Oefententamen 2015 (2): Romeins Recht - Universiteit Leiden


Oefenvragen met antwoordindicaties Romeins Recht - UL

NB: de koppelingen aan de antwoorden verwijzen naar hoofdstukken uit de volgende boeken:

  • N.E. = Nova Exempla

  • BG = Beknopte Geschiedenis van het Romeins recht

  • Prota = Prota

Meerkeuzevragen

Vraag 1

Het regeringsprogramma van ‘keizer’ Augustus (63 v. Chr. – 14 n. Chr.) bestond in naam uit het herstel van de oude staatsinstellingen van de Republiek. Hoe wist hij desondanks een centrale plaats in het nieuwe staatsbestel van het principaat (de Keizertijd) te verwerven?

  1. Hij werd volkstribuun voor het leven met de macht van een propraetor (oud-praetor).
  2. Hij werd dictator voor het leven met de macht van een koning.
  3. Hij werd senator voor het leven met de macht van een consul.
  4. Hij werd proconsul (oud-consul) voor het leven met de macht van een volkstribuun.

Vraag 2

Wat gebeurde er wanneer de procesovereenkomst gesloten werd? (litis contestatio)?

  1. Het vonnis van de lekenrechter (iudex privatus) kon vanaf dit moment worden geëxecuteerd.
  2. De verliezende partij in het geding raakte vanaf dit moment proceskosten verschuldigd.
  3. De gedaagde kon zich vanaf dit moment niet langer van aansprakelijkheid ontslaan door de betwiste zaak af te staan of zijn schuld te betalen.
  4. De inhoud van het procesformulier (formula) was vanaf dit moment onveranderlijk.

Vraag 3

Het Romeinse ius civile kon slechts met moeite worden aangepast. Waarvan behoefde het daarom ondersteuning, aanvulling en correctie?

  1. Het recht dat door magistraten werd uitgevaardigd gedurende hun ambtstermijn (ius honorarium).
  2. De rechtsgeleerde opinies van juristen aan wier mening gewicht toekwam (ius respondendi).
  3. Het recht dat gemeen was aan alle beschaafde volkeren (ius gentium).
  4. De zeden en gewoonten van het Romeinse volk (consuetudo).

Vraag 4

Bublicus heeft aan zijn debiteur Entradus opdracht gegeven om Entradus’ schuld te voldoen door 8.000 sestertiën te betalen aan Federius, de bankier van Bublicus. Als Entradus zich vervoegt ten kantore van de bankier Federius, dan ontmoet hij daar niet Federius maar de bedrieger Gallicus. In de veronderstelling dat hij met Federius van doen heeft, die hij nooit eerder heeft ontmoet, overhandigt Entradus een zak met daarin 8.000 sestertiën aan Gallicus. Tegen de tijd dat Entradus achter de ware toedracht komt, ontbreekt van Gallicus ieder spoor. Welke stelling is op deze casus het beste van toepassing?

  1. Entradus is niet bevrijd van zijn schuld bij Bublicus, omdat hij slechts aan zijn eigen schuldeiser kan betalen.
  2. Entradus is bevrijd van zijn schuld bij Bublicus, omdat hij te goeder trouw aan Gallicus heeft betaald.
  3. Entradus is niet bevrijd van zijn schuld bij Bublicus, omdat hij niet in opdracht van zijn schuldeiser aan Gallicus heeft betaald.
  4. Entradus is bevrijd van zijn schuld bij Bublicus, omdat hij in opdracht van Bublicus aan een ander heeft betaald.

Vraag 5

Amelicus en Belamus hebben gezamenlijk van hun vader Centrus een huis (een res mancipi) geërfd. In het testament is een legaat opgenomen dat de erfgenamen verplicht om het huis over te dragen aan hun neefje Daminus wanneer deze meerderjarig is geworden. Twee dagen na zijn verjaardag meldt de inmiddels meerderjarige Daminus zich bij Belamus en verzoekt hem het huis op de voorgeschreven wijze (mancipatio) in eigendom over te dragen. Belamus voelt zich genoodzaakt direct tot handelen over te gaan en voldoet aan dit verzoek zonder zijn broer Amelicus daarin te betrekken. Als Belamus nog dezelfde dag begint met inpakken, ontdekt hij tussen de spullen van zijn vader Centrus een jonger testament waarin het legaat ten behoeve van Daminus niet meer voorkomt. Een week later treft Daminus een gesloten poort met een briefje dat melding maakt van het jongere testament. Welke stelling is juist?

  1. Daminus is geen eigenaar geworden van het huis, omdat hij heeft verkregen van een beschikkingsonbevoegde.
  2. Daminus is geen eigenaar geworden van het huis, omdat hij heeft verkregen krachtens een nietig legaat.
  3. Daminus is eigenaar geworden van het huis, omdat de mancipatio een abstracte wijze van eigendomsoverdracht is.
  4. Daminus is eigenaar geworden van het huis, omdat in geval van een damnatielegaat sprake is van een voldoeningstitel (titulus pro soluto).

Vraag 6

Aminicus en Buritus zijn door erfopvolging mede-eigenaar geworden van een beeld (een res nec mancipi). Bij de verdeling van de nalatenschap wordt het beeld aan Aminicus toebedeeld, waarbij de beide erfgenamen de afspraak maken dat het beeld, gezien zijn kunsthistorische waarde, binnen de nabije familie moet worden gehouden. Om zijn acute geldnood te lenigen, verkoopt en levert Aminicus het beeld vervolgens aan Cederus, die lid is van een andere familie. Buritus raakt daarna van de vervreemding op de hoogte. Wat is zijn juridische positie?

  1. Aminicus is door zijn afspraak met Buritus niet beperkt in zijn beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van het beeld. De overeenkomst tussen Aminicus en Buritus is echter geldig, zodat Buritus Aminicus kan aanspreken uit wanprestatie.
  2. Aminicus is door zijn afspraak met Buritus beperkt in zijn beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van het beeld. Nu Buritus geen toestemming heeft gegeven voor de vervreemding, kan deze het beeld onder Cederus revindiceren.
  3. De mede-eigendom kan slechts worden opgeheven door het instellen van een vordering tot scheiding en deling (actio communi dividundo). Nu geen van beide erfgenamen deze vordering heeft ingesteld, heeft Aminicus slechts zijn eigen aandeel aan Cederus kunnen overgedragen.
  4. Aminicus is door zijn afspraak met Buritus niet beperkt in zijn beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van het beeld. Cederus is echter gebonden aan de afspraak die Aminicus en Buritus hebben gemaakt, zodat hij op straffe van wanprestatie het beeld slechts binnen de directe familie van Aminicus en Buritus kan vervreemden.

Vraag 7

Cineaus verhuurt een graanpakhuis aan Balavius, die daarin 1.500 schepels tarwe opslaat. Korte tijd later verkoopt Balavius 750 schepels van de tarwe aan Credibilis, die alvast een deel van de koopprijs vooruitbetaalt. Voordat Balavius de 750 schepels aan Credibilis kan afleveren, wordt het pakhuis door de bliksem getroffen en brandt volledig af. Credibilis maant Balavius tot aflevering van de tarwe. Balavius beroept zich vervolgens op overmacht en weigert aan het verzoek van Credibilis gevolg te geven. Wat is rechtens?

  1. Balavius is niet verplicht tot het leveren van de tarwe omdat niemand tot het onmogelijke kan worden gedwongen.
  2. Balavius is verplicht tot het leveren van de tarwe omdat tarwe een vervangbare zaak is.
  3. Balavius is niet verplicht tot het leveren van de tarwe omdat de verplichtingen uit de koopovereenkomst tussen Balavius en Credibilis worden beoordeeld naar de goede trouw (bona fides).
  4. Balavius is verplicht tot het leveren van een evenredige hoeveelheid tarwe omdat Credibilis al een deel van de koopprijs heeft betaald.

Vraag 8

Na de zeeslag bij Actium (31 v. Chr.) worden vele Egyptische kunstobjecten Rome binnen gevoerd die door Augustus zijn buitgemaakt. De elite is verzot op deze artefacten en heeft er veel voor over om een vaas of beeldje tentoon te kunnen stellen. Aangezien alle oorlogsbuit eigendom van de keizer is, ontstaat er een levendige handel in gehuurde en verhuurde kunst. Een aantal bedrijven, waaronder dat van Adocatus, huurt grote partijen beelden en vazen van de keizer en verhuurt deze vervolgens (voor een hogere prijs) aan particulieren. Tructus heeft aldus van Adocatus een beeld van een sfinx (res nec mancipi) gehuurd voor de prijs van 700 sestertiën per maand en in het atrium van zijn huis geplaatst. Op enig moment komt zijn vriend Heritus langs, die op slag verliefd is op het beeld. Tructus laat hem weten dat het beeld eigendom van Adocatus is, waarop Heritus aan Adocatus een goed bod doet. Adocatus ziet een mogelijkheid om wat extra geld te verdienen. Hij accepteert het aanbod van Heritus en levert het beeld, dat zich nog steeds bij Tructus bevindt, dezelfde dag aan Heritus. Welke van de onderstaande stellingen is juist?

  1. Heritus is eigenaar en bezitter geworden van het beeld, aangezien Adocatus het beeld door middel van een constitutum possessorium heeft geleverd en Heritus te goeder trouw is.
  2. Heritus is eigenaar maar geen bezitter geworden van het beeld, aangezien Adocatus het beeld niet feitelijk aan Heritus heeft geleverd, maar Heritus wel te goeder trouw is.
  3. Heritus is geen eigenaar maar wel bezitter geworden van het beeld, aangezien Adocatus niet beschikkingsbevoegd is, maar het beeld wel door middel van een constitutum possessorium heeft geleverd aan Heritus.
  4. Heritus is geen eigenaar en ook geen bezitter van het beeld geworden, aangezien Adocatus niet beschikkingsbevoegd is en bovendien het beeld niet feitelijk heeft geleverd aan Heritus.

Vraag 9

Graberus heeft onlangs een nalatenschap verkregen. Hij wordt benaderd door zijn vriend Lodocus die graag geld wil lenen om zijn verkiezingscampagne voor het ambt van quaestor te financieren. Graberus is best bereid om Lodocus geld te lenen, maar slechts tegen een aantrekkelijke rente. Hoe kan Graberus de afspraak over de betaling van rente het beste juridisch vormgeven?

  1. Graberus hoeft niets bijzonders te doen omdat de overeenkomst van geldlening toch al wordt getoetst aan de goede trouw (bona fides).
  2. Graberus moet een toegevoegd beding (pactum adiectum) maken bij de overeenkomst van geldlening.
  3. Graberus moet de overeenkomst van geldlening vormgeven als een overeenkomst van huur en verhuur van het geld (locatio conductio).
  4. Graberus moet de rente bij een aparte stipulatie door Lodocus laten toezeggen naast de overeenkomst van geldlening.

Vraag 10

Adriniacus overlegt met Dracus over de vestiging van een recht van vuistpand (pignus) tot zekerheid van een geldvordering die Dracus op Adriniacus heeft. Nog voordat Adriniacus de pandzaak aan Dracus heeft afgegeven, komt Adriniacus te overlijden onder achterlating van maar liefst vier erfgenamen die de nalatenschap vol en zuiver aanvaarden. Zij betalen de verdeelde schuld van Adriniacus evenwel niet af. Juist in deze omstandigheden voelt Dracus het nut van een pandrecht. Welke mogelijkheden heeft Dracus?

  1. Dracus kan ieder van de vier erfgenamen aanspreken tot het vestigen van het vuistpandrecht.
  2. Dracus kan de beoogde pandzaak met de actio Serviana opeisen uit de nalatenschap van Adriniacus.
  3. Dracus kan met een bezitsinterdict de gezamenlijke erfgenamen van Adriniacus dwingen tot het afgeven van de pandzaak.
  4. Dracus heeft in plaats van één debiteur nu vier debiteuren.

Vraag 11

Andrus is eigenaar van een kostbaar schilderij (een res nec mancipi) dat al generaties in zijn familie is. Zijn enige zoon Bradius verwacht het schilderij als erfgenaam te zullen verkrijgen na het overlijden van Andrus. Hij is zeer verbaasd wanneer het testament van Andrus na diens overlijden blijkt te bepalen dat het schilderij door middel van een vindicatielegaat (legatum per vindicationem) is vermaakt aan Cederus. Met de nodige tegenzin overhandigt de erfgenaam Bradius het schilderij aan Cederus. Omdat de zaak hem toch niet lekker zit, brengt Bradius het testament vervolgens naar een expert, die vaststelt dat de clausule betreffende het vindicatielegaat inderdaad is vervalst. Wat is rechtens?

  1. Bradius is eigenaar gebleven van het schilderij, en wel omdat hij het schilderij nooit krachtens een geldige titel heeft overgedragen.
  2. Cederus is eigenaar geworden van het schilderij, en wel omdat hij het schilderij krachtens een geldige voldoeningstitel (titulus pro soluto) heeft verkregen.
  3. Bradius is opnieuw eigenaar geworden van het schilderij, en wel omdat het vindicatielegaat met zakelijke werking is komen te vervallen.
  4. Cederus is eigenaar geworden van het schilderij, en wel omdat een geldige titel bij de verkrijging krachtens een vindicatielegaat niet is vereist.

Vraag 12

In de Romeinse volkswijk Subura is door een hoogst toevallige brand ruimte gekomen voor stadsvernieuwing. De rijke projectontwikkelaar Cachus heeft het perceel voor een zachte prijs kunnen verkrijgen en geeft aan de aannemer Dropus opdracht om er een torenflat (insula) te bouwen. Zij komen overeen dat Dropus een boete van 10.000 sestertiën zal betalen als de torenflat niet op 1 januari gereed is. Om aan zijn verplichtingen te voldoen schakelt Dropus de onderaannemer Escapus in, die hij bij stipulatie laat beloven dat Escapus de torenflat zal bouwen ten behoeve van Cachus, op straffe van een boete van 12.000 sestertiën als de torenflat op 1 januari niet gereed is. Die datum verstrijkt echter terwijl het perceel nog nauwelijks bouwrijp is gemaakt. Op 2 januari vraagt Cachus zich af tegen wie hij een procedure moet beginnen.

  1. Cachus kan met succes procederen tegen Dropus omdat deze in verzuim verkeert, maar niet tegen Escapus omdat hij het derdenbeding niet kan afdwingen.
  2. Cachus kan niet met succes procederen tegen Dropus of Escapus, omdat hij nog geen ingebrekestelling heeft uitgebracht.
  3. Cachus kan met succes procederen tegen Dropus omdat deze in verzuim verkeert, of tegen Escapus omdat er een geldig derdenbeding is gemaakt.
  4. Cachus kan niet met succes procederen tegen Dropus omdat deze zich op overmacht kan beroepen, maar hij kan met succes procederen tegen Escapus omdat er een geldig derdenbeding is gemaakt.

Vraag 13

Cineaus heeft een boek (een res nec mancipi) dat hij van Balavius heeft gestolen verkocht aan Cederus en door middel van bezitsverschaffing (traditio) geleverd. Cederus was niet op de hoogte van het feit dat het een gestolen boek betrof. Hij meende met de eigenaar zelf van doen te hebben. Als Cederus later van de wijkagent (vigilis) verneemt dat het boek in kwestie van Balavius is gestolen, vraagt hij zich af op welk moment hij niet meer met de revindicatie kan worden aangesproken. Een rechtsgeleerde zal hem het volgende advies geven:

  1. Cederus heeft door de levering de positie van praetorisch eigenaar verworven. Hij kan zich tegen de revindicatie van Balavius verweren vanaf het moment dat hij de zaak onder zich heeft gekregen.
  2. Cederus heeft door de levering de positie van Publiciaans bezitter verworven. Reeds tijdens de termijn die in het kader van de verjaring wegens beschikkingsonbevoegdheid (usucapio non a domino) is gesteld, kan hij niet meer met de revindicatie worden aangesproken.
  3. Cederus heeft door de levering de positie van Publiciaans bezitter verworven. Pas na afloop van de termijn die in het kader van de verjaring wegens beschikkingsonbevoegdheid (usucapio non a domino) is gesteld, kan hij niet meer met de revindicatie worden aangesproken.
  4. Cederus heeft door de levering niet de positie van Publiciaans bezitter verworven. Pas na afloop van de termijn die in het kader van de dertigjarige verjaring (praescriptio longissimi temporis) is gesteld, kan hij niet meer worden aangesproken met de de revindicatie.

Vraag 14

Op de hellingen van de berg Etna graast ’s zomers de schaapskudde van Dracchus, totdat de veedief Hollus zich op enig moment meester maakt van deze kudde. Dracchus weet de dief te achterhalen maar de kudde blijft vooralsnog spoorloos. Hollus is slechts tegen betaling bereid om de locatie van de waardevolle schaapskudde te onthullen. Nadat Dracchus hem heeft betaald en de schapen heeft teruggevonden, blijkt dat een deel van de kudde inmiddels door gebrek aan verzorging is overleden aan de besmettelijke rotkreupel (een schapenziekte). Welke vorderingen kan Dracchus instellen tegen Hollus?

  1. Zij kan de actie uit diefstal (actio furti) instellen, en de ongedaanmakingsactie uit diefstal (condictio furtiva, en de ongedaanmakingsactie uit onzedelijke oorzaak (condictio ob turpem causam).
  2. Zij kan de actie uit diefstal (actio furti) instellen, en ofwel de ongedaanmakingsactie uit diefstal (condictio furtiva), ofwel de ongedaanmakingsactie uit onzedelijke oorzaak (condictio ob turpem causam).
  3. Zij kan de actie uit diefstal (actio furti) instellen, of de ongedaanmakingsactie uit diefstal (condictio furtiva), of de ongedaanmakingsactie uit onzedelijke oorzaak (condictio ob turpem causam).
  4. Zij kan de actie uit diefstal (actio furti) instellen of de ongedaanmakingsactie uit diefstal (condictio furtiva), en bovendien de ongedaanmakingsactie uit onzedelijke oorzaak (condictio ob turpem causam).

Vraag 15

De bankier Terus heeft een vordering van 200.000 sestertiën op de vrachtvervoerder Fritius, die tot zekerheid van deze vordering ten behoeve van Terus een recht van hypotheek (hypotheca) heeft gevestigd op zijn boerderij en op zijn collectie grafstenen. Het gaat slecht in de vervoerbranche en Fritius moet regelmatig op zoek naar nieuwe financiers. Hij vindt de rijke particulier Letarchus bereid om hem een lening van 60.000 sestertiën te geven. Tot zekerheid van deze lening geeft Fritius buiten medeweten van Terus zijn grafstenen in vuistpand (pignus) aan Letarchus, die niet weet dat de stenen al eerder zijn bezwaard aan Terus. Als Fritius zich opnieuw heeft vertild aan het ondernemerschap en zijn schuld bij Letarchus niet kan afbetalen, gaat Letarchus over tot executoriale verkoop van de grafstenen. Zij worden op de executieveiling gekocht door Federius en onmiddellijk aan hem geleverd. Enkele weken later blijkt dat Fritius zijn schuld bij Terus evenmin kan voldoen. Terus wil overgaan tot uitoefening van zijn recht van hypotheek op de boerderij en de grafstenen. Welke stelling is juist?

  1. Terus kan zich slechts op de boerderij verhalen, aangezien het recht van hypotheek slechts op onroerende zaken kan worden gevestigd.
  2. Terus kan met de actio Serviana de grafstenen opeisen van Federius aangezien het recht van Terus ouder was dan het zekerheidsrecht van Letarchus.
  3. Terus kan zich slechts op de boerderij verhalen, aangezien het recht van hypotheek van Terus door zuivering is teniet gegaan toen Federius overging tot executoriale verkoop.
  4. Terus kan met de actio Serviana de grafstenen opeisen van Federius, aangezien Fritius niet bevoegd was de grafstenen een tweede maal te bezwaren ten behoeve van Letarchus.

Vraag 16

In 212 n. Chr. verleende keizer Caracalla met één pennenstreek het Romeinse burgerschap aan (nagenoeg) alle inwoners van het Romeinse rijk. Wat was het effect van deze constitutio Antoniniana op het recht zoals dat in de provincies van het Romeinse rijk werd toegepast?

  1. De verhoudingen tussen burgers werden voortaan beoordeeld naar de algemene rechtsbeginselen van beschaafde volkeren (ius gentium).
  2. De verhoudingen tussen burgers werden voortaan beoordeeld naar het recht dat de Romeinen voor zichzelf hadden vastgesteld (ius civile).
  3. De verhoudingen tussen burgers werden voortaan beoordeeld naar het recht dat de Keizers hadden uitgevaardigd (constitutiones principum).
  4. De verhoudingen tussen burgers werden nog steeds beoordeeld naar het recht dat op iedere afzonderlijke stam van toepassing was (salvo iure gentis).

Vraag 17

Welke stelling over de toepassing van het Romeinse recht in de Middeleeuwen is juist?

  1. Het Romeinse recht werd als primaire rechtsbron geraadpleegd. Bood het geen oplossing, dan keek men naar het lokale recht.
  2. De commentaren van de rechtsgeleerden op het Romeinse recht hadden kracht van wet.
  3. De terminologie van het Romeinse recht werd gebruikt bij de uitleg van het lokale recht.
  4. De uitleg van het Romeinse recht was voorbehouden aan de vorsten, die zich zagen als opvolgers van de Romeinse keizers.

Vraag 18

Stichtus geeft binnenkort een tuinfeestje in zijn buitenhuis. Hij heeft zijn slaaf Dolirus opdracht gegeven om het feestje voor te bereiden en ter versiering van de tuin enige standbeelden (res nec mancipi) te kopen bij de antiquair Castorus. Zulks geschiedt, en de standbeelden worden in de tuin van Stichtus geplaatst door ze op een ingegraven betonnen sokkel te metselen. Als Stichtus bij het huis arriveert en de beelden voor het eerst ziet, herkent hij de beeldengroep onmiddellijk als een collectie die recent is gestolen uit een nabijgelegen tempelcomplex. Wat is de positie van Stichtus?

  1. Stichtus is eigenaar van de beelden.
  2. Stichtus is geen eigenaar, maar verjaringsbezitter van de beelden.
  3. Stichtus is geen eigenaar of verjaringsbezitter, maar wel interdictenbezitter van de beelden.
  4. Stichtus is geen eigenaar en geen bezitter van de beelden.

Vraag 19

Het bankiershuis van Nulitorus leek meer op een schip tijdens een storm dan op een solide investeerder. Zo kon het gebeuren dat een door Nulitorus door middel van een stipulatie toegezegde som geld wél werd uitbetaald maar niet in de boeken werd opgenomen. Toen de betreffende cliënt, Urvus, een maand later bij Nulitorus kwam klagen dat hij de toegezegde som nog niet had ontvangen, zag Nulitorus zich genoodzaakt nogmaals tot betaling over te gaan. Een half jaar later vindt de interne accountant alsnog een kwitantie van de eerste betaling. Welke vordering kan Nulitorus instellen tegen Urvus?

  1. De vordering uit stipulatie (condictio certae pecunniae) en de actie uit diefstal (actio furti).
  2. De ongedaanmakingsactie uit diefstal (condictio furtiva) en de actie uit diefstal (actio furti).
  3. De vordering uit stipulatie (condictio certae pecunniae) of de actie uit diefstal (actio furti).
  4. De ongedaanmakingsactie uit diefstal (condictio furtiva) of de actie uit diefstal (actio furti).

Vraag 20

In een dronken bui heeft Dolirus, de slaaf van Beatitus, alle bloempotten en sierstruiken van buurman Reglarus vernield. Woedend spreekt Reglarus zijn buurman Beatitus aan tot schadevergoeding. Omdat Beatitus geen zin heeft om op te draaien voor de omvangrijke schade, draagt hij zijn slaaf Dolirus (een res mancipi) door middel van mancipatio over aan Reglarus bij wijze van vervangende schadevergoeding (noxae deditio). Vervolgens blijkt dat Dolirus op zijn dronkemanstocht niet alleen de bloempotten en sierstruiken van Reglarus heeft vernield, maar ook alle ramen heeft ingegooid bij de andere buurman, Francius. Wat kan Francius ondernemen?

  1. Francius kan Beatitus aanspreken tot schadevergoeding omdat Beatitus eigenaar was van Dolirus ten tijde van het delict.
  2. Francius kan Reglarus aanspreken tot schadevergoeding omdat Reglarus de huidige eigenaar is van de slaaf.
  3. Francius kan Beatitus en Reglarus niet aanspreken omdat Beatitus zich kan beroepen op overmacht en Reglarus geen eigenaar was van de slaaf ten tijde van het delict.
  4. Francius kan Beatitus en Reglarus aanspreken tot schadevergoeding omdat Beatitus eigenaar was van de slaaf ten tijde van het delict en Reglarus de huidige eigenaar is van de slaaf.

Open vragen

Motiveer uw antwoorden

A. Kapitein Gracilus ziet zich genoodzaakt de haven van Lesbos binnen te varen om enige reparaties te laten verrichten aan zijn door storm gehavende schip. Hij neemt hiertoe de timmerman Bexus in de arm. Na een week kan Gracilus het zeegat kiezen. Op zee moet hij vaststellen dat Bexus de mast uiterst provisorisch heeft opgelapt, maar omdat de weersvooruitzichten gunstig zijn besluit hij door te varen naar Rhodos, waar hij behouden aankomt. Door een bode stelt hij de reder Nontanius, voor wie hij vaart, op de hoogte van het gebeurde. Nontanius stuurt de bode terug met een opdracht aan Gracilus om terug naar Rhodos te varen met een nieuwe lading en aldaar de mast opnieuw te laten repareren door Bexus, en deze keer deugdelijk. Ditmaal heeft Gracilus geen geluk: ter hoogte van Zakynthos gaat hij met zijn schip ten onder. Beschikt de reder Nontanius over enig rechtsmiddel tegen Bexus?

B. In de 11e en 12e eeuw vond de zogeheten Investituurstrijd plaats. Wat was het centrale punt in die Investituurstrijd en waarom is hij van belang voor de receptie van het Romeinse recht in West-Europa, en in het bijzonder in Italië en Duitsland?

C. Urbanicus had aan Basalicus een boerderij (een res mancipi) verkocht en door middel van traditio geleverd. In de koopovereenkomst was een vervalbeding (lex commissoria) opgenomen: wanneer Basalicus de koopprijs niet binnen vijf maanden zou betalen, zou de koop als niet gesloten worden beschouwd. Helaas sloeg het noodlot toe. Nog voordat de betalingstermijn was verstreken kwam Basalicus te overlijden. Hij werd opgevolgd door zijn dochter en erfgenaam Cloditia. Het meisje was dusdanig aangedaan door de dood van haar vader dat zij vergat om de koopprijs voor de boerderij binnen de gestelde termijn aan Urbanicus te voldoen. Deze had echter geen enkel begrip voor de situatie van Cloditia en riep het vervalbeding in. Urbanicus verkocht de boerderij vervolgens aan de jonge aristocraat Juridicus, aan wie hij de boerderij door mancipatio overdroeg. Juridicus meldde zich daarop bij de poorten van het landgoed om zijn eigendom op te eisen, en stelde een revindicatie tegen Cloditia in toen zij weigerde om de boerderij aan hem af te staan. Kan Cloditia zich verweren tegen de revindicatie van Juridicus?

Antwoordindicatie

Meerkeuzevragen

1. D, Prota 1.3, 1.4, BG XXXIV, XL

6. A, N.E. 1, N.E. 5

11. A, N.E. 5, N.E. 1

16. B, BG LII

2. D, BG XXVIII

7. B, N.E. 3

12. A, N.E. 5

17. C, BG III, V, IX

3. A, BG XLVIII, XXIV

8. D, N.E. 2, N.E. 1

13. D, N.E. 2, N.E. 1

18. A, N.E. 3, N.E. 4

4. C, N.E. 5, N.E. 3

9. D, N.E. 5

14. B, N.E. 1

19. B, N.E. 5, N.E. 3

5. A, N.E. 5, N.E. 3

10 D, N.E. 5

15. B, N.E. 5

20. B, N.E. 1

Open vragen

Vraag A

Gracilus vaart als kapitein in dienst van de reder Nontanius. Dit betekent dat een uitzondering op de algemene regel omtrent vertegenwoordiging van toepassing is. Nontanius is náást Gracilus partij bij de overeenkomst die Gracilus met Bexus heeft gesloten. (2 punten) Hij kan Bexus aanspreken met een (toegevoegde) actie, en wel met een vordering uit contract, op grond van wanprestatie. (1 punt) Daarmee zal hij slechts de schade kunnen vorderen die Bexus door een toerekenbare tekortkoming heeft veroorzaakt. Omdat Nontanius zelf opdracht heeft gegeven om met een gebrekkig schip en lading naar Rhodos te varen, komt slechts de schade voor vergoeding in aanmerking, die direct te wijten is aan de gebrekkige reparatie. Dat zijn de kosten voor de reparatie van de mast (2 punten).

NB: nakoming van de reparatieovereenkomst is blijvend onmogelijk, dus het verzuim treedt in zonder ingebrekestelling.

NB: een vordering uit onrechtmatige daad of een condictie uit onzedelijke oorzaak is onjuist. Bexus mag (en moet) immers de mast repareren krachtens het contract met Gracilus. Hij handelt nóch onrechtmatig nóch onzedelijk door dat gebrekkig te doen.

N.E. 5

Vraag B

De investituurstrijd was een machtsstrijd tussen de (Duitse) keizer van het Heilige Roomse Rijk en de Paus in Rome over de vraag waar het wereldlijke oppergezag / de soevereiniteit lag (2 punten). Concreet ging het daarbij om het recht om bisschoppen en andere hoge geestelijken te benoemen (1 punt). De investituurstrijd is om twee redenen van belang voor de receptie van het Romeinse recht in Italië en Duitsland. In de eerste plaats werd het Romeinse recht door beide partijen als propaganda-instrument ingezet om hun aanspraak op de soevereiniteit te ondersteunen (1 punt). In de tweede plaats bevorderde de keizer de opleiding van niet-geestelijken tot jurist via de universiteiten, om minder afhankelijk te zijn van geestelijken in zijn bestuursapparaat (1 punt).

NB: Romeins recht en canoniek recht concurreerden niet met elkaar. Zowel de Duitse keizer (als opvolger van de Romeinse keizers) en de Paus (‘de kerk van Rome leeft naar het recht van Rome’) erkenden immers het gezag van het Romeinse recht én van het canonieke recht.

Prota 1.8

Vraag C

Urbanicus heeft een boerderij (een res mancipi) door middel van traditio geleverd aan Basalicus. Gezien het feit dat een res mancipi door middel van mancipatio moet worden overgedragen, heeft er geen eigendomsoverdracht plaatsgevonden. (1 punt). Basalicus heeft wel de positie van verjaringsbezitter, en zelfs die van praetorisch eigenaar, verworven. De verkrijgende verjaring (i.c. usucapio a domino) vereist dat er een geldige titel bestaat. De verbintenis uit de koopovereenkomst tot levering van de boerderij is een geldige titel. Basalicus heeft als praetorisch eigenaar een verweermiddel (dat van de verkochte en geleverde zaak, de exceptio rei venditae et traditae) tegen de revindicatie van Urbanicus, de eigenaar naar civiel recht, en zelfs diens tegen diens opvolger onder bijzondere titel (1 punt). Cloditia heeft als opvolger onder algemene titel van Basalicus diens positie van praetorisch eigenaar overgenomen en is daarom gebonden aan de koopovereenkomst met het daarin opgenomen vervalbeding (lex commissoria). Dit vervalbeding houdt in dat wanprestatie bij koop de verkoper het recht geeft om de overeenkomst als ongedaan te beschouwen. Het is een ontbindende voorwaarde met goederenrechtelijke werking: het inroepen van het vervalbeding heeft het wegvallen van de titel tot gevolg. Nu de verkoper Urbanicus het vervalbeding na afloop van de gestelde betalingstermijn geldig heeft ingeroepen, vervalt de verjaringstitel met terugwerkende kracht. Als gevolg hiervan verliest Cloditia de positie van praetorisch eigenaar (1 punt). Urbanicus is altijd eigenaar naar ius civile gebleven en heeft dit recht door middel van mancipatio kunnen overdragen aan Juridicus, zonder dat het bezit van de boerderij aan hem moest worden verschaft (1 punt). Juridicus heeft als eigenaar het recht om de boerderij te revindiceren van de bezitter Cloditia. Nu het vervalbeding reeds door Basalicus is ingeroepen, kan Cloditia de revindicatie niet langer afweren met het verweermiddel van de verkochte en geleverde zaak (1 punt).

N.E. 5, N.E. 3

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering