Welke affect-cognitierelaties hebben betrekking op het geheugen? - Chapter 7
- Worden affectieve gebeurtenissen beter herinnerd dan neutrale gebeurtenissen?
- Hoe werken studies van autobiografische herinneringen?
- Hoe werkt geheugen voor de essentie van dingen?
- Heeft affect invloed op geheugen door opwinding of door valentie?
- Heeft affect invloed op geheugen bij coderen, consolideren of ophalen?
- Hebben stemmingen invloed op geheugen?
- Wat zijn theoretische verklaringen voor stemming en geheugeninteracties?
Worden affectieve gebeurtenissen beter herinnerd dan neutrale gebeurtenissen?
Er is bewijs dat mensen hun affectieve reacties op bepaalde stimuli onthouden, zelfs wanneer ze zich niet bewust kunnen herinneren die stimulus ooit eerder gezien te hebben. Dit heet ook wel impliciet geheugen; de impact die een vorige confrontatie met een (expliciet vergeten) stimulus heeft op huidig gedrag en beoordeling.
Hoe werken studies van autobiografische herinneringen?
De affectieve eigenschappen van een situatie kunnen zorgen voor een verbeterd geheugen van alledaagse gebeurtenissen. Een goed voorbeeld hiervan zijn flashbulb memories, zeer levendige herinneringen aan sterk emotionele gebeurtenissen, zoals de aanslag op het WTC in 2001. Er wordt een hoge correlatie gevonden tussen de levendigheid van de herinnering en hoe emotioneel de gebeurtenis was. Dit is onafhankelijk van of de emoties positief of negatief waren. De levendigheid van de herinnering is echter geen garantie dat deze ook daadwerkelijk accuraat is, dat is vaak juist niet zo. Na een aantal jaar vertellen mensen de gebeurtenis nog in veel detail na en zijn er dan ook zeker van dat wat ze vertellen correct is. Echter, de navertelling is na een aantal jaar vaak veel veranderd en klopt niet meer met de daadwerkelijke gebeurtenis.
Onderzoek naar autobiografisch geheugen is problematisch, omdat je niet kunt weten of mensen die meer affectieve gebeurtenissen ophalen uit het geheugen dit doen omdat het makkelijker is om die gebeurtenissen op te halen, of omdat ze meer van dat soort gebeurtenissen hebben meegemaakt. Daarom wordt onderzoek naar geheugen vaak in het laboratorium uitgevoerd.
Laboratoriumstudies
Het onthouden/kennen-paradigma meet twee onafhankelijke processen die ten grondslag liggen aan herinnering. De eerste is onthouden (remember) en gaat over het terughalen van een gebeurtenis met verschillende contextuele details. De tweede is kennen (know) en is een gevoel dat een item bekend is, zonder een precieze herinnering van de contextuele details. In dit onderzoek moeten participanten bepalen of ze een (affectief positief, negatief of neutraal) item hebben onthouden, of dat ze het kennen. Hoog affectieve items werden beter onthouden (zowel positief als negatief). Voor negatieve items werd vaker het oordeel ‘onthouden’ gegeven. Dit bevestigt de levendigheid van autobiografische herinneringen van negatieve gebeurtenissen (ook al is de accuraatheid niet per sé beter).
Een fMRI-studie bevestigt de vinding dat accuraatheid tussen positieve en negatieve stimuli niet verschilt, maar dat negatieve stimuli vaker als ‘remember’ worden aangegeven. Dit komt waarschijnlijk door een grotere activiteit in de amygdala bij negatieve items. Bij neutrale items werd een hogere ‘remember’-score gelinkt aan een grotere activiteit in de parahippocampale cortex.
Hoe werkt geheugen voor de essentie van dingen?
Er zijn indicaties dat affect de accuraatheid van onze herinneringen vooral verbetert voor de kern, of de essentie van een gebeurtenis. Zo kunnen ooggetuigen van een misdrijf vaak het wapen tot in detail beschrijven, maar hoe beter het wapen beschreven wordt, hoe minder goed de details over de dader onthouden zijn.
Deze vindingen komen overeen met een eerdere hypothese die stelt dat emotionele opwinding een versmalling van de aandacht (narrowing of attention) tot gevolg heeft, waardoor vooral het centrale deel van een scene in detail wordt verwerkt. Dus affect verbetert de accuraatheid van geheugen voor de centrale aspecten van een gebeurtenis, maar vermindert het geheugen voor de perifere aspecten.
Het zou kunnen dat we emotionele gebeurtenissen beter onthouden doordat we er vaker aan denken, en deze gebeurtenissen dus eigenlijk ‘repeteren’. Daarnaast trekken negatieve stimuli veel sterker de aandacht, waardoor een verbeterde codering in het geheugen plaatsvindt. Deze argumenten wijzen erop dat geheugen verbeterd zou worden door indirecte effecten van affect op codering en repetitie.
Heeft affect invloed op geheugen door opwinding of door valentie?
We weten dat opwinding en valentie een te onderscheiden effect hebben op neurale processen, wanneer er aandacht wordt gegeven aan stimuli. Er is echter nog niet veel onderzoek geweest dat de twee onderscheidt wanneer het gaat om affect en geheugen.
Effecten van opwinding op geheugen voor affectief materiaal
Er wordt gesteld dat de amygdala belangrijk is voor het verbeteren van geheugen voor opwindende stimuli. Psychologische opwinding leidt tot activatie van beta-adrenergic receptoren in de amygdala. Dit zorgt weer voor activiteit van de hippocampus, die zorgt voor verbeterde consolidatie (opslag) van herinneringen over gebeurtenissen die een opwindingrespons opwekten.
Er werd gevonden dat schade aan de amygdala vooral geheugen van centrale aspecten van een scene beperkt, maar niet van de meer perifere aspecten. Daarnaast kwam uit een onderzoek dat activiteit in de amygdala tijdens de codering van een aversieve emotionele gebeurtenis sterk gecorreleerd is met het terughalen van de gebeurtenis op een later moment. Deze correlatie was niet aanwezig bij de neutrale gebeurtenissen, maar er is wel een correlatie tussen de activiteit in het hippocampale gebied en het terughalen van neutrale stimuli. Dit wijst erop dat de amygdala betrokken is bij een verbeterd geheugen voor emotionele stimuli, en het hippocampale gebied bij het ophalen van neutrale stimuli.
Omdat de stimuli gebruikt in bovenstaande onderzoeken allemaal negatief waren, is het niet zeker of de effecten veroorzaakt worden door opwinding of valentie. Later onderzoek waarbij ook positieve emotionele stimuli werden betrokken, vond dezelfde resultaten: geheugen voor opwindende gebeurtenissen was beter dan voor neutrale gebeurtenissen. Daarnaast was de amygdala-activiteit gecorreleerd met de opwindende eigenschappen van de stimuli, onafhankelijk van valentie.
Tot slot vonden Kensinger en Corkin nog dat activatie van de amygdala en de hippocampus correleerde tijdens het coderen van opwindende woorden die later herinnerd werden. Dit suggereert dat een amygdala-hippocampale netwerk ten grondslag zou kunnen liggen aan het verbeterde expliciete geheugen voor emotionele opwindende stimuli.
Effecten van valentie op geheugen voor affectief materiaal
Een onderzoek naar de invloed van valentie op geheugen vond dat participanten meer negatieve woorden onthielden, onafhankelijk van opwinding. Echter, het verbeterde geheugen voor hoge en lage opwindingwoorden leek wel geassocieerd te zijn met verschillende neurale netwerken. Voor de negatieve hoge opwinding-woorden was er vooral activiteit in de amygdala en hippocampus, voor de negatieve lage opwinding-woorden vooral in de PFC en hippocampus. In de uiteindelijke gedragsoutput zat er geen verschil in het terughalen van de negatieve woorden, of het ze nou hoog of laag waren op opwinding.
Er zijn ook studies die geen verschil vinden tussen het geheugen voor positieve en negatieve gebeurtenissen, en zelfs studies die vinden dat positieve gebeurtenissen beter onthouden worden. Dit laatste wordt de positivietsbias genoemd. De vraag is echter of dit wel een bias is, want over het algemeen maken mensen ook echt meer positieve situaties mee dan negatieve.
Affectief geheugen voor plezierige en onplezierige gebeurtenissen lijkt te vervagen met verschillende snelheden; dit gaat sneller voor negatieve dan voor positieve gebeurtenissen. Dit effect (fading affect bias) geeft ons een gevoel van positiviteit; we zien ons leven als positiever.
Dus is er nou een effect voor valentie? Het lijkt erop dat er onder laboratoriumcondities geen verschil is tussen geheugen voor positieve en negatieve gebeurtenissen. Echter, gebeurtenissen die relevant zijn voor ons laten een bias zien waarbij positieve gebeurtenissen beter blijven hangen. Het hangt er wel vanaf of de taak gaat over de zelf, of een onbekend ander persoon. Negatieve informatie over de zelf wordt op een vrij oppervlakkige manier verwerkt, terwijl informatie die vleiend is voor de zelf veel nauwkeuriger wordt verwerkt. Over anderen onthouden we veel meer negatieve informatie dan over onszelf.
Heeft affect invloed op geheugen bij coderen, consolideren of ophalen?
Er zijn drie momenten waarop affect invloed kan hebben op geheugen. Het eerste moment is bij de codering, waardoor emotioneel saillante gebeurtenissen in meer detail verwerkt worden en daardoor beter herinnerd. Het tweede moment is consolidatie, dus wanneer de herinneringen vastgelegd worden in het lange termijngeheugen. Het derde moment is bij het ophalen van de herinneringen. Deze stadia volgen elkaar niet zomaar op, maar overlappen voor een groot deel. Daarnaast gebruiken ze verschillende neurale circuits.
Het feit dat consolidatie enige tijd duurt (minuten tot uren of meer), betekent dat geheugen voor affectieve opwindende gebeurtenissen waarschijnlijk verbetert vergeleken met neutrale gebeurtenissen, naarmate de tijd vordert. Dit betekent dat wanneer herinneringen worden opgehaald vlak na de gebeurtenis, er weinig verschil zou moeten zijn in het geheugen voor affectieve en neutrale gebeurtenissen. Na enige tijd zou dit verschil groter moeten zijn.
Het blijkt dat affect wel degelijk een effect heeft op geheugen tijdens zowel het coderen en de consolidatie, en misschien ook tijdens het ophalen van herinneringen.
Coderingseffecten
Het effect van attentional bias, zoals besproken in het vorige hoofdstuk, is dat verhoogde aandacht voor opwindende stimuli zorgt voor een beter mentaal beeld. Dit zorgt dus voor een boost in geheugen voor affectieve stimuli. Ondersteuning voor deze theorie komt uit onderzoek waarin de amygdala-activiteit tijdens de coderingsfase gecorreleerd is met hoe goed de emotionele gebeurtenissen onthouden worden. Echter, verbeterd geheugen werd niet direct na codering gevonden, maar pas enkele weken later. Het kan dus zijn dat de amygdala-activiteit tijdens de codering effect heeft op het daarop volgende consolidatieproces op een manier die wat tijd nodig heeft om te ontwikkelen.
Consolidatie-effecten
Veel van de vindingen op dit gebied komen van dierstudies. Zo werd er gevonden dat wanneer er na de training drugs worden toegediend die het geheugen bevorderen, deze leiden tot een nog grotere verbetering van geheugen dan de training op zich. Dit effect is niet meteen te zien, maar 24 uur later wel. Dit patroon suggereert dat de drugs selectief de consolidatie beïnvloeden.
Adrenaline en cortisol (stress hormonen) spelen een belangrijke rol in de consolidatie van geheugen. De amygdala is belangrijk voor het mediëren van deze invloed; dit weten we omdat laesies aan de amygdala de effecten van deze hormonen op consolidatie kunnen blokkeren. Ook bij mensen zijn deze bevindingen bevestigd, onder andere door toedienen van adrenaline na het doen van een geheugentaak. Dit bevorderde de consolidatie voor alle stimuli.
Het lijkt er dus op dat emotionele opwindende stimuli beter geconsolideerd worden in het lange termijngeheugen. Dit effect is gelinkt aan een aantal hormonen en wordt verder geregeld door de amygdala. Daarnaast is het amygdala-hippocampale netwerk (dat actief is bij codering) direct van invloed op consolidatie. Het enige probleem is dat geheugen vaak maar één keer getest wordt (als consolidatie al een eind op weg is), waardoor we niet weten of opwinding vooral van invloed is op consolidatie, of op codering.
Ophaaleffecten
Er is wat bewijs dat activatie van de amygdala en gebieden in de anterieur temporale pole specifiek betrokken zijn bij het ophalen van affectieve informatie. Zo werd er gevonden dat verschillende neurale netwerken betrokken waren in het ophalen van neutrale informatie en het ophalen van affectieve informatie. Voor het ophalen van zowel positieve als negatieve afbeeldingen was er activatie in de rechter anterieur temporale pole en de linker amygdala. Deze gebieden waren niet actief bij het ophalen van neutrale afbeeldingen. Het probleem bij deze studie was wel dat de amygdala misschien niet geactiveerd werd voor het ophaalproces, maar juist door de emotionele reactie op de opgehaalde herinneringen.
Hebben stemmingen invloed op geheugen?
Het zou kunnen dat door het bekijken van emotionele stimuli een bepaalde stemming wordt veroorzaakt, die vervolgens van invloed is op het geheugen, in plaats van dat deze invloed komt van eigenschappen van de stimulus of de gebeurtenis. Wanneer we in een bepaalde stemming zijn, hebben we de neiging om dingen op te merken die in overeenstemming zijn met die stemming en herinneren we ons ook meer dingen uit het verleden die bij de stemming passen.
We behandelen hier twee fenomenen: stemmings-congruent geheugen (stemmings-congruent geheugen) en stemmingsafhankelijk geheugen(stemmingsafhankelijk geheugen). Stemmings-congruent geheugen beschrijft dat wat we ons herinneren in overeenstemming is met onze stemming: als we ons depressief voelen, herinneren we ons meer verdrietige gebeurtenissen. Stemmingsafhankelijk geheugen beschrijft dat we dingen die we leren wanneer we in een bepaalde stemming zijn, beter herinneren wanneer we weer in diezelfde stemming zijn.
Stemmings-congruent geheugen
Stemmings-congruent geheugen kan voorkomen bij zowel coderen als ophalen. De invloed van stemming bij coderen wordt vaak getest door een stemming te veroorzaken en mensen dan een lijst met positieve en negatieve woorden te laten leren. Later, wanneer deze mensen in een neutrale stemming zijn, wordt gekeken welke woorden ze zich herinneren. Er wordt inderdaad gevonden dat woorden die overeenkomen met de stemming waarin de persoon was tijdens het leren, beter worden onthouden. De verklaring hiervoor kan gevonden worden in het associatieve netwerk model, dat voorspelt dat informatie die overeenkomt met de stemming meer saillant is en op een dieper niveau wordt verwerkt dan andere informatie.
De invloed van stemming bij het ophalen lijkt wat minder duidelijk. Hierbij wordt mensen vaak gevraagd een lijst met positieve en negatieve woorden te leren terwijl ze in een neutrale stemming zijn. Hierna wordt ze gevraagd zo veel mogelijk woorden op te halen wanneer ze in een positieve of negatieve stemming zijn. De resultaten hiervan zijn uiteenlopend: sommige studies vinden geen effect, anderen wel.
De studies naar autobiografische herinneringen geven een duidelijker beeld. Hier wordt een stemming opgeroepen, waarna mensen gevraagd wordt om gebeurtenissen op te halen uit hun eigen leven. De bevindingen hier zijn over het algemeen dat mensen meer gebeurtenissen ophalen die overeenkomen met hun stemming, hoewel sommige studies het tegenovergestelde vonden.
Het probleem met deze studies is dat de gebeurtenissen die opgehaald worden vaak ook in overeenstemming zijn met de stemming op het moment dat de gebeurtenis plaatsvond. Dus het kan net zo goed zijn dat de effecten veroorzaakt worden door de invloed van de stemming op het moment van coderen. Daarnaast kan de huidige stemming de herinnering verdraaien, waardoor ze gereconstrueerd worden op zo’n manier dat ze meer bij de huidige stemming passen. Dit laatste kan een adaptieve functie zijn, aangezien evaluaties van de huidige affectieve situatie een betere leidraad kunnen zijn voor toekomstig gedrag dan wanneer de herinnering een perfecte weerspiegeling zou zijn van het verleden.
Een aantal factoren is van invloed op of stemmings-congruentie voorkomt. Zo is de vraag of het materiaal gerefereerd is aan de zelf of aan een ander en of de persoon zich bewust is van het feit dat de informatie overeenkomt met de stemming of niet. Daarnaast is de intensiteit van de stemming en van het materiaal van belang. Zo is er in een onderzoek gevonden dat wanneer de intensiteit van het materiaal laag is, er zelfs stemmingsincongruentie effecten optreden. Wanneer stemming en materiaal worden opgemerkt (dus intens zijn), worden er diepere associaties gevormd, wat geheugen ten goede komt.
De gevonden stemmingsincongruentie effecten zijn lastiger te verklaren. Het is mogelijk dat cognitieve controlestrategieën aan het werk zijn, die zich bezighouden met het reguleren van de stemmingen. Dus het ophalen van stemmingsincongruente informatie kan een poging zijn om de stemming te veranderen.
Er is ook een effect gevonden waarbij stemming bij codering van invloed is op hoe woorden ‘gekleurd’ worden. Wanneer mensen in een bepaalde stemming zijn en een lijst neutrale woorden leren, krijgen deze woorden een betekenis mee door de affectieve achtergrond (de stemming). Hierdoor werden meer woorden correct onthouden, wat een aanvulling is op de theorie dat emotioneel geladen stimuli beter onthouden worden.
Mood dependent memory
Zoals al eerder besproken, zorgt stemmingsafhankelijk geheugen dat materiaal dat geleerd wordt in een bepaalde stemming, beter opgehaald wordt wanneer iemand weer in diezelfde stemming is. Het gaat hier dus om consistentie tussen de stemmingen op het moment van coderen en het moment van ophalen.
Een studie door Bower gaf een zeer sterk effect van stemmingsafhankelijk geheugen, maar de resultaten zijn nooit goed gerepliceerd. Onderzoekers zijn het er echter wel over eens dat er bepaalde omstandigheden zijn waarin stemmingsafhankelijk geheugen vrijwel altijd voorkomt. Zo komen de effecten veel vaker voor in real-life situaties dan in het laboratorium. In deze situaties is de affectieve aard van de situatie veel saillanter en intenser. Daarnaast zijn affectieve situaties uit het echte leven vaak meer verbonden met de levensdoelen van een persoon, waardoor ze eerder geëvalueerd en geïnterpreteerd worden als significant.
Het is waarschijnlijk dat een sterkere stemming tijdens het coderen resulteert in een sterkere associatie met het materiaal. Dus als de stemming bij het ophalen hetzelfde is als de stemming met het coderen, is de stemming zelf een goede aanwijzing. Dit verklaart waarom het effect het sterkste is wanneer de stemming intens is, er is dan sprake van duidelijk aanwezige context voor het leren van het materiaal. Het effect treedt namelijk ook op wanneer in plaats van stemming, locatie of aroma wordt gebruikt als context.
Wanneer andere aanwijzingen bijna niet aanwezig zijn, geldt stemming als een belangrijke cue. Echter, wanneer er heel veel andere, sterke aanwijzingen aanwezig zijn, valt stemming daar een beetje tegen weg. Dus dit verklaart waarom het effect minder tot niet aanwezig is wanneer de stemming niet heel intens is: het valt dan weg tegen de andere cues uit de omgeving.
Eich stelde dat stemmingsafhankelijke geheugeneffecten betrouwbaar en consistent zijn, zo lang de stemmingen sterk en stabiel zijn en wanneer mensen betrokken zijn bij het actief genereren van de target-gebeurtenissen die later onthouden moeten worden. Dit is vrijwel altijd het geval in alledaagse sociale situaties, dus dit is een goede verklaring voor het feit dat het effect vaker in real-life optreedt dan in het laboratorium.
Maakt het type stemming een verschil voor het geheugen?
Uit bovenstaand onderzoek blijkt dat valentie van de stemming geen verschil maakt, maar intensiteit wel degelijk. Verder stellen Levine en Pizarro dat er gekeken moet worden naar welk doel een emotie dient. Dit is niet zomaar een kwestie van opwinding of valentie, maar hangt af van wat iemand met een emotie bereikt. Volgens deze theorie zouden emoties geheugen moeten verbeteren voor de details die het meest relevant zijn voor de motivaties die geassocieerd zijn met discrete emoties. Er is enige verwarring tussen emoties en stemmingen, maar het lijkt logisch dat verschillende stemmingen ook gerelateerd zijn aan verschillende adaptieve functies.
Zijn positieve en negatieve stemmingen geassocieerd met verschillende informatieverwerkingsstrategieën?
Er is een lijn van onderzoek die stelt dat verschillende stemmingen geassocieerd zijn met verschillende informatieverwerkingsstrategieën. Zo vertrouwen blije mensen meer op algemene kennis en stereotypes. Een blije stemming is immers een gevolg van het bereiken van een doel, dus er is geen onmiddellijk probleem dat opgelost moet worden. Negatieve stemmingen daarentegen, leiden tot meer gedetailleerde evaluatie van informatie. Deze stemmingen zijn immers veroorzaakt doordat belangrijke doelen bedreigd worden of falen.
Bij positieve stemmingen wordt assimilatie gebruikt, waarbij actieve cognitieve elaboratie van stimuli gebeurt door interne schema’s en kennisstructuren. Dit is vooral goed wanneer exploratie en creativiteit van belang zijn. Bij negatieve stemmingen daarentegen, wordt accommodatie gebruikt. Dit is een adaptief proces, waarbij gefocust wordt op de eisen van de omgeving. Dit brengt voorzichtige en gedetailleerde perceptie en analyse van stimuli met zich mee, voor wanneer er geen fouten gemaakt mogen worden.
Dit is ook van invloed op geheugen. Wanneer mensen een verhaaltje te horen krijgen waarin bepaalde gebeurtenissen in het script passen (bijvoorbeeld een verhaaltje over een restaurant waar de serveerster de menu’s op tafel legt) en andere gebeurtenissen niet (dat iemand zijn tennisracket wegzet), ‘herinneren’ mensen die in een positieve stemming waren zich later meer scriptrelevante informatie, ook als deze niet in het verhaal genoemd werd. Mensen die in een negatieve stemming waren zijn accurater in het benoemen wat wel en niet in het verhaal zat. Dit laat zien dat positieve stemming leidt tot meer vertrouwen in algemene kennis, waardoor er fouten in het geheugen sluipen.
Uit een ander onderzoek blijkt dat mensen in een blije stemming een beter geheugen hebben voor een vertelling als geheel, terwijl boze of verdrietige mensen zich meer details van het verhaal konden herinneren. Daarbij herinnerden verdrietige mensen zich meer informatie gerelateerd aan negatieve uitkomsten dan de boze mensen. Boze mensen herinnerden zich juist weer meer informatie over gestelde doelen dan de verdrietige mensen. Dit geeft weer aan dat mensen in verspillende stemmingen de neiging hebben om verschillende soorten informatie op te halen.
Wat zijn theoretische verklaringen voor stemming en geheugeninteracties?
Associatieve netwerk modellen
Het centrale idee achter associatieve netwerk theorieën is dat alle concepten en feiten die we in ons lange termijngeheugen hebben, opgeslagen zijn als knooppunten in een complex netwerk. Het concept ‘hond’ is bijvoorbeeld opgeslagen als knooppunt naast dingen als dier, blaf, bijt, Fikkie, etc. Het idee is dat wanneer een bepaald knooppunt geactiveerd wordt, er een golf door het netwerk gaat waardoor sterk gerelateerde concepten sterker geactiveerd worden dan nauwelijks gerelateerde concepten. Zo’n netwerk is een goede verklaring voor semantic priming effects. Dit houdt in dat de verwerking van een concept sneller gaat, wanneer we vlak daarvoor een gerelateerd concept hebben verwerkt.
Bower stelde dat stemmingen ook opgeslagen kunnen worden als knooppunten in zo’n netwerk, samen met andere ‘cognitieve’ concepten. Dus voor elk concept kan een reeks affectieve toestanden (emoties en stemmingen ervaring in associatie met het concept) gelinkt worden aan dit kernconcept. Dit betekent dat wanneer een bepaald concept geactiveerd wordt, er ook een bepaalde stemming geactiveerd kan worden (of andersom; door stemming wordt een concept geactiveerd). Dit model kan dus zowel stemmings-congruentie als stemmingsafhankelijk geheugen verklaren.
Er wordt vanuit gegaan dat bepaalde emotieknooppunten (verdriet) andere emotieknooppunten (blijdschap) inhiberen, waardoor het bijvoorbeeld moeilijker wordt om concepten op te halen die geassocieerd zijn met blijdschap wanneer je verdrietig bent.
Het model gaat wel uit van vrij algemene voorspellingen over stemmings-congruentie, terwijl uit ander onderzoek blijkt dat het per stemming verschilt wat voor effect er is op geheugen. Deze differentiatie kan niet goed gemaakt worden door een associatieve netwerk. Daarnaast wordt er niet ingegaan op de effecten van motivatie op stemmings-congruentie. Mensen ervaren niet zomaar passief affectieve toestanden, ze gebruiken een scala aan strategieën om deze te reguleren en positieve stemmingen vast te houden of te bereiken. Eén zo’n strategie is afleiding, waarbij mensen aan iets anders proberen te denken. Hierdoor wordt de activatiegolf door het model verstoord, waardoor de activatie van concepten gerelateerd aan de negatieve stemming geremd wordt.
Affect infusion model (AIM)
Wanneer motivaties aanwezig zijn om emoties te reguleren, komen vaak stemmingsincongruïteitseffecten voor. Het Affect Infusion Model (AIM) is bedoeld om een duidelijkere specificatie te geven van de omstandigheden waarin wel of juist niet waarschijnlijk is dat stemmingscongruentie voorkomt. Het model gaat er vanuit dat stemmingsovereenkomstige voorspellingen van associatieve netwerk modellen alleen voorkomen onder omstandigheden die een open en onbevooroordeeld zoek- en verwerkingsstrategie toelaten.
AIM identificeert vier verwerkingsstrategieën. De keuze voor een strategie is afhankelijk van eigenschappen van de taak, de persoon en de situatie als geheel. Twee van de strategieën (direct access en motivated) brengen gesloten en gerichte verwerking met zich mee, die de mogelijkheid voor affect infusion (het proces waarbij affectief saillante informatie betrokken wordt bij cognitieve en gedragsprocessen) limiteren. De twee andere strategieën daarentegen (heuristic en substantive) vragen om een meer open en constructieve verwerkingsstijl, waardoor er meer mogelijkheden zijn voor affect infusion. De verschillende strategieën bepalen dus voor een belangrijk deel de eigenschappen van affect-cognitierelaties.
AIM komt tot de onverwachte conclusie dat affect infusion vooral voorkomt wanneer diepgaandere verwerking nodig is. Dit komt doordat deze strategieën het achteloze gebruik van affectieve informatie bevorderen. Wanneer de situatie vraagt om een simpele, al bestaande respons, heeft affectieve informatie vrijwel geen impact op cognitieve verwerking. Verder gaat AIM er vanuit dat als alle andere omstandigheden hetzelfde blijven, mensen kiezen voor de simpelste verwerkingsstrategie, die het minste moeite kost.
Die vier verwerkingsstrategieën zijn als volgt:
Direct access strategy: gaat over het directe ophalen van een vooraf geprogrammeerde respons, wordt gebruikt wanneer de taak bekend is.
Motivated strategy: gestuurd door een specifiek motivationeel doel, gekenmerkt door een zeer gerichte en selectieve zoektocht naar informatie. Negatieve stemmingen kunnen deze strategie uitlokken, om de stemming te ‘repareren’.
Heuristic strategy: gebruikt wanneer er geen motivationele druk is en wanneer de taak simpel en bekend is. Affect infusion komt alleen voor als mensen affect gebruiken als heuristic cue
Substantive processing strategy: gebruikt wanneer de taak moeilijk of complex is, of wanneer het nieuw is en er geen motivationeel doel is om de verwerking te leiden. Affect infusion komt voor doordat er constructieve, creatieve processen nodig zijn.
Samengevat is de belangrijkste voorspelling van AIM de aanwezigheid van stemmingscongruentie effecten wanneer heuristic en substantive processing strategieën gebruikt worden, en de afwezigheid van affect infusion wanneer direct access of motivated processing gebruikt wordt. AIM breidt dus de associatieve netwerk motels uit, door de omstandigheden te specificeren waaronder affect infusion en dus ook mood congruent en mood dependent geheugeneffecten voorkomen.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
- Insurance for emigrants, expats and living abroad: international insurance for expats and emigrants
- Insurance for activities abroad: Backpacking Travel abroad Intern abroad Study abroad Volunteer abroad Work abroad
- Insurance: ACS Globe Traveller Caremed Insurances Expatriate Travel Insurance IMG’s GlobeHopper World Nomads Insurance SafetyWing Insurance JoHo Special ISIS verzekering NL/BE Working Nomad verzekering NL/BE More about Insurance for abroad
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results








