Casus 1
Drie vragen naar aanleiding van de Overeenkomst van Parijs 2015 (Switchen tussen pdf en hoofdpag. kan mbv alt-tab). Let op: de op het tentamen ter beschikking gestelde tekst (zowel digitaal als op
papier) bevat enkele algemene bepalingen aan het einde van de Overeenkomst die niet in EIR 2017 zijn opgenomen.
Open vraag 1 (8 pt.)
Artikel 4 lid 4 en lid 5 van de Overeeenkomst van Parijs zijn gebaseerd op een algemeen beginsel van het internationaal recht inzake duurzame ontwikkeling. Leg uit welk beginsel hier bedoeld wordt, wat de strekking van dit beginsel is en wanneer dit beginsel voor het eerst is geformuleerd.
Open vraag 2 (8 pt.)
Algemene beginselen van milieurecht worden vaak geformuleerd en vastgelegd in verklaringen van internationale conferenties. Leg uit, onder verwijzing naar de traditionele rechtsbronnen van internationaal recht, of en zo ja in hoeverre dergelijke verklaringen relevant zijn als internationaalrechtelijke rechtsbron.
Open vraag 3 (8 pt.)
De Overeenkomst van Parijs is geratificeerd door de Verenigde Staten onder President Obama. President Trump heeft verklaard dat de VS dit ongedaan wil maken. Stel dat President Trump op 3 november 2017 verklaart dat de VS zich met onmiddellijke ingang niet langer gebonden acht aan de Overeenkomst met als argument dat vast is komen te staan dat Nederland een inbreuk maakt op de Overeenkomst door zich onvoldoende in te spannen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Leg uit of in het algemeen de VS volgens het internationaal recht zich terug mag trekken uit een internationale overeenkomst die door de VS geratificeerd is en wat dit betekent in het geval van de Overeenkomst van Parijs. Leg voorts uit of – los van het eerste deel van deze vraag – het feit dat Nederland de Overeenkomst schendt een legitiem argument is voor de VS om de Overeenkomst op te zeggen.
Casus 2
Vier vragen naar aanleiding van een zaak voor het Internationaal Gerechtshof. Let op: verschillend aantal maximaal te behalen punten per subvraag.
INTERNATIONAL COURT OF JUSTICE
CERTAIN IRANIAN ASSETS
(ISLAMIC REPUBLIC OF IRAN v. UNITED STATES OF AMERICA)
Op 14 juni 2016 heeft Iran een zaak aanhangig gemaakt bij het Internationaal Gerechtshof waarin Iran eist dat de Verenigde Staten een einde maken aan (onder andere) de toekenning door Amerikaanse rechters van hoge schadevergoedingen (inmiddels meer dan 56 miljard US$) aan burgers te betalen door Iran, Iraanse instellingen en staatsbedrijven. De Amerikaanse wet staat dit toe wanneer een vreemde staat tot “a State sponsoring terrorism” wordt verklaard. Onder ander slachtoffers van de aanslagen in 2001 hebben dergelijke rechtszaken tegen Iran, Iraanse instellingen
en staatsbedrijven zoals de Iraanse Centrale Bank, met succes gevoerd. In 2016 is de Amerikaanse wetgeving aangescherpt en is een kwalificatie als “a State sponsoring terrorism” niet langer nodig.
Een verband tussen vermeend onrechtmatig gedrag van een staat en een terroristische aanslag in de Verenigde Staten is nu voldoende. Er is nog geen uitspraak over de hoofdvraag: de Verenigde Staten heeft preliminaire bezwaren opgeworpen. Hierover zal het Gerechtshof zich eerst buigen.
Open vraag 4 (8 pt.)
Leg uit waarom Iran op grond van het internationaal recht sterk lijkt te staan in de claim dat de VS onrechtmatig handelen ten opzichte van Iran.
Open vraag 5 (6 pt.)
Stel dat de VS zich verweert tegen de Iraanse claim met het argument dat mogelijke internationaalrechtelijke verplichtingen van de VS niet langer van toepassing zijn omdat de wetgeving die in de VS is aangenomen van recentere datum is en de internationale verplichtingen dus niet langer van toepassing zijn voor de VS. Maakt dit argument kans van slagen?
Casus 1
Open vraag 1 (8 pt.)
Common but differentiated responsibility (4 pt); principle 7 van de Rio Declaration 1992 (2 pt); strekking: ongelijke behandeling van staten: alle staten hebben verantwoordelijkheden, maar de ontwikkelde landen erkennen dat ze als gevolg van de grotere bijdrage aan milieuproblemen en de mogelijkheden om daar wat aan te doen een bijzondere verantwoordelijkheid hebben.(2 pt)
Verwijzing naar en korte uitleg van andere beginselen, zoals het no harm beginsel of het beginsel van duurzame ontwikkeling, is niet waar de vraag op doelt, maar levert - afhankelijk van de wijze waarop het is verwoord - toch enkele punten op (variërend tussen 2 en 4 pt).
Open vraag 2 (8 pt.)
In beginsel geen rechtsbron volgens de traditionele rechtsbronnen zoals opgesomd in art 38 Statuut IGH. (2pt). Ook geen bindende besluiten van internationale organisatie. Omdat de uitkomsten van conferenties niet vallen onder deze rechtsbronnen worden ze (meestal) niet als recht gezien, maar aangeduid als soft law. (2 pt) Ze zijn niet juridisch bindend, maar wel relevant voor het recht en om het gedrag van staten op elkaar af te stemmen. Juridisch relevant omdat ze onderdeel zijn van de vorming van internationaal gewoonterecht of de opmaat zijn voor aanvaarding van internationale verdragen. Ze worden regelmatig toegepast door (internationale) rechters om bestaande rechtsregels te interpreteren of aan te vullen. Een strikte scheiding tussen hard en zacht recht wordt hierdoor steeds lastiger. (4 pt)
Het (bijna) letterlijk citeren van de passage in Nollkaemper over soft law is niet voldoende voor het volledig aantal punten. Een relatie moet worden gelegd met de traditionele rechtsbronnen. De wijze waarop dit gedaan wordt bepaalt het aantal punten.
Open vraag 3 (8 pt.)
Volgens 54.a WVV kan een staat zich conform de bepalingen van een verdrag terugtrekken. Art. 28 van de Overeenkomst voorziet hierin. [ 4 pt] Het argument dat Nederland het verdrag schendt kan niet leiden tot eenzijdig volledige opzegging door de VS. (De partijen gezamenlijk kunnnen dit wel: art 60.2.a.) Eenzijdige opschorting door de VS van de verdragsverplichtingen is alleen mogelijk op grond van art 60.2.c; dit kan alleen onder de daar genoemde omstandigheid – radicale verandering van positie van de andere staten als gevolg van de schending. [4 pt]. Art. 60.2.b is niet het juiste antwoord omdt het daar alleen gaat over opschorting van verplichtingen tussen de VS en Nederland.
Het niet maken van dit onderscheid wordt niet zwaar aangerekend. Een antwoord gebaseerd op correcte toepassing van 60.2.b levert 3 pt op. Er moet naar de relevante verdragsartikelen verwezen worden voor volledige puntentoekenning. Het (bijna) letterlijk overschrijven van Nollkaemper geeft geen blijk van inzicht in de materie en levert niet noodakelijk volledige punten op.
Casus 2
Open vraag 4 (8 pt.)
VS handelt in strijd met staatsimmuniteit (3 pt). Soevereine gelijkheid. Nationale rechters kunnen zich niet uitlaten over handelen van andere staten – zeker niet wanneer het over uitoefening van
staatstaken gaat. Beperkte uitzonderingen op staatsimmuniteit (IGH: Germany vs Italy). Betrokkenheid bij terrorisme is niet een internationaal geaccepteerde uitzondering op de immuniteitsregels. Staten kunnen afstand doen van immuniteit (waiver), maar is hier niet aan de orde. (3 pt voor nadere uitleg). Gebaseerd op gewoonterecht, maar verwijzing naar 2004 VN Verdrag over immuniteiten van staten en hun eigendommen ook mogelijk (2 pt). Het gaat hier niet om een uitleg van internationale staatsaansprakelijkheid: een uitleg waarom Iran niet aansprakelijk is naar internationaal recht levert hooguit 1 pt op.
Open vraag 5 (6 pt.)
Nee, een algemene regel is dat nationale wetgeving staten niet ontslaat van internationale verplichtingen. (4 pt) Art 27 WVV (2 pt).