Europees Recht - B2 - Rechten - UL - Oefententamen 2011

Meerkeuzevragen bij oefententamen

MC Vraag 1

De Europese Raad is:

  1. Een instelling van de Europese Unie

  2. Een internationale organisatie die mede het Europese Hof voor de Rechten van de Mens omvat.

  3. Hoewel geen formele instelling onder het VWEU wel de facto het machtigste orgaan van de Europese Unie.

  4. Sinds het Verdrag van Lissabon betrokken bij de ‘gewone wetgevingsprocedure’.

MC Vraag 2

Het Sinterklaasfeest staat weer voor de deur. Om te voorkomen dat kinderen te veel suiker binnenkrijgen, met alle gezondheidsrisico’s van dien, besluit de Nederlandse regering om producenten van pepernoten te verbieden suiker in de lekkernij te verwerken. Willy Suikeroom, banketbakker in Vlaanderen, is niet te spreken over de Nederlandse maatregel. Hij ziet zijn kansen om pepernoten te verkopen op de Nederlandse markt in sterke mate afnemen.

De maatregel van de Nederlandse regering is:

  1. Een maatregel die verbonden is aan de Nederlandse nationale identiteit en derhalve gerechtvaardigd kan worden onder art. 4 lid 2 VEU.

  2. Een maatregel van gelijke werking met onderscheid, omdat gediscrimineerd wordt tussen snoepgoed met en snoepgoed zonder suiker.

  3. Een maatregel van gelijke werking zonder onderscheid omdat de maatregel geldt ongeacht in welke lidstaat de pepernoot is geproduceerd.

  4. Een verkoopmodaliteit omdat het pepernoten op zich niet verbiedt, maar slechts het verkopen van gesuikerde pepernoten.

MC Vraag 3

Lees onderstaand stukje uit de Volkskrant van 12 oktober jl en beantwoord daarna de bijbehorende vraag:

Nederland dwarsboomde Servische droom jarenlang

Servië heeft er lang op moeten wachten, maar eindelijk mag het land zich kandidaat-lid van de Europese Unie noemen. Dat besloot de Europese Commissie vandaag. Het Servische verzoek hiertoe dateert van 2009, maar het was altijd Nederland dat dwarslag.

Hoe kon Nederland het verlenen van de kandidaat-status aan Servië tegenhouden?

  1. Zolang Servië niet voldeed aan de convergentiecriteria kon Nederland het verlenen van kandidaat-status dwarsbomen.

  2. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken stemde tegen in de Raad van Ministers.

  3. De Nederlandse Europarlementariërs brachten geen stem uit in het Europees Parlement, omdat Servië de waarden schond waarop de Europese Unie berust.

  4. De Eurocommissaris van Nederland gaf geen goedkeuring voor de verlening van een kandidaat-status.

MC Vraag 4

Welke van de onderstaande stellingen betreffende Diensten van Algemeen Economisch Belang is juist?

I: Lidstaten mogen in principe voor iedere dienst besluiten deze via een staatsonderneming publiek te gaan leveren. Zodra zij dit doen valt een dienst in beginsel meer onder de regels van het VWEU.

II: Een onderneming die belast is met een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) mag daarop een redelijke winst maken.

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.

  2. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

  3. Beide stellingen zijn juist.

  4. Beide stellingen zijn onjuist.

MC Vraag 5

Spanje biedt importeurs van verse voedingswaren de mogelijkheid om tijdens het in orde brengen van het papierwerk gerelateerd aan de import, de voedingswaren op te slaan in een nabijgelegen koelhuis. Op deze manier blijft de versheid van de producten gegarandeerd, ook als de temperatuur in de zomer hoog oploopt. Importeurs betalen hiervoor €20 per halve dag.

  1. Deze betaling is verboden omdat iedere financiële heffing op ingevoerde producten, ongeacht de hoogte van het bedrag, en ongeacht het doel of de benaming, een schending vormt van art. 30 VWEU.

  2. Deze heffing is verboden onder art. 34 VWEU omdat deze heffing een belemmering vormt voor het invoeren van verse producten, en kan niet worden gerechtvaardigd omdat zij een onderscheid maakt.

  3. Deze heffing op de invoer van producten is toegestaan omdat het hier om een vrijwillige dienst gaat die daadwerkelijk wordt geleverd aan de importeurs.

  4. Deze heffing op de invoer van producten is in principe verboden maar kan worden gerechtvaardigd onder art. 36 VWEU, dat ook maatregelen met onderscheid toelaat.

MC Vraag 6

Welke van de onderstaande stellingen betreffende de bevoegdheid van de nationale rechter is juist?

I. Nationale rechters zijn bevoegd om prijsovereenkomsten tussen ondernemingen te toetsen aan artikel 101(1) VWEU en artikel 101(3) VWEU.

II. Nationale rechters zijn bevoegd om steunmaatregelen te toetsen aan artikel 107(1) VWEU en artikel 107(3) VWEU.

  1. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.

  2. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

  3. Beide stellingen zijn juist.

  4. Beide stellingen zijn onjuist.

MC Vraag 7

Om in Nederland een apotheek te mogen openen moet men een vergunning krijgen van de beroepsvereniging voor Apothekers. Deze vereniging eist een Nederlands diploma in de scheikunde. Aspros Pilledoupeldous, een in Griekenland opgeleide apotheker, krijgt om deze reden geen vergunning. Hij vraagt u of dit zomaar kan onder Europees recht. Welke van de volgende uitlatingen is in dit verband juist:

  1. Aangezien de voorwaarden door een particuliere beroepsvereniging zijn opgesteld kan Aspros geen beroep doen op EU recht.

  2. De eis van een geschikt diploma mag gesteld worden, zolang maar inhoudelijk wordt beoordeeld of de bekwaamheid die blijkt uit het Griekse diploma overeenkomt met de Nederlandse vereisten, waarbij praktische ervaring moet worden meegewogen.

  3. De Apothekersvereniging moet onder EU-recht en het beginsel van wederzijdse erkenning een Grieks diploma erkennen, en mag geen aanvullende diploma eis stellen.

  4. Gezien het grote belang voor de volksgezondheid en het inherente gevaar van medicijngebruik hoeft Nederland geen rekening te houden met een Grieks diploma, wel moet Nederland de toegang van Aspros tot een Nederlandse opleiding vergemakkelijken.

Essayvragen bij oefententamen

In het Verdrag van Maastricht in 1992 is het Europese Burgerschap ingevoerd. Sinds de zaak Grzelczyk beschouwt het Hof van Justitie het EU Burgerschap zelfs als ‘de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten’. Het concept speelt dan ook een belangrijke rol in rechtspraak over het vrij verkeer van personen. Recentelijk is in de zaken Zambrano en McCarthy door het Hof een nieuw hoofdstuk aan deze rechtspraak toegevoegd.

Bespreek deze uitspraken en hun belang voor het EU burgerschap en het vrij verkeer van personen. Motiveer uw antwoord.

Casus I

Door de overmatige uitstoot van broeikasgassen wordt de wereld langzaam warmer. Steeds vaker klinkt daarom de roep om een ‘groene’ revolutie: zowel de industrie als de consument dient over te schakelen op milieuvriendelijke alternatieven. Het toenemende milieubewustzijn heeft ook zijn invloed op het gebruik van fietsen. Veel mensen laten voor het woon-werkverkeer hun auto staan en kiezen voor de fiets.

Voor fietsenfabrikant ‘Bazelle’ breken daarom goede tijden aan. De ‘elektromotobike’, een fiets met elektrische wielaandrijving, is een daverend succes. Bazelle is het enige bedrijf in Europa dat beschikt over de techniek om deze fiets te produceren. Ook Bazelle’s positie op de markt van stadsfietsen is goed. In Europa bezit de onderneming een qua stadsfietsen een marktaandeel van 40%. In Nederland is dit zelfs 50%. Smiant volgt op gepaste afstand met een marktaandeel op de Europese markt van 20%, en 15% in Nederland. De marktaandelen van Barta en Bimano zijn beduidend lager. Bazelle begrijpt dat het met de elektromotobike goud in handen heeft. Om ook zijn positie op de markt voor gewone stadsfietsen te verstevigen, besluit het bedrijf daarom om elke klant die een elektromotobike koopt 30% korting te geven op de aanschafprijs van een stadsfiets. Het hoopt zo zijn positie op de markt voor stadsfietsen te versterken en de elektromotobike nog aantrekkelijker te maken.

Open Vraag 1

Is Bazelles gedraging in overeenstemming met het Europese mededingingsrecht?

De overheid is zeer verheugd met de toegenomen populariteit van de elektromotobike. Niet alleen is het goed voor het milieu, ook zien zij grote gezondheidsvoordelen, en daarmee besparingen in de steeds duurder wordende zorg. Aan de andere kant worden de fietsen zo succesvol dat tankstations in de stad het steeds zwaarder krijgen: bijna iedereen rijdt op die vermaledijde elektromotobikes en komt dus niet meer tanken. Nederland vindt het echter ook belangrijk om een effectief netwerk van tankstations te houden, zodat automobilisten en het transportwezen nog wel kunnen tanken in en om de steden. Om die reden verzoekt de overheid alle gemeentes om al hun stedelijke tankstations te ondersteunen met een jaarlijkse bijdrage van €40.000 per tankstation. Zo zij dit willen, mogen de gemeentes dit geld weer ‘terugverdienen’ met een extra belasting op fietsbanden en het verhogen van de boetes voor fietsen zonder licht.

Open Vraag 2

Is deze maatregel in overeenstemming met Europees recht?

Antwoorden Meerkeuzevragen en Antwoordsuggesties 

Meerkeuzevragen

Vraag 1 A.

Vraag 2 C.

Vraag 3 B.

Vraag 4 C.

Vraag 5 C.

Vraag 6 A.

Vraag 7 B

Essayvraag

Algemeen

Aangezien het hier een essayvraag betreft is er meer ruimte voor eigen analyse en inbreng, met name in de tweede helft van de vraag. Meerdere juridische elementen moeten daarnaast wel aanwezig zijn om een volledig antwoord te kunnen geven, met name wat betreft de relevante arresten. De kern van Zambrano en van McCarthy moet worden weergegeven, waarbij de crux van de vraag is om vervolgens deze zaken te contrasteren op het cruciale punt van effectief burgerschap, de rechten die dit meebrengt, en hoe dit in Zambrano wel, maar in McCarthy niet leidt tot een verbreding van het toepassingsbereik van EU-recht tot een schijnbaar zuivere interne situatie. Als laatste dient deze juridische contrastering van beide arresten op dit kernpunt in het grotere plaatje van het EU burgerschap geplaatst te worden: hoe passen deze arresten, en hun onderlinge spanning, in de algehele ontwikkeling van dit concept? Is het een breuk met, logisch vervolg op, of nuancering van deze ontwikkeling, etc? Juist op dit punt is natuurlijk veel ruimte voor eigen analyse.

Specifieke antwoord

Zambrano betrof een vergaande toepassing van het EU burgerschap (art. 20 VWEU). Het ging in deze zaak om een Colombiaans vluchtelingenechtpaar dat woonde in België. Twee van hun drie kinderen waren in België geboren. Op grond van Belgisch recht hadden deze twee kinderen de Belgische nationaliteit.
(extra – niet verplicht – detail, België voerde ook een punt aan betreffende misbruik van recht: vader Zambrano zou niet eens echt geprobeerd hebben de Colombiaanse nationaliteit voor zijn kinderen te verkrijgen, terwijl hij wel alle stappen doorliep om hen de Belgische nationaliteit te laten verkrijgen.)

Vader Zambrano werd een werkeloosheidsuitkering maar ook een arbeidsvergunning geweigerd. Daarnaast kregen vader en moeder Zambrano geen vaste verblijfstitel in België. Zij beriepen zich direct op het EU recht om dit wel af te dwingen. Hierbij kwamen de vragen op of zij wel onder het toepassingsbereik van EU recht vielen, en of zij, zelfs als dat zo was, wel rechten kon ontlenen aan EU-recht.

Kernargument van alle betrokken overheden was dat het hier een zuiver interne situatie betrof die niet onder het EU-recht viel. Dit omdat de twee kinderen met EU-burgerschap België nooit hadden verlaten, en dus nooit gebruik hadden gemaakt van hun vrij verkeersrechten.

Het Hof geeft op dit punt aan dat Ri 2004/38 niet van toepassing is om dat deze alleen geldt voor EU burgers die zich in een andere lidstaten bevinden [NIET VEREIST]

Het Hof past vervolgens echter wel art. 20 VWEU toe op basis van een effectiviteitsredenering, die als volgt is opgebouwd:

  1. Burgerschap is de ‘primaire hoedanigheid’ van EU burgers (Grzelczyk, par. 41)

  2. Daarom mag burgers niet het ‘effectieve genot’ worden ontzegd van de ‘belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten’. (par. 42).

  3. Het weigeren van A) een verblijfsrecht en B) een arbeidsvergunning aan de derdelander-ouders van minderjarige Unieburgers ondermijnt het effectieve genot van een van deze rechten (par. 43), aangezien

  4. uitzetting van de ouders noodzakelijkerwijs zal betekenen dat de kinderen met EU-burgerschap ook de EU moeten verlaten omdat zij met hun ouders mee zullen moeten.

  5. Door uitzetting en weigering van de arbeidsvergunning zouden de EU burgers dus in een feitelijke onmogelijkheid komen te verkeren ‘de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen’(par. 44).

  6. Dientengevolge is de weigering in strijd met art. 20 VWEU.

Het cruciale gevolg van deze beslissing is dat de vereiste effectiviteit van het EU-burgerschap van de kinderen zo sterk is dat deze zelfs een communautaire dimensie creëert in een anders geheel interne situatie. Hiermee wordt het begrip burgerschap dus verder uitgebreid en versterkt, en krijgt het zelfs een effect op de reikwijdte van het Europese recht zelf. Dit ook nog eens, bovendien, op het gebied van immigratie, een politiek uiterst gevoelig terrein.

Na Zambrano ontstond grote ongerustheid dat het Hof de burgerschapsbepalingen te breed zou uitleggen en toepassen, en daardoor verdergaand het immigratiebeleid van lidstaten zou gaan doorkruisen. Het arrest McCarthy, dat ook over de aan het EU-burgerschap verbonden rechten ging, lijkt echter een rem te hebben gezet op Zambrano.

In McCarthy ging het om een staatsburger van het Verenigd Koninkrijk, die tevens de Ierse nationaliteit had. Zij was in het Verenigd Koninkrijk geboren en heeft er altijd verbleven, zonder ooit langdurig genoeg van haar vrijverkeersrechten in een andere lidstaat gebruik te hebben gemaakt. McCarthy ontving in het VK een uitkering. Zij trouwde met een Jamaicaanse onderdaan die niet in het bezit was van een machtiging tot verblijf in het Verenigd Koninkrijk. Naar aanleiding van haar huwelijk heeft McCarthy vervolgens voor het eerst een Iers paspoort aangevraagd en verkregen. Het VK weigerde echter om haar man een verblijfsvergunning te geven op basis van EU-recht. McCarthy zag dit als een beperking van haar Burgerschapsrechten. Het Hof, geraadpleegd via een prejudiciële vraag van het VK Supreme Court, wees dit beroep echter af.

Anders dan in Zambrano vond het Hof dat hier wél sprake was van een zuiver interne situatie, als gevolg waarvan McCarthy geen rechten kon ontlenen aan het EU-recht. Belangrijke punten in het oordeel van het Hof zijn:

  1. Net als in Zambrano oordeelt het HvJ wederom dat Ri. 2004/38 niet van toepassing is, aangezien er geen verblijf in een andere lidstaat is. [NIET VEREIST]

  2. Het enkele feit dat McCarthy ook de Ierse nationaliteit heeft, brengt dit nog niet binnen het toepassingsbereik / de reikwijdte van het EU-recht (zie ook Chen, niet verplicht) (paras. 41-42). De echtgenoot kan dan ook geen rechten afleiden via Ri. 2004/38.

  3. Ook art. 21 VWEU (NB niet art. 20 VWEU, zoals in Zambrano), biedt geen soelaas.

  4. Het HvJ vindt namelijk dat, anders dan in Zambrano, de weigering haar man in het VK te laten verblijven haar niet dwingt om de EU te verlaten, en haar ook niet verhindert om anderszins vrij te reizen en te verblijven in de EU.

  5. Als gevolg wordt haar dus niet het ‘effectieve genot’ ontzegd van ‘de belangrijkste aan haar status van burger van de Unie ontleende rechten’

  6. Dit betekent ook dat het EU recht in casu niet van toepassing is, en McCarthy er dus geen rechten aan kan ontlenen.

Het verschil met Zambrano en de verhouding tot de algemene ontwikkeling van het EU burgerschap

Het cruciale verschil ligt in toepassing en logica achter beide arresten: in Zambrano wordt gefocust op de effectiviteit, en het verder uitbreiden van de rechten die een burger ontleent aan het EU-burgerschap. Men kan dit in lijn zien met de eerdere rechtspraak over EU-burgerschap die telkens geënt is geweest op toekenning van meer rechten en meer bescherming.

Hoewel niet automatisch, had men met die Zambrano benadering in gedachte kunnen denken dat het Hof ook in McCarthy over zou gaan tot het verlenen van bescherming. Immers, men kan stellen dat ook het bij zich hebben van de partner een vereiste is om effectief genot te hebben van het burgerschap. Er kan zelfs betoogd worden dat het bij zich hebben van de partner direct behoort tot de ‘belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten’. [Chen, Akrich, niet vereist]

Het Hof kiest echter een andere, juist beperkende lijn: het bij zich hebben van de partner vormt geen kern van de EU-burgerschapsrechten.

Dit oordeel heeft tot gevolg dat Zambrano zo gelezen moet worden dat de feitelijke onmogelijkheid van de kinderen om zonder hun ouders te verblijven bepalend was. Dat impliceert dat de nadruk niet langer ligt op de positieve rechten in het algemeen die aan het burgerschap verbonden zouden zijn.

Algemene lijnen

Concluderend kan gesteld worden dat het Hof wellicht een meer beperkte weg is ingeslagen wat betreft het burgerschap, althans dat wellicht in deze lijn een grens is bereikt van hoever het EU HvJ bereid is om de werking van het EU-recht via het concept van burgerschap uit te breiden. McCarthy kan daarmee gezien worden als rem, meer algemeen, op de schier niet te stoppen optocht van burgerschap sinds het Hof dit beginsel ter hand nam in Grzelczyk.

NB1: Het is opmerkelijk dat het Hof de discussie over de toepasselijkheid van het EU-recht en de inhoud van het recht mengt.

NB2: Zambrano was een Grote Kamer, McCarthy was dat niet.

NB3: Via burgerschap worden op grond van de in Zambrano gekozen benadering allerhande reeds gestelde grenzen aan de andere EU-rechten ondergraven.

Antwoordindicatie casus I

Open Vraag 1

Art. 102 VWEU

Studenten dienen te concluderen dat de casus betrekking heeft op het misbruik van een machtspositie (Art. 102 VWEU) en NIET kartelvorming (art. 101 VWEU) of mergers (Ver. 139/2004).

Ondernemingsvereiste

Vervolgens dient te worden aangegeven dat Bazelle een onderneming vormt in de zin van het Europees mededingingsrecht. Er is sprake van een eenheid die een economische activiteit uitoefent (Höfner arrest).

Afbakening relevante markt

Van studenten wordt verwacht dat zij de relevante markt afbakenen. Achtereenvolgens dienen studenten de relevante productmarkt, de relevante geografische markt en eventueel het temporele element te behandelen. Studenten dienen in hun antwoord te verwijzen naar het United Brands arrest.

De relevante productmarkt omvat alle producten die concurreren met het product waarop de eventuele mededingingsbeperking van toepassing is. Om vast te stellen welke producten met elkaar concurreren kunnen twee perspectieven worden gehanteerd: dat van de consument (vraagzijdesubstitutie, SSNIP-test) en dat van de producent (aanbodzijdesubstitutie).

In casu is de vraag of de elektromotobike en de stadsfiets aparte productmarkten vormen of dat zij behoren tot één en dezelfde markt. Mits goede argumenten worden aangedragen, kunnen studenten beide mogelijkheden beargumenteren. Waarschijnlijk is echter dat de elektromotobike een aparte productmarkt vormt.

De relevante geografische markt is het gebied waarop de mededingingsvoorwaarden voor het betrokken product voor alle handelaren gelijk zijn.

Bij gebreke van specifieke informatie, kunnen studenten in casu concluderen dat de geografische markt de gehele interne markt betreft. Van belang is dat studenten zich niet in de war laten brengen door de verschillende marktaandelen die bedrijven bezitten op respectievelijk de Europese en Nederlandse markt.

Machtspositie

Na afbakening van de relevante productmarkt dienen studenten vast te stellen of Bazelle een machtspositie bezit.

Een onderneming heeft een machtspositie indien deze zich onafhankelijk op de markt kan gedragen van zijn concurrenten, afnemers, leveranciers of eindgebruikers. Een eerste indicator voor het al dan niet bestaan van een machtspositie is het marktaandeel. Verder spelen andere factoren een rol: het marktaandeel van de concurrenten, financiële reserves van de onderneming, de structuur van de betrokken ondernemingen en de expertise die daar aanwezig is.

In casu heeft Bazelle de gehele Europese markt voor elektromotobikes in handen (100%). Deze superdominantie leidt ertoe dat Bazelle een machtspositie heeft. Studenten kunnen ook beargumenteren dat elektromotobikes en stadsfietsen behoren tot één productmarkt. Analyse van andere factoren, zoals de marktaandelen van (eerstvolgende) concurrenten, is in dit geval wel noodzakelijk.

Misbruik

Het hebben van een machtspositie is niet verboden. Ondernemingen met een machtspositie hebben wel een bijzondere verantwoordelijkheid door hun gedragingen de concurrentievoorwaarden niet ongunstig te beïnvloeden. Kortom: misbruik van machtspositie is verboden.

In casu dienen studenten tot de conclusie te komen dat Bazelle misbruik maakt van zijn machtspositie door het verschaffen van 30% korting op de aanschafprijs van een stadsfiets indien consumenten een elektromotobike kopen. Het misbruik betreft een getrouwheidskorting. Een getrouwheidskorting is verboden aangezien zij verder gaat dan het enkel doorgeven van schaalvoordelen. Getrouwheidskortingen kunnen een misbruik opleveren als zij tot doel hebben om te verzekeren dat afnemers worden gebonden aan de onderneming met een machtspositie.

Ongunstige beïnvloeding tussenstaatse handel

Studenten dienen tot de conclusie te komen dat de gedragingen van Bazelle de tussenstaatse handel ongunstig beïnvloeden.

Daarbij moet worden verwezen naar het arrest Consten & Grundig, waarin het Hof stelt dat aan deze voorwaarde is voldaan indien de mededingingsbeperkende gedraging indirect, feitelijk of potentieel, de vrije handel tussen de lidstaten zodanig kan beïnvloeden dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de gemeenschappelijke markt wordt geschaad.

Conclusie

De gedraging van Bazelle vormt een schending van art. 102 VWEU en is derhalve verboden. Zij kan, in tegenstelling tot schendingen van art. 101 VWEU, niet worden gerechtvaardigd.

Open Vraag 2

Art. 107 VWEU

Studenten dienen tot de conclusie te komen dat in de casus eventueel sprake is van staatsteun en dat er dient te worden getoetst aan artikel 107(1) VWEU.

Ondernemingsvereiste

Vervolgens dient te worden aangegeven dat tankstations ondernemingen vormen in de zin van het Europees mededingingsrecht. Er is sprake van een eenheid die een economische activiteit uitoefent (Höfner arrest).

Voordeel

Een noodzakelijke voorwaarde voor de kwalificatie van een maatregel als staatsteun is dat deze een voordeel behelst. Studenten dienen met name te toetsen aan het Market Economy Investor Principle (MEIP) en beoordelen of de maatregel een artificieel karakter heeft. In casu vormt de jaarlijkse gemeentelijke bijdrage van 40.000 per tankstation een voordeel.

Afkomstig van de staat of met staatsmiddelen bekostigd

Het voordeel dient afkomstig te zijn van de staat of met staatsmiddelen te zijn bekostigd (Gebroeders Van der Kooij). In casu is aan deze voorwaarde voldaan aangezien de jaarlijkse bijdrage van 40.000 euro afkomstig is van de gemeente.

Selectiviteit

Een maatregel kan enkel worden gekwalificeerd als staatsteun indien zij bepaalde onderneming(en) bevoordeeld en derhalve selectief van aard is. In casu is aan deze voorwaarde voldaan aangezien de jaarlijkse bijdrage van 40.000 euro enkel wordt toegekend aan stedelijke tankstations. Studenten dienen zich niet te laten verwarren door het feit dat alle (stedelijke) tankstations voor de bijdrage in aanmerking komen. Ook maatregelen die op een gehele sector van toepassing zijn, kunnen selectief van aard zijn.

Beperking van de mededinging

De maatregel dient de mededinging ongunstig te beïnvloeden. In casu is aan deze voorwaarde voldaan aangezien stedelijke tankstations door de gemeentelijke bijdrage een competitief voordeel genieten.

Ongunstige beïnvloeding tussenstaatse handel

Studenten dienen tot de conclusie te komen dat de gemeentelijke maatregel de tussenstaatse handel ongunstig beïnvloedt/kan beïnvloeden. Het criterium is feitelijk van aard en derhalve kunnen verschillende argumenten worden aangedragen. Een argument kan zijn dat tankstations die gelegen zijn in grensgebieden door de gemeentelijke bijdrage zich in een gunstigere positie bevinden dan buitenlandse tankstations.

De-minimis vereiste

Krachtens Verordening 1998/2006 inzake de-minimis steun mag de staat over een periode van 3 jaar tot 200.000 euro aan steun geven per onderneming (art. 2(1) en 2(2) 1998/2006).

In casu blijft de gemeentelijke steun over een periode van 3 jaar beperkt tot 120.000 euro per tankstation. Studenten kunnen daarom beargumenteren dat de steun onder de-minimis Verordening valt. Er kan echter ook worden gesteld dat bepaalde olieconcerns meerdere tankstations bezitten en dat op basis van het cumulatievereiste de steun niet valt onder de de-minimis bekendmaking.

Conclusie

Studenten kunnen 0,5 punt verdienen indien zij op basis van de bovenstaande voorwaarden tot de conclusie komen dat er geen staatssteun is in de zin van art. 107(1) VWEU en derhalve niet hoeft te worden getoetst aan artikel 107(3) VWEU en/of artikel 108 VWEU.

Studenten kunnen ook 0,5 punt verdienen indien zij stellen dat er wel sprake is van staatssteun aangezien er niet is voldaan aan het de-minimis vereiste (cumulatie).

N.B. Indien studenten stellen dat er niet is voldaan aan het de-minimis vereiste en vervolgens kijken of de maatregel kan worden vrijgesteld (groepsvrijstellingsvervordening 800/2008 en/of artikel 107(3) VWEU) en toetsen aan de procedurevereisten (art. 108(3) VWEU en Verordening 659/1999) kan 1 bonuspunt worden verdiend.

Studenten die op basis van andere argumenten tot de conclusie komen dat er sprake is van staatssteun en vervolgens kijken of de maatregel kan worden vrijgesteld en toetsen aan de procedurevereisten kunnen 0,5 bonuspunt verdienen.

Meer TentamenTests - MC Vraag 8 t/m 20 en Casus 2 (Exclusief voor wie volledige online toegang heeft) 

 

Exclusive section of this page (for members with extra services and online access)

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: more related
Check: how to help
Share: this page!
Follow: Law Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
3143
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector