Oefententamen 2011 (1): Romeins Recht - Universiteit Leiden


Oefenvragen met antwoordindicaties Romeins Recht - UL

NB: de koppelingen aan de antwoorden verwijzen naar hoofdstukken uit de volgende boeken:

  • N.E. = Nova Exempla

  • BG = Beknopte Geschiedenis van het Romeins recht

  • Prota = Prota

Meerkeuzevragen

Vraag 1

Gedurende de periode in de Romeinse geschiedenis die bekend staat als de ‘koningstijd’ werd, naar het eenstemmige oordeel van de Romeinse kroniekschrijvers, de koning opgevolgd door

  1. degene die door de volksvergadering was gekozen.
  2. zijn oudste zoon.
  3. degene die door de senaat was aangewezen.
  4. zijn testamentaire erfgenaam.

Vraag 2

Ten tijde van de Romeinse ‘Republiek’ kon de rechtskracht van een ‘wet in formele zin’ (lex of plebiscitum) worden beperkt door

  1. een ‘edict’ (edictum) van een ‘volkstribuun’ (tribunus plebis).
  2. een contrair besluit van het college van staatspriesters (pontifices).
  3. een contrair senaatsbesluit (senatus consultum).
  4. een ‘edict’ (edictum) van een magistraat ‘met souverein gezag’ (cum imperio).

Vraag 3

De vertaling ‘volkstribuun’ voor een Romeinse tribunus plebis is misleidend, omdat hij

  1. slechts met toestemming van de senaat wetten kon uitvaardigen die bindend waren voor het gehele volk.
  2. niet het gehele Romeinse volk vertegenwoordigde.
  3. slechts met toestemming van een consul wetten kon uitvaardigen die bindend waren voor het gehele volk.
  4. niet de senaat vertegenwoordigde.

Vraag 4

Op welke der onderstaande ‘Republikeinse’ bevoegdheden berustte in het staatsrecht van de Romeinse keizertijd het gezag van de keizer binnen de stad Rome?

  1. De souvereiniteit (imperium) die aan het consulaat was verbonden.
  2. Het gezag (auctoritas) dat aan het opperpriesterschap was verbonden.
  3. Het gezag (auctoritas) dat aan het voorzitterschap van de senaat was verbonden.
  4. De macht (potestas) die aan het volkstribunaat was verbonden.

Vraag 5

Het ambt van ‘vreemdelingen-praetor’ (praetor peregrinus) was in Rome goeddeels overbodig geworden nadat

  1. Triberius in opdracht van keizer Hadrianus het ‘eeuwige edict’ (edictum perpetuum) had gecodificeerd.
  2. het ius gentium door keizer Justinianus als rechtsbron was vervangen door de wet.
  3. keizer Caracalla in 212 n. Chr. de zogeheten ‘Antonijnse wet’ (constitutio Antoniniana) had uitgevaardigd.
  4. Gallicus Federius de uitleg van de ‘Wet van de Twaalf Tafelen’ (Lex XII Tabularum) bekend had gemaakt.

Vraag 6

Welke der onderstaande rechtsboeken maakt in formele zin géén onderdeel uit van Justinianus’ codificatie?

  1. De Codex.
  2. De Digesten.
  3. De Instituten.
  4. De Novellen.

Vraag 7

Onder een zogeheten ‘interpolatie’ verstaat men

  1. de uitleg van een bepaling uit het Corpus Iuris door een middeleeuwse hoogleraar.
  2. de aanpassing van een tekst uit het klassieke Romeinse recht door Justinianus’ codificatiecommissie.
  3. de uitleg van een bepaling uit het Corpus Iuris door een keizerlijke rechter.
  4. de aanpassing van een tekst uit het Corpus Iuris door een middeleeuwse keizer van het Heilige Romeinse Rijk.

Vraag 8

Het in de Middeleeuwen gerecipieerde Romeinse recht staat ook wel bekend als het ‘geleerde’ recht, omdat

  1. in de Italiaanse steden slechts hoogleraren als rechter konden worden aangesteld.
  2. in de Middeleeuwen vonnissen als regel niet werden gemotiveerd, zodat men de uitleg van het Corpus Iuris slechts kon kennen uit de commentaren van hoogleraren.
  3. de middeleeuwse keizers van het Heilige Romeinse Rijk slechts hoogleraren tot rechters benoemden.
  4. het belangrijkste onderdeel van het Corpus Iuris, de Digesten, bestaat uit een bloemlezing uit de geschriften van Romeinse rechtsgeleerden.

Vraag 9

A(sclepius) heeft een vordering van 10.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) op B(irovius) en dagvaardt hem voor de praetor. B(irovius) laat verstek gaan. Dit heeft tot gevolg dat

  1. de praetor de vordering van A(sclepius) toewijst, omdat verstek van de gedaagde geldt als bekentenis (confessio).
  2. de gedaagde indefensus werd verklaard, waarop beslag op zijn gehele vermogen (missio in bona) volgt.
  3. de praetor A(sclepius) doorverwijst naar een iudex die de vordering van A(sclepius) toewijst.
  4. de praetor de vordering van A(sclepius) afwijst (denegatio actionis).

Vraag 10

A(rianus) heeft een paard verkocht aan B(lapius) voor de prijs van 10.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Enkele maanden nadat hij dat paard op de daarvoor voorgeschreven wijze aan B(lapius) heeft overgedragen en afgeleverd, is de koopprijs nog steeds niet betaald. Nadat B(lapius) enkele malen zonder succes door A(rianus) in gebreke is gesteld, komt het tot een procedure, waarbij A(rianus) van B(lapius) de koopprijs, vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde rente, vordert. B(lapius) verweert zich tegen deze eis door te stellen (en te bewijzen) dat er geen rentebeding is gemaakt, zodat hij niet kan worden veroordeeld tot het betalen van rente.

De rechter die over de zaak moet oordelen legt de zaak voor aan een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

  1. B(lapius) slechts tot betaling van de koopsom moet worden veroordeeld, omdat er geen rente is bedongen en het een overeenkomst ‘naar streng recht’ (stricti iuris) betreft.
  2. A(rianus) met de door hem ingestelde ‘actie uit verkoop’ (actio venditi) slechts betaling van de koopprijs kan vorderen; voor de betaling van de rente dient hij een afzonderlijke rechtsvordering op grond van ongegronde verrijking (condictio) in te stellen.
  3. B(lapius) tot betaling van de koopsom, vermeerderd met de rente, moet worden veroordeeld, omdat het een overeenkomst betreft die in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid (bona fides) ten uitvoer moet worden gelegd.
  4. A(rianus) met de door hem ingestelde ‘actie uit verkoop’ (actio venditi) slechts betaling van de koopprijs kan vorderen; voor de betaling van de rente dient hij een afzonderlijke rechtsvordering op grond van onrechtmatige daad (delictum) in te stellen.

Vraag 11

A(ricitus) heeft een stuk grond in Italië voor de duur van vijftig jaren in erfpacht (emphyteusis) gegeven aan B(urtianus). Als A(ricitus) drie jaren nadien besluit naar de bloeiende Romeinse provincie Mauretania (Marokko) te verhuizen, draagt hij al zijn Italiaanse bezittingen (waaronder ook de grond die aan B(urtianus) in erfpacht is gegeven) over aan C(lassicus). C(lassicus) wil de grond die in gebruik is bij B(urtianus) onmiddellijk in exploitatie nemen en vordert met de rei vindicatio ontruiming.

C(lassicus) laat zich over zijn rechtspositie voorlichten door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat:

  1. de overdracht aan C(lassicus) nietig is ten aanzien van de in erfpacht gegeven grond, omdat een eigenaar niet meer bevoegd is om te beschikken over een zaak waarop een (beperkt) zakelijk recht is gevestigd.
  2. de overdracht van de in erfpacht gegeven grond geldig is, zodat B(urtianus) slechts beschikt over een vordering uit wanprestatie tegen A(ricitus).
  3. de overdracht aan C(lassicus) nietig is ten aanzien van de in erfpacht gegeven grond, omdat de daaraan ten grondslag liggende titel nietig is.
  4. de overdracht van de in erfpacht gegeven grond geldig is, maar geen nadelig effect heeft op het gebruiksrecht van B(urtianus), omdat het een zakelijk recht betreft.

Vraag 12

A(nikerus) heeft op 1 januari van het jaar 755 ná de stichting van de stad (1 n. Chr) 10.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) geleend van G(emalius); voor die schuld heeft C(lodius) zich hoofdelijk borg gesteld. Op 2 februari van het jaar 756 ( 2 n. Chr.) leent A(nikerus) 20.000 HS van D(ranicatus), voor welke schuld hij ten gunste van D(ranicatus) een hypotheek vestigt op zijn huis. Weer een jaar later leent A(nikerus) een bedrag van 30.000 HS van E(polus); de lening is na drie maanden opeisbaar. Een half jaar later wordt A(nikerus) failliet verklaard. Het blijkt dan dat hij één maand voordien de helft van zijn lening van E(polus) heeft afgelost.

Welke van de navolgende stellingen over deze feiten is juist?

  1. De betaling aan E(polus) is nietig, omdat een debiteur allereerst dient te betalen aan een crediteur met een zakelijk zekerheidsrecht (D(ranicatus)).
  2. De betaling aan E(polus) is geldig, maar G(emalius) kan haar op grond van schuldeisersbenadeling met de actio Pauliana aantasten.
  3. De betaling aan E(polus) is nietig, omdat een debiteur zijn crediteuren in rangorde van de ouderdom van hun vorderingsrecht dient te voldoen.
  4. De betaling aan E(polus) is geldig en is ook niet ‘Paulianeus’, omdat het niet om een onverplichte rechtshandeling gaat.

Vraag 13

A(tractius)) is eigenaar van een bijzondere pottenbakkersschijf (een res nec mancipi) die hij voor de duur van drie jaren heeft verhuurd aan de pottenbakker B(rasicus). B(rasicus) heeft de schijf, zonder toestemming van A(tractius)), verhuurd aan C(laudius), die denkt dat de schijf eigendom van B(rasicus) is. Enige tijd nadien koopt C(laudius) de door hem van B(rasicus) gehuurde schijf van B(rasicus), die de schijf brevi manu aan hem levert. Drie jaren later wil A(tractius)) zijn schijf terug. B(rasicus) blijkt met de noorderzon te zijn vertrokken en A(tractius)) vordert daarom met de rei vindicatio van C(laudius) afgifte van de schijf.

A(tractius)) laat zich over zijn rechtspositie voorlichten door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

  1. C(laudius) eigenaar is geworden, omdat hij gedurende drie jaar te goeder trouw en krachtens een geldige titel in het bezit van de schijf is geweest.
  2. C(laudius) geen eigenaar is geworden, omdat B(rasicus), als houder voor A(tractius)), niet in staat was om hem het bezit te verschaffen.
  3. C(laudius) eigenaar is geworden op het tijdstip waarop B(rasicus) de schijf aan C(laudius) heeft geleverd.
  4. C(laudius) geen eigenaar is geworden, omdat het om een zaak gaat die niet vatbaar is voor verjaring.

Vraag 14

A(gricatus) en B(retalius) zijn mede-eigenaren van het renpaard Fasterius (een res mancipi). Het paard doet het erg goed in de races en op zekere dag doet daarom de steenrijke ondernemer P(elenopus) een bod op het paard. Het wordt door A(gricatus) geaccepteerd, maar door B(retalius) verworpen. P(elenopus) weet daarop A(gricatus) te bewegen zijn aandeel in het paard te verkopen en op de voorgeschreven wijze aan hem over te dragen. B(retalius) wil onder geen beding afstand doen van zijn aandeel.

P(elenopus) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

  1. hij nimmer tegen de wil van B(retalius) de exclusieve eigendom van het paard kan verwerven, omdat die niet kan worden gedwongen om zijn aandeel aan hem te verkopen.
  2. de overdracht door A(gricatus) nietig is, omdat deze slechts met toestemming van de andere eigenaar (B(retalius)) over zijn aandeel kan beschikken.
  3. hij met vrucht een scheiding- en delingsprocedure (actio communi dividundo) kan instellen tegen B(retalius), omdat niemand kan worden gedwongen om tegen zijn zin in een gemeenschap te blijven.
  4. de overdracht door A(gricatus) nietig is, omdat men van een onlichamelijke zaak, zoals een onverdeeld aandeel in een gemeenschappelijke zaak, geen bezit kan verschaffen.

Vraag 15

De Alexandrijnse graanhandelaar A(startus) heeft een lading graan verkocht aan de Romeinse graanimporteur H(eliterus) voor de prijs van 48.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Er is afgesproken dat het graan te Ostia (de haven van Rome) zal worden afgeleverd en betaald aan de kapitein van het schip ‘Het Kuipje’ (Cygnus), dat eigendom is van A(startus). Als het schip zijn graan in Ostia heeft afgeleverd, meldt zich ten kantore van H(eliterus) een zeeman die zich afficheert als de kapitein van het schip en die zelfs een (vervalste) volmacht van A(startus) weet te produceren die hem machtigt betaling namens A(startus) in ontvangst te nemen. H(eliterus) betaalt daarop het overeengekomen bedrag aan de zeeman. Enige uren nadien meldt zich ten kantore van H(eliterus) een andere zeeman die zich óók afficheert als de kapitein van het schip en die zelfs een (echte) volmacht van A(startus) weet te produceren die hem machtigt betaling namens A(startus) in ontvangst te nemen. H(eliterus) weigert aan hem te betalen, waarop hij namens A(startus) in rechte wordt gedagvaard door één van diens vertegenwoordigers in Rome.

B(oetius) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

  1. hij nog een keer moet betalen, omdat men slechts bevrijdend kan betalen aan zijn schuldeiser of iemand die namens deze bevoegd is om betaling in ontvangst te nemen.
  2. bevrijdend heeft betaald, omdat hij niet wist of kon weten dat degene aan wie hij had betaald niet bevoegd was om namens zijn contractspartij betaling in ontvangst te nemen.
  3. hij nog een keer moet betalen, maar zich van die verplichting kan ontslaan door zijn vordering uit onverschuldigde betaling tegen de oplichter aan zijn schuldeiser te cederen.
  4. bevrijdend heeft betaald, omdat in gevallen zoals dit de schuldeiser het risico dient te aanvaarden dat aan de verkeerde persoon wordt betaald.

Vraag 16

I. Alle verbintenisscheppende overeenkomsten van het Romeinse recht dienden, op straffe van nietigheid, te berusten op wilsovereenstemming (consensus).

II. Niet elke wilsovereenstemming schiep in het Romeinse recht een in rechte afdwingbare overeenkomst.

  1. Stelling I is juist, stelling II is juist.
  2. Stelling I is juist, stelling II is onjuist,
  3. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.
  4. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

Vraag 17

R(epertianus) heeft een vordering uit geldlening tegen O(travus) tot betaling van 100.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Hij heeft, enige tijd vóórdat hij een geldlening verstrekte aan O(travus), een paard gekocht van diens zoon C(lodius) voor de prijs van 80.000 HS. Deze koopprijs is nog steeds niet betaald als O(travus) komt te overlijden zonder een testament na te laten. Hij heeft twee zoons, C(lodius) en P(etranus), die – voorzover nodig – de nalatenschap vol en zuiver hebben aanvaard. P(etranus) betaalt, daartoe aangesproken door R(epertianus), 100.000 HS aan R(epertianus).

Over welke rechtsmiddelen beschikt P(etranus) tegen R(epertianus)?

  1. Omdat de broers hoofdelijk jegens R(epertianus) aansprakelijk zijn, beschikt P(etranus) over geen enkel rechtsmiddel jegens R(epertianus).
  2. Omdat vorderingen en schulden van rechtswege worden verdeeld over de erfgenamen, kan P(etranus) met vrucht 50.000 HS van R(epertianus) terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling.
  3. Omdat de broers hoofdelijk jegens R(epertianus) aansprakelijk zijn, kan P(etranus) met vrucht 20.000 HS van R(epertianus) terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling.
  4. Omdat vorderingen en schulden van rechtswege worden verdeeld over de erfgenamen, kan P(etranus) met vrucht 10.000 HS van R(epertianus) terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling.

Vraag 18

L(icegius) heeft een tweetal trekpaarden verhuurd aan G(emalius) voor de duur van een jaar. Een maand nadien, komt G(emalius) te overlijden. Hij heeft één zoon, zijn erfgenaam D(iofrus). Deze denkt dat de trekpaarden eigendom zijn van zijn vader en verkoopt en levert de dieren op de voorgeschreven wijze onmiddellijk na de dood van zijn vader aan E(polus), die meent dat de verkoper eigenaar is van de paarden.

Welke van de onderstaande uitlatingen over de rechtspositie van E(polus) is juist?

  1. E(polus) is bezitter van de paarden, maar kan niet door middel van verkrijgende verjaring eigenaar worden.
  2. E(polus) is eigenaar van de paarden, omdat hij te goeder trouw, op grond van een geldige titel en op de voorgeschreven wijze geleverd heeft gekregen.
  3. E(polus) is Publiciaans bezitter van de paarden.
  4. E(polus) is geen bezitter van de paarden, omdat het bezit hem niet kan worden verschaft door iemand die zelf geen bezitter is.

Vraag 19

I. Iedere verjaringsbezitter is ‘Publiciaans’ bezitter.

II. Iedere ‘praetorische’ eigenaar is verjaringsbezitter.

  1. Stelling I is juist, stelling II is juist.
  2. Stelling I is juist, stelling II is onjuist,
  3. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.
  4. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

Vraag 20

N(ectrus) is eigenaar van een kostbaar schilderij, dat hij in bruikleen heeft gegeven aan de galeriehouder B(lapius) op voorwaarde dat deze hem voor het verlies van het schilderij schadeloos zal stellen, zelfs indien dat teniet mocht gaan door omstandigheden die niet aan B(lapius) zijn toe te rekenen. B(lapius) heeft daarom een overeenkomst (stipulatie) gesloten met C(anisius) dat deze de waarde van het schilderij zal uitkeren aan N(ectrus), als dat door omstandigheden die niet aan B(lapius) zijn toe te rekenen teniet mocht gaan. Korte tijd nadien breekt er brand uit in de straat waar zich de galerie van B(lapius) bevindt; de brand slaat over naar de galerie van B(lapius) en het schilderij van N(ectrus) gaat dientengevolge verloren.

Welke van de onderstaande uitlatingen over de rechtspositie van N(ectrus) is juist?

  1. N(ectrus) heeft een vordering tegen C(anisius) tot uitkering van de waarde van het schilderij.
  2. N(ectrus) heeft geen vordering tegen B(lapius), omdat men niet bij overeenkomst kan afwijken van de risicoregels.
  3. N(ectrus) heeft een vordering tegen B(lapius) tot uitkering van de waarde van het schilderij.
  4. N(ectrus) heeft geen vordering tegen B(lapius), omdat deze hem met vrucht kan verwijzen naar C(anisius).

Open vragen

Casus 1

naar D. 18.1.16

(Hectradus, libro nono ad Sabinum)

A(tractius) is eigenaar van een kostbare ring die hij in het badhuis heeft verloren. Enige tijd nadien ziet hij bij een handelaar in tweedehands juwelen een ring die als twee druppels water lijkt op de ring die hij heeft verloren. Hij koopt de ring voor het aanzienlijke bedrag van 25.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Thuis aangekomen, bestudeert hij de ring nauwkeuriger en komt tot de conclusie dat hij zijn eigen ring heeft gekocht. Hij vordert nu van de handelaar de door hem betaalde koopsom terug met een vordering uit onverschuldigde betaling omdat hij al eigenaar was van de zaak die hij had gekocht.

U bent de rechtsgeleerde bijstand van de handelaar en verzint een argument op basis waarvan de betaling van de koopprijs in dit geval niet als onverschuldigd kan worden aangemerkt.

Casus 2

naar D. 20.4.9 pr.

(Triticus, libro octavo quaestionum)

V(eradus) heeft per 1 juli een badhuis gehuurd van L(octurus) en tot zekerheid voor de betaling van de huurpenningen aan L(octurus) een recht van vuistpand verleend op de slaaf Dolinius, die in het badhuis zal worden tewerkgesteld. Nadien, maar vóór 1 juli, verleent V(eradus) een hypotheek op Dolinius aan Q(utus) tot zekerheid van een geldlening die V(eradus) bij haar heeft afgesloten. Op 1 augustus raakt V(eradus) in verzuim met de aflossing van zijn geldlening bij Q(utus), die vervolgens een procedure begint tegen L(octurus) tot afgifte van de slaaf.

Wie van beide crediteuren, L(octurus) of Q(utus), heeft het sterkste recht op de slaaf?

Casus 3

naar C. 8.54(55).3

(de keizers Diocletianus en Maximianus aan Julia Marcella, 290 a.D.)

Een familielid van Julia Marcella had een schenking verricht aan haar neef, onder het beding dat, als deze neef de leeftijd van 25 jaar had bereikt, de geschonken zaak (een landgoed) moest worden afgestaan aan Julia Marcella. De neef accepteerde de schenking onder dit beding. Na het bereiken van het vijfentwintigste levensjaar weigert hij evenwel uitvoering te geven aan zijn belofte. De nabestaanden van de inmiddels overleden schenker zijn daarin niet meer geïnteresseerd en willen Julia Marcella niet bijstaan. Zij vraagt nu aan de keizer of zij zelf met vrucht in rechte de nakoming kan afdwingen van het ten behoeve van haar gemaakte beding.

Wat zullen de keizers haar te verstaan hebben gegeven?

Casus 4

naar D. 17.1.16

(Ulpianus, libro trigensimo primo ad edictum)

De rijke Mercatorus Holverus is goed bevriend met zijn lijfarts, Ginaecus. Ieder jaar volgt hij een kuur op het landgoed van de arts nabij Pisa. Om zijn verblijf te veraangenamen, geeft hij aan Ginaecus opdracht om in alle gebouwen vloerverwarmingen (hypocausta) aan te leggen. Nadat het werk is voltooid, komt Mercatorus te overlijden. Zijn erfgenaam Maniatus heeft geen belang bij een kuuroord met vloerverwaring en weigert alle kosten van de verbouwing aan Ginaecus te vergoeden. Hij voert daartoe aan dat de opdracht met de dood van Mercatorus is vervallen; en dat het landgoed van Ginaecus bovendien in meer waard is geworden door de verbouwing, zodat de arts niets te vorderen heeft.

Het geval werd voorgelegd aan de jurist Celsus. Hoe zal deze jurist hebben geoordeeld over de twee verweren van de erfgenaam Maniatus?

Antwoordindicatie

Meerkeuzevragen

1. A (Zie 13-17 Beknopte Geschiedenis)

6. D (Zie 59 ev. BG)

11. D (Zie G66 Prota)

16. A (Zie V22, V36 Prota)

2. D (Zie 18-29 BG)

7. B (Zie 69, 72 BG)

12. D (Zie G23, G68, V47, V57, P20, V30, Exempla V)

17. B (Zie E1, E3 Prota)

3. B (Zie 18 BG)

8. B (Zie 3, 9 BG)

13. D (Zie G26-36 Prota en Exempla I & III)

18. C (Zie G27, G31-32, G52 Prota en Exempla II)

4. D (Zie 46-47 BG)

9. B (Zie P7, P8 Prota)

14. C (Zie G14, G20 Prota)

19. A (Zie G28 ev. Prota)

5. C (Zie 21, 25, 26, 27, 31 BG)

10 C (Zie G11, V41, V43 Prota)

15. A (Zie V9 Prota)

20. C (Zie V42 Prota)

 

Open vragen

1. De betaling is verschuldigd omdat de koopovereenkomst tussen Arruns en de handelaar volstrekt geldig is. Er is in dit geval géén sprake van een condictio causa data causa non secuta omdat Arruns precies datgene heeft verkregen waarvoor hij heeft gecontracteerd: het bezit van de ring. De overeenkomst van koop verplicht naar Romeins recht immers niet tot eigendomsoverdracht, maar tot verschaffing van het (ongestoorde) bezit van de zaak. (Zie V4, V18, V62 (Prota))

2. L(octurus) heeft het sterkste recht op de slaaf zodat hij afgifte aan Q(utus) kan weigeren. Naar Romeins recht kan een zekerheidsrecht óók geldig worden gevestigd voor een toekomstige vordering (vgl. art. 3:231 BW). Het zekerheidsrecht van L(octurus) is derhalve eerder gevestigd en daarom sterker. (Zie G69, G3, G68, G70 (Prota))

3. Een beding ten behoeve van een derde-begunstigde is naar Romeins recht niet afdwingbaar door de begunstigde. Overeenkomsten werken immers slechts tussen partijen. Julia Marcella is bij de overeenkomst in kwestie géén partij en kan daarom de naleving ervan niet in rechte afdwingen. (Zie V59 (Prota))

4. De opdracht (mandatum) tot verbouwing is weliswaar vervallen door de dood van de opdrachtgever, maar aangezien er voordien reeds begonnen was met de uitvoering van de opdracht, kan de arts procederen tegen de erfgenaam voor de kosten die zijn gerezen bij de uitvoering. Bij de berekening daarvan moet echter rekening worden gehouden met de waardestijging van het landgoed. Alleen de meerkosten kunnen dus worden gevorderd met de actio mandati (contraria). (Zie E1, E3 (Prota))

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer