Vraag 1
Wat gebeurt er in welk stadia?
- 0-2 weken; zygoot
- 3-8 weken; embryo
- 9> weken; foetus
Vraag 2
Welke term verwijst naar moeders die tijdens de zwangerschap alcohol nuttigden, waardoor de kinderen na de geboorte lijden aan aandachtsproblemen en hyperactiviteit?
Vraag 3
Wat betekent het begrip ‘apoptose’?
Vraag 4
Hoe ontstaat een eeneiige tweeling?
Vraag 5
Waarom moeten kinderen emoties leren labelen?
Vraag 6
Waarvoor dient emotieregulatie?
Vraag 7
Geef een voorbeeld van een situatie waarin het goed zou zijn om te worden afgeleid van een negatieve emotie?
Vraag 8
Wat zijn de vijf belangrijkste eigenschappen van emotionele intelligentie?
Vraag 9
Wat is systematische desensitisatie?
Vraag 10
Waarin verschilt Bandura’s (sociale) leertheorie met die van Skinner?
Vraag 11
Welke leeftijd hebben kinderen volgens Selman’s rolaanname theorie die zich realiseren dat ze het perspectief van een ander kunnen overnemen?
Vraag 12
Welke theorie gaat er vanuit dat kinderen de neiging hebben om aan te nemen dat acties van anderen vijandige intenties hebben?
Vraag 13
Welke sociale ontwikkelingstheorieën zijn discreet en welke continu? (Freud, Watson, Erikson, Selma, Skinner, Bandura, Dodge, Dweck)
Vraag 14
Welke soorten hechtingen ontwikkelen zich op deze leeftijden?
- tot zes weken
- zes weken tot zes/acht maanden
- zes/acht maanden tot anderhalf jaar
- anderhalf jaar tot twee jaar
Vraag 15
Welke hechtingsstijl heeft een kind wanneer hij na het verlaten van de moeder bij de ‘Strange-situation-test’ huilt, maar vervolgens de moeder negeert als deze weer terugkomt?
Vraag 16
Wanneer ontstaat er een identiteitsverwarring?
Vraag 17
In welke van de volgende fasen neemt een kind een identiteit aan om te willen opvallen door het tegenovergestelde te doen van wat iedereen verwacht?
- fase van identity confusion
- fase van identity foreclosure
- fase van negatieve identiteit
- fase van psychosociaal moratorium
Vraag 18
Welke factoren dragen bij aan een hoge of lage eigenwaarde?
Vraag 19
Hoe veranderd de basis van een vriendschapsrelatie in de loop der jaren?
Vraag 20
Welke functies hebben vriendschappen?
Vraag 21
Wat is een sociometrische status en welke factoren beïnvloeden deze status?
Vraag 22
Met betrekking tot kinderen met verschillende sociometrische statussen, wat is het verschil in de beoordeling tussen gemiddelde kinderen en controversiële kinderen?
Vraag 23
Met betrekking tot ouder-kind interacties, leg uit wat de volgende interacties inhouden?
- gate-keeping
- coaching
- modeling
Vraag 24
Welk autoriteitstype betreft een hoge controle en een lage tolerantie, waarbij veel regels worden gegeven en de ouders minder geven om de behoeftes van het kind?
Vraag 25
Welk autoriteitstype gaat gepaard met weinig regels voor het kind en veel vrijheid op een goede en geïnteresseerde manier?
Vraag 26
Welke morele redeneervorm is volgens Kohlberg gericht op sociale relaties?
Vraag 27
In welke fase van Kohlbergs moreel redeneermodel staat het eigen belang voorop?
Vraag 28
Op welke manier zijn prosociaal gedrag en empathie aan elkaar verbonden?
Vraag 29
Wat is het verschil tussen schaamte en schuld?
Vraag 30
Wat is het verschil tussen sympathie en empathie?
Vraag 31
Wat zijn altruïstische motieven?
Vraag 32
Noem twee nature en twee nurture factoren van antisociaal gedrag.
Vraag 33
Wat is het verschil tussen reactieve agressie en proactieve agressie?
Vraag 34
Wat is symbolische representatie en geef een voorbeeld.
Vraag 35
Kinderen in de pre-operationele fase (twee tot zeven jaar) hebben nog geen goed ontwikkeld conservation concept. Dit houdt in dat … ?
Vraag 36
Uit welke drie kenmerken bestaat de informatie-processing theorie?
Vraag 37
Wat is de overlappende golvenbenadering?
Vraag 38
Wat is analogisch redeneren en geef een voorbeeld.
Vraag 39
Uit welke drie fases bestaat de theorie van Vygotsky?
Vraag 40
Wat is private speech?
Vraag 41
Wat is social scaffolding?
Vraag 42
Hoe wordt de relatie tussen denken en handelen door de dynamische systeemtheorie beschouwd?
Vraag 43
Kinderen spelen op verschillende manieren. Leg uit wat de volgende manieren inhouden:
- pretend play
- object substitution
- sociodramatic play
Vraag 44
Welke drie niveaus van hiërarchische categorisatie bestaan er?
Vraag 45
Als een kind uit het raam kijkt en roept: “Kijk mama! Ik zie een denneboom!”. Welk level van categorisering is dit?
Vraag 46
Wat zijn de vijf telprincipes?
Vraag 47
Wat is vloeiende intelligentie?
Vraag 48
Wat is gekristalliseerde intelligentie?
Vraag 49
Met betrekking tot het genotype-fenotype debat, wat houdt de norm van reactie in?
Vraag 50
Leg uit wat de volgende typen ontwikkelingen inhouden.
- fonologische ontwikkeling
- semantische ontwikkeling
- syntactische ontwikkeling
- pragmatische ontwikkeling
Vraag 51
Wat is generativiteit?
Vraag 1
- verplaatsing naar de baarmoederwand.
- celprocessen en de ontwikkeling van organen en systemen (neural tube).
- verdere ontwikkeling, groei en activiteiten en leren.
Vraag 2
Foetaal alcoholsyndroom
Vraag 3
De afsterving van cellen. Apoptose zorgt er voor dat niet-noodzakelijke of ongewenste weefsels verdwijnen.
Vraag 4
Zij ontstaan uit een bevruchte eicel via een splitsing tussen de cellen tijdens de eerste 10 dagen na de bevruchting van deze ene eicel.
Vraag 5
Zodat ze de emoties beter kunnen interpreteren en er beter op kunnen leren reageren.
Vraag 6
Het kunnen reguleren van emoties is belangrijk voor het welbevinden. Een persoon kan niet continu worden overspoeld met emoties. Het benadeelt de sociale omgang en het bereiken van doelen.
Vraag 7
Bijvoorbeeld wanneer het een autistisch kind betreft, zij hebben vaak slechte emotieregulatie. Of wanneer er niets aan de situatie kan worden verandert, bijvoorbeeld bij het overlijden van de hond van een kind.
Vraag 8
Zelfkennis, optimisme, kunnen afzien, empathie, sociale vaardigheden.
Vraag 9
Een vorm van gedragstherapie waarbij een persoon vele keren wordt blootgesteld aan een angst inclusief een beloning, waardoor deze angst langzaam en gradueel verdwijnt.
Vraag 10
Bandura maakt geen gebruik van reinforcement en legt de nadruk op observaties en imitaties.
Vraag 11
Acht tot twaalf jaar
Vraag 12
Dodge informatieverwerkingstheorie
Vraag 13
Discreet: Freud, Erikson, Selman. Continu: Watson, Skinner, Bandura, Dodge, Dweck
Vraag 14
- preattachment.
- attachment-in-the-making.
- clear-cut-attachment.
- reciprocal relationship
Vraag 15
Onveilige vermijdende hechtingsstijl
Vraag 16
Deze ontstaat wanneer een crisis (de identiteitsverwarring versus de identiteit) niet succesvol is doorlopen. De verschillende aspecten over de zelf vormen geen coherent geheel en zijn niet stabiel over tijd.
Vraag 17
Fase van negatieve identiteit
Vraag 18
Genen, goedkeuring en steun die men van andere mensen ontvangt, de kwaliteit van relaties met andere mensen en de schoolkeuze en/of omgevingskeuze.
Vraag 19
De vriendschap verandert van instrumentaal (met speelgoed) naar loyaal (kameraadschap, gelijke interesses, acceptatie)
Vraag 20
Steun, ontwikkeling op sociaal en cognitief gebied, sociale vergelijking, bescherming, ego support en affectie
Vraag 21
De sociometrische status is de mate waarin kinderen elkaar mogen of niet mogen. Deze wordt beïnvloed door de fysieke uitstraling, sociaal gedrag, persoonlijkheid, cognitief over jezelf en anderen, en doelen.
Vraag 22
Gemiddelde kinderen worden door leeftijdsgenoten als gemiddeld positief en negatief beschouwd, terwijl controversiële kinderen door veel leeftijdsgenoten als positief worden beschouwd maar tegelijkertijd ook door veel leeftijdsgenoten als negatief worden beschouwd
Vraag 23
- gatekeeping is het controleren waar, hoe lang en met wie je kinderen omgaan.
- coaching is het helpen van de kinderen om te leren omgaan met nieuwe situaties of groepen.
- modeling is het geven van het goede voorbeeld aan de kinderen wat communicatie betreft.
Vraag 24
Autoritaire opvoedingsstijl
Vraag 25
Toegeeflijke opvoedingsstijl
Vraag 26
Conventioneel moreel redeneren
Vraag 27
Fase twee van het preconventioneel moreel redeneren
Vraag 28
Prosociaal gedrag is gebaseerd op de capaciteiten om zich empathisch te voelen en zelf sympathie te tonen.
Vraag 29
Bij schaamte is er een negatieve zelfevaluatie van de persoon, en bij schuld is er een negatieve evaluatie van het gedrag.
Vraag 30
Sympathie is een gevoel van zorgen maken om de ander vanwege zijn/haar emotionele conditie/staat. Het verschil is dat mensen die zich empathisch voelen, ook dezelfde emotie beleven als de ander en dat is niet het geval bij sympathie.
Vraag 31
Redenen om iemand te helpen vanwege de empathie of sympathie voor anderen, en later vanwege het verlangen om je consistent met je eigen bewustzijn en morele principes te gedragen.
Vraag 32
Nature factoren kunnen zijn temperament, impulsiviteit, inhibitiecontrole. Nurture factoren kunnen zijn opvoeding, schuldgevoelens, copingsstrategieën, vriendengroep.
Vraag 33
Bij reactieve agressie worden andermans motieven als agressief ervaren en is men zelf emotioneel. Bij proactieve agressie is men zelf niet emotioneel en gericht op het bevredigen van de eigen verlangens op een agressieve manier.
Vraag 34
Symbolische representatie is het gebruiken van een voorwerp voor een ander doel dan waar het voor bedoeld is. Bijvoorbeeld het gebruiken van een banaan als microfoon.
Vraag 35
Dit houdt in dat zij nog geen goede inschattingen kunnen maken over hoeveelheden.
Vraag 36
Taakanalyse (de identificatie van doelen, relevantie informatie in de omgeving en potentiële strategieën), structuur (de basale organisatie van het cognitieve systeem) en processen (de specifieke mentale activiteiten).
Vraag 37
De overlappende golvenbenadering is een informatieverwerkingsbenadering die de variabiliteit van de manier van denken bij een kind benadrukt. Hoe meer mogelijkheden een kind heeft om een probleem op te lossen, hoe beter.
Vraag 38
Analogisch redeneren houdt in dat men analogieën (dingen/situaties die herkenbaar zijn) gebruikt voor het oplossen van nieuwe, onbekende problemen. Bijvoorbeeld wanneer je zelf een keer griep had en naar de huisarts moest, en je nu je zieke buurjongen aanraadt om ook naar de huisarts te gaan.
Vraag 39
In de eerste fase wordt het gedrag van een kind gecontroleerd en bepaald door anderen. In de tweede fase wordt het gedrag van een kind bepaald door (externe) ‘private speech’. In de derde fase wordt het gedrag van een kind bepaald door interne particuliere spraak.
Vraag 40
Private speech is een fase waarin internalisatie van gedachtes plaatsvindt. Kinderen ontwikkelen een zelfregulatiesysteem en een probleemoplossend vermogen door hardop zichzelf te vertellen wat ze moeten doen, zoals de ouders dat eigenlijk in de eerste fase voor hen deden.
Vraag 41
Social scaffolding is een manier van leren waarbij een persoon met kennis van handelen begeleiding geeft bij het doorlopen van een bepaalde taak. Hierdoor kan een beginner naar een hoger niveau worden gebracht dan wanneer hij alleen zou werken.
Vraag 42
Deze theorieën richten zich op het denken en de ontwikkeling van de actie, en niet alleen op het denken zelf. Het denken vormt de actie/beweging, maar het denken wordt ook gevormd door de actie/beweging zelf.
Vraag 43
- hierbij creëren de kinderen activiteiten waarbij ze nieuwe symbolische relaties maken tussen bepaalde objecten (bijvoorbeeld doen alsof een boom een paard is).
- hierbij wordt een object gebruikt voor iets anders dan waar het voor bedoeld is.
- kinderen doen alsof ze iemand anders zijn in een dramatische situatie.
Vraag 44
Het bovengeschikte niveau (superordinate level) (bijv. een plant), het ondergeschikte niveau (subordinate level) (bijv. een eikenboom) en het basisniveau (basic level) (bijv. een boom).
Vraag 45
Het ondergeschikte niveau
Vraag 46
One-one correspondence, stable order, cardinality, order irrelevance, abstraction
Vraag 47
Vloeiende intelligentie is de mogelijkheid om op een bepaald moment nieuwe problemen op te lossen.
Vraag 48
Gekristalliseerde intelligentie is de feitelijke kennis over de wereld.
Vraag 49
Een gegeven genotype kan resulteren in verschillende fenotypen, afhankelijk van de omgeving.
Vraag 50
- de overname van kennis over geluiden van taal.
- het leren van betekenissen van uitdrukkingen in taal.
- het leren van de regels van een taal.
- leren hoe een taal te gebruiken.
Vraag 51
Generativiteit verwijst naar het idee dat door middel van het gebruik van een oneindige set van woorden in onze vocabulaire, een oneindig aantal zinnen kan worden samengesteld en een oneindig aantal ideeën kan worden uitgedrukt.