Wat zijn de theoretische kaders van emotie en cognitie? - Chapter 11

Wat zijn de kernaspecten van emotiewetenschap?

Uit de voorgaande hoofdstukken van dit boek zijn zes kernaspecten naar boven gekomen

  1. Affect is sterk doorgedrongen in ons leven

  2. Emoties, emotieschema’s, stemmingen, gevoelens en temperament zijn verschillende aspecten van affect

  3. Affect kan bestudeerd worden op verschillende analyseniveaus

  4. Affect wordt teruggezien in een breed scala aan zowel corticale als subcorticale hersengebieden

  5. Individuele verschillen zijn belangrijk

  6. Het bestuderen van normale emotie en verstoorde emotie kan elkaar aanvullen

Affect is sterk doorgedrongen in ons leven

Het affectieve leven van mensen is rijk en gevarieerd en is van invloed op ieder deel van ons leven. Het is van invloed op aandacht, geheugen en onze beslissingen. De meeste van onze belangrijkste ervaringen en herinneringen worden gekenmerkt door de valentie van situaties. Het is dan ook niet verbazend dat een verstoorde beleving van affect (zoals bij emotionele stoornissen) vernietigende consequenties kan hebben, of dat het goed kunnen reguleren van emoties cruciaal is voor welzijn en geluk.

Emoties, emotieschema’s, stemmingen, gevoelens en temperament zijn verschillende aspecten van affect

De verschillende componenten van affect worden vaak door elkaar gehaald in het onderzoek naar emotie. Dit zorgt voor veel verwarring en misverstanden. Affect is een overkoepelend concept waar zowel emoties als stemmingen onder vallen. Emotie wordt beschreven als een snelle en kortdurende respons op een gebeurtenis, inclusief lichamelijke respons, gevoelens en cognitieve evaluatie. Basisemoties zijn evolutionair bepaald en kunnen onderscheiden worden van niet-basisemoties, ook wel emotieschema’s genoemd. Deze emotieschema’s zijn mentale representaties van gecombineerde affectieve en cognitieve componenten.

Stemmingen houden langer aan en kunnen gezien worden als een soort objectloos kernaffect, een emotie die uitgerekt wordt over een langere tijd. Hierdoor kunnen we op een meer algemene manier interpreteren hoe we het doen in het leven. Gevoelens kunnen weer gezien worden als de bewuste vertegenwoordiging van emoties en stemmingen. Het is interessant dat hoewel mensen duidelijk onderscheid kunnen maken tussen gevoelens van boosheid, verdriet en angst, ze bij het beschrijven hiervan niet veel verder komen dan een beschrijving van valentie (positief-negatief) en opwinding (intensiteit). Dit kan komen doordat emoties ver voor taal geëvolueerd zijn, waardoor taal er geen goede beschrijving voor heeft.

Temperament, tot slot, refereert naar meer aanhoudende (misschien zelfs levenslange) neigingen om op een bepaalde manier te handelen. Er is een aantal belangrijke dimensies gerelateerd aan temperament: Neuroticism-Negative Affectivity (N-NA) en Extraversion-Positive Affectivity (E-PA). Een derde systeem (disinhibitie versus beperking) bepaalt hoe N-NA en E-PA worden ervaren en uitgedrukt. De affectieve toon van iemands leven is een resultaat van interacties tussen temperament, levenservaringen, ervaringen van emoties, emotieschema’s en stemmingen.

Affect kan bestudeerd worden op verschillende analyseniveaus

Affect kan bestudeerd worden op neuronaal niveau, responsniveau of subjectief niveau. Deze niveaus zijn aan elkaar gerelateerd op allerlei complexe manieren. Deze relaties moeten nog veel verder onderzocht worden in de toekomst.

Affect wordt teruggezien in een breed scala aan zowel corticale als subcorticale hersengebieden

Emoties, stemmingen en gevoelens zijn terug te zin in grote en onderling verbonden hersengebieden. Met name neurale circuits tussen corticale en subcorticale gebieden zijn van belang voor het uitdrukken en ervaren van emoties en stemmingen.

Individuele verschillen zijn belangrijk

Er zijn sterke individuele verschillen in zowel emotionele reactiviteit als emotieperceptie. Mensen verschillen consistent in hoe ze reageren op affectieve situaties, hoe ze er aandacht aan geven, ze interpreteren en onthouden. Deze verschillen worden helaas vaak genegeerd door cognitieve psychologen en neurowetenschappers.

Het bestuderen van normale emotie en verstoorde emotie kan elkaar aanvullen

Er was altijd een duidelijke scheiding tussen onderzoek naar normale emoties en onderzoek naar emotiestoornissen. Dit is nu aan het veranderen. Onderzoek naar de ene kant van emoties kan de kennis en het begrip van de andere kant versterken.

Wat zijn de zeven zonden in het bestuderen van emotie?

Davidson identificeerde zeven zonden in het bestuderen van emotie en stelde dat ontwikkelingen in het onderzoek daar veel van zou kunnen corrigeren.

De eerste zonde is de aanname dat affect en cognitie gescheiden zijn binnen het brein. Het blijkt echter dat elk van deze domeinen is opgemaakt uit veel subcomponenten en dat de twee diep geïntegreerd zijn op neuraal niveau. De affectieve en cognitieve processen zijn terug te vinden in vele overlappende hersengebieden.

De tweede zonde is de aanname dat affect voornamelijk subcorticaal is. Er is geen twijfel mogelijk dat subcorticale structuren (met name de amygdala) van kritiek belang zijn voor een scala aan affectieve staten. Desondanks is er veel bewijs dat zowel corticale als subcorticale gebieden zijn betrokken bij affect. Meer concreet zijn subcorticaal-corticale circuits cruciaal voor het uitdrukken en reguleren van emoties. Het is wel zo dat het vermogen van corticale gebieden om subcorticale activiteit te inhiberen, veel meer voorkomt bij hogere primaten (vooral mensen), dan bij ratten en andere dieren. Deze connecties lijken de ervaring en uiting van emoties, stemmingen en gevoelens te hebben veranderd.

De derde zonde is de aanname dat emoties zich volledig in het hoofd bevinden. Psychofysiologisch onderzoek wijst uit dat een reeks perifere processen kritiek is voor het realiseren van emoties, stemmingen en gevoelens. Affectieve en gedragsprocessen worden gekenmerkt door zowel hersenprocessen als fysiologische processen. Emoties zijn dus belichaamd. Somatic markers zijn belangrijke aanwijzingen voor gevoelens.

De vierde zonde is het idee dat neurobiologie compleet genegeerd kan worden. Gelukkig zijn er steeds minder cognitief psychologen die er zo over denken. ERP-, en fMRI-studies hebben uitgewezen dat neurale processen sterk verbonden zijn met gedragsresponsen en met de blootstelling aan emotionele stimuli. Verschillen in hersenactiviteit hebben een verschil aangetoond tussen leuk vinden en willen hebben, twee componenten van positief affect die zonder neuro-onderzoek niet uit elkaar te houden zijn.

De vijfde zonde is de aanname dat emoties gelijk zijn tussen verschillende leeftijdsgroepen en verschillende soorten. Hoewel het leeftijdsaspect in dit boek niet echt naar voren is gekomen, is er veel bewijs dat emotie (met name emotieregulatie) verandert naarmate men ouder wordt. Het bestuderen van een proces in één soort kan ons iets vertellen over soortgelijke processen in andere soorten (denk aan dierstudies bij ratten). De vraag is echterof dit alleen geldt voor basale processen of ook voor de meer ingewikkelde.

Met name wanneer het gaat om de regulatie van emoties door de meer uitgebreide PFC die bij mensen aanwezig is, is dit een lastig probleem.

De zesde zonde is de aanname dat verschillende emotionele systemen zich op specifieke locaties in de hersenen bevinden. Hoewel er relatief gedifferentieerde neurale systemen ten grondslag kunnen liggen aan bepaalde emoties, is er een groot aantal onderling verbonden hersengebieden actief bij vrijwel alle affectieve staten. Hersengebieden zijn dus ieder betrokken bij meerdere circuits.

De zevende zonde is de aanname dat emoties bewuste gevoelsstaten zijn. Het is nu duidelijk dat emoties en stemmingen onderscheiden kunnen worden van gevoelsstaten. Gevoelens zijn de bewuste representaties van emoties en stemmingen maar emoties kunnen op verschillende niveaus opereren en hoeven niet bewust te zijn.

Welke niveaus van analyse zijn er?

Affect kan bestudeerd worden op het niveau van moleculen of cellen (en genen) of op het niveau van gedrag; op het niveau van neuronale systemen of op cultureel niveau. Al deze niveaus zijn op zichzelf van belang, maar beïnvloeden elkaar ook. Daarom is het huidige onderzoek naar affect opgebouwd uit biologisch, psychologisch en sociaal-contextueel onderzoek naar normaal en abnormaal affect.

Analyse op een enkel niveau is erg handig om algemene theoretische modellen te ontwikkelen die bepaalde fenomenen verklaren. Deze modellen kunnen echter geen verklaring geven voor fenomenen die veroorzaakt worden door de andere niveaus. Zo worden discrete en dimensionele benaderingen van emotie vaak gezien als tegenovergesteld aan elkaar, terwijl beide misschien wel nodig zijn om een volledige verklaring van affectieve ervaring en uiting te vinden.

Wat houdgt het allesomvattende kader in?

Er bestaat een allesomvattend, integratief kader laat een kader van hoe dimensionele en discrete benaderingen gecombineerd kunnen worden. Hierin zijn Panksepps primaire emotionele systemen meegenomen. Deze zijn gelijk aan basisemoties. De activatie van deze primaire emotionele systemen leidt tot een verstoring in de algemene affectieve achtergrond, of kernaffect of stemming. Deze verstoringen worden bewust waargenomen en dit leidt tot een subjectieve ervaring, die wordt geïnterpreteerd in termen van valentie en opwinding. Dit verklaart ook waarom mensen deze valentie en opwinding wel beschrijven, maar vaak niet de discrete emotie die erbij hoort. Deze bevindt zich onder het oppervlak. Dit model maakt dus gebruik van zowel de discrete emotiebenadering als de dimensionele benadering.

Wat houdt de Teasdale en Barnards interacterende cognitieve subsystemen-benadering in?

Bij een multi-level approach van de interacties tussen affect en cognitie gaat men er vanuit dat veel verschillende componenten of subsystemen betrokken zijn bij emotie. Een emotionele respons treedt op wanneer deze verschillende componenten tijdelijk gesynchroniseerd zijn, bijvoorbeeld door de evaluatie van een bepaalde situatie.

De multi-entry memory (MEM) approach stelt dat veel emoties voortkomen uit zowel low-level sensorische processen (bijvoorbeeld het verwerken van de eigenschappen van een slang) als high-level reflectieve processen (bijvoorbeeld je voorstellen dat je opgesloten zit in een ruimte met een slang). Sommige emoties (de basisemoties) komen voor op elk niveau van verwerking, terwijl andere alleen voorkomen op de meer reflectieve niveaus (de secondaire emoties zoals jaloezie, schuldgevoel etc.). Dit model geeft een verklaring voor gemengde gevoelens.

Het interacting cognitive subsystems (ICS) framework stelt negen verschillende cognitieve subsystemen voor, die onderling op een complexe manier met elkaar interacteren. Bepaalde soorten informatie, corresponderend met bepaalde soorten ervaringen, worden verwerkt door gespecialiseerde subsystemen. Drie hiervan zijn de akoestische, visuele en lichamelijke staat subsystemen. De systemen kijken naar objecten, locatie, vorm, betekenis etc. Propositionele betekenis kan overgebracht worden in een zin, terwijl implicatie-betekenis refereert naar een meer intuïtief of holistisch schematisch model van levenservaringen. Er zijn ook nog subsystemen voor verbale en lichamelijke output. De andere subsystemen zijn: morphonolexicale, propositionele, implicationele, articulatorische, object en ledematen.

Het ICS stelt ook dat specifieke processen die voorkomen in elk subsysteem gelijke interne structuren hebben, maar compleet onafhankelijk van elkaar opereren en daarom parallel voor kunnen komen. Deze processen kunnen informatie transformeren van een code (bijvoorbeeld akoestisch) naar een andere (bijvoorbeeld visueel).

Wat zijn propositionele en implicatieniveaus van betekenis?

Een van de belangrijkste aspecten van het ICS-framework is het onderscheid dat gemaakt wordt tussen propositionele en implicatieniveaus van betekenis. Propositionele betekenis kan uitgedrukt worden in taal en leidt tot intellectuele overtuigingen die een waarheidswaarde hebben (ze kunnen waar of onwaar zijn). Dit type informatie wordt meestal niet beïnvloed door informatie die komt uit intonatie of lichamelijke staat van opwinding.

Implicatiebetekenis daarentegen, leidt tot emotionele overtuigingen (‘onderbuikgevoelens’) die afgeleid worden van actuele emotionele ervaringen. Deze overtuigingen worden wel beïnvloed door informatie uit vele bronnen en hebben geen waarheidswaarde. Ze kunnen vaak niet worden uitgedrukt in woorden, maar zijn intuïtief. Informatie uit alle subsystemen wordt dus samengevoegd in het implicatie-subsysteem. Gevoel wordt volgens deze theorie veroorzaakt door schematische modellen die terugkerende thema’s halen uit de emotionele patronen van soortgelijke, voorgaande ervaringen. Wanneer bepaalde affect-geladen schematische modellen geactiveerd worden door het implicatie-subsysteem, ontstaat de daarbij horende emotie. Het ICS legt hierbij ook nadruk op de lichamelijk effecten.

Het ICS-model, in tegenstelling tot andere modellen, stelt dat het mogelijk is dat een puur intellectuele overtuiging geen invloed heeft op ‘onderbuikgevoelens’. Dit kan voorkomen wanneer alle andere subsystemen niet geactiveerd zijn, maar alleen het propositionele subsysteem. Er komt dan geen emotie voor.

Cognitieve bias kan door dit model verklaard worden als een transformatie van een implicatie-code in een propositionele code, waarbij allerlei andere factoren uit de sensorische subsystemen en stemming worden meegenomen. Deze factoren zorgen ervoor dat de transformatie als het ware ‘gekleurd’ wordt, verschillende schematische modellen worden samengevoegd, waardoor evaluatieve oordelen onder invloed van bias komen te staan.

Het verwerken van depressiegerelateerde schematische implicatie-modellen wordt gezien als een oorzaak van depressieve stemming. Negatieve automatische gedachten die typisch zijn voor emotionele stoornissen spelen geen directe rol in het genereren van een negatieve stemming zoals depressie. Er is echter wel een connectie tussen de cognitieve en sensorische processen, waardoor een interventie in negatieve gedachten toch kan leiden tot een vermindering van de depressieve gevoelens.

Wat houdt de Power en Dalgleishs SPAARS-benadering in?

Een ander model, vergelijkbaar met ICS, is de Schematic, Propositional, Analogical and Associative Representation Systems (SPAARS) approach. Het model heeft veel overeenkomsten met ICS, maar ook een aantal belangrijke verschillen. Zo legt SPAARS veel nadruk op doel-gebaseerde cognitieve evaluaties, deze zouden cruciaal zijn voor het genereren van emotie. Emoties zijn opgebouwd uit een aantal verschillende componenten (fysiologische veranderingen, bewustzijn, acties, evaluatie), maar kunnen alleen van elkaar onderscheiden worden op basis van evaluatie.

In dit model stelt het analogische niveau de processen voor die voorkomen op een sensorisch-motorniveau. Het propositionele niveau gaat over representaties (gedachten en overtuigingen) die uitgedrukt kunnen worden in taal. Het schematische niveau gaat over de meer abstracte representaties over de staat van de wereld en de zelf, die niet in taal uitgedrukt kunnen worden. In dit niveau zijn ook de belangrijke doelen en evaluaties opgenomen. Emoties worden dus direct gegenereerd vanuit het schematische niveau en indirect vanuit het propositionele niveau. Het associatieve niveau zorgt voor een automatische verbinding tussen bepaalde stimuli en responsen, waardoor er een alternatieve route ontstaat voor het genereren van emotie waarbij het schematische niveau niet meer nodig is.

In dit model is een functie van de basisemoties om het cognitieve systeem zo bij te stellen dat een doel (dat eerst geblokkeerd was) toch weer bereikt kan worden. Emotionele stoornissen komen voort uit een disfunctioneren van een van de vijf basisemoties. Een emotie stelt het systeem bij door de relevante doelen van die emotie saillant te maken (bijvoorbeeld vluchtgedrag bij angst).

Welke multi-levelmodellen zijn er?

Het sterkste punt van de multi-levelbenaderingen is dat zij in staat zijn om een theoretische verklaring te geven van zowel normale als verstoorde emoties binnen één enkel kader. Dat informatie verwerkt kan worden op verschillende niveaus verklaart dan ook dat er soms een scheiding bestaat tussen onze emoties en onze rationele analyse van een situatie. Omdat deze modellen zoveel verschillende niveaus erkennen, geven zij een realistischer beeld van de complexe interacties tussen deze verschillende niveaus van verwerking.

Het integreren van neurobiologische en cognitieve modellen van affect

Het is erg lastig om deze verschillende modellen te integreren, omdat de verschillende onderzoeksgebieden vaak ander taalgebruik en andere benaderingen hebben. Daarnaast is er vaak verwarring over of cognitie en affect gezien moeten worden als gescheiden systemen, of als delen van een samengesteld geheel.

Wat houdt een dynamische systemenbenadering in?

Cognitieve psychologie gaat vaak uit van een rechtlijnige benadering over oorzaak en gevolg. Er wordt vooral gekeken naar psychologische gehelen, zoals aandacht, geheugen en emotie, zonder dat wordt gekeken naar de samenwerkende onderdelen waaruit deze gehelen ontstaan. Neurowetenschap daarentegen, kijkt juist naar hoe de verschillende neurale systemen elkaar beïnvloeden, zonder dat er een aanname van lineariteit of causaliteit is.

De dynamische systemenbenadering geeft weer hoe complexe systemen zoals het brein werken en betrekken daarbij meerdere causale processen. De systemen laten zien hoe gehelen ontstaan uit interacterende onderdelen. Dit komt door zelf-organisatie (het spontaan ontstaan van orde uit non-lineaire interacties) en circulaire causaliteit (causaliteit in twee richtingen tussen de verschillende niveaus van een systeem). Oorzaak-gevolgrelaties lopen dus in twee richtingen. Effecten hoeven daarnaast niet lineair te zijn, er kunnen ook exponentiële of drempeleffecten optreden, waardoor het lastig is om een toekomstige staat van het systeem te voorspellen uit de huidige staat.

In plaats van er vanuit te gaan dat informatie uit de zintuigen verwerkt wordt en vertaald wordt in een output (lineaire theorie), gaat een dynamisch systeem er vanuit dat informatieverwerkingssystemen zichzelf herconfigureren op basis van een constante stroom sensorische informatie. Zo’n systeem kan dus laten zien hoe interacties tussen subcomponenten gerelateerd zijn aan het ontstaan van samenhangende gehelen, ze kunnen dus een beschrijving geven van zowel psychologische als neurobiologische studies van emotie.

Zijn cognitie-affectrelaties bi-directioneel?

Er bestaan drie belangrijke benaderingen van emotie-cognitierelaties. De eerste is evaluatie-theory, waarbij betekenis gegeven wordt aan de situatie om de juiste emotionele respons te veroorzaken. Vaak wordt evaluatie gezien als iets dat vooraf gaat aan de emotie, hoewel emotie ook wel van invloed lijkt te zijn op evaluaties. Het lijkt er dus op dat dit een bi-directioneel verband kan zijn.

De tweede benadering focust op functies van emoties. De belangrijkste functie van emotie lijkt het focussen van aandacht op de meest relevante omgevingsaspecten te zijn, waardoor de juiste acties kunnen worden voorbereid. Vanuit dit perspectief loopt het verband uitsluitend van emotie naar cognitie.

De derde benadering suggereert dat persoonlijkheidskenmerken en klinische stoornissen van invloed zijn op cognitieve bias. Hierbij is dus sprake van een verband dat loopt van temperament naar cognitie. Er wordt echter ook gevonden dat cognitieve bias een belangrijke rol kan spelen in het ontwikkelen van persoonlijkheidskenmerken. In dat geval zou de causaliteit in de andere richting lopen. Deze tegengestelde bevindingen duiden er naar alle waarschijnlijkheid op dat het verband eerder in twee richtingen loopt. Het negeren van deze bi-directionele invloeden leidt waarschijnlijk naar incomplete modellen van emotie en maakt het lastig om tot een geïntegreerde theorie van de verschillende benaderingen te komen.

Karakteristieken van dynamische systemen

De non-lineaire benadering van cognitie focust op hoe geordende structuren voortkomen uit complexe dynamische systemen. Vanuit dit perspectief is cognitie een vorm van zelf-organisatie die voorkomt in de context van een complex dynamisch systeem. De bi-directionele causale relaties kunnen leiden tot een emotionele interpretatie Dit begint met een ‘trigger event’, waarop een fase van self-amplification volgt (hierin wordt een emotionele interpretatie gevormd). Aandacht en opwinding en vele andere componenten interacteren hierin dus in een snelle en dynamische manier. Na deze fase volgt een fase van self-stabilization, waarbij hogere niveaus van complexiteit betrokken zijn. In deze fase worden plannen gemaakt om om te gaan met de situatie en deze plannen zijn afhankelijk van de gevormde emotie uit de vorige fase.

Trigger phase

Een trigger event zorgt voor een verandering in fase, waarbij de orde van het systeem plotseling verstoord wordt. Zo’n gebeurtenis kan voorkomen in elke fase van een emotionele interpretatie en kan bestaan uit externe of interne input (herinneringen etc.). Bij zo’n gebeurtenis wordt de amygdala actief om de aandacht op de juiste plaatsen te richten. Deze activatie leidt tot een emotionele interpretatie met behulp van de OFC, ACC etc., die als spil fungeren voor de wederkerige connecties in de hersenen. Dit is een voorbeeld van een positive feedback loop, waardoor een continue versterking van veranderingen in de hersenen ontstaat als gevolg van de trigger event.

Self-stabilization phase

Tijdens deze fase begint negatieve feedback te domineren. Dit zorgt voor het behouden van de huidige staat binnen het systeem. Er is dus sprake van inhibitie van de hersencircuits (door regulatie door de OFC en vmPFC). Hierdoor vermindert de activatie in de amygdala. Een emotionele interpretatie ontwikkelt zich, stabiliteit komt voor wanneer aandachtsoriëntatie en actieneigingen leiden tot een versmalling van de aandachtsfocus en gedrag richting relevant materiaal.

Learning phase

Er kan een versterkte verbinding ontstaan tussen subcomponenten die vaak geactiveerd worden, wat kan leiden tot aanhoudende cognitieve bias en overtuigingen. Stabiele emotionele staten zijn essentieel voor het leren, omdat deze een blijvend spoor achterlaten op de componenten.

Dit model beschrijft dus een systeem van stabiel evenwicht; het blijft alert voor veranderingen, maar er is ook een belangrijke graad van stabiliteit. Het is belangrijk dat een trigger event op elk niveau in het model kan leiden tot een dynamische verandering in de stabiele staat van het volledige systeem. Door dynamische systemen is het makkelijker om een realistisch kader te ontwerpen waarin neurobiologie gerelateerd wordt aan cognitieve psychologie.

Hoe wordt de wetenschappelijke basis van emotie vertaald naar de klinische praktijk?

Ondanks dat er veel onderzoek gedaan is naar emotionele stoornissen, is er nog steeds een grote scheiding tussen onderzoek en praktijk. Een reden hiervoor is dat de doelen van wetenschappers en behandelaars ver uit elkaar liggen. Onderzoek is vaak erg specifiek en onderzoekers doen vaak geen stapje terug om naar het grote plaatje te kijken. Voor een psychisch behandelaar is het juist belangrijk om overzicht te hebben over het grotere geheel. Daarnaast staat theoretisch onderzoek vaak erg ver van de alledaagse werkelijkheid waar behandelaars mee te maken hebben.

Vertaalonderzoek zou een oplossing voor deze problemen kunnen zijn. Hierbij worden de bevindingen in emotiestudies vertaald naar het ontwikkelen van betere benaderingen voor behandeling. Een goed begrip van een basaal affectief fenomeen zorgt ook voor een beter begrip van een extreme vorm hiervan, zoals gezien wordt in een stoornis.

De toepassing van bevindingen uit de wetenschap

De bruikbaarheid van wetenschappelijk onderzoek voor het ontwikkelen van klinische interventies wordt het meest duidelijk in de gedragspsychologie, vooral bij conditionering. Dit wordt vaak gebruikt voor gedragstherapie.

Van angst-extinctie naar blootstellingstherapie

Blootstellingstherapie is gebaseerd op extinctie. Bij deze therapie wordt keer op keer een object getoond waar de patiënt bang voor is. Omdat er geen negatieve effecten optreden als gevolg van het zien van deze stimulus, wordt de angst steeds minder. Uit onderzoek blijkt ook dat het toedienen van d-cycloserine helpt bij het extinctieproces. Dit kan dus eventueel gebruikt worden in de behandeling van angststoornissen. Het middel is geen directe behandeling voor specifieke fobieën, maar kan gebruikt worden in combinatie met psychologische behandeling om de effecten van de therapie te versterken.

Van cognitieve bias naar klinische interventie

Meer cognitief gefocuste therapieën zoals cognitieve gedragstherapie gaan meer uit van het aanpakken van biases die typisch zijn voor voor bepaalde stoornissen zoals depressie en angst. Deze therapieën ware echter nooit zo diep geworteld in experimenteel onderzoek. Recentelijk heeft onderzoek naar temperament en eigenschappen echter wel gezorgd voor een sterker verband tussen onderzoek en praktijk. Zo blijkt neuroticisme geassocieerd te zijn met fundamentele biases in hoe mensen affectieve informatie verwerken. Hierbij wordt meer aandacht gegeven aan dreigende informatie en wordt ambigue informatie op een meer dreigende manier verwerkt. De vraag is wel of deze bias een oorzaak of een consequentie is van een emotionele stoornis.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Psychology Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2824
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector