Wat is eenweg ANOVA? - Chapter 12

Eenweg ANOVA verwijst naar een techniek die wordt gebruikt als er maar één manier is om de populaties te classificeren. Een voorbeeld is onderzoeken of overlevingskansen verschillen voor drie verschillende longkankerbehandelingen.

Wat zijn de eigenschappen van een eenweg analyse van variantie?

Wat is het verschil tussen eenweg en tweeweg ANOVA?

Wanneer we verschillende populaties of behandelingen met elkaar vergelijken, dan zal er binnen de data altijd sprake zijn van variabiliteit. Omdat dit normaal is, richten we ons voor het vergelijken van populaties of behandelingen op gemiddelden. We gebruiken ANOVA (analyse van variantie) om verschillende gemiddelden met elkaar te vergelijken. Er bestaan twee ANOVA-technieken:

  • Eenweg ANOVA: deze techniek wordt gebruikt als er maar één manier is om de populaties te classificeren. Een voorbeeld is onderzoeken of overlevingskansen verschillen voor drie verschillende longkankerbehandelingen.

  • Tweeweg ANOVA: in dit geval is er meer dan één manier om populaties te classificeren. Je kunt bijvoorbeeld vergelijken in hoeverre drie temperaturen (0, 20 en 30 graden) gecombineerd met drie hoeveelheden van licht (geen, gemiddeld en fel licht) invloed hebben op het onthouden van woordjes die een onderzoeker opleest. In het volgende hoofdstuk zal dieper ingegaan worden op tweeweg ANOVA.

Welke data gebruik je voor eenweg ANOVA?

Met eenweg ANOVA vergelijken we dus verschillende populatiegemiddelden. We trekken daarvoor een random steekproef (SRS) uit elke populatie en we gebruiken deze data om de nulhypothese te toetsen. We kunnen eenweg ANOVA ook gebruiken bij gerandomiseerde experimenten. De nulhypothese stelt dat alle populatiegemiddelden hetzelfde zijn. In ons voorbeeld stelt de nulhypothese dus dat alle drie de longkankerbehandelingen gepaard gaan met dezelfde overlevingskans.

Hoe vergelijk je gemiddelden?

We gebruiken de term ‘groepen’ als we het hebben over de verschillende populaties waarvan we willen onderzoeken of ze hetzelfde gemiddelde hebben. Om uitspraken over het gemiddelde van de populaties te doen, maken we gebruik van steekproefgemiddelden. Als blijkt dat er een verschil in gemiddelden bestaat, dan vragen we ons af of dat door toeval of door een echt effect komt. Door middel van ANOVA kunnen we uitzoeken of geobserveerde verschillen tussen steekproefgemiddelden statistisch significant zijn. We kunnen hier uitspraken over doen door te kijken naar de (1) steekproefgroottes, (2) de spreiding binnen de groepen en (3) de steekproefgemiddelden.

Wat is de twee-steekproeven t-toets?

De twee-steekproeven t-toets (In het Engels: two-sample t-test) vergelijkt de gemiddelden van twee populaties. De aanname is hierbij dat beide populaties dezelfde (maar een onbekende) standaarddeviatie hebben en dat de steekproefgroottes gelijk zijn. Hoe vinden we deze t-toets?

  • Trek eerst het gemiddelde van y van het gemiddelde van x af.

  • Vermenigvuldig de gepoolde standaarddeviatie (sp) met de wortel uit 1/n+1/n.

  • Deel tot slot de uitkomst uit de eerste stap door de uitkomst van de tweede stap.

Als we de gevonden t-toets (t²) kwadrateren geeft dit precies hetzelfde resultaat als de ANOVA F-toets voor twee populaties. Een formule om t² direct uit te rekenen is:

  • t² = n/2(x̄ - ȳ)²/s²p.

De teller in de bovenstaande formule meet de spreiding tussen de groepen. De teller kan groot zijn door een groot verschil tussen de steekproefgemiddelden of omdat de steekproeven groot zijn. De noemer meet de spreiding binnen de groepen. Als deze erg klein is, dan zorgt dit voor een grote t²-waarde. Dit maakt de kans op een significant resultaat groter.

Welke hypothesen gebruik je bij eenweg ANOVA?

Eenweg ANOVA gaat uit van de nulhypothese die stelt dat alle populatiegemiddelden gelijk zijn. De alternatieve hypothese stelt dat niet alle populatiegemiddelden gelijk zijn. De alternatieve hypothese klopt dus al als één populatiegemiddelde afwijkt van de rest. De alternatieve hypothese wordt echter ook aangenomen als alle populatiegemiddelden van elkaar verschillen.

  • Als we de nulhypothese hebben afgewezen, moeten we daarom nog uitzoeken waar de verschillen tussen populatiegemiddelden precies liggen. Dit kunnen we doen aan de hand van contrasten. Als we drie populaties (1,2,3) onderzoeken, kunnen we contrasten maken waarin we stellen dat ze allemaal verschillend zijn of dat populatie 1 van populatie 2 en populatie 3 verschilt. We kunnen ook een contrast maken waarin we stellen dat populatie 2 van populatie 1 en populatie 3 verschilt. Zo zijn er verschillende contrasten mogelijk. De contrasten moeten geformuleerd worden voordat het onderzoek uitgevoerd wordt.

  • Als we geen vermoeden hebben over de specifieke relatie tussen de populatiegemiddelden, dan kunnen we gebruik maken van multipele vergelijkingen (multiple-comparisons). We onderzoeken in dat geval welke paren van populatiegemiddelden significant van elkaar verschillen.

Wat is het eenweg ANOVA-model?

Ook dit model gaat uit van een situatie waarbij een deel van de data bij het model past en een deel onverklaard blijft (data= fit+residuen).

  • Het eenweg ANOVA-model is: xij = μi + εij. In deze formule staat i voor 1,..., I. Bij eenweg ANOVA staat I voor het aantal populaties. Daarnaast staat j voor 1,..., ni. In dit verband staat ni voor de steekproef van de i-ste populatie. Tot slot staat xij voor de j-ste observatie van de i-ste populatie. De I populatiegemiddelden zijn het fit-gedeelde van het model en worden uitgedrukt in μi. De overige spreiding (εij) staat gelijk aan het residu-gedeelte. Dit zijn de afwijkingen van de populatiegemiddelden.

  • εij komen uit een normaalverdeelde distributie met een onbekende standaarddeviatie en een gemiddelde van 0: N(0,σ).

  • De (onbekende) parameters van het model zijn de populatiegemiddelden (μ1, μ2,…, μI) en de standaarddeviatie (σ) waarvan aangenomen wordt dat deze voor alle populaties gelijk is. Er wordt dus vanuit gegaan dat steekproefgroottes verschillend kunnen zijn, terwijl alle populaties dezelfde standaarddeviatie hebben.

Hoe schat je de populatieparameters?

ANOVA is niet erg gevoelig voor ongelijke standaarddeviaties tussen de groepen. Als de grootste standaarddeviatie minder dan twee keer de kleinste standaarddeviatie is, dan zal gebruik van ANOVA leiden tot (bijna) correcte resultaten. Wanneer we aannemen dat de populatiestandaarddeviaties gelijk zijn, dan is elke steekproefstandaarddeviatie een schatter van σ. We voegen deze steekproefstandaarddeviaties samen om tot een gepoolde schatter van σ te komen:

  • De gepoolde steekproefvariantie is: s²p = (n1 -1) s²1 + (n2 -1) s²2 +… +(nI -1) s²I / (n1 -1) + (n2 -1) +… + (nI -1).

  • Vervolgens moet de wortel uit de uitkomst getrokken worden om tot de gepoolde standaarddeviatie (sp) te komen. Dit is een schatter van σ. Als de steekproefgroottes gelijk zijn, dan is s²p het gemiddelde van de steekproefvarianties van alle groepen. Let op: sp is niet het gemiddelde van de steekproefstandaarddeviaties.

Wat is binnen-groepen variantie en wat is tussen-groepen variantie?

De verschillende populatiegemiddelden worden vergeleken en getoetst aan de hand van de F-toets. Hierbij wordt gekeken naar de spreiding binnen en tussen de groepen. We willen dat de tussen-groepenvariantie groot is en dat de binnen-groepenvariantie klein is. Dat maakt de kans op het vinden van significante resultaten groter.

De nulhypothese is dat alle groepsgemiddelden gelijk zijn: μ1 = μ2 = …= μI. I staat zoals eerder gezegd voor het aantal populaties. De alternatieve hypothese zegt dat niet alle gemiddelden (μi) gelijk aan elkaar zijn. We maakten tot nu toe vooral gebruik van het model data= fit+ residuen. Nu kunnen we dat vertalen naar: totaal = tussen-groepen + binnen-groepen.

Hoe bepaal je SS, DF en MS voor eenweg ANOVA?

SS (sums of squares) laat zien hoeveel spreiding er in de data aanwezig is. De verschillende SS-elementen worden berekend door de gekwadrateerde afwijkingen op te tellen. Bij eenweg ANOVA zijn er drie bronnen van spreiding: (1) groepen, (2) error en (3) totaal. We zeggen daarom ook wel:

  • SST = SSG + SSE. De totale spreiding wordt dus opgedeeld in tussen- en binnen-groepenvariantie. De bijbehorende vrijheidsgraden kunnen ook opgedeeld worden in (1) groepen, (2) error en (3) totaal. We zeggen daarom dat DFT bestaat uit DFG en DFE. Om MS (mean square) uit te rekenen, moet een specifieke SS gedeeld worden door de bijbehorende vrijheidsgraden. We kunnen de MS voor de error (MSE) vinden door de gepoolde standaarddeviatie (sp) te kwadrateren (s²p). Dus: s²p = MSE = SSE / DFE. Om de gepoolde standaarddeviatie te vinden moet de wortel uit MSE getrokken worden.

Wat is de F-toets voor eenweg ANOVA?

Als de nulhypothese waar is, zijn er geen verschillen tussen de populatiegemiddelden. MSG/MSE is ongeveer 1 als de nulhypothese waar is. De waarde wordt groter dan 1 als de alternatieve hypothese klopt. We maken voor het toetsen van de nulhypothese gebruik van:

  • Het aantal vrijheidsgraden uit de teller. Voor eenweg ANOVA zijn de vrijheidsgraden uit de teller I-1. Het aantal vrijheidsgraden uit de noemer: N-I.

  • Samengevat geeft dit: F(I-1, N-I). De F-toets voor ANOVA is behoorlijk robuust als het gaat om non-normaliteit en ongelijke varianties binnen de groepen.

Hoe ziet de ANOVA-tabel voor eenweg ANOVA eruit?

Bron (source)Vrijheidsgraden (df)SS (Sum of Squares)MS (Mean Square)F
GroepenI - 1Σgroepen ni(x̄i - x̄)²SSG / dfGMSG / MSE
ErrorN - IΣgroepen (ni -1)si²SSE / dfE 
TotalN - 1Σobs(xij – x̄)²  

waarbij I = aantal groepen en N = steekproefgrootte. 

Tot slot kan bij eenweg ANOVA de coëfficiënt van bepaling (coefficient of determination) uitgerekend worden: R²= SSG/SST.

Hoe vergelijk je gemiddelden?

Hoe bekijk je verschillen tussen groepsgemiddelden?

De ANOVA F-toets geeft ons alleen antwoord op de vraag of de gevonden verschillen tussen groepsgemiddelden significant zijn. Een kleine p-waarde zegt ons dat de groepsgemiddelden niet allemaal hetzelfde zijn. We weten dan echter nog niet welke groepsgemiddelden van elkaar verschillen. Wanneer de nulhypothese bij eenweg ANOVA afgewezen is, moeten er aanvullende analyses uitgevoerd worden om te kijken waar de verschillen precies liggen. Middels contrasten kunnen we de groepen met elkaar vergelijken. We kunnen dan bijvoorbeeld de eerste twee populaties vergelijken met de derde populatie.

We kunnen er ook voor kiezen om de eerste populatie te vergelijken met de tweede en de derde populatie. We kunnen dus verschillende alternatieve hypothesen formuleren in de vorm van contrasten.

Om een contrast over de populatie te toetsen, maken we gebruik van een steekproefcontrast. We kijken dan naar steekproefgemiddelden in plaats van populatiegemiddelden.

Wat zijn contrasten?

  • Een contrast is een combinatie van populatiegemiddelden in de vorm van Ψ= Σ aiμi. De coëfficiënten van ai tellen op tot 0.

  • Het corresponderende steekproefcontrast is: c = Σ aix̄i.

  • De standaardfout van c is: SEc = sp √ Σai²/ ni.

  • We toetsen de nulhypothese Ψ = 0. We gebruiken hiervoor de t-toets: t = c/SEc. Ook maken we gebruik van de vrijheidsgraden voor de error (DFE) die gepaard gaan met sp. De alternatieve hypothese kan zowel eenzijdig als tweezijdig zijn.

  • Het betrouwbaarheidsinterval voor Ψ is c ± t*SEc.

Hoe voer je multipele vergelijkingen uit?

Multipele vergelijkingen (multiple comparisons) worden uitgevoerd nadat de nulhypothese voor eenweg ANOVA verworpen is. Aan de hand van deze vergelijkingen worden steeds paren van populaties met elkaar vergeleken.

  • Om multipele vergelijkingen te toetsen, berekenen we t-toetsen:

  • tij = x̄ii – x̄ij. / (sp √ 1/ ni + 1/ nj). Als de uitkomst van tij groter of gelijk aan t** is, dan mogen we concluderen dat de populatiegemiddelden uit één paar verschillend zijn. Als dat niet het geval is, dan zijn de populatiegemiddelden gelijk aan elkaar. De waarde van t** hangt af van de statistische meettechniek die we gebruiken.

Hoe bepaal je t**?

We kunnen, om t** te bepalen, bijvoorbeeld kiezen voor de ‘least-significant differences method’ (LSD) waarbij gebruik gemaakt wordt van een alfa van 5%. Dit kan gevaarlijk zijn; vooral als er veel populaties onderzocht worden. Dit komt doordat de kans op een type-I-fout dan toeneemt. In dat geval wordt de nulhypothese verworpen, terwijl deze in werkelijkheid wel klopt. Als onderzoeker neem je dan aan dat er een effect bestaat, terwijl dit niet het geval is. Om t** te bepalen, kunnen we ook kiezen voor de Bonferroni methode. Met deze methode neemt de kans op een type-I-fout niet toe per vergelijking. De kans blijft altijd 5%.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2877
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector