Collegeaantekeningen Staatsrecht 1

Deze aantekeningen zijn gebaseerd op het vak Staatsrecht 1 van het collegejaar 2015-2016.

Week 1, hoorcollege 1: introductie

Staatsrecht

Het staatsrecht is de basis van onze staat en het recht dat door de staatsorganen gemaakt wordt. Het is het recht van én over een bepaalde staat en bindt de overheid aan het recht.

Voor een staat geldt dat er rechtsregels zijn die voor hem verbindend zijn ook al worden deze rechtsregels door haarzelf gecreëerd.

De rechtsregels zijn niet vastomlijnd en er speelt vooral veel politiek in mee. Er is geen orgaan om er voor te zorgen dat de overheid zich aan het staatsrecht houdt en het bestaat ook uit veel ongeschreven regels. Bijvoorbeeld de vertrouwensregel.

Wonderland

Bij Coevorden is er een stukje niemandsland van ongeveer 6 meter. Het wordt wonderland genoemd en bevolkt door ongeveer 14 man. In de tent die er staat zetelt de regering.

Waarom zou dit stukje land geen staat zijn? De staat heeft een gemeenschap van mensen, een volk met een gemeenschappelijke cultuur, godsdienst et cetera. Er zijn immers veertien man. Er is ook sprake van een grondgebied; het is namelijk afgebakend en er wordt gezag uitgeoefend door een overheid die over dwangmiddelen beschikt. Er valt te twisten over het gezag in Wonderland, kan Wonderland handhaven in tijden van nood? Is er een geweldsmonopolie?

De meeste staten voldoen aan de drie eisen die een staat tot een staat maken. Deze ‘staat’ lijkt dat ook te doen. Het enige wat Wonderland niet heeft, en andere staten wel, is dat de staat door andere landen als staat erkend wordt. Dit laatste is niet één van de drie eisen die een staat tot een staat maken maar het lijkt wel belangrijk te zijn.

Groningen bijvoorbeeld, is ook geen staat. In Groningen is dat omdat het hoogste gezag daar niet wordt uitgeoefend.

Staten ontstaan vaak op revolutionaire momenten. Wanneer een staat ontstaat, begint de overheid regels op te stellen om haar eigen macht te beperken. Dat is wat het staatsrecht wordt genoemd. Voor het staatsrecht is het bestaan van de staat een gegeven. Het staatsrecht gaat immers óver de staat, de manier van ontstaan werkt door in de organisatie.

De staat en de overheid

Het begrip staat wordt vaak gebruikt wanneer het begrip overheid bedoeld wordt. Onder overheid worden de verschillende organen verstaan die de staatsmacht uitoefenen. De bevoegdheden berustten bij de specifieke organen en niet bij de overheid als één begrip. De bevoegdheden worden uit de wet gegeven.

De overheidsmacht wordt uitgeoefend in het algemeen belang maar moet wel in bedwang worden gehouden. Dat maakt dat er een verschil is met het toeschrijven van wettelijke bevoegdheden naar burgers en de overheid.

Bij burgers wordt er vanuit gegaan dat ze alles mogen, tenzij de wet daartegenin gaat. Bij de overheid is dat precies andersom. De overheid mag namelijk niets tenzij de wet haar bevoegdheden toespeelt. (Hier zijn wel veel uitzonderingen op)

De macht van de overheid

Overheidsmacht wordt beperkt, overheden hebben vaak het beste met het land voor maar iedere overheid vindt iets anders goed voor het land. Daarom moet de macht alsnog in bedwang worden gehouden. Sommige bestuurders vinden zichzelf immers erg belangrijk, vaak omdat ze erg van zichzelf overtuigd zijn en vinden dat ze om die reden meer macht zouden moeten hebben.

De macht wordt op verschillende manieren beperkt. Ten eerste door de machtenscheiding van Montesquieu. Daarmee wordt de macht verdeeld over wetgevende organen, bestuur en rechtsprekende organen. De tweede manier is het systeem van Checks & Balances, de evenwicht tussen deze machten. Deze laatste manier laat de organen hun controle behouden.

De organisatie van de staat

Macht kan ook op andere manieren worden verspreid. Doormiddel van staatsvormen bijvoorbeeld. Zo bestaat er een eenheidsstaat, een gedecentraliseerde eenheidsstaat, een federatie en een confederatie.

Een eenheidsstaat is gecentraliseerd. Er is één orgaan of in ieder geval één groep organen op dezelfde plek waarvan de macht uit gaat. De centrale macht houdt dus de uiteindelijke macht.

Een gedecentraliseerde eenheidsstaat is een eenheidsstaat met een centrale macht. Gedeeltes van de overheidsmacht worden doormiddel van decentralisatie over meer onderdelen verdeeld. De uiteindelijke macht blijft echter bij de centrale macht.

De federatie, een bondsstaat, heeft onderdelen met meer macht dan bij de eenheidsstaten. De macht tussen de centrale macht en de onderdelen is bijna gelijk.

De Confederatie, een statenbond is eigenlijk al geen staat meer. De onderdelen hebben alle macht. Het is eigenlijk een soort eenheid van staatjes.

Het karakter van het staatsrecht is anders dan in andere rechtsgebieden. Het is lastiger te interpreteren. Om deze reden wordt er vaak naar de geschiedenis gekeken. De bedoeling van de wetgever. Daarnaast ook naar de systematiek van de wetten. Daardoor is de historische systematische methode ontstaan. Voor deze methode moet er naar de ontwikkeling van het staatsrecht gekeken worden, de bijzonderheden van de staat, naar de uitleg van de betrokken organen en naar het staatsrechtelijk systeem. Het is belangrijk om te beseffen dat wanneer er alleen naar de historische verklaring gekeken wordt de ontwikkeling van het staatsrecht kan worden afgebroken. Daarom moet het heden te allen tijde worden meegenomen.

Het staatsrecht kan worden gevonden in de grondwet, het ongeschreven recht (het gewoonterecht, jurisprudentie etc.), de organieke wetten (ontstaan uit de grondwet) en uit overige regels met betrekking tot de Staatsorganisatie.

Nederland

Het koninkrijk der Nederlanden bestaat uit vier landen; namelijk uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Nederland is dus niet hetzelfde als het koninkrijk der Nederlanden. Aruba hoort dan ook niet bij Nederland maar bij het koninkrijk der Nederlanden.

Na 2010 is het allemaal nog ingewikkelder geworden. Sindsdien valt onder Nederland uit Nederland in Europa en de BES-eilanden; Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Deze laatste landen zijn niet zelfstandig zoals de andere vier landen. Sinds 2010 zouden ze kunnen beschouwd als een soort gemeente van Nederland.

In een tabel zou het er als volgt uit zien;

Het Koninkrijk der Nederlanden;

  • Nederland

    • BES-eilanden

      • Bonaire

      • Sint-Eustatius

      • Saba

    • Nederland in Europa

  • Aruba

  • Curaçao

  • Sint-Maarten

Week 1, hoorcollege 2: de ontwikkeling van de Nederlandse staat

Deel 2.1

Er zijn gedurende dit college vier periodes te onderscheiden; De Landsheerlijke periode; De Republiek (1588-1795); de Franse tijd (1795-1813) en het Koninkrijk (1814)

De Landsheerlijke periode

Nederland is in de middeleeuwen nooit een eigen gebied geweest, het was altijd onderdeel van een ander gebied. Nederland stond in het begin niet erg goed bekend. Het had ‘rare’ gewoontes.

Voor de heersers, de leenmannen was het, het gemakkelijkste om alles zo te laten zoals het was. Daardoor was Nederland een lappendeken van verschillende staatjes.

Toch was het feodalisme datgene dat de Nederlandse gebieden deed ontwikkelen.

Naar de Republiek

In 1477 was daar het Groot Privilege; de Bourgondische gewesten spraken met de Bourgondische Vorst (Filips De Goede) af dat zij hun eigen gebruiken, gewoontes en regels behielden in ruil voor belastingen et cetera.

In 1543 sneuvelde Karel de Stoute, de 17 gewesten komen zo onder het Habsburgs bestuur.

In 1549 kwam de Pragmatieke Sanctie; Nederland werd een aparte zelfbesturende eenheid binnen het rijk, (het werd administratief los geweekt). Er werden afspraken gemaakt tussen de landvoogdes en de Staten-Generaal. Nederland wilde meer inspraak.

Het ontstaan van de Republiek

Filips II had een opdracht, hij was streng katholiek en zag dat graag net zo onder zijn onderdanen. In zijn tijd waren er veel hervormers, protestanten. Hij wilde dit bestrijden en daarnaast meer eenheid creëren. Dit laatste was van belang voor het eerste want door meer eenheid kon er meer belasting worden geheven welke werd gebruikt voor het betalen van de ketterbestrijding.
Willem van Oranje, stadhouder, wilde niet langer werken onder Filips II omdat hij zich niet langer kon vinden in de politiek die Filips bedreef. Hij vond Filips II niet langer rechtvaardig en kwam zo in opstand. (1568-1648)

In 1579 werden er doormiddel van de Unie van Utrecht afspraken tussen zeven gewesten gemaakt. Het was een verbond met afspraken om samen de oorlog te bekostigen. Er werd in opgenomen dat ze vrijheid van Godsdienst en meer tolerantie wilden, dit rechtvaardigde de opstand.

In 1581 vaardigen ze daarop het Placaet van Verlatinghe uit. Ze vertellen Filips II zo dat hij niet langer rechtvaardig is en dat hij daarom niet langer als vorst wordt beschouwd. Ze wisten echter niet wie er nu de baas zou moeten zijn. Niemand wilde Nederland hebben.

In 1588 bepalen ze dan dat de soevereiniteit bij de gewesten ligt. De Staten-Generaal wordt de gemeenschappelijke vergadering. Dit is de start van de Nederlanden als staat.

De opstand gaat nog een hele tijd door. Nederland wordt in de 17e eeuw een belangrijk en machtig land. In 1648 wordt uiteindelijk de Vrede van Münster getekend en wordt Nederland erkend als zelfstandige staat. Dit is dan het einde van de 80-jarige oorlog.

Nederland ging zo als enige land een compleet andere kant op. Het had zo een compleet versnipperde autonomie.

De Republiek

De Republiek had als kenmerk dat het een confederatie was, de macht lag bij kleinere onderdelen en dat het een gewestelijke autonomie was. Dat laatste betekent eigenlijk hetzelfde als het eerste.

Het bestuur van de Republiek was als volgt verdeeld; er was een stadhouder; een landsadvocaat; een Staten-Generaal; een Raad van State en een Rekenkamer.

De Stadhouder was onder andere Willem van Oranje. Als stadhouder kreeg je een hoop privileges en je mocht je met een hoop dingen bemoeien. Je had rechten om overal, wanneer je dat belangrijk vond, mensen neer te zetten die je daar graag wilde hebben. Verder waren ze veel betrokken binnen de militaire functies. De Stadhouder werd door de Staten-Generaal zo klein mogelijk gehouden maar ze werden verder als vorsten behandeld.

De landsadvocaat was een soort minister-president zonder parlement en kabinet. Hij stond aan het hoofd van de Staten-Generaal.

De Staten-Generaal was de algemene vergadering. Hierin moest unaniem worden beslist, dat leverde nogal eens problemen op. Er bestond immers niet iets zoals de telefoon.

De Gewestelijke Staten waren de uiteindelijke gezaghebbers in de staten.

De Raad van State is het oudste instituut dat we in het Nederlandse Staatsrecht kennen. Hieraan kon de landvoogdes bijvoorbeeld advies vragen.
De Rekenkamer is eigenlijk net zoiets als de Raad van State, deze was net zo oud en ook voor het advies.

De Franse Tijd (1797-1813)

De republiek heeft het niet gered. De Franse legers bezetten de Republiek voor 20 jaar. Ze namen nieuwe systemen en concepten mee. Dat vormde een snelle verandering, een hervorming.

In 1798 kregen we de meest moderne grondwet die we in Nederland ooit gehad hebben. Hierin werd de volkssoevereiniteit, de scheiding van kerk en staat, de scheiding van machten etc. etc. beschreven. Het boek werd afgekondigd door de nationale vergadering, opgezet door de Fransen.

De Fransen zorgden verder en door middel van het boek voor de vestiging van een eenheidsstaat, staatsregelingen(constitutionaliseren) en centralisatie. Dat laatste maakte Nederland tot één vorm zodat het makkelijker bij de rest van Europa kon voegen.

De grondwet sloeg niet erg goed aan in Nederland. Nederlanders bleken niet goed in concept-denken en niemand begreep er wat van. De Fransen moesten zich hierin een klein beetje terugtrekken.

Koninkrijk der Nederlanden

Nederland wist na Frankrijk niet erg goed wat ze moesten doen. Een koningshuis of een Republiek. Hierop volgde een typisch Nederlandse oplossing; Geen van beiden.

In 1813 werd Willem I Sire, later koning. Het was geen opvolging van Willem van Oranje maar een lid van een Friese familie, ook Oranjes.

In 1814 werd er een grondwet uitgevaardigd waarmee de Raad van State en de Staten-Generaal terugkwamen. Daarmee werd Nederland een eenheidsstaat, een constitutionele monarchie. Dus wel een koningshuis dat zich moest aanpassen aan de grondwet.

In 1815 voegde Nederland België aan Frankrijk toe. Willem I werd zo ook koning van België, België vond dit op zich geen probleem, er moest alleen een extra kamer bij. Dat maakte dat er nu sprake is van de 1e en de 2e kamer.

In 1840 werd het eerste stukje van de macht van de koning verbonden aan de grondwet. Tot dan toe had de koning alleenrecht.

In 1848 was de gehele macht van de koning verbonden aan de grondwet.

Deel 2.2

Er zijn verschillende fasen waarin staten zich kunnen bevinden; de soevereine staat; de rechtsstaat; de democratische staat en de waarborgstaat.

Zonder absolute vorstenstaat had er nooit een democratische rechtsstaat kunnen bestaan. We hadden een hiërarchische staat, veel verticale relaties. Aan het eind van de middeleeuwen was er veel angst door onder andere de pest en godsdienstoorlogen en dat leidde weer tot nieuwe oorlogen.

Er moest rust en orde komen door middel van centralisatie, de staat moest worden gekoppeld aan soevereiniteit wat werd overgelaten aan enkele grote denkers in de soevereiniteitstheorieën.

De soevereine staat heeft te maken met uitoefening van macht. Alles in de politieke gemeenschap gaat over uitoefening van macht over andere mensen.

Er zijn verschillende soevereiniteitstheorieën. De eerste is die van Machiavelli (macht en politiek); zei dat het de taak van de prins is, te zorgen voor rust en orde. Er moest worden opgehouden met religie en de macht moest in handen worden gehouden. Er moest politiek worden bedreven. Het maakte niet uit hoe, als je maar tot het juiste komt. Het was machtsvorming met een doel, wat de soevereiniteit was. Soevereiniteit werd il stato genoemd.

Bodin (macht en soevereiniteit) ging uit van een staat. Wanneer er een staat was moest worden aangenomen dat deze soeverein was. Zonder soevereiniteit kon er volgens Bodin simpelweg geen staat bestaan. Deze staat bestaat alleen wanneer er een vorst is. Deze heeft de soevereiniteit. Zo ontstond er een drie eenheid van vorst-staat- soevereiniteit.

Hobbes (macht en consent); Hobbes bedacht dat er een verdrag tussen volk en vorst kon bestaan (fictief). De vorst kon zich daarop beroepen. In dat verdrag beloofde de vorst protection in ruil voor obediance.

Naar rechtstaat en democratie;

Mensen gaan meer nadenken.

Locke (macht en recht); Wat Hobbes zegt, klopt niet. Er wordt geleefd in een state of nature. Van nature heerst er natuurrecht. Dat is het kenmerk van een natuurstaat waarin er wordt geleefd als individu en beschikt wordt over individuele vrijheidsrechten. Dit zijn de oorspronkelijke grondrechten.

De uitoefening van de staatsmacht wordt een hekel punt, er is wel een maatschappelijk verdrag, zegt Locke maar het is beperkt. Niet alles omvattend. De grondrechten van Locke; die overdraag je niet. Alleen de mate waarin je bestuurd wordt.

De grondrechten van Locke zijn als volgt; Recht of life; Liberty; Property. Deze kunnen dus niet worden overgedragen, gezamenlijke welvaart en welzijn echter wel.

Dit is dus de start van de rechtsstaat. Er zijn rechten waar de staat niet aan mag zitten.

Rousseau (macht en identiteit) zegt; Alle mensen worden goed geboren. Mensen in een politieke gemeenschap zijn van nature niet egoïstisch. Het zijn vrije en individuele mensen. Hoe kun je als vrije en individuele mens je vrijheid maximaliseren. Locke zegt, grondrechten en afstand houden. Rousseau zegt; je moet juist je eigen politiek gaan bedrijven. Eigen regels maken, eigen gemeenschap creëren. Waar Locke wegduwt haalt Rousseau juist aan. Een sociaal contract wordt met z’n allen gesloten. Elke individu brengt zijn wil in, in een volonté tous, de volonté tous wordt omgezet in een volonté génèrale (een wil) De vestiging van de volkssoevereiniteit, de macht gaat uit van onderop. Niet van een overheid of een godsdienst.

Een begin van een liberale verandering in samenleving. Mensen worden burgers, ofwel belangrijke individuen.

Aan een rechtsstaat zitten twee belangrijke elementen gekleefd. De eerste is de scheiding van machten (dus NIET van Montesquieu), de macht van de staten moeten volgens Locke enigszins beperkt worden. De tweede is grondrechten.

Bij Rousseau is er helemaal geen sprake van een machtenscheiding, iedereen wil namelijk hetzelfde. Tegen wie zou je dan beschermd moeten worden? Je hoeft tegen jezelf geen machtenscheiding en grondrechten in te richten om jezelf tegen jezelf te beschermen.

3. Theorie van de rechtstaat

De rechtstaat bestaat uit de grondwet, de machtenscheiding bestaande uit democratische wetgeving; heerschappij van de wet (legaliteitsbeginsel) en onafhankelijke rechtspraak en als derde de grondrechten.

De rechtstaat is gebaseerd op het recht en de hoogste regels.

4. Theorie van de democratie

Belangrijke elementen zijn; vertegenwoordiging, meerderheid, verantwoording, openbaarheid en participatie.

Democratie is een staatsvorm op basis van de gelijkwaardigheid van de mensen, dat wil zeggen de volksinvloed op het staatsbestuur.

Week 2, hoorcollege 1: democratie en vertegenwoordiging

De regering

De regering bestaat uit de Koning en de ministers. (art. 42 Gw.) Er zijn ministers (43), staatssecretarissen (46) en ministeries (44). In het kabinet zitten de ministers en de staatssecretarissen.

Een ministerie is een ambtelijke organisatie met aan het hoofd een minister. Bij het ministerie werken ook staatssecretarissen. Zij kunnen als een soort onder- ministers worden beschouwd.

De Staten-Generaal

De Staten-Generaal, ook wel het parlement, bestaat uit de eerste en de tweede kamer. (Art. 50 jo. 51 Gw.) Er is in de Staten-Generaal sprake van Fracties. Fracties zijn groepen mensen in de kamer met dezelfde politieke kleur. Oftewel. Fracties zijn politieke partijen.

In de Staten-Generaal bestaan ook commissies. Deze zijn juist niet gelijkgezind. Commissies zijn verdeeld om het werk te verdelen en overzicht te geven. Commissies doen voorbereidend werk maar hebben geen macht. In Nederland hebben zij geen bevoegdheid om belangrijke beslissingen te maken. Commissies zijn altijd gericht op een bepaald onderwerp. Vanuit elke fractie gaan een bepaald aantal mensen met een zetel in commissies. De hoofdregel is dat in elke commissie elke fractie vertegenwoordigd wordt.

Directe Democratie

In Nederland is er over het algemeen geen sprake van directe democratie. Er zijn echter wel mogelijkheden toe. De eerste is het burgerinitiatief; Het proces wordt beschreven in 132a RvOII, de mogelijkheid voor burgers om iets op de agenda te krijgen. Dat maakt dat erover gesproken moet worden. Een voorbeeld hiervan is Arjen Lubach die Farao der Nederlanden wilde worden. Voor een burgerinitiatief moeten er een bepaald aantal handtekeningen worden verzameld.

Er zijn een aantal eisen waar een burgerinitiatief aan moet voldoen, deze staan opgenoemd in 132a RvOII, een van de belangrijkste eisen is, ‘Het burgerinitiatief kan niet betreffen; (…) zaken die in strijd zijn met de Grondwet”

Tot nu toe heeft het burgerinitiatief nog nooit wat opgeleverd.

De tweede mogelijkheid is het Referendum; Het Referendum is een volksstemming. Kiezers mogen dan een vraag beantwoorden. Referenda zijn echter niet bindend, volgens de Grondwet. Er hangt een derde oproep tot de Grondwetswijziging maar de vorige twee zijn al verworpen. De nieuwe wet zou mogelijk moeten maken dat referenda wel bindend worden.

Voor het raadgevende Referendum zijn twee stappen te onderscheiden, de eerste is de stemming. 10.000 mensen moeten voor een referendum stemmen. Daarna moeten er binnen 300.000 stemmen extra worden verzameld.

Er zijn andere participatie-instrumenten; De AwB bijvoorbeeld geeft een aparte titel voor de openbare voorbereidingsprocedure waarmee de belanghebbende zo goed mogelijk kan worden betrokken. Andere mogelijkheden zijn bijvoorbeeld inspraak op een gemeente vergadering.

Representatieve Democratie

In Nederland hebben we meer een Representatieve democratie. Representeren. opnieuw present zijn… Het Collectief, (iedereen) wordt geacht aanwezig te zijn in een groepje van ons. In Filosofische zin is in de Staten-Generaal (art. 50 Gw) iedereen aanwezig. Het gehele Nederlandse volk wordt dus vertegenwoordigd door 225 volksvertegenwoordigers. De schijn wordt gewekt alsof de meningen van de 225 volksvertegenwoordigers voldoende omvattend zijn.

Zelfs wanneer iedereen naar de stembus zou gaan dan nog zou niet iedereen kunnen worden meegenomen. Mensen van 17 jaar en jonger en mensen die niet stemgerechtigd zijn zouden nooit meetellen.

Om sturing van de partij te voorkomen stemmen de Kamerleden op grond van art. 67 lid 3, ze stemmen zonder last. Juridisch gezien zijn ze op die manier dus niet gebonden aan een partijprogramma. Al doen ze dat natuurlijk wel.

Wie mogen er mee doen in de Representatieve Democratie?

Op grond van art. 4 Gw is iedereen kiesgerechtigd. Iedereen mag kiezen en gekozen worden. In 1917 werd bepaald dat mannen kiesrecht hadden, vrouwen konden het volgens de grondwet krijgen. In 1919 kregen ze dat dan ook. Pas in 1921 werd het daadwerkelijk opgenomen.

Voor het actieve kiesrecht gelden de vereisten uit art. 54 Grondwet. Nationaliteit, leeftijd, uitsluiting en ingezetenschap.

Iedereen mag stemmen voor de 2e Kamerverkiezingen. Mits je voldoet aan de vereisten van de nationaliteit. (art. 50 Gw, SG vertegenwoordigd Nederlanders), leeftijd (pas in 1972 18 jaar, eerder 23) je mag niet uitgesloten zijn, (Dat laatste kan op grond van art.28 lid 1, 3 Sr.) Het is een bijkomende straf bij zeer ernstige delicten.) en ingezetenschap. Nederlanders die in het buitenland wonen en voldoen aan de vereisten, mogen meedoen tenzij je in Curaçao, Aruba of Sint-Maarten woont. (Omdat je daar dan al kiesgerechtigd bent.)

Op grond van art. 56 GW, geldt voor het passieve kiesrecht alles hetzelfde. Met uitzondering van het ingezetenschap.

De wet heeft ruimte om mensen in andere landen uit te zonderen van het actieve kiesrecht. In het passieve kiesrecht kan dat niet.

Hoe verdeel je de zetels?

Er zijn verschillende verdelingsstelsels. Het eerste stelsel is het meerderheidsstelsel; Dit deelt zetels toe op basis van verkregen meerderheden. Je verdeelt het land in evenveel vakjes dat er zetels zijn. Per vakje wordt er dan gestemd wie dat stukje mag vertegenwoordigen.

Het systeem van evenredige vertegenwoordiging werkt anders. Een aantal belangrijke begrippen zijn stemcijfer, kiesdeler en voorkeursstemmen. Het stemcijfer is het aantal stemmen in cijfers. De kiesdeler is het stemcijfer gedeeld door het aantal te verdelen zetels. Zo weet je hoeveel stemmen je nodig hebt voor een zetel. Het aantal stemmen gedeeld door de kiesdeler wordt dan het aantal zetels.

Voorkeursstemmen is als een bepaald persoon op de lijst van een bepaalde fractie een aantal stemmen dat gelijk aan of meer is dan de kiesdeler. De personen met voorkeursstemmen zijn het eerste bij de te verdelen zetels.

Voor- en nadelen;

Meerderheidsstelsel; (in bijv. Engeland)

Voor: Het stelsel is erg eenvoudig. Er is geen sprake van ingewikkelde formules. Per definitie heb je te maken met bekende mensen, je kiest namelijk zelf voor de mensen van jouw district. In de praktijk leidt dit systeem dan ook tot stabiele en goede regeringen.

Tegen: Het leidt eigenlijk altijd tot een twee-partijen stelsel. Je kiest immers alleen voor een partij als je denkt dat deze ook kan winnen. Als je voor een partij kiest welke laag in de peilingen staat heeft daarop stemmen geen zin. Je stem wordt dan niet meegenomen in de berekeningen.

Evenredige vertegenwoordiging.

Nadeel: Er is een grote kloof tussen de kiezer en de vertegenwoordiger. Het parlement raakt versplinterd omdat er geen prikkel in het kiesstelsel is om grote partijen te steunen. Je stem uitbrengen op kleinere partijen telt namelijk in dit systeem gewoon mee in de berekeningen.

De partijen hebben in de kamer in dit stelsel veel meer te zeggen dan bij het andere stelsel. De Kamerleden zitten er nu namelijk vaker voor zichzelf. Een lokale crisis maakt ze niet zoveel uit. Je moet gewoon goed op de lijst komen te staan en daar kan een politieke partij bij helpen.

De Staten-Generaal

De Staten-Generaal is pas tweehonderd jaar de volksvertegenwoordiging. Hij bestaat al langer, namelijk vijfhonderd jaar.

De Staten-Generaal bestaat uit twee kamers. De vraag is, waarom? Er zijn drie argumenten te bedenken vóór het tweekamerstelsel. De eerste is, het is een Federale organisatie. Federaties hebben bijna altijd een twee-kamer-stelsel. Eén kamer vertegenwoordigd hierin het volk en één de deelstaten.

Het tweede argument is, het is de Vertegenwoordiging van de aanzienlijksten in de samenleving. Er is dus sprake van klassenjustitie. De klassen vonden dit vroeger wel belangrijk, wat uiteindelijk de aanleiding was voor oprichting in Nederland.

Het derde argument is, dat de kamers een verschillende taak kunnen hebben. De één meer beperkt dan de andere.

Vroeger was de extra kamer alleen nog voor de aanzienlijksten. Daarnaast maakt de Grondwet in Nederland nauwelijks verschil tussen de taken en de bevoegdheden van de 1e en de 2e kamer. Daarom zijn deze drie argumenten dus eigenlijk niet van toepassing.

De 1e en 2e kamer

Er zijn wel een aantal verschillen tussen beide kamers;

De eerste is de omvang. Op grond van art. 51 lid 2, 3 heeft de 2e kamer 150 en de 1e 75 leden.

De tweede is de wetgeving. De 2e kamer mag wijzigingen aanbrengen, het recht van amendement, en wetsvoorstellen tot stand brengen, het recht van initiatief. De 1e kamer kan enkel verwerpen of aannemen. Dat kan de 2e kamer ook.

Het derde verschil is het aantal uren werk. In de 2e kamer heb je er een fulltime baan aan. In de 1e kamer een dag per week.

Het vierde verschil is dat de 1e kamer door de Provinciale Staten word gekozen en de 2e kamer door ons.

Beide kamers werken samen met commissies; commissies van de kamers met daarin tweede kamer-leden. Tegenover elke minister en elk ministerie staat een commissie, die daar specifiek op let.

Om zelfstandigheid van Kamerleden te garanderen zijn er op een aantal gebieden regels getroffen.

De zelfstandigheid wordt geregeld op verschillende gebieden, het eerste gebied is het eigen Reglement van Orde. Zo hebben beide kamers een Reglement van Orde gemaakt waarin staat hoe de kamers alles regelen. (Art. 72 Gw.). Het tweede gebied is het onderzoek van de geloofsbrieven. Kamers kunnen onderzoeken of iemand wel juist gekozen is. (art. 58 Gw.). Het derde gebied is de Parlementaire immuniteit. Dit maakt dat ze on-vervolgbaar zijn. Leden van de kamers kunnen niet worden vervolgd voor wat ze zeggen tijdens de vergadering en in de kamer. Dat beschermt tegen de kiezers en tegen de niet-kiezers. Art. 71 Gw. Het vierde gebied is het verbod van last, Kamerleden zijn alleen gebonden aan het eigen geweten. Afspraken met de partij zijn niet in rechte afdwingbaar. (art. 67 lid 3 Gw.)

Het vijfde gebied is de Eed of Belofte uit art. 60 Gw. Er moet worden beloofd dat men trouw is en goed zal vertegenwoordigen. Als laatste het gebied van de geleidelijke vergoedingen. Art. 63 Gw. Dit zijn onkostenvergoedingen.

Week 2, hoorcollege 2: regering en parlementair stelsel

Het koningschap

Het Koningschap kenmerkt zich grofweg in twee kenmerken, namelijk: Erfelijkheid (art. 24 Gw.) en het Ambtskarakter; Hierover is niets geregeld in de Grondwet. Het karakter is het zijn van Staatshoofd, ook dat wordt niet benoemd in de Grondwet. De rol van het koningschap is erg belangrijk maar toch heb je als staatshoofd weinig te zeggen.

Na de Franse tijd, via allerlei politieke veranderingen en onder andere Willem van Oranje, kwam het uiteindelijk uit op een constitutionele monarchie. De Koning was het middelpunt van de monarchie. Het was de start van een politiek format, met de koning als middelpunt.

De ministers moesten in 1848 de rol van de koning overnemen. De koning werd onschendbaar en wanneer je onschendbaar bent is het beter niet al te veel met de politiek te bemoeien. Op het moment van overname van de rol, kwam er een politieke evidentie waardoor de ministers één politieke eenheid moesten vormen. Dat was de enige manier om als ministers iets te kunnen regelen.

Vanaf 1848 gold de term koning dus ook voor de ministers. Eerder werd met koning echt alleen de koning aangeduid.

De term regering, koning en ministers, werd pas in 1983 grondwettelijk in gebruik genomen.

De betekenis van het koningschap valt wederom uiteen in twee vormen. De eerste is een magistraatsfunctie; de koning vervult als staatshoofd een ambt, heeft dus een functie in het landsbestuur, een magistraatsfunctie. Het is geen politieke rol, het kan bestuurlijk zijn e.v. Staatsrechtelijk is er op de rol nauwelijks grip te krijgen. De koning heeft uit naam van zijn functie wel een aantal rechten verworven. Bijvoorbeeld het recht op advies, recht om aan te moedigen etc.

De tweede vorm is de symboolfunctie; Hierbij gaat het meer om de vraag wat de koning is. De rol van het koningschap is het zorgen voor eenheid, een voorbeeldfunctie.

Over de koning is in de grondwet niet erg veel vermeld. De troonopvolging; het continuïteitsbeginsel wordt beschreven in art. 25 Grondwet. In art. 27 Grondwet wordt vermeld dat de koning afstand kan doen van het koningschap. In art. 28 Gw wordt gesproken over eventuele huwelijken, in art. 29 Gw de uitzonderingsgevallen hierop. In art. 30 Gw wordt gesproken over het geval wanneer er geen opvolger is en in art. 33 Gw wordt gesproken over wanneer de koning niet langer bekwaam is.

Persoonlijke rechten, met betrekking tot geld staan beschreven in art. 40 Gw en Wet Financïeel statuut van het Koningschap.

Ministers, Ministeries en de Ministerraad

In de kabinetsformatie zijn er weinig regels. Als ze er al zijn staan ze vooral in niet-staatsrechtelijke bronnen.

De benoeming en ontslag staan geregeld in art. 43 en 47 Gw.

Van oorsprong zijn het politieke procedureregels. In art. 139a en 139b RvOII is opgenomen dat de kamers vanaf dat moment het Kabinet zelf konden samenstellen. Tot dan toe was de rol van de koning in de formatie erg ingewikkeld geweest.

Wanneer een kabinet opnieuw word ingesteld verkeerd het een tijdje in demissionaire status. Op dat moment zijn de portefeuilles ingeleverd en is het dus een beetje aan het afbouwen. Het kabinet kan op dat moment alleen nog lopende zaken aanpakken. Het landsbestuur ligt op dat moment een beetje stil.

Ministeries worden beschreven in art. 44 Grondwet. Het hoofd van het ministerie is volgens lid 1 van dit artikel de minister. Ambtenaren zijn hiërarchisch aan hem ondergeschikt. Hoofden van ministeries worden vaak aangeduid als minister VAN.

Een minister zonder portefeuille ( lid 2) is een minister zonder ministerie. Zij wonen dan bij andere ministeries in en worden minister VOOR… genoemd. Wettelijk gezien staat de minister zonder portefeuille niet lager dan de minister met portefeuille. Toch is hij van de ander afhankelijk. De minister zonder portefeuille krijgt namelijk geen eigen geld. Dat geld wordt gestort bij het ministerie bij wie hij in woont. De minister zonder portefeuille is welkom bij de ministerraad.

De staatssecretaris (art. 46 Gw) werkt alleen wanneer de minister dat nodig acht. Hij is een soort plaatsvervanger maar die taak voert hij maar zelden echt uit. Hij mag dan ook niet voor hem vervangen in een vergadering. De minister is te allen tijde verantwoordelijk voor wat de staatssecretaris doet.

De ministerraad (art. 45 Gw) wordt gevormd door de ministers. Politiek is dit het centrale orgaan. Hierin zitten geen staatssecretarissen. Deze komen wel bij het kabinet.

In de ministerraad moet er sprake zijn van homogeniteit, dat betekent dat er een eenheid gevormd moet worden. ministers zijn gebonden aan de ministerraad.

De samenstelling van de ministerraad wordt beschreven in art. 45 Gw, de taken en bevoegdheden in lid 3.

De minister-president heeft in hoofdlijnen dezelfde positie als andere ministers. Het enige verschil is dat hij voorzitter is en daarbij behorende taken heeft. In de politieke werkelijkheid is de taak zwaarder, daar moet hij in de Raad van Europa zitten om met de rest mee te praten. Dat is vooral beeldvorming, net als de wekelijkse persconferenties. Iedereen is bezig om het ambt op te voeren tot iets wat het niet is. Dit maakt dat er spanning is.

De afgelopen eeuwen is er een machtsstrijd geweest tussen de koning, de ministers en het parlement. Deze is als volgt verlopen;

  • 1814/1815: De Koning is soeverein met het parlement als medewetgever. Eerst hebben de ministers weinig trek in wetgeving en regeren. Langzaam wordt het anders. Het parlement wil meer macht.

  • 1939: Het eerste gedwongen ontslag van een minister door de tweede kamer.

  • 1840: De eerste inbreuk op de positie van de koning in de grondwet.

  • 1848: In de grondwet wordt politieke ministeriële verantwoordelijkheid geschreven en ontbindingsrecht. De koning moest hier wel aan toegeven. De ministers worden hiermee het machtscentrum van het landsbestuur.

  • 1866-1868: Kwestie Meijer/Kwestie Luxemburg: de vertrouwensregel, de regering wilde Mijer benoemen tot gouverneur generaal van Indië, de tweede kamer zei dat dat inderdaad een bevoegdheid was van de koning maar dat niet wilde zeggen dat deze ongelimiteerd is en dat daar geen eisen aan mochten worden gesteld.

De tweede kamer wordt het centrum van het landsbestuur.

  • 1917: Het algemeen kiesrecht wordt ingesteld en het stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

In Nederland hebben we een gematigd dualistisch stelsel. Ministeriële verantwoordelijkheid is volgens art. 42 Gw de hoeksteen van de parlementaire democratie.

De omvang wordt bepaald door de tweede kamer. Het kabinet kan dus nooit zeggen, daar gaat u niet over. Het is een soort risicoaansprakelijkheid.

Wanneer de tweede kamer boos wordt vliegt de minister of staatssecretaris de laan uit. Ook al is het de fout van de ambtenaren.

De verhouding tussen de regering en het parlement wordt geregeld door de vertrouwensregel. Ministers en staatssecretarissen kunnen niet aanblijven als de 2e en de 1e kamer het vertrouwen hebben opgegeven.

Op grond van art. 68 Gw hebben ministeries een inlichtingenplicht. Je zou dit kunnen zien als een paraplu. Onder deze paraplu, (die onder de tent van de ministeriële verantwoording valt) staan weer andere rechten zoals in te dienen moties enz. enquêterecht bijvoorbeeld (art. 70 Gw.)

Middelen om de paraplu te activeren en zo de tent te activeren zijn parlementaire middelen.

Het sluitstuk hiervan is de vertrouwensregel.

Een motie van wantrouwen in dienen gebeurt eigenlijk vrijwel nooit, meestal doen ze dit via een andere weg.

Week 3, hoorcollege 1: Staten-Generaal

Verhouding SG en Ministers

Tot 1848 waren er grote ontwikkelingen in het koninkrijk. De macht van de koning nam af en ministers namen deze langzaam maar zeker over. In 1848 werd de ministeriële verantwoordelijkheid geïntroduceerd. Zij moesten zich toen verantwoorden tegenover de Staten-Generaal.

De verhoudingen waren na 1848 nog steeds niet geheel duidelijk. De verduidelijking kwam in 1866/1868. De opkomst van het parlementaire stelsel met als belangrijkste regel; de vertrouwensregel.

De vertrouwensregel bepaald de gehele verhouding tussen de Staten-Generaal en de ministers. Immers, wanneer de Staten-Generaal het vertrouwen in een minister kwijt is, moet deze minister vertrekken. Dat maakt dat de Staten-Generaal een conflict in beginsel dus altijd zal winnen. De vertrouwensregel is zo belangrijk dat je zou kunnen zeggen dat eigenlijk al het staatsrecht op deze regel berust.

De vertrouwensregel zorgt niet alleen voor vijandschap maar ook voor controle. De vertrouwensregel veronderstelt parlementaire controle, veronderstelt dus ook dat er overleg plaats vindt. De vraag rijst nu, hoe kun je de verhouding tussen beiden nu schetsen?

Er zijn twee verhoudingsmodellen te benoemen, model 1 is het monisme. Model 2 is het dualisme. Monisme en dualisme zijn twee heel abstracte begrippen. Ze worden allebei op verschillende manieren gebruikt. in dit geval betekent het dualisme dat er sprake is van twee organen die onafhankelijk van elkaar opereren. Deze organen zijn gelijkwaardig en niet tot elkaar te herleiden.

Bij het monisme is er sprake van een hoofdorgaan dat een onder-orgaan kiest. Het ene orgaan is dus ondergeschikt aan het andere en kan van het hoofdorgaan worden afgeleid.

De verhouding tussen de regering en het parlement, hoe kun je die nu schetsen? Wanneer je voor één van beide stelsels zou kiezen zou het dualisme naar voren komen. Beiden hebben in principe een eigen positie en eigen bevoegdheden. Toch is er sprake van de vertrouwensregel. Van echte onafhankelijkheid is dus niet (volledig) sprake. Er is enigszins parlementair overwicht. De conclusie zal dus zijn, een dualistisch stelsel met monistische trekjes oftewel een gematigd dualistisch stelsel.

Kabinetsformatie

Waarom hebben we en kabinetsformatie? Omdat we een bestuur nodig hebben. Dit bestuur moet goed zijn. Bij de formatie komen eigenlijk alleen die ministers in het kabinet die vaste steun hebben vanuit de Staten-Generaal. Zolang zij aan het ‘verlanglijstje’ van de Staten-Generaal voldoen kunnen zij op die manier vrijuit opereren.

Bij een kabinetsformatie wil je samenwerking tussen partijen die samen ten minste 76 zetels hebben. Dat doe je dus vanaf de verkiezingsuitslag. Dan begin je met behulp van de formateurs, om de grootste partijen bijeen te schrapen. De formateurs leiden de onderhandelingen. Zij worden aangesteld door de 2e kamer, art. 139a RvOIII

Uiteindelijk resulteert dit in een Regeerakkoord (tussen de grootste partijen); beleidsvoornemens over wat er moet gebeuren. Wanneer de ministers dit volgen hebben ze dus sowieso de steun van de Staten-Generaal.

Bij zo’n kabinetsformatie vertrekken de demissionaire bewindslieden, nieuwen worden benoemd bij Koninklijk Besluit. (art. 43 Gw.) Oftewel door de Koning en de ministers.

Maar door welke ministers dan?

Ministers benoemen gebeurd door contra-seign van de minister-president. (art. 48 Gw.) Hij tekent dus eigenlijk dat hij minister-president wordt en geeft zich met die handtekening dus zelf toestemming. Wanneer hij dat gedaan heeft is hij daadwerkelijk minister-president en kan hij verder zonder problemen andere ministers benoemen.

Dan volgt er vaak een regeringsverklaring in de Tweede Kamer, verantwoording over onder andere het kabinet, een uiteenzetting van het kabinetsprogramma en eventuele verdere informatie.

Controlemiddelen

Het parlement, blijft ondanks eventuele gunstige ministers, alsnog controleren. Er zijn diverse instrumenten voor deze controle.

De eerste is het inlichtingenrecht. (art. 68 Gw.) Controleren kan je alleen wanneer je informatie hebt. De tweede kamer is afhankelijk van de informatie die de minister geeft. (De Kamers mogen vragen om inlichtingen, ook individueel, en dan wordt er aan de hele kamer antwoord gegeven.) Antwoord geven moet, tenzij je een goede reden hebt als staatsbelang. De minister moet dat naar waarheid doen. Dat is best gek.

Beide kamers hebben het inlichtingenrecht wat beperkt in uitwerkingen van het inlichtingenrecht.

Ze hebben dit gedaan doormiddel van;

Het recht van interpellatie: Vragen stellen aan een minister die op dat moment niet op de agenda staan. Dit gebeurd alleen bij spoedgevallen. Dit recht komt toe aan een individueel Kamerlid. Daarvoor is verlof nodig van de kamer. Bij 30 stemmen en meer, mag het recht van interpellatie gebruikt worden. (art. 133 TK, 139 EK RvO)

Het vragenrecht, zowel schriftelijk als mondeling. Schriftelijke antwoorden moeten in beginsel binnen drie weken gegeven worden (art. 134-135 RvO Tk, art. 140 RvO EK). Mondelinge vragen worden alleen in de tweede kamer gesteld. (Art. 136-139 TK). Het gaat hierbij vaak meer om de vragen dan de antwoorden. Het mondelinge vragenrecht is eerder een politiek spel. Er moet even getoond worden dat ze allemaal nog wel kritisch zijn.

Dit waren de uitwerkingen van art. 68 Gw.

Soms zijn er dingen die zo belangrijk zijn dat er zelf onderzoek wordt gedaan. Bijvoorbeeld door middel van het Recht van Enquête (onderzoek) art. 70 Gw. (Wet op de parlementaire Enquête)

Bij dit recht kan iedereen, dus ook andere mensen dan de ministers en staatssecretarissen, worden gevraagd om informatie te verstrekken. Je bent hierbij echt verplicht om te verschijnen en te spreken. Er zijn dwangmiddelen. (art. 13,14,25 ev.)

Het doel van dit middel is waarheidsvinding en lessen voor de toekomst. Naar aanleiding van zo’n onderzoek wordt er een dik rapport geschreven door de commissie die dat dan voor een oordeel naar de tweede kamer stuurt.

Wat als je al informatie hebt? Dan kun je er een uitspraak over doen. (een motie) Moties zijn pas in beeld als ze worden aangenomen. (Art. 66 Tk, 93 EK) Moties zijn niet bindend. Het zijn enkel uitspraken.

In principe, een minister, met betrekking tot de vertrouwensregel, zal er als het wordt aangenomen toch naar moeten kijken. Tenzij het een motie van wantrouwen is. Deze moet wel worden opgevolgd, maar dan is het eigenlijk ook al te laat voor de desbetreffende minister.

Het begrotingsrecht

Iets anders is het begrotingsrecht. Een andere manier waarop de kamer invloed heeft op het bestuur, de regering. Het parlement moet namelijk instemmen met de begroting.

Op grond van art. 105 Gw, lid 1, wordt de begroting bij WET vastgesteld (Regering + SG). In lid 2 staat dat deze wordt uitgebracht op de 3e dinsdag van September. (art. 65 Gw.)

De begroting is samengesteld uit allerlei afzonderlijke gedeeltes zodat er per gedeelte gestemd kan worden. zo voorkom je dat tegen de gehele begroting wordt ingestemd.

De begroting is dan ook een enorm stuk. Een algemene regeling hierover staat in de comptabiliteitswet. De verantwoordelijke voor dit stuk is de minister van Financiën. Nu zou dat minister DIjsselbloem zijn.

Het budget (begrotingsrecht) was een van de 1e controlemiddelen van de Staten-Generaal. sinds 1848 is er een verplichte jaarlijkse vaststelling en heeft de TK het recht van amendement.

Het budget bevat geen bindende regels maar geeft toestemming tot het doen van uitgaven. Dat is dus het rechtskarakter. Burgers kunnen aan het begrotingsrecht geen rechten ontlenen en de overheid kan door de begrotingspost niet afzien van lopende contractuele overeenkomsten.

De begrotingswet moet in werking zijn getreden vóór het nieuwe jaar (begrotingsjaar) op 1 januari. Wanneer dit niet gebeurd, mogen voor het aangaan van nieuwe contracten maximaal 4/12 van het bedrag van vorig jaar worden gebruikt.

Vaak is er een tekort aan geld. Een tussentijdse wijziging in de begroting (suppletaire begrotingswet) art. 14 Gw. Dat komt dus vaak voor.

De controle van de begroting geschiedt over het algemeen door de minister van financiën (Art. 39-41 Gw.) Hij heeft een groot aantal controlebevoegdheden op een interne manier. De externe controle geschiedt door de Algemene Rekenkamer. Art. 76 Gw. Zij doen een rechtmatigheidscontrole. Art. 83 lid 3, verklaring van goedkeuring.

Wanneer het niet rechtmatig is, dan geen verklaring van goedkeuring, dus een bezwaar van de rekenkamer.

De wetgever lost dit heel makkelijk op. Zij stellen een indemniteitswet op. Art. 89 Gw waarmee ze het bezwaar in een wet opheffen.

Daarnaast doen zij ook een doelmatigheidscontrole.

Week 3, hoorcollege 2: wetten

In een wet in formele zin worden drie belangen beschermd. Ten eerste de democratie. Het volk heeft hier immers stemrecht in door middel van de Staten-Generaal. Ten tweede de Algemeenheid, Het gaat willekeur tegen en er is sprake van gelijkheid. Ten derde is er sprake van rechtszekerheid door het staatsrechtelijke ongeschreven legaliteitsbeginsel, een voorafgaande regel.

De legaliteitseis houdt in dat wanneer overheidsoptreden een inbreuk maakt op een recht, dat altijd moet zijn gelegaliseerd in een wet of zelfs in de Grondwet. De overheid moet zich aan deze wet houden.

De verschillende betekenissen van het woord ‘Wet’

  • De hiërarchie van wetgeving is als volgt;

  • Grondwet (Grondwetgever)

  • Wet in formele zin (art. 81 Gw.) (Regering + SG)

  • AMvB (Art. 98 Gw.) (Regering)

  • Ministeriële regeling (Ministers)

  • Provinciale verordening (Provinciale staten)

  • Gemeentelijke verordening. (Gemeenteraad)

Vanaf de AMvB moet steeds kunnen worden aangetoond dat de bevoegdheid uit de wet in formele zin of uit de Grondwet komt. Het woord ‘wet’ kan dus vele betekenissen hebben.

Bij een wet in formele zin bijvoorbeeld bepaald de vorm (procedure) of iets een wet is. Bij een wet in materiële zin bepaald de inhoud wat voor soort wet het is. De kenmerken van een wet in materiële zin zijn algemeen naar buitenwerkende bindende regels, algemeen verbindende voorschriften met een wettelijke grondslag.

Een algemeen verbindend voorschrift is dus eigenlijk altijd een wet in materiële zin.

AMvB’s en ministeriële regelingen worden dus vaak wel wet genoemd, niet om de vorm maar om de inhoud welke vaak een avv is.

Een wet in formele zin kan op verschillende manieren tot stand komen. (Art. 81 Gw, procedure 82 ev.) De eerste manier is een regeringsvoorstel: Door de regering ingediend. (ong. 90%) bij de tweede kamer. De tweede manier is een initiatiefvoorstel; door een Kamerlid aanhangig gemaakt bij de tweede kamer. De tweede stap hierbij is dat de tweede kamer het dan in dient bij de 1e kamer. Met het woord indiener wordt dus nooit een Kamerlid op zich bedoeld.

Procedure: (hoofdlijnen)

  • De procedure wordt voorbereid op het ministerie

  • Het wordt besproken in de ministerraad (RvO MR) art. 4

  • Dan volgt het advies van de Raad van state.

  • Dan wordt het behandeld in de tweede kamer (nadat het is doorgestuurd door een minister naar de voorzitter in de 2e kamer)

    • Eerst wordt het in een commissie behandeld en dan plenair.

    • Er is een wijziging mogelijk (plenair), het recht van amendement

    • Stemming

  • Behandeling in de 1e kamer

    • Eerst naar de commissie, dan plenaire behandeling. (Het wordt in de 1e kamer minder politiek bekeken maar meer naar de handhaafbaarheid van het voorstel)

    • Er is geen wijziging mogelijk

    • Stemming

  • Bekrachtiging (minister moet zelf tekenen van instemming, contra-seign)

  • Bekendmaking en inwerkingtreding)

De rol van de Raad van State

De Raad van State geeft dus advies over het wetsvoorstel. (Art. 73 Gw, jo. Art. 17 lid 1 wet RvS)
De Raad van State kan zowel advies geven als zelf wetten maken. Daarom is de Raad van State gesplitst in twee delen. De Raad van State let bij het beoordelen van de wetten op drie onderdelen, ten eerste de juridische toets, ten tweede de beleid analytische toets en ten derde de wetstechnische toets.

De beleid analytische toets houdt in dat de regering wordt geconfronteerd met het eigen beleid. Past het voorstel wel in het eigen beleid? Met de wetstechnische toets wordt gemeten of het wel precies genoeg wordt aangegeven en of het wel duidelijk is. Nadat er gekeken is hoe het voorstel bevalt, eindigt de Raad van State met een dictum, een samenvatting. Er zijn zes verschillende oordelen die zij kunnen vellen. De eerste drie zijn positief, nummer 4, 5en 6 zijn negatief. Wanneer het oordeel negatief uitpakt volgt opnieuw een bespreking in de Ministerraad. (art. 4 RvO Mr.)

Ook als de RvS het niet eens is word het soms om politieke redenen toch doorgestuurd nar de Staten-Generaal. Dan zit de tweede kamer er mee. Die is daar niet altijd even blij mee.

De wet in formele zin kan tevens gewijzigd worden. (art. 84 Gw.)

Voor een wijziging gelden ook verschillen met regeringsvoorstellen en initiatiefvoorstellen. Bij regeringsvoorstellen kan er als volgt gewijzigd worden; Door de regering door middel van een Nota van Wijziging, hierbij is stemmen niet nodig, of door de Tweede kamer: recht van amendement waarbij stemmen wel nodig zijn.

Bij een initiatiefvoorstel kan er gewijzigd worden door de aanhangig-maker door middel van een Nota van Wijziging, waarbij stemmen niet nodig is en door de Tweede kamer (recht van amendement) Hierbij is stemmen wederom wel nodig.

Intrekken van wetgeving

Op grond van art. 86 Gw. Kan een wet ook worden ingetrokken. Dit kan door middel van een regeringsvoorstel: Regering (=indiener) ‘Zolang het niet door de SG is aangenomen’, en door middel van een Initiatiefvoorstel: Door de tweede kamer (indiener), ‘Zolang niet door de SG is aangenomen’. Dat laatste betekent dus dat het voorstel nog bij de tweede kamer of bij de aanhangig-maker ligt.

Bekrachtigen van wetgeving

Bekrachtiging gebeurt op grond van art. 87 Gw. Dit kan door een handtekening van de koning en de verantwoordelijke ministers. Daarmee wordt het een wet, maar treedt hij nog niet in werking. Een koning kan een bekrachtiging best weigeren maar dat is in de praktijk erg onverstandig.

De bekendmaking en de inwerkingtreding van wetgeving

De bekendmaking en de inwerkingtreding gebeurt bij art. 88 Gw jo. 3 Bekendmakingswet, in het Staatsblad. De wet regelt in principe zijn eigen bekendmaking. Vaak door een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip. Er is een vangnet voor wanneer de datum is vergeten. (Art. 7 Bekendmakingswet)

De bevoegdheid tot wetgeving kan aan drie punten worden ontleend, ten eerste de legaliteitseis, ten tweede de wetgever van de formele zin die zijn bevoegdheid ontleend aan de grondwet. (Art. 81 Gw) en ten derde de regering (AMvB’s) en ministers (ministeriële regelingen) die hun regelgevende bevoegdheid ontlenen aan de wet.

Koninklijke Besluiten

Een AMvB is op grond van art. 89 bij KB vastgelegd. Hij is in 99% van de gevallen terug te voeren op een wet in formele zin en dan wordt hij onzelfstandig genoemd. De overige 1% is wanneer de AMvB’s rechtstreeks van de Grondwet komen. Dan wordt hij zelfstandig genoemd. Zelfstandige AMvB’s zijn zeldzaam en zeer problematisch. Ze mogen namelijk niet gehandhaafd worden, er mag niet gestraft worden. Daarvoor moet het op de Wet berusten.

Ook over AMvB’s moet er geadviseerd worden door de Raad van State. (Art. 17 Wet op RvS). De bekendmaking geschiedt ook in het Staatsblad. (Art. 3 BW)
Andere KB’s die algemeen verbindende voorschriften bevatten zijn kleine KB’s. Hierbij hoeft de RvS niet worden gehoord. Een AMvB wordt dus altijd een groot KB genoemd.

Ministeriële regelingen

Bij ministeriële regelingen moet alles op de wet berusten. Er zijn twee soorten trajecten. De eerste is wanneer dat rechtstreeks van de wet in formele zin afkomstig is. Het tweede is wanneer het berust op een AMvB welke weer afkomstig is van een wet.

Voor ministeriële regelingen is geen advies van de RvS nodig en geschiedt de bekendmaking via de Staatscourant (Art. 4 Bekendmakingswet)

Doorgeven van bevoegdheden

Attributie is het scheppen van een nieuwe, nog niet bestaande bevoegdheid en de toekenning daar van aan een bepaald orgaan. De Grondwet attribueert altijd (elke bevoegdheid die ze toekennen is attributie)

Er zijn twee soorten bevoegdheden: de wetgevende bevoegdheid, het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften en bestuursbevoegdheden, de rest. Vaak beschikkingen.

Bij delegatie is er sprake van een bevoegdheid die je hebt gekregen en dan weer doorgeeft. De wetgever delegeert wetgevende bevoegdheid altijd. De wetgever die een bestuursbevoegdheid schept (via wet in formele zijn) attribueert altijd.

Delegatie mag wanneer er in de grondwettekst het woord regelt is opgenomen of een woord dat daar sterk op lijkt. (regels, regelen, regeling) of (bij of) krachtens de wet. LET OP! Wanneer er bij de wet staat, dan mag het juist NIET. Een voorbeeld: De Wet regelt de toelating…

Bij een wet in formele zin

Bij AMvB, dan moet de regering de bevoegdheid zelf dragen en mag zij niet sub-delegeren.

(bij of) krachtens AMvB, dan mag de regering wel sub-delegeren.

Vb. Bij AMvB wordt geregeld.

LET OP!, de regels die golden bij de grondwettekst gelden hier NIET

Week 4, hoorcollege 1: decentraal bestuur

De organen die de gemeente en het provinciale bestuur hebben, wat mogen ze?

N.B. Wanneer er over de gemeente of over de provincie wordt gesproken, kan er vaak ook het andere orgaan worden bedoeld, tenzij anders aangegeven.

Belangrijke begrippen

Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Primair is het een eenheidsstaat, secundair gedecentraliseerd. Een gedecentraliseerde eenheidsstaat heeft een aantal belangrijke elementen. Ten eerste mag er nooit gehandeld worden in strijd met hogere wetgeving. De hogere organen houden toezicht. Ten tweede komt meer dan 90% van het geld van het rijk. Ten derde heeft elk domein een eigen huishouding. Door de openheid, het rijk dat kan zeggen wie wat doet, hebben de gemeenten en provincies minder te zeggen. De openheid is niet nieuw. Voor 1848 hadden gemeentes en provincies al een eigen huishouding.

In Nederland is er ook sprake van deconcentratie. Deconcentratie heeft niets met decentralisatie te maken. De centrale overheid kan besluiten delen van ministeries te verspreiden over het land. Simpelweg omdat het makkelijker is om meer locaties te hebben.

Een ander begrip is functionele decentralisatie. Organen die een bepaalde overheidstaak of functie hebben gekregen. Dit zijn bijvoorbeeld waterschappen en scholen.

Heel belangrijke begrippen zijn autonomie en medebewind. Autonomie geeft de bevoegdheid tot het maken van eigen regels. Medebewind ook, maar dan in opdracht van de rijksoverheid. Bij autonomie is er sprake van een alleenrecht. Het belang van autonomie is dat de gemeentes en provincies een handvat bezitten om nog enigszins mee te kunnen praten. Voor medebewind geldt dat de rijksoverheid op die manier meer grip houdt.

De bestuurlijke hoofdstructuur werkt in Nederland als volgt; er zijn drie bestuursorganen. Gemeente, provincie en het rijk. Deze drie organen voeren de overheidstaken uit. Het orgaan met de maximale democratische legitimatie heeft het meest te zeggen. Dat orgaan is het meest democratisch gekozen. Bij de gemeente geldt bijvoorbeeld dat de Raad het belangrijkste is. Dit komt omdat dit orgaan ten opzichte van het College het meest democratisch gelegitimeerd is.

Grondwettelijk kader sinds 1848

De pijlers van Thorbecke werken door in de Grondwet.

Ten eerste is het van belang dat de wetgever de uiteindelijke baas blijft. De opheffing van de gemeente, of een eventuele fusie kan alleen bij wet in formele zin.

Ten tweede was er, en lijkt er lokale autonomie te blijven. In werkelijkheid is er echter weinig meer van over.

Er is sprake van lokale democratie: eerder kenden we een stelsel van erfopvolging. Lokale besturen moeten tegenwoordig een democratische grondslag hebben in de vorm van een volksvertegenwoordiging.

Zoals zojuist gezegd, volgens artikel 125 hebben de organen met de maximale democratische legitimatie de zwaarste (wetgevende) bevoegdheden.

Er geldt een monistisch stelsel (volgens de Grondwet.) Vanuit de gemeentewet geldt een dualistisch stelsel, sinds 2002. Bestuurslichamen zijn verticaal geordend met organen. In gemeente geldt dat het College de uitvoerende macht is. De Raad heeft voor het grootste deel een controlerende bevoegdheid.

Volgens art. 125 lid 1 zijn er drie organen in de gemeente, ten eerste het College van B&W (wethouders en de burgemeester), ten tweede de burgemeester zelf en ten derde de raad. De burgemeester heeft een belangrijke bevoegdheid, daarom wordt hij door de kroon, bij koninklijk besluit benoemd. De raad wordt rechtstreeks door de bevolking gekozen. Hij heeft dan ook de maximale democratische legitimatie.

Het College van B&W

De wethouders worden door de Raad benoemd. Het kan enigszins vergeleken worden met de ministers, gekozen door de coalities van het parlement. De wethouders zijn zowel individueel als gezamenlijk verantwoordelijk voor het gezamenlijke bestuur.

Er is sprake van Collegiaal bestuur: De wethouders hebben een politieke verantwoordelijkheid t.o.v. de Raad. (art. 161). Het college, zowel geheel als individueel zijn zoals net gezegd verantwoordelijk voor het door het college gevoerde bestuur. Ze kunnen ook individueel worden weggestuurd. Toch is het niet helemaal zoals dat landelijk gebeurd. Landelijk kunnen ministers ook voor hun eigen functioneren worden aangesproken, meestal zullen ze ook wel weggestuurd wanneer het hun individueel handelen, betreft maar staatsrechtelijk gezien bestaan de wethouders niet individueel en zullen ze dus alleen aangesproken worden op gezamenlijk handelen.

Op grond van art. 49, p- en g- wet heeft de raad de mogelijkheid om één of meer leden van het College weg te sturen. Sanctie is de vertrouwensregel, die nu wel is geschreven.

De rechtspositie van een wethouder is erg politiek. Er zijn wel regelingen met betrekking tot het pensioen maar als je weg moet, moet je weg. De rechter zal zich er niet mee bemoeien.

Burgemeester en CdK.

De commissaris van de Koning is een rijksorgaan.. (art. 126 Ambtsinstructie) De Provincie- en de gemeentewet hebben hier niets over te zeggen, en een provinciaal orgaan. (art. 125 Gw.)

De minister van Binnenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het handelen van de Commissaris van de Koning.

De burgemeester is een lokaal bestuurder, tevens namens het rijk. Daarom is een Koninklijk Besluit vereist.

De aanstellingswijze wordt echter grotendeels door de Raad beheerst. Ze hebben op grond van art. 131 Gw en art. 61 een aantal rechten verworven;

  • De profielschets

  • Een ‘sollicitatiegesprek’ met een vertrouwenscommissie

  • Aanbeveling van commissie die eigenlijk altijd wordt opgevolgd.

Door deze drie dingen kan de keuze voor een nieuwe burgemeester worden beïnvloed.

Het ontslag van een burgemeester is ook grotendeels in handen van de Raad. Wanneer de verhouding tussen de raad en de burgemeester namelijk is verstoord is dat vaak reden genoeg om hem te ontslaan of te schorsen.

De burgemeester moet zich net als het College verantwoorden tegenover de Raad. De burgemeester is daar waar hij handelt, verantwoordelijk. Ook over zijn privéleven. De burgemeester heeft daarnaast ook een passieve informatieverplichting. Hij moet vragen altijd naar waarheid beantwoorden en eventueel informatie leveren.

Als burgemeester en wethouder moet je dus te allen tijde opletten wat je doet. Je bent vrij snel je baan kwijt.

Week 4, hoorcollege 2: functioneel decentraal bestuur

In het vorige college werd er gesproken over het institutionele decentrale bestuur. Nu over het functionele decentrale bestuur. Waar het vorige week ging over wie is wat, gaat het nu over wie mag wat. We beginnen met de gemeenteraad.

De gemeenteraad

De gemeenteraad is het hoofd van de gemeente. Art. 125 , jo. 124 lid 1 Gw. De raad zou ook in een dualistisch stelsel de baas zijn omdat het, het meest democratische orgaan is. Vorige keer hebben we gezien dat het orgaan met de maximale democratische legitimatie het hoogste orgaan is.

Gemeente én provincies mogen zich in principe mede-regelgevers noemen. Eigenlijk zijn bijna alle autonome taken van de gemeente wel weggenomen. Tegenwoordig speelt er voornamelijk medebewind. Dit laatste heeft als voordeel voor het rijk dat er veel gelijkheid heerst door het hele land.

Volgens de Grondwet is de raad het centrale orgaan. Volgens de gemeentewet ligt dat net iets anders. De Raad houdt zich voornamelijk bezig met het aansturen op hoofdlijnen. Het college houdt zich voornamelijk bezig met de dagelijkse gang van zaken.

In 2002 heeft zich een dualisering doorgevoerd. Het monistische stelsel was niet langer mogelijk in een verzorgingsstaat zoals die van ons. Met de wet wilde de overheid de gemeente en het college van elkaar afscheiden. Eerst was de raad het centrale orgaan in de gemeente, tegenwoordig heeft de raad alleen nog kader stellende en controlerende taken. Het college houdt zich bezig met bestuurlijke en uitvoerende taken binnen de door de raad gestelde kaders.

de gemeenteraad delegeert steeds meer taken aan het college. Ze houden zich steeds meer bezig met toezicht. Dat was ook één van de doelen van de dualisering. Dit heeft als gevolg dat het college steeds dominanter word. De voorbereidende rol die steeds meer wordt uitgebreid wordt langzaam maar zeker sturend. Het is de vraag of de raad dat wel wil.

Dat er zoveel discrepantie is tussen de grondwet en de gemeentewet komt doordat de wet op de dualisering in 2002 niet tot stand had kunnen komen wanneer de grondwet betrokken was geweest. Een grondwetswijziging komt namelijk zelden tot stand. Ze hebben zich dus gewoon heel veel moeite bespaard. De wetgever besloot simpelweg dat de wet niet in strijd is met de grondwet. Dat was verder voor iedereen voldoende.

De raad delegeerde dus ook bestuurlijke en wetgevende bevoegdheden naar het college. De raad heeft nu vooral controlerende bevoegdheden. Dat Is nu in het dualistische stelsel erg belangrijk. Ze plaatsen zich wel erg op afstand. Het is ook belangrijk om de invloed van de regering te drukken. De raad is immers het meest democratische orgaan.

De raad heeft dus een controlerende bevoegdheid, een regel stellende bevoegdheid en ook het begrotingsrecht. In de begroting wordt opgenomen; wat willen wij, wat doen wij en wat moet dat kosten. De begroting is het hoogtepunt in de Nederlandse gemeente. De drie W’s, zojuist genoemd zijn de doelstellingen voor de uitgaven van het college.

Verder mag de raad plannen maken voor bijvoorbeeld huisvesting, milieu, scholing et cetera en mag hij ook doelen stellen waar het college zich aan moet houden.

Het is belangrijk om te beseffen dat de Raad niet één figuur is. Het is wel één orgaan maar het bestaat uit verschillende mensen, verschillende ideeën en natuurlijk verschillende fracties. De praktijk is dus dat er erg politiek wordt bestuurd.

Regelgeving

Er ontstaan problemen bij bestuur wanneer de bevoegdheid niet zuiver verdeeld is. Op grond van 108 gemeentewet bijvoorbeeld is de bestuurstaak niet van de gemeenteraad afgeschreven.

In de gemeentewet wordt er in de artikelen 147 en 149 vermeld hoe de regelgeving moet worden gemaakt en wie dat mogen doen.

De gemeenteraad heeft hierin het recht van amendement en initiatief. (art. 143 a & b Gemeentewet)

De grenzen van de bevoegdheid van de raad met betrekking tot het maken van regelgeving liggen in het territoir (de zijgrens), de bovengrens en ondergrens.

De territoir is heel simpel te stellen. Gemeentelijke verordeningen mogen alleen gelden binnen het eigen grondgebied. De bovengrens betekent dat een gemeentelijke verordening niet in strijd mag zijn met een hogere regeling. De ondergrens is dat de gemeenteraad met zijn bevoegdheden niet verder mag gaan dan de openbare orde. Alleen in de publieke sfeer dus. De particuliere sfeer is behoudens enkele uitzonderingen verboden terrein. Je merkt dus al direct dat dat vragen oproept. Want waar eindigt de publieke sfeer dan? Dat is erg onduidelijk.

Er zijn verscheidende verordeningen. In principe mag er geen strijd zijn met hogere regelgeving en hoeven verordeningen die naast andere verordeningen bestaan niet te worden meegenomen als er in hogere regelgeving ook al iets over vermeld is. Bij een anterieure verordening bestaat de gemeentelijke verordening met hetzelfde onderwerp wél naast een hogere regeling. Dit mag alleen wanneer er sprake is van hetzelfde onderwerp én hetzelfde motief.

Bij de posterieure verordening is er sprake van een verordening die mag worden ingesteld wanneer er al hogere regelgeving is met hetzelfde onderwerp. Ook nu moet er sprake zijn van hetzelfde motief.

De raad heeft diverse controle-instrumenten. De eerste is het budgetrecht (189). Wanneer je kunt bepalen wat het budget is kun je immers ook een heleboel bepalen over wat daarmee wordt uitgegeven. Daarnaast bestaat het recht van interpellatie (art. 155) het vragenrecht. Er mogen echter alleen vragen worden gesteld wanneer deze van te voren zijn aangemeld. Voor schriftelijke vragen geldt een termijn van zes weken. Op grond van 155a hebben ze ook het onderzoeksrecht. Dit recht lijkt misschien een beetje op het enquêterecht. Het is echter lang niet zo uitgebreid. Veel van de vergaande bevoegdheden heeft de raad hiervoor niet. Ze hebben ook, net als Kamerleden het recht om een motie in te dienen en controleverordeningen uit te geven.

Het college

Het college heeft een bestuurstaak op grond van 160 Gemeentewet. Volgens lid 1 is het college in ieder geval bevoegd (dus er is nog meer) tot het;

  • Dagelijks bestuur

  • De voorbereiding en de uitvoer van het beleid

  • De organisatie van het ambtelijk apparaat

  • En contracten

Het dagelijks bestuur is heel breed te trekken. Het gaat over besluitvorming en beleidsmaatregelen. Het tweede kopje is daar eigenlijk ook een apart onderdeel van. De organisatie van het ambtelijke apparaat gaat over de ambtenaren. De raad staat daar tegenover met de begroting. Het ambtelijke apparaat is dan ook nummer 1 op het lijstje met bezuinigingsmogelijkheden. Het laatste puntje is het contract. Het college heeft daar wel een bevoegdheid voor maar met het oog op de vertrouwensregel wordt in contracten vaak vermeld dat ze gelden behoudens toestemming van de r raad.

Dat deze bevoegdheden bij wet zijn voorgeschreven wil niet zeggen dat dit exclusieve bevoegdheden zijn. de Raad mag zich hier best tegenaan bemoeien. Dat zou niet verstandig zijn, anders halen ze zich veel te veel op de hals, maar het zou in principe mogelijk zijn.

Sinds de veranderingen van 2002 zijn er een aantal wetten (sectorwetten) die moesten worden aangepast omdat de bestuursfuncties werden overgeheveld naar het college.

De burgemeester

Het burgemeesterschap is een gecompliceerd ambt. Als burgemeester ben je voorzitter van zowel de raad als van het college. Je hebt in de raad echter geen stem, welke je binnen de raad wel hebt. (Art. 9, 34 lid 2 Gemeentewet)

Daarnaast heb je als burgemeester vergaande zorgplichten. (art. 170 Gemeentewet) Je moet zorgen voor tijdige voorbereiding, vaststellingen en uitvoering van het beleid et cetera.

Als burgemeester ben je naast je taken in het college en de raad ook nog een zelfstandig orgaan en wordt je geacht de openbare orde tot op zekere hoogte te handhaven. (Art. 172)

Week 5, hoorcollege 1: de rechterlijke organisatie

De theorie van de rechtsstaat bestaat uit verschillende kernpunten. Ten eerste de grondwet en de constitutie, dan de machtenscheiding welke uiteenvalt in de democratische wetgeving (de hiërarchische regels), de heerschappij van de wet (bestuurslichamen moeten zich aan de wet houden, legaliteitsbeginsel) en in onafhankelijke rechtspraak, en als laatste de grondrechten.

Deze week gaat het over rechters. De rechter krijgt steeds meer een rechtsvormende taak. Om fraude binnen deze rechterlijke macht te voorkomen zijn verschillende maatregelen genomen. Zo wijst op grond van art. 116 GW de wetgever de organen die tot de rechterlijke macht behoren, aan en worden deze op grond van art. 117 GW bij een koninklijk besluit benoemd. Rechters kunnen verder niet door iemand van buiten de rechterlijke macht worden ontslagen. Ze stoppen over het algemeen pas met hun functie wanneer ze 70 jaar zijn.

De onafhankelijkheid is zowel grondrechtelijk als constitutioneel geregeld. In de grondwet (ook art. 6 EVRM) staan de beginselen van onpartijdigheid, zelfstandigheid en eerlijkheid waar de rechter zich aan moet houden. Staatsrechtelijk gezien kennen we de driehoek van de machtenscheiding (zie het plaatje hierboven) Door deze machtenscheiding zou in Nederland de macht gescheiden moeten zijn en de rechter dus onafhankelijk moeten kunnen opereren van deze twee andere organen.

De bevoegdheid van de rechter wordt in de wet weergegeven. In art. 112 GW staat dat de rechter in beginsel besluit over haar eigen bevoegdheid. In lid 1 wordt ingegaan op de burgerlijke geschillen en in lid 2 de publiekrechtelijke geschillen.

Over de bevoegdheid met betrekking tot het toepassen van wetten en voorschriften geldt het toetsingsverbod uit art. 120 GW en art. 94 GW wat gaat over het buiten toepassing laten van regels wanneer deze niet overeenkomen met verdragen. Halsema wil dat er een toetsingsmogelijkheid komt voor de klassieke grondrechten. Haar argumenten zijn onder andere de meer democratie, rechtspraak en het verdragsrecht.

De vraag of je met publiekrechtelijke geschillen naar een civiele of administratieve rechter moet wordt beantwoord in art. 112 lid 2 GW. In art. 1:4 AWB staat dat de administratieve rechter niet tot de rechterlijke macht behoord.

Voor administratieve (bestuursrechtelijke) rechtspraak kun je voor verschillende gebieden bij verschillende rechters terecht. Bij de sociale verzekering, neergelegd in de beroepswet/ambtenarenwet moet je naar de Rechtbank waarna je in hoger beroep kan bij de Centrale Raad van beroep (AWB). Bij belastingen, neergelegd in de algemene wet rijksbelastingen en de belastingwetten kun je naar de rechtbank waarna de normale rechtsmiddelen van het hof en de Hoge Raad volgen, bij het economische bestuursrecht, neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht kun je naar het College van beroep voor het bedrijfsleven, en als laatste bij het aanvullende stelsel van het AWB kun je eerst bezwaar maken, dan kun je naar de rechtbank en dan uiteindelijk naar de afdeling bestuursrechtspraak RvS.

De conclusie hieruit is dat de burgerlijke rechter eerder als een restrechter kan worden gezien.

De kwaliteit van de Rechtsorde

De Nederlandse rechtsorde kent ook haar problemen. Er is sprake van onoverzichtelijkheid, te weinig rechtseenheid en sprake van overbelasting. Het doel is dan ook om de kwaliteit en toegankelijkheid te verbeteren en een meer evenwichtige structuur tot stand te brengen. Ze willen dit aanpakken door de Raad van de Rechtspraak meer te integreren. Zij zijn het bestuur van de meeste rechtsprekende organisaties.

Week 5, hoorcollege 2: rechtsbescherming

Rechtsbescherming tegen de overheid

In dit tweede hoorcollege van week 5 zijn twee hoofdvragen van belang?

  1. Stelsel rechtsbescherming; Wie kan waar, waartegen en hoe opnemen tegen overheidshandelen?

  2. Hoe wordt dat handelen getoetst?

(Rechtmatigheid en doelmatigheid.) Moet hierbij alleen het recht worden getoetst?

De wetgever heeft het primaat; de wetgever staat uiteindelijk aan het hoofd van de rechtspraak. De drie verschillende instanties onderscheiden zich in taken en rollen, in de onderlinge verhouding en de legitimatiebronnen.

Er wordt in dit college een verschil gemaakt tussen de administratieve en de civiele rechter. Soms moet je bij de één zijn en soms bij de ander.

Het normale stelsel met betrekking tot rechtsbescherming is het AWB-stelsel. Meer specifiek kom je dan bij de administratieve rechter terecht. Bij uitzondering kom je bij de gewone rechter terecht. Dat is bij civiel en resterende zaken.

Bij de bestuursrechter (art. 1:4 jo. 8:6 AWB) zijn verschillende begrippen van belang. Er is vaak sprake van een besluit (art. 1:3 lid 1 AWB), een bestuursorgaan (art. 1:1 AWB), een belanghebbende (Art. 1:2 AWB). Een bestuursorgaan is een orgaan van een openbaar lichaam. Een belanghebbende eenieder die rechtstreeks is betrokken bij een besluit. Een aanvrager of een omwonende bijvoorbeeld.

In de procedure bij de bestuursorgaan zijn twee fasen te onderscheiden. De eerste is de heroverweging: bezwaar (7:1) bij het orgaan dat besluit heeft genomen óf administratief beroep (Art. 1:5 lid 2), bij een ander orgaan. In deze fase wordt een volle toetsing van de recht- en doelmatigheid gedaan. De tweede fase is de rechterlijke toetsing bij de bestuursrechter. In deze fase wordt alleen de rechtmatigheid getoetst. (art. 8:77)

Bronnen van het bestuursrecht (bij de bestuursrechter) zijn het geschreven recht, het ongeschreven recht (algemene beginselen van behoorlijk bestuur, ABBB), algemene rechtsbeginselen (art. 3:2, 3:3 en 3:4) onder andere het gerechtigheidsbeginsel en het beginsel van eerlijkheid.

Bij de civiele rechter worden de algemene verbindende voorschriften (art. 120 GW), de beleidsregels, de privaatrechtelijke handelingen en de feitelijke handelingen behandeld.

De vraag wie van de twee bevoegd is wordt beantwoord in art. 112 lid 1 en 2 GW en het arrest Guldemond/Noordwijkerhout. Daarin wordt gesteld dat het afhankelijk is van het voorwerp van geschil waarover de burger vraagt te worden beschermd en niet van de aard van het recht waar de verweerder zijn verweer op grondt. Andere arresten over de ontvankelijkheid zijn het arrest Willemse (1964) en het schel- en deuropeners-arrest (1957)

De bestuursrechter kijkt dus of iets rechtmatig is. Daarvoor wordt onder andere de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) bekeken maar ook de algemene rechtsbeginselen (ABBB)

Rechtspersonen kunnen tegen regels van bestuursorganen en van de staat worden beschermd. Dat is in het arrest van Pocketbooks II (1969) en het arrest Landbouwvliegers (1986) uitgewerkt. In het eerste arrest handelt de staat onrechtmatig indien een verbod van de regering in strijd is met de grondwet. In het tweede arrest wordt duidelijk dat lagere wetgeving als algemeen verbindende voorschriften mogen worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. Zo’n regel zou kunnen verdwijnen op grond van strijd met het verbod op willekeur. Hogere wetgeving mag echter niet worden getoetst. (Art. 120 GW en Harmonisatiewet-arrest)

Week 6, hoorcollege 1: internationale rechtsorde

Onderwerp van dit college:

  1. Nederland als onderdeel van de internationale rechtsorde

  2. Europees Nederland als onderdeel van het koninkrijk der Nederland

Doelen:

  1. Begrijpen hoe een verdrag tot stand komt, hoe verdragen voor burgers rechten en plichten kunnen meebrengen en hoe verdragsbepalingen zich verhouden tot het nationale recht.

  2. De staatsrechtelijke verhoudingen binnen het koninkrijk, de belangrijkste koninkrijksorganen. Verdragen: Internationale overeenkomst tussen volkenrechtelijke rechtssubjecten (staten) kunnen uitleggen welke bevoegdheden op koninkrijksniveau en welke op landsniveau liggen.

Nederland als onderdeel van de internationale rechtsorde

Er zijn verschillende organisaties waar Nederland deel van uit maakt. Nederland wordt door verdragen en lidmaatschappen beperkt in haar handelen.

Organisaties zijn bijvoorbeeld de Verenigde Naties, de Raad van Europa, de NAVO en de EU. Al deze organisaties hebben eigen belangrijke verdragen die beperkend kunnen werken ten opzichte van haar leden.

  • VN:

    • Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR/BuPO) 1966)

    • Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) (1966)

  • Raad van Europa

    • Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (1950)

    • Europees sociaal Handvest (ESH) (1961/1996)

  • NAVO

    • NAVO-verdrag (1949)

  • EU (Wat in deze samenvatting staat, geldt NIET voor de Europese Unie)

Artikel 90 Grondwet bepaalt dat de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert. Uit artikel 91 lid 1 GW blijkt dat het koninkrijk niet aan verdragen wordt gebonden zonder goedkeuring van de Staten-Generaal. Zowel de regering als de Staten-Generaal zijn dus van belang.

Voor het oprichten van een verdrag moet er een stappenplan worden gevolgd;

Ten eerste moet er overeenstemming over de inhoud zijn. Er wordt over het algemeen door diplomatieke afgevaardigden onderhandeld. De politieke leiders komen vaak pas voor de ondertekening van de inhoud. Zij zijn meer voor het plaatje.

Daarna volgt het sluiten van het verdrag. Er wordt ondertekend door de regering of namens de regering. Er moet wel worden goedgekeurd door de Staten-Generaal. (art. 91 lid 1 GW). Daarom wordt er vaak ondertekend onder voorbehoud van goedkeuring of getekend met een bekrachtigingsclausule. Dan treedt het verdrag pas in werking als het bekrachtigd is.

De derde stap is de goedkeuring door het parlement. Dit kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend. Uitdrukkelijk geschiedt door middel van een goedkeuringswet. Een aparte wet om goed te keuren. Stilzwijgend gebeurd volgens de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking van verdragen, na een bepaalde termijn.

De vierde stap is de bekrachtiging ofwel de rectificatie door de regering.

De vijfde stap is dan de inwerkingtreding. Dat hoeft niet voor elk land hetzelfde te zijn.

De goedkeuringsprocedure:

De goedkeuringsprocedure staat beschreven in een aantal artikelen. Zo staat in artikel 2 Rijkswet (g&bv) dat verdragen zo spoedig mogelijk door de regering naar de SG moeten worden gestuurd. Uit artikel 3 Rijkswet blijkt dat goedkeuring zowel stilzwijgend als uitdrukkelijk kan plaatsvinden. Uit artikel 4 dat uitdrukkelijke goedkeuring bij wet dient plaats te vinden. Uit artikel 5 dat stilzwijgend plaatsvindt na 30 dagen tenzij tenminste 1/5e leden van de Kamers om uitdrukkelijke goedkeuring vraagt. Uit artikel 7 Rijkswet blijkt wanneer goedkeuring niet is vereist.

Wanneer een verdrag afwijkt van de Grondwet moet de goedkeuring met ten minste 2/3e van het aantal uitgebrachte stemmen plaatsvinden. (art. 91 lid 3 GW.) Uit artikel 6 Rijkswet (g&bv) blijkt dat er dan dus uitdrukkelijk moet worden goedgekeurd.

Kun je rechten en plichten ontlenen aan verdragen?

Deze vraag kan op twee manieren worden beantwoord. De klassieke weg zou een nee opleveren. Er is volgens de klassieke weg een overeenkomst tussen staten. De burgers zijn hierbij geen partij. Het moet dan dus eerst worden getransformeerd in nationaal recht. (Dualistisch stelsel/Transformatieler)

De andere manier zou wel een Ja opleveren. Het verdrag geldt voor een grotere rechtsorde waarvan zowel de staten als burgers lid zijn. Omzetting zou daarmee niet nodig zijn. (Monistisch stelsel/incorporatiestelsel)

Uit art. 93 GW: Bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organen, die naar inhoud ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht na bekendmaking.

Nederland heeft een gematigd monistisch stelsel met betrekking tot eenieder verbindende bepaling.

Wanneer is er dan sprake van een eenieder verbindende bepaling?

Uit het spoorwegstakingsarrest blijkt dat de inhoud van de bepaling zelf beslissend is. De vraag in dit arrest was; ‘Moet Nederland een nationale regeling treffen of kan het zonder meer gelden?”

Rookverbod-arrest: Is het artikel zo duidelijk en onvoorwaardelijk dat het rechtstreeks kan worden toegepast?

Uit artikel 94 Grondwet blijkt dat eenieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties voor het nationale recht gaan.

Europees Nederland als onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden

Het Koninkrijk der Nederlanden steekt sinds 10-10-10 ingewikkeld in elkaar. Onder het Koninkrijk der Nederlanden vallen vier landen. Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Onder Nederland zelf vallen dan de BES-eilanden. Dat zijn Bonaire, Sint-Eustatius en Saba

Het Koninkrijk der Nederlanden lijkt nog het meest op een federatie. Het geheel heeft een Grondwet waarin staat wie waar overgaat. De meeste organen van het koninkrijk liggen in Nederland zelf. Ze worden veelal aangevuld door afgevaardigden uit de andere landen.

De grondwet van ons koninkrijk is het statuut. Uit artikel 5 lid 2 blijkt dat de grondwet het statuut in acht neemt. Uit lid 1 blijkt dat, wanneer het statuut niet compleet is, er voor zaken met betrekking tot organen en bevoegdheden in de Nederlandse Grondwet gekeken moet worden.

Uit artikel 41 Statuut blijkt dat er bij een federatie in de Grondwet moet worden gekeken wie welke bevoegdheid heeft. In het statuut staat waar het (in een lijstje in artikel 3 Statuut) waar het koninkrijk toe bevoegd is. De rest staat open voor landsaangelegenheden.

Verdere bevoegdheden, naast artikel 3 Statuut staan bevoegdheden in artikel 43 lid 2 Statuut.

De organen van het koninkrijk zijn; de koning (art. 2 Statuut). De Koning is het Hoofd van alle landen afzonderlijk en van het koninkrijk. De Koning wordt vertegenwoordigd (behalve in Nederland zelf) door een gouverneur (art. 2 lid 2 Statuut). De ministerraad van het Koninkrijk (art. 7 Statuut) bestaat uit voornamelijk Nederlandse ministers benoemd door de koning en uit gevolmachtigden uit Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Daarnaast is er een Raad van State van het koninkrijk (art. 13 Statuut) Ook dit is grotendeels de Nederlandse Raad van State met inbreng van andere landen.

De Staten-Generaal is gewoon de Nederlandse Staten-Generaal met wat aanvulling. Het verschil met dit orgaan met de andere organen is dat dit echt de Nederlandse Staten-Generaal wordt genoemd. Bij de andere organen is het benoemd als een apart orgaan.

De wijziging van het Statuut blijkt uit artikel 15-21 Statuut. De betrokken organen zijn de koning, de ministers van het Koninkrijk en de Nederlandse Staten-Generaal (met inbreng van andere landen.)
Omdat dit natuurlijk niet helemaal eerlijk lijkt ten opzichte van de andere landen blijkt uit lid 2 van een soort Vetorecht. Andere landen moeten per sé instemmen.  

Week 6, hoorcollege 2: de Europese Unie

Het onderwerp van dit college;

  1. Nederland in de Europese Unie

  2. De Europese Unie in Nederland

Doelen:

  • Uitleggen hoe Nederlandse kiezers en ministers invloed hebben op de benoeming van de leden van organen van de EU, in hoeverre Nederlandse ambtsdragers de uitoefening van bevoegdheden door de EU meebepalen

  • Uitleggen hoe EU-recht doorwerkt in Nederland, In hoeverre EU-recht (de uitoefening van) de nationale bevoegdheden door regering, Staten-Generaal en rechter bepaalt.

Terugblik:

Het rechtgevolg van het sluiten van een verdrag is in de regel dat;

De tekst van het verdrag vast staat.

Het overzicht van dit college;

  1. Europees Niveau:

  1. Achtergrond

  2. Europese bevoegdheden

  3. Invloed in ‘NL’ in de EU

  1. Nationaal Niveau

  1. Doorwerking van EU-recht

  2. Impact op Nederlandse organen

1a. EU-achtergrond

Na de tweede wereldoorlog werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal opgericht. Voor 92 was voornamelijk het doel om geen oorlogen meer te krijgen en handel te bevorderen. Na 92 kwamen er steeds meer landen bij waar eigenlijk veel andere landen het niet mee eens werden.

De uitbreiding kreeg als doel een ‘Steeds hechter verband’ genoemd. Niemand weet precies wat dat betekent. Sommige mensen beweren dat ze allemaal één land wilden worden.

Het verdrag van Lissabon van een aantal jaren later bracht twee belangrijke verdragen met zich mee. het EU-verdrag (de hoofdstructuur) en het Werkingsverdrag (Over de hoofdstructuur).

De EU is een confederatie maar georganiseerd alsof het een federatie is. (Het is belangrijk te beseffen dat de EU ontzettend onlogisch georganiseerd is.)

1b. Europese bevoegdheden

De Europese Unie heeft de bevoegdheid tot wetgeving;

Europa heeft verschillende typen wetgeving (art. 288 VwEU). Verordeningen, richtlijnen, besluiten, aanbevelingen en adviezen. Verordeningen kun je rechtstreeks in Nederland toepassen. Een richtlijn is een opdracht aan Nederland om iets te doen binnen een bepaalde termijn. Een besluit is een direct werkende regel maar meestal geïndividualiseerd. De laatste twee spreken voor zich en zijn dus niet bindend.

Een verordening van de EU is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasbaar in iedere lidstaat.

De Europese Unie heeft ook de bevoegdheid om op te treden. (Art. 5 VEU). Hierbij moet rekening gehouden worden met drie beginselen. Ten eerste het attributiebeginsel (lid 2) je moet de bevoegdheid wel hebben. Ten tweede het subsidiariteitsbeginsel (lid 3); Als de lidstaten zelf kunnen optreden mag de Unie niet optreden. Alleen optreden wanneer ze de bevoegdheid óf hebben gekregen, óf wanneer het van belang is dat de Unie optreedt en de Unie het beter kan dan de lidstaat zelf. Het laatste beginsel is het beginsel van evenredigheid (lid 4). Er mag alleen opgetreden worden voor zover dat nodig is.

1c. Invloed Nederland in de Europese Unie

Er zijn in de Europese Unie verscheidene organen te onderscheiden. De eerste is de Europese Raad; De Europese Raad bestaat uit Staatshoofden en regeringsleiders. Ze geven de nodige impulsen, algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten. Nooit verordeningen en richtlijnen. Ze hebben dus geen bevoegdheid tot wetgeving.

Het tweede orgaan is de commissie. In de commissie zit één lid per lidstaat. De commissie doet aan wetgeving en bestuur. Het lid uit de commissie is onafhankelijk. Los van het eigen land. In de commissie staat het belang van de EU voorop. De commissie kan een initiatief doen voor een wet. Het voorstel wordt dan voorgelegd aan het Europese Parlement.

Het Europese parlement wordt verkozen via de Kieswet (hoofdstuk Y). Zij doen aan begroting, wetgeving en de controle (op de commissie). Het Europese parlement vertegenwoordigd de burger Degressief evenredig. Per EU-land een bepaald aantal vertegenwoordigers, afhankelijk van grootte. Voor verkiezingen moet er dus worden gekeken naar hoofdstuk Y van de Kieswet. Evenredige vertegenwoordiging is verplicht in de EU. Nederland kent dat al, landen als GB bijvoorbeeld niet. Het lijkt veel op de verkiezing van een 2e Kamerlid in Nederland.

Het vierde orgaan is de Raad. (Niet te verwarren met de Europese Raad). In de Raad zit een lid per lidstaat op ‘Ministerieel niveau’. Ze doen aan begroting en wetgeving. Ook staatssecretarissen mogen meedoen in de Raad. Ze mogen immers volgens de wet af en toe optreden als een minister.

Europese bevoegdheden hebben altijd een grondslag in de EU-verdragen. Ze mogen onder voorwaarden worden ingezet.

Het effect van Europese Wetgeving is dat het direct kan werken of moet worden omgezet. Het wordt samengesteld door het Europese Parlement, de Raad en de Commissie.

Duale legitimatie (erkenning van het feit dat de EU haar politieke bestaansgrond uitsluitend ontleend aan de wil van de staten) wordt gewaarborgd door Europese Verkiezingen: bevestigd door de Commissie, en het lidmaatschap in de genoemde hoedanigheid van de (Europese) raad.

De minister-President is géén verantwoording schuldig aan het Europese Parlement. Het Europese Parlement en de Europese Raad zijn de club vóór de lidstaten. Daarom geen verantwoording schuldig.

De doorwerking van het recht is door verschillende instanties op een verschillende manier uitgelegd. deze worden hieronder genoemd;

2a – 1. Doorwerking volgens de HVJ EU

Van Gend en Loos

De EU is in staat rechtstreeks verplichtingen voor burgers te scheppen. (Revolutionair)
De Europese Economische Gemeenschap vormt in het volkenrecht een nieuwe rechtsorde ten bate waarvan de staten, zij het op een beperkt terrein, hun soevereiniteit hebben begrensd en waarbinnen niet slechts deze lidstaten, maar ook hun onderdanen gerechtigd zijn (…).

Evenzeer als het gemeenschapsrecht, onafhankelijk van de wetgeving der lidstaten, ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, is het ook geëigend rechten te scheppen welke zij uit eigen hoofde kunnen geldig maken.

2a -1 Doorwerking volgens de HVJ EU (2)

Costa-Enel

De EU is een rechtsorde die rechtstreeks nationale rechters aanspreekt, ze moeten de EU in achtnemen. Het verdragsrecht is een autonome bron van recht. Het werkt direct door in het Europese Recht.

Overwegende dat het E.E.G.-verdrag, anders dan met gewone internationale verdragen het geval is, een eigen rechtsorde in het leven heeft geroepen, die bij de inwerkingtreding van het verdrag in de rechtsorde der lidstaten is opgenomen en waarmede de nationale rechters rekening dienen te houden

Overwegende dat uit het bovenstaande volgt dat het verdragsrecht, dat uit een autonome bron voortvloeit, op grond van zijn bijzonder karakter niet door enig voorschrift van nationaal recht opzij kan worden gezet, zonder zijn gemeenschapsrechtelijk karakter te verliezen en zonder dat de rechtsgrond van de gemeenschap zelf daardoor wordt aangetast;

2a. -2 Doorwerking volgens ABRvS

De voorrang van het gemeenschapsrecht vormt een van essentiële kenmerken van de communautaire rechtsorde. Volgens het Costa/E.N.E.L.-arrest kan het Verdragsrecht, dat uit een autonome bron voortvloeit, op grond van zijn bindende karakter niet door enig voorschrift van nationaal recht opzij worden gezet ‘zonder zijn gemeenschapsrechtelijke karakter te verliezen en zonder dat de rechtsgrond van de Gemeenschap zelf daardoor wordt aangetast.

Uit het Tweede Simmenthal-arrest vloeit voort dat ook niet-rechtstreeks werkend gemeenschapsrecht voorrang heeft op al het nationale recht.

2a -3 Doorwerking volgens Hoge Raad

  • HR (strafkamer) in Verplichte rusttijden

De rechtstreekse toepasselijkheid van een gemeenschapsverordening brengt mee dat zij zonder nadere maatregel tot opneming in het nationale recht in werking treedt en ten gunste of ten laste van de rechtssubjecten wordt toegepast

  • HR (civiele kamer) in Waterpakt

Aangenomen moet worden dat de taak van de rechter de volle werking van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen te verzekeren, te dezen slechts kan worden vervuld binnen het kader van de voor hem bestaande bevoegdheden, en dat deze bevoegdheden worden bepaald door het nationale recht.

2b Impact op Nederlandse organen – rechters

Rechters moeten nu conform interpreteren. Ze moeten dus doen wat de EU zegt. Dat er voorrang is, is niet volledig nieuw. Dit kenden we ook al uit andere structuren.

Wanneer er zaken zijn die te maken hebben met EU-recht moet de rechter in laatste instantie prejudiciële vragen (art. 267 VWEU) stellen aan het Europese hof. Zij geven dan aan hoe dit moet worden opgelost. Er zijn uitzonderingen. Wanneer er sprake is van een zaak die geheel duidelijk is, er is dus geen onduidelijkheid over hoe iets moet worden geïnterpreteerd (Acte Clair), en wanneer een zaak al eerder is behandeld (Acte éclairé), dan hoeven er geen prejudiciële vragen te worden gesteld.

2b. Impact op Nederlandse organen – Regering

De Minister-president krijgt door het lidmaatschap van de Europese Raad meer te zeggen. Hij heeft lidmaatschap en mag met behulp van de minister van Buitenlandse zaken zijn stem uitbrengen. Hetzelfde geldt voor het parlement. Zij krijgen meer te zeggen door de ministers die in de Raad zitten. Zij hebben weer veel te zeggen over de ministers dus kunnen zij invloed uitoefenen over de Raad.

2b. Impact op Nederlandse organen – Staten-Generaal

De Staten-Generaal heeft dus meer te zeggen over het kabinet. Ze hebben hun normale controlebevoegdheden, instemmingsrecht en een behandelvoorbehoud.
Daarnaast heeft de Staten-Generaal veel te zeggen via de Commissie. Dat kan via de gele en de oranje kaartprocedure en via art. 12 VEU.

De gele kaart procedure is een van de middelen die het parlement kan inzetten om ervoor te zorgen dat het subsidiariteitsbeginsel wordt nageleefd. Wanneer ze vinden dat een onderwerp van een wetsvoorstel niet op Europees niveau thuishoort maar op landelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau, dan kan ze dit laten weten aan het Europees parlement, de Raad van ministers en de Europese Commissie. Wanneer ten minste een derde van de nationale parlementen het eens is, zal de commissie het voorstel moeten heroverwegen.

De oranje kaart procedure is eigenlijk gebaseerd op dezelfde gedachte. Er is dan ook sprake van een mening dat het onderwerp niet op Europees niveau thuis hoort. Dit maal is het ten minste de helft van de nationale parlementen die de mening moet delen.

Technisch gezien zijn deze twee procedures hetzelfde. De tweede procedure weegt echter het zwaarste.

De laatste mogelijkheid is dus artikel 12 VEU. Daarin staan bevoegdheden die ze hebben om informatie in te winnen en bevoegdheden om deel te nemen aan samenwerking en aan procedures.

Week 7, hoorcollege 1: grondrechten

Grondrechten

Voorbeeld 1. Meneer van Ooijen, radicaal evangelist met 16 kinderen zet op zijn dakpannen ‘Jezus redt’. De gemeente wil dat niet hebben. Er speelt godsdienstvrijheid tegenover het welstandsbeleid van de gemeente.

Voorbeeld 2. Rosti Rostelli, een hypnotiseur, wil optreden in Rijssen, een streng Christelijke gemeente. Zij willen echter geen provocerend gedrag in de zaal die hij wil huren van de gemeente. Er speelt vrijheid van meningsuiting tegenover het standpunt van de gemeente die zegt ‘Grondrechten gelden tussen de overheid en de burger, ik ben nu geen overheid, wij verhuren gewoon een zaal’

Voorbeeld 3. Facebook, Microsoft, Google et cetera. Gelden de grondrechten ook tegenover deze bedrijven? (Gelden ze hetzelfde als tegenover de overheid?)

Het ontstaan van de grondrechten

De theoretische ontwikkeling van de grondrechten is begonnen met Locke, Life, liberty en property.

Een grondrecht lijkt universeel en logisch, voor iedereen te gelden maar ze zijn pas vrij laat ‘ontdekt’. Hoe moeten deze grondrechten worden gefundeerd?

Locke, een contractsfilosoof zegt; “Mensen zijn redelijke wezens. Ze willen bescherming. De staat is opgericht om life, liberty en property te beschermen en dus ook ter afbakening van het overheidsgezag

Er is een verschil tussen wanneer de grondrechten ontstonden en wanneer deze werden opgenomen in de wet.

In 1215 kwam er in Engeland de Magna Carta; De adel dwong de machthebbers tot meer politieke vrijheid en godsdienstvrijheid.

In 1679, ook in Engeland, de Habeas Corpus Act; Dit was tégen willekeurige vrijheidsberoving. De koning sloot tegenstanders willekeurig zonder proces op. Dit is nog steeds geldend recht.

In 1776 kwam in de VS de Declaration of Independence: Er kwamen individuele grondrechten, onvervreemdbare rechten. Life, liberty and persuit of happiness

In 1789 de Déclaration des Droit de l’Homme et du Citoyen: Dit was ook een onafhankelijkheidsverklaring met ongeveer de zelfde grondrechten.

In 1798 de Staatsregeling Bataafsche volk: Dit was de eerste keer dat in dit gebied allerlei grondrechten werden geformuleerd.

In 1815 de Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden. Er kwamen veel grondrechten in voor.

Latere belangrijke grondwetten van Nederland waren overigens, 1840, 1848, 1983 et cetera. De grondwet van 1983 was een volledige herziening.

Soorten grondrechten

Er zijn nationale en internationale grondrechten.

De schrik van de wereldoorlogen zorgde ervoor at er verdragen kwamen met veel grondrechten.

In 1948 kwam er zo de Universele verklaring voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties. Dit was geen verdrag en dus ook niet bindend. Het is wel belangrijk.

In 1950 kwam daarop het EVRM, dit kwam van de Raad van Europa, een ieder verbindende verdragsbepaling. Op grond van art. 93, 94 Gw kunnen deze worden ingeroepen door burgers. Wetten in formele zin kunnen aan het EVRM worden getoetst.,

In 1966 kwam daarop het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

En zo waren er nog meer belangrijke verdragen.

Er is een verschil tussen klassieke en sociale grondrechten. Een klassiek grondrecht is als de burger beschermd wordt tegenover de overheid. Die mag iets NIET doen. het worden ook wel vrijheidsrechten genoemd. Dat de overheid iets niet mag doen is echter wel wat kort door de bocht. Je moet immers wel mogelijkheden hebben om vrijheid te hebben. Zo moet de overheid bijvoorbeeld bij een demonstratie zorgen dat de demonstranten zijn beschermd tegenover tegenstanders.

Sociale grondrechten zeggen dat de overheid moet handelen. Zo moet werkgelegenheid, milieu, zorg et cetera worden gestimuleerd.

Grondrechten kunnen horizontaal en verticaal gelden. In principe geldt een grondrecht verticaal. Dat is dan de relatie tussen hoog en laag en dus de verhouding tussen overheid en burger. Dit is ook de bedoeling waarmee een grondrecht is beschreven.

Er bestaat ook een werking tussen burgers onderling, de horizontale gelding die ook wel derden-werking wordt genoemd. Voor 93 kon deze derden-werking indirect werken. Daarna werd de horizontale werking meer erkend. Horizontale werking wordt per geval bij de rechter bepaald.,

Waar staan grondrechten

Grondrechten staan beschreven in de grondrecht, voornamelijk in het eerste hoofdstuk. Veel van deze grondrechten worden verder uitgewerkt in nadere wetten. Verder kun je ze vinden in het EVRM en in de nadere protocollen van het EVRM. Veel van de grondrechten worden zowel in het EVRM als in de grondwet genoemd.

Beperkingensystematiek

Het is belangrijk om na te gaan of de aantasting in het recht gerechtvaardigd is. Voor de Grondwet en het EVRM is er een ander systeem.

Voor de grondwet geldt dat de wetgever de taak heeft te kijken of de beperking gerechtvaardigd is. Dat valt op te maken uit het woordje ‘Behoudens’. Er is dus een groot vertrouwen in de wetgever.

Er moet een specifieke grondslag zijn voor de beperking van een grondrecht. Een verordenende bevoegdheid is op zich niet voldoende.

In de grondwet zijn er vooral competentievoorschriften, weinig inhoudelijke grenzen. Ook is er een toetsingsverbod. Waarmee ook niets beperkt kan worden. Daarnaast wordt er ook door de grondwet amper een bevoegdheid beperkt.

In het EVRM staat vaak in het tweede lid van het artikel de uitzonderingen op het grondrecht. Er is dus al meer verteld over de inhoud. Er zijn echter wel veel doelcriteria. Het is een ruime opsomming die erg ruim wordt geformuleerd.

Op grond van artikel 8 lid 2 moet de beperking zijn voorzien bij de wet. Het woordje wet kan in dit verband als recht worden gelezen. Inhoudelijk gezien moet je het dus kunnen kennen. Het gedrag van de overheid moet daarmee dus voorzienbaar zijn.

De beperking moet daarmee ook noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De beperking moet dus echt nodig zijn. ‘Is het voordeel van de inbreuk wel groot genoeg t.o.v. de nadelen’

Reikwijdte en beperking

Wanneer er wordt gekeken naar een gedraging waarbij beroep wordt gedaan op grondrechten moeten een aantal vragen worden gesteld.

De eerste vraag is; Valt een gedraging onder de reikwijdte van het grondrecht?

  • Wordt de gedraging door het grondrecht beschermd?

  • Is er sprake van een beperking van het grondrecht?

Zo ja? Wordt voldaan aan de beperkingssystematiek.

Positieve verplichtingen

Effectuering van vrijheidsrechten kan juist om overheidshandelen vragen?

Als A wil betogen moet A dat veilig kunnen doen”

In beginsel zou de overheid niet moeten mogen ingrijpen bij het handelen van A.

Speelt ook een rol bij horizontale werking van grondrechten (EVRM)

De staat heeft de verplichting ervoor te zorgen dat in horizontale verhoudingen het grondrecht geeffectueerd kan worden.

Zijn grondrechten er dan ook voor ambtenaren? Zij zijn immers ook deels een overheidsorgaan..

Ja, maar in de ambtenarenwet staan beperkingen voor zover dat nodig is voor een goede vervulling van het ambt. In voor- en nadeel van de ambtenaar.

En voor gedetineerden?

Ja, art. 15 zegt alleen dat dat wel enigszins beperkt is. 

Week 7, hoorcollege 2: grondrechten

In deze samenvatting worden kort drie grondrechten besproken. Per grondrecht wordt vermeld waar ze te vinden zijn, wat er in staat en wat daaruit mag worden afgeleid.

Drie specifieke grondrechten (de anderen zijn niet minder belangrijk)

  1. Het gelijkheidsbeginsel/discriminatieverbod

  • Algemene wet gelijke behandeling

  1. De vrijheid van meningsuiting

  2. De vrijheid van vergadering en betoging

  • De wet openbare manifestaties

  1. Het gelijkheidsbeginsel/ discrimatieverbod

  • Art. 1 GW

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan

  • Art. 14 EVRM

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

  • Art. 26 IVBPR

Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

“Allen die zich in Nederland bevinden”

Welke gevallen gelijk behandelen?

Wat zijn gelijke gevallen?

  • Zijn het juridisch gezien gelijke gevallen? (man vs. Vrouw)

  • Wanneer zijn kenmerken dan juridisch gelijk?

Hierop is geen antwoord te geven. Het ligt aan de politieke opvattingen.

Art. 1 GW helpt te bepalen waarover geen onderscheid mag worden gemaakt. Dat mag onder andere niet op godsdienst, levensovertuiging, politiek, etc. Voor deze punten is gekozen omdat deze eigenschappen zo bepalend zijn voor wie je bent, dat daar niet op gediscrimineerd mag worden. Je moet vrij kunnen zijn in wie je bent.

Het zinnetje, op welke grond dan ook, maakt het extra lastig. Onderscheid is daarom niet toegestaan als het buiten proportioneel, niet subsidiabel, niet object gerechtvaardigd is.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte discriminatie. (In de wet gelijke behandeling). (art. 1 AWGB)

Directe discriminatie is onderscheid op een verboden grond.

Indirecte discriminatie is het maken van onderscheid op een niet verboden grond die niettemin resulteert in een onderscheid op een verboden grond.

Vb. Onderscheid full- en parttime, valt grotendeels samen met het onderscheid van man en vrouw.

  1. De vrijheid van meningsuiting

  • Art. 7 lid 1 GW;

Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

  • Art. 10 EVRM

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2.Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

  • Art. 19 IVBPR;

1.Een ieder heeft het recht zonder inmenging een mening te koesteren.

2.Een ieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook te garen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn keuze.

3.Aan de uitoefening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde rechten zijn bijzondere plichten en verantwoordelijkheden verbonden. Deze kan derhalve aan bepaalde beperkingen worden gebonden, doch alleen beperkingen die bij de wet worden voorzien en nodig zijn:

(a)in het belang van de rechten of de goede naam van anderen;

(b)in het belang van de nationale veiligheid of ter bescherming van de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden.

In art. 7 GW staat het woord drukpers. Dat is bij verandering van de grondwet niet veranderd omdat hierover al zoveel nieuwe jurisprudentie was. Dit wordt ruim uitgelegd. lid 3 maakt het zelfs nog ruimer.

In het artikel staat ook het verbod op censuur, ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid’. Het kan je niet bevolen worden je niet te uiten. Je kan er alleen achteraf op worden aangesproken.

In art. 7 lid 1; kern; Wat je denkt en wat je voelt mag je uiten. Dit wordt het openbaringsrecht genoemd. In de jurisprudentie wordt hieraan ook het recht om te verspreiden toegedeeld. Je kunt iets immers moeilijk openbaren als je het niet mag verspreiden.

Het recht om te verspreiden is daarmee het connexe recht, het bijkomende recht.

Het verspreidingsrecht staat daarmee niet expliciet in de wet. Daarom mogen de lagere regelgevers dit recht beperken. Dit is ook weer beperkt, als je bijvoorbeeld aanplakken wil verbieden moet je zorgen voor plekken waar dat wel mag.

  1. De vrijheid van vergadering en betoging

  • De wet openbare manifestaties

  • Art. 9 Gw;

1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden

  • Art. 10 EVRM;

1.Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2.Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

  • Art. 11 EVRM;

1.Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

2.De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.

Ook bij dit artikel geldt dat er alleen achteraf mag worden opgetreden. “Behoudens ieders verantwoordelijkheid”

In de Wet openbare manifestaties worden voor de vrije betoging en vergadering wel regels gegeven. Deze hebben dan geen betrekking op de inhoud maar op de manier waarop er betoogt wordt. Er mogen natuurlijk geen verkeersopstoppingen of onveilige situaties ontstaan.

Hostile audiences: publiek dat tegen de manifestatie is, is zelfs geen reden om de manifestatie te verbieden. De overheid moet de demonstranten kunnen beschermen. (zegt de Hoge Raad.)  

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries
Check more: study fields and working areas

Image

Share: this page!
Follow: Law Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
1064
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector