Wat is regressie? - Chapter 10

In dit deel zal uitgelegd worden hoe we statistische berekeningen kunnen maken als sprake is van één kwantitatieve responsvariabele en één kwantitatieve verklarende variabele. We gaan hierbij uit van de regressielijn ŷ= b0+ b1x. In dit vervolg proberen we echter uit te zoeken in hoeverre een berekende regressielijn een schatting is van de ware regressielijn die bij de populatie hoort. De regressielijn die bij de populatie hoort noteren we als β0+ β1x. In deze formule staat β0 voor het intercept en β1 voor de regressiecoëfficiënt. Deze waarden worden geschat aan de hand van b0 en b1.

Wat is simpele lineaire regressie?

Simpele lineaire regressie wordt gebruikt om de relatie tussen een responsvariabele (y) en een verklarende variabele (x) te onderzoeken. We verwachten dat verschillende waarden van x samen zullen gaan met verschillende waarden van y. Stel: we willen de verandering in bloeddruk vastleggen voor twee experimentele groepen. De ene groep krijgt een echt medicijn en de andere groep krijgt een placebo. De behandeling (placebo of echt medicijn) kunnen we dan zien als een verklarende variabele en bloeddruk is dan de responsvariabele.

Wat zijn populaties?

  • De gemiddelde verandering in bloeddruk kan verschillend zijn in de twee populaties. Deze gemiddelden noemen we µ1 en µ2.

  • Individuele veranderingen in bloeddruk variëren binnen elke populatie volgens de normaalverdeling. Dit betekent dat de meeste mensen binnen een groep ongeveer dezelfde bloeddruk hebben, terwijl een beperkt aantal mensen extreem afwijkt van de rest. Er wordt vanuit gegaan dat de standaarddeviaties van de populaties gelijk zijn.

Wat zijn subpopulaties?

Bij lineaire regressie kan de verklarende variabele (x) veel verschillende waarden aannemen. Je kunt bijvoorbeeld verschillende hoeveelheden van calcium geven aan verschillende groepen deelnemers. Deze waarden van x kunnen we zien als subpopulaties:

  • Elke waarde van x gaat samen met één subpopulatie. Elke subpopulatie bestaat uit alle individuen in de populatie die dezelfde waarde van x hebben. Als we dus een experiment uitvoeren waarbij we de effecten van vijf verschillende hoeveelheden calcium op bloeddruk willen onderzoeken, dan bestuderen we vijf subpopulaties.

Het statistische model voor simpele lineaire regressie gaat er vanuit dat voor elke waarde van x de geobserveerde waarden van y normaal verdeeld zijn met een gemiddelde dat van x afhangt. We gebruiken het symbool µy om deze gemiddelden aan te geven. De gemiddelden µy kunnen veranderen als x volgens een vast patroon verandert. Bij simpele lineaire regressie gaan we er vanuit dat alle gemiddelden op een lijn liggen die gebaseerd is op x-waarden.

Kort samengevat is er bij simpele lineaire regressie sprake van:

  • Verandering van de gemiddelden van y wanneer x verandert. Alle gemiddelden liggen op een lijn. Daarom geldt: µy= β0+ β1x. Dit is de regressielijn van de populatie.

  • Individuele waarden van y (op basis van dezelfde x) variëren volgens de normaalverdeling. Deze normaalverdelingen hebben allemaal dezelfde standaarddeviatie.

Wat zijn residuen?

De regressielijn die we vinden is nooit perfect als het gaat om het voorspellen van y-waarden op basis van x-waarden. Daarom geldt:

  • Data = fit+residu.

  • Het fit-gedeelte bestaat uit de subpopulatie-gemiddelden die gevonden worden door middel van µy= β0+ β1x.

  • Het residu-gedeelte staat voor de afwijkingen van de data vanaf de lijn die staat voor de populatiegemiddelden. We gaan ervan uit dat deze afwijkingen normaalverdeeld zijn en standaarddeviatie σ hebben. We gebruiken de Griekse letter ε als we het over het residu-gedeelte hebben. De ε-waarden kunnen gezien worden als ‘ruis’: het deel van de data dat niet verklaard kan worden met de regressielijn. Hierdoor zullen punten in een puntenwolk nooit helemaal op een rechte lijn liggen.

Wat is het model voor simpele lineaire regressie?

Het model voor simpele lineaire regressie gaat gepaard met de volgende feiten:

  • Gegeven n aantal observaties van x en y, geldt: (x1,y1), (x2,y2),…, (xn,yn).

  • De geobserveerde respons (yi) gaat samen met verklaarde en onverklaarde elementen: yi = β0 + β1xi + εi. In deze formule is β0+ β1xi de gemiddelde respons wanneer x=xi. De afwijkingen (εi) zijn onafhankelijk en normaalverdeeld. Ze hebben een gemiddelde van 0 en standaarddeviatie σ. De parameters van het model zijn dus: β0, β1 en σ.

Hoe schat je regressieparameters?

Zoals eerder gezegd willen we de regressielijn die we op basis van een steekproef gevonden hebben, gebruiken om een regressielijn te maken voor de populatie. De regressielijn voor een steekproef is: ŷ = b0+ b1x. In deel B was al uitgelegd hoe b0 en b1 gevonden kunnen worden:

  • b1= r(sy/ sx). In deze formule staat r voor de correlatie tussen y en x. De rest van de formule maakt gebruik van de standaarddeviaties van y en x.

  • b0= : ȳ - b1x̄ .

  • Het residu is: ei =(geobserveerde y-waarde) – (voorspelde y-waarde). Dit is hetzelfde als: yi - ŷi. Dit is weer hetzelfde als: yi -b0- b1xi. De residuen (ei) corresponderen met de residuen εi. De ei tellen op tot 0 en de εi komen uit een populatie met een gemiddelde van 0.

Dan moet nog de laatste parameter (σ) berekend worden. Deze parameter meet in hoeverre y-waarden van de populatie-regressielijn afwijken. Om deze parameter te berekenen, maken we daarom gebruik van residuen.

  • Eerst berekenen we de variantie van de regressielijn die bij de populatie hoort (σ²). Dit doen we door de variantie van de steekproef te gebruiken: s²= (Σe²i)/ n-2. Dit is hetzelfde als: Σ(yi - ŷi)²/n- 2.

  • Vervolgens trekken we de wortel uit de variantie (s²) om σ te vinden.

Hoe bereken je de betrouwbaarheidsintervallen?

Betrouwbaarheidsintervallen kunnen in het algemeen gevonden worden middels de formule: schatting ± t*SEschatting. Voor β0 en β1 kunnen afzonderlijk betrouwbaarheidsintervallen berekend worden:

  • Het betrouwbaarheidsinterval voor het intercept β0 is: b0± t*SEb0.

  • Het betrouwbaarheidsinterval voor de regressiecoëfficiënt β1 is: b1± t*SEb1.

  • In deze formules is t* de waarde voor t(n-2) met gebied C tussen –t* en t*.

Hoe voer je de significantietoetsen uit?

De nulhypothese stelt dat de regressiecoëfficiënt in de populatie 0 is (β1 =0). Om deze hypothese te toetsen maken we gebruik van een toetsstatistiek:

  • t = b1/SEb1. De vrijheidsgraden zijn n-2. De nulhypothese kan zowel eenzijdig als tweezijdig getoetst worden.

  • Als er tweezijdig getoetst wordt, moet de p-waarde uit de t-tabel eerst vermenigvuldigd worden om een conclusie te trekken over de nulhypothese. Als blijkt dat de alternatieve hypothese aangenomen moet worden, dan betekent dit dat er een relatie bestaat tussen x en y in de populatie. Let op: een hele kleine p-waarde zegt bij deze significantietoets niet dat we een sterke relatie hebben gevonden tussen x en y. Er mag dan alleen geconcludeerd worden dat er sprake is van een relatie, maar de grootte van de relatie is niet duidelijk.

Wat zijn betrouwbaarheidsintervallen voor de gemiddelde respons?

Voor elke waarde van x (ook wel x* genoemd) is de gemiddelde y-waarde in de subpopulatie:

  • µy= b0+ b1x*.

  • Het bijbehorende betrouwbaarheidsinterval voor de gemiddelde respons is: µy± t*SEu. In deze formule is t* de waarde voor t(n-2) met gebied C tussen –t* en t*.

Wat zijn voorspellingsintervallen?

Soms willen we een waarde van een y voorspellen die ver buiten de y-waarden in de data ligt. In dat geval maken we gebruik van een voorspellingsinterval. Eerst moet een steekproef van n aantal observaties getrokken worden. Vervolgens moet het 95% betrouwbaarheidsinterval berekend worden voor een specifieke x-waarde (x*).

Het voorspellingsinterval voor een toekomstige observatie van y uit de subpopulatie van x* is: ŷ ± t*SEŷ In deze formule staat t* voor de waarde van t(n-2) met gebied C tussen –t* en t*.

Wat is nog meer van belang bij simpele lineaire regressie?

Wat is analyse van variantie (ANOVA) voor regressie?

Door middel van analyse van variantie (ANOVA) kunnen we uitzoeken in hoeverre data verklaard kan worden door het deel dat past bij de regressielijn (fit) en het deel dat daarvan afwijkt (residuen). De totale variatie in y wordt uitgedrukt door de afwijkingen yi – ȳ. Als deze afwijkingen allemaal 0 zouden zijn, dan zouden alle observaties gelijk zijn en zou er geen variatie in y zijn. Er zijn twee redenen waarom yi niet gelijk is aan het gemiddelde van y:

  • De waarden van yi gaan samen met verschillende waarden van x en zijn daarom verschillend.

  • Individuele observaties zullen van het gemiddelde verschillen, omdat er variatie is binnen de subpopulatie die bij een specifieke x-waarde hoort.

Wat zijn de onderdelen van het ANOVA-model?

Zoals eerder gezegd maken we bij lineaire regressie gebruik van het model data= fit + residuen. Als we hier in termen van variantie naar gaan kijken, dan wordt dit:

  • SST = SSM + SSE. Hierbij staat SST voor de totale variantie, SSM voor de variantie die door het model wordt verklaard en SSE voor de variantie die niet door het model wordt verklaard (error). SS staat voor´sum of squares´.

  • SST wordt berekend met de formule: Σ(yi-ȳ)²

  • SSM wordt berekend met de formule: Σ(ŷi-ȳ)²

  • SSE wordt berekend met de formule: Σ(yi- ŷi)²

Wat zijn de vrijheidsgraden en MS (mean square) bij ANOVA?

Daarnaast is het ook mogelijk om voor elke bron van variantie de bijbehorende vrijheidsgraden uit te rekenen. Er wordt uitgegaan van een soortgelijke formule: DFT = DFM + DFE. In deze formule staat DF voor vrijheidsgraden (degrees of freedom). De vrijheidsgraden die bij het totaal, het model en de error horen, worden als volgt berekend:

  • DFT = n-1.

  • DFM = 1

  • DFE = n-2.

We vinden de MS voor elke bron van variantie door de SS te delen door de bijbehorende vrijheidsgraden (DF). Als de MS voor het totaal gevonden moet worden, dan wordt dat dus gedaan door SST/ DFT te berekenen. De proportie verklaarde variantie (r²) kan als volgt gevonden worden:

  • SSM/SST. Het resultaat laat ons zien hoeveel van de variantie in y wordt verklaard door het model.

Wat is de F-toets?

De nulhypothese dat de regressiecoëfficiënt (β1) van de populatie 0 is, kunnen we aan de hand van de F-toets toetsen. De nulhypothese zegt dus eigenlijk dat x en y in de populatie geen lineaire samenhang vertonen. De F-toets vinden we als volgt:

  • F= MSM/MSE.

Als de nulhypothese waar is, dan heeft deze F-toets een distributie van 1 vrijheidsgraad in de noemer en n-2 vrijheidsgraden in de teller: F(1,n-2). Deze vrijheidsgraden horen bij MSM en MSE. Net zoals er veel t-toetsen bestaan, zijn er ook veel F-toetsen. Als de regressiecoëfficiënt niet 0 is (β1 ≠ 0 ), dan is MSM relatief groot ten opzichte van MSE. Dit betekent dat grote waarden van F bewijs tegen de nulhypothese geven. We toetsen in dit verband altijd tweezijdig.

Hoe ziet de ANOVA-tabel eruit?

De informatie die tot nu toe gegeven is, wordt kort in de onderstaande ANOVA-tabel samengevat:

Bron (source)Vrijheidsgraden (df)SS (Sum of squares)MS (Mean Square)F
Model1SSmodelSSM / dfMMSM / MSE
Errorn - 2SSerrorSSE / dfE 
Totaaln - 1SStotaalSST / dfT 

Hoe kun je de populatiecorrelatie binnen de populatietoetsen berekenen?

We kunnen ook toetsen of er een correlatie tussen twee variabelen in de populatie bestaat. We gebruiken de Griekse letter ρ om de populatiecorrelatie weer te geven. Als x en y beide normaalverdeeld zijn, dan is ρ=0 hetzelfde als zeggen dat x en y in de populatie onafhankelijk zijn. Dit betekent dat er geen enkele relatie tussen x en y in de populatie bestaat. De alternatieve hypothese kan zowel eenzijdig als tweezijdig geformuleerd worden. Om de hypothese ρ = 0 te toetsen, maken we gebruik van de volgende stappen om de t-toets te berekenen:

  • Eerst vermenigvuldigen we de correlatie (r) met de wortel uit n - 2. In deze formule staat n voor de grootte van de steekproef.

  • Vervolgens delen we dit getal door de wortel uit 1- r².

De gevonden t-toets is hetzelfde als de t-toets die we zouden vinden als we de hypothese β1=0 hadden getoetst. Dit betekent dat als er geen correlatie in de populatie bestaat, dat de regressiecoëfficiënt 0 is.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2722
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector