Oefententamen 2011 (3): Romeins Recht - Universiteit Leiden


Oefenvragen met antwoordindicaties Romeins Recht - UL

NB: de koppelingen aan de antwoorden verwijzen naar hoofdstukken uit de volgende boeken:

  • N.E. = Nova Exempla

  • BG = Beknopte Geschiedenis van het Romeins recht

  • Prota = Prota

Meerkeuzevragen

Vraag 1

Het imperium van een Romeinse magistraat omvatte:

  1. de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
  2. de wetgevende en uitvoerende, doch niet de rechterlijke macht.
  3. de uitvoerende en rechterlijke, doch niet de wetgevende macht.
  4. de wetgevende en rechterlijke, doch niet de uitvoerende macht.

Vraag 2

Het begrip ius civile heeft in de Romeinse rechtsbronnenleer een dubbele betekenis, omdat daardoor

  1. zowel het burgerlijke recht, als óók het gehele positieve Romeinse recht werd aangeduid.
  2. zowel het gehele Romeinse positieve recht, als ook een onderdeel ervan, te weten het deel dat was gebaseerd op wetten- en gewoonterecht, werd aangeduid.
  3. zowel het wetten- en gewoonterecht, als ook het op edicten gebaseerde ‘honoraire’ recht werd aangeduid.
  4. zowel het gehele Romeinse positieve recht, als ook het ius gentium werd aangeduid.

Vraag 3

De buitenproportioneel grote betekenis die in de Romeinse rechtsbronnenleer uit de tijd vóór Justinianus werd toegekend aan de opinies van rechtsgeleerden valt voornamelijk toe te schrijven aan het feit dat

  1. slechts rechtsgeleerden aan wie het ius respondendi was toegekend konden worden ingezet als rechter (iudex).
  2. tot het ambt van praetor slechts rechtsgeleerden beroepbaar waren aan wie het ius respondendi was toegekend.
  3. De rechtspraak in handen van leken was gelegd die zich richtten naar de opinies van rechtsgeleerden.
  4. De praetor in formele zin was gebonden aan de door de procespartijen ingebrachte rechtsgeleerde opinies.

Vraag 4

Het Romeinse ‘keizerschap’ was ten tijde van Augustus en zijn onmiddellijke opvolgers géén erfelijke monarchie en wel omdat het ambt berustte op

  1. een daartoe strekkend senaatsbesluit (senatus consultum) en een wet in formele zin, afkomstig van het gehele Romeinse volk (lex).
  2. een wet in formele zin, afkomstig van het gehele Romeinse volk (lex).
  3. een daartoe strekkend senaatsbesluit (senatus consultum) en een wet in formele zin, afkomstig van de vergadering der plebejers (plebiscitum).
  4. een wet in formele zin, afkomstig van de vergadering der plebejers (plebiscitum).

Vraag 5

Onder een keizerlijk ‘rescript’ (rescriptum) verstaat men

  1. een door de keizer aan een overheidsdienst of -functionaris verstrekte instructie.
  2. een door de keizer in hoger beroep gewezen vonnis.
  3. een door de keizer uitgevaardigde, algemeen verbindende verordening.
  4. een door de keizer gegeven rechtsgeleerd advies.

Vraag 6

De zogeheten ‘Antonijnse wet’ (constitutio Antoniniana) uit 212 AD bepaalde dat

  1. aan de geschriften van Stichtus dezelfde betekenis werd toegekend als aan die van Papinianus, Lupitius, Ulpianus en Modestinus.
  2. bij verschil van mening tussen de Romeinse rechtsgeleerden de voorkeur diende te worden gegeven aan de opinie van Papinianus.
  3. slechts aan de door allen gedeelde rechtsopvatting (communis opinio) van de rechtsgeleerden kracht van wet toekwam.
  4. aan alle inwoners van het Romeinse rijk, op enkele uitzonderingen na, het Romeinse burgerschap werd toegekend.

Vraag 7

Welke der onderstaande onderdelen van Justinianus’ codificatie is nog tijdens het leven van de keizer herroepen en vervangen door een nieuwe codificatie van het daarin geregelde recht?

  1. De Instituten.
  2. De Digesten, of Pandekten.
  3. De Codex Justinianus.
  4. De Novellen.

Vraag 8

Het zogeheten ‘natuurrecht’ (ius naturale) hield op een zelfstandige rechtsbron van Romeins recht te zijn door:

  1. de in opdracht van keizer Hadrianus tot stand gekomen teboekstelling van het praetorische recht door de jurist Triberius.
  2. de werking van de zogeheten ‘Citeerwet’ (lex citandi).
  3. de uitvaardiging van de Codex Theodosianus.
  4. de uitvaardiging van Justinianus’ codificatie.

Vraag 9

A(sclepius) heeft een vordering tegen B(irovius), die uit hoofde van geldlening (mutuum) een bedrag van 10.000 HS (‘sestertiën’, een Romeinse munteenheid) is verschuldigd. B(irovius) heeft zijn goede vriend C(lassicus) bereid gevonden om zich door middel van een daartoe strekkende stipulatie hoofdelijk voor deze schuld jegens A(sclepius) borg te stellen. Als B(irovius) zijn schuld niet tijdig voldoet, stelt A(sclepius) hem in gebreke en nadat is gebleken dat hij nog steeds niet bereid is te betalen, dagvaardt hij hem in rechte. B(irovius) wordt tot betaling veroordeeld, maar wordt korte tijd nadien failliet verklaard en biedt zijn schuldeiser dientengevolge geen verhaal meer. A(sclepius) wil nu verhaal zoeken op de hoofdelijke borg C(lassicus) en laat zich omtrent deze mogelijkheid adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem te verstaan geeft dat C(lassicus)

  1. als hoofdelijke borg kan worden aangesproken tot betaling van de gehele schuld.
  2. niet met vrucht door A(sclepius) kan worden aangesproken, wegens de consumptieve werking van de litis contestatio in het eerdere geding dat A(sclepius) tegen B(irovius) heeft aangespannen..
  3. niet met vrucht door A(sclepius) kan worden aangesproken, wegens de consumptieve werking van het vonnis (iudicatum) in het eerdere geding dat A(sclepius) tegen B(irovius) heeft aangespannen.
  4. als hoofdelijke borg slechts kan worden aangesproken tot betaling van de helft van de schuld.

Vraag 10

A(sclepius) is woonachtig in de Romeinse binnenstad en heeft daarom zijn paard (res mancipi) tegen een maandelijkse vergoeding van 120 ‘tesserae’ (een kleine Romeinse munteenheid) ondergebracht bij de stalhouder (stabularius) B(irovius). Als A(sclepius) enige maanden achterstallig is met de betaling van de stallingsvergoeding voor zijn paard en op zekere dag dat dier wil komen afhalen bij B(irovius), weigert deze het paard aan A(sclepius) af te geven zolang A(sclepius) zijn schuld niet heeft voldaan. Korte tijd nadien verkoopt A(sclepius) zijn paard aan C(lassicus), aan wie hij het dier door middel van mancipatio levert. C(lassicus) vordert daarop afgifte van het paard van B(irovius).

Welke der onderstaande stellingen is juist?

  1. C(lassicus) kan slechts met vrucht met de revindicatie afgifte van het paard vorderen, indien hij bereid is de stallingskosten aan B(irovius) te vergoeden.
  2. C(lassicus) kan niet met vrucht de revindicatie instellen, daar hij geen eigenaar is van het paard, en wel omdat A(sclepius) daarvan ten tijde van de levering geen bezitter was en men niet door middel van mancipatio zaken kan overdragen waarvan men géén bezitter is.
  3. C(lassicus) kan met vrucht met de revindicatie afgifte van het paard vorderen, omdat B(irovius) ten aanzien daarvan slechts een persoonlijk recht heeft, dat hij slechts tegen A(sclepius) kan inroepen.
  4. C(lassicus) kan niet met vrucht de revindicatie instellen, daar hij geen eigenaar is van het paard, en wel omdat zaken die zich in de feitelijke heerschappij van een houder bevinden slechts door middel van een traditio longa manu kunnen worden overgedragen.

Vraag 11

A(sclepius) is een aannemer (conductor operis) die een groot bouwproject in de Romeinse binnenstad in de wacht heeft kunnen slepen dat de projectontwikkelaar B(irovius) daar heeft gepland. Ter uitvoering daarvan moet A(sclepius) grote hoeveelheden marmer inkopen, die hij betrekt uit de marmergroeven van C(lassicus). A(sclepius) en zijn opdrachtgever B(irovius) zijn overeengekomen dat de opdrachtgever de leveranciers van de bouwmaterialen (dus ook C(lassicus)) zal betalen na controle van de door A(sclepius) aangeleverde rekeningen. Als het bouwproject is voltooid en B(irovius) de overeengekomen aanneemsom aan A(sclepius) heeft uitgekeerd, vordert C(lassicus) betaling van A(sclepius) van het door hem aan de aannemer verkochte marmer. A(sclepius) verwijst C(lassicus) evenwel naar B(irovius), omdat deze op zich heeft genomen de prijs voor alle bouwmaterialen, dus ook die van het geleverde marmer, uit eigen zak te zullen betalen. B(irovius), die zijn financiële mogelijkheden heeft overschat, verkeert echter in grote financiële nood en dreigt failliet te worden verklaard. C(lassicus) gaat daarom te rade bij een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat:

  1. er in dit geval sprake is van schuldoverneming, zodat C(lassicus) zijn vordering nog slechts tegen B(irovius) kan instellen.
  2. A(sclepius) en B(irovius), ten gevolge van hun overeenkomst, hoofdelijk aansprakelijk zijn geworden jegens de leveranciers van de bouwmaterialen, zodat C(lassicus) de keuze heeft wie hij daarvoor wil aanspreken.
  3. C(lassicus) zijn vordering kan verhalen op A(sclepius), omdat de tussen A(sclepius) en B(irovius) gesloten overeenkomst ten aanzien van C(lassicus) geen werking heeft.
  4. er in dit geval sprake is van contractsoverneming, zodat C(lassicus) zijn vordering nog slechts tegen B(irovius) kan instellen.

Vraag 12

A(sclepius) heeft bij de verloving (sponsalia) van zijn zoon B(irovius) met C(assia), de dochter van D(iofrus), een kostbare halsketting (res nec mancipi) geschonken aan C(assia) onder de opschortende voorwaarde van een opvolgend huwelijk met zijn zoon. De halsketting wordt, in afwachting van het huwelijk, voorlopig in bewaring gegeven aan C(assia)’s vader, D(iofrus). Ongelukkigerwijze krijgen de aanstaande echtgenoten B(irovius) en C(assia) onenigheid en de verloving wordt dientengevolge afgezegd. Korte tijd nadien huwt C(assia) met E(polus), bij welke gelegenheid zij de kostbare halsketting draagt die haar, naar zij gelooft, door haar vader (D(iofrus)) is geschonken. Het is de halsketting die door A(sclepius) aan D(iofrus) is afgegeven. Een en ander komt ter ore van A(sclepius) die daarop het kostbare kleinood terug wil. Hij gaat te rade bij een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat hij de halsketting

  1. kan terugvorderen met de revindicatie.
  2. kan terugvorderen met de revindicatie of een ongedaanmakingsvordering uit ongerechtvaardigde verrijking (condictio causa data, causa non secuta).
  3. niet kan terugvorderen, omdat C(assia) een verkrijger te goeder trouw is.
  4. niet kan terugvorderen, omdat een schenking niet éénzijdig door de schenker kan worden herroepen.

Vraag 13

A(sclepius) en B(irovius) hebben een maatschap (societas) die ten doel heeft winst te maken met de aan- en verkoop van wijnen. A(sclepius) brengt zijn transportbedrijf in de maatschap in; B(irovius) zijn loodsen (horrea) in Ostia, de haven van Rome. Op zekere dag kopen A(sclepius) en B(irovius) een enorme kar (plaustrum), bestemd voor het transport van duizendliter-vaten, van het timmerbedrijf van C(lassicus). Voor alle duidelijkheid wordt bij het bestellen van de kar bedongen dat ieder van de vennoten bevoegd is aflevering van de kar (een res nec mancipi) te vorderen. Korte tijd nadien komt B(irovius) te overlijden; hij laat twee zoons na, D(iofrus) en E(polus), die beiden, voor zover nodig, de nalatenschap van hun vader vol en zuiver hebben aanvaard. D(iofrus) ontvangt op zekere dag een tot zijn vader B(irovius) gericht schrijven van C(lassicus) dat de kar klaar is en dat die kan worden afgehaald bij C(lassicus)’ bedrijf in Ostia. D(iofrus) haalt de kar op en plaatst het transportmiddel in één van zijn loodsen, zonder daarvan bericht te geven aan A(sclepius). Niet lang daarna wordt D(iofrus) failliet verklaard. De door de praetor in het faillissement benoemde curator wil overgaan tot de verkoop van de gloednieuwe kar in de loods van de failliete D(iofrus). Daartegen verzet zich echter A(sclepius), die beweert een recht op die kar te hebben dat de curator moet respecteren. De curator laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

  1. A(sclepius) en D(iofrus) mede-eigenaren zijn van de aan D(iofrus) afgeleverde kar.
  2. A(sclepius), E(polus) en D(iofrus) mede-eigenaren zijn van de aan D(iofrus) afgeleverde kar.
  3. E(polus) en D(iofrus) mede-eigenaren zijn van de aan D(iofrus) afgeleverde kar.
  4. D(iofrus) exclusief eigenaar is van de kar.

Vraag 14

A(sclepius) en B(irovius) hebben een maatschap (societas) die ten doel heeft winst te maken met de aan- en verkoop van wijnen. A(sclepius) brengt zijn transportbedrijf in de maatschap in; B(irovius) zijn loodsen (horrea) in Ostia, de haven van Rome. Op zekere dag kopen A(sclepius) en B(irovius) een enorme kar (plaustrum), bestemd voor het transport van duizendliter-vaten, van het timmerbedrijf van C(lassicus). Voor alle duidelijkheid wordt bij het bestellen van de kar bedongen dat ieder van de vennoten bevoegd is aflevering van de kar (een res nec mancipi) te vorderen. Ter financiering van hun aankoop hebben de beide vennoten een geldlening afgesloten bij het bankiershuis D(iofrus), aan wie zij tot zekerheid bij voorbaat een bezitloos pandrecht (hypotheca) verstrekken op de door hen aangekochte kar. A(sclepius) en B(irovius) gebruiken het door hen van D(iofrus) geleende geld echter niet ter betaling van C(lassicus), maar ter aflossing van hun schulden bij diverse wijnboeren. Als daarom de vrachtwagen aan A(sclepius) en B(irovius) wordt afgeleverd, maar niet onmiddellijk wordt betaald, bedingt C(lassicus), tot zekerheid van zijn vordering op de beide vennoten, een eigendomsvoorbehoud (pactum reservati dominii) op de kar. Korte tijd nadien worden de beide maten failliet verklaard en ontstaat er een executieconflict tussen de bankier D(iofrus) en de fabrikant C(lassicus).

Welke der onderstaande stellingen is juist?

  1. De bankier heeft voorrang vóór de fabrikant, omdat zijn zekerheidsrecht eerder is gevestigd (prior tempore, potior iure).
  2. De fabrikant is eigenaar van de kar en kan die uit de failliete boedel separeren.
  3. De bankier heeft voorrang vóór de fabrikant, omdat zekerheidsrechten bij voorbaat kunnen worden gevestigd.
  4. De fabrikant heeft voorrang vóór de bankier, omdat zijn zekerheidsrecht eerder is gevestigd (prior tempore, potior iure).

Vraag 15

A(sclepius), een nogal lichtzinnig mens, heeft zijn financiële reilen en zeilen toevertrouwd aan zijn vrijgelaten slaaf B(irovius), aan wie hij een blanco volmacht heeft gegeven om zijn vermogen in zijn naam als zijn rentmeester (procurator omnium bonorum) te beheren. A(sclepius) machtigt B(irovius) eveneens alle daartoe noodzakelijke beschikkingen in zijn naam te verrichten. Op zekere dag verkoopt B(irovius) in naam van zijn werkgever een landgoed van A(sclepius) in Zuid Italië (een res mancipi) aan C(lassicus). De overdracht van het landgoed vindt op de voorgeschreven wijze plaats en C(lassicus) betaalt de overeengekomen koopprijs aan B(irovius). B(irovius) steekt de koopprijs in eigen zak en vertrekt met de noorderzon; nadien wordt taal noch teken meer van hem vernomen. Voor de afwikkeling van het débacle van zijn onbetrouwbare rentmeester maakt A(sclepius) gebruik van de diensten van de rechercheur D(iofrus), die er achter komt dat B(irovius) een landgoed heeft overgedragen zonder de daarvoor ontvangen koopprijs bij de bank van zijn werkgever af te geven. A(sclepius) vordert daarom alsnog betaling van C(lassicus). C(lassicus) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem te verstaan geeft dat hij

  1. alsnog moet betalen, aangezien er niet aan de schuldeiser is betaald; het door hem aan B(irovius) betaalde bedrag kan van deze laatste worden teruggevorderd met de actie uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti).
  2. niet meer met vrucht door A(sclepius) kan worden aangesproken, omdat hij reeds bevrijdend aan B(irovius) heeft betaald.
  3. alsnog moet betalen, aangezien er niet aan de schuldeiser is betaald; het door hem aan B(irovius) betaalde bedrag kan van deze laatste worden teruggevorderd met de delictsactie op grond van verduistering (actio furti).
  4. niet meer met vrucht door A(sclepius) kan worden aangesproken, omdat hij heeft betaald aan iemand die hij te goeder trouw voor inningsbevoegd kon en mocht houden.

Vraag 16

A(sclepius) is eigenaar van een huis te Rome (een res mancipi), dat hij in zijn testament door middel van een zogenaamd ‘vindicatie-legaat’ (legatum per vindicationem) heeft gelegateerd aan zijn nicht B(eatrix). Enige jaren later komt A(sclepius), die inmiddels naar Carthago in Noord Afrika is verhuisd, ter ore dat zijn nicht in het huwelijk is getreden met de enige zoon van A(sclepius)’s gezworen vijand P(etranus). Hij wijzigt daarom zijn testament in die zin dat hij het huis niet meer aan zijn nicht B(eatrix) legateert, maar door middel van een zogenaamd ‘damnatie-legaat’ (legatum per damnationem) legateert aan zijn neef E(gidius). Tot enige erfgenaam benoemt hij daarin, evenals in het voorafgaande testament, zijn enige zoon G(alapus). Korte tijd nadien komt A(sclepius) te overlijden. Zijn te Rome woonachtige zoon G(alapus) aanvaardt de nalatenschap van zijn vader vol en zuiver, maar doet dit op grond van het oudere testament van zijn vader, het enige dat hem bekend is. Hij stelt daarom ook, zij het met enige tegenzin, het huis in Rome ter beschikking van B(eatrix). Enige maanden nadien komt G(alapus) erachter dat zijn vader een jonger testament heeft gemaakt, waarin het huis niet per vindicationem aan B(eatrix), maar per damnationem aan E(gidius) is gelegateerd.

Welke der onderstaande stellingen omtrent dit geval is juist?

  1. G(alapus) beschikt over de revindicatie tegen B(eatrix) en E(gidius) over een (persoonlijke) vordering op grond van het testament (actio testamenti) tegen G(alapus).
  2. E(gidius) beschikt over de revindicatie tegen B(eatrix).
  3. G(alapus) beschikt over de vordering uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti) tegen B(eatrix) en E(gidius) over een (persoonlijke) vordering op grond van het testament (actio testamenti) tegen G(alapus).
  4. E(gidius) beschikt over de ‘condictie zonder oorzaak’ (condictio sine causa) tegen B(eatrix).

Vraag 17

A(sclepius) heeft een vordering tegen B(irovius), die uit hoofde van een geldlening een bedrag van 5.000 HS (‘sestertiën’, een Romeinse munteenheid) aan hem is verschuldigd. A(sclepius) heeft echter zelf een schuld, ten belope van hetzelfde bedrag, bij C(lassicus). Hij draagt daarom zijn vordering op B(irovius), bij wijze van inbetalinggeving (in solutum datio), door middel van de verlening van een onherroepelijke volmacht tot inning (‘cessie-mandaat’) over aan C(lassicus). Van deze transactie wordt geen mededeling gedaan aan de debiteur van de aldus ‘gecedeerde’ vordering, B(irovius). Enige tijd nadien verkoopt B(irovius) de kostbare inboedel van zijn villa te Baiae, een luxe Romeinse vakantieoord nabij Napels, aan A(sclepius) voor de prijs van 5.000 HS; A(sclepius) en B(irovius) zijn daarbij overeengekomen dat de koopprijs wordt verrekend met de geldschuld van B(irovius) bij A(sclepius). Korte tijd nadien wordt B(irovius) aangesproken door C(lassicus); hij beroept zich tegen deze vordering op de met A(sclepius) getroffen regeling. C(lassicus) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem te verstaan geeft dat hij

  1. met vrucht betaling van B(irovius) kan vorderen, omdat hij geen partij is geweest bij de tussen A(sclepius) en B(irovius) gesloten overeenkomst, zodat de inhoud daarvan niet aan hem kan worden tegengeworpen.
  2. niet met vrucht betaling van B(irovius) kan vorderen, omdat de verbintenis inmiddels door verrekening teniet is gegaan.
  3. met vrucht betaling van B(irovius) kan vorderen, omdat A(sclepius) na de verlening van de onherroepelijke volmacht tot inning niet meer over de vordering tegen B(irovius) kan beschikken.
  4. niet met vrucht betaling van B(irovius) kan vorderen, omdat deze te goeder trouw heeft kunnen en mogen aannemen dat A(sclepius) nog steeds bevoegd was om over zijn vorderingsrecht te beschikken.

Vraag 18

A(sclepius), een verwoed kunstverzamelaar, is eigenaar van een buitengewoon kostbaar beeld (een res nec mancipi) van de Griekse kunstenaar Kremanti; hij heeft dat beeld tegen diefstal verzekerd bij zijn bankier B(irovius), die bij stipulatie heeft beloofd een bedrag van 100.000 HS (‘sestertiën’, een Romeinse munteenheid) aan A(sclepius) uit te keren indien het beeld mocht worden gestolen. Als tegenprestatie heeft A(sclepius), eveneens bij stipulatie, toegezegd gedurende een periode van vijf jaren maandelijks een som 500 HS aan B(irovius) uit te keren. Er is tevens overeengekomen dat het beeld na een eventuele diefstal, bij uitkering van de verzekeringssom, in eigendom zal overgaan op B(irovius). In verband daarmee levert A(sclepius) het beeld reeds bij voorbaat aan B(irovius) door middel van constitutum possessorium. Twee jaren na het sluiten van deze overeenkomst wordt het beeld gestolen. B(irovius) keert daarop 100.000 HS uit aan de curator in het faillissement van de reeds vóór de diefstal failliet verklaarde A(sclepius). Als korte tijd nadien het beeld wordt teruggevonden, ontstaat een conflict tussen de curator in het faillissement van A(sclepius) en de bankier B(irovius) omtrent de eigendom van het beeld. Zij leggen hun geschil ter beslissing voor aan een rechtsgeleerde arbiter die vaststelt dat het beeld

  1. eigendom is van B(irovius), omdat het reeds vóór het faillissement van A(sclepius) aan hem in eigendom was overgedragen.
  2. eigendom is van A(sclepius), omdat deze door de diefstal van het beeld niet (meer) in staat was het bezit daarvan aan B(irovius) te verschaffen.
  3. eigendom is van B(irovius), omdat op het tijdstip van de diefstal (en de verzekeringsuitkering) de opschortende voorwaarde is ingetreden waaraan de verkrijging van zijn eigendom was onderworpen.
  4. eigendom is van A(sclepius), omdat deze, nadat hij in staat van faillissement is verklaard, niet meer ten nadele van zijn schuldeisers over zijn eigendom kan beschikken.

Vraag 19

De wegens zijn losbandige levensstijl beruchte en steenrijke Romeinse senator B(ravialus) raakt betrokken bij een zedenschandaal; hij wordt ervan verdacht geslachtsverkeer te hebben gehad met de minderjarige dame C(orporatis) en wordt dientengevolge, op aangifte van zijn echtgenote, strafrechtelijk vervolgd op grond van keizer Augustus’ uiterst strenge kuisheidswetgeving (leges Juliae de adulteriis). Tijdens de procedure wordt C(orporatis) gehoord als getuige; zij verklaart onder ede, maar in strijd met de waarheid, de senator slechts van dienst te zijn geweest als onbezoldigd psychotherapeutisch dienstverlener. De senator, die aan C(orporatis), in ruil voor haar bereidheid meineed te plegen, de lieve som van 1.500.000 HS (‘sestertiën’, een Romeinse munteenheid) heeft uitbetaald, wordt daarop wegens het ontbreken van bewijs vrijgesproken. B(ravialus) bezint zich nadien op de mogelijkheid of hij op enigerlei wijze de door hem aan C(orporatis) betaalde geldsom kan terugvorderen. Hij gaat te rade bij een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

  1. de betaling is geschied ter uitvoering van een nietige overeenkomst en dientengevolge als onverschuldigd betaald met de actie uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti) kan worden teruggevorderd.
  2. de betaling weliswaar is geschied op grond van een nietige overeenkomst, maar niet kan worden teruggevorderd en wel omdat de tegenprestatie niet meer ongedaan gemaakt kan worden.
  3. de betaling is geschied ter uitvoering van een overeenkomst die in strijd is met de goede zeden en dientengevolge als onverschuldigd betaald met de actie op grond van een onzedelijke oorzaak (condictio ob turpem causam) kan worden teruggevorderd.
  4. de betaling weliswaar is geschied op grond van een nietige overeenkomst, maar niet kan worden teruggevorderd en wel omdat de senator zich daartoe op zijn eigen onzedelijke gedrag (uitlokken van meineed) moet beroepen.

Vraag 20

Welke der onderstaande obligatoire overeenkomsten van het Romeinse recht dient als een onvolmaakt wederkerige overeenkomst te worden gekwalificeerd?

  1. Verbruikleen (mutuum).
  2. Bewaargeving (depositum).
  3. Koop en verkoop (emptio venditio).
  4. Maatschap (societas).

Antwoordindicatie

1. A (Zie 13, 20, 21 Beknopte Geschiedenis)

6. D (Zie 51, 52, 53 BG)

11. C (Zie V3, V37 Prota)

16. A (Zie V4, V18, V62 Prota)

2. B (Zie 23, 24 BG)

7. C (Zie 75, 76 BG)

12. A (Zie V32 Prota)

17. B (Zie V58 Prota)

3. C (Zie 28, 29 BG)

8. D (Zie 8 BG)

13. D (Zie G14, G20 Prota)

18. D (Zie G34 Prota)

4. C (Zie 33, 34 BG)

9. B (Zie V7, V55 Prota)

14. B (Zie G23, G68, V47, V57 Prota)

19. D (Zie V4, V18, V62 Prota)

5. D (Zie 42 BG)

10. C (Zie G40 Prota)

15. B (Zie V4, V18, V62 Prota)

20. B (Zie V34, V42, V56 Prota)

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.