Hoe zien dimensionele benaderingen van de structuur van affect er uit? - Chapter 5
- Wat is een dimensionele blik op affect?
- Wat is empirisch bewijs voor dimensies in subjectieve rapportage?
- Hoe worden gezichtsspieren geactiveerd?
- Wat is de rol van hartslag en huidgeleiding?
- Hoe wordt een schrikreactie gemeten?
- Hoe worden neurale circuits geïdentificeerd?
- Wat houdt de neurowetenschap van beloning en straf in?
- Hoe worden cognitieve evaluaties onderscheiden?
- Wat zijn misattributies van opwinding?
- Wat houdt het conceptual act model in?
- Hoe worden discrete en dimensionele benaderingen vergeleken?
Wat is een dimensionele blik op affect?
Veel emotiewetenschappers zien emoties en stemmingen als weerspiegelingen van algemene dimensies van ervaringen, in plaats van als discrete categorieën. Hierbij gaat het dus om hoe de wereld ervaren wordt, dit wordt vaak onderzocht door zelf-rapportage. Een aanname is dat emoties voor een groot deel gedefinieerd worden door de verbale labels die we ermee associëren. Het probleem hiermee is dat we niet weten of een bepaald begrip ook echt verwijst naar een biologisch of psychologisch fenomeen. Het kan dus zijn dat onze ervaring van emoties bepaald wordt door onze taal en cultuur, wat zou betekenen dat emoties aangeleerd of sociaal geconstrueerd zijn, in plaats van iets natuurlijks.
Wat bedoelen we met dimensies?
Volgens de dimensiebenadering is de menselijke ervaring van emoties, (i.e. het gevoel), het belangrijkste fenomeen dat verklaard moet worden. Deze nadruk op gevoel leidt tot de hypothese dat de wereld ervaren wordt langs brede dimensies, in plaats van categorieën van verschillende emoties. Uit veel onderzoek zijn uiteindelijk twee belangrijke dimensies gekomen waarlangs affect beschreven kan worden: arousal (opwinding) en valence (valentie, positief/negatief).
Opwinding beschrijft de hoeveelheid energie die we voor ons gevoel beschikbaar hebben. Dit kan lopen van diepe slaap en slaperigheid aan de ene kant van de schaal tot hyperactiviteit aan de andere kant. Opwinding verandert gedurende de dag, afhankelijk van omgeving, tijdstip, activiteiten, weer, etc. Daarnaast is het afhankelijk van persoonlijkheidsverschillen. Deze variaties worden gevoeld als veranderingen in het zogenaamde kern affect, en vormen een belangrijke dimensie van onze subjectieve ervaring van affectieve toestand. Valentie of plezier verwijst naar of de staat waarin we verkeren wordt ervaren als positief of negatief, plezierig of onplezierig.
Opwinding en valentie lijken universele dimensies te zijn in menselijke ervaringen. De twee zijn de meest saillante dimensies, en het is erg lastig om een derde dimensie toe te voegen die nog net zo onderscheidend is. Het is belangrijk dat opwinding geen apart fenomeen is in de hersenen, maar dat het eerder variaties in de valentie-dimensie weergeeft.
Criteria voor het identificeren van algemene dimensies van affect
Het idee dat we een mix van brede dimensies ervaren in plaats van discrete emoties lijkt wat contra-intuïtief, omdat onze perceptie van discrete emoties erg sterk is. Maar wanneer je je een situatie voorstelt waarin je erg bang was en één waarin je erg boos was en deze probeert te beschrijven, is het lastig om verder te gaan dan een beschrijving van opwinding en valentie. Het enige dat de twee dan onderscheidt is perceptie en interpretatie van de context.
Wat is empirisch bewijs voor dimensies in subjectieve rapportage?
Description experience sampling metingen van affectieve ervaring
In de Descriptive Experience Sampling procedure worden grote aantallen mensen getest over verschillende situaties en wordt hen gevraagd hoe ze zich voelen in elke situatie. Sommigen beschrijven hun emoties in meer specifieke termen van emoties, maar alle participanten beschrijven hun gevoel ook naar aanleiding van valentie. Dit geeft aan dat valentie een meer fundamentele eigenschap van affect is dan discrete emotietermen.
Emotional granularity verwijst naar of iemand discrete emotietermen gebruikt op een hele precieze manier (hoog op emotional granularity), of deze gebruikt op een meer globale manier (laag op emotional granularity). Dit geeft aan dat mensen verschillen in hoe goed ze zijn in het beschrijven van hun interne affectieve toestand. Het lijkt erop dat boosheid, verdriet, angst, etc., vaak niet ervaren worden als duidelijk onderscheiden toestanden. Daarom moeten deze toestanden opgebroken worden in kleinere onderdelen, die relateren aan valentie en opwinding.
Vragenlijstmetingen van affectieve ervaring
Wanneer zelf-rapportage-data van de ervaring van emoties in een grafiek wordt geplaatst, waarbij valentie en opwinding tegen elkaar worden afgezet, ontstaat meestal een circumplex structure. Hierin vallen de basisemoties in een bepaald kwadrant van het model. Dit suggereert dat affect het beste gezien kan worden als variaties op basis van een aantal dimensies, in plaats van als discrete categorieën. Elke emotie is dus een combinatie of mix van deze dimensies.
Scores op een dimensie hoeven niet compleet van elkaar afhankelijk te zijn. In extreme gevallen is dit wel zo: wanneer iemand extreem positief affect ervaart, voelt hij meestal erg weinig negatief affect. Als iemand echter relatief laag zit op negatief affect (hij is redelijk relaxed), betekent dat niet per sé dat hij zich ook blij voelt. Hieruit blijkt dat positief en negatief affect verrassend onafhankelijk van elkaar zijn. Scores kunnen zich overal op het continuüm bevinden. Het tweedimensionale model heeft dan twee assen, één voor positief affect en één voor negatief affect, waarop de scores kunnen worden uitgezet.
Het is ook nog mogelijk om een model te maken met de dimensies van activatie: spanning en energie. Al deze modellen lijken erg verschillend, maar het blijkt dat ze eigenlijk allemaal dezelfde affectieve ruimte beschrijven. Wanneer valentie en opwinding gebruikt worden om de resultaten van deze onderzoeken te beschrijven (in plaats van de originele dimensies), was de verklaarde variantie nog steeds erg hoog.
Empirisch bewijs voor dimensies: fysiologische specificiteit
Het idee hier is dat benaderings- of terugtrekkingsmechanismen een verklaring zijn voor de valentie-dimensie. Deze mechanismen zijn wederzijds inhiberend, dus wanneer de één geactiveerd is, wordt de ander onderdrukt. Opwinding wordt hier niet gezien als een derde systeem, maar als de metabolische en neurale activatie van dan wel benadering, dan wel terugtrekking, of de co-activatie van beiden samen. Daarom worden de benaderings- en terugtrekkingsmechanismen gezien als de neuro anatomische basis van zowel valentie- als opwindingseffecten. Als dit klopt zouden we fysiologische responsen moeten vinden die geactiveerd zijn door toenemende opwinding, maar niet beïnvloed worden door valentie (of andersom).
Hoe worden gezichtsspieren geactiveerd?
Belangrijke spieren in het gezicht zijn onder andere de corrugator spieren (verantwoordelijk voor het samentrekken van de wenkbrauwen, fronsen) en de zygomatische spier (verantwoordelijk voor glimlachen bij blijdschap). Activatie van deze spieren geeft dus een indicatie van positief of negatief affect (valentie). Hierbij gaat het om de mate van activatie: er is altijd activatie, maar hoe positiever de stimulus ervaren wordt, hoe minder activatie te zien is in de corrugator spier. Logischerwijs treedt het tegenovergestelde effect op bij de zygomatische spier. Er is wel een verschil in geslacht: mannen voldoen veel minder vaak aan de verwachte uitkomsten. Het lijkt erop dat vrouwen meer expressief zijn met hun gezicht wanneer zij positief of negatief affect ervaren.
Wat is de rol van hartslag en huidgeleiding?
Variaties in hartslag worden gebruikt als index voor de reactie op emotioneel geladen stimuli. Het standaardpatroon is een afname van hartslag wanneer een foto voor het eerst verschijnt, dan een versnelling en tot slot weer een afname. De valentie van de foto beïnvloedt de mate waarin deze veranderingen zich voordoen: onplezierige stimuli veroorzaken de grootste afname (in zowel de eerste fase als de laatste) in hartslag, terwijl plezierige stimuli de hoogste versnelling laten zien. Hartslag is dus een meting voor valentie.
Een meer betrouwbare methode is het meten van huidgeleiding. De mate van huidgeleiding neemt toe wanneer opwinding toeneemt, dit is onafhankelijk van valentie. De huidgeleiding neemt dus toe wanneer er sterk emotioneel geladen afbeeldingen getoond worden, zowel positief als negatief. Het feit dat de dimensies zo duidelijk gescheiden zijn, geeft aan dat het hier wel degelijk om twee aparte factoren gaat.
Hoe wordt een schrikreactie gemeten?
Het meten van een schrikreactie naar aanleiding van een emotionele stimulus, blijkt een goede manier te zijn om te testen of de activatie van het terugtrekkingsmechanisme (en deactivatie van het benaderingsmechanisme) beïnvloed wordt door het algehele niveau van activatie (opwinding). Een schrikreactie is een beschermende reflex, die lopend gedrag onderbreekt, zodat een mogelijke dreiging de aandacht kan krijgen. Volgens de motivational priming hypothesis zou deze schrikreactie sterker moeten zijn wanneer het terugtrekkingsmechanisme al geactiveerd is (bijvoorbeeld wanneer je een horrorfilm kijkt).
De schrikreflex wordt bij mensen gemeten door het oogreflex te meten (waarbij iemand met het oog knippert wanneer hij schrikt). Wanneer shock-geconditioneerde stimuli verwerkt worden, is de schrikreflex als gevolg van een schrik-stimulus (bijvoorbeeld een harde knal) sterker. Dit is consistent met de bovengenoemde motivational priming hypothesis. Omdat de activatie van het terugtrekkingsmechanisme samengaat met de onderdrukking van het benaderingsmechanisme, heeft de schrikreflex tijdens het verwerken van een plezierige stimulus juist een lagere intensiteit. Hoe hoger de opwinding, hoe sterker de reflex bij negatieve stimuli en hoe minder sterk de reflex bij positieve stimuli.
Dillon en laBar vonden dat bewuste pogingen om de emotionele reactie op een afbeelding te vergroten of te onderdrukken, vergelijkbare effecten hadden op de schrikreactie (onafhankelijk van valentie). Dit is inconsistent met de motivational priming hypothesis, maar geeft aan dat opwinding belangrijker is voor het reguleren van de schrikreactie dan valentie.
Hoe worden neurale circuits geïdentificeerd?
Het identificeren van neurale circuits voor valentie en opwinding is lastig. Als het twee aparte dimensies zijn, zouden we verwachten dat er bepaalde hersengebieden geactiveerd worden als respons op opwinding, maar niet op valentie. Bij valentie is dit nog veel ingewikkelder, omdat het niet duidelijk is of valentie één dimensie is met twee uitersten, of dat positief affect en negatief affect ieder een aparte, onafhankelijke dimensie zijn.
Een model waarbij positief affect en negatief affect variëren in intensiteit lijkt logisch, want de intensiteit heeft vaak een invloed op hoe plezierig of onplezierig iets wordt ervaren. Dit model suggereert dus dat valentie toeneemt op basis van opwinding, van het meest neutraal tot het meest intens, onafhankelijk van of dit positief of negatief is.
EEG-studies van de neurale factoren van valentie
Het valentie asymmetrie model suggereert dat de rechter en linker prefrontale cortex verschillende rollen spelen in hoe we positieve en negatieve emoties waarnemen en ervaren. Positieve emoties lijken te zorgen voor grotere activiteit in de linker PFC, negatieve emoties in de rechter PFC. Het is niet altijd zo dat negatieve emoties terugtrekking gerelateerd zijn. Boosheid bijvoorbeeld is meer gericht op benadering. Het zou dus te makkelijk zijn om te zeggen dat positieve en negatieve emoties hetzelfde zijn als benadering gerelateerde en terugtrekking gerelateerde emoties. Het is dus de vraag of de activiteit in de linker of rechter PFC afhangt van valentie of van de benaderings- en terugtrekkingsmechanismen.
De functionele neuroanatomie van valentie
Twee meta-analyses van een groot aantal studies naar de neuroanatomie van valentie vonden zeer inconsistente resultaten. Uit één analyse kwam dat benadering gerelateerde emoties geassocieerd waren met grotere activatie in de linker PFC. Voor de terugtrekkingsmechanismen werden echter geen verschillen gevonden tussen de twee hersenhelften. Een andere analyse vond dat positieve emoties geassocieerd waren met grotere activatie van de linker laterale PFC en de basale ganglia, terwijl negatieve emoties geassocieerd werden met toegenomen activatie van de insula. Ook hier was linker PFC-activatie gerelateerd aan benaderingsemoties, samen met de activatie van de mediale PFC. Met terugtrekkingsemoties waren de amygdala, linker mediale PFC, anterieur cingulate, basale ganglia, linker insula en linker fusiform en superior occipitale cortices gerelateerd.
Een andere studie vond het volgende: onafhankelijk van of een afbeelding negatief of positief was, als de afbeelding emotioneel geladen was, was er sprake van een toegenomen activatie van de vmPFC. Deze relatie is dus volledig onafhankelijk van valentie. Wanneer de afbeeldingen ook ingedeeld moesten worden op basis van valentie, was er sprake van activiteit in de dlPFC, die dus van invloed lijkt te zijn op emotionele beoordeling. De vmPFC relateert dus waarschijnlijk aan de affectieve significantie (zowel positief als negatief) van een emotionele stimulus, terwijl de dlPFC relateert aan het evaluatieve aspect van valentie.
De functionele neuroanatomie van opwinding en valentie
Recente fMRI-onderzoeken hebben uitgewezen dat de activatie van de amygdala specifiek gecorreleerd is met emotionele opwinding, terwijl de amygdala niet reageert op verschillen in valentie. Valentie was geassocieerd met een toename in activiteit in de orbitofrontale cortex (OFC), dit gebied reageerde weer niet op verschillen in intensiteit (opwinding). Lewis vond zelfs dat verschillende delen van de OFC zich bezig hielden met positieve of negatieve valentie. Positieve valentie was gelinkt aan de rechter laterale OFC en de anterieur insula, terwijl negatieve valentie gerelateerd was aan de posterior insula, de ACC en de rechter en rechter mediale OFC.
Lewis vond ook dat grote delen van het brein geactiveerd werden door de samenkomst van valentie en opwinding, waardoor de twee geïntegreerd zouden kunnen worden tot een enkele representatie. Deze valentie-specifieke respons op opwinding ondersteunt het idee dat emotionele inhoud invloed heeft op de manier waarop we op opwinding reageren.
Wat houdt de neurowetenschap van beloning en straf in?
Rolls’ schema classificeert emoties en termen van belonende effecten. Zijn model beschrijft op de verticale as de emoties die geassocieerd zijn met de uitreiking van een beloning (omhoog) of straf (omlaag). Op de horizontale as beschrijft het de emoties geassocieerd met het niet uitreiken van een verwachte beloning (naar links) of verwachte straf (naar rechts). Het gaat hier echter niet om dimensies, want de parameters van het model zijn niet volledig onafhankelijk van elkaar.
De OFC lijkt een grote rol te spelen in het coderen van stimuli die gerelateerd zijn aan beloning of straf. Zo wordt deze bijvoorbeeld geactiveerd wanneer iemand zijn favoriete eten eet, of er zelfs maar aan denkt. De scores die mensen gaven aan hoe plezierig het eten was namen langzaam af naarmate zij meer aten en dus verzadigd raakten en dit was ook terug te zien als verminderde activiteit in de OFC. Ook hier waren weer verschillende delen van de OFC actief, afhankelijk van of een score gegeven moest worden aan hoe plezierig het eten was, of hoe onplezierig. De mediale OFC speelt een rol in het coderen van belonende stimuli, de laterale OFC in het evalueren van straffende stimuli. De nucleus accumbens (NAcc) zorgt ervoor dat dopamine wordt afgegeven. Dit wordt geassocieerd met het ervaren van positief affect en beloning. Zowel de OFC als de NAcc zijn dus belangrijke gebieden voor het coderen van beloning en straf.
Een beloning is niet zomaar een simpele kwestie van dopamine-afgifte in de NAcc. Er zijn drie processen waaraan een stimuli moet voldoen om belonend te zijn. Ten eerste moet het individu gemotiveerd zijn om te handelen en te leren. Ten tweede moet hij de stimuli en de consequenties van acties aan elkaar leren te relateren. Tot slot moet de consumptie van de beloning hedonistische consequenties veroorzaken, in de vorm van plezier. Elk van deze drie processen bestaat uit zowel expliciete en impliciete componenten. De expliciete (verlangen, verwachting, plezier) worden bewust ervaren, de impliciete (gewoontes, saillantie van de prikkel) niet. Volgens Berridge en Robinson kunnen variaties in zowel motivationele als emotionele componenten onbewust voorkomen, zelfs als de subjectieve scores die mensen aan hun stemming en gevoelens geven niet veranderen.
Middelen die mate van dopamine-afgifte beïnvloeden lijken geen invloed te hebben op het subjectief ervaren plezier als gevolg van drugs of eten. Opioïden daarentegen hebben wel een invloed op subjectief plezier: een injectie van opioïden zorgt voor meer uitingen van plezier, het blokkeren van de opioïde-receptoren vermindert de beloningswaarde. Opioïden lijken dus betrokken te zijn bij ‘liking’ en toename van het plezier als gevolg van sensorische stimuli.
De saillantie van een prikkel, ook wel wanting (willen hebben), wordt sterk beïnvloed door dopamine, maar hangt ook af van andere hersenstructuren zoals de connecties tussen de NAcc en de amygdala en delen van de cortex. Dit verklaart het feit dat de manipulatie van dopaminesystemen sterke effecten heeft op gemotiveerd gedrag maar niet op de mate van ‘liking’ van de beloning.
Hoe worden cognitieve evaluaties onderscheiden?
Omdat mensen ook aangeven een aantal duidelijk te onderscheiden emoties te voelen, moeten dimensionele theorieën ook laten zien dat cognitieve evaluatie kan leiden tot de indruk van discrete emoties.
Zijn valentie en opwinding de dominante dimensies van evaluatie?
De eerste stap in het proces van evaluatie van een stimuli is de evaluatie van valentie; is iets goed of slecht? Op een subjectief niveau zijn er grote overeenkomsten tussen verschillende emoties. Hoewel boosheid en angst van elkaar onderscheiden kunnen worden door gezichtsuitdrukking, worden ze op een gelijke manier ervaren (onplezierig en opwindende). Om deze overeenkomsten goed in kaart te brengen, is een dimensionele benadering nodig. Zo’n benadering kan verklaren waarom mensen zo makkelijk van de ene naar de andere emotie overgaan.
Smith en Ellsworth ontwikkelden een model bestaande uit zes dimensies waarop gedifferentieerd kon worden tussen vijftien verschillende emoties. Voor de meeste van deze emoties kon een uniek patroon van cognitieve evaluaties geïdentificeerd worden. De evaluaties van valentie en opwinding waren ook meegenomen in deze lijst. Er werd een sterke relatie gevonden tussen de cognitieve interpretatie van een gebeurtenis en de emotionele reactie erop.
Over het algemeen is het onderzoek naar cognitieve evaluaties het niet eens met de benadering dat er maar twee dimensies zijn. Het gaat er vanuit dat mensen zeer veel dimensies overwegen in de samenstelling van hun emotionele ervaring.
Zorgt cognitieve interpretatie van affectieve toestand voor te onderscheiden emoties?
De theorie van James dat fysiologische opwinding de oorzaak is van emoties heeft een aantal tekortkomingen. Zo ontstaat dezelfde opwinding ook als we hard sporten, maar het is onwaarschijnlijk dat we dan ook dezelfde emotie voelen. Daarnaast zijn fysiologische veranderingen te langzaam om vooraf te gaan aan een bewuste ervaring van emzieotie. Een ander probleem is nog dat mensen die zeer uiteenlopende emoties ervaren, toch vrijwel dezelfde fysiologische opwinding ervaren. Cannon stelde daarom dat emotie ontstaat wanneer de thalamus tegelijkertijd signalen zendt naar de cortex (voor de bewuste ervaring van emotie) en het autonome zenuwstelsel.
Schachter en Singer – tweefactormodel
Schachter en Singer stelden dat het ervaren van emotie afhangt van twee factoren: fysieke opwinding en cognitieve interpretatie van die opwinding. Dus als je een fysiologische opwinding ervaart, zoek je in je omgeving naar een verklaring. Dit is deels in overeenstemming met James, maar verklaart ook hoe het kan dat dezelfde opwinding een andere emotie tot gevolg heeft. Een emotionele ervaring heeft dus twee delen: een fysiologisch element en een (extern gericht) cognitief evaluatie-element.
Deze theorie werd bevestigd in een experiment waarin proefpersonen adrenaline of een placebo toegediend kregen. Een deel werd goed ingelicht over de bijwerkingen (opwinding bij de adrenaline en geen bijwerkingen bij de placebo) en een ander deel kreeg de omgekeerde (dus verkeerde) informatie. Het bleek dat wanneer iemand dacht dat de adrenaline geen bijwerkingen had, hij de opwinding die ontstond toeschreef aan een andere persoon in de kamer. Wanneer deze zich blij gedroeg, voelde de proefpersoon zich ook blij, maar wanneer deze zich boos gedroeg voelde de proefpersoon zich ook boos. De opwinding wordt dus gecombineerd met een evaluatie van de situatie: ‘ik ben opgewonden, dus dat zal wel blijdschap/boosheid zijn omdat deze andere persoon zich ook zo gedraagt’.
Wat zijn misattributies van opwinding?
Veel onderzoek wijst uit dat lichamelijke opwinding onze subjectieve ervaring van de wereld kleurt. Zo was er bijvoorbeeld een onderzoek waarbij mannen een rivier moesten oversteken over een lage stenen brug, of over een hoge, wiebelende, smalle brug. Daarna kwam er een vrouwelijke onderzoeker naar ze toe die hen een vragenlijst gaf. Ze kregen echter ook haar telefoonnummer met de vraag of ze haar wilden bellen na het onderzoek. De mannen die over de wiebelige brug waren gelopen (en dus meer opgewonden waren) belden vaker op. Zij hadden hun door de brug veroorzaakte opwinding dus verkeerd geattribueerd: ze dachten dat het kwam doordat ze zich aangetrokken voelden tot de onderzoekster.
De NAcc is anatomisch verbonden aan een aantal gebieden in de PFC, maar ook aan een aantal subcorticale gebieden zoals de amygdala. Het is daarom mogelijk dat de NAcc een belangrijke rol speelt in het bepalen van de affectieve significantie en saillantie van een stimulus, en niet specifiek opwinding of valentie.
Wat houdt het conceptual act model in?
Het conceptual act model stelt dat discrete emoties een illusie zijn, gecreëerd door een cognitief categorisatieproces genaamd kern affect. De hypothese hierbij is dat wat we waarnemen en ervaren als individuele emoties, eigenlijk voortkomt uit hoe we veranderingen in een meer algemeen kern affectieve systeem waarnemen en categoriseren.
In andere woorden: onze achtergrondstemmingen (core affect) worden ervaren langs de algemene dimensies valentie een opwinding. Deze toestanden zijn onderverdeeld in discrete emotiecategorieën, gebaseerd op een cognitieve evaluatie van de huidige context.
Hoe worden discrete en dimensionele benaderingen vergeleken?
Onderzoekers die kijken naar discrete emoties, focussen vaak op de neurale of fysiologische basis van emoties of stemmingen. Sommigen vinden zelfs dat de subjectieve ervaring van emoties irrelevant is voor het begrijpen van de emotie. Daarentegen, onderzoekers die uitgaan van een dimensionele benadering, focussen juist op subjectieve ervaring van gevoelens. Daarnaast wordt dimensioneel onderzoek vaker gedaan met mensen, terwijl de discrete-emotie-aanhangers vaker onderzoek doen bij ratten.
De uitdaging van het onderzoek naar emotie is om deze twee verschillende onderzoekstradities te vergelijken en te kijken of het empirisch bewijs van beiden geïntegreerd kan worden in één verklarend model van affect. Beide tradities geven informatie uit verschillende niveaus van analyse (subjectieve rapportage tegenover neurale activatie). Deze data zouden dus best samengevoegd kunnen worden in een allesomvattend model.
Tot slot is het jammer dat er bijna niet gekeken wordt naar individuele verschillen in hoe mensen reageren in emotionele situaties en hoe ze deze situaties waarnemen en interpreteren. Dit zijn juist invloedrijke aspecten in de structuur van affect.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
- Insurance for emigrants, expats and living abroad: international insurance for expats and emigrants
- Insurance for activities abroad: Backpacking Travel abroad Intern abroad Study abroad Volunteer abroad Work abroad
- Insurance: ACS Globe Traveller Caremed Insurances Expatriate Travel Insurance IMG’s GlobeHopper World Nomads Insurance SafetyWing Insurance JoHo Special ISIS verzekering NL/BE Working Nomad verzekering NL/BE More about Insurance for abroad
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results








