld in experimenteel onderzoek. Recentelijk heeft onderzoek naar temperament en eigenschappen echter wel gezorgd voor een sterker verband tussen onderzoek en praktijk. Zo blijkt neuroticisme geassocieerd te zijn met fundamentele biases in hoe mensen affectieve informatie verwerken. Hierbij wordt meer aandacht gegeven aan dreigende informatie en wordt ambigue informatie op een meer dreigende manier verwerkt. De vraag is wel of deze bias een oorzaak of een consequentie is van een emotionele stoornis.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Biopsychologie en neuropsychologie: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help
    Share: this page!
    Follow: Psychology Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    4301 1
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector