Hoofdstuk 17: Strafprocesrecht: algemeen.
Veel zaken komen niet voor de rechter:
Verdachte kan niet worden gevonden;
Zaak heeft onvoldoende prioriteit;
Voorwaarde voor vervolgbaarheid of strafbaarheid niet vervuld;
Niet altijd een veroordeling door de rechter:
Fasen in het strafproces
Er worden twee onderzoeksfasen in het strafprocesrecht onderscheiden: het voorbereidend onderzoek en het eindonderzoek.
Voorbereidend onderzoek: accent op verzamelen van bewijsmateriaal.
Opsporing = het onderzoek in verband met strafbare feiten met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Vervolging = als een officier van justitie een rechter inschakelt.
Het eindonderzoek = de openbare terechtzitting.
De rechter doet uitspraak;
Gewoon rechtsmiddel;
Tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties;
Formeel en materieel strafrecht
Door wie en volgens welke procedures onderzocht mag worden of en door wie een strafbaar feit is begaan
Door wie en volgens welke procedures de beslissing mag worden genomen dat een bepaald persoon een strafbaar feit heeft begaan;
Door wie en volgens welke procedure de strafsanctie ten uitvoer wordt gelegd.
Functies van het strafprocesrecht
Het strafprocesrecht heeft 2 hoofdfuncties:
De instrumentele functie
Misdaadbeheersing > potentiële slachtoffers beschermen tegen inbreuken op hun rechten door wetsovertreders. Misdaadbeheersing krijgt op twee manieren vorm:
In de bevoegdheid om allerlei onderzoekshandelingen te verrichten;
Dwangmiddelen: maken onderzoek tegen de wil van burgers mogelijk > aanhouding, fouillering, inbeslagneming, verhoor en vrijheidsbeneming voorafgaand aan rechterlijke uitspraak;
Bijzondere bevoegdheden tot opsporing (Wetboek van Strafvordering): misdrijven opsporen die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde of die in georganiseerd verband worden gepleegd of beraamd > observatie, infiltratie, inzetten van informanten, pseudokoop.
In de bevoegdheid (strafrechtelijke) sancties op te leggen en ten uitvoer te leggen;
De overheid heeft de bevoegdheid een burger die een delict heeft begaan te straffen en maatregelen op te leggen.
De waarborgfunctie
Impliceert dat de verdachte strafprocessuele rechten en bevoegdheden heeft.
Gericht op het bieden van bescherming aan de burger tegen al te vergaande inbreuken op zijn vrijheden en rechten. Realiseren van een behoorlijk proces (‘due process’).
Omvang van rechten en bevoegdheden verschilt per fase:
Voorbereidend onderzoek (inquisitoir): verdachte heeft relatief minder rechten en is object van het onderzoek.
Eindonderzoek (accusatoir): verdachte wordt meer als gelijkwaardige partij naast het OM behandeld.
Recht van de verdachte is dat er geen bezwarende processtukken mogen meewegen, waarvan de verdachte de inhoud niet kent. Daarnaast is de verdachte ook bevoegd om getuigen op te roepen en vragen te stellen (officier kan dat weigeren).
Bronnen van strafprocesrecht
Het geldende Nederlandse strafprocesrecht kan men vinden in formele rechtsbronnen van het strafprocesrecht:
Wetten in formele zin
Het Wetboek van Strafvordering is de belangrijkste bron van regels van strafprocesrecht. Regels voor opsporing, vervolging, berechting, rechtsmiddelen en tenuitvoerlegging. Daarnaast zijn er nog andere wetten in formele zin die aanvullende/afwijkende strafprocessuele regels bevatten t.a.v. de in die wetten genoemde strafbare feiten.
Verdragen, besluiten van de EU en internationale jurisprudentie
Belangrijke bronnen hierbij zijn: het EVRM, Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR), Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Nationale jurisprudentie
Rechter moet hierbij wel in de geest van de legaliteitseis handelen. Leemten in de wet mag hij niet opvullen met overheidsbevoegdheden die grondrechten van burgers beperken.
Ongeschreven rechtsbeginselen
Het ongeschreven recht kan wettelijke overheidsbevoegdheden niet uitbreiden (legaliteitsbeginsel) maar wel beperken. Dus: wetmatig overheidshandelen dat in strijd is met ongeschreven rechtsbeginselen is onrechtmatig.
Voorbeelden van ongeschreven rechtsbeginselen:
Vertrouwensbeginsel: het door de overheid bij burgers gewekte vertrouwen dient gehonoreerd te worden, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn.
Verbod van détournement de pouvoir: misbruik van bevoegdheid of onzuiverheid van oogmerk. Bevoegdheid mag niet gebruikt worden voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven.
Proportionaliteit en subsidiariteit:
Het gebruik en de wijze van uitoefening van een bevoegdheid dient in redelijke verhouding te staan tot het doel.
Binnen het scala van ter beschikking staande middelen moet het minst ingrijpende middel worden gekozen.
Legaliteitsbeginsel = wijst de wet in formele zin aan als de basis voor strafprocessuele overheidsbevoegdheden. Dit wordt weerspiegeld in ‘crime control’ en ‘due process’.
Personen en instanties in het strafproces
Verdachte:
Enkele belangrijke rechten en beginselen die de positie van de verdachte bepalen zijn de volgende:
De raadsman
Alleen als de verdachte beroep in cassatie instelt, is bijstand van een raadsman verplicht.
Procesvertegenwoordiging: de advocaat neemt geheel de plaats van de verdachte in.
In het burgerlijk procesrecht is verplichte procesvertegenwoordiging uitgangspunt.
Recht van vrije toegang van raadsman tot verdachte, het recht om vertrouwelijk met elkaar te kunnen spreken en briefwisseling zonder inhoudelijke controle.
Opsporingsambtenaren
Officieren van justitie, ambtenaren van politie, militairen van Koninklijke Marechaussee, opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten.
Het Openbaar Ministerie
De met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht
Andere onderzoekshandelingen
Onderzoekshandelingen die niet tot het strafproces worden gerekend en waarop het strafprocesrecht dan ook niet van toepassing is. De verkregen informatie in de voorfase kan worden gebruikt om het strafbare feit op heterdaad te ontdekken of om later te gebruiken.
Er kan gemakkelijk bewijs worden verzameld, maar dit is niet ongenormeerd: