Samenvatting van Parenting: A Dynamic Perspective van Holden - 3e druk

Samenvatting bij Parenting: A Dynamic Perspective

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Welke rollen spelen ouders binnen de ontwikkeling van hun kinderen? - Chapter 1

    Welke rollen spelen ouders binnen de ontwikkeling van hun kinderen? - Chapter 1

    Wat zijn de verschillende opvoedingsovertuigingen door de geschiedenis heen?

    Alle mensen op de wereld hebben één ding gemeen: ieder van ons is ooit een kind geweest. Voor de meesten van ons was de eerste bron van informatie over de wereld en hoe we ons moeten gedragen onze ouders. Daarom wordt in onderzoek vaak de vraag gesteld: hoe beïnvloeden ouders de ontwikkeling van hun kinderen? De rol die ouders spelen in de ontwikkeling van kinderen wordt socialisatie genoemd. Socialisatie is het proces waarbij naïeve individuen vaardigheden, gedragspatronen, waarden en motivatie worden geleerd die ze nodig hebben om goed te kunnen functioneren in de wereld waarin ze opgroeien. De eerste pogingen om te bestuderen hoe ouders hun kinderen socialiseren begon in de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. Er werd toen echter alleen gefocust op ouderlijke liefde en straf, en hoe dit het gedrag van een kind beïnvloedt. Er zijn veel meer dimensies die bestudeerd kunnen worden, zoals bijvoorbeeld emotieregulatie of genderontwikkeling. Daar komt bij dat ouders naast socialisatie nog meer belangrijke opvoedkundige taken hebben, namelijk:

    • Het kind onderhouden in zijn of haar levensbehoeften en veiligheid bieden.
    • Het kind stimuleren en instructies geven over hoe dingen werken.
    • Het kind socio-emotionele steun geven.
    • Toezicht houden op het kind.
    • Het kind structuur bieden.
    • Zorgen dat het kind sociale contacten heeft.

    Verder laat onderzoek ook zien dat de overtuigingen over hoe kinderen moeten worden opgevoed erg verschillen over tijd en cultuur. Zo liet Phillippe Ariès in zijn boek 'Centuries of Childhood' bijvoorbeeld zien dat het concept van de kindertijd nog niet bestond tijdens de Middeleeuwen. Er was een volwassen-gecentreerde visie op kinderen, wat inhield dat kinderen werden gezien als kleine volwassenen. Dit veranderde in de late zestiende eeuw in de hoogste klassen naar een kind-gecentreerde visie. Binnen deze visie werd de kindertijd gezien als een aparte periode in het leven waarin het belangrijk was om educatie in te zetten. Deze visie verspreidde zich pas in de late negentiende eeuw naar de lagere- en middenklasse in de samenleving. De manier waarop ouders naar hun kinderen kijken veranderde hierdoor ook langzaam. Waar ze eerst hun kinderen zagen als krachten die ingezet konden worden om arbeid te verrichten, werden kinderen steeds meer gezien als individuen met unieke psychologische behoeften. Hieruit blijkt dus ook dat overtuigingen over kinderen en ouders een sociale constructie zijn: ze zijn cultuur- en tijdsafhankelijk. 

    Wat zijn de opvoedingsovertuigingen van verschillende autoriteitsfiguren door de geschiedenis heen?

    Autoriteitsfiguren beïnvloeden hoe we in de samenleving naar socialisatie kijken. De belangrijkste autoriteitsfiguren zijn religieuze leiders, filosofen, artsen en psychologen.

    Wat zijn de opvoedingsovertuigingen van religieuze leiders?

    In religieuze teksten zijn er veel voorbeelden te vinden van visies over kinderen en ouders. De drie grote religies in de wereld – Christendom, Jodendom en Islam – leggen de nadruk op het belang van familie en het besteden van aandacht aan kinderen. Dit komt terug in verschillende religieuze teksten, die veelal gaan over hoe kinderen zich moeten leren gedragen en hoe ouders met hen om zouden moeten gaan. In Islamitische teksten wordt daarbij ook nog de nadruk gelegd op het behouden van de familie eer. Veel religieuze leiders schreven daarnaast voornamelijk over de invloed die ouders uit konden oefenen op ontwikkeling van hun kind. Zo stelde St. Augustine van Hippo (354-430) dat kinderen van nature zondig zijn. Martin Luther (1483-1546) daarentegen, had een patriarchische visie op opvoeding, waarin vaders de autoriteit en morele gids van het gezin waren. Bijgevolge geloofde hij ook dat vaders actief moesten deelnemen aan het ouderschap. John Calvijn (1509-1564) ondersteunde het idee dat kinderen zondig waren en dat ouders een belangrijke rol hebben in het corrigeren van dit probleem. Hij vond dat ouders dit op een vriendelijke, doch strenge manier moesten doen. Met zijn ideeën beïnvloedde hij vele protestante denkers, zoals John Robinson (1575-1625), die voor harde straffen pleitte. Deze zouden uitgevoerd moeten worden door vaders, omdat zij autoriteit en kracht bezaten. In de volgende eeuw kaartte John Wesley (1703-1791) ook het belang van ouderlijke discipline aan als essentieel voor de ontwikkeling van kinderen. Een onderdeel hiervan was fysiek straffen.

    Deze autoritatieve ideeën van Robinson en Wesley waren echter passend bij hoe de koloniale bevolking hun kinderen opvoedde. Fysieke straffen waren een laatste redmiddel en in plaats daarvan werd iemand publiekelijk te schande gezet om ze het verschil tussen goed en slecht te leren. Vandaag de dag wordt deze strenge visie van het fysiek straffen ook in het westen nog nauwelijks ondersteund door religieuze leiders.

    Wat zijn de opvoedingsovertuigingen van filosofen?

    Eén van de terugkerende thema’s onder filosofen is het belang van de eerste levensjaren. Aristoteles (384-322 v. Chr.) introduceerde het begrip tabula rasa en benadrukte hiermee het belang van de omgeving bij de vorming van het kind. Aristoteles was aanhanger van een patriarchische samenleving, waarin het huishouden de primaire taak van de vrouwen is. 

    John Locke (1632-1704) had een blijvende impact op hoe kinderen opgevoed werden tijdens de eerste helft van de achttiende eeuw. Hij karakteriseerde het kind als een onbeschreven blad of tabula rasa en verwierp het idee dat kinderen zondig zijn. Daarnaast benadrukte hij de invloed van de omgeving en het belang van vroege stimulatie en vond hij dat ouders volwassen gedrag moesten aanmoedigen. Volgens Locke zijn kinderen rationele wezens en moeten ze niet gestraft of beloond worden, maar moet richting hen beredeneerd worden waarom iets goed of fout is. Hij benadrukte het belang van de eerste levensjaren. Door zijn werk werden ouders in Europa en Amerika warmer en meer egalitair. Toch heeft Locke ook praktijken voorgesteld die tegenwoordig als bizar worden beschouwd. Zo pleitte hij voor verharding (hardening) van baby’s om babysterfte te bestrijden. Voorbeelden van manieren om kinderen te ‘verharden’ zijn het onderdompelen van baby’s in een koud bad en jonge kinderen pijn doen.

    Ook Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) verwierp het idee dat kinderen zondig worden geboren. In plaats daarvan waren zij bij de geboorte onschuldig en amoreel en werden zij soms door de samenleving verdorven. In tegenstelling tot Locke geloofde Rousseau echter dat kinderen pas op 12-jarige leeftijd rationeel worden. Daarom zou het bestraffen van wangedrag volgens hem op jonge leeftijd niet nuttig zijn. Rousseau was ervan overtuigd dat de rol van ouders niet was om kinderen te straffen of trainen, maar om hen te ondersteunen bij hun natuurlijke ontwikkeling.

    Wat zijn de opvoedingsovertuigingen van artsen?

    Aangezien artsen zich met name bezighouden met het bestrijden van ziekte en dood, gaven ze in eerste instantie vooral advies over voeding. Luther Emmett Holt (1855-1924) schreef een boek met informatie over de dagelijkse zorg van kinderen, mijlpalen in de ontwikkeling, aanbevelingen met betrekking tot voeding, en oplossingen voor veelvoorkomende kwaaltjes en gedrag. Hoewel enkele van zijn adviezen ook tegenwoordig nog worden gegeven, worden bepaalde adviezen nu beschouwd als vreemd. Zo raadde Holt aan baby’s niet te kussen, om de verspreiding van bijvoorbeeld tuberculose te voorkomen. Ook vond hij duimzuigen een groot probleem. Hij bedacht als oplossing om de armen van een kind ‘s nachts aan de wieg vast te binden.

    Een van de kinderen die volgens Holts regels werd opgevoed, groeide op tot een nog invloedrijkere arts dan Holt zelf: Benjamin Spock. Hij vond dat er een nieuwe aanpak nodig was bij het opvoeden van kinderen. Hij vond het belangrijk dat ouders in zichzelf geloofden en genoten van het ouderschap. Er werd ouders geadviseerd hun kind als individu te behandelen. Zijn boek hierover "Baby and Child Care" wordt gezien als een soort bijbel voor het opvoeden van kinderen en wordt nog steeds gepubliceerd.

    Wat zijn de opvoedingsovertuigingen van psychologen?

    Europese psychologen, zoals Sigmund Freud (1856-1939), Alfred Adler (1870-1937), Jean Piaget (1896-1980) en Erik Erikson (1902-1994), besteedden veel aandacht aan verschillende aspecten van de ontwikkeling van kinderen en de rol die ouders daarin hadden. Stanley Hall (1844-1924) was een psycholoog die een belangrijke rol heeft gespeeld bij het opstarten van onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen. Met betrekking tot de opvoeding, benadrukte Hall het belang van fysieke straf.

    Een andere belangrijke psycholoog is John B. Watson (1878-1958). Hij wordt gezien als de ‘vader’ van het behaviorisme, een benadering die stelt dat gedrag grotendeels door de omgeving wordt bepaald. Volgens Watson was klassieke conditionering, waarbij er een associatie ontstaat tussen een neutrale en een andere stimulus doordat deze herhaaldelijk aan elkaar gekoppeld worden, hoe kinderen leerden. Hij deed hier onderzoek naar bij een baby van negen maanden oud genaamd Little Albert. Hij negeerde de rol van genetische erfelijkheid. Watson was het op bepaalde gebieden eens met Holt (bijvoorbeeld dat je geen kinderen moest kussen), maar ontwikkelde ook zijn eigen ideeën. Zo was hij een tegenstander van het gebruik van straffen, onder andere omdat een straf na het wangedrag plaatsvindt en het dus niet contingent is.

    Wat zijn andere bronnen van opvoedingsovertuigingen?

    Wat komt er politiek en sociaal naar voren over het opvoeden van kinderen?

    DeMause heeft laten zien dat er vroeger veel sprake was van onder andere infanticide (het doden van baby’s), fysiek en seksueel kindermisbruik en het verkopen of verlaten van kinderen. Het vroegste bewijs voor deze harde en misbruikende opvoedpraktijken is afkomstig van de kleitabletten uit Mesopotamië, rond 1750 voor Christus. Deze werden ook wel de Code van Hammurabi genoemd, naar de koning die ze bedacht. De tabletten beschreven straffen voor onacceptabel gedrag. Uit de gedragswetten blijkt dat er sprake was van een patriarchische oriëntatie ten opzichte van nakomelingen: kinderen waren eigendom van hun vader en hadden geen eigen rechten.

    In het oude Egypte (3000-1000 voor Christus.) werden kinderen daarentegen op een kindgerichte manier opgevoed. De opvoeding werd gekenmerkt door liefde, zorg en plezier. Dit geldt ook voor de opvoedpraktijken van de klassieke Grieken (490-323 voor Christus). Aristoteles ontwikkelde een stadiatheorie over kinderen: deze theorie ging ervan uit dat kinderen stapsgewijs door bepaalde ontwikkelingsfases gaan. Daarnaast benadrukte hij de individualiteit van elk kind en raadde hij ouders aan om hun opvoeding aan elk kind aan te passen. De Romeinen bouwden voort op de Griekse ideeën over opvoeding. Romeinse ouders benadrukten het belang van de eerste levensjaren en besteedden veel aandacht aan het beïnvloeden van de fysieke, morele en intellectuele ontwikkeling van hun kind. Hoewel ouder-kind relaties werden gekenmerkt door warmte, was er sprake van een sterke patriarchie. Het begrip patria potestas ("macht van de vader") verwees naar de absolute autoriteit van vaders. Kindermoord door de vader was in eerste instantie nog wel toegestaan, maar werd later afgekeurd.

    Historiografie of de studie van historische stukken laat zien dat de kindertijd vroeger een gevaarlijke levensperiode was. Er was sprake van een hoge baby- en kindersterfte. Desondanks hielden ouders van hun kinderen, maakten zij zich zorgen om de gezondheid van hun kinderen en rouwden zij in geval van overlijden. Een andere factor die invloed had op de opvoeding, waren de economische behoeften van het gezin. Kinderarbeid was vaak noodzakelijk. Vanaf 1836 werd kinderarbeid in de Verenigde Staten verboden en ontstond de leerplicht. In veel ontwikkelingslanden komt kinderarbeid echter nog veelvuldig voor. Het is duidelijk dat er veel invloeden zijn geweest op hoe we kinderen opvoeden: van economische moeilijkheden, tot politiek en culturele veranderingen, waarbij ook autoriteiten een grote invloed uitoefenden op wat we als normale opvoedingspraktijken zien.

    Wat komt er in de moderne media naar voren over het opvoeden van kinderen?

    In de moderne wereld zijn er veel bronnen van informatie over kinderen en het opvoeden van kinderen. Internet, Facebook, Twitter, blogs, posts, en sms’en zorgen ervoor dat deze informatie snel beschikbaar is. Dit heeft een grote invloed op hoe we denken over het ouderschap en de opvoeding. Echter, niet ieder advies dat online te vinden is, is ergens op gebaseerd.

    Wat voor effect hebben kinderrechten op het opvoeden van kinderen?

    Ondanks dat kinderen de meest kwetsbare bevolkingsgroep zijn, worden ze nog vaak gezien als het eigendom van de ouders. Een nieuw perspectief hierop erkent kinderrechten als zijnde anders dan de rechten van ouders. Dit heeft grote invloed op hoe kinderen behandeld worden. Deze rechten worden met name naar voren gebracht bij de Conventie van de Rechten van het Kind, waarbij vier principes centraal staan:

    • Het recht op leven, overleven en ontwikkeling.
    • Het belang van het kind vooropstellen.
    • Geen discriminatie.
    • Respect voor de zienswijze van het kind.

    Hoe kunnen we onderzoek gebruiken om opvoeding te begrijpen?

    Alleen met behulp van systematisch onderzoek kan onderscheid worden gemaakt tussen mening en feit. Deze feiten zijn echter niet zoals natuurkundige wetten, omdat ieder kind uniek is. Onderzoek naar opvoeding bestudeert hoe kinderen zich ontwikkelen en de rol die ouders hierin spelen. Een voorbeeld hiervan is de rol van ouders bij de individuatie van het kind, of de ontwikkeling van het kind tot een autonoom persoon.

    Hoe zag het begin van dit onderzoek naar opvoeding eruit?

    Rond 1920 was er sprake van een opkomst van onderzoek naar opvoeding. Dit onderzoek werd in eerste instantie gedaan om dingen die gezegd werden over ouders en kinderen door filosofen, artsen, en andere autoriteitsfiguren empirisch te kunnen onderbouwen. Dit onderzoek werd vrijwel systematisch gedaan vanaf halverwege 1940. Deze onderzoeken leverden een aantal bijdragen, waaronder methodologische benaderingen om ouders te onderzoeken, het testen van nieuwe concepten en het identificeren van associaties tussen opvoedpraktijken en uitkomsten bij het kind.

    Lijken de uitkomsten van dit onderzoek en het advies van experts op elkaar?

    Jane Rankin heeft de ideeën van vijf experts geanalyseerd over zes problemen die zich voordeden bij het opvoeden van kinderen en kwam tot de conclusie dat de experts het over veel kwesties oneens waren. Hieruit blijkt dat experts hun advies niet altijd op wetenschappelijk bewijs baseren. In plaats daarvan lijkt het advies te worden beïnvloed door de politieke filosofie van de expert (liberaal of conservatief).

    Iedereen heeft eigen ideeën over opvoeding. Deze ideeën worden ook wel lay theories of ethnotheories genoemd: informele onwetenschappelijke theorieën gebaseerd op conventionele ideeën. Deze theorieën omvatten overtuigingen over de karakteristieken van kinderen, wanneer ze bepaalde vaardigheden verwerven, hoe kinderen veranderen en de manieren waarop ouders de ontwikkeling beïnvloeden. Onderzoek moet nog uitwijzen in hoeverre deze theorieën  kloppen.

    Hoe zien moderne onderzoekstrajecten eruit?

    Niet alleen psychologen, maar ook een heleboel andere academische disciplines onderzoeken nu het ouderschap en het opvoeden van kinderen. Wat we hierover weten is dus gebaseerd op empirisch onderzoek. Vrijwel elke dag verschijnen er nieuwe onderzoeken over ouderschap en het opvoeden van kinderen en dus is dit veld groeiend en erg veranderlijk.

    Access: 
    Public
    Welke theorieën over opvoeding zijn er? - Chapter 2

    Welke theorieën over opvoeding zijn er? - Chapter 2

    Met een theorie kan je bepaalde fenomenen begrijpen. Een goede theorie integreert informatie, geeft causale relaties en feiten, is testbaar en kan voorspellen. Een theorie is een raamwerk dat we kunnen gebruiken om doorheen te kijken om bepaalde fenomenen te bestuderen.

    Hoe verhouden lay-theorieën zich tot het gedrag van ouders?

    Een metafoor laat het contrast zien tussen twee verschillende manieren van kinderen opvoeden: waar een timmerman het kind in de gewenste vorm hamert, werken tuinmannen juist aan de grond (de context waarin het kind zich ontwikkelt), terwijl ze de individualiteit van het kind erkennen. Zowel lay- als wetenschappelijke theorieën zijn belangrijk, omdat ze inzicht geven in het ouderschap en handvatten bieden voor hoe ouders moeten handelen.

    Ouders hebben ideeën over veel dingen, bijvoorbeeld of je een kind te veel kan verwennen of niet, wat helpt als een kind niet kan slapen of hoe je een kind moet disciplineren. Vroeger waren deze ideeën simplistisch, maar tegenwoordig zijn ze steeds gevarieerder en veranderen ook als de omstandigheden veranderen. Een van de eerste officiële theorieën over de ontwikkeling van het kind kwam van Sigmund Freud. Deze psychoseksuele theorie nam aan dat een kind door vijf psychoseksuele fasen ging tijdens het opgroeien:

    • Oraal.
    • Anaal.
    • Fallisch.
    • Latentie.
    • Genitaal.

    Hoe kunnen we op een wetenschappelijke manier naar opvoeding kijken?

    Er is niet een allesomvattende theorie over opvoeding en ouderschap. Wel zijn er verschillende theorieën ontwikkeld over ontwikkeling en ouder-kindrelaties. Ouder-kindrelaties kunnen op twee manieren worden bekeken. De eerste is phylogenetisch, wat betekent dat we kijken naar de ontwikkeling van soorten over tijd. De tweede is ontogenetisch, ofwel kijken naar hoe individuen zich ontwikkelen gedurende hun leven.

    Wat zijn de verschillende klassieke theorieën over ontwikkeling?

    Wat is de hechtingstheorie?

    De grondslag van de hechtingstheorie ligt bij Freud, evolutionaire ideeën en empirisch onderzoek van Harry Harlow met rhesus-aapjes over de moeder-kindband. Later kwamen John Bowlby en Mary Ainsworth. Deze theorie gaat over het ontstaan en onderhouden, maar ook de invloed van de liefdevolle band tussen ouders en kinderen op hun ontwikkeling. De kern van de hechtingstheorie is dat een relatie tussen ouder en kind een soort 'gedragssysteem' is dat adaptief is, omdat het zorgt dat het kind kan overleven en goed leert functioneren. Dit gedragssysteem heeft twee onderdelen: novelty seeking, het onderzoeken van de omgeving en nieuwe dingen ontdekken als het kind zich veilig voelt, en proximity seeking, het zoeken van veiligheid bij de ouders zodra het kind zich angstig voelt. De ouders vormen dus een veilige basis van waaruit kinderen de wereld onderzoeken. Ouders bouwen dit op tijdens het eerste levensjaar door warm en liefdevol te zijn richting hun kind. Ainsworth bedacht de strange situation-test om te kijken welke soort hechtingstijlen er zijn. Een moeder gaat hierbij de kamer uit en laat het kind spelen met een vreemde. De classificatie van de hechtingsstijl van het kind komt voornamelijk voort uit hoe ze reageren als de moeder de kamer uitloopt en terug de kamer in komt, maar ook op basis van de emoties die het kind laat zien.  Er zijn 4 verschillende hechtingsstijlen, waarvan secure of veilig de goede is:

    • Secure of veilig: het kind is van streek als de moeder weggaat, maar blij als de moeder terugkomt. Ze gaan dan naar de moeder toe en knuffelen met haar.
    • Anxious-avoidant of angstig: het kind negeert de moeder als deze terugkomt.
    • Anxious-resistant/ambivalent of vermijdend: het kind is van streek als de moeder weggaat, maar wil niet opgepakt worden als ze terugkomt.
    • Disorganized of gedesorganiseerd: het kind laat een mix van anxious-avoidant en anxious-resistant reacties zien.

    De reactie van ontstaat vanuit de geschiedenis die ouder en kind samen hebben. Secure-hechting komt vanuit gevoelig ouderschap (juist en snel reageren op de behoeften van het kind). Deze ouders zijn flexibel, gebalanceerd en geïntegreerd. Sommige ouders zijn niet gevoelig voor de behoeften van hun kinderen, bijvoorbeeld omdat de ouder zelf gestrest, boos of depressief is, omdat ze het kind niet wilden of de vaardigheden niet hebben om voor het kind te zorgen.

    • Als de ouder regelmatig niet reageert op de behoeften van het kind, ontstaat een anxious-avoidant hechting; het kind leert dan dat ze niet van de ouder op aan kunnen als ze iets nodig hebben.
    • Als ouders wel van hun kind houden maar de vaardigheden niet hebben en dus inconsistent zijn in voldoen aan de behoeften van het kind ontstaat er een anxious-resistant hechting. Kinderen leren dan dat de ouder onvoorspelbaar is en hen soms wel, maar soms ook niet geeft wat ze nodig hebben.
    • Disorganized-hechting ontstaat waarschijnlijk doordat kinderen een traumatische ervaring of misbruik hebben meegemaakt.

    De hechtingstheorie heeft ook nog effect op oudere kinderen en volwassenen, die via hun hechtingsstijl een internal working model maken over hoe gewaardeerd ze zijn en of ze mensen kunnen vertrouwen of niet. Dit model zijn omvat namelijk ideeën en verwachtingen over hoe andere personen zich gaan gedragen gebaseerd op eerdere hechtingservaringen. Aan de hand van dit model besluiten oudere kinderen en volwassenen hoe ze zich gedragen in sociale situaties of romantische relaties. Dit internal working model kan wel veranderd worden, waarbij mensen dus een andere hechtingsstijl 'aanleren'.

    Wat is de behavioristische theorie?

    De behavioristische theorie gaat ervan uit dat als we dingen willen verklaren, we moeten kijken naar observeerbaar gedrag. John B. Watson wordt gezien als de vader van deze theorie en ontwikkelde op basis van de ideeën van Ivan Pavlov en Edward Thorndike een theorie over de ontwikkeling van kinderen. Deze theorie gaat uit van klassieke conditionering, dat stelt dat nieuw gedrag alleen door associatie kan worden aangeleerd. Een neutrale stimulus die uit zichzelf geen reactie oproept wordt hierbij gekoppeld aan een ongeconditioneerde stimulus die uit zichzelf wel een reactie oproept, wat de ongeconditioneerde respons heet. Na een tijdje zal door associatie de neutrale stimulus ook een reactie oproepen, wat de geconditioneerde respons heet.

    Skinner heeft hier toen het idee van operante conditionering aan toegevoegd. Operante conditionering kijkt naar of het waarschijnlijk is dat bepaald gedrag zich in de toekomst zal herhalen op basis van de consequenties van dat gedrag. Door reinforcement (belonen) zal de kans dat het gedrag zich herhaalt groter worden. Door punishment (straffen) wordt deze kans juist kleiner. Wanneer een kind een snoepje krijgt bij het vertonen van bepaald gedrag, spreekt men van positive reinforcement: er wordt iets toegevoegd wat belonend is voor het kind. Ook kan de ouder iets wegnemen wat het kind vervelend vindt, wat negative reinforcement heet. Wordt het snoepje van het kind afgepakt, dan spreekt men van negative punishment: iets wat belonend is voor het kind wordt weggenomen. Wanneer de ouder het kind straft door een tik op de billen te geven, is er sprake van positieve punishment: er wordt iets toegevoegd wat vervelend is voor het kind. Wat reinforcement of punishment is hangt niet af van of het plezierig of onplezierig is, maar van de gedragsuitkomst die volgt: als iets ervoor zorgt dat gedrag vaker voorkomt in de toekomst dan is het een reinforcer, maar als iets ervoor zorgt dat gedrag minder vaak voorkomt in de toekomst dan is het een punisher. Het belonen van gedrag heeft een bi-directionele werking. Wanneer het kind zeurt om snoep en het dat ook krijgt van de ouder, heeft dit voor beiden een positief gevolg. De ouder is blij dat het kind niet meer zeurt en het kind is blij dat het snoep heeft gekregen. Een gevolg van deze beloning is dat zowel de ouder als het kind beïnvloed worden in hun gedrag. De ouder zal sneller snoep geven zodat het kind niet meer zeurt en het kind zal juist weer zeuren, zodat het snoep krijgt.

    Het straffen (punishment) van gedrag heeft twee nadelen. Ten eerste straffen ouders vaak verkeerd, omdat ze de straf vaak niet meteen na het gedrag geven en ook niet iedere keer dat het gedrag zich voordoet. Ten tweede, door te straffen kan het kind bang worden voor de ouder. Dit is slecht voor de ouder-kind interacties.

    Wat zijn de genetische, biologische en omgevingsinvloeden op de ontwikkeling het kind?

    Wat zegt evolutionaire ontwikkelingspsychologie over het ontstaan van gedrag?

    Charles Darwin publiceerde een theorie over de evolutie van mens en dier. Hij zei dat dit ging via natuurlijke selectie, wat inhoudt dat individuen die beter aangepast zijn aan de omgeving langer leven en dus meer kinderen krijgen dan zij die minder goed aangepast zijn. Op deze manier worden karakteristieken en gedragingen die helpen om te overleven doorgegeven aan de volgende generatie. Het doel van natuurlijke selectie is om onze genen te laten overleven in de volgende generaties. De evolutionaire ontwikkelingspsychologie kijkt dus naar hoe bepaalde manieren van opvoeding en ouderschap, maar ook bepaalde gedragingen zijn doorgegeven door de geschiedenis heen. Een van de gedragingen die op via natuurlijke selectie is doorgegeven is het huilen van kleine kinderen. Dit gedrag zorgt ervoor dat ze zo snel mogelijk aandacht krijgen van hun verzorger, wat hun kansen op overleving vergroot. Een ander kenmerk van kinderen wat bijdraagt aan deze kans is schattige gezichtskenmerken, wat verzorgingsgedrag oproept bij volwassenen.

    Ook parental investment, of de tijd, energie en middelen die ouders steken in het laten opgroeien en opvoeden van hun kinderen - is veel onderzocht. Volgens de evolutionaire theorie wordt de mate van investering van ouders bepaald aan de hand van de hoeveelheid gedeelde genen, de kans op overleving van het kind en de kans dat het kind zelf ook weer kinderen krijgt. Vanuit het evolutionaire perspectief is ook onderzocht wat vrouwen zoeken in een partner, namelijk de drie G's: goede genen, goede vaders en goede kostwinners. Mannen daarentegen, zoeken vooral naar vrouwen die vruchtbaar, trouw, goede kostwinners en goede moeders zijn.

    De evolutionaire psychologie heeft ook het concept van alloparenting uitgewerkt: het verzorgen van de kinderen door volwassenen die niet de biologische ouders zijn.

    Wat zegt de gedragsgenetica theorie over de ontwikkeling van kinderen?

    De gedragsgenetica theorie kijkt naar welk effect genen en omgevingsinvloeden hebben op menselijke karakteristieken en gedrag. Francis Galton was de eerste aanhanger en werd opgevolgd door Arnold Gesell. Gesell bedacht de nativistische theorie van ontwikkeling, waarbij genen voorspelden hoe kinderen zich ontwikkelden, niet de omgeving. Ouders zijn er om kinderen te helpen bij het ontwikkelen van deze genetische eigenschappen. Er wordt hier veel onderzoek naar gedaan aan de hand van tweeling of adoptiestudies. Zowel het genotype (de genetische samenstelling) als het fenotype (de fysieke manifestatie van het genotype in gedrag) van een kind is belangrijk. Epigenetica kijkt naar hoe de expressie van het fenotype kan worden beïnvloed op basis van ervaringen.

    Gedragsgenetici hebben drie basismanieren ontwikkeld om te beschrijven hoe de genen van kinderen hun ontwikkeling beïnvloedt. Dit wordt ook wel de genen-omgevingsinteractie genoemd.

    • Genen spelen een passieve rol in de omgeving: ouders creëren dankzij hun eigen genen een omgeving onafhankelijk van het genotype van het kind.
    • Genen spelen een actieve rol: ze zorgen ervoor dat kinderen bepaalde omgevingen meer opzoeken dan anderen.
    • Genen spelen een evocatieve rol: ouders reageren op het fenotype van het kind op een manier die uniek is voor dat kind.

    Binnen een gezin ervaart een kind gedeelde omgeving (zelfde als de andere familieleden) en niet-gedeelde omgeving (uniek voor het kind). Als alleen gedeelde omgeving invloed zou hebben, zouden alle kinderen binnen het gezin zich hetzelfde ontwikkelen omdat ze allemaal dezelfde opvoeding krijgen. Maar zusjes en broertjes verschillen van elkaar, wat leidt tot verschillende opvoedingstechnieken. Niet-gedeelde omgeving lijkt meer invloed te hebben.

    Wat zegt de ecologische systeemtheorie over hoe een kind zich ontwikkelt?

    Uri Bronfenbrenner bedacht de ecologische systeemtheorie. Deze gaat over hoe de ontwikkeling van een kind samenhangt met de omgeving en context en hoe dit met elkaar interacteert. Deze interactie tussen omgeving en persoon wordt ook wel transactionele invloed genoemd. Bronfenbrenner dacht dat een persoon kon interacteren met verschillende omgevingsniveaus:

    1. Microsysteem: de directe omgeving/context van het kind (bijvoorbeeld het gezin, school).
    2. Mesosysteem: relaties tussen verschillende microsystemen. Kinderen ontwikkelen zich beter als een goede connectie is tussen de verschillende microsystemen.
    3. Exosysteem: hier zijn kinderen niet zelf direct mee in aanraking, maar deze zijn wel van invloed op hun ontwikkeling (bijvoorbeeld werk van de ouders).
    4. Macrosysteem: culturele context waar alle systemen zich in bevinden (bijvoorbeeld normen, waarden en wetten in het land).
    5. Chronosysteem: dit gaat over hoe oude systeeminteracties het toekomstige gedrag van het kind kunnen beïnvloeden.

    Wat zijn de verschillende theorieën over sociaal leren en sociale cognitie?

    Wat zegt de sociale cognitie theorie over de ontwikkeling van kinderen en de opvoeding?

    De sociale cognitie theorie zegt dat cognitieve en informatieverwerkingsprocessen invloed hebben op het sociale gedrag van individuen.

    Een van de eerste ontwikkelingen op dit gebied kwam van Gerard Patterson. Hij bedacht een model van sociaal leren wat hij de coercive cycles noemde, waarbij het kind iets fout doet, de moeder daar op ingrijpt, het kind begint te gillen, de moeder terug gilt en zo alles uit de hand loopt. Het is dus een slecht idee voor ouders om mee te gaan in een coercive cycle, omdat het onwaarschijnlijk is dat de ouder ‘wint’. Meegaan in de cycle zorgt er namelijk voor dat de zeggenschap van de ouder ondermijnt wordt en ook vertonen ze hierdoor sneller mishandelend gedrag.

    Bandura’s sociale leertheorie of sociaal cognitieve theorie is echter meer omvattend. Hij erkende het belang van direct en observationeel leren. Dit is te zien aan zijn onderzoek met een Boho-pop, waarbij hij keek of kinderen agressiever werden richting deze pop door anderen agressief op de pop te zien reageren. Wat volgens Bandura belangrijk is bij het in stand houden van gekopieerde gedrag is reinforcement. Ook belangrijk binnen Bandura’s theorie is self-efficacy: of iemand gelooft dat ze de mogelijkheid hebben veranderingen aan te brengen in hun omgeving via hun gedrag.

    Wat zegt de sociale relatie theorie over de ontwikkeling van kinderen en de opvoeding?

    Deze nieuwe theorie gaat uit van het idee dat de ouder-kindrelatie gevormd wordt door kinder- en oudereffecten. Kinder-effecten zijn de effecten die een kind heeft op de ouder met zijn of haar gedrag, terwijl ouder-effecten de veranderingen zijn die ouders opwekken bij hun kind. Ontwikkelingen en veranderingen in deze relatie vinden plaats door de doelen en behoeften van de kinderen en ouders. Doordat ouder en kind elkaar beïnvloeden, spreekt men van een bi-directionele invloed.

    Wat is de ouderlijke rol theorie?

    De roltheorie kijkt naar de verschillende rollen die iemand kan hebben en de verwachtingen, gedragingen, rechten en verantwoordelijkheden die bij deze rollen horen. Er zijn twee kernbegrippen, rolconflict en role spanning. Rolconflict omschrijft een situatie waarin er conflict is tussen de rollen van twee verschillende statussen. Rolspanning ontstaat wanneer er spanning ontstaat tussen rollen die dezelfde status hebben. Roltheorie is nuttig voor het begrijpen van sociale verwachtingen en hun gevolgen.

    Wat zegt Vygotsky’s theorie over de rol van ouders?

    Een belangrijke rol die ouders spelen bij de ontwikkeling komt naar voren in het concept van de zone van proximale ontwikkeling: kinderen ontwikkelen zich in deze zone, doordat de ouder hen bij dingen helpt en het kind zo meer kan doen dan dat het alleen zou kunnen. De fundamentele manier waarop ouders meer volwassen gedrag stimuleren is door scaffolding, waarbij ouders een context of omgeving creëren rondom het gewenste gedrag. Als kinderen zelf meer kunnen, hoeven ouders deze omgeving niet meer te creëren. Ouders spelen dus een centrale rol in het ontwikkelen van volwassen gedrag.

    Wat zegt de zelfdeterminatietheorie over het ontwikkelen van kinderen?

    De zelfdeterminatietheorie gaat over wat mensen motiveert om bepaald gedrag te vertonen. Deze theorie zegt dat mensen in het algemeen maar ook kinderen drie basisbehoeften hebben, namelijk autonomie, vaardigheden en verwantschap. De behoefte aan autonomie zie je terug bij de 'terrible twos', waar kinderen alles zelf willen doen en overal nee op zeggen. Volgens deze theorie moeten ouders structuur en ondersteuning bieden aan het kind voor het ontwikkelen van deze autonomie. Wanneer dit gedaan wordt, zal het kind zich verbonden voelen met de ouders en vaardigheden leren.

    Wat zegt de familiesysteemtheorie over ouders en kinderen?

    De familiesysteemtheorie is ontwikkeld door Murray Bowen en focust zich op de interacties en connecties tussen verschillende familieleden. Deze theorie gaat ervan uit dat een verandering in het functioneren van een familielid leidt tot veranderingen bij andere familieleden. De theorie probeert sociaal gedrag en sociale interactie te verklaren via begrip van deze systemen. Om het gedrag van het kind te begrijpen moeten we dus niet kijken naar alleen het kind, of de relatie van het kind met de ouders, maar naar de relaties tussen alle familieleden.

    De familiesysteemtheorie heeft een aantal nuttige concepten ontdekt, zoals tweede-orde effecten waarbij een ouder zich anders gedraagt ten opzichte van een kind als de andere ouder erbij is dan wanneer zij er niet zijn. Het meest voorkomende construct in deze theorie is co-ouderschap, waarbij ouders samen hun rol van ouders delen en waarbij ouders wederzijds ondersteunen en betrokken zijn.

    Wat zijn andere op emotie gebaseerde theorieën?

    Wat zegt de emotionele veiligheidstheorie over het gedrag van kinderen?

    De emotionele veiligheidstheorie is ontwikkeld door Patrick Davies en Mark Cummings en focust zich op hoe een kind zich onzeker kan gaan voelen als gevolg van conflict en ruzie van de ouders. Het idee van deze theorie is dat kinderen die hun ouders ruzie zien maken, bang worden voor een scheiding. Dit zorgt voor emotionele stress. Kinderen die weinig worden blootgesteld aan ruzie, ontwikkelen een beter emotionele gezondheid en emotieregulatie.

    Wat zijn de verschillende fasen-theorieën van ontwikkeling?

    Deze theorieën gaan uit van het idee dat kinderen gedurende hun ontwikkeling door verschillende fases heengaan, waaraan een ouder zich aan moet passen om aan hun behoeften te kunnen voldoen.

    Wat is de theorie van Piaget?

    Jean Piaget kwam als een van de eersten met het idee dat kinderen anders denken dan volwassenen en informatie op een andere manier verwerken. Hij maakte onderscheid tussen de volgende vier fasen van ontwikkeling:

    1. Sensorisch motorische fase (0-2 jaar): het kind reageert reflexief.
    2. Pre operationele fase (2-7 jaar): het kind begint symbolen te gebruiken.
    3. Concreet operationele fase (7-11 jaar): het kind snapt logische relaties.
    4. Formele operationele fase (11-15 jaar): het kind kan abstract nadenken.

    Wat is de theorie van Erikson?

    Erik Erikson stelde acht psychosociale dilemma’s op. Om succesvol door te gaan naar een volgende fase in het leven moet eerst het vorige dilemma worden opgelost. Ouders kunnen hierin het kind steunen om door de fases heen te komen, of juist het kind in de weg zitten. De dilemma’s zijn:

    1. Vertrouwen vs. wantrouwen (0-1 jaar).
    2. Autonomie vs. schaamte (1-3 jaar).
    3. Initiatief vs. schuld (4-5 jaar).
    4. Competentie vs. minderwaardigheid (6-12 jaar).
    5. Identiteit vs. rolverwarring (adolescentie).
    6. Intimiteit vs. isolatie (vroege volwassenheid).
    7. Generativiteit vs. stagnatie (midden volwassenheid).
    8. Integriteit vs. wanhoop (late volwassenheid).
    Access: 
    Public
    Wat zijn de verschillende benaderingen voor onderzoek naar opvoeding? - Chapter 3

    Wat zijn de verschillende benaderingen voor onderzoek naar opvoeding? - Chapter 3

    Hoe ziet de benadering die kijkt naar oudereigenschappen (traits) eruit?

    De eigenschappen van ouders hebben invloed op de ontwikkeling van het kind. Bijvoorbeeld ‘helikopter-ouders’ die zich te veel met het leven van hun kind bemoeien. Ouders kwalificeren op basis van één belangrijk kenmerk in hun opvoedstijl is de oudste manier van conceptualiseren en onderzoeken van ouders. Een grondlegger hiervan was David Levy. Er bestaan verschillende namen voor deze benadering, onder andere ouderschapsstijl, typologie of patroon. De meest bekende naam is de trait benadering: deze benadering gaat ervan uit dat we ouders kunnen indelen in één stabiele categorie die de essentie van hun opvoedingsstijl omvat. Het bekendste schema waar een aantal van deze traits van ouders instaan is die van Diana Baumrind. Ze zei dat opvoeding kon gebeuren op drie manieren:

    • Volgens een autoritaire stijl: strenge ouders die vaak straffen en disciplineren.
    • Volgens een gezaghebbende/autoritatieve stijl: ouders die hun kinderen opvoeden door middel van liefde en redeneren, ze moedigen autonomie van de kinderen aan.
    • Volgens een toegeeflijke/permissieve stijl: ouders die liefdevol zijn, maar weinig controle hebben over hun kinderen, ze straffen bijna nooit.

    Doordat Baumrinds typologie zo belangrijk is geworden, zijn er veel mensen kritiek op gaan geven. Zo vindt Lewis dat deze oudereigenschappen eigenlijk onderdeel zijn van de al eerdergenoemde kinder-effecten: gedrag van de ouders wordt bepaald door het gedrag/karakteristieken van het kind. Daarnaast vinden Maccoby en Martin dat er een vierde opvoedingsstijl zou moeten zijn, namelijk een verwaarlozende stijl, waarbij de ouders niet veeleisend maar ook niet responsief zijn.

    Hoe ziet de benadering die kijkt naar kinder-effecten en transacties eruit?

    De trait benadering gaat ervan uit dat ouders het gedrag van hun kinderen bepalen. De kinder-effecten en transacties benadering focust zich daarentegen op hoe de karakteristieken van kinderen invloed uitoefenen op of interacteren met de eigenschappen of het gedrag van ouders. Deze benadering is bekend geworden door Richard Bell. Hij zei dat deze kindereigenschappen in drie categorieën ingedeeld kunnen worden:

    • Algemene eigenschappen: bijvoorbeeld leeftijd en geslacht.
    • Fysieke eigenschappen: bijvoorbeeld hoe groot iemand is.
    • Gedrag: bijvoorbeeld de mate van hyperactiviteit.

    Naast dat kinderen reacties uitlokken bij ouders met deze eigenschappen zijn er andere manieren waarop ze invloed uitoefenen. Ten eerste door hun persoonlijkheid en interesses, waardoor ze bijdragen aan de ouder-kind relatie. Ten tweede heeft het temperament van een kind ook invloed, omdat dit bepaalt hoe ze op het gedrag van een ouder reageren. Een nieuw idee wat valt onder deze kinder-effecten is dat van differentiële susceptibiliteit: het idee dat kinderen met bepaalde eigenschappen reageren op bepaalde opvoedingstypes/stijlen. Deze benadering zegt echter nog steeds niet alles. We kunnen beter bi-directioneel kijken: kinderen beïnvloeden ouders, maar ouders beïnvloeden kinderen ook. Uit dit nieuwe idee is een transactioneel ontwikkelingsmodel voortgekomen, waarvan de kern is dat kinderen niet alleen beïnvloed worden door belangrijke anderen en de omgeving waarin ze leven, maar dat kinderen ook effect hebben op deze belangrijke anderen.

    Hoe ziet de benadering van sociaal leren eruit?

    Sociaal leren refereert naar hoe individuen leren van hun sociale omgeving. Aanhangers van deze theorieën kijken naar de leerprincipes die ouders vertonen (of juist niet) bij het opvoeden van hun kinderen. Het gedrag van ouders komt voort uit door hun eigen sociale leerprocessen. Ze oefenen invloed op het kind uit door modeling en door belonen en straffen. Het goede of foute gedrag van kinderen komt voort uit door sociaal leren. Er zijn verschillende fouten die ouders kunnen maken in de opvoeding volgens dit perspectief:

    • Ouders belonen vaak fout gedrag door er aandacht aan te geven (bijvoorbeeld lachen als een jong kind vloekt).
    • Ouders vergeten kinderen te belonen voor goed gedrag.
    • Ouders reageren vaak te heftig en vaak in de vorm van straffen, terwijl ze in plaats straffen van fout gedrag zouden moeten focussen op het belonen van gedrag wat ze willen zien.
    • Ouders geven vaak uitleg over waarom iets fout was, terwijl jonge kinderen dit nog niet begrijpen en de ouderlijke aandacht die hieruit voortkomt dus opvatten als belonend.

    Hoe ziet de sociale richtingen-benadering eruit?

    De sociale richtingen benadering van Bronfenbrenner vergelijkt ouders van verschillende locaties of achtergronden met elkaar (bijvoorbeeld ouders met een andere cultuur, religie, etniciteit). Het idee van deze benadering is dat de culturele groep de opvoedingsstijl en ook de invloed van ouders op de ontwikkeling van het kind bepaalt. Culturele antropologen waren de eersten die deze benadering gebruikten. Ook psychologen begonnen zich al snel te interesseren voor culturele invloeden, en geografische, economische en ethische verschillen tussen ouders werden onderzocht. Huidige voorbeelden van de sociale richtingen-benadering zijn te vinden in cross-culturele onderzoeken. Er moet wel rekening mee gehouden worden dat er ook bewijs is dat er een grote variatie bestaat binnen culturele groepen welke nu vaak genegeerd wordt.

    Hoe ziet de natuurlijke tijdelijke (momentary) procesbenadering eruit?

    De natuurlijke tijdelijke procesbenadering bekijkt voortdurend moment-tot-moment gedrag tussen ouders en kinderen in de context waarin het normaal plaatsvindt. Dit gebeurt aan de hand van micro-analytische observaties (hele nauwkeurige observaties). De kernvraag van de theorie is hoe huidig gedrag gereguleerd, aangepast of beïnvloed wordt door één of beide ouders. Tijdens onderzoeken wordt gekeken naar manier van lachen, praten, hoofdbewegingen, etcetera. Hierbij is synchronisatie, samen op hetzelfde ding focussen en je op elkaar afstemmen, belangrijk. Dyadische synchronisatie ontstaat wanneer ouder-kind interacties onderling afgestemd, wederkerig en harmonieus zijn. Dit is het ideale type interactie. Deze benadering is vooral nuttig geweest bij bestuderen hoe ouders hun kinderen disciplineren.

    Hoe ziet de ouderlijke of sociale cognitie benadering eruit?

    De ouderlijke cognitie of sociale cognitie benadering wil begrijpen wat en hoe ouders denken over hun kinderen en de opvoeding. Er zijn verschillende typen ouderlijke cognities:

    • Attitude: een predispositie, reactie op, of affectieve evaluatie een feit over kinderen of het ouderschap. Deze attitudes kunnen zich ontwikkelen op basis van verschillende bronnen, zoals ervaringen uit het verleden.
    • Attributies: een oordeel over waarom een kind of ouder zich gedraagt zoals ze doen. Ouders maken vier attributies: over de rol van nature en nurture in de ontwikkeling van hun kind, in hoeverre ze invloed hebben op hun kinderen, wat er nodig is om succes te hebben op school en waardoor hun eigen gedrag bepaald wordt.
    • Overtuigingen: wanneer iemand volledig gelooft in een feit over het opvoeden van kinderen. Overtuigingen hebben vier domeinen: de inhoud van de overtuiging (vaak gaat deze over de ontwikkeling van kinderen en over hoe ouders deze kunnen beïnvloeden), de kwaliteit van overtuigingen (gaat over de structuur, intensiteit, en accuraatheid), de bronnen van de overtuigingen (bijvoorbeeld familieleden, autoriteitsfiguren, het internet) en effecten van de overtuigingen.
    • Besluitvormingsvermogen: het cognitieve proces van een opvoedingsbeslissing maken. Dit kan gaan om kleine maar ook grote beslissingen.
    • Verwachtingen: de anticipatie dat iets gaat of zou moeten gaan gebeuren, omdat het past bij wat een kind kan.
    • Doelen: redenen om bepaald gedrag te vertonen; wat je wil bereiken.
    • Meta-opvoeding: evaluatief reflecteren over je kinderen of hun opvoeding. Dit gebeurt meestal als kinderen zelf niet aanwezig zijn. Ouders die dit doen en daardoor leren op situaties en problemen te anticiperen zijn vaak effectiever dan ouders die slechts reageren in het moment.
    • Perceptie: het herkennen en interpreteren van stimuli.
    • Probleem-oplossend vermogen: kunnen omgaan met een opvoedkundig probleem.
    • Zelf-perceptie: als ouder je eigen karakteristieken kennen; zelfkennis hebben.

    Hoe ziet de gedragsgenetische benadering eruit?

    De gedragsgenetische benadering kijkt naar de rol van genen en de omgeving op menselijke karakteristieken en gedrag. De rol van genen wordt ook wel nature, en die van de omgeving wordt ook wel nurture genoemd.  De centrale vraag is: ‘In hoeverre beïnvloedt de opvoeding de uitkomsten van kinderen?’

    Er is veel onderzoek gedaan naar de erfelijkheid van bepaalde eigenschappen. Onderzoekers kunnen hier een inschatting van maken door monozygote of eeneiige tweelingen (die dezelfde genen hebben) te vergelijken met dyzygote of twee-eiige tweelingen (die slechts voor 50% hetzelfde genetische materiaal hebben) en te kijken in hoeverre ze op elkaar lijken als het aankomt op een bepaalde eigenschap. Een probleem bij dit onderzoek is dat we nooit helemaal zeker weten of iets door erfelijkheid komt, omdat eeneiige tweelingen naast het bezitten van dezelfde genen, ook vaak blootgesteld worden aan dezelfde omgeving (ze dragen bijvoorbeeld vaker dezelfde kleding, en worden hierdoor ook vaak door hun ouders hetzelfde behandeld). Nog een probleem is assortatieve paren, wat betekent dat mensen vaak een partner kiezen die op hen lijkt. Als dit zo is voor de ouders van twee-eiige tweelingen maakt dit dat de twee-eiige tweeling ook meer gelijkenissen vertoond dan normaal. Hierdoor is het verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen dan kleiner en wordt het lastiger om de mate van erfelijkheid van een eigenschap goed in te schatten. 

    Bij adoptiestudies wordt er gekeken naar de erfelijkheid van eigenschappen door te kijken naar correlaties tussen het adoptiekind en de biologische- en adoptie-ouders. Hoe hoger de erfelijkheid van de eigenschap, hoe hoger de correlatie tussen het adoptiekind en de biologische ouders. Als de omgeving een grotere rol speelt zou de correlatie tussen het adoptiekind en de adoptie-ouders hoger moeten zijn. Er moet rekening mee gehouden worden dat adoptie-ouders mogelijk eigenschappen delen met het kind, wat de correlatie beïnvloedt. Daarnaast kan er al invloed zijn vanuit de baarmoeder waar zowel de biologische ouders als de adoptie-ouders niet verantwoordelijk voor zijn.

    Belangrijk voor deze benadering is het idee van gedeelde omgeving: dingen die hetzelfde zijn voor alle kinderen, en niet-gedeelde omgeving: de unieke ervaringen van elk kind. Door deze uit elkaar te houden kunnen we een betere inschatting maken van de invloed die de omgeving heeft op de eigenschappen van het kind.

    Wat is het voordeel van werken met grote datasets?

    We doen nu onderzoek naar opvoeding door gebruik te maken van hele grote datasets. Het eerste voordeel hiervan is dat we makkelijker de relaties tussen verschillende variabelen kunnen testen. Bijvoorbeeld, als een grote dataset longitudinaal is kunnen we kijken naar de temporele relatie tussen variabelen (wat kwam eerst). Wat bijzonder is aan deze benadering met grote datasets is dat deze afhankelijk is van statistische methoden om de relatie tussen ouderlijk gedrag en de uitkomsten bij het kind te bekijken. Een tweede kracht van het gebruik van grote datasets is dat we met grotere precisie kunnen zien hoe variabelen gerelateerd zijn aan elkaar. Zo kunnen we bijvoorbeeld zien of variabelen een moderator of mediator zijn. Moderator: een variabele die de richting van de relatie tussen twee andere variabelen of hoe sterk deze relatie is beïnvloed. Mediator: een variabele die uitlegt hoe of waarom twee andere variabelen aan elkaar gerelateerd zijn, een soort link die de relatie tussen de twee andere variabelen verklaart.

    Hoe kunnen we de verschillende benaderingen vergelijken?

    We kunnen de benaderingen vergelijken aan de hand van vijf verschillende vragen:

    • Wat is de hoofdvraag van de benadering?
    • Welke aannames worden door de benadering gemaakt over wat het gedrag van ouders bepaald?
    • Op welk niveau analyseert de benadering het gedrag van ouders?
    • Welke aanname wordt er gemaakt over de richting van de ouder-kind invloed?
    • In hoeverre wordt er naar causale relaties gekeken?

    Een manier om de verschillende benaderingen te integreren is het persoon-proces-contextmodel van ontwikkeling. Hierin worden de eigenschappen van de ouder, het kind en de omgeving meegenomen.

    Access: 
    Public
    In hoeverre hebben ouders invloed op de ontwikkeling van een kind? - Chapter 4

    In hoeverre hebben ouders invloed op de ontwikkeling van een kind? - Chapter 4

    Wat is het historische bewijs van ouderlijke invloed op de ontwikkeling van kinderen?

    Hedendaags maar ook in de vroege geschiedenis geloofden mensen dat hoe ouders hun kinderen opvoeden van groot belang is voor hoe het kind zich ontwikkelt. Dat dit altijd al belangrijk gevonden werd is terug te zien in bijvoorbeeld gezegdes (like father, like son). Daarnaast worden heel erg veel problemen in de samenleving geassocieerd met de problematische opvoeding van kinderen. Denk hierbij aan middelen misbruik, criminaliteit, of tienerzwangerschap.

    Hoe zien natuur-experimenten eruit?

    Natuur-experimenten ontstaan wanneer het kind in een abnormale situatie opgroeit zonder dat daar wetenschappelijke manipulatie aan te pas komt; door deze situaties te bestuderen krijgen we informatie over de ontwikkeling. Het extreemste voorbeeld hiervan zijn kinderen die opgevoed zijn door dieren. De kinderen die veel bestudeerd worden zijn kinderen die opgroeien in weeshuizen en dus zonder ouders. René Spitz was een van de eersten die zei dat kinderen zich slecht ontwikkelden zonder hun moeder, kinderen krijgen dan te weinig liefde. Hij noemde dit ‘hospitalism’. Latere psychologen gingen verder met zijn werk. Toen is gevonden dat ook sociale interactie en cognitieve stimulatie belangrijk was voor de ontwikkeling van het kind.

    Hoe ziet het onderzoek naar dieren eruit?

    Zing-Yang Kuo was een Chinese onderzoeker, hij onderzocht de effecten van omgeving en training op dieren. Hij kon dieren dingen laten doen die tegen hun natuur in gingen. Dit was duidelijk bewijs voor het idee dat een dier door ervaring heel veel verschillende vormen van gedrag kan leren vertonen.

    Konrad Lorenz was grondlegger van de ethologie: de gedragsstudie van dieren in hun natuurlijke omgeving. Zijn belangrijkste ontdekking was imprinting: het ontzettend snel leren van bepaalde gedragingen al vroeg in het leven, onafhankelijk van de consequenties van dit gedrag. Lorenz dacht dat er voor bepaalde vormen van leren kritieke periodes waren: een begrensde periode waarin een dier of mens iets kan leren. Dit is onomkeerbaar. Hierna kunnen ze dus bepaalde dingen niet meer aanleren. Ook zijn er sensitieve periodes, waarin de effecten van iets wat aangeleerd is of juist niet wel onomkeerbaar zijn.

    Harry Harlow was een onderzoeker die onderzoek deed naar ouder-kind relaties via hechtingsonderzoek bij rhesus-aapjes. Hij ontdekte dat babyaapjes die werden opgevoed in isolatie anders waren dan de normale aapjes. Zij ontwikkelden extreem pathologisch gedrag, in de vorm van stereotype en antisociale gedragingen. Later lieten zij abnormaal seksueel gedrag zien. Hiermee liet hij zien dat baby's hun moeder dus niet alleen nodig hadden voor het eten dat ze gaven, maar ook gewoon voor liefde. Dit geldt voor mensen ook.

    Wat zijn de associaties tussen opvoeding en uitkomsten bij het kind?

    Vroeger werd gedacht dat ouders een uni-directioneel effect hadden op het kind: hun gedrag beïnvloedde het kind, maar niet andersom. Tegenwoordig is dit niet meer zo. Als er gekeken wordt naar de associatie tussen opvoeding en uitkomsten bij het kind dan kunnen deze positief, negatief of niet bestaand zijn. Als we het hebben over positieve relaties wordt er vooral gekeken naar competentie: gebruik kunnen maken van persoonlijke bronnen en die uit de omgeving om jezelf positief te ontwikkelen; en welzijn. Bij het onderzoek naar competentie worden drie specifieke gebieden onderzocht: ouder-kind hechting, opvoedingsstijlen of patronen en specifieke opvoedingsgedragingen.

    Wat zegt het onderzoek over ouder-kind-hechting?

    Dit onderzoek geeft aan dat kinderen die met twaalf maanden veilig gehecht zijn aan de ouders positieve ideeën ontwikkelen over zichzelf en anderen. Deze gebruiken ze dan bij het vormen van nieuwe relaties. Daarnaast zijn veilig gehechte kinderen enthousiaster, meewerkender en hebben een beter probleemoplossend vermogen. Ze zijn vaak als volwassenen ook gezonder. Toch is er ook kritiek op dit onderzoek: de ecologische validiteit - in hoeverre we onderzoeksresultaten kunnen generaliseren naar de echte wereld - is vrij slecht. Daarnaast kan het temperament van het kind ervoor zorgen dat hij of zij verkeerd geclassificeerd wordt. Verder levert dit onderzoek gemixte resultaten op. Ten eerste omdat relaties veranderlijk en dynamisch zijn en ten tweede omdat kinderen een andere hechting kunnen hebben met hun vader dan met hun moeder.

    Tegenwoordig wordt er minder gekeken vanuit hechtingstijlen wanneer kinderen 12 maanden zijn, maar meer vanuit interne-workingmodels. Dit zijn de mentale representaties die kinderen hebben van zichzelf en anderen. Deze kunnen vier verschillende vormen aannemen, die passen bij een bepaalde hechtingsstijl:

    • Veilig: positief beeld van jezelf en anderen.
    • Gepreoccupeerd: positief beeld van anderen maar een negatief beeld van jezelf.
    • Afwijzend: positief beeld van jezelf maar een negatief beeld van anderen.
    • Angstig: negatief beeld van jezelf en anderen.

    Wat zegt het onderzoek over opvoedingsstijlen of patronen?

    Een andere manier om opvoeding aan de competentie van kinderen te koppelen is via het onderzoek naar opvoedingsstijlen. Diana Baumrind heeft met haar onderzoek opvoedingsstijlen aan verschillende gedragingen van kinderen gekoppeld.

    • De autoritatieve opvoedingsstijl die gekarakteriseerd wordt door warme, open communicatie maar ook strenge grenzen heeft een erg positieve impact op kinderen. Ze worden onafhankelijk, sociaal sterk en competent.
    • Autoritaire ouders tonen weinig liefde en straffen streng, waardoor kinderen minder zelfstandig en assertief worden en ook minder prestatiegericht.
    • De permissieve of toegeeflijke opvoedingsstijl betekent dat ouders warm zijn, maar weinig regels hebben, waardoor kinderen helemaal niet zelfstandig of prestatiegericht worden.

    De associaties tussen competentie van kinderen en opvoedingsstijl is complex, met name omdat opvoedingsstijl beïnvloed wordt door cultuur, etniciteit, sociaaleconomische omstandigheden en de situatie en tijd waarin het plaatsvindt. Daarnaast lokken unieke eigenschappen van kinderen ook verschillende opvoedingsstijlen uit.

    Wat zegt het onderzoek over specifieke oudergedragingen?

    Deze benadering kijkt naar specifieke oudergedragingen. Deze benadering vond dat een aantal specifieke gedragingen gerelateerd zijn aan de competentie van een kind, zoals: empathisch reageren, warmte, consistentie, modeleren en monitoren.

    Hoe ziet de gedragsgenetica benadering eruit?

    Het nadeel van alle bovenstaande theorieën is dat er geen aandacht wordt besteed aan het belang van genen, terwijl deze wel veel invloed hebben. Tegenwoordig wordt er vanuit deze benadering veel gekeken naar de interactie tussen genen en omgeving. Een voorbeeld hiervan is het diathese-stress model. Het idee van dit model is dat mensen een genetische predispositie kunnen hebben voor bepaalde problemen, maar dat dit alleen tot uiting komt als het individu in aanraking komt met bepaalde omgevingsstressoren.

    Vanuit deze benadering concludeerden David Rowe, Sandra Scarr en Judith Rich Harris dat zolang het kind in een normale omgeving opgroeit, genen de uitkomsten van het kind bepalen en dat de opvoeding irrelevant is. Harris concludeerde later dat de omgeving wel degelijk invloed had, maar dat deze komt van leeftijdsgenoten en niet van ouders.

    Is er een ander perspectief over het belang van ouders?

    Er bestaat nog veel discussie over de mate waarin ouders invloed hebben op hun kinderen.  Opvoeden is multi-dimensioneel en het bestaat uit veel verschillende taken. Denk hierbij aan het voeden, beschermen, disciplineren en stimuleren van het kind. Welke taak vaak vergeten wordt is die van begeleiding (guidance) Dit kan een groot effect hebben op hoe een kind zich ontwikkelt. Holden suggereert dat ouders hun kind begeleiden op drie belangrijke manieren:

    • Establish trajectories/een route creëren: ouders bepalen het traject of de richting van de ontwikkeling van het kind.
    • Mediate trajectories/een route bemiddelen: ouders oefenen invloed uit op hoe kinderen hun omgeving en bepaalde ervaringen ervaren, erop reageren en begrijpen.
    • Modify the speed of the trajectory/het aanpassen van de snelheid: ouders hebben invloed wanneer en op welke snelheid kinderen ervaringen hebben die hun ontwikkeling bevorderen of juist remmen.

    Hoe creëren ouders een route?

    Een kind bewandeld altijd meerdere routes of paden tegelijk. Ouders bepalen op welke paden een kind terechtkomt door het kind een bepaalde richting op te wijzen of juist toegang tot bepaalde routes te blokkeren. We kunnen zien op welk pad een kind zich bevindt door te kijken naar de directe omgeving van het kind: staan daar bijvoorbeeld veel dingen gerelateerd aan sport, muziek, of juist boeken? Een andere manier om te zien op welk pad een kind zich bevindt is door te kijken naar het gedrag van de ouders, specifiek de beslissingen die zij maken over en voor hun kinderen: welke activiteiten, omgevingen en sociale interacties selecteren zij voor het kind? Dit kan bewust of onbewust gebeuren en ouders worden hierin beïnvloed door hun sociaaleconomische status, doelen, waarden, of hun eigen opvoedingsgeschiedenis. Ook kan een pad beïnvloed worden door andere familieleden zoals broertjes of zusjes. Hoe ouder een kind wordt, hoe bewuster een ouder ervaringen probeert aan te bieden die het kind helpen te ontwikkelen, wat ook wel promotive strategies genoemd wordt. Een kind op een bepaalde pad zetten kan ook door directe instructie over wat goed of fout gedrag is. Preventive strategies worden toegepast als een ouder een kind bepaalde ervaringen biedt om te zorgen dat ze niet op het verkeerde pad terecht komen. Een voorbeeld van zo'n strategie is ontwikkeld door Goodnow en heet cocooning: ouders beschermen dan hun kinderen van blootstelling aan negatieve ervaringen. Het blijkt belangrijk om een kind niet alleen op het pad te zetten, maar hem of haar er ook op te houden. Dit doen ouders door hun kind te steunen in hun interesses en hen te stimuleren.

    Hoe bemiddelen ouders een route?

    Sommige routes kunnen niet aangeboden worden aan kinderen omdat ouders te weinig tijd, kennis of geld hebben. Maar gecreëerde routes kunnen bemiddeld worden op 3 manieren:

    • Pre-arming: het voorbereiden van een kind op een bepaalde gebeurtenis die stressvol voor hen zou kunnen zijn (bijvoorbeeld een verhuizing) zodat ouders enigszins kunnen controleren hoe een kind reageert. Dit wordt ook wel opvoedingsinoculatie genoemd. Voorbeelden hiervan zijn kinderen voorbereiden op mogelijke discriminatie, of een kind wijzen op mogelijke gevaren.
    • Gelijktijdige bemiddeling (concurrent mediation): de perceptie van kinderen bepalen door het helpen interpreteren van een situatie terwijl/vlak nadat een kind de ervaring heeft gehad. Dit kan zowel negatieve dingen verminderen (bijvoorbeeld gepest worden) als positieve dingen versterken. Deze bemiddeling gaat meestal over omgaan met stress, maar kan ook coaching zijn over hoe een kind moet reageren op een situatie.
    • Nabespreken (debriefing): na een ervaring samen met een kind praten over deze gebeurtenis, om zo de manier waarop een kind over de ervaring denkt te beïnvloeden. Er is nog weinig onderzoek gedaan naar debriefing. Er is alleen onderzoek gedaan naar debriefing na traumatische gebeurtenissen. Een belangrijke rol van debriefing is kinderen hun emoties te laten uiten door zelf aanmoedigend en zonder vooroordeel te zijn. Zo kunnen ouders hun kinderen helpen weer op een positieve route te komen.

    Hoe passen ouders de snelheid aan?

    Waarom en hoe versnellen ouders de route?

    Ouders willen veelal de ontwikkeling van hun kinderen versnellen, iets wat door Piaget de 'Amerikaanse vraag' genoemd wordt. Volgens Elkind zorgt dit voor kinderen die druk voelen om sneller op te groeien dan ze doen, welke 'gehaaste kinderen' genoemd worden. Ouders hebben volgens Elkind meerdere redenen om hun kind sneller te willen laten opgroeien, bijvoorbeeld het zelfvertrouwen van het kind te laten groeien, communicatie met niet-leeftijdsgenoten te bevorderen of het zelf trots kunnen zijn op de prestaties van het kind.

    Waarom en hoe vertragen ouders de route?

    Het vertragen van de snelheid wordt ook gedaan door ouders om het kind te beschermen, ze beter met leeftijdsgenoten te laten spelen of om controle over een kind te houden. Ouders doen dit door overbescherming (kinderen krijgen niet te autonomie die bij hun leeftijd hoort) of cognitieve naïviteit (kinderen langer laten geloven in bijvoorbeeld sinterklaas). Het kan ook via een sociale route, waarbij kinderen weggehouden worden van bepaalde interacties zoals een jaar later naar school gaan (‘academic redshirting’).

    Kunnen er voorbeelden van deze routes gegeven worden?

    Hoe ziet de route van gezonde fysieke ontwikkeling eruit?

    Gedurende het leven van een kind doen ouders verschillende dingen om de gezondheid en veiligheid van hun kind te waarborgen, bijvoorbeeld het aanpassen van de omgeving, het voordoen van goede gewoontes, instructies geven aan het kind, regels maken voor het kind, belonen en straffen. Een voorbeeld hiervan is het kindvriendelijk maken van een huis als het kind heel erg klein is, of het monitoren van het kind als het wat ouder is. Wat ouders doen wordt vooral belangrijk in de adolescentie, waar een kind in aanraking kan komen met veel dingen die slecht zijn voor de gezondheid, zoals roken, alcohol en drugsgebruik, maar ook seksueel overdraagbare aandoeningen. Alles wat ouders doen om hun kind hiertegen te beschermen en ze op een gezonde route te houden wordt ook wel risico socialisatie genoemd.

    Hoe ziet de route van competente sociale relaties eruit?

    Een route die ouders ook veel promoten is die van sociale competentie. Een kind wordt in de vroege kindertijd sociaal competent als ouders gevoelig zijn voor hun behoeftes, waardoor er veilige hechting ontstaat. Ouders kunnen hier verder ook directe invloed op uitoefenen door de relaties die hun kind heeft met andere kinderen te bemiddelen en te monitoren. Om succesvol te kunnen monitoren moet een kind wel dingen over zichzelf vertellen, hierom moet gelijktijdig goede communicatie aangemoedigd worden. Voor mensen uit minderheidsgroepen is het moeilijker om hun kind op het goede pad te houden, omdat zij aan ethnic-racial socialisatie moeten doen, waarbij ze moeten zorgen dat een kind aan kan sluiten bij de meerderheidscultuur, terwijl ze wel hun eigen identiteit en cultuur ook behouden.

    Access: 
    Public
    Wat zijn determinanten van opvoeding? - Chapter 5

    Wat zijn determinanten van opvoeding? - Chapter 5

    Wat zijn de verschillende categorieën determinanten?

    Determinanten of predictoren zijn variabelen die het opvoedgedrag van ouders kunnen beïnvloeden. Harmon en Brim concludeerden dat er vier basiscategorieën determinanten zijn.

    • Algemene culturele factoren (bijvoorbeeld nationaliteit).
    • Individuele factoren (bijvoorbeeld eigenschappen van de ouders, onbewuste invloeden).
    • Interpersoonlijke factoren (bijvoorbeeld familiestructuur).
    • Setting/omgeving (bijvoorbeeld thuis, de speeltuin).

    Hoe werken deze determinanten samen?

    Belsky kwam met een model dat liet zien hoe deze vier categorieën determinanten samenwerken. Er zijn volgens hem drie centrale categorieën die de determinanten beïnvloeden:

    • De psychologische middelen van de ouders (bijvoorbeeld hun ontwikkelingsgeschiedenis, persoonlijkheid).
    • Karakteristieken van het kind (bijvoorbeeld gender, gedrag).
    • Contextuele bronnen van stress en sociale ondersteuning (bijvoorbeeld sociale netwerken).

    Volgens dit model werken de bovenstaande drie dingen samen om te bepalen hoe een ouder met een kind omgaat. De ontwikkelingsgeschiedenis van de ouders bepaalt in combinatie met hun genen wat voor persoonlijkheid zij krijgen. De persoonlijkheid van de ouders beïnvloedt de contextuele bronnen van stress en sociale ondersteuning zoals het huwelijk, het werk, en het sociale netwerk. Deze contextuele bronnen bepalen op hun beurt samen met de karakteristieken van het kind hoe de ouder zich gedraagt. Volgens Belsky was persoonlijkheid van de ouder het allerbelangrijkst: een stabiele en emotioneel sterke ouder kon volgens hem beter met 'slechte' karakteristieken van het kind en een stressvolle context omgaan. Belsky dacht zelfs dat de persoonlijkheid van de ouder een mediator was van alle andere determinanten. Wat de invloed van stress verder kan verminderen zijn sociale steun en hulpmiddelen.

    Dit model is een model van mid-level determinanten: invloeden op hoe ouders hun kind opvoeden die ergens tussen proximale of onmiddellijke determinanten en distale of verre of culturele determinanten liggen.

    Wat zijn de verschillende culturele en distale determinanten van opvoeding?

    Deze determinanten beïnvloeden opvoeding via de doelen, waarden en het gedrag van de ouders. Hieronder volgen drie voorbeelden van deze determinanten.

    1. Wat voor invloed heeft cultuur op de opvoeding?

    De culturele context is de gedeelde cultuur tussen iedereen die in dezelfde omstandigheden en omgeving opgroeit. Het reflecteert de sociale, economische en psychologische aanpassingen van mensen. Gerelateerd aan opvoeding gaat het hier om de setting waarin kinderen opgroeien, de opvoedingsmethodes die ouders gebruiken, het speelgoed wat kinderen krijgen en de doelen en normen en waarden van de ouders over wat acceptabel gedrag is voor kinderen. Door groepen ouders uit verschillende culturen te vergelijken hopen wetenschappers inzicht te krijgen welke gelijkenissen en verschillen er zijn in de opvoeding van kinderen.

    2. Wat voor invloed heeft sociaaleconomische status (SES) op opvoedingsgedrag?

    SES is een variabele die staat voor de hoeveelheid middelen, macht en invloed die mensen hebben. Meestal wordt dit gemeten aan de hand van inkomen, opleiding en baan. De meeste onderzoeken vergelijken ouders uit de lagere- en middenklasse met elkaar op een aantal opvoedingsvariabelen. Het blijkt dat ouders met een lagere SES vaker fysiek straffen.

    Deze relatie tussen SES en opvoedingsgedrag komt volgens Kohn doordat bepaalde levenssituaties of banen ouders bepaalde opvoedingsovertuigingen opleveren. Ouders met een hoge SES hebben bijvoorbeeld vaak banen waar verantwoordelijkheid, initiatief en zelfstandigheid centraal staan, waardoor ze dit ook belangrijk vinden voor hun kinderen. Ouders met een lage SES die in hun baan vaak ondergeschikt zijn promoten juist luisteren gehoorzaamheid bij hun kinderen. In het kort zegt het model van Kohn dus dat SES leidt tot overtuigingen, wat leidt tot opvoedingsovertuigingen wat vervolgens leidt tot het ouderlijke gedrag.

    Lareau zegt dat er op basis van SES ook twee beïnvloedingstactieken van ouders ontstaan. Hoge SES-ouders stimuleren de ontwikkeling van hun kind door hen dingen te geven en hen voor dingen op te geven die passen bij de vaardigheden die ze willen die kinderen ontwikkelen. Vaak zijn dit dingen die niet beschikbaar zijn in de lagere klassen (denk hierbij aan muziekles, of bijles). Contrasterend laten ouders met een lage SES de opvoeding vaak op zijn natuurlijke beloop: kinderen zijn vrij hun eigen interesses te ontdekken.

    3. Hoe beïnvloedt geloof opvoedingsgedrag?

    Religie heeft veel invloed op onder andere rechtspraak, culturele normen en waarden, seksuele expressie, interpersoonlijke relaties en opvoeding. In elk geloof staat wel iets voorgeschreven over opvoeding. Het Boeddhisme heeft bijvoorbeeld mindful opvoeden: waarbij een ouder onbevooroordeeld, in het moment en intentioneel opvoedingsacties kiest voor het kind. Hierbij heeft de ouder compassie voor zowel zichzelf als het kind. De drie grootste geloven, namelijk het christendom, jodendom en de islam zijn voorstander van veel tijd doorbrengen met je kinderen en besteden aan familie. Religieuze ouders lijken ook andere waardes te hebben dan niet religieuze ouders. Religieuze ouders zijn vaker betrokken bij wat hun kind doet, begeleiden hen, geven hun sneller liefde, maar straffen ook steviger. Daarnaast geven ze vaker het goede voorbeeld.

    Wat zijn de verschillende contextuele determinanten van opvoeding?

    Hoe beïnvloedt het werk van ouders de opvoeding?

    Niet alleen de objectieve kenmerken van een baan zoals bijvoorbeeld hoeveel uur iemand werkt, maar ook allerlei gerelateerde dingen zoals de financiële situatie van het gezin en hoe belangrijk iemand de baan vindt spelen mee bij de invloed op opvoeding. Dit beïnvloedt namelijk welke waarden ouders hebben, hun psychologische en fysieke gezondheid, hun humeur en hoeveel tijd ze voor hun kinderen hebben. Wat de laatste jaren een groot verschil heeft gemaakt in familiestructuur en opvoeding is dat veel moeders weer fulltime werken. Als gevolg hiervan zijn vaders vaak meer betrokken, maar zijn ouders ook meer afhankelijk van kinderopvang of een oppas. Wel kan de baan van de moeder zorgen voor zelfvertrouwen en een pauze van het huishouden en opvoeden wat ze hier vaak nog naast doen. Daarnaast is werk hebben een buffer die beschermt tegen stress (van bijvoorbeeld een moeilijk kind of relatieproblemen). Hierdoor gaat de kwaliteit van de opvoeding omhoog als de moeder wel thuis is. Een andere variabele die een belangrijke rol speelt in de relatie tussen werk en opvoeding is opvoedingsinzet: in hoeverre een ouder toegewijd is aan het kind (en hun welzijn).

    Wat voor invloed heeft stress op de opvoeding?

    Stress kan door allerlei dingen ontstaan, door grote levensveranderende gebeurtenissen of stressoren van het dagelijks leven. Deze kunnen onderverdeeld worden in vier klassen:

    • Relatie.
    • Werk en financiën.
    • Persoonlijke karakteristieken.
    • Kind-gerelateerde stressoren.

    Deze laatste groep wordt ook wel opvoedingsstress genoemd: dit wordt veroorzaakt door fysieke en psychologische reacties op het zijn van een ouder. Hoeveel opvoedingsstress een ouder heeft wordt bepaald door een combinatie van de karakteristieken van het kind, de karakteristieken van de ouder en situaties waarin de ouder zich bevindt (bijvoorbeeld wonen in een slechte buurt). Stressoren kunnen ook combineren en samen meer stress veroorzaken. De stress wordt dan additief genoemd.

    Wat is de invloed van sociale steun op de opvoeding?

    Sociale steun helpt tegen stress. Het kan komen van familie, vrienden, buren en andere leden van een geloofsovertuiging, maar meestal is het de partner. Een partner steunt de andere ouder vaak op emotioneel en instrumenteel gebied (bijvoorbeeld oppassen, boodschappen doen).  Sociale steun heeft een positieve invloed op de opvoeding.

    Wat voor invloed heeft de buurt op de opvoeding?

    Het wonen in een arme buurt is slecht voor de ontwikkeling van een kind. De opvoeding in een buurt met veel criminaliteit bestaat vaak uit: weinig vertrouwen in mensen die geen familie zijn, het vroeg zelfstandig moeten zijn, weinig emotionele ondersteuning krijgen en positief staan tegenover agressie. Volgens sommige onderzoekers komt dit doordat de moeders gestrest zijn en zelf ook niet hun behoeften kunnen vervullen. Volgens Ogbu komt het echter doordat de opvoeding wordt aangepast aan de omgeving zodat de beste kans op overleving ontstaat. Er zijn ook in deze criminele buurten ouders die proberen hun kinderen zo op te voeden dat ze negatieve uitkomsten zoals criminaliteit, drugs, verkeerde vrienden of stoppen met school vermijden en als gevolg hiervan komen deze kinderen vaak beter terecht.

    Wat zijn de stabiele karakteristieken determinanten van opvoeding?

    Wat zijn de stabiele ouder-karakteristieken gerelateerd aan opvoeding?

    Er zijn vier centrale karakteristieken gerelateerd aan opvoeding:

    • Geslacht: er wordt veel onderzoek gedaan naar het verschil in opvoeding tussen vaders en moeders en één duidelijk verschil is de hoeveelheid tijd die ze besteden aan het kind en de opvoeding. Moeders besteden hier vaak meer tijd aan. Een ander verschil is hun gedrag en attitudes. Vaders spelen fysieker en ruiger, terwijl moeders meer interactieve dingen doen zoals kiekeboe. Als laatste is er een verschil in hun attitudes: moeders vinden dat een kind moet leren emoties en intimiteit te tonen, terwijl vaders zich focussen op prestatie en verantwoordelijkheid.
    • Eerdere ervaringen: er zijn hierbij drie soorten eerdere ervaring belangrijk. Ten eerste ervaringen uit de jeugd van de ouder, ervaringen van de ouder met andere kinderen en eerdere opvoed-ervaringen. Zo bepaalt bijvoorbeeld de manier waarop de ouder is opgevoegd hoe zij zelf hun kind opvoeden. Daarnaast kan een ouder ervaringen hebben met kinderen via bijvoorbeeld oppassen en blijkt dat zij met meer oppaservaring beter kunnen omgaan met problemen die zich tijdens de opvoeding voordoen. Als laatste kan een ouder ervaring hebben met opvoeding via training of een eerder kind, waaruit vaak blijkt dat ouders leren van hun ervaringen en effectievere ouders worden als er nog een kind komt.
    • Sociale cognities: zijn verbonden met onze emoties en gedrag en zijn relatief stabiel. Zo kunnen bepaalde overtuigingen (bijvoorbeeld 'fysiek straffen is effectief') ervoor zorgen dat gedrag (fysiek straffen) eerder uitgevoerd wordt. De stemming van een ouder wordt ook beïnvloedt door sociale cognitie, specifiek in hoeverre ouders geloven dat ze het gedrag van hun kind kunnen controleren heeft invloed op hun stemming. Dit wordt ook wel opvoedings-self-efficacy genoemd. Als deze niet hoog is worden ouders gestrester. Via deze sociale cognities kan ouderlijk gedrag ook veranderd worden.
    • Persoonlijkheid: volgens Belsky is dit het belangrijkste onderdeel, specifiek de volwassenheid en het psychologische welzijn van de ouders bepaalden volgens hem hoe effectief ze waren in de opvoeding. Kochanska vond bewijs dat ouders die zelf een negatieve, onstabiele kindertijd hebben gehad een assertieve opvoedstijl gebruiken, behalve als hun persoonlijkheid hiertegen beschermde via eigenschappen als optimisme en vertrouwen. Een andere eigenschap die invloed uitoefent is empathie: dingen kunnen zien vanuit het perspectief van het kind en dus beter kunnen begrijpen wat ze voelen. Meer empathie leidt tot beter begrip voor de gevoelens van een kind en wat het kind wil.

    Wat zijn de stabiele kind-karakteristieken gerelateerd aan opvoeding?

    Deze karakteristieken zijn:

    • Leeftijd: dit karakteristiek heeft de belangrijkste invloed op het opvoedingsgedrag van ouders. Dit komt omdat terwijl het kind ouder wordt hij of zij door heel erg veel veranderingen heen gaat. Doordat hun karakteristieken veranderen laten ouders op verschillende manieren affectie zien, communiceren en disciplineren ze anders en zorgen ze op een andere manier voor het kind.
    • Temperament: dit is de biologische bepaalde gedragsstijl van een kind en bepaalt of een kind emotioneel expressief is en hoe het reageert op veranderingen in de omgeving. Hieronder valt ook hoe actief en sociaal het kind is. Dit is na leeftijd de belangrijkste invloed op oudergedrag. Niet het temperament zelf, maar hoe de ouders ermee omgaan is het belangrijkst voor de ontwikkeling (bijvoorbeeld een kind 'onbeleefd' versus 'nadenkend' noemen als ze niet durven te praten). Dit heeft een grote impact op de zelf-perceptie van een kind. De mate waarin de reacties van ouders passen bij het temperament van het kind wordt ook wel matching of goodness of fit genoemd. Verder blijkt dat ouders met moeilijke kinderen negatiever en straffender zijn, terwijl ouders met makkelijker kinderen meer autoratief en responsief reageren.
    • Geslacht: dit oefent ten eerste invloed uit op het gedrag van ouders omdat ze soms aan de hand van geslacht bepalen hoeveel kinderen ze willen (bijvoorbeeld twee meisjes en een jongetje willen en dan zwanger blijven worden totdat dit zo is). Ten tweede kan het geslacht van het kind invloed hebben als het niet past bij wat de ouder wilde, ze spelen dan minder met het kind. Ook op latere leeftijd heeft geslacht nog invloed op hoe ouders zich gedragen: zo moedigen ze bij jongens autonomie en ontdekking aan en leren ze meisjes hoe het huishouden en interpersoonlijke relaties werken.
    • Geboortevolgorde: in de jaren vijftig is al gevonden dat de eerstgeborene meer aandacht, affectie en zorg ontvangt omdat de ouders dan nog meer energie hebben. Echter staat de eerstgeborene ook meer onder druk om iets te bereiken, omdat ouders vaak hogere verwachtingen hebben bij hun eerste kind. Later onderzoek liet zien dat er drie variabelen belangrijk zijn: geslacht van het kind, de tijd tussen de geboortes en de grootte van de familie.

    Wat zijn de stabiele familie-karakteristieken gerelateerd aan opvoeding?

    • Familiestructuur: de belangrijkste variabele hierbinnen is of een kind opgroeit in een gezin met één of twee ouders. Bij eenoudergezinnen staat de ouder meer onder tijdsdruk, heeft stress, monitort kinderen minder en spendeert minder tijd met ze in verhouding tot gezinnen met twee ouders. Een tweede variabele is hoeveel kinderen een gezin heeft. In grotere gezinnen van vier of meer kinderen wordt vaker straffend en autoritair gedisciplineerd in verhouding tot kleinere gezinnen.
    • Echtelijke relaties: een relatie die liefdevol en ondersteunend is en voldoening geeft, is gerelateerd aan een positieve opvoeding. Ouders in een ongelukkige relatie zijn minder consistent in de opvoeding, minder emotioneel beschikbaar en ze disciplineren ook vaak straffender. Daarnaast zorgt ruzie bij de ouders soms voor ruzie met het kind, waardoor het kind aanpassingsproblemen krijgt. Dit laatste wordt de spillover hypothese genoemd: de kwaliteit van interacties in een domein (in dit geval tussen ouders) worden meegenomen naar een ander domein (in dit geval tussen ouder en kind). Een alternatief hiervoor is de compensatie hypothese: een variabele kan de negatieve effecten van iets anders opheffen (bijvoorbeeld een moeder die compenseert voor de slechte relatie met de andere ouder door extra aandacht en warmte te tonen richting het kind). Hierdoor zou het kind geen last hebben van de problemen die de ouders onderling hebben.

    Wat zijn de situationele determinanten van opvoeding?

    Hoe beïnvloedt context de opvoeding?

    De context is erg belangrijk voor het bepalen van opvoedingsgedrag. Ouders veranderen hun gedrag richting hun kind op basis van de context waarin ze zich bevinden. Centraal hierin zijn:

    • De setting (locatie) waarin iets gebeurt.
    • Of er anderen zijn of niet: als het bijvoorbeeld druk is in huis praten ouders in minder complexe taal richting hun kinderen omdat het huis chaotischer is.
    • De tijd van de dag of in het jaar: zo zijn ouders bijvoorbeeld vaak meer aanwezig in de zomer als ze vakantie hebben van hun werk of hebben ze haast in de ochtend. In beide gevallen verandert hun opvoedingsstijl. 

    Hoe beïnvloeden voorbijgaande ouderkenmerken de opvoeding?

    Onder voorbijgaand vallen die karakteristieken die binnen korte tijd aanzienlijk kunnen veranderen, namelijk gedachten en emoties. Denk bij gedachten bijvoorbeeld aan korte-termijndoelen die per minuut kunnen verschillen maar mede bepalen hoe een ouder tegen een kind doet. Denk bij emoties aan positieve of negatieve emoties die opkomen als een ouder dit doel wel of niet bereikt. Deze emoties kunnen te sterk, zwak of verkeerd zijn voor de situatie en oefenen daardoor ook invloed uit op de opvoeding van het kind.

    Hoe beïnvloeden voorbijgaande kinderkenmerken de opvoeding?

    De elkaar snel wisselende emoties en gedachten van een kind kunnen ook het gedrag van ouders beïnvloeden. Effectieve opvoeding houdt in dat ouders compassie kunnen tonen voor de extreme reacties van kinderen, omdat ze snappen dat kinderen gevoeliger zijn voor veranderingen in hun fysiologische of emotionele staat van zijn. Hierbij maakt wat voor type misdraging een kind pleegt uit voor de reactie van ouders, maar ook de opvoedingsstijl van de moeder en het gender van het kind zijn belangrijk.

    Hoe kunnen determinanten elkaar beïnvloeden?

    • Ze kunnen een additief effect op elkaar hebben: hierbij versterken de variabelen elkaar. De invloed van de variabelen samen is dan groter dan die van elke variabele alleen.
    • Er kunnen eerdergenoemde moderator effecten aanwezig zijn: wanneer een variabele de kracht of richting van een relatie tussen twee andere variabelen beïnvloedt. Voor opvoeding is de belangrijkste moderator de echtelijke relatie/het huwelijk: als ouders elkaar steunen beschermt dit tegen stress en ook kan een goed huwelijk negatieve opvoedingseffecten voorkomen.
    • Er kunnen mediator effecten zijn: wanneer één variabele kan verklaren waarom of hoe andere variabelen met elkaar geassocieerd zijn. Een variabele beïnvloedt dan hoe sterk het effect van een andere variabele is en kan zelfs zorgen dat deze helemaal geen effect meer heeft. Een voorbeeld hiervan is dat het vroeger gedacht werd dat economische problemen oudergedrag zouden beïnvloeden, maar eigenlijk zijn het niet de economische problemen zelf, maar hoe belast de ouder hier zich door voelt wat bepaalt of het invloed heeft op hun gedrag.
    • Er kan een interactie zijn tussen determinanten: hierbij hangt het effect van de ene determinant af van de andere. Een voorbeeld hiervan is de relatie tussen het geslacht van de ouder en die van het kind, deze beïnvloeden elkaar.
    • Er kan sprake zijn van compensatie: hierbij wordt een negatieve determinant gecompenseerd door een sterke positieve determinant. Bijvoorbeeld, de invloed van stress van de ouders op de ontwikkeling van het kind kan gecompenseerd worden door een grote hoeveelheid sociale steun.
    Access: 
    Public
    Hoe verloopt het proces van ouders worden? - Chapter 6

    Hoe verloopt het proces van ouders worden? - Chapter 6

    Hoe besluiten koppels of ze een kind willen?

    Niet alle koppels willen kinderen. Hiervoor kunnen verschillende redenen zijn: ze vinden het een te drastische verandering, een te grote verantwoordelijkheid, te duur, of ze denken dat het negatieve effecten heeft op hun (mentale) gezondheid. Andere koppels willen daarentegen wel kinderen, omdat ze graag een grote familie willen, het leuk vinden of omdat het voor hen voelt als een persoonlijke prestatie.

    Het krijgen van kinderen heeft allerlei voor- en nadelen. Op basis van hoe mensen hier tegenaan kijken kunnen vier groepen worden geïdentificeerd:

    • Pro-kinderen (30%): deze koppels noemen veel voordelen en weinig nadelen.
    • Anti-kinderen (30%): deze koppels noemen weinig voordelen en veel nadelen.
    • Ambivalent (20%): deze koppels noemen even veel voor- als nadelen.
    • Onverschillig (20%): deze koppels noemen weinig voor- en nadelen.

    Hoe verloopt een zwangerschap en welke problemen doen zich voor?

    Het plannen van een zwangerschap heeft veel voordelen. Het grootste gevaar bij een ongeplande zwangerschap is dat de vrouw zich er niet direct van bewust is dat ze zwanger is, waardoor ze blootgesteld kan worden aan beschadigende stoffen. Deze stoffen worden teratogenen genoemd. Voorbeelden zijn drugs of infecties. De effecten hiervan zijn afhankelijk van verschillende factoren, waaronder het type, de dosis, het moment en de duur van blootstelling aan de stof. Ook de genetische vatbaarheid van het kind heeft invloed op het effect van teratogenen.

    Een van de bekendste teratogenen is alcohol. Als een moeder tijdens haar zwangerschap alcohol drinkt, loopt het kind een risico op het ontwikkelen van een foetale alcohol spectrum stoornis (FASS). Eén van de meest ernstige foetale alcohol spectrum stoornissen is foetaal alcoholsyndroom (FAS). FAS wordt gekenmerkt door abnormale gezichtskenmerken, groeiproblemen en problemen met het centrale zenuwstelsel. Kinderen met FAS hebben vaak problemen op het gebied van leren, het geheugen, concentratie, communicatie, zicht en gehoor. Het is moeilijk te zeggen hoeveel alcohol er nodig is voor het veroorzaken van een FASS.

    Verder kan roken tijdens de zwangerschap een teratogenisch effect hebben. Roken vermindert de hoeveelheid zuurstof die naar de placenta gaat en stelt de foetus bloot aan nicotine en koolmonoxide. Dit verdubbelt de kans op een laag geboortegewicht of een vroegtijdige geboorte en vergroot het risico op zwangerschapscomplicaties, waaronder doodgeboorte. 

    Hoewel negatieve emoties van de moeder technisch gezien geen teratogenen zijn kunnen ze wel beschadigend zijn. Deze negatieve emoties kunnen bijvoorbeeld voortkomen uit de lichamelijke veranderingen die een vrouw doormaakt tijdens de zwangerschap. Er is bewijs dat gevoelens over de zwangerschap op de lange termijn gevolgen kan hebben voor zowel moeder als kind.

    Wat zijn de gevolgen van onvruchtbaarheid en is er een behandeling voor?

    Ongeveer 20% van de koppels heeft vruchtbaarheidsproblemen. Mensen vergroten het risico op onvruchtbaarheid onopzettelijk doordat ze het krijgen van kinderen uitstellen. Zowel vrouwen als mannen hebben op latere leeftijd een hoger risico op vruchtbaarheidsproblemen. Bovendien vergroot dit het risico op geboortedefecten bij kinderen. Een voorbeeld hiervan is het positieve verband tussen leeftijd van de moeder en kinderen met het syndroom van Down. De kans op het krijgen van een kind met het syndroom van Down neemt na 40-jarige leeftijd aanzienlijk toe. De kans dat ouders een kind met autisme krijgen is op oudere leeftijd ook groter.

    Er zijn meerdere medische technieken om bij vruchtbaarheidsproblemen te helpen, welke assisted reproductive technology (ART) genoemd worden.

    • Intra-uteriene inseminatie: bevroren sperma wordt direct in de baarmoeder geplaatst.
    • In vitrofertilisatie: een eicel en sperma worden in een petrischaaltje gecombineerd. De bevruchte eicel (zygote) wordt vervolgens in de baarmoeder geplaatst. Vaak worden er meerdere eicellen teruggeplaatst om de kans op succes te verhogen.
    • Gamete intrafallopian transfer: in de eileiders worden eicellen en spermacellen ingebracht. Vervolgens is er sprake van bevruchting en reizen de zygoten naar de baarmoeder.
    • Zygote intrafallopian transfer: een eicel en spermacel worden in een petrischaaltje gecombineerd. De bevruchte eicel (zygote) wordt vervolgens in de eileiders geplaatst.
    • Intracytoplasmic sperm injection: één gezonde spermacel wordt in een eicel geïnjecteerd. De bevruchte zygote wordt in de baarmoeder geplaatst. Dit werkt dus net als in vitrofertilisatie maar de kans dat het lukt is gewoon minder groot.
    • Third Party Assisted ART: waarbij een derde persoon sperma, een eicel of zelfs een embryo 'doneert' aan het koppel. Een voorbeeld hiervan is draagmoederschap, waarbij een vrouw eicellen doneert, de hele zwangerschap doorloopt, of beiden.

    Als uit een eerdere zwangerschap is gebleken dat er sprake is van een genetisch probleem, wordt pre-implantatie genetische diagnostiek toegepast om de potentiële genetische of chromosomale defecten te identificeren. Door middel van in vitrofertilisatie worden eicellen bevrucht, waarna elke bevruchte eicel op bepaalde genetische ziekten wordt getest. Een aantal van deze zygoten zonder de ziekte worden vervolgens in de baarmoeder geplaatst.

    Welke genetische defecten kunnen kinderen hebben?

    Genetische defecten zijn abnormaliteiten in de genen of chromosomen. Mensen hebben normaal gesproken 22 autosomale chromosoomparen. Ook hebben ze één paar geslachtschromosomen: vrouwen hebben twee X chromosomen en mannen hebben één X chromosoom en één Y chromosoom. Ouders geven allebei één chromosoom van elk paar aan het kind, waardoor het kind dus de helft van het genetische materiaal van elke ouder ontvangt. Tijdens dit proces kunnen echter defecten ontstaan. Problemen kunnen het gevolg zijn van abnormaliteiten in het aantal of de structuur van chromosomen. Voorbeelden hiervan zijn:

    • Syndroom van Down: hierbij is sprake van een extra 21e chromosoom, wat leidt tot bepaalde gezichtskenmerken, een verstandelijke beperking en diverse gezondheidsproblemen.
    • Klinefelter syndroom: een man heeft een extra X chromosoom (hij krijgt dus XXY), wat verschillende fysieke en reproductieve problemen tot gevolg heeft.
    • Syndroom van Turner: een vrouw heeft maar één X chromosoom, wat leidt tot verschillende fysieke problemen.
    • Cri du chat syndroom: hierbij mist een deel van het vijfde chromosoom. Dit leidt er onder andere toe dat baby’s hoog huilen.

    20.000 tot 25.000 van de genen bevinden zich op chromosomen. Genen zijn de blauwdruk van onze ontwikkeling. De term ‘genoom’ verwijst naar het complete aantal genen in een individu. Er zijn verschillende soorten erfelijkheid:

    • Dominante erfelijkheid: het kind erft de genetische ziekte, als één van beide ouders het defect gen aan het kind overdraagt.
    • Recessieve erfelijkheid: het kind erft de genetische ziekte alleen als beide ouders hetzelfde abnormale gen aan het kind overdragen.
    • X-gekoppelde erfelijkheid: jongens kunnen door de X chromosoom van hun moeder een genetische abnormaliteit erven.
    • Multifactoriële erfelijkheid: het kind erft een genetische ziekte door een combinatie van meer dan één abnormaal gen, of door een combinatie van genetische en omgevingsfactoren.

    Sommige stoornissen of potentiële geboortedefecten kunnen door middel van een vruchtwaterpunctie, een vlokkentest of een echo tijdens de zwangerschap worden geïdentificeerd. Hoewel sommige defecten door een prenatale operatie verholpen kunnen worden is er voor de meeste stoornissen vóór de geboorte geen behandeling mogelijk. Wel kunnen ouders zorgen dat de kans dat het kind een genetisch defect erft zo klein mogelijk is. Moeders kunnen dit doen door te zorgen dat er geen teratogenen in hun lichaam zitten een tijd voor de voor de zwangerschap. Vaders kunnen hun spermakwaliteit verhogen door te sporten, goed te eten en door hun stress te verminderen.

    Wat zijn miskramen en buitenbaarmoederlijke zwangerschappen?

    Een miskraam is het verlies van een zwangerschap tot twintig weken vóór de geboorte (na twintig weken wordt dit een doodgeboorte genoemd). Een miskraam kan door vele factoren worden veroorzaakt en komen vaak voor. Bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap bevindt de bevruchte eicel zich buiten de baarmoeder, vaak in de eileider. In dit geval moet het embryo verwijderd worden om de gezondheid van de moeder te beschermen.

    Hoe gaan de bevalling en de geboorte?

    De gemiddelde bevalling duurt twaalf tot veertien uur voor de eerste baby, maar is vaak korter bij daaropvolgende kinderen en vindt plaats na ongeveer veertig weken zwangerschap. Een vaginale geboorte bestaat uit drie stadia:

    1. Ontsluitingsfase: deze fase duurt vanaf de weeën tot de volledige ontsluiting van de baarmoederhals (ongeveer tien centimeter).
    2. Uitdrijvingsfase: deze fase omvat het persen en de geboorte van het kind. Dit stadium kan een aantal minuten tot een aantal uur duren.
    3. Nageboorte: deze fase omvat het uitstoten van de placenta. Dit kan tien tot zestig minuten duren.

    Er zijn een aantal relaxatietechnieken die de pijn tijdens de bevalling verminderen. De twee meest voorkomende technieken zijn Bradley en Lamaze. Bij beide benaderingen leren moeders hoe ze met de pijn om kunnen gaan. De Bradley methode probeert het gebruik van pijnmedicatie te voorkomen totdat het strikt noodzakelijk is, terwijl de Lamaze benadering neutraal staat tegenover deze kwestie. Bij de Bradley methode is de vader bovendien een soort ‘geboortecoach’, die zich tijdens de zwangerschap richt op goede voeding en sporten. Verder kan er ook pijnmedicatie genomen worden. Pijnstillers worden vaak geïnjecteerd om pijn te verminderen zonder dat iemand het bewustzijn of spiercontrole verliest. Verdoving zoals bijvoorbeeld de ruggenprik worden via een injectie gegeven en zorgen ervoor dat een vrouw in bepaalde gebieden tijdelijk geen pijn voelt. De heftigste vorm hiervan is een algemene verdoving, die ervoor zorgt dat zowel de moeder als de baby het bewustzijn verliest. Dit is risicovol.

    Het grootste risico voor een kind tijdens de bevalling is een zuurstoftekort (hypoxie) of zelfs een totaal gebrek aan zuurstof (anoxie). Afhankelijk van de mate en duur van het zuurstoftekort of –gebrek kan hersenletsel of sterfte het gevolg zijn. Hypoxie of anoxie ontstaat vaak als de navelstreng om de nek van de baby gewikkeld is. Hierdoor kan een keizersnede noodzakelijk zijn.

    Een keizersnede kan om verschillende redenen worden aanbevolen, bijvoorbeeld als de baby in een stuit ligt. Tegenwoordig wordt echter in toenemende mate voor een keizersnede gekozen om pijn tijdens de bevalling te vermijden. Een keizersnede is duurder dan een vaginale geboorte, heeft meer risico’s voor de moeder en vereist meer genezingstijd. Bovendien blijkt uit onderzoek dat een keizersnede niet beter is voor baby’s. Tijdens een vaginale geboorte worden er bij de baby hormonen vrijgelaten, die onder andere bevorderlijk zijn voor het functioneren van de longen en die de moeder op borstvoeding voorbereiden.

    Wat is een vroeggeboorte en hoe ontstaat deze?

    Er is sprake van een vroeggeboorte als de baby eerder dan 37 weken na de bevruchting wordt geboren. Vroeggeboorte is gerelateerd aan meerdere gezondheidsproblemen, waaronder een verhoogd risico om te overlijden, ADHD, schoolproblemen en cerebrale parese. Hoe eerder de geboorte, hoe groter het risico. Voorbeelden van risicofactoren voor een vroegtijdige geboorte zijn een tienerzwangerschap, roken, een eerdere vroeggeboorte, een geboorte van een meerling en een hoog niveau van stress. Het aantal geboortes van meerlingen is sinds 1994 enorm gestegen. Dit is grotendeels het gevolg van een toename in vruchtbaarheidsbehandelingen.

    Hoe ziet de overgang naar het ouderschap eruit?

    Na de geboorte verandert de focus en structuur van de routine van ouders en wordt het leefpatroon op de baby gericht. Dit geldt ook voor het leefpatroon van broertjes en zusjes, die minder aandacht krijgen als gevolg van de komst van een baby. Als beide ouders werken, is het voor beiden moeilijk om een balans te vinden tussen werk en thuis. Ook gaat het ouderschap gepaard met veranderingen voor de persoonlijke identiteit. Plotseling hebben man en vrouw een nieuwe rol: vader en moeder. Beide ouders ervaren vanaf de geboorte van het kind tot zes maanden na de geboorte een afname in hun identiteit als partner. Als gevolg van de afname in tijd en energie die aan de partner wordt besteed, ervaren nieuwe ouders vaak een afname in tevredenheid met het huwelijk. Dit kan het gevolg zijn van verschillende factoren, waaronder vermoeidheid, stress en verminderde intimiteit tussen ouders.

    Ook kan de afname in huwelijkstevredenheid veroorzaakt worden door een laag niveau van vaderlijke betrokkenheid bij de zorg voor het kind. Vaderlijke motivatie kan door verschillende factoren worden beïnvloed, waaronder de sekse van het kind, of ze een biologische relatie hebben met het kind, de mate waarin hun eigen vader betrokken was bij de opvoeding, of het vaderschap bij hun identiteit hoort en hun overtuigingen. Ook moeders kunnen een rol spelen bij vaderlijke betrokkenheid. Sommige moeders leren hun partner graag vaardigheden aan, terwijl andere moeders juist niet willen dat hun partner betrokken is bij de zorg voor het kind. Deze ‘poortwachter’ (‘gatekeeper’) moeders hebben vaak traditionele ideeën over gezinsrollen en beschouwen de opvoeding als iets wat door de moeder gedaan moet worden.

    Hoe werkt het opvoeden van de pasgeborene?

    Nieuwe ouders moeten geleidelijk de vaardigheden leren die nodig zijn voor het verzorgen en opvoeden van een kind. Na de geboorte is het vormen van een band tussen enerzijds moeder en vader en anderzijds het kind van groot belang. De ontwikkeling van deze hechte relatie wordt bevorderd door ouderlijke sensitiviteit en voor moeders door middel van borstvoeding en goed co-ouderschap, maar kan worden geremd door een postpartum depressie.

    Wat is ouderlijke sensitiviteit?

    Sensitiviteit of responsiviteit, verwijst naar het effectief uitvoeren van opvoedtaken. John Bowlby en Mary Ainsworth keken hier ook naar in hun hechtingstheorie. Volgens hen waren de drie indicatoren van sensitiviteit: hoe snel de ouder reageert, de betrouwbaarheid van de reactie en de mate waarin de ouder in staat is het kind te troosten. Een sensitieve ouder is oplettend, empathisch, interpreteert de signalen van het kind goed en is emotioneel beschikbaar.

    Waarom geven moeders wel of juist geen borstvoeding?

    Een moeder moet beslissen of ze haar kind al dan niet borstvoeding gaat geven. Het geven van borstvoeding heeft een aantal voordelen. Zo bevordert het de ontwikkeling van een moeder-kind relatie, biedt het bescherming tegen infecties en verkleint het de kans op diabetes, overgewicht en astma. Ook moeders profiteren van het geven van borstvoeding omdat het niks kost, helpt bij het verliezen van gewicht en de kans op bepaalde soorten kanker verkleint. Daarnaast komen er als de moeder haar kind borstvoeding geeft hormonen vrij zoals oxytocine en prolactine die ervoor zorgen dat de moeder ontspant en verzorgender is richting haar kind. Toch zijn er meerdere redenen waarom sommige moeders ervoor kiezen hun kind geen borstvoeding te geven. Sommige moeders maken onvoldoende melk aan, ervaren pijn aan de borsten of tepels, schamen zich als ze melk lekken of ervaren borstontsteking (mastitis). Andere moeders vinden het onplezierig, moeilijk, tijdrovend of onhandig. Het geven van borstvoeding komt minder vaak voor onder adolescente moeders, lager opgeleide moeders, moeders met een lager inkomen, Afrikaans-Amerikaanse moeders en moeders die ongepland zwanger werden.

    Wat is co-ouderschap?

    Co-ouderschap is een concept wat de dynamische interactie in een familie erkent en refereert naar in hoeverre mensen samenwerken in hun rol als ouders. Hier vallen de ander steunen, meningsverschillen over de opvoeding oplossen en taken verdelen bijvoorbeeld onder. Deze co-ouderschapsvaardigheden ontwikkelen zich gedurende de transitie naar ouderschap. Het co-ouderschap is vaak goed op het moment dat de ouders samen een goed huwelijk hebben en is dus sterk verboden met hoe gelukkig een ouder is met de partner.

    Wat is een postpartum depressie?

    Een postpartum depressie duurt minimaal twee weken en wordt gekenmerkt door symptomen zoals verdriet, slapeloosheid, een gebrek aan interesse, schuldgevoelens, een gebrek aan energie, veranderingen in eetlust, rusteloosheid, stemmingswisselingen en (in extreme gevallen) suïcidale gedachten. Moeders die ongepland een baby hebben gekregen hebben een grotere kans op het ontwikkelen van een postpartum depressie. Het syndroom kan gevaarlijk zijn voor de baby, onder andere omdat de moeder soms niet in staat is borstvoeding te geven of haar baby adequaat te verzorgen. In zeldzame gevallen ervaren moeders een postpartum psychose, waarbij ze niet in staat zijn onderscheid te maken tussen wat echt en niet echt is. In dit geval kan de moeder last hebben van waanbeelden, hallucinaties, slaapproblemen en obsessieve gedachten over de baby. Deze moeders lopen het risico om zichzelf of hun baby te doden. Zowel een postpartum depressie als een postpartum psychose kan worden behandeld. De twee meest voorkomende behandelmethoden zijn therapie (cognitieve gedragstherapie of interpersoonlijke therapie) of het nemen van medicijnen (antidepressiva).

    Hoe groot is het kindersterfte probleem en kunnen we hier iets aan doen?

    Kindersterftecijfers zijn de afgelopen jaren drastisch afgenomen als gevolg van verbeterde medische en gezondheidszorg. Wel zijn er grote verschillen. Zo is het kindersterftecijfer onder Afrikaans-Amerikaanse vrouwen meer dan het dubbele van het kindersterftecijfer onder Europees-Amerikaanse vrouwen. Dit reflecteert waarschijnlijk armoede en daaraan gerelateerde problemen, zoals een gebrek aan prenatale zorg en een slechte gezondheid. Ook is er bewijs dat de sekse van het kind en of het kind al dan niet gepland was risicofactoren zijn.

    Kindersterfte wordt als een traumatische gebeurtenis gezien waarbij er vaak rouw en symptomen van posttraumatische stress worden ervaren. De ouders laten fysieke, emotionele en sociale reacties zien zoals depressie, angst, gewichtsverlies en isolatie. Wat deze symptomen mogelijk iets minder maakt is het hebben van een netwerk van vrienden en familie maar ook medisch personeel wat hen steun biedt.

    Hoewel de oorzaken van kindersterfte bekend zijn (onder andere armoede, een gebrek aan onderwijs en een gebrek aan prenatale zorg), is het moeilijk om de oplossingen uit te voeren. In ieder geval hebben zwangere vrouwen prenatale zorg nodig, inclusief:

    • Screening en behandeling van medische condities, zoals diabetes, HIV en overgewicht.
    • Hulp bij chronische gezondheidscondities, waaronder inzicht in de medicatie die mogelijk een teratogenisch effect op de baby hebben.
    • Identificatie van gedragsmatige risicofactoren, zoals roken en alcohol.
    • Het voorschrijven van prenatale vitaminen met foliumzuur, om defecten aan de neurale buis en andere problemen te voorkomen.

    Afrikaans-Amerikaanse vrouwen ontvangen twee keer zo vaak late of geen prenatale zorg dan blanke vrouwen. Ook tienermoeders, ongetrouwde moeders en laagopgeleide moeder hebben een hoger risico op het ontvangen van lage of geen prenatale zorg.

    Welke ethische kwesties doen zich voor bij het krijgen van kinderen?

    Veranderingen in de medische technologie geven onvruchtbare koppels de kans om biologische kinderen te krijgen. Deze technologie leidt echter tot een aantal ethische en morele vragen. Hieronder zullen een aantal van deze kwesties worden besproken.

    Genetisch testen: zouden mensen inzicht moeten hebben in hun genetische profiel?

    Koppels kunnen hun gecombineerde genetische profielen gebruiken om te voorspellen welke ziektes hun kind mogelijk krijgt en stappen ondernemen om zich op bepaalde uitkomsten voor te bereiden of deze te vermijden. Deze genetische informatie heeft echter bepaalde risico’s. Zo kan het je privacy schenden. Wat als de verzekeringsmaatschappij of je werkgever er bijvoorbeeld achter komt dat je een genetische ziekte hebt? In de Verenigde Staten is in 2008 de Genetic Information Nondiscrimination Act (GINA) aangenomen, waardoor Amerikanen van genetische informatie kunnen profiteren, zonder bang te zijn dat dit tegen hen gebruikt kan worden.

    Designer baby’s: mogen ouders kiezen welke kenmerken hun kind heeft?

    Spermabanken laten toekomstige ouders karakteristieken kiezen die zij in hun kind terug zouden willen zien. Volgens een artikel in de New York Times wordt er in drie procent van de gevallen een kind met een genetisch defect geselecteerd. Dove mensen doen dit bijvoorbeeld omdat ze een kind willen die hun beperking deelt.

    Klonen: mogen ouders zichzelf of iemand anders klonen?

    De kloontechnologie verbetert in toenemende mate. Velen geloven dat het niet lang meer zal duren voordat het mogelijk is om een mens te klonen. De vraag is wanneer het ethisch verantwoord is om dit te doen.

    Prenatale screening: zou iedereen toegang moeten hebben tot vruchtbaarheidsdiensten, zelfs als zij mogelijk niet in staat zijn hun kind adequaat op te voeden?

    De Ethische Commissie van de ‘American Society for Reproductive Medicine’ heeft aanbevolen dat vruchtbaarheidsprogramma’s procedures ontwikkelen om te beoordelen of mensen in staat zijn een kind op te voeden. Volgens de samenleving zou niemand gediscrimineerd moeten worden en zou iedereen dus kinderen mogen krijgen. De vraag is echter waar je de grens moet trekken. Wat als bijvoorbeeld een pedofiel een kind wil krijgen?

    Leeftijdsdiscriminatie: mag men op iedere leeftijd kinderen krijgen?

    Door middel van medische procedures kunnen vrouwen op 60-jarige leeftijd nog kinderen krijgen. De vraag is wanneer iemand te oud is om een kind te krijgen. Zo moet rekening worden gehouden met het feit dat deze kinderen ouders zullen hebben met ernstige fysieke beperkingen. Bovendien overlijden deze ouders waarschijnlijk al voordat het kind volwassen is. Of is het moreel gezien slechter om mensen een leeftijdsgrens op te leggen voor het krijgen van kinderen?

    Access: 
    Public
    Welk effect heeft opvoeding tijdens de zuigeling- en peutertijd? - Chapter 7

    Welk effect heeft opvoeding tijdens de zuigeling- en peutertijd? - Chapter 7

    Deze periode loopt vanaf de geboorte tot drie jaar. In deze periode verandert er veel met het kind: het leert lopen, wordt twee keer zo groot, weegt zes keer zoveel, leert praten, emotie expressie, creëert een zelfconcept en wordt steeds beter in sociale interactie. Een kind is een ‘zuigeling’ van nul tot twaalf maanden en een peuter van één tot drie jaar.

    Hoe gaat het opvoeden van een zuigeling?

    Een van de eerste taken van een ouder is zorgen dat het kind gezond en veilig is. Ouders zorgen hiervoor door het kind de juiste voeding te geven, zorgen dat ze genoeg slapen en met hen naar het consultatiebureau te gaan. Hier wordt gekeken naar de fysieke groei en motorische ontwikkeling van het kind, maar zorgen ze ook dat het kind op tijd vaccinaties krijgt.

    Waar moeten ouders rekening mee houden in de dagelijkse routine en bij het huilen van hun kind?

    Voor pasgeboren baby's is het belangrijkst dat ze veilig zijn en goed eten. Als ze opgroeien tot zuigeling krijgen de ouders een aantal andere taken, zoals:

    • Zorgen dat het kind voorzien is in levensonderhoud: bijvoorbeeld door het bieden van eten en onderdak, het regelen van goede gezondheidszorg en het bieden van bescherming (bijvoorbeeld door een veilige box of autozitje).
    • Het kind stimuleren en instructies geven: door speelgoed aan te bieden en ze te coachen (door bijvoorbeeld interactieve spelletjes als kiekeboe), maar ook door trots te uiten als een zuigeling iets lukt (bijvoorbeeld kruipen).
    • Socio-emotionele steun geven aan het kind: het geven van liefde, discipline en het modeleren van goed gedrag.
    • Het kind monitoren en in de gaten houden: op hen letten (als ze bijvoorbeeld in de kamer spelen), informatie verzamelen over hoe het met hen gaat (bijvoorbeeld bij het consultatiebureau) en communiceren met het kind.
    • Het bieden van sociale verbinding: in de vorm van familie of vrienden die ook met het kind omgaan of speelafspraken met leeftijdsgenootjes.
    • Het leven van het kind structureren: bijvoorbeeld door structuur in hun omgeving of in hun dag in de vorm van een dagelijkse routine.

    Kinderen hebben vanaf de geboorte al een hoop gedragssystemen. Reflexen, sensorische vaardigheden en huilen zijn hier een voorbeeld van. Hierom is het ontzettend belangrijk om routines in hun dag te creëren. Zuigelingen slapen, eten, huilen, lachen, maken geluid en doen aan self-play. Vanaf drie maanden kunnen ze sociaal-lachen en ontwikkelen de geluiden die ze maken. Vanaf zes tot tien maanden beginnen ze met kruipen en vanaf twaalf maanden beginnen ze met lopen en praten. Het grootste gedeelte van een dag slaapt een zuigeling, dit neemt af gedurende het jaar tot het uiteindelijk alleen ’s nachts slaapt. Als ze wakker zijn kunnen ze stil-wakker zijn, waarbij ze slechts naar de omgeving kijken, of actief-wakker, waarbij ze open staan voor interactie met de verzorgers en meer gaan bewegen.

    Ophef en huilen (fuss and cry) piekt op zes weken, wanneer ze dit zo’n twee uur per dag doen. 40% van de ophef en het huilen is ’s avonds. Rond de vierde maand is de hoeveelheid huilen gehalveerd vergeleken met de piek. Sommige baby’s hebben last van kolieken, dit ontstaat vanaf twee weken na de geboorte tot vier à vijf maanden. Baby’s die last hebben van kolieken huilen meer zonder ogenschijnlijke reden. Dit is evolutionair adaptief omdat hard huilen een respons van de ouders uitlokt. Echter is het geluid van een huilende baby wel onprettig en ervaren moeders vaak een lagere moederlijke tevredenheid als het kind veel huilt.

    Ouders moeten hierom leren hoe ze een kind sussen door te checken of deze honger heeft, de luier verschoond moet worden, door met hen te wandelen of masseren, of visuele stimulatie te bieden. Ouders worden hier langzaam beter in. Als ouders de moed verliezen kan het zijn dat ze het kind schudden om te zorgen dat het stopt met huilen, waardoor shaken baby syndrome ontstaat. Ouders schudden het kind dan zo hard en lang dat er bloedingen in de hersenen ontstaan, wat visuele beperkingen, neurologische schade of zelfs de dood kan veroorzaken. 

    Hoe gaat de ontwikkeling van het brein?

    Een baby wordt geboren met alle breincellen (neuronen: cellen die zenuwsignalen doorgeven) die hij ooit zal hebben, maar de neurologische verbindingen blijven zich ontwikkelen. Het brein wordt drie keer zo zwaar vanaf geboorte tot de volwassenheid. In de baarmoeder vindt neurogenese plaats, wat betekent dat er neuronen en gliacellen worden gemaakt. Gedurende de eerste negen maanden worden er elke minuut 250.000 neuronen aangemaakt. Het maken van synapsen heet de synaptogenese. Dit gebeurt voornamelijk na de geboorte. Ook dendrieten worden dan aangemaakt: dit zijn de stukken van neuronen die zorgen dat er gecommuniceerd kan worden via synapsen. Na twee jaar zijn er te veel synapsen en vindt synaptisch snoeien plaats. De synapsen die niet gebruikt worden, worden dan verwijdert. Dit kan oplopen tot 20 miljard per dag. De axonen worden bedekt met myeline tijdens de myelinisatie. Dit zorgt ervoor dat ze beter kunnen communiceren met andere neuronen, omdat hun elektrische geleiding beter wordt. Dit proces begint vanaf negen maanden, gaat heel snel tot twee jaar en blijft rustig doorgroeien tot tenminste adolescentie. Als het proces afbreekt ontstaan er problemen, bijvoorbeeld multiple sclerose. Het limbisch systeem (amygdala, hippocampus, cingulate gyrus, hypothalamus, etcetera) is erg belangrijk op deze leeftijd, want het is nodig voor emotie, hechting, lange termijngeheugen en gedrag. Het duurt lang totdat het hele limbische systeem myeline heeft. De neurologische ontwikkelingen in deze tijd verklaren het gedrag van zowel ouders als kinderen en is bi-directioneel.

    Hoe kunnen ouders de ontwikkeling van het brein en de cognitieve ontwikkeling stimuleren?

    Wat belangrijk is voor de ontwikkeling van het kind is dat de ouders hen passende stimulatie bieden. Kinderbreinen worden gestimuleerd via alle vijf zintuigen door een verrijkende voor het kind te creëren. Een aantal dingen die ouders kunnen doen:

    • Prenataal: vitamines nemen en goed eten, stress zoveel mogelijk minimaliseren.
    • Als het kind zuigeling is: borstvoeding geven, een variatie in dagelijkse ervaringen bieden, alle vijf zintuigen stimuleren en liefdevolle interactie hebben.
    • Peutertijd: goede voeding geven, vitamines geven, verschillende dagelijkse ervaringen hebben waaronder met leeftijdsgenootjes, alle vijf zintuigen stimuleren, het kind voorlezen en kennis laten maken met muziek en andere talen, samen activiteiten ondernemen.

    Hoe hechten kinderen zich?

    Er zijn veel zorgende verzorgeracties die een baby nodig heeft, zoals voeding en bescherming. Ook sociaal gedrag is belangrijk om zo de emoties van een baby te controleren en sociale interactie aan te leren. Deze sociale verzorging bestaat uit turn-taking (om en om praten), synchroniseren (samen over 1 ding praten), wederkerigheid (gedrag ondersteunt elkaar) en complementair (gedrag vult elkaar aan). Zo leert een kind de beginselen van liefde en ontwikkelen ze hechting. Er zijn vier fasen in de hechtingsrelatie waar een kind doorheen gaat:

    • Tijdens de eerste tien weken zoeken kinderen contact met anderen zonder onderscheid te maken.
    • Gedurende de volgende vier maanden zoeken ze mensen met wie ze contact maken uit op basis van fysieke eigenschappen.
    • Van zes tot dertig maanden leren kinderen een voorkeur te ontwikkelen voor bepaalde verzorgers.
    • In de laatste fase leren kinderen omgaan met gescheiden worden van de primaire hechtingsfiguren.

    Ouderlijke liefde is erg belangrijk voor het ontwikkelen van veilige hechting. Deze liefde reflecteert de kwaliteit van de relatie tussen ouder en kind. Het voordeel van deze liefde is dat kinderen het gevoel hebben gerespecteerd te worden en geliefd te zijn en als gevolg leren ze hun ouders vertrouwen wat coöperatie versterkt. Deze liefde heeft ook tot gevolg dat ouders zich schuldig voelen, zorgen maken en verdrietig zijn als het kind angstig is om van hen gescheiden te worden. Deze angst van ouders wordt ook wel scheidingsangst genoemd. 

    Wat zijn kinder-effecten en het temperament van het kind?

    Het krijgen van een kind heeft grote effecten vooral als dit het eerste kind is. Alles draait dan om het kind. Het kind beïnvloedt dan als het ware het gedrag van de mensen om hem heen, wat ook wel een kinder-effect genoemd wordt. Volgens ethologist Lorenz zorgen de uiterlijke kenmerken van baby’s al voor verzorgende reacties, maar het gedrag van het kind blijft lokt deze reacties beter uit. De stabiele verschillen in dit gedrag tussen pasgeborenen heet het temperament van een kind. Thomas en Chess dachten dat temperament bestond uit negen eigenschappen die te verdelen waren over drie clusters, namelijk lastig, makkelijk en langzaam opwarmend (slow to warm up). Deze typering heeft geen stand gehouden omdat het verschil tussen lastig en makkelijk afhangt van de situatie en een kind als lastig labelen kan leiden tot een zichzelf vervullende voorspelling (self fulfilling prophecy). 

    Tegenwoordig zien we temperament als iets dat de fysiologische verschillen tussen kinderen in activiteit en reactiviteit, aandacht en emotionaliteit reflecteert. Voor emotionaliteit is vooral gekeken naar negatieve emotionaliteit: verdriet, agressie en weigeren om gekalmeerd te worden. Het idee is dat kinderen die zo negatief zijn sneller beïnvloed worden door het opvoedingsgedrag van de ouders dan andere kinderen. Ouders doen er goed aan om hun reactie aan te passen op het temperament van het kind, wat ook wel goodness of fit genoemd wordt. Dit betekent dus dat er niet één opvoedingsstijl is die werkt voor alle kinderen, maar dat het ouderlijke gedrag afhangt van het unieke individu. Hierbij zijn er bi-directionele effecten, waarbij het temperament van het kind het gedrag van de ouder beïnvloedt en andersom.

    Hoe worden rollen verdeeld en pakken werkende ouders de opvoeding aan?

    Vaak zijn moeders de primaire verzorger van een kind, maar ook vaders helpen steeds meer. Goed co-ouderschap is belangrijk voor beide ouders en het hele gezin op zich. Ouders ervaren als gevolg van goed co-ouderschap meer tevredenheid op het gebied van opvoeding maar ook hun huwelijk wordt er beter van. Daarnaast is slecht co-ouderschap niet goed voor kinderen, omdat ouders horen vechten een stressor kan zijn waardoor hun cognitief functioneren achteruitgaat.

    Hoe beïnvloedt een werkende moeder het welzijn van het kind?

    Opnieuw aan het werk gaan na de geboorte van een kind brengt verschillende uitdagingen met zich mee, zoals voor het geven van borstvoeding en het zoeken naar een oppas, maar ook de emotionele 'kosten' van het missen van het kind. Veel moeders die snel terug aan het werk gaan krijgen last van stress, depressieve symptomen en gezondheidsproblemen. Daarnaast kan het negatieve effecten hebben op het kind omdat moeders als ze terug naar hun werk gaan stoppen met het geven van borstvoeding. Wel zorgen werkende moeders dat ze in het weekend meer tijd met hun kind doorbrengen.

    Hoe zorgen ouders voor een zuigeling?

    Als het kind één à twee jaar oud is besteden ouders veel tijd aan het zoeken naar alternatieve zorg voor het kind omdat ze beiden werken. Dit kan in de vorm van familie (bijvoorbeeld een oma die oppast), een kinderopvang of een (onbekende) oppas aan huis. De kwaliteit van deze zorg moet goed zijn en het kind veiligheid, maar ook een schone en stimulerende omgeving bieden.

    Hoe gaat het opvoeden van een peuter?

    De peuterperiode loopt van één tot drie jaar. Gedurende deze periode leert een kind praten, lopen, meer complexe emoties en doelgericht gedrag, maar ook dingen over gender en het zelfconcept. Hier moeten de ouders hun opvoeding dan ook op aanpassen.

    Hoe gaat de socialisatie van peuters in zijn werk?

    Socialisatie is het proces waarin kinderen vaardigheden, waarden en gedrag om juist te functioneren leren. Ouders doen hier dus hun best om kinderen gedrag aan te leren wat zij gepast vinden, maar werken ook aan emoties, gender en pro-sociaal gedrag. Dit is een bi-directioneel proces waar ouders het kind socialiseren, maar kinderen dit ook doen bij hun ouders. Zij leren de ouder welke ouderlijke gedragingen hen helpen en welke juist niet.

    Wat centraal staat in socialisatie is de doelen die ouders hebben voor hun kinderen. Naast pro-sociaal gedrag en culturele normen en waarden aan het kind leren hebben ouders vaak ook nog andere doelen. Bijvoorbeeld: zorgen dat het kind een goede scholing krijgt en dat ze gezonde en onafhankelijke volwassenen worden met een goede baan. Een deel hiervan wordt bereikt door intentionele en directe instructie aan het kind, maar kinderen kunnen ook leren door het gedrag van hun ouders te observeren en te kopiëren. Rond deze periode is het vrij gebruikelijk dat ouders gedragingen aanmoedigen door ze te belonen en gedragingen die ze niet willen zien bestraffen.

    Hoe werkt disciplineren?

    Disciplineren gebeurt wanneer je iemand traint of instructies geeft over hoe hij of zij zich aan regels houdt. Kinderen hebben heel erg veel training nodig. Dit begint vanaf een maand of vijf, waar ouders het kind vooral dingen verbieden en afleiden, maar ook proberen te redeneren met het kind over hun gedrag. Vanaf ongeveer twee jaar oud gaan kinderen zich echt vaak misdragen en ze testen hier ook uit waar de grens ligt. Dit komt omdat hun prefrontale cortex zich niet snel ontwikkeld, waardoor ze nog niet aan zelfregulatie van gedrag kunnen doen en zichzelf hierin dus ook niet remmen. Naast een onderontwikkelde prefrontale cortex ontstaat wangedrag in kinderen ook omdat de ouders onrealistische verwachtingen hebben. Daarnaast kan het ontstaan omdat de ouder ongepaste opvoedingstechnieken toepast, zoals te vaak ingrijpen als een kind iets aan het doen is, of heel overdreven reageren als een kind iets fout doet.

    Om conflict te vermijden gebruiken ouders vaak strategische opvoedingstactieken. Dit wordt ook wel proactieve opvoeding genoemd. Hierbij gaat het om het afleiden van de aandacht van het kind, plekken die het problematische gedrag uitlokken vermijden en het kind dingen geven om mee te spelen. Als conflict niet vermeden kan worden gebruiken ouders een heel aantal andere technieken om het gedrag van hun kind te veranderen. Bij jongere kinderen wordt afleiding, negeren en time-out (een kind weghalen uit een situatie) ingezet. Oudere kinderen reageren beter op het afnemen van privileges (zoals bijvoorbeeld speelgoed). Als dit allemaal niet werkt gaan ouders soms schreeuwen of dreigen, waarbij er soms geslagen wordt. Soms wordt psychologische controle ingezet, waarbij ouders de psychologische en emotionele ervaringen en expressie van het kind beperken, invalideren en proberen te manipuleren. Voorbeelden hiervan zijn het terugtrekken van liefde als een kind iets fout doet of het kind beschamen.

    Wat valt onder effectief disciplineren hangt van veel factoren af. Hierbij is het belangrijk dat ouders onnodig conflict vermijden, geen willekeurige eisen stellen of onnodige restricties opleggen en niet afhankelijk zijn van de macht die ze hebben over het kind.

    Hoe werkt het bieden van structuur?

    Hoe vaak een kind zich misdraagt is een gedeeltelijk gevolg van hoeveel structuur de ouders bieden. Structuur bieden refereert naar de mate waarin ouders een voorspelbare, georganiseerde omgeving creëren waarin een kind het gevoel van stabiliteit, vastigheid/voorspelbaarheid en veiligheid krijgt. Bij kinderen die in armoede leven gaat dit vaak verkeerd. Bepalen wat, wanneer en hoe een kind eet is een vorm van het structureren van de omgeving. Dit kan ook door het slaapschema te bepalen. Een andere vorm van structuur is grenzen bepalen voor bepaald gedrag of wensen die onwenselijk, gevaarlijk, ongezond of niet te combineren zijn met de doelen of waarden van de ouders (bijvoorbeeld televisiekijken). Dit wordt gedaan om het amusant is, praktisch een gratis babysitter is en omdat het leerzaam is. Zo helpt het kijken naar de teletubbies bij het ontwikkelen van een grotere vocabulaire. Naast het structureren van het dagelijkse schema en de activiteiten van kinderen structureren ouders ook hun sociale interacties. Door dit te doen leren kinderen beter hoe ze goed met mensen omgaan. Ook kunnen ouders de situatie of omgeving zo structureren dat het kind veel positieve relaties heeft. Dit doen ze veelal door het kind een positieve activiteit te laten ondernemen voordat ze zich misdragen. Een gestructureerde omgeving helpt met het ontwikkelen van relaties, maar is ook veiliger voor het kind.

    Hoe werkt de emotieregulatie van een peuter?

    Ouders moeten kinderen leren hun emoties te reguleren. Zuigelingen en peuters zijn hierin nog labiel en wisselen dus snel tussen verschillende emoties, wat laat zien dat ze nog niet goed zijn in het reguleren hiervan. Een ander voorbeeld is de terrible twos, waarin kinderen hele heftige woede-uitbarstingen hebben.

    De emotionele reacties van peuters komen voort uit neurofysiologische reacties op de omgeving, hun gedragskenmerken, opvoedingspraktijken, de kwaliteit van de omgeving, de relatie met de ouders en de specifieke situatie. Vanaf een jaar of twee kunnen kinderen hun emoties gedeeltelijk reguleren (bijvoorbeeld als ze bang zijn door zich te verstoppen of hun ogen af te wenden). Ze wenden vaak hun eigen aandacht af om zichzelf af te leiden van wat de emotie veroorzaakt. Daarnaast zoeken ze vaak toenadering tot een hechtingsfiguur zoals een ouder om hun emoties te reguleren. Kinderen leren emotieregulatie doordat ze coping skills ontwikkelen en doordat hun frontale kwab zich ontwikkelt. Daarnaast helpen ouders kinderen met emotie regulatie op vier manieren:

    • Ouders modeleren richting kinderen hoe ze met emoties om moeten gaan.
    • Ouders labelen emoties voor het kind zodat ze leren vertellen hoe ze zich voelen.
    • Ouders kunnen een kind strategieën leren om met stress en impulsen om te gaan.
    • Het emotionele klimaat van de familie heeft invloed op hoe goed een kind wordt in regulatie.

    Hoe stimuleren ouders cognitieve ontwikkeling?

    Dit doen ouders door kinderen dingen te geven om mee te spelen en ze verhalen voor te lezen, door ze veel ruimte te geven om actief te spelen (rennen bijvoorbeeld) maar voornamelijk door tegen hen te praten. Dit zorgt vaak voor een hoger IQ en betere prestaties op school. Daarnaast zorgt het voor betere sensomotorische ontwikkeling. Wat verder ook helpt is 'doen alsof' met kinderen of ze kennis laten maken met tekenen en muziek. Dit zorgt voor meer fijne motoriek.

    Access: 
    Public
    Welk effect heeft opvoeding tijdens de kleutertijd? - Chapter 8

    Welk effect heeft opvoeding tijdens de kleutertijd? - Chapter 8

    Hoe gaat het opvoeden van een kleuter?

    De kleutertijd loopt van drie tot vijf jaar. Gedurende deze fase zijn ouders vooral bezig met de sociale en emotionele ontwikkeling van het kind, hoe ze hen het beste kunnen disciplineren en goede sociale gedragingen kunnen stimuleren. Voor een deel wordt het opvoeden makkelijker op deze leeftijd want het kind is zindelijk, spreekt 2500 woorden, verstaat 4000 woorden, heeft een betere emotieregulatie, slaapt de nacht door en kunnen nu uitleggen wat ze willen en voelen. Belangrijk in deze fase is het blijven versterken van de hechtingsband. Dit kunnen ouders doen door positieve interacties met het kind, fysieke affectie, samen spelen en door het kind te ondersteunen. Ook worden verschillende socialisatie onderdelen belangrijker zoals geslachtsidentiteit en pro-sociale ontwikkeling. Kinderen worden ook steeds onafhankelijker, waardoor er soms disciplineproblemen ontstaan.

    Hoe ontwikkelt de genderidentiteit?

    Peuters hebben al geleerd dat ze een meisje of jongetje zijn op basis van hun anatomie, maar kleuters leren pas wat zo’n label inhoudt. Ze leren dat geslacht stabiel (verandert niet meer) en consistent (hetzelfde in alle situaties) is. Ze leren ook stereotype gedrag behorend bij het geslacht en pesten hierdoor leeftijdsgenoten als deze niet spelen met het juiste stereotype speelgoed.

    Ouders kunnen helpen in de ontwikkeling van de genderidentiteit. Ten eerste labelen ze het kind als jongen of meisje, zodat het kind leert welke genderidentiteit zij hebben. Daarnaast leren ze het kind over gender door ze het verschil te leren tussen mannelijke en vrouwelijke genitaliën. Ook socialiseren ze kinderen richting hun gender door hun kleren, het inrichten van hun kamers en door welk speelgoed ze voor hen kopen. Jongens krijgen vaker speelgoed wat ruimtelijk inzicht aanmoedigt bijvoorbeeld. Verder hebben ouders ook andere verwachtingen van hun kinderen gebaseerd op hun geslacht (bijvoorbeeld dat jongens agressiever zijn en meisjes beter zijn in lezen). Daarnaast modeleren ouders ook genderrollen doordat ze vaak zelf een taakverdeling hebben gebaseerd op het geslacht (bijvoorbeeld dat de moeder vaker schoonmaakt en kookt). Ook moedigen ouders ander gedrag aan in hun kinderen door differentiële socialisatie: ze behandelen kinderen anders op basis van hun biologische sekse of andere individuele verschillen. Naast dat ouders genderverschillen en een specifieke genderidentiteit aanmoedigen met hun gedrag moedigen ze ook gender conformiteit aan. Dit doen ouders sterker naarmate ze uit traditionelere gezinnen komen. Deze ouderlijke invloeden staan wel altijd in verbinding met de invloed van biologie, leeftijdsgenoten, andere volwassenen (bijvoorbeeld leraren) en het kind zelf. Dit samen bepaalt uiteindelijk de genderidentiteit en -conformiteit van het kind.

    Hoe ontwikkelt autonomie zich?

    Kleuters hebben een sterke wil om dingen zelf te doen en hun eigen omgeving te controleren. Bowlby en Erikson herkenden dit al. Ouders helpen hiermee door kleine kinderen dingen zelfstandig te laten doen, bijvoorbeeld kiezen wat voor kleren ze aan willen. De dingen die kinderen zelf mogen doen moeten veilig en passend zijn bij de leeftijd van het kind. Op deze manier krijgen ze begeleiding maar leren ze ook dat ze keuzes mogen maken en dat de ouder hen zal steunen. Sommige ouders zijn overbeschermend en willen geen autonomie geven aan hun kind. Dit zorgt vaak voor gedragsproblemen en problemen met de mentale gezondheid van het kind.

    Ouders kunnen verschillende manieren hebben om met de autonomie van het kind om te gaan. Autoritaire ouders houden strikte controle en geven dus weinig autonomie aan het kind. Toegeeflijke ouders hebben weinig controle en de kinderen hebben dus erg veel autonomie. Autoratieve ouders houden controle maar overleggen wel met het kind. Deze laatste stijl zorgt voor het meest competente kind.

    Hoe worden emotieregulatie en zelfcontrole aangemoedigd?

    Met emotieregulatie wordt bedoeld dat iemand in staat is om zijn eigen emoties onder controle te houden en te reguleren. Emotieregulatie is onderdeel van zelfcontrole. Juist in de kleutertijd maakt deze emotieregulatie een enorme ontwikkeling door. Kinderen die hun emoties niet goed kunnen reguleren kunnen twee soorten probleemgedragingen gaan vertonen. Ten eerste internaliserende gedragsproblemen: naar binnen gekeerd gedrag, zoals bang of teruggetrokken worden. Ten tweede externaliserende gedragsproblemen: naar buiten gekeerd gedrag, zoals slaan of schreeuwen.

    Ouders helpen kinderen met het ontwikkelen van emotieregulatie op verschillende manieren. Zo geven ze een kind instructies over emoties, modeleren hoe het kind kan bepalen welke emotie het voelt en er dan mee omgaat, ze reageren op de emotionele expressie van het kind en bespreken emotie-gerelateerde onderwerpen. Een voorbeeld hiervan is het modelleren van emotieregulatie. Wanneer een ouder rustig reageert op een stressvolle gebeurtenis, zal het kind ook rustiger worden en leren in stressvolle situaties rustig te blijven. Ook karakteristieken van het gezin zoals de hechtingsstijl, hoe goed het huwelijk is en de opvoedingsstijl beïnvloeden hoe goed het kind is in het reguleren van emoties.

    De executieve functies (functies die gedrag remmen, probleemoplossend vermogen en weerstand bieden aan afleidingen omvatten) worden gelinkt aan zelfregulatie. Er is waarschijnlijk een bi-directionele relatie tussen de twee. Ouders spelen hier ook een rol in, omdat zij het kind impulscontrole aan kunnen leren.

    Hoe verloopt de pro-sociale ontwikkeling?

    Pro-sociaal gedrag is gedrag bedoeld om anderen of de maatschappij te helpen. Voor veel ouders is dit een belangrijk doel. Wat hiermee verbonden is, is empathie: kunnen begrijpen en ervaren wat een ander voelt. Ouders kunnen de ontwikkeling van pro-sociaal gedrag helpen door hun empathie verbaal te uitten (‘ik merk dat je boos bent’). Ook kunnen ouders empathie voor anderen verbaliseren, wat ook wel affectieve terechtwijzingen genoemd worden (‘kijk, nu heeft Sophie pijn omdat je haar geduwd hebt’). Bij de ontwikkeling van empathie speelt de opvoedingsstijl van ouders ook een grote rol en de ouders zelf zijn daarnaast een rolmodel.

    Verder helpen ouders het kind bij het ontwikkelen van moralen, of hoe je moet denken over dingen die te maken hebben met eerlijkheid, wat goed en fout is, gerechtigheid en het welzijn van anderen. Dit kunnen ze doen door het uitleggen van waarom ze bepaalde regels en verwachtingen van kinderen hebben. Kinderen leren hier het beste van als de uitleg op een warme, steunende en ontwikkelingsgepaste manier gebeurt en past bij het gedrag wat een ouder laat zien. Zo leert een kind niet dat slaan fout is van een ouder die het kind zelf slaat bijvoorbeeld.

    Empathie tonen, pro-sociaal gedrag kunnen laten zien en het hebben van goede morele redenering zijn drie indicaties dat een kind op een gezond ontwikkelingstraject zit.

    Hoe gaat het disciplineren, specifiek 'lijfstraffen' zoals slaan?

    Doordat kinderen in deze levensfase erg gericht zijn op autonomie doen ze vaak niet wat ouders van hen vragen of breken regels gewoon om te zien wat er gebeurt. Echter verwachten ouders tegenstrijdig hieraan vaak volwassener gedrag van kinderen in deze periode. Hierdoor ligt het gebruik van disciplinerende acties ook het hoogst rond de drie tot vijf jaar.

    Als kinderen drie jaar zijn worden ze gedisciplineerd door redenatie, de aandacht af te leiden, onderhandeling, dreigen, time out, negeren, schreeuwen, privileges afnemen of billenkoek. Billenkoek valt samen met het kind slaan, vastgrijpen en knijpen onder coercive discipline waarbij een ouder een straf of dreiging gebruikt om het kind te forceren zich op een bepaalde manier te gedragen. Sommige ouders slaan kinderen impulsief als ze boos zijn, maar de meeste ouders doen dit intentioneel omdat ze geloven dat het gedrag verandert en positieve uitkomsten heeft. Dit heeft echter eerder negatieve gevolgen want kinderen modeleren dit gedrag en gaan dan ook slaan, maar ook veroorzaak het mentale problemen bij het kind. Verder zorgt het ervoor dat het kind voornamelijk nadenkt over dat ze het niet leuk vinden om geslagen te worden en de negatieve emoties, in plaats van te begrijpen welk gedrag de ouder van ze verlangt.

    Hoe werkt positieve discipline?

    Deze vorm van discipline is gebaseerd op de ideeën van de autoritatieve opvoedingsstijl. Het idee van positieve discipline is dat de ouder en het kind samenwerken, waardoor de ouder niet ‘de baas’ maar een partner van het kind is. Hierdoor ontwikkelen de ouders en het kind een warme relatie waardoor de ouder het kind zonder het te straffen kan begeleiden.

    Wat zijn een aantal hedendaagse problemen bij het opvoeden van kleuters?

    Hoe gaat het opvoeden van kleuters met ADHD?

    Attention-deficit/hyperactivity disorder (ADHD) is een stoornis waarbij kinderen last hebben van een korte aandachtsspanne en problemen hebben met hun geheugen, planning en impulsiviteit. Kinderen ervaren of problemen met onoplettendheid (makkelijk afgeleid, lijken niet te luisteren, zijn vergeetachtig) of problemen met hyperactiviteit (non-stop praten, niet op hun beurt kunnen wachten) of een combinatie van de twee. In de afgelopen twintig jaar is de prevalentie van ADHD onder kinderen in de leeftijd van vier tot zeventien jaar verdubbeld. Om schoolproblematiek bij deze kinderen te voorkomen, wordt vaak medicatie als Ritalin of Adderall voorgeschreven. Deze medicatie is stimulerend en er is niet duidelijk is wat voor effect het heeft op de ontwikkeling van de hersenen van kinderen. Een andere optie om ADHD te behandelen is om ouders en kinderen te trainen in hoe ze met de stoornis om kunnen gaan.

    Hoe kiezen ouders een kinderopvang en of hun kind klaar is om naar school te gaan?

    Omdat veel ouders allebei werken gaan veel kinderen naar de kinderopvang of zorgt er een familielid voor hen. Er zitten wel verschillen in de leeftijd waarop kinderen voor het eerst naar de opvang gaan en de intensiteit en duur van de tijd op de kinderopvang. Sinds de jaren zestig komt de kinderopvang steeds meer op en er is destijds ook een groot onderzoek naar gestart. Hieruit kwam naar voren dat een kinderopvang het beste effect op de ontwikkeling heeft als deze gekenmerkt wordt door een veilige, schone en stimulerende omgeving waarin een kleine groep kinderen ondersteund wordt door een groep niet autoritaire verzorgers. De meeste kinderen gaan vanaf een jaar of vier of vijf naar de kleuterklas, als ze schoolrijp zijn. Dit betekent dat ze de vaardigheden en kennis hebben die ze nodig hebben om goed te kunnen functioneren op school. Als een kind schoolrijp is dan heeft hij of zij voldoende emotieregulatie, controle over het gedrag, communicatie skills en sociale competentie ontwikkeld. Sommige kinderen gaan ter voorbereiding eerst naar de kinderopvang of peuterspeelzaal of ouders wachten nog een jaar met hun kind naar school sturen totdat het wel genoeg vaardigheden en kennis heeft ontwikkeld. Dit wordt redshirting genoemd. Veel ouders proberen hun kind voor te bereiden voor school door ze sociale of educatieve vaardigheden aan te leren. Thuis een boek lezen of educatieve televisiekijken helpt ook bij de overgang. Daarnaast moeten ouders hun kind genoeg vrijheid geven zodat ze zelf kunnen leren bepaalde vaardigheden te beheersen. Ook is een voldoende grote vocabulaire belangrijk voor het naar school gaan.

    Wat voor invloed heeft het gebruik van media op kinderen?

    Tegenwoordig is het dagelijks gebruik maken van media al vanaf jonge leeftijd de realiteit voor kinderen. Uit onderzoek is gebleken dat één derde van alle kinderen op driejarige leeftijd hun eigen televisie in de slaapkamer hebben. Deze ontwikkeling gaat samen met een groei van gedragsproblemen. Het vele televisie kijken lijkt gerelateerd aan agressie en zelfregulatie problemen. Daarnaast ontwikkelen kinderen minder goed hun vocabulaire, waardoor ze minder snel schoolrijp zijn. Ook zorgt het vele stilzitten vaak voor overgewicht.

    Ouders lijken geen problemen te hebben met de grote hoeveelheid schermtijd van hun kinderen. Echter wordt er door experts geadviseerd om kinderen onder twee niet bloot te stellen aan media, en als kinderen twee tot vijf jaar oud zijn dit slechts te doen voor één uur per dag. Hierbij is het goed als de ouders meekijken. Daarnaast moet de tv niet als achtergrondgeluid aan blijven staan en moet spelen zonder dat daar media bij komt kijken aangemoedigd worden.

    Wat kunnen ouders doen aan obesitas bij kinderen?

    Sinds deze eeuw is obesitas een van de grootste publieke gezondheidsproblemen ter wereld. Recent onderzoek toont aan dat kinderen met overgewicht of obesitas vijf keer meer kans hebben op het ontwikkelen van obesitas, als ze volwassen zijn. Door obesitas heeft men niet alleen extreem overgewicht, maar kampt men vaak ook met allerlei bijkomende gezondheidsproblemen, zoals depressie, laag zelfbeeld, hoge bloeddruk en astma. Om obesitas bij kinderen tegen te gaan, is het belangrijk dat de ouders niet alleen hun kind gezonde voeding geven, maar ook dat ze zelf gezond leven. Ze modeleren namelijk voedselkeuze richting het kind, bepalen welk eten er in huis is en controleren wat het kind precies binnenkrijgt. Daarnaast is het belangrijk dat ouders hun kinderen een actieve leefstijl aanleren. Dit gaat niet per se alleen om sporten, maar ook andere simpele dingen zoals het limiteren van schermtijd, dagelijks buitenspelen of wandelen met de hond. Deze actieve levensstijl is niet alleen belangrijk voor het gewicht van kinderen maar het zorgt ook voor een betere cognitieve en sociale ontwikkeling.

    Wat voor effecten hebben ongunstige ervaringen in de kindertijd op het kind en wat is de rol van ouders hierin?

    Ongunstige of aversieve ervaringen kunnen hele grote dingen zijn zoals oorlog, terrorisme of natuurrampen, maar het kunnen ook problemen in het gezin zijn zoals geweld, verwaarlozing of mishandeling. Kinderen reageren op deze ervaringen door hyperarousal in het systeem wat reageert op stress. Stress triggert de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as (HPA-as), deze speelt een rol bij angst(regulatie) en maakt als gevolg van de stress neurotransmitters en neurohormonen aan. Doordat het brein hier vervolgens op reageert kunnen deze hormonen invloed hebben op genetische expressie. Met dit laatste wordt bedoeld dat er bijvoorbeeld een grotere reactiviteit kan ontstaan op stimuli waar kinderen bang voor zijn en dat ze sneller een schrikreactie vertonen bij het zien van bepaalde dingen dan andere kinderen.

    Ouders kunnen hier verschillende rollen in spelen of hebben gespeeld. Aan de ene kant kunnen ze de oorzaak zijn dat een kind is blootgesteld aan stress (bijvoorbeeld door hen te vertellen over eigen volwassen zorgen). Aan de andere kant kan de blootstelling ook buiten de controle van de ouders liggen (bijvoorbeeld natuurrampen, serieuze gezondheidsproblemen of de dood) en kunnen ouders dus hun kinderen niet tegen alles beschermen. Wel kunnen ouders hun kinderen beschermen tegen de effecten die deze stress kan hebben door ze te helpen begrijpen wat er gebeurd is op een manier die passend is voor hun leeftijd. Daarnaast kunnen ze het kind steun bieden of professionele begeleiding voor hen zoeken.

    Access: 
    Public
    Welk effect heeft opvoeding tijdens de midden-kindertijd? - Chapter 9

    Welk effect heeft opvoeding tijdens de midden-kindertijd? - Chapter 9

    Met de midden kindertijd wordt de basisschoolleeftijd bedoelt: kinderen van vijf à zes tot en met twaalf jaar. Ook in deze fase zijn ouders hun kinderen aan het socialiseren net als in de vorige fasen. Hierin staat het aanleren van onafhankelijkheid, huishoudregels, manieren, pro-sociaal gedrag en agressie vermindering en controle centraal. Onderzoekers hebben gezegd dat er drie opvoedingsdimensies zijn tijdens deze periode, namelijk:

    • Steun: betrokken zijn bij het kind, een warme relatie met ze hebben, hen accepteren, emotioneel beschikbaar en responsief voor hen zijn.
    • Gedragscontrole: acties die een ouder doet om het kind te controleren, beheren en reguleren.
    • Psychologische controle: acties die een ouder onderneemt om de gedachten, emoties en gevoelens van het kind te manipuleren

    Wat is de invloed van de structuur van het gezin?

    Wat is de invloed van de volgorde van geboorte en broers of zussen?

    Volgens Zajonc’s confluence theory die gaat over hoe geboortevolgorde en de grootte van een gezin de intelligentie van een kind beïnvloeden, raakt intelligentie verdund bij een groot gezin. Een andere theorie hierover is het resource dilution model wat zegt dat het gezin een gelimiteerde hoeveelheid hulpmiddelen beschikbaar heeft (zoals tijd, energie en geld) en dat hoe meer broertjes en zusjes er zijn, hoe minder hulpmiddelen elk kind krijgt. Wat nou precies het effect van geboortevolgorde op kinderen is, is niet duidelijk omdat er zo veel verschillende factoren zijn die familie-interacties kunnen beïnvloeden. Voorbeelden van deze factoren zijn hoeveel ruimte er zit tussen de geboortes, geslacht, genotype en temperament van het kind, hoeveelheid kinderen in het gezin, maar ook demografische factoren zoals inkomen en onderwijs.

    Wat verder invloed heeft naast geboortevolgorde is het temperament van het kind. Ouders benoemen ook vaak de verschillen in temperament tussen hun kinderen om te zorgen dat ze hun eigen prestatiegebieden en zelfvertrouwen krijgen. Vervolgens gedragen ze zich anders richting de kinderen door deze verschillen.

    Wat ook veel voorkomt binnen een gezin is sibling rivalry: rivaliteit tussen broertjes en zusjes. Er zijn verschillende verklaringen over waarom dit gebeurt.

    • Volgens het evolutionaire perspectief ontstaat er rivaliteit omdat beide kinderen vechten om beperkte middelen (bijvoorbeeld aandacht en liefde van de ouders). Door zich beter op te stellen dan het andere kind (door slimmer, sterker of getalenteerder te zijn) krijgen ze mogelijk meer van deze middelen.
    • Volgens het sociale interactie perspectief ontstaat conflict omdat jonge kinderen zo dicht op elkaar leven maar nog niet de vaardigheden hebben ontwikkeld om het goed met elkaar te kunnen vinden.
    • Als laatste zou het kunnen dat een kind zich anders behandeld voelt door de ouders, wat ze onrechtvaardig vinden en waardoor ze wraak zoeken tegen het 'favoriete' andere kind. Als het conflict ontstaat doordat ouders 'favorieten kiezen' dan blijft er vaak spanning tussen broertjes en zusjes zelfs als ze volwassen zijn.

    Ouders grijpen in in dit conflict via verschillende strategieën:

    • Ouderlijke controle: het kind vertellen te stoppen of een waarschuwing geven dat ze anders straf zouden krijgen.
    • Kind-gecentreerde strategieën: het kind helpen door woorden te geven aan hoe ze zich voelen. Het kind helpen zichzelf te uiten.
    • Passieve non-interventie: hierbij wordt het conflict genegeerd en wachten ouders tot kinderen het zelf oplossen.

    Hoe zit het met de betrokkenheid en de invloed van vaders?

    Sinds ongeveer 1980 wordt er onderzoek gedaan naar hoe vaak vaders betrokken zijn bij hun kinderen en wat de kwaliteit van hun interacties zijn. Hieruit bleek in eerste instantie veelal dat hoe belangrijker de identiteit als vader voor een man is (naast andere identiteiten zoals bijvoorbeeld collega, getrouwde man, etcetera), hoe meer betrokken ze zijn bij hun kinderen. Een vader kan directe invloed hebben op de relaties een gezin (bijvoorbeeld door de kwaliteit van zijn relatie met het kind of hoe hij met het kind omgaat), maar ook indirecte invloed (bijvoorbeeld door hoe goed het huwelijk is, hoe goed hij is in co-ouderschap, of zijn mentale gezondheid). Een unieke contributie die vaders hebben op de ontwikkeling van hun kinderen is via rough and tumble play, wat moeders niet met de kinderen doen. Dit komt vaak in de vorm van worstelen, op elkaar springen en stoeien.

    Russel en Radojevic hebben vijf typen vaders geïdentificeerd:

    • Ongeïnteresseerd en niet beschikbaar.
    • Traditioneel.
    • Assistent-ouder.
    • Co-ouder.
    • Primaire verzorger.

    Wat in deze classificatie niet meegenomen is, is het feit dat de rol van de vader niet alleen bepaald wordt door zijn directe interactie met het kind maar ook door de financiële steun en algemene steun die hij aan de moeder geeft.

    Vaders die betrokken en ondersteunend zijn hebben kinderen die succesvoller zijn en minder problemen hebben. Kinderen zijn dan minder depressief, zelfverzekerder en competenter. Als een kind zich geliefd en gesteund voelt door een vader voelen ze zich vaker beter en hebben ze ook minder problemen, ongeacht de relatie die ze met hun moeder hebben. Als ze zich niet geliefd en gesteund voelen door de vader ontstaan er juist problemen.

    Het geslacht van het kind interacteert met het geslacht van de ouder. Zo lijkt het bijvoorbeeld zo te zijn dat vaders meer tijd besteden met en meer betrokken zijn bij hun zoons. Dit komt waarschijnlijk ook omdat jongens vaker interesses delen met hun vader en als ze hulp nodig hebben niet naar hun moeder maar naar hun vader gaan.

    Hoe disciplineren ouders probleemgedrag?

    De disciplinetechnieken voor deze leeftijd zijn onder andere: uitpraten wat er gebeurd is en het uitleggen van standpunten, privileges afnemen, schreeuwen, het kind uitschelden of de stem verheffen. Daarnaast wordt ook humor vaak gebruikt om het kind aan zijn of haar eigen verantwoordelijkheid te herinneren en wordt psychologische controle ingezet in de vorm van schaamte en schuld aanpraten. In plaats van dat de ouders de macht hebben over het disciplineren krijgt het kind steeds meer eigen verantwoordelijkheid om dingen op te lossen en bij te dragen aan familiebeslissingen om zo zelfregulatie te ontwikkelen. Effectieve opvoeding is dus nu een tweestaps-proces, waarbij kinderen eerst moeten begrijpen wat de ouders van hen verwachten qua gedrag en welke standaarden ze hebben en vervolgens die standaarden moeten accepteren en zich ernaar gedragen. Ouders kunnen veel doen om te zorgen dat kinderen hun standaarden accepteren. Ten eerste kunnen ze responsief zijn voor wat het kind nodig heeft. Ten tweede kunnen ze zorgen dat het kind de standaarden en consequenties legitiem vindt. Dit laatste wordt makkelijker bereikt als er sprake is van positive synchrony tussen een ouder en kind: een positieve relatie waarin interacties harmonieus, wederkerig, responsief, verbonden en gedeeld zijn.

    Door de goede relatie kunnen ouders makkelijker toezicht houden over hun kinderen. Dit betekent dat een ouder weet waar het kind is, welke activiteiten ze ondernemen en met wie ze zijn, maar ook meer in het algemeen betekent het dat de ouder weet hoe het kind zich ontwikkelt. Het houden van toezicht kan op verschillende manieren gedaan worden. Om hier effectief in te zijn moeten ouders betrokken zijn, geïnteresseerd in het welzijn van het kind en gemotiveerd zijn om het kind in de gaten te houden. Daarnaast moet het kind ook dingen met de ouder willen delen. Dit doen ze op het moment dat er goede communicatie en een goede relatie met de ouders is, anders gaan ze liegen.

    Welke gedragsproblemen hebben kinderen?

    Naarmate kinderen zich ontwikkelen leren ze steeds beter hun eigen gedrag te reguleren. Dit is echter pas mogelijk nadat de prefrontale cortex zich volledig ontwikkeld heeft. Dit is in deze fase nog niet het geval, waardoor pre-adolescenten veelal gemotiveerd worden door egocentrische doelen. Ze raken hierdoor vaak in conflict met anderen of doen dingen die hun ouders verboden hebben. Hiermee omgaan staat centraal in de opvoeding.

    Als verschillende ernstige problemen die hieruit ontstaan samen voorkomen spreken we van stoornissen. Stoornissen die samen voorkomen worden comorbide stoornissen genoemd. Stoornissen die vroeg ontstaan komen meer bij mannen voor, terwijl de stoornissen die later ontstaan vaker voorkomen bij vrouwen.

    Een vragenlijst die vaak gebruikt wordt om problemen van kinderen in kaart te brengen is de Child Behavior Checklist (CBCL). Deze vragenlijst kan ingevuld worden door kinderen en ouders en meet probleemgedragingen die kinderen laten zien. Deze problemen kunnen gerelateerd zijn aan gezondheid, sociale eigenschappen, emoties, slaap of gewoontes. Uiteindelijk kunnen deze problemen ingedeeld worden in twee groepen. Externaliserend gedrag is het gedrag wat gericht is op anderen (boosheid, ongehoorzaamheid, vechten, frustratie, schreeuwen). Internaliserend gedrag is gedrag wat naar binnen gericht is (zenuwen, angst, verdriet, inhibitie, teruggetrokkenheid). Het zou zo kunnen zijn dat de gedragsproblemen van het kind zorgen voor problemen op andere gebieden, zoals op het gebied van academische prestatie. Dit wordt beaamd in het adjustment-erosion model. Het academic incompetence model zegt juist dat het andersom is en dat lage academische prestaties gedragsproblemen kunnen veroorzaken. De oorzaak van het probleemgedrag kan komen vanuit het genotype van het kind, maar ook slechte opvoeding door de ouder, of verkeerde ouder-kind interacties kunnen een oorzaak zijn.

    Wat is de invloed van huwelijksproblemen op het kind?

    Gedragsproblemen van het kind kunnen ook ontstaan vanuit huwelijksproblemen bij de ouders. Deze ontstaan vaak doordat ouders het opvoeden van kinderen stressvol vinden en hierdoor in conflict raken met elkaar. Ouders zijn als gevolg hiervan minder tevreden over hun huwelijk, maar ook kinderen worden negatief beïnvloedt door het conflict omdat het stressvol is voor hen om deze negativiteit te ervaren. Er kunnen op meerdere manieren problemen ontstaan als een kind dit conflict meemaakt.

    • Ten eerste doordat de ouders gedrag modeleren waardoor het kind leert dat agressie een goede manier is om problemen op te lossen.
    • Ten tweede doordat kinderen bij het zien van ruziënde ouders denken dat ze gaan scheiden, waardoor de veiligheid van het kind bedreigd wordt.
    • Ten derde doordat het conflict vaak overvloeit naar de ouder-kind relatie. Ouders maken dan gebruik van verkeerde opvoedingstechnieken of worden minder responsief richting het kind.

    Wat bepaald hoe erg het kind beïnvloed wordt door het conflict is hoe hij of zij erover denkt. Volgens het cognitief-contextuele model van Grych en Fincham evalueren kinderen de ruzie van hun ouders op basis van de hoeveelheid negativiteit, de hoeveelheid dreiging en hoe relevant dit is voor henzelf. Gebaseerd op deze evaluatie maken kinderen causale attributies (bijvoorbeeld "ze ruziën over mijn gedrag, dus ik heb de ruzie veroorzaakt") en reageren ze op het conflict.

    Er zijn een aantal dingen die de negatieve effecten van ouderlijk conflict minder maken voor kinderen. Bijvoorbeeld: het conflict wordt opgelost, verliep op een beschaafde manier en werd gekenmerkt door wederzijds respect, positieve communicatie en constructieve discussie.

    Wat voor effect heeft scheiding en de nasleep hiervan op kinderen?

    De nasleep van een scheiding duurt vaak lang en er verandert van alles: waar het kind woont, de dagelijkse routine, schoolgenoten, leeftijdsgenoten, de financiële situatie, de kwaliteit van de opvoeding, en de relatie met de verzorgende- en niet-verzorgende ouder. Hoe een kind omgaat met deze veranderingen hangt af van meerdere factoren, zoals bijvoorbeeld leeftijd, geslacht, hoeveelheid stress en venijn tussen de ouders, of beide ouders nog in het leven van het kind zijn of niet en of de ouders goed samenwerken. 

    Soms is een scheiding beter voor het kind, bijvoorbeeld wanneer de ene ouder de andere ouder mishandelt, wanneer het kind mishandelt wordt door een van de ouders, wanneer een ouder erge psychiatrische problemen heeft of wanneer een ouder problemen heeft met middelengebruik. Door de scheiding kunnen kinderen uit dit negatieve klimaat komen en afstand nemen van het geweld, waardoor ze zich vaak beter ontwikkelen.

    Daarnaast geven veel onderzoeken aan dat de meeste problemen die door scheiding ontstaan verdwijnen, vooral als de moeder hertrouwt en het huwelijk is goed of wanneer het kind veerkrachtig is. De minder veerkrachtige kinderen die problemen blijven houden kunnen hulp krijgen van professionals.

    Wat zijn de externe invloeden op het kind?

    Wat is de invloed van leeftijdsgenoten?

    De kwaliteit van relatie met leeftijdsgenoten wordt naarmate kinderen ouder worden steeds complexer en belangrijker voor kinderen. Ze maken vrienden en er ontstaan vriendengroepen en zowel deze individuele relaties met anderen als een relatie met een groep bieden een belangrijke vorm van ontwikkeling die ouders niet kunnen bieden. Door zichzelf te vergelijken met leeftijdsgenoten leren kinderen namelijk wat hun sterke en zwakke punten zijn. Dit gebeurt met name doordat leeftijdsgenoten hen van directe (vertellen, plagen) of indirecte feedback (doordat kinderen niet bevriend met ze willen zijn) voorzien.

    De relatie tussen het kind en andere kinderen is horizontaal: iedereen is van gelijke status. Dit is heel anders dan de relatie van een kind met de ouders, die verticaal is: de ouders hebben een hogere- en het kind een lagere status. Deze horizontale relaties helpt het kind bij het ontwikkelen van sociaal- en emotioneel welzijn, een zelfconcept en een positief zelfbeeld.

    Toch spelen ouders nog wel een rol bij de relaties die een kind met leeftijdsgenoten heeft. In het begin van de kindertijd zijn ze bijvoorbeeld een sociale tussenpersoon waardoor het kind vriendjes kan vinden, een politieagent om conflicten tussen het kind en vriendjes op te lossen en een sociale coach om te zorgen dat het kind positieve sociale relaties en interacties heeft. In de midden-kindertijd leren ouders hun kinderen aan wat wederkerigheid is, leren ze hun over de regels en waarden in een sociale groep, leren ze hun kind deel te nemen aan verschillende soorten groepen en oefenen ze controle uit (ze verbeteren het kind als het verkeerd gedrag vertoond). Ook beschermen ze het kind door hen een veilige basis te bieden als er iets misgaat. Ook oefenen ouders naast deze directe invloed een indirecte invloed uit. Als de hechtingsrelatie tussen ouders en kind veilig is dan heeft een kind namelijk vaker goede sociale relaties met leeftijdsgenoten.

    Wat is de invloed van agressie en pesten?

    Er is sprake van agressie als iemand de intentie heeft om een ander pijn te doen en deze persoon ook daadwerkelijk pijn ervaart. Fysieke agressie is bijvoorbeeld slaan, stompen en schoppen, terwijl relationele of sociale agressie buitensluiten, roddelen en het manipuleren van vriendschappen inhoudt.

    Gedurende de midden-kindertijd wordt agressie en geweld het meest geuit in de vorm van pesten. We spreken van pesten als de agressie herhaald en intentioneel is en een ongelijke verdeling van macht tussen mensen laat zien. Vaak betekent pesten dat iemand geïntimideerd of bang gemaakt wordt. Dit gebeurt vaak op school, maar tegenwoordig vindt er steeds meer cyberbullying plaats. Dit wordt gekarakteriseerd door online bedreigingen, roddels of offensief taalgebruik en schelden. Bij pesten zijn er altijd drie categorieën deelnemers: het slachtoffer, de pester en pester/slachtoffers. Deze laatste groep heeft het vaakst emotionele problemen, gedragsproblemen en problemen op school. Pesten heeft een grote invloed op het welzijn van slachtoffers. Ze worden vaak gekozen omdat ze verlegen, teruggetrokken, geïsoleerd of fysiek zwak zijn. Als gevolg van het pesten raken ze sociaal afgezonderd, krijgen ze fysieke, emotionele of psychologische problemen en ook hun schoolwerk lijdt eronder. De psychologische problemen als gevolg van het pesten hebben vaak nog steeds invloed in de volwassenheid.

    Slachtoffers van pesten en pester/slachtoffers krijgen vaker te maken met negatieve opvoedingsstijlen (in de vorm van mishandeling of verlating bijvoorbeeld). Beschermende factoren tegen de negatieve gevolgen van het pesten zijn onder andere hoge ouderlijke betrokkenheid, een goede relatie tussen kind en ouder, steun en goede communicatie.

    Wat is de invloed van school?

    School is een belangrijke structuur waar kinderen veel tijd doorbrengen. Hier bereiken ze verschillende mijlpalen, waaronder academisch succes, een goede relatie met de leraar en relaties met leeftijdsgenoten. Ouders beïnvloeden direct en indirect de cognitieve en schoolprestaties door hun overtuigingen (over wat het kind gaat bereiken) en gedrag (bijvoorbeeld zelf een goede werkethiek hebben). Door betrokken te zijn bij het schoolleven van het kind, hoge verwachtingen te stellen, het modeleren van goed gedrag, het kind aan te moedigen en instructies te geven kunnen ouders een positieve invloed hebben op het succes van hun kinderen op school. Een van de meest directe manieren waarop ouders betrokken kunnen zijn is door kinderen te helpen met huiswerk, toezicht op hen houden, en goed contact te onderhouden met de school. Daarnaast moeten ouders aan academische socialisatie doen. Dit betekent dat ze thuis met de kinderen lezen, richting hen communiceren hoe belangrijk school is, leerstrategieën bespreken en het kind steunen en helpen plannen voor de toekomst.

    Wat is de invloed van elektronische media?

    Kinderen van alle leeftijden worden aangetrokken door elektronische media. Baby’s van drie maanden oud kijken al televisie en 90% van de baby’s van 24 maanden kijkt gemiddeld anderhalf uur per dag televisie. Tijdens midden-kindertijd kijken kinderen drie uur per dag en besteden nog drie uur aan andere elektronische media. Aan de ene kant is dit voordeling, omdat dit kinderen informatie, relaxatie, entertainment en educatie biedt. Daarnaast kan het bijdragen aan de zelfexpressie van het kind, helpen bij het ontwikkelen van de identiteit en creativiteit aanmoedigen. Aan de andere kant zijn ouders wel bang voor de nadelen van tv en media, zoals de hoeveelheid agressie en seks die kinderen te zien krijgen. Ook is het gelinkt aan overgewicht bij het kind, doordat ze door het vele tv kijken minder actief worden. Deze passiviteit zorgt er ook voor dat kinderen sneller last krijgen van mentale problemen zoals depressie.

    Ouders spelen een grote rol doordat zij bepalen in hoeverre een kind thuis aan allerlei soorten media wordt blootgesteld. Ze bepalen welke media het kind mag gebruiken en hoeveel tijd ze hieraan mogen besteden. Als ouders de kinderen schermtijd afnemen als een vorm van discipline wordt dit ook wel e-discipline genoemd. Volgens experts zouden ouders moeten zorgen dat kinderen niet meer dan twee uur per dag tv kijken en dat ze niet al op jonge leeftijd bezig zijn met media via een telefoon of tablet.

    Welke invloed heeft sport?

    Heel erg veel ouders zijn enthousiast als hun kinderen een sport willen doen, omdat het kind dan fysieke vaardigheden leert, fysiek bezig is en leert over teamwork. Als het kind aan een sport doet zijn ze vaak fysiek en mentaal gezonder dan kinderen die dat niet doen. Daarnaast zorgt het ervoor dat kinderen zelfregulatie leren. Echter vallen deze voordelen weg als ouders het kind te snel en te hard pushen.

    Access: 
    Public
    Welk effect heeft opvoeding tijdens de adolescentie? - Chapter 10

    Welk effect heeft opvoeding tijdens de adolescentie? - Chapter 10

    De adolescentie kan opgedeeld worden in drie ontwikkelingsperiodes:

    1. De vroege adolescentie van tien tot dertien jaar.
    2. De midden adolescentie van veertien tot zeventien jaar.
    3. De late adolescentie van achttien jaar tot begin twintig.

    Tijdens al deze periodes moeten ouders responsief omgaan met de fysieke, cognitieve, zelf-conceptuele en sociale veranderingen die plaatsvinden.

    Welke veranderingen vinden er plaats in de adolescentie?

    Welke fysieke en hormonale veranderingen vinden er plaats?

    De pubertijd wordt gezien als hét kenmerk van de adolescentie. De pubertijd treedt op als gevolg van de sterke stijging in sekshormonen rond de midden-kindertijd. Dit heeft allerlei fysieke veranderingen tot gevolg zoals de groei van schaamhaar en veranderingen in de lichaamsvorm, maar ook groei van borsten bij meisjes en gezichtshaar bij jongens. De pubertijd begint bij jongens later dan bij meisjes.

    Veel factoren naast geslacht hebben invloed op wanneer de pubertijd begint, zoals genen, cultuur, sociaaleconomische status, eetpatroon, beweging en stress. Daarnaast geloven Belsky, Steinberg en Draper dat opvoedingsgedrag van ouders bepaalt wanneer de pubertijd begint voor meisjes. Als zij opgroeit in een warm en emotioneel ondersteunende familie begint de pubertijd later.

    Het begin van de pubertijd heeft ook invloed op het psychologisch welzijn en het begin van emotionele problemen (bijv. depressie) bij adolescenten. Bij jongens heeft een vroeg begin van de pubertijd een positief effect op het psychologische welzijn, maar bij meisjes niet.

    Welke neurologische en cognitieve veranderingen zijn er?

    Dankzij MRI en fMRI zijn de grote veranderingen die het brein ondergaat tijdens de puberteit vastgelegd. Er zijn breed drie groepen verandering die een adolescent doormaakt:

    • Adolescent non-specifiek: ontwikkeling in het brein die begint in de vroege kindertijd en zich doorzet tot aan de jonge volwassenheid.
    • Adolescent emergent: ontwikkeling in het brein welke gedurende de adolescentie plaatsvindt en dan langzaam afneemt.
    • Adolescent specifiek: ontwikkeling in het brein welke piekt gedurende de adolescentie en dan stopt

    In de prefrontale cortex en pariëtale kwab komt minder grijze massa en meer witte massa. Witte massa zorgt voor communicatie tussen neuronen. Dit zorgt ervoor dat de adolescent gevoeliger wordt voor sociale evaluatie en beter wordt in beslissingen maken en zelfcontrole. Ook worden de executieve functies van de adolescent beter: de capaciteit om gedachtes en gedrag te controleren en coördineren. Dit betekent dat ze beter worden in impulscontrole, consequenties van keuzes afwegen en prioriteiten stellen, maar ook dat ze zelfbewustzijn en empathie ontwikkelen. Totdat de executieve functies en prefrontale cortex ontwikkeld zijn is er vaak nog sprake van risicovol gedrag. Dit komt ook omdat de mediale prefrontale cortex (MPFC) en het striatum zich verder moeten ontwikkelen, welke vooral gerelateerd zijn aan risico's nemen en beloning. Verder ontwikkelen de cognitieve vaardigheden van adolescenten zich, waardoor ze abstract, multi-dimensioneel en relativerend kunnen nadenken. Regels die ouders opleggen worden wel als arbitrair en subjectief gezien, wat ruzie veroorzaakt.

    Ondanks dat het brein van de adolescent zich ontwikkeld wordt hun cognitie gekarakteriseerd door egocentrisme. Dit is verbonden met twee kenmerken van het adolescente denken. Ten eerste het idee dat er een denkbeeldig publiek is: adolescenten geloven vaak onterecht dat anderen op ze letten of aan ze denken en dat ze dus een speciaal persoon zijn; ze hebben als het ware een verhoogd zelfbewustzijn. Ten tweede geloven adolescenten vaak dat wat zij meemaken uniek is, wat ook wel de persoonlijke fabel genoemd wordt; dit zorgt ervoor dat adolescenten denkt dat hen niks ergs kan overkomen.

    Door deze cognitieve veranderingen ontstaan er veranderingen in de identiteit van de adolescent, die nu graag onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid wil. Dit vinden ze vaak in de vorm van een bijbaantje, het zich op een bepaalde manier kleden, of middelengebruik.

    Welke sociale veranderingen vinden plaats?

    Doordat adolescenten onafhankelijkheid en afstand van hun ouders willen creëren trekken ze naar hun leeftijdsgenoten toe. Deze afstand tussen de ouders en adolescent zorgt vaak voor intenser conflict dan er in de levensjaren hiervoor was. In het zoeken naar leeftijdsgenoten om mee om te gaan doen kinderen aan 'homophily': ze zoeken anderen op die dezelfde attitudes en interesses hebben.

    Leeftijdsgenoten kunnen zowel een positieve als negatieve invloed hebben op de adolescent. Dit wordt beaamd door de groepssocialisatie-theorie van Harris. Deze zegt dat leeftijdsgenoten de belangrijkste sociale en omgevingsinvloed op de ontwikkeling van tieners zijn. Ouders bepalen alleen nog de ontwikkeling van het kind binnenshuis volgens Harris. Echter is er weinig steun gevonden voor deze theorie en denken de meeste psychologen dat naast leeftijdsgenoten, ouders wel degelijk nog invloed uitoefenen op het gedrag en de ontwikkeling van de adolescent, ook buitenshuis.

    Welke problemen kunnen er zijn voor adolescenten en hun ouders?

    Waarom zijn er zo veel auto-ongelukken?

    Het halen van een rijbewijs bevordert de autonomie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid, maar het is ook de meest voorkomende doodsoorzaak bij jongeren tussen zestien en negentien jaar. De risicofactoren voor een auto-ongeluk zijn:

    • Autorijden met twee of meer vrienden in de auto.
    • Autorijden in het donker.
    • Op je telefoon kijken of berichten versturen terwijl je autorijdt.

    Er zijn verschillende redenen waarom adolescenten zoveel ongelukken hebben. Zo hebben ze weinig rijervaring, onderschatten ze risico's waardoor ze te hard rijden, op hun mobiel zitten achter het stuur of geen gordel dragen, of raken ze snel afgeleid. Daarnaast drinkt een deel van hen voordat ze in de auto stappen.

    Welke problemen ontstaan er met betrekking tot seks, anticonceptie en zwangerschap?

    Vaak als er in de vroege adolescentie sprake is van seks dan gaat dit gepaard met het hebben van veel verschillende partners en het niet gebruiken van anticonceptie. Dit zorgt ervoor dat adolescenten soa's krijgen of zwanger worden. Deze problemen nemen de laatste jaren af doordat adolescenten op latere leeftijd pas seks hebben en doordat ze hierbij vaker anticonceptie gebruiken.

    Welke problemen veroorzaakt elektronische media?

    Doordat adolescenten spanning en stimulatie zoeken komen ze vaak bij elektronische media zoals tv, mobieltjes en het internet terecht. Dit kan positieve effecten hebben. Zo verbeterd gamen bijvoorbeeld de hand-oog-coördinatie. Echter heeft het ook negatieve effecten zoals het niet doen van schoolwerk, minder contact met ouders en vrienden, slaapverlies, middelengebruik en overgewicht. Ook hebben adolescenten die veel in aanraking komen met negatieve berichten via bijvoorbeeld whatsapp vaker last van angst, depressie en fysieke klachten.

    Welke problemen met eten en lichaamsontevredenheid zijn er?

    Veel adolescenten eten te veel of juist te weinig. Te veel eten zorgt voor overgewicht of obesitas. Het vele eten begint vaak in de vroege jeugd door de levensstijl van het gezin en wordt dan een gewoonte. Dit wordt geassocieerd met diabetes, hart- en vaatziekte, of te veel drinken en roken. Aan de andere kant kan te weinig eten evolueren naar een stoornis. De drie bekendste:

    • Anorexia nervosa: zo weinig eten dat iemand onmogelijk op gewicht kan blijven.
    • Boulimia nervosa: eetbuien gevolgd door compensatiegedrag zoals overgeven om te zorgen dat iemand niet aankomt.
    • Eetbuien-stoornis: eetbuien zonder dat men compensatiegedrag vertoond.

    Deze eetstoornissen gaan vaak samen met andere mentale problemen. Ook zorgen ze vaak voor een negatief zelfbeeld en ontevredenheid over het eigen lichaam. Zelfs permanente beschadiging van de organen komt voor.

    Welke problemen veroorzaakt schooluitval?

    Wanneer adolescenten stoppen met school voordat ze een diploma hebben behaald zorgt dit vaak voor een lager inkomen, drugsgebruik, criminaliteit en gezondheidsproblemen.

    Hoe ziet middelengebruik en -misbruik eruit?

    Wat adolescenten het vaakst doen is roken, alcohol drinken of illegale drugs gebruiken. Het aantal rokers is de afgelopen jaren gedaald maar alcoholgebruik vormt nog steeds een groot probleem. De meeste adolescenten doen aan binge drinken: ze drinken vijf of meer glazen alcohol in een korte periode. Hierdoor hebben adolescenten vaker onbeschermde seks, meerdere seksuele partners, worden ze afhankelijk van de alcohol, of doen ze zelfmoordpogingen. Drugs worden minder vaak gebruikt maar adolescenten lopen een groot risico op een overdosis.

    Welke geestelijke gezondheidsproblemen zijn er?

    De meeste mentale gezondheidsproblemen beginnen in de adolescentie. Depressie komt het vaakst voor, waarbij er sprake is van een sombere stemming en interesse-verlies in dingen die men eerder wel leuk vond om te doen. Dit kan ontstaan door genetische-, biologische-, gezins-, of externe factoren maar een combinatie is ook mogelijk. Dit komt vaker voor bij meisjes dan bij jongens. Ook angststoornissen, ADHD, en middelengebruikstoornissen komen voor. Daarnaast hebben sommige adolescenten conduct disorder, waarbij ze continu sociale regels breken en de grenzen van anderen over gaan. Ze zijn vaak agressief, stelen, mishandelen dieren, liegen en kennen geen empathie. Dit komt vaker voor bij jongens.

    Welke problemen met geweld en criminaliteit zijn er?

    Scholen zijn niet altijd een veilige plek: pesten komt veel voor en ook nemen sommige adolescenten wapens mee. Er ontstaan nog meer problemen op het moment dat adolescenten beginnen met daten, waardoor het aantal geweldplegingen omhoogschiet. Een adolescent die continu agressief of antisociaal gedrag vertoont wordt ook wel een delinquent genoemd. Delinquentie ontstaat vaak al in de kindertijd en er zijn drie routes naartoe:

    • Het pad van het autoriteitsconflict: wanneer een adolescent autoriteitsfiguren niet gehoorzaamt en uitdaagt. Dit ontstaat al vroeg in de kindertijd (vaak rond de peuter- of kleutertijd). Kinderen vertonen eerst koppigheid, stoppen dan met gehoorzamen en breken uiteindelijk overduidelijk regels door bijvoorbeeld weg te lopen.
    • Het pad van de overte agressie: dit ontstaat vaak wat later in de kindertijd. Een kind vertoont eerst kleine agressieve gedragingen zoals pesten, welke uiteindelijk escaleren naar serieus geweld en agressie zoals fysieke gevechten of verkrachting.
    • Het pad van de coverte agressie: ook deze vorm van agressie ontstaat later in de kindertijd. Een kind vertoont eerst kleine tekenen van oneerlijkheid zoals liegen, welke later uitgroeien tot serieuze problemen zoals brandstichting, drugs dealen of diefstal.

    Hoe helpen ouders tieners gedurende de adolescentie?

    Gedurende de adolescentie moeten ouders een balans vinden tussen het behouden van controle en het kind zelfstandigheid en verantwoordelijkheid geven. Baumrind heeft geconcludeerd dat ouders die autoritatief zijn en controle uitoefenen maar ook steunend zijn, open communiceren en zelfstandigheid aanmoedigen de beste relaties hadden met hun kinderen. Deze kinderen worden competent, sociaal verantwoordelijk, hebben minder gedragsproblemen en doen het beter op school. De vijf belangrijke punten voor een effectieve ouder-kind relatie tijdens de adolescentie zijn:

    • Verbonden blijven via een warme en positieve relatie.
    • Open communicatie behouden: over dingen als seks, autorijden, drugs en alcohol.
    • De ontwikkeling van zelfstandigheid steunen.
    • Kennis en controle hebben: wat alleen kan als het kind dingen met de ouder deelt.
    • De juiste controletechnieken gebruiken.

    Hoe werkt het stellen van gepaste grenzen?

    Adolescenten moeten de vrijheid krijgen om hun eigen identiteit te ontwikkelen. Dit kunnen ouders doen door ze privacy te geven en hun meningen te accepteren ook al zijn deze anders dan die van de ouder. Echter moeten ouders hierin wel grenzen stellen waarbij ze de adolescent disciplineren als deze over de grens heengaat. Dit kan door bijvoorbeeld het afnemen van privileges, het stellen van limieten (bijvoorbeeld eerder thuis zijn de keer nadat ze te laat zijn weggebleven) of een consequentie verbinden aan gedrag (bijvoorbeeld zelf betalen voor de boete als ze te hard gereden hebben). Deze manieren van grenzen stellen omvatten gedragscontrole. Dit is beter dan psychologische controle, waarbij de ouder probeert te veranderen hoe de adolescent zich gedraagt of denkt, vaak door hen te schande te zetten of de schuld te geven van dingen. Psychologische controle is ineffectief, net als inconsistent straffen en fysiek straffen.

    Zijn er andere manieren waarop ouders de adolescent beïnvloeden?

    Ouders zijn rolmodellen voor hun adolescenten. Ook hebben ze een indirecte invloed op het soort vrienden die adolescenten maken, de kwaliteit van de relatie die de adolescent met anderen heeft en welke activiteiten ze leuk vinden om te doen.

    Zijn er limieten aan de invloed van ouders op adolescenten?

    Het gedrag van de ouder en de ouder-kind relatie heeft een sterke invloed op het gedrag van adolescenten. Echter zijn ouders vaak niet de enige invloed op de adolescent: zo worden adolescenten ook beïnvloed door hun eigen karakteristieken of belangrijke anderen (docenten, leeftijdsgenoten) en de context (hun school, de wijk waar ze opgroeien).

    Hoe ziet ouder zijn van een 'emerging adult' eruit?

    Emerging adulthood is volgens Arnett een nieuwe ontwikkelingsfase van 18 tot 28. In deze levensfase test iemand meerdere identiteiten en ervaringen uit voordat ze een permanente keuze maken voor een volwassen occupatie en liefdesrelatie. Deze periode wordt volgens Arnett gekenmerkt door instabiliteit, mogelijkheden, op zichzelf gefocuste exploratie en een gevoel dat je 'tussen fases in zit'. Veel 'emerging adults' vinden dit een positieve fase omdat ze nog niet de verantwoordelijkheden van de volwassenheid hebben en de ruimte hebben te ontdekken wie ze zijn.

    In deze fase blijven ouders vaak betrokken en geven de 'emerging adult' emotionele en financiële steun, maar ook praktisch advies. Als ouders een autoritatieve opvoedingsstijl hebben doen ze het het best: ze hebben de beste band met hun kind en er zijn minder mentale problemen.

    Access: 
    Public
    Welke theorieën bestaan er over opvoeding binnen niet-traditionele gezinnen? - Chapter 11

    Welke theorieën bestaan er over opvoeding binnen niet-traditionele gezinnen? - Chapter 11

    Een traditioneel gezin is een twee-ouder gezin met een moeder en vader van meestal rond de 30 of 40 jaar oud die hun biologische kinderen opvoeden. Echter zijn er nu veel verschillende non-traditionele gezinnen die niet bestaan uit twee heteroseksuele biologische ouders van kinderen.

    Wat is een alleenstaande ouder?

    Een alleenstaande ouder is een ouder die een kind/meerdere kinderen alleen opvoedt zonder partner. Dit kan komen door scheiding, omdat de ouder nooit is getrouwd, doordat de partner is overleden of doordat een vrouw ervoor kiest een kind te krijgen zonder een partner ('solo mothers'). De groep alleenstaande moeders is zeer divers, maar een probleem wat zij allemaal hebben is dat ze veel tijd kwijt zijn aan de kinderen en daardoor veel stress ervaren. De stress kan ook komen door financiële problemen of doordat er geen tijd voor zelfzorg is. Sociale steun en vooral hoe blij iemand is met deze steun kan compenseren voor deze stress. Daarnaast zegt het cumulatieve risicomodel dat hoe meer verschillende risicofactoren een moeder en kind ervaren (bijvoorbeeld armoede, problemen in de buurt), hoe groter de kans dat de kinderen deze problemen internaliseren. Ook de groep alleenstaande vaders wordt steeds groter. Vaak komt dit doordat ze scheiden of doordat de moeder van het kind overlijdt.

    Over het algemeen doen kinderen uit eenoudergezinnen het slechter dan kinderen met twee ouders. Ze stoppen vaker met school en zijn later vaker werkloos, hebben relatieproblemen, krijgen therapie of gebruiken drugs. Of de kinderen uit eenoudergezinnen echt slechter af zijn hangt ook af van de kwaliteit van de opvoeding en andere variabelen.

    Hoe zit het met gescheiden ouders?

    Vaak scheiden ouders omdat er veel conflict tussen hen is. Dit conflict kan een negatief effect hebben op kinderen. Daarnaast zijn gescheiden ouders vaak inconsistent in het straffen van hun kind en tonen ze minder affectie en warmte. Hierdoor kunnen kinderen last krijgen van psychisch en academische problemen, maar ook drugsgebruik komt voor.

    Deze negatieve effecten kunnen gemodereerd en gemedieerd worden door demografische eigenschappen, hoe goed het kind aangepast was voor de scheiding en hoe oud het kind is ten tijde van de scheiding. De negatieve effecten kunnen daarnaast nog beïnvloed worden door de kwaliteit van co-ouderschap. Hierbij beschermen een goede band, communicatie en samenwerking tussen de ouders het kind tegen negativiteit.

    Hoe zit het met gemengde- en stief-families?

    Kinderen met een stief-familie hebben vaak last van meer problemen dan kinderen in traditionele gezinnen. Wel kan dit beperkt worden door de kwaliteit van de opvoeding na de scheiding en warmte en empathie vanuit het 'nieuwe' gezin.

    Wat zijn een aantal non-traditionele oudereigenschappen?

    Wat weten we over tienermoeders?

    De kans op tienerzwangerschap wordt verhoogd door opgroeien in een slechte buurt, problemen op school, andere tienermoeders in de familie en het niet gebruiken van anticonceptie. Een typisch beeld van een tienermoeder is een jonge vrouw die zonder partner in een sociaaleconomisch achtergestelde situatie zit. Ze kunnen wel goede ouders zijn, warm en responsief zijn naar hun kind toe en op de juiste manier disciplineren. Echter praten ze minder vaak met het kind en bieden ze minder cognitieve stimulatie. Daarnaast botst het opvoeden van een kind vaak met hun eigen opgroeien en zijn tieners niet bereid om de 24/7 zorg voor een kind op zich te nemen.

    Of de kinderen van tienermoeders goed terecht komen hangt af van een aantal dingen, namelijk de intelligentie van de moeder en haar zelfbeeld, maar ook de hoeveelheid tegenspoed die ze heeft. Als de moeder een mentale stoornis heeft, heeft dit vaak negatieve gevolgen van het kind. Kinderen van tienermoeders hebben vaker problemen op school, en problemen in psychosociaal en cognitief functioneren.

    Wat weten we over gezinnen met homoseksuele of lesbische ouders?

    Er zijn weinig verschillen in de opvoedingsstijl, overtuigingen of attitudes van homoseksuele koppels in vergelijking tot heteroseksuele koppels. De kinderen van homoseksuele koppels groeien vaak relatief normaal op, maar wel worden ze vaker gepest vanwege hun non-traditionele gezin. De problemen van kinderen ontstaan dus niet vanwege het opgroeien in een non-traditionele setting, maar door de stigmatisering van de buitenwereld.

    Wat weten we over ART families?

    ART staat voor ‘assisted reproductive technology’. Hierdoor kunnen homoseksuele koppels, mensen met vruchtbaarheidsproblemen of mensen zonder partners ook ouders worden. ART families kunnen beïnvloed worden door technologie op twee manieren. Ten eerste is het duur om deze vruchtbaarheidsbehandeling te laten doen. Ten tweede kunnen ouders beïnvloed worden door kinder-effecten als ze geboren worden met een handicap of gedragsprobleem. Verder lijken kinderen uit ART families wel normaal op te groeien.

    Wat als grootouders ouders zijn?

    Grootouders kunnen een soort 'surrogaat ouders' zijn. Een grootouder die de rol van ouder op zich neemt heet ook wel een kinship caregiver of alloparent. Aan de ene kant kunnen ze meer tijd aan de kinderen besteden en hen meer wijsheid bieden dan 'traditionele' ouders en hebben ze meer kennis over het opvoeden van kinderen. Aan de andere kant hebben ze minder energie, meer problemen met discipline en is er sprake van een generatiekloof. De opvoedingsstijl van grootouders hangt af van hun leeftijd: oudere grootouders (65+) nemen vaak meer een formele ouderschapsrol aan dan jongere grootouders, die vaak speelser en informeler zijn met hun kleinkinderen.

    Wat weten we over adoptie-ouders?

    De meeste adoptie-ouders adopteren omdat ze zelf geen kinderen kunnen krijgen. Een verschil tussen biologische- en adoptie-ouders is dat er gecontroleerd wordt of de adoptie-ouders wel geschikt zijn om een kind op te voeden. Dit zorgt er vaak voor dat adoptie-ouders uiteindelijk beter voorbereid op- en positiever zijn over het opvoeden van hun geadopteerde kind.

    Een ander uniek probleem waar adoptie-ouders mee om moeten gaan is dat de kinderen soms genetisch bepaalde psychologische problemen hebben of verwaarlozing hebben meegemaakt. Ook zijn deze kinderen vaak niet veilig gehecht en ontstaan er dus hechtingsproblemen. Een voorbeeld hiervan is reactive attachment disorder (RAD): wanneer een kind ongepast interpersoonlijk gedrag laat zien. Dit kan in de vorm van teruggetrokken gedrag zijn, of zich juist uiten in indiscriminante hechting aan elke willekeurige volwassene. Daarnaast ontstaan er vaak moeilijkheden met betrekking tot de identiteit van het kind, omdat ze nieuwsgierig worden naar hun biologische ouders. Ouders kunnen dit het beste oplossen door open adoptie: open met het kind praten en informatie delen over hun biologische ouders. Deze adoptie-ouders laten het kind als ze dat willen later vaak ook contact zoeken met de biologische ouders.

    Welke non-traditionele ouderschapsrollen of banen zijn er?

    Wat weten we over huisvaders?

    Vaak zien mensen bij het traditionele gezin een huismoeder voor zich die thuisblijft met de kinderen terwijl de vader aan het werk gaat. Echter is het vandaag de dag steeds vaker zo dat gezinnen een huisvader hebben: een vader die getrouwd is, kinderen jonger dan vijftien heeft en minimaal een jaar niet werkt om op deze kinderen te passen terwijl de moeder werkt. De meeste huisvaders ervaren hier geen negatieve gevolgen van.

    Hoe zien 'commuter' gezinnen eruit?

    Commuter gezinnen zijn gezinnen waar één ouder de primaire verzorger van de kinderen is omdat de andere ouder gedurende de werkweek op een andere locatie woont. Ze komen vaak in weekenden of vakanties naar huis. Deze gezinnen ontstaan meestal door economische overwegingen. Hoe de ouders zich voelen over deze taakverdeling bepaalt in grote mate hoe goed het gezin zich aanpast aan de situatie: als ouders er positief over zijn ervaren kinderen er geen negatieve gevolgen van.

    Wat weten we over militaire gezinnen?

    Wat voor effect dit heeft op kinderen hangt af van gezinseigenschappen (familiestructuur, hoe lang de ouders getrouwd zijn), of een ouder actief in dienst is of op 'reserve' staat, in welke militaire tak ze in werken (leger, luchtmacht, marine), hun rang en hoe vaak ze van huis zijn omdat ze uitgezonden worden.

    Een ouder in het leger zijn brengt een aantal stressoren met zich mee zoals vaak moeten verhuizen, veel conflict in het gezin, verstoringen in gezinsroutine en ouderlijke rolverdeling en mogelijk trauma. Hierdoor kan iemand de rol van ouder mogelijk minder goed uitvoeren, waardoor kinderen sneller emotionele problemen ontwikkelen. Echter, als ouders op een goede manier omgaan met alle veranderingen kunnen kinderen op een normale manier opgroeien.

    Access: 
    Public
    Wat kunnen gevolgen zijn van opvoeding door ouders uit risicogroepen? - Chapter 12

    Wat kunnen gevolgen zijn van opvoeding door ouders uit risicogroepen? - Chapter 12

    In dit hoofdstuk worden drie risicofactoren besproken: kenmerken van de ouder, kenmerken van het kind en kenmerken van de context.

    Welke risico's ontstaan er op basis van kenmerken van de ouder?

    Sociaaleconomische status (SES) is een van de belangrijkste determinanten voor de opvoeding. De SES van een gezin wordt vaak bepaald aan de hand van het werk van de ouders, welke scholing ze gehad hebben en hun inkomen. Verschillen in SES zorgen voor variatie in drie dingen die grote impact hebben op de ontwikkeling van kinderen:

    • Financieel kapitaal: geld.
    • Menselijk kapitaal: de beschikbaarheid, betrokkenheid en motivatie die andere mensen hebben om te zorgen dat een kind zich goed ontwikkelt.
    • Sociaal kapitaal: connecties met andere mensen in de gemeenschap.

    Interessant is dat beide extremen van SES, dus heel hoog of heel laag, zorgt dat kinderen meer risico lopen op het ontwikkelen van problemen.

    Wat zijn de risico's als ouders een lage SES hebben?

    Leven in armoede heeft grote gevolgen voor de opvoeding en het opgroeien van kinderen. Leven in armoede is slecht voor de ontwikkeling van het brein en fysieke, mentale en emotionele gezondheid, maar ook zorgt her ervoor dat kinderen blootgesteld worden aan stress, geweld, drugs en vaak ook een negatieve thuissituatie. Ook zorgt armoede ervoor dat kinderen in een slechte omgeving opgroeien. Vaak leven ze in een arme wijk waar veel criminaliteit en middelengebruik is.

    Evans en Kim hebben drie paden geïdentificeerd waardoor armoede kan zorgen voor negatieve gevolgen voor kinderen:

    • Gebrek aan ouderlijke investering: arme ouders hebben soms niet genoeg kennis of geld om hun kinderen cognitieve stimulatie te bieden.
    • Chronische stress door de lage inkomsten en slechte omstandigheden: dit zorgt ervoor dat kinderen een grotere kans lopen om verwaarloosd of mishandeld te worden.
    • Hardere discipline van- en minder responsiviteit richting kinderen: doordat ouders heel veel andere dingen aan hun hoofd hebben.

    Armoede zorgt ervoor dat ouders niet goed de taken kunnen verrichten die zij hebben zoals: veiligheid en levensonderhoud bieden, de kinderen instrueren en socio-emotionele steun geven, het structureren van het leven van het kind en zorgen dat ze sociale verbintenissen aangaan met anderen. Dit komt omdat de ouders vaak chronisch gestrest zijn. Hierdoor krijgen kinderen vaak gezondheids- en gedragsproblemen. Vaak komen deze problemen zelfs samen voor. Ouders kunnen dit tegengaan door hun inzet richting de kinderen te verhogen, de kinderen te beschermen van de slechte omstandigheden en steun te zoeken in de omgeving.

    Gezinnen met minder financiële middelen leven vaak in slechte buurten, waar veel criminaliteit en drugsgebruik voorkomt. Ook zijn de huizen, scholen en kinderdagverblijven vaak van slechtere kwaliteit. Daarnaast is uit onderzoek van Bradley en Caldwell (1984) gebleken dat kinderen in armoede meer kans hebben op het meemaken van geweldsincidenten en minder steun en liefde krijgen van hun ouders. De ouders met een lage SES hebben meer kans op het ontwikkelen van (psychische) gezondheidsproblemen en dit heeft effect op de kinderen. Kinderen die opgroeien in armoeden vertonen vaker problemen met zelfregulatie, gedragsproblemen en leerproblemen.

    Soms zorgt armoede er zelfs voor dat gezinnen dakloos worden. Gezinnen met dakloze ouders bestaan vaak uit jonge, alleenstaande moeders met kinderen van meerdere vaders. Zowel de moeders als de kinderen lopen een hoger risico op het ontwikkelen van problemen zoals depressie, gezondheidsproblemen en gedragsproblemen. Onderzoek toont aan dat hoe langer kinderen dakloos zijn, hoe meer internaliserende gedragsproblemen ze ontwikkelen. Ander onderzoek heeft aangetoond dat de kwaliteit van de opvoeding een beschermende factor voor kinderen kan zijn. Wanneer de moeder ondanks alle problemen toch een warme en liefdevolle opvoeding geeft aan haar kinderen is er een grotere kans dat de kinderen later succesvol worden in het leven.

    Wat zijn de risico's als ouders een hoge SES hebben?

    Materiële bronnen vergaren is voor gezinnen met een hoge SES vaak geen probleem. Toch laten de kinderen uit deze gezinnen aanpassingsproblemen zien zoals depressie, angst en middelengebruik. Dit komt omdat ouders uit relatief rijkere gezinnen vaak minder tijd aan de kinderen besteden, de kinderen onder hoge druk zetten en geen professionele hulp zoeken als er wel problemen ontstaan omdat ze schijn op willen houden dat ze het perfecte gezin hebben richting de buitenwereld. Daarnaast hebben kinderen de financiële middelen om drugs of alcohol voor zichzelf te kopen. Verder lijken er problemen te ontstaan als ouders materialistisch zijn, dit betekent dat:

    • Ze gefocust zijn op geld, werk en het hebben van bezittingen.
    • Ze veel tijd en energie kwijt zijn aan het verdienen van geld en het kopen van dingen in plaats van dat ze tijd met het gezin besteden.
    • Ze kinderen belonen door hen geld of cadeaus te geven.

    Hierdoor leren ouders de kinderen aan dat geluk afhangt van de spullen die je bezit en geven ze hun kinderen een drang naar altijd meer willen. Vaak maakt dit kinderen depressief, angstig, geeft ze slaapproblemen en problemen met middelengebruik. Er zijn twee manieren waarop ouders hun kinderen socialiseren om materialistisch te worden. Ten eerste conditionele materiële beloning: het kind krijgt een materiële beloning op het moment als het goed gedrag vertoont. Ten tweede onconditionele materiële beloningen: het kind krijgt een materiële beloning zonder dat hij of zij daar iets voor hoeft te doen. Daarnaast is het zo dat hoe onzekerder het kind is, hoe vaker ze als volwassene materialistisch zijn. Ouders kunnen dit tegengaan door te zorgen dat hun kind een positief zelfbeeld heeft.

    Welke risico's ontstaan er door ouders met een moeilijke jeugd?

    Een moeilijke jeugd kenmerkt zich door geweld, misbruik en verwaarlozing tijdens de kindertijd. Ouders die een moeilijke jeugd hebben gehad hebben vaak kinderen met gezondheidsproblemen, ontwikkelingsachterstanden, gedrags- of emotionele problemen.

    Welke risico's zijn er als ouders psychische problemen hebben of middelen misbruiken?

    De meest onderzochte psychische problemen bij ouders zijn depressie, angststoornissen, schizofrenie, bipolaire stoornis, antisociale persoonlijkheidsstoornis en middelenmisbruik. De focus van dit onderzoek ligt veelal op moeders, omdat zij de primaire verzorger van het kind zijn maar ook omdat er veel mother blaming gedaan wordt: moeders krijgen snel de schuld van de problemen van hun kinderen.

    Vaak hebben ouders met psychische problemen ook een hele hoop andere problemen zoals middelenmisbruik of slechte interpersoonlijke relaties met anderen. Als een ouder met meerdere problemen kampt zijn hier twee vormen van. Co-occurrence betekent dat er twee of meer problemen in het gezin voorkomen, terwijl comorbiditeit betekent dat er twee of meer stoornissen bij het individu zelf voorkomen.

    Of het kind er last van heeft als een ouder mentale problemen heeft ligt aan welke psychische klachten het om gaat, hoe erg deze klachten zijn en of het probleem chronisch of acuut is. Ouders met psychische klachten zijn minder warm, emotioneel steunend, bieden minder structuur, stimulatie en supervisie en zijn slechter in disciplineren. Als het kind ouder wordt vinden deze ouders het vaak lastig dat het kind meer autonomie wil. Specifiek depressie heeft ook een grote invloed op de opvoeding. Ouders zijn hierdoor minder gefocust op het kind, negatiever en maken vaker gebruik van dwang om te zorgen dat het kind doet wat ze willen. Vaak zijn ze inconsistent en ineffectief in het disciplineren van kinderen. Ondanks dat de kans bestaat dat het kind ook psychische problemen krijgt doordat de ouder deze heeft, is de kans niet groot.

    Ouders die psychische klachten hebben gebruiken ook vaak middelen. Hierbij worden periodes van herstel en terugval vaak afgewisseld. Tijdens het herstel gaat de ouder goed met het kind om, maar tijdens de terugval vindt er vaak verwaarlozing en geweld plaats. Kinderen van ouders die verslaafd zijn lopen het risico zelf verslaafd te worden, psychische klachten of gedragsproblemen te ontwikkelen. Deze problemen blijven ook in de volwassenheid bestaan.

    Welke risico's ontstaan er op basis van kenmerken van het kind?

    Welke risico's zijn er voor kinderen met een beperking?

    Ontwikkelingsproblemen variëren veel in de mate van fysieke of mentale beperking, de leeftijd waarop het probleem begint en of er comorbide andere problemen zijn. Als een kind deze diagnose krijgt is dit vaak lastig voor ouders omdat ze hun verwachtingen moeten bijstellen over wat het kind in de toekomst kan bereiken, maar ook over hun eigen ervaring als ouders. Zorgen voor een kind met een beperking levert stress op over verschillende dingen:

    • De moeizame interactie: het kind kan agressief zijn en lastig onder controle te houden.
    • Proberen de gedragsproblemen op te lossen.
    • De beperking heeft vaak effect op hoe de hele familie functioneert.
    • Een kind met een beperking verzorgen kost veel geld.
    • Zorgen over de veiligheid van het kind, het kind willen beschermen.
    • Zorgen over de toekomst van het kind.

    Daarnaast is er vaak sprake van zelf-stigma waarbij ouders de negatieve beelden die er van hen zijn accepteren. Hierdoor gaan ouders zichzelf de schuld geven van de problemen van het kind of schamen ze zich voor hun kind. Daarnaast vinden ze zichzelf hierdoor slechte ouders. Hierdoor krijgen ouders vaak last van psychische klachten. Wat hen hiertegen beschermt is het hebben van een steunend sociaal netwerk/

    Welke risico's ontstaan er op basis van de ouderlijke context?

    Welk risico is er door een gewelddadige relatie?

    Als ouders een gewelddadige relatie hebben is er vaak sprake van een gewelddadige vader en een zichzelf verdedigende moeder. Het geweld is dus bi-directioneel. Dit heeft een negatief effect op hoe de moeder het kind opvoedt: ze zijn minder warm naar het kind en straffen vaak harder. Daarnaast loopt het kind vaak trauma's op doordat het de ouders ziet vechten, waardoor er externaliserende en internaliserende gedragsproblemen kunnen ontstaan.

    Welk risico is er als een ouder in de gevangenis zit?

    Als er een ouder gevangen zit dan is dit in de meeste gevallen de vader. De moeder moet dan alleen voor de kinderen zorgen, wat leidt tot economische- maar ook psychische problemen. Het wordt voor een vader erg moeilijk om normaal contact met het kind te hebben. Dit lukt alleen met steun van de familie. Als een moeder in de gevangenis zit is er vaak meer sprake van instabiliteit. In beide gevallen moeten de ouders als de ander vrijkomt goed co-ouderschap hebben om problemen voor het kind te minimaliseren. Anders kan het kind last krijgen van angstige hechting, gedragsproblemen, gezondheidsproblemen of psychopathologie.

    Welk risico is er na een oorlog of natuurramp?

    Zowel een oorlog als een natuurramp zijn grote, traumatische en levensbedreigende gebeurtenissen die de normale gang van zaken verstoren. Mensen die dit meegemaakt hebben, hebben vaak last van posttraumatische stress, angst en depressie. Als ouders op de ramp reageren met verkeerde coping (zoals middelengebruik) heeft dit negatieve effecten op het kind, omdat een ouder vaak harder gaat straffen. Als een ouder goede coping heeft zijn ze juist vaak responsief richting het kind na een ramp en hierdoor kunnen ze het kind veiligheid en een normale routine bieden, en hen helpen het trauma te verwerken. 

    Welke steun is er voor ouders uit risicogroepen?

    Deze steun kan komen vanuit de directe omgeving in de vorm van familie, vrienden of collega's, maar ook kunnen er interventies worden ingezet waarbij ouders leren welke risico's hun kinderen lopen en hoe ze hiermee om moeten gaan.

    Access: 
    Public
    Wat zijn culturele invloeden op opvoeding? - Chapter 13

    Wat zijn culturele invloeden op opvoeding? - Chapter 13

    Cultuur is een set van gedeelde waarden, overtuigingen en praktijken van een groep individuen welke hun sociale relaties begeleid en hun ontwikkeling vormgeeft. Een aantal praktijken binnen de opvoeding van kinderen zijn cultuur-gemeenschappelijk en dus universeel, terwijl een deel cultuurspecifiek zijn. Een deel van deze praktijken die cultuurspecifiek zijn, zijn gebaseerd op normen of iets dat gebruikelijk, typisch of verwacht vinden en dus als standaard zien binnen een bepaalde cultuur. Er is hierdoor sprake van een culturele niche waarbinnen de ouder-kind relatie plaatsvindt. De niche bestaat uit drie componenten:

    1. De fysieke en sociale omgeving.
    2. De gebruiken die er zijn binnen een cultuur bij het opvoeden en verzorgen van een kind.
    3. De psychologie van de ouder: hun overtuigingen, waarden en attitudes. Deze worden ook wel ethnotheorieën genoemd en zijn vaak gebaseerd op volkswijsheden en worden doorgegeven van generatie op generatie.

    Hoe ziet een cross-culturele vergelijking van opvoeding eruit?

    Hoe zien hechtingsrelaties eruit in verschillende culturen?

    Het centrale idee van de hechtingstheorie is gebaseerd op de evolutietheorie en wordt ook wel de universaliteits-hypothese genoemd: alle kinderen die zich normaal ontwikkelen hechten zich aan één of meer verzorgers. Er is bewijs voor deze hypothese gevonden in westerse en niet-westerse landen. Ook is er gevonden dat het grootste gedeelte van de kinderen veilig gehecht is en dat zij uiteindelijk competenter zijn dan onveilig gehechte kinderen.

    Deze conclusie wordt gesteund door onderzoekers die keken naar de Interpersoonlijk Acceptatie-Afwijzing Theorie (IPARTheory). Ouderlijke acceptatie is hierin de warmte die een ouder richting een kind laat zien in de vorm van het kind steunen, liefde geven en verzorgen. De impact van ouderlijke acceptatie of afwijzing lijkt universeel te zijn. Dit betekent dat over verschillende culturen heen bepaalde gedragingen (zoals een knuffel of compliment) door kinderen begrepen worden als het tonen van warmte. Ook wordt er universeel bevonden dat kinderen die afwijzing ervaren later psychologische problemen krijgen die zich doorzetten in de volwassenheid.

    Heidi Keller geeft echter aan dat de hechtingstheorie mogelijk niet universeel is omdat Bowlby bij het onderzoeken van hechting één groep systematisch niet heeft meegenomen, namelijk de traditioneel levende boeren en hun families uit de niet-westerse wereld. Deze kinderen hebben vaak niet een verzorger (de moeder) zoals in de westerse wereld, maar meerdere (vaak grootouders en broertjes en zusjes). Daarnaast laten niet-westerse kinderen hun emoties vaak anders of zelfs helemaal niet zien, waardoor de onderzoeksmethode van Bowlby met de Strange Situation test niet goed werkt voor hen.

    Wat zijn de waarden van verschillende culturen?

    Als het gaat over waarden in verschillende culturen wordt er meestal gekeken naar individualisme versus collectivisme. Individualistische culturen leggen de nadruk op de rechten, doelen en vrije keuze van het individu, terwijl collectivistische culturen juist de groep of samenleving als belangrijk ziet en boven het individu plaatst. Veel westerse culturen zijn individualistisch, terwijl veel Aziatische culturen juist collectivistisch zijn. In individualistische culturen krijgen kinderen al vroeg waarden mee zoals onafhankelijkheid, het hebben van een eigen stijl en het nemen van sociaal initiatief. Collectivistische culturen promoten juist gedrag bij kinderen dat met de norm meegaat. Dat onafhankelijkheid al vroeg aangeleerd wordt in individualistische culturen zien we terug doordat het kind kleine keuzes mag maken ('wat wil je aan vandaag?'), doordat het apart van de ouder slaapt, naar een kinderdagverblijf gaat, en doordat hoe ze verschillen van broertjes en zusjes benadrukt wordt door de ouder. In collectivistische culturen leren kinderen juist dat ze onderdeel zijn van het grote geheel door altijd samen met de ouders te zijn ('zullen we samen spelen?'), uniformen te dragen op school en doordat straffen vaak te maken heeft met het kind uit de groep verwijderen (bijvoorbeeld het kind buiten zetten als het stout is geweest terwijl de rest van het gezin binnen zit).

    Hoe gaat controleren en disciplineren in verschillende culturen?

    Het disciplineren van kinderen wordt bij cross-cultureel onderzoek vaak ingedeeld in drie groepen:

    • Niet-gewelddadige discipline: uitleggen waarom het gedrag niet goed is, privileges afnemen, het kind afleiden.
    • Fysiek agressieve discipline: billenkoek, slaan, het kind in elkaar stompen. Dit gebeurt vaak in een alledaagse interactie tussen ouder en kind die uit de hand loopt, bijvoorbeeld als een ouder zich steeds meer gaat irriteren aan het huilen van een kind. Ouders uit veel verschillende landen vinden dit niet nodig. Wel hebben ouders die in landelijke gebieden wonen en een lagere sociaaleconomische status hebben er vaak positievere ideeën over.
    • Psychologisch agressieve discipline: schreeuwen, het kind uitschelden of beledigen.

    Het schijnt dat het fysiek straffen van kinderen geassocieerd wordt met agressie en angst bij het kind. In landen waar fysiek straffen als normaler gezien wordt lijken deze problemen juist het ergst en deze kinderen lopen dan ook het risico om positieve attitudes richting huiselijk geweld te ontwikkelen.

    Verschilt opvoedingsstijl per cultuur?

    Als opvoedingsstijlen onderzocht worden wordt vaak Baumrind's typologie aangehouden van de autoritatieve, autoritaire, permissieve en niet betrokken ouder. Hieruit blijkt dat ouders uit collectivistische landen vaker een autoritaire opvoedingsstijl hebben dan ouders uit individualistische landen. Hierbij moeten we er rekening mee houden dat er ook binnen landen nog steeds wel veel variatie bestaat. In het algemeen is het wel zo dat de associaties tussen opvoedingsstijl en ontwikkeling van het kind generaliseerbaar zijn over verschillende culturen heen. Zo lijkt een autoritaire opvoedingsstijl vaak te zorgen voor conflict in het gezin en problemen voor de kinderen, terwijl een autoritatieve stijl juist verbonden is aan betere uitkomsten voor het kind.

    Zijn er andere voorbeelden van cross-culturele opvoedingsvariabelen?

    Een eerste voorbeeld is ouder-kind communicatiepatronen. Het lijkt cross-cultureel universeel te zijn dat moeders responsief zijn richting hun kinderen en vaak om de beurt praten met het kind, waardoor het kind gesprekken leert voeren en sociale interacties leert hebben. Een cultuur waarin dit niet gebeurt is de Afrikaanse, waar moeders de ethnotheorie hebben dat het niet nuttig is om tegen het kind te praten totdat deze zelf kan praten.

    Een tweede voorbeeld is activiteiten van kinderen. Ouders spelen een rol in hun kinderen stimuleren en educatieve activiteiten aanbieden. Cross-cultureel lijken moeders meer bezig te zijn met het opvoeden van kinderen dan vaders. Ook ondernemen ze meer activiteiten met kinderen.

    Een laatste voorbeeld is overtuigingen van ouders uit verschillende culturen. Moeders lijken het er cross-cultureel over eens te zijn welke eigenschappen bij een 'ideale moeder' horen, namelijk de eigenschappen die sensitiviteit en positieve emoties richting het kind communiceren.

    Access: 
    Public
    Zijn Amerikaanse ouders cultureel divers? - Chapter 14

    Zijn Amerikaanse ouders cultureel divers? - Chapter 14

    De populatie van Amerika bestaat uit veel verschillende etniciteiten. Dit komt gedeeltelijk omdat de inheemse volken zelf heel divers waren, maar ook omdat er steeds meer immigranten naar Amerika komen op zoek naar een beter leven. Er wordt in dit hoofdstuk gekeken naar vier minderheidsgroepen in Amerika.

    Hoe ziet opvoeding eruit bij minderheidsgroepen?

    Vroeger onderzoek naar opvoeding bij minderheidsgroepen ging uit van een deficit model: minderheidsouders hadden in verhouding tot ouders uit de blanke middenklasse tekortkomingen in hun opvoeding. Deze tekortkomingen werden bestudeerd in plaats van dat ernaar verschillen of sterke punten gekeken werd.

    Iets waarin minderheids- maar ook immigrantengezinnen verschillen van meerderheidsgezinnen is dat ze moeten doen aan acculturatie: ze moeten zichzelf socialiseren richting de culturele normen, waarden en gedragingen van de meerderheidsgroep. Dit zorgt er vaak ook voor dat de minderheidsgezinnen de opvoedingstactieken van de meerderheidsgroep voor een groot deel overnemen. Het tegengestelde hiervan is enculturatie: de mate waarin een individu probeert culturele normen, waarden en gedragingen van de eigen cultuur te behouden. Immigrantengezinnen en minderheidsgroepen doorlopen zelf deze processen, maar ook begeleiden zij hun kinderen hierbij.

    Minderheids- en immigrantengezinnen ervaren het leven anders dan meerderheidsgezinnen, niet alleen door acculturatie en enculturatie, maar ook omdat ze te maken krijgen met racisme, vooroordelen en discriminatie. Dit uit zich in microagressie: korte en alledaagse verbale-, gedrags-, of omgevingsvernederingen, welke onopzettelijk of opzettelijk zijn en vijandigheid, een denigrerende houding en beledigingen richting mensen communiceren. Voorbeelden hiervan zijn: aannemen dat iemand arm is, dat ze crimineel zijn of dat hun mening niet uitmaakt, allemaal vanwege hun huidskleur. Dit zorgt voor veel stress.

    Hoe ziet de opvoeding er bij Latijns-Amerikaanse gezinnen uit?

    De Latijns-Amerikaanse groep is zo divers dat er geen sprake is van universele opvoedingsovertuigingen of opvoedpraktijken. Wel zijn er vier kenmerken die veel terugkomen in Latijns-Amerikaanse gezinnen.

    • Respeto: respect voor autoriteit, waardoor er van kinderen gehoorzaamheid richting ouders en andere volwassenen verwacht wordt.
    • Familism: erg veel waarde en belang hechten aan het gezin; hierdoor wordt er van kinderen verwacht dat zij positieve opvattingen hebben over hun ouders, het gezinsleven en het hebben van een grote familie.
    • Machismo: waarde hechten aan mannelijkheid, macht en zelfredzaamheid.
    • Educación: waarde hechten aan educatie, maar ook in zijn algemeenheid moraliteit en verantwoordelijkheid aan kinderen leren en hen uitleggen hoe ze goede interpersoonlijke relaties kunnen onderhouden.

    Vanwege de heterogeniteit van de Latijns-Amerikaanse ouders is er geen consistent bewijs dat ze bepaalde opvoedpraktijken hebben. De onderzoeksbevindingen zijn afhankelijk van welke groep bestudeerd is, hun mate van acculturatie, hun sociaaleconomische status en de bestudeerde opvoedvariabele. Uit sommige onderzoeken blijkt dat Latijns-Amerikaanse ouders meer permissief zijn, terwijl andere onderzoeken aantonen dat ze juist een harde opvoeding hanteren. Volgens onderzoek hechten Latijns-Amerikaanse ouders waarde aan conformiteit en gehoorzaamheid en geven ze hun kind minder autonomie dan Europees-Amerikaanse ouders met eenzelfde sociaaleconomische status. Bovendien zouden Latijns-Amerikaanse ouders meer gebruik maken van fysieke straffen en bekritisering. Er is echter meer onderzoek nodig naar de manieren waarop Latijns-Amerikaanse ouders van andere ouders verschillen.

    Hoe ziet de opvoeding er bij Afrikaans-Amerikaanse gezinnen uit?

    Ook deze groep is erg heterogeen, maar toch worden er een aantal overeenkomsten in ouderschapsstijl en opvoeding gevonden. Deze zijn veelal onderzocht door te kijken naar Afrikaans-Amerikaanse moeders. Hieruit blijkt dat veel moeders een specifieke vorm van de autoritaire opvoedingsstijl aanhouden die ook wel de no nonsense stijl genoemd wordt: ouders met deze stijl verwachten respect voor autoriteit, het naleven van regels, ze straffen hard en ze vragen veel van hun kinderen, maar ook zijn deze ouders heel accepterend richting hun kinderen.

    In vergelijking met Europese Amerikanen geven Afrikaans-Amerikaanse moeders minder emotionele steun aan hun kinderen en zijn ze minder warm. Dit wordt door sommigen geïnterpreteerd als poging van deze moeders om hun kind voor te bereiden op een moeilijke toekomst. Uit onderzoek blijkt bovendien dat Afrikaans-Amerikaanse moeders in vergelijking met Europese Amerikanen meer gebruik maken van fysieke straffen. Het bewijs hiervoor is echter niet sterk. Andere factoren zoals sociaaleconomische status en stress oefenen hier namelijk ook een invloed op uit.

    Iets specifieks dat Afrikaans-Amerikaanse ouders doen wat blanke ouders niet doen is etnische- of rassen-socialisatie: alles wat minderheidsouders doen om te zorgen dat hun kind goed kan omgaan met de meerderheidscultuur, maar tegelijkertijd ook hun eigen ras, etniciteit en cultuur behouden. Kinderen leren attitudes, waarden en gedragingen ontwikkelen die passend zijn bij hun minderheidsstatus, waarbij ouders vaak ook thema's als racisme, groepsidentiteit, groepsinteractie en rolmodellen bespreken.

    Hoe ziet de opvoeding er bij Aziatisch-Amerikaanse gezinnen uit?

    Ook Aziatisch-Amerikaanse ouders vormen een diverse groep die niet één bepaalde opvoedbenadering hanteren. Iets wat veel gevonden wordt is dat Aziatisch-Amerikaanse ouders veel waarde hechten aan de academische prestaties van hun kinderen omdat onderwijs gezien wordt als de weg naar succes. Deze ouders leren kinderen dan ook aan dat ze hard moeten werken om te bereiken wat ze willen. Het gezinsschema wordt vaak ook aangepast om te zorgen dat er genoeg tijd is voor het kind om aan school te werken. Ook nemen ze het kind vaak mee op educatieve uitjes zoals het museum of de bibliotheek en laten ze het kind weinig tv kijken. Deze waarden zorgen er vaak voor dat ouders een autoritaire of controlerende opvoedingsstijl hebben, waardoor het kind zich onder druk gezet voelt te presteren op academisch gebied, de familie eer hoog te houden en geen hulp te zoeken op het moment dat ze zich niet goed voelen. Hierdoor krijgen ze vaak psychische problemen zoals depressie, angststoornissen, eetstoornissen en fobieën. Aziatisch-Amerikaanse gezinnen hechten ook veel waarde aan familie-loyaliteit, conformiteit en sociale harmonie.

    Hoe ziet de opvoeding er bij de oorspronkelijke of inheemse Amerikanen uit?

    Naar deze groep is weinig onderzoek gedaan en dat terwijl er significante problemen kunnen zijn voor zowel inheemse ouders als hun kinderen. Deze problemen zijn onder andere armoede, werkloosheid, middelenmisbruik, huiselijk geweld, delinquentie en suïcide. Onderzoek wijst uit dat deze problemen ontstaan doordat inheemse Amerikanen historische trauma's met zich meedragen (bijvoorbeeld de genocide van hun voorouders tijdens de periode van kolonisatie) waardoor ze kwetsbaarder zijn. De opvoeding en de ouder-kind relatie kan ook beïnvloed worden door de stress of het trauma. Hierdoor hebben kinderen dan ook vaker negatieve of ongunstige ervaringen in hun jeugd zoals het meemaken van geweld, scheiding, middelenmisbruik of de dood van een ouder. Onderzoek wijst uit dat hoe meer negatieve dingen een ouder heeft meegemaakt, hoe depressiever, angstiger en gestrester zij zijn over de opvoeding van hun kinderen. Hierdoor wordt de ouder-kind relatie negatief beïnvloedt, waardoor de kinderen uiteindelijk meer emotionele en sociale problemen ontwikkelen dan andere kinderen.

    Wat zijn multiraciale huwelijken?

    Multiraciale huwelijken zijn huwelijken waarbij er mensen van twee verschillende afkomsten met elkaar trouwen. Vaak maken deze gezinnen microagressie en discriminatie mee, soms zelfs vanuit hun eigen familie. Hierdoor is het drugsgebruik bij mensen getrouwd met iemand van een andere afkomst heel erg hoog in vergelijking tot anderen.

    Hoe ziet de opvoeding er bij immigranten uit?

    Een immigrant is iemand die permanent naar een ander land verhuist vanuit het geboorteland. De kinderen van deze immigranten die geboren worden in het land waar ze heen geëmigreerd zijn worden ook wel tweede generatie immigranten genoemd. Er is erg veel variatie in hoe een immigrant-gezin eruitziet. Ze variëren vaak in hoe goed ze de taal spreken, economische status, opleiding en acculturatie. Drie specifieke problemen voor immigrant-gezinnen:

    • Als ouders de taal niet spreken moeten kinderen vaak voor hen vertalen, waardoor er sprake is van parentificatie, waarbij het kind de steun wordt van de ouder. Hierdoor krijgen kinderen vaak last van mentale problemen.
    • Ook vormt een verschil in acculturatie tussen ouders en kind vaak een probleem. Ouders willen graag de eigen cultuur behouden (enculturatie), terwijl kinderen juist mee willen gaan met de nieuwe cultuur (acculturatie). Hierdoor kan er een ouder-kind acculturatie kloof ontstaan. Hoe groter deze kloof, hoe minder warm, monitorend en steunend ouders zijn richting hun kinderen. Dit heeft grote effecten op de mentale gezondheid van het kind.
    • Een laatste probleem is economische moeilijkheden. Veel immigranten leven in armoede, waardoor de ouders in een staat van constante angst leven. Hierdoor worden ze sneller boos op het kind en krijgt het kind vaak niet wat ze nodig hebben.

    Terwijl veel studies zich op verschillen tussen immigranten hebben gericht, zijn er ook overeenkomsten. Zo heeft onderzoek aangetoond dat alle immigrant-ouders waarde hechten aan het belang van het gezin, respect voor ouders en ouderen en religie of spiritualiteit. Daarnaast hebben alle immigrant-gezinnen te maken met het conflict tussen acculturatie en enculturatie.

    Welk effect heeft religie op de opvoeding?

    Zowel het christendom als het jodendom en de islam benadrukken het gezin en moedigen ouders aan veel tijd en aandacht aan hun kinderen te besteden. Religieuze ouders hebben andere waarden en besteden hun tijd anders dan niet-religieuze ouders. Ook betrekken ze hun kinderen vaak bij religieuze sociale netwerken. De religieuze overtuigingen van een ouder hebben dus een grote invloed op hoe ze denken over opvoeding en hun kinderen. Religies specificeren wat gewenst gedrag is voor kinderen zowel in de kindertijd als wanneer ze opgroeien tot volwassenen.

    Religieuze mensen delen de waarden van vriendelijkheid, traditie en conformiteit, terwijl ze hedonisme afkeuren. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat religieuze volwassenen vaak waarde hechten aan traditie, gehoorzaamheid, respect voor autoriteiten en religie bij hun kinderen. Er zijn veel historische voorbeelden van de manier waarop religie invloed heeft op opvoedovertuigingen. Zo geloofden de Puriteinen dat kinderen zondig worden geboren, terwijl zowel het Confucianisme als de islam stelde dat kinderen onschuldig worden geboren. Een ander religieuze overtuiging over de aard van kinderen is terug te vinden in veel Afrikaanse, Zuid-Aziatische en oorspronkelijke (‘native’) Noord-Amerikaanse culturen. In deze samenlevingen geloofde men dat kinderen reïncarnaties zijn van voorouders.

    Voor veel ouders en kinderen heeft religie een positieve invloed op hun leven. Zo moedigt religie ouders aan betrokken te zijn en tijd in hun kinderen te investeren. Het moedigt pro-sociaal gedrag, zelfcontrole en respect voor autoriteit aan bij kinderen. Religieuze ouders zijn vaker autoritatieve ouders die warmte tonen richting hun kind, gebruik maken van redeneren als het iets fout doet, en positieve bekrachtiging en consistente discipline inzetten om het kind dingen aan te leren. Ze hebben vaak positievere relaties met hun kinderen dat niet-religieuze ouders. Religie schijnt ook gerelateerd te zijn aan ander opvoedgedrag zoals hoe ouders omgaan met de medische- of ontwikkelingsproblemen van kinderen. Religie kan problematisch worden voor het kind op het moment dat ouders er controlerend van worden, een autoritaire opvoedingsstijl krijgen, problemen ontkennen of negeren, of het kind buitensluiten vanwege de seksuele geaardheid.

    Access: 
    Public
    Wat is kindermishandeling en wat kunnen de gevolgen zijn? - Chapter 15

    Wat is kindermishandeling en wat kunnen de gevolgen zijn? - Chapter 15

    Kindermishandeling: alle vormen van fysieke of emotionele mishandeling, seksueel misbruik, verwaarlozing, commerciële of andere uitbuiting, resulterend in mogelijke schade voor de gezondheid, overleving, ontwikkeling of waardigheid van een kind in de context van een relatie die bestaat uit verantwoordelijkheid, vertrouwen of macht.

    Welke vormen van kindermishandeling zijn er door de geschiedenis heen?

    Kinderen worden al sinds de oudheid mishandelt. Een voorbeeld hiervan is infanticide: het doden van een kind in zijn eerste levensjaar. Dit gebeurde vaak als het kind een handicap had. Een ander voorbeeld is shaken baby syndrome, waarbij het kind een zwelling in het hoofd krijgt doordat een verzorger ze op hun hoofd laat vallen of tegen iets aan slaat. Ook kindermisbruik kwam vroeger al voor. Zo bestond er bij de Romeinen ius primae noctis: een wet waardoor de vader het recht had om seksuele relaties aan te gaan met alle vrouwen uit het huishouden die ondergeschikt aan hem waren. Ook in Frankrijk bestond er de droit du seigneur waardoor het mannelijke hoofd van het huishouden met alle ondergeschikte vrouwen uit het gezin naar bed mocht. Een laatste voorbeeld is kinderarbeid. Kinderen werkten vroeger al vanaf jonge leeftijd op het land, in fabrieken, mijnen en restaurants. Ze werkten vaak lang achter elkaar in gevaarlijke omstandigheden. Hier zijn nu wetten tegen in veel ontwikkelde landen, maar in ontwikkelende landen komt kinderarbeid nog steeds voor.

    Wat zijn de verschillende vormen van kindermishandeling?

    Binnen de wetenschap wordt de term mishandeling (maltreatment) liever gebruikt dan de term kindermishandeling (child abuse) omdat de eerste twee gedragingen in één woord beschrijft. Namelijk, actief iets doen om het kind pijn te doen en iets niet doen waardoor men het kind pijn doet. Beide vormen van mishandeling zijn beschadigend voor het kind.

    Wat is fysieke mishandeling?

    Bij fysieke mishandeling wordt het kind actief iets aangedaan waardoor het pijn heeft. Veelal krijgt het kind blauwe plekken, breekt het botten of is er sprake van interne schade aan de organen. Hierdoor krijgt het kind last van problemen met sociale interactie (bijvoorbeeld doordat ze agressief zijn), psychopathologie (bijvoorbeeld PTSS), emotionele problemen (zoals laag zelfvertrouwen), onveilige hechting en cognitieve problemen. Er zijn verschillende risicofactoren voor fysieke mishandeling:

    • Eigenschappen van het kind: een moeilijk temperament, beperking, ziekte, of een jonge leeftijd.
    • Eigenschappen van de ouder: hechtingsproblemen, jeugdtrauma, emotionele problemen, moeite met emotie-regulatie, psychische problemen, voorkeur hebben voor fysieke straffen, problemen met sociale cognitie (bijvoorbeeld het hebben van veel te hoge verwachtingen) en middelenmisbruik.
    • Eigenschappen van de context: weinig sociale steun/isolatie, wonen in een wijk waar veel geweld plaatsvindt, armoede, geweld tussen partners, stress.

    De fysieke mishandeling gebeurt meestal door de ouders. Of iemand het in zich heeft een kind te mishandelen wordt bepaald door biologische-, cognitief-affectieve- en gedragsfactoren (deze staan hierboven beschreven bij eigenschappen van de ouder). Doordat er veel verschillende factoren meespelen zijn er meerdere wegen die leiden naar het mishandelen van een kind. Deze wegen zijn bekend geworden bij onderzoek naar neonaticide: het doden van een kind de eerste dag van hun leven en filicide: het doden van een kind in het eerste jaar. Moeders doden hun kinderen vaak vanwege psychische problemen, trauma, hoge stress, of omdat ze sociaal geïsoleerd zijn. Voor vaders zijn er drie andere paden:

    • De vader dood het kind doordat hij te ver gaat bij het disciplineren.
    • Het Medea syndroom: de vader wil de partner pijn doen na een ruzie of scheiding en dood bewust het kind om dit voor elkaar te krijgen.
    • De vader is jaloers omdat het kind alle aandacht krijgt van de partner, of is juist jaloers dat het kind een goede band heeft met de moeder maar niet met hem.

    Wat is verwaarlozing?

    Verwaarlozing betekent dat een ouder het kind niet de minimale zorg geeft die het nodig heeft. Verwaarlozing kan meerdere vormen aannemen. Signalen dat een kind verwaarloosd wordt zijn: slechte voeding, weinig supervisie, gescheurde of te kleine kleren, slechte hygiëne, een onveilige omgeving en het kind gewoon achterlaten. Andere signalen zijn medische- tand- of mentale problemen. Vaak is verwaarlozing iets wat een lange periode duurt. Er zijn vier vormen:

    • Fysieke verwaarlozing: wanneer er niet aan de fysieke behoeften van een kind wordt voldaan zoals goede kleren, een veilig thuis en goed eten. Kinderen die fysiek verwaarloost worden zien er vaak onverzorgd uit (ze dragen kleren die niet passen of stuk zijn), hebben vaak erge honger of passen op jongere broertjes en zusjes terwijl ze dit eigenlijk niet kunnen.
    • Medische verwaarlozing: wanneer het kind niet tijdig de medische zorg krijgt die ze nodig hebben, terwijl hier wel de financiële middelen voor zijn. Hier valt het kind niet laten vaccineren ook onder. Dit gebeurt vaak omdat ouders verkeerde overtuigingen hebben, bijvoorbeeld dat een kind beter kan worden door voor hem of haar te bidden. Soms wordt medische verwaarlozing ook veroorzaakt doordat ouders simpelweg niet beter weten of doordat ze bang zijn.
    • Educatieve verwaarlozing: wanneer het kind niet de mogelijkheden en supervisie krijgt om aan zijn of haar onderwijsbehoeften te voldoen. Voorbeelden hiervan zijn: het kind niet naar school laten gaan, of het kind vaak thuis laten blijven van school.
    • Emotionele verwaarlozing: wanneer ouders niet voldoen aan de emotionele behoeften van het kind.

    Vaak komen verschillende vormen van verwaarlozing samen voor. Hierdoor wordt het kind geremd in de fysieke- maar ook de emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling. Verwaarloosde kinderen hebben vaak last van negatieve emoties, een laag zelfbeeld, verstoorde hechting en problemen met interactie.

    Verwaarlozing kan komen doordat een ouder simpelweg niet weet wat de basisbehoeften van een kind zijn of omdat ze ervoor kiezen om deze te negeren. Het gebeurt vaak als gevolg van de eigen geschiedenis van de ouder, omdat ze ongewone overtuigingen hebben, psychologisch slecht functioneren of omdat ze slechte coping-strategieën hebben of verslaafd zijn.

    Wat is seksueel misbruik?

    Seksueel misbruik is een vorm van kindermishandeling waarbij het kind gebruikt wordt voor de seksuele gratificatie van een volwassene of adolescent. Dit kan verschillende vormen aannemen. Hierbij kan er sprake zijn van fysiek contact (bijvoorbeeld penetratie), maar dit hoeft niet (bijvoorbeeld als een volwassene de geslachtsdelen aan het kind laat zien). Vaak zijn de daders mannen die het kind kent (een vader, leraar, broer, neef, oom), terwijl de slachtoffers vaak meisjes zijn van gemiddeld een jaar of tien. Factoren waardoor een volwassene risico loopt een kind te misbruiken zijn: zelf seksueel misbruik meegemaakt hebben in de jeugd, psychopathologie (bijvoorbeeld een antisociale persoonlijkheidsstoornis), middelenmisbruik, afwijkende seksuele interesses, weinig betrokkenheid bij de opvoeding, slechte sociale vaardigheden, frustraties in de relatie en cognitieve stoornissen.

    De gevolgen voor het kind zijn groot, zowel op de korte- als op de lange termijn. Het kind ontwikkelt vaak PTSS, of krijgt last van depressie, angst, vermijding en dissociatie. Soms gaan ze doen aan automutilatie, misbruiken ze middelen of doen ze zelfmoordpogingen. In de extreemste gevallen krijgt het kind last van een dissociatieve identiteitsstoornis. De manier waarop het kind reageert op het misbruik hangt af van de leeftijd en het geslacht van het kind, de duur, frequentie, ernst en aard van het misbruik, hoe het kind het misbruik ziet, hoe de ouder reageert na het misbruik en of het kind therapie krijgt of niet. Sommige kinderen zijn erg veerkrachtig en herstellen snel, terwijl anderen dit juist niet doen.

    Als ouders niet betrokken waren bij het misbruik kunnen zij een aantal dingen voor het kind doen. Ten eerste kunnen ze het kind serieus nemen en geloven als deze iemand van misbruik beschuldigd. Ten tweede kunnen ze het kind weghouden bij de dader. Verder kunnen ze ook (trauma)therapie voor het kind regelen. Als laatste kunnen ouders zorgen dat het kind zichzelf niet de schuld geeft van wat er gebeurd is en ondersteunen in het herstel.

    Wat is psychologische mishandeling?

    Psychologische mishandeling wordt ook wel emotionele mishandeling, emotionele verwaarlozing, verbale mishandeling of mentale deprivatie genoemd. Psychologische mishandeling is een herhaald patroon van gedragingen door de ouder waarbij ze het kind wijsmaken dat ze waardeloos, gebrekkig, ongeliefd, ongewild, of nutteloos zijn. Dit wordt vaak niet snel opgemerkt omdat een ouder zich anders kan gedragen richting het kind in de buitenwereld dan ze achter gesloten deuren doen. Daarnaast heeft het kind vaak geen fysieke verwondingen en zijn de consequenties van deze mishandeling niet direct zichtbaar. Er zijn zes vormen van psychologische mishandeling:

    • Afwijzing: het kind wordt neergezet als inferieur, of publiekelijk te schande gezet. Dit gebeurt vaak door het kind uit te schelden ('je bent een sukkel/waardeloos/walgelijk').
    • Emotionele ongevoeligheid: de ouder is niet betrokken bij het kind en reageert niet op het moment dat het kind met de ouder probeert te interacteren.
    • Terroriseren: het kind wordt verbaal aangevallen door de ouder, die probeert het kind bang te maken. Dit wordt vaak gedaan door te dreigen het kind pijn te doen of het kind te verlaten.
    • Isoleren: de ouder neemt de normale sociale ervaringen van het kind weg door hem of haar contact met leeftijdsgenootjes te ontzeggen.
    • Uitbuiting: het kind wordt gebruikt om te voldoen aan de behoeften van de ouder of de ouder leert het kind verkeerde gedragingen aan. Dit uit zich vaak doordat de ouder het kind geld laat verdienen via kinderarbeid of prostitutie, of doordat de ouder delinquentie, middelengebruik of racisme aanmoedigt.
    • Mentale- medische- en educatieve verwaarlozing: de basisbehoeften van het kind worden hierin niet erkent en serieuze problemen worden genegeerd.

    Psychologische mishandeling zorgt ervoor dat kinderen niet de liefde en affectie krijgen die ze nodig hebben, maar ook is het slecht voor hun nog ontwikkelende zelfconcept. Hierdoor krijgen kinderen vaak last van een laag zelfbeeld en een hele hoop andere emotionele- en gedragsproblemen, zoals depressie, angststoornissen of agressiviteit.

    Er zijn veel verschillende redenen waarom ouders hun kinderen psychologisch mishandelen. Het kan zijn dat de ouders geen kinderen wilden, ze afkeer hebben van hun kind, ze geen kennis hebben over hoe ze een kind moeten opvoeden, ze zelf in hun jeugd mishandeld zijn, ze geen empathisch vermogen hebben, ze gestrest zijn en weinig sociale steun krijgen, ze emotionele problemen hebben en dus de kinderen mishandelen om aan hun eigen behoeften te voldoen, of dat ze arm zijn en dus de kinderen uitbuiten voor geld. Een heel alledaags voorbeeld van deze vorm van mishandeling is tegen een kind schreeuwen als je boos bent of het kind blootstellen aan huiselijk geweld. Dit zijn beide vormen van terroriseren.

    Wat als verschillende vormen van mishandeling gelijktijdig voorkomen?

    Vaak komen verschillende vormen van mishandeling tegelijkertijd of samen voor. Hoe meer verschillende vormen van mishandeling het kind tegelijkertijd ervaart, des te slechter de uitkomsten.

    Varieert mishandeling over de tijd heen en in verschillende landen?

    Mishandeling lijkt een groot probleem te zijn in elk land waar het tot nu toe is onderzocht. Onderzoek wijst uit dat kindermishandeling recentelijk minder vaak voorkomt dan het vroeger deed, maar dat als het voorkomt de kans dat het een kind fataal wordt wel groter is.

    Hoe beschermen pleegouders mishandelde kinderen?

    Mishandeling komt veel voor en als dit ontdekt wordt door de autoriteiten hebben ze twee opties. De eerste is family preservation waarbij het kind bij het gezin blijft wonen, maar wel onder toezicht geplaatst wordt. Hierdoor loopt het kind wel risico om verder mishandelt te worden. De tweede optie is uithuisplaatsing, waarbij een kind niet bij het gezin mag blijven wonen en ergens anders ondergebracht wordt terwijl de ouders hulp krijgen. Een groot deel komt dan bij pleegouders terecht. Een pleegouder is een volwassene die een kind of meerdere kinderen in hun gezin opneemt voor een bepaalde periode zonder dat ze legaal de ouders van het kind worden.

    Mensen worden pleegouders om een kind te helpen, omdat ze iets positiefs voor de gemeenschap willen doen, omdat ze het leuk vinden om kinderen in huis te hebben, of omdat het ze inkomsten biedt. Echter is het zijn van een pleegouder erg moeilijk doordat de kinderen die men opvangt vaak erg beschadigd zijn door de mishandeling die ze hebben meegemaakt. Pleegouders moeten aan de normale behoeftes van het kind voldoen terwijl ze ook moeten samenwerken met verschillende instanties of de biologische ouders. Daarnaast vormen ze een band met het kind terwijl ze weten dat het maar een tijdelijke ouder-kind relatie gaat zijn. Ze zijn namelijk een soort 'tijdelijke ouders'. Om een goede pleegouder te zijn moet iemand dus erg goed bestand zijn tegen stress en kunnen omgaan met het trauma van een kind. Er zijn vier dimensies van zorg die een pleegouder moet kunnen bieden:

    • Een warm en liefdevol milieu bieden: bijvoorbeeld door aandacht aan het kind te besteden, op het kind te reageren en voor het kind te zorgen.
    • Synchrone interacties met het kind ontwikkelen: met het kind meegaan als het kind wil interacteren en dan het kind begeleiden bij het ontwikkelen van zelfregulatie.
    • Lange termijn stabiele zorg bieden.
    • Toegewijd zijn om het kind alles te geven om aan zijn of haar behoeftes te kunnen voldoen.

    Daarnaast moeten pleegouders goed zijn in zelfzorg: gedragingen om te zorgen dat hun eigen welzijn hoog blijft. Voorbeelden hiervan zijn: tijd doorbrengen met vrienden, goed slapen, gezond eten, yoga, of andere hobby's uitoefenen.

    Access: 
    Public
    Wat is de invloed van sociaal beleid op ouderschap en opvoeding? - Chapter 16

    Wat is de invloed van sociaal beleid op ouderschap en opvoeding? - Chapter 16

    Veel hedendaagse problemen zijn gerelateerd aan hoe een gezin functioneert, specifiek de opvoeding. Hierdoor vragen meerdere beleidsmakers zich af wat de rol van de maatschappij en de regering zou moeten zijn in het promoten en remmen van gedragingen die mogelijk invloed uitoefenen op deze problemen.

    Welke veranderingen hebben er plaatsgevonden in het Amerikaanse gezin?

    Popenoe heeft een aantal veranderingen in gezinnen geïdentificeerd die lijken te komen door sociale, culturele, economische en gezondheidsveranderingen:

    • Er worden minder kinderen geboren. Dit komt omdat mensen gewoon minder kinderen willen, het hebben van kinderen veel kost, mensen niet gelukkig zouden zijn als ouder en omdat er minder stigma is over kinderloosheid.
    • Er zijn meer ongetrouwde moeders.
    • Er zijn meer werkende moeders met jonge kinderen. Dit komt omdat moeders sneller terug aan het werk gaan nadat hun kinderen geboren zijn.
    • Er zijn meer scheidingen.

    Voor alleenstaande ouders zijn financiën vaak een probleem omdat de andere ouder geen alimentatie betaalt bijvoorbeeld, maar ook omdat als de ouder werkt, ze alternatieve zorg voor het kind moeten betalen in de vorm van een kinderdagverblijf en dit is vaak erg duur. Als ouders dit niet willen betalen laten ze vaak de kinderen alleen thuis achter. Deze ‘latchkey’ of ‘self-care’ kinderen besteden hun tijd vaak aan het kijken van televisie of het spelen met leeftijdsgenootjes (zonder toezicht). Deze kinderen hebben een grotere kans om emotionele problemen te ervaren of om te experimenteren met alcohol, drugs, stelen of seks. Ook is de kans groter dat zij in gevaarlijke situaties terecht komen. Als kinderen daarentegen naar de buitenschoolse opvang gaan heeft dit positieve academische, sociale en gedragsmatige effecten.

    Wat zijn de maatschappelijke kosten van gezinsproblemen?

    Wat zijn de gevolgen van tienerzwangerschappen?

    Als tieners een kind krijgen hebben ze vaak nog geen schooldiploma of werk. Vaak maken ze school ook later niet af, waardoor ze in armoede blijven leven. Hierdoor ontstaan er financiële lasten voor de maatschappij. Aan de ene kant omdat de tiener haar potentie niet bereikt en weinig bijdraagt en aan de andere kant omdat hun kind vaak heel veel verschillende behoeftes heeft waaraan voldaan moet worden. Daarnaast lopen tieners een hoger risico dat hun kind te vroeg geboren wordt, wat de kosten voor de maatschappij ook hoger maakt omdat deze kinderen vaak last hebben van gezondheidsproblemen en beperkingen. De ziekenhuiskosten lopen dan hoog op.

    Wat zijn de gevolgen van onderpresteren en schooluitval?

    De kosten van voortijdig schoolverlaten zijn hoog voor het individu en de maatschappij. Dit komt omdat deze individuen vaak minder verdienen, waardoor ze minder belasting betalen. Daarnaast wordt het geassocieerd met tienerzwangerschap, criminaliteit en het krijgen van gevangenisstraffen. Daarnaast gaan ze vaker naar de voedselbank of hebben een gemeente-gesubsidieerd huis omdat ze anders op straat komen te staan.

    Wat zijn de gevolgen van vervreemde kinderen en criminaliteit?

    Een andere financiële last voor de maatschappij zijn jongeren die niet weten wat ze willen met hun leven, geen doelen hebben, het gevoel hebben dat ze niet nodig zijn en dan vervolgens vervreemd raken van hun familie, school en de omgeving. Deze jongeren misdragen zich vaak ook op school en worden dan zwaar gestraft (vaak in de vorm van schorsing), waardoor ze in aanraking komen met de politie. Dit fenomeen wordt ook wel de school to prison pipeline genoemd. Hierbij negeert de school vaak armoede, trauma of de psychische problemen van een jongere en dit zorgt ervoor dat de jongere in een cyclus van: falen op school - criminaliteit - gevangenis terechtkomt.

    Wat zijn de gevolgen van kindermishandeling?

    Mishandelde kinderen brengen vaak hoge kosten met zich mee omdat hun fysieke- en mentale gezondheidsproblemen opgelost moeten worden en hun pijn en trauma behandeld moet worden. Als dit niet snel gebeurt dan stijgen de kosten hiervoor. Daarnaast rennen deze kinderen vaker weg van huis, stoppen ze vaker met school, gebruiken ze vaker drugs en eindigen ze vaker in de gevangenis. Dit maakt de economische kosten van kindermishandeling erg hoog.

    Hoe kunnen we deze problemen aanpakken met sociaal beleid?

    Sociaal beleid verwijst naar de principes die leidend zijn voor beslissingen om op groepsniveau gewenste doelen te bereiken en ongewenste resultaten te vermijden. Veel beleidsmakers hebben in het verleden geprobeerd om opvoedingspraktijken te veranderen.

    In vergelijking met andere westerse landen is de Verenigde Staten traag in het bieden van hulp aan gezinnen. Zo is de kwaliteit van de gezondheidszorg aan kinderen slechter dan die in andere landen en ontvangen niet alle zwangere vrouwen medische zorg en financiële ondersteuning. Ook is er in de Verenigde Staten geen sprake van betaald ouderschapsverlof, en worden kosten voor kinderopvang niet gesubsidieerd.

    Welke vroege beleidsprogramma’s waren er in de Verenigde Staten?

    In de Verenigde Staten bestaat er geen expliciet nationaal gezinsbeleid. In plaats daarvan zijn er wetten op staatsniveau en lokaal niveau. Sociaal beleid dat op kinderen is gericht wordt gekenmerkt door twee tegenstrijdige oriëntaties. Enerzijds is er de doctrine van parens patriae: het idee dat de ouder van ieder kind uiteindelijk de staat is. Deze doctrine was de basis voor kinderbeschermingswetten. In tegenstelling tot interventie door de staat, wordt de andere oriëntatie gekenmerkt door non-interventie: het idee dat de staat niet mag interfereren in het gezin of de familie.

    Vijf wetten zijn in de VS vooral belangrijk geweest:

    • Keating-Owen wet (1916): deze wet reguleerde het type en de hoeveelheid werk die een kind mocht verrichten. Hoewel deze wet na 2 jaar ongeldig werd verklaard heeft het gezorgd er wel voor gezorgd dat andere wetten die voor een snelle afname van kinderarbeid zorgden werden aangenomen.
    • Sheppard-Towner Maternal and Infancy Protection Act (1922): zorgde ervoor dat er klinieken kwamen voor moederlijke- en babyhygiëne zodat preventieve gezondheidszorg op gang zou komen en babysterfte zou verminderen.
    • Social Security Act (1935): zorgde voor het ‘Aid to Families with Dependent Children’ (ADC) programma waardoor vaderloze gezinnen financiële ondersteuning kregen. Hierdoor was de moeder in staat thuis bij haar kinderen te blijven, in plaats van te gaan werken. Daarnaast kwamen er hierdoor gezondheidsprogramma's voor moeder en kind en een aantal jeugdzorgprogramma's op gang.
    • Fair Labor Standars Act (1938): beperkte kinderarbeid onder andere door kinderen jonger dan 18 jaar te verbieden in gevaarlijke omstandigheden te werken.
    • Child Abuse Prevention and Treatment Act (1973): zorgde ervoor dat er een ‘National Center on Child Abuse and Neglect’ kwam, welke betrouwbare statistieken over de prevalentie van kindermisbruik wilde verzamelen, informatie over misbruikprogramma's bij elkaar wilde brengen en onderzoek naar de oorzaken, preventie en behandeling van kindermishandeling wilde sponsoren.

    Hoe wordt er gepleit voor de rechten van kinderen en gezinnen?

    Sociaal beleid is afhankelijk van de percepties die we hebben over kinderen en hun rechten. Als een natie een kind beschouwt als ‘subpersoon’ met minder rechten dan volwassenen is er minder motivatie om kinderen te beschermen. Daarom hebben de Verenigde Naties het verdrag inzake de rechten van het kind, ook wel het Kinderrechtenverdrag genoemd, aangenomen. In het Kinderrechtenverdrag staan drie thema’s centraal:

    • De belangen van kinderen moeten een primaire overweging zijn bij het maken van beleid.
    • Kinderen moeten rechten krijgen die passen bij hun ontwikkelende capaciteiten.
    • De waardigheid van kinderen moet worden gerespecteerd.

    Alleen de Verenigde Staten heeft het Kinderrechtenverdrag niet ondertekend. In de Verenigde Staten geloven sommige politieke en religieuze conservatieven dat dit verdrag mogelijk interfereert met hun eigen rechten als ouders. Anderen stellen dat het Kinderrechtenverdrag strijdig is met de Amerikaanse grondwet. Tegenstanders van het Kinderrechtenverdrag maken zich zorgen om mogelijke beperkingen van de vrijheid van ouders om een kind uit een religieuze cult te verbannen, om fysieke straffen te gebruiken en om een kind thuisonderwijs te geven.

    De mensen die proberen te strijden voor de rechten van het kind worden ook wel child advocates genoemd. Deze advocates voor kinderen maar ook voor gezinnen zijn belangrijke bronnen die veranderingen in beleid mogelijk maken.

    Welke hedendaagse programma’s bestaan er om gezinnen te helpen?

    Tegenwoordig zijn er verschillende programma’s gericht op het helpen van gezinnen. Sommige van deze programma’s zijn preventief en erop gericht de kans op problemen in hoge-risico gezinnen te verminderen. Andere programma’s bieden interventies voor gezinnen die al problemen ervaren in de vorm van gezondheidszorg, educatie, hulp bij budgetteren en programma's waar ouders meer leren over de opvoeding van kinderen. Naast programma's georganiseerd vanuit de regering zijn er ook een aantal non-profit organisaties die deze aanbieden.

    Een programma dat inadequate voeding van kinderen probeert te regelen door zwangere- en borstvoeding gevende moeders met lage inkomsten en hun jonge kinderen tot vijf jaar te helpen is het Women, Infants and Children (WIC) programma. WIC zorgt ervoor dat deze moeders bonnen krijgen voor voeding met veel eiwitten zoals melk, kaas en bonen. Daarnaast krijgen ze informatie over gezond eten en wordt de gezondheid van hun kind regelmatig gecontroleerd. Dit programma heeft ervoor gezorgd dat er minder kinderen geboren worden met een te laag geboortegewicht, dat jonge kinderen toegang krijgen tot betere voeding en dat de hoeveelheid kinderen die gevaccineerd wordt omhoog is gegaan. Daarnaast is dit programma erg kostenbesparend, want doordat ouders geld uitgeven aan het programma en beter eten, besparen ze veel geld die anders in de toekomst uitgegeven had moeten worden aan medische kosten.

    Een ander voorbeeld van een programma is Project Head Start. Dit begon als een zomerprogramma voor vier- en vijf jarige kinderen uit arme gezinnen. Het programma was ontworpen om ze klaar te stomen om naar school te gaan en de cyclus van armoede te doorbreken. Later werd dit uitgebreid tot een programma van een jaar lang en wordt er nu naast schoolvoorbereiding ook gezorgd voor voedzame maaltijden en medische controles voor de kinderen. De ouders worden hier ook bij betrokken. Uiteindelijk werd ook Early Head Start opgericht voor kinderen onder de drie jaar oud. Dit programma lijkt succesvol te zijn. Kinderen die meegedaan hebben aan Head Start zijn vaak beter voorbereid om naar school te gaan, presteren daar beter en hebben betere cognitieve competenties dan kinderen die het programma niet gevolgd hebben. Ook op de lange termijn draagt het programma bij aan het halen van een diploma en het behouden van werk en zorgt het ervoor dat kinderen niet in aanraking komen met de politie. Daarnaast zorgt het programma voor een verandering bij de ouders, die het kind meer voorlezen en educatief speelgoed aanbieden en ook minder fysiek straffen. Het probleem van dit programma is dat er weinig geld voor is en dat dus niet alle kinderen geholpen kunnen worden.

    Welke educatie en interventie is er voor ouders?

    Er zijn verschillende programma's om ouders beter te laten functioneren. Het idee is dat doordat de ouders beter worden in hun rol het gedrag van het kind ook verbetert. De programma's variëren in focus, inhoud, methode, intensiteit en doelgroep. Uit onderzoek blijkt dat deze programma's goed zijn voor primaire preventie: het voorkomen van problemen, doordat ze zowel de ouder als het gedrag van het kind veranderen.

    Tegenwoordig ligt de focus van deze programma's op huisbezoeken. Het idee is dat ouders hun gedrag aanpassen op basis van de informatie die ze krijgen van degene die het huisbezoek doet en als gevolg daarvan ontwikkelen de kinderen ook ander gedrag. Een voorbeeld van een programma dat deze huisbezoeken doet is het Nurse-Family Partnership Program, waarbij verpleegkundigen op huisbezoek gaan bij arme moeders. Hierbij hebben ze drie belangrijke taken:

    • Zorgen dat de moeder positief gedrag vertoond tijdens en na de zwangerschap, de gezondheid van het kind in de gaten houden en de levensloop van de moeder vormgeven.
    • Moeders helpen bij het ontwikkelen van ondersteunende relaties met andere volwassenen.
    • De moeders en hun gezinnen in contact brengen met de gezondheidszorg en andere diensten die ze nodig hebben.

    Een ander voorbeeld van een programma dat gebruik maakt van huisbezoeken is Healthy Families America welke moeders van onder de 21 jaar begeleidt. Dit programma wil kindermishandeling voorkomen, effectieve opvoedingsstrategieën promoten, optimale gezondheid van het kind bereiken, zorgen dat ouders economisch zelfvoorzienend worden en zorgen dat er niet nog een tienerzwangerschap plaatsvindt. Een laatste voorbeeld is Hawaii’s Healthy Start, gericht op het bevorderen van de cognitieve en taalontwikkeling van kinderen, het versterken van de kwaliteit van de thuisomgeving, het voorkomen van psychische problemen en drugsmisbruik en het faciliteren van het gebruik van anticonceptie. Meta-analyses van interventieprogramma’s voor ouders hebben verschillende uitkomsten. Terwijl uit sommige meta-analyses blijkt dat de programma’s een klein positief effect hebben, wijzen andere meta-analyses op sterkere positieve effecten. Vooral interventieprogramma’s die specifiek gericht zijn op het voorkomen van kindermisbruik zijn effectief.

    Naast programma's gericht op primaire preventie zijn er ook programma's die inzetten op secundaire preventie: het inzetten van interventies kort nadat er een probleem is geconstateerd om te zorgen dat het probleem aangepakt wordt voordat het erger wordt. Een voorbeeld is Parent-Child Interaction Therapy voor kinderen die al gedragsproblemen hebben om te zorgen dat deze niet erger worden.

    Wat zijn Community Learning Centers?

    Er zijn veel voorstellen gedaan om het onderwijssysteem te hervormen in een poging geletterdheid en competentie te verbeteren. Zigler, één van de oprichters van ‘Head Start’, heeft een schema ontwikkeld om van openbare scholen te veranderen naar ‘Community Learning Centers’. Zigler stelt dat het onderwijzen van kinderen een belangrijke taak is, maar dat scholen veel meer moeten bieden. Ze zouden zowel voor- als naschoolse programma’s en activiteiten voor leerlingen moeten hebben en zouden ook tijdens de vakanties open moeten zijn. Daarnaast zouden scholen kinderopvang moeten bieden voor de jongere broertjes en zusjes van de leerlingen en zouden ze gezinnen moeten ondersteunen in termen van informatie, educatie en verwijsdiensten.

    Welke controversiële ideeën voor sociaal beleid zijn er?

    Sommige ideeën voor sociaal beleid zijn vrij controversieel. Een voorbeeld hiervan is de zogenaamde eenkindpolitiek in China. Volgens dit beleid mogen koppels maar één kind krijgen. Het doel hiervan is het verminderen van de Chinese populatie. Dit beleid heeft echter enkele nadelen, waaronder een minder gebalanceerde verdeling van geslacht door geslachtsselectieve abortussen en het verlaten of zelfs doden van meisjes. In de Verenigde Staten gaan de meeste controversiële ideeën over het fysiek straffen van kinderen, verantwoordelijkheid van ouders en het geven van licenties.

    Wat zijn de controversiële ideeën over fysiek straffen?

    In meerdere landen zijn er twee soorten wetten aangenomen die fysieke straffen verbieden. Het eerste type wet betreft het verbieden van fysiek bestraffen op scholen. Het andere type wet is controversiëler. Om kinderen tegen kindermishandeling te beschermen, hebben meerdere landen ouderlijke disciplinering beperkt door fysieke bestraffing door ouders te verbieden. Dit type wed is ingevoerd op attitudes over fysieke bestraffing te veranderen en om kinderen die een verhoogd risico lopen om mishandeld te worden te identificeren. Dit lijkt effectief te zijn. Het verbieden van alle vormen van het fysiek straffen van kinderen past bij het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties.

    Wat zijn de controversiële ideeën over de wetten over ouderlijke verantwoordelijkheid?

    Sinds de jaren negentig is er in de Verenigde Staten en andere landen een nieuwe legale benadering van het probleem van delinquent gedrag. Hierbij worden ouders verantwoordelijk gehouden voor de daden van hun kinderen. Het idee dat hieraan ten grondslag ligt is dat ouders hierdoor gemotiveerd zullen zijn om meer betrokken te zijn bij- en verantwoordelijkheid te dragen voor- het gedrag van hun adolescent. Over het algemeen hebben deze verantwoordelijkheidswetten betrekking op niet-gewelddadige misdaden, zoals het drinken van alcohol, risicovol rijgedrag, winkeldiefstal, deelname aan activiteiten van bendes of spijbelen. De wet is gebaseerd op de aanname dat het delinquente gedrag van het kind een gevolg is van een slechte opvoeding. Straffen voor ouders variëren van een kleine boete tot een gevangenisstraf.

    De vraag is echter of het eerlijk is om ouders verantwoordelijk te houden voor de daden van hun kinderen zeker als de ouders zich niet bewust zijn dat hun kind iets gedaan heeft of niet in staat zijn hun moeilijke kind te controleren. Bepaalde psychologen stellen dat dit niet eerlijk is omdat ouders naarmate het kind ouder wordt minder invloed zouden hebben op de ontwikkeling. Een ander kritiekpunt op deze verantwoordelijkheidswetten betreft de oriëntatie op bestraffing. De wetten helpen ouders niet om meer vaardig of effectief te worden in het controleren van het gedrag van een tiener. De wetten zouden bovendien vaag en oneerlijk zijn (omdat de ouders strenger worden gestraft dan het kind) en zouden geen rekening houden met de rechten van ouders. Er is nog geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de verantwoordelijkheidswetten.

    Wat zijn de controversiële ideeën over de wetten over licenties voor ouders?

    Veel sociale problemen ontstaan door verkeerde opvoeding en een voor de hand liggende oplossing zou dus zijn om de kwaliteit van deze opvoeding te verbeteren. Om dit te bereiken is er een controversieel idee voorgesteld waarbij mensen 'licenties' ontvangen voordat ze kinderen mogen krijgen. Toekomstige ouders worden hierbij beoordeeld of ze wel een competente ouder zouden zijn en bij wat hun ideeën precies zijn over de opvoeding van kinderen. Westerman heeft drie eisen beschreven voor het verkrijgen van een licentie:

    • De toekomstige ouder moet minimaal 18 jaar zijn.
    • De toekomstige ouder moet een overeenstemming tekenen waarin hij of zij aangeeft in te stemmen met het verzorgen van het kind, terwijl hij of zij zich onthoudt van kindermishandeling. De ouder stemt in met de financiële verantwoordelijkheid van het ouderschap en de verwachtingen van ouderlijke competentie.
    • De toekomstige ouder zal een opvoedcursus volgen. Dit criterium is optioneel.

    Een baby van een moeder zonder licentie zou ter adoptie worden gesteld tenzij de moeder alsnog in staat is een licentie te verkrijgen. Een alleenstaande moeder mag wel een kind hebben, mits ze aan kan tonen dat ze voldoende middelen heeft om aan de behoeften van het kind te kunnen voldoen.

    Vanuit het perspectief van ouders is dit idee een schending van het recht om je voort te planten. Echter is niet iedereen het erover eens dat alle individuen het recht hebben om kinderen te krijgen. Het uiteindelijke doel van Westermans voorstel om ouders licenties te geven was niet om de rechten van volwassenen in te perken, maar het veranderen van sociale normen en waarden waardoor het belang van ouderschap en opvoeding verhoogd zou worden. Door dit te doen hoopte Westerman dat kinderen beschermd konden worden van verkeerde opvoeding.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Opvoedkunde en gezinsopvoedkunde: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries

    Image

    Share: this page!
    Follow: Psychology Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    3531
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector