Welke theorieën over opvoeding zijn er? - Chapter 2
Met een theorie kan je bepaalde fenomenen begrijpen. Een goede theorie integreert informatie, geeft causale relaties en feiten, is testbaar en kan voorspellen. Een theorie is een raamwerk dat we kunnen gebruiken om doorheen te kijken om bepaalde fenomenen te bestuderen.
- Hoe verhouden lay-theorieën zich tot het gedrag van ouders?
- Wat zijn de verschillende klassieke theorieën over ontwikkeling?
- Wat zijn de genetische, biologische en omgevingsinvloeden op de ontwikkeling het kind?
- Wat zijn de verschillende theorieën over sociaal leren en sociale cognitie?
- Wat zegt de familiesysteemtheorie over ouders en kinderen?
- Wat zijn andere op emotie gebaseerde theorieën?
- Wat zijn de verschillende fasen-theorieën van ontwikkeling?
Hoe verhouden lay-theorieën zich tot het gedrag van ouders?
Een metafoor laat het contrast zien tussen twee verschillende manieren van kinderen opvoeden: waar een timmerman het kind in de gewenste vorm hamert, werken tuinmannen juist aan de grond (de context waarin het kind zich ontwikkelt), terwijl ze de individualiteit van het kind erkennen. Zowel lay- als wetenschappelijke theorieën zijn belangrijk, omdat ze inzicht geven in het ouderschap en handvatten bieden voor hoe ouders moeten handelen.
Ouders hebben ideeën over veel dingen, bijvoorbeeld of je een kind te veel kan verwennen of niet, wat helpt als een kind niet kan slapen of hoe je een kind moet disciplineren. Vroeger waren deze ideeën simplistisch, maar tegenwoordig zijn ze steeds gevarieerder en veranderen ook als de omstandigheden veranderen. Een van de eerste officiële theorieën over de ontwikkeling van het kind kwam van Sigmund Freud. Deze psychoseksuele theorie nam aan dat een kind door vijf psychoseksuele fasen ging tijdens het opgroeien:
- Oraal.
- Anaal.
- Fallisch.
- Latentie.
- Genitaal.
Hoe kunnen we op een wetenschappelijke manier naar opvoeding kijken?
Er is niet een allesomvattende theorie over opvoeding en ouderschap. Wel zijn er verschillende theorieën ontwikkeld over ontwikkeling en ouder-kindrelaties. Ouder-kindrelaties kunnen op twee manieren worden bekeken. De eerste is phylogenetisch, wat betekent dat we kijken naar de ontwikkeling van soorten over tijd. De tweede is ontogenetisch, ofwel kijken naar hoe individuen zich ontwikkelen gedurende hun leven.
Wat zijn de verschillende klassieke theorieën over ontwikkeling?
Wat is de hechtingstheorie?
De grondslag van de hechtingstheorie ligt bij Freud, evolutionaire ideeën en empirisch onderzoek van Harry Harlow met rhesus-aapjes over de moeder-kindband. Later kwamen John Bowlby en Mary Ainsworth. Deze theorie gaat over het ontstaan en onderhouden, maar ook de invloed van de liefdevolle band tussen ouders en kinderen op hun ontwikkeling. De kern van de hechtingstheorie is dat een relatie tussen ouder en kind een soort 'gedragssysteem' is dat adaptief is, omdat het zorgt dat het kind kan overleven en goed leert functioneren. Dit gedragssysteem heeft twee onderdelen: novelty seeking, het onderzoeken van de omgeving en nieuwe dingen ontdekken als het kind zich veilig voelt, en proximity seeking, het zoeken van veiligheid bij de ouders zodra het kind zich angstig voelt. De ouders vormen dus een veilige basis van waaruit kinderen de wereld onderzoeken. Ouders bouwen dit op tijdens het eerste levensjaar door warm en liefdevol te zijn richting hun kind. Ainsworth bedacht de strange situation-test om te kijken welke soort hechtingstijlen er zijn. Een moeder gaat hierbij de kamer uit en laat het kind spelen met een vreemde. De classificatie van de hechtingsstijl van het kind komt voornamelijk voort uit hoe ze reageren als de moeder de kamer uitloopt en terug de kamer in komt, maar ook op basis van de emoties die het kind laat zien. Er zijn 4 verschillende hechtingsstijlen, waarvan secure of veilig de goede is:
- Secure of veilig: het kind is van streek als de moeder weggaat, maar blij als de moeder terugkomt. Ze gaan dan naar de moeder toe en knuffelen met haar.
- Anxious-avoidant of angstig: het kind negeert de moeder als deze terugkomt.
- Anxious-resistant/ambivalent of vermijdend: het kind is van streek als de moeder weggaat, maar wil niet opgepakt worden als ze terugkomt.
- Disorganized of gedesorganiseerd: het kind laat een mix van anxious-avoidant en anxious-resistant reacties zien.
De reactie van ontstaat vanuit de geschiedenis die ouder en kind samen hebben. Secure-hechting komt vanuit gevoelig ouderschap (juist en snel reageren op de behoeften van het kind). Deze ouders zijn flexibel, gebalanceerd en geïntegreerd. Sommige ouders zijn niet gevoelig voor de behoeften van hun kinderen, bijvoorbeeld omdat de ouder zelf gestrest, boos of depressief is, omdat ze het kind niet wilden of de vaardigheden niet hebben om voor het kind te zorgen.
- Als de ouder regelmatig niet reageert op de behoeften van het kind, ontstaat een anxious-avoidant hechting; het kind leert dan dat ze niet van de ouder op aan kunnen als ze iets nodig hebben.
- Als ouders wel van hun kind houden maar de vaardigheden niet hebben en dus inconsistent zijn in voldoen aan de behoeften van het kind ontstaat er een anxious-resistant hechting. Kinderen leren dan dat de ouder onvoorspelbaar is en hen soms wel, maar soms ook niet geeft wat ze nodig hebben.
- Disorganized-hechting ontstaat waarschijnlijk doordat kinderen een traumatische ervaring of misbruik hebben meegemaakt.
De hechtingstheorie heeft ook nog effect op oudere kinderen en volwassenen, die via hun hechtingsstijl een internal working model maken over hoe gewaardeerd ze zijn en of ze mensen kunnen vertrouwen of niet. Dit model zijn omvat namelijk ideeën en verwachtingen over hoe andere personen zich gaan gedragen gebaseerd op eerdere hechtingservaringen. Aan de hand van dit model besluiten oudere kinderen en volwassenen hoe ze zich gedragen in sociale situaties of romantische relaties. Dit internal working model kan wel veranderd worden, waarbij mensen dus een andere hechtingsstijl 'aanleren'.
Wat is de behavioristische theorie?
De behavioristische theorie gaat ervan uit dat als we dingen willen verklaren, we moeten kijken naar observeerbaar gedrag. John B. Watson wordt gezien als de vader van deze theorie en ontwikkelde op basis van de ideeën van Ivan Pavlov en Edward Thorndike een theorie over de ontwikkeling van kinderen. Deze theorie gaat uit van klassieke conditionering, dat stelt dat nieuw gedrag alleen door associatie kan worden aangeleerd. Een neutrale stimulus die uit zichzelf geen reactie oproept wordt hierbij gekoppeld aan een ongeconditioneerde stimulus die uit zichzelf wel een reactie oproept, wat de ongeconditioneerde respons heet. Na een tijdje zal door associatie de neutrale stimulus ook een reactie oproepen, wat de geconditioneerde respons heet.
Skinner heeft hier toen het idee van operante conditionering aan toegevoegd. Operante conditionering kijkt naar of het waarschijnlijk is dat bepaald gedrag zich in de toekomst zal herhalen op basis van de consequenties van dat gedrag. Door reinforcement (belonen) zal de kans dat het gedrag zich herhaalt groter worden. Door punishment (straffen) wordt deze kans juist kleiner. Wanneer een kind een snoepje krijgt bij het vertonen van bepaald gedrag, spreekt men van positive reinforcement: er wordt iets toegevoegd wat belonend is voor het kind. Ook kan de ouder iets wegnemen wat het kind vervelend vindt, wat negative reinforcement heet. Wordt het snoepje van het kind afgepakt, dan spreekt men van negative punishment: iets wat belonend is voor het kind wordt weggenomen. Wanneer de ouder het kind straft door een tik op de billen te geven, is er sprake van positieve punishment: er wordt iets toegevoegd wat vervelend is voor het kind. Wat reinforcement of punishment is hangt niet af van of het plezierig of onplezierig is, maar van de gedragsuitkomst die volgt: als iets ervoor zorgt dat gedrag vaker voorkomt in de toekomst dan is het een reinforcer, maar als iets ervoor zorgt dat gedrag minder vaak voorkomt in de toekomst dan is het een punisher. Het belonen van gedrag heeft een bi-directionele werking. Wanneer het kind zeurt om snoep en het dat ook krijgt van de ouder, heeft dit voor beiden een positief gevolg. De ouder is blij dat het kind niet meer zeurt en het kind is blij dat het snoep heeft gekregen. Een gevolg van deze beloning is dat zowel de ouder als het kind beïnvloed worden in hun gedrag. De ouder zal sneller snoep geven zodat het kind niet meer zeurt en het kind zal juist weer zeuren, zodat het snoep krijgt.
Het straffen (punishment) van gedrag heeft twee nadelen. Ten eerste straffen ouders vaak verkeerd, omdat ze de straf vaak niet meteen na het gedrag geven en ook niet iedere keer dat het gedrag zich voordoet. Ten tweede, door te straffen kan het kind bang worden voor de ouder. Dit is slecht voor de ouder-kind interacties.
Wat zijn de genetische, biologische en omgevingsinvloeden op de ontwikkeling het kind?
Wat zegt evolutionaire ontwikkelingspsychologie over het ontstaan van gedrag?
Charles Darwin publiceerde een theorie over de evolutie van mens en dier. Hij zei dat dit ging via natuurlijke selectie, wat inhoudt dat individuen die beter aangepast zijn aan de omgeving langer leven en dus meer kinderen krijgen dan zij die minder goed aangepast zijn. Op deze manier worden karakteristieken en gedragingen die helpen om te overleven doorgegeven aan de volgende generatie. Het doel van natuurlijke selectie is om onze genen te laten overleven in de volgende generaties. De evolutionaire ontwikkelingspsychologie kijkt dus naar hoe bepaalde manieren van opvoeding en ouderschap, maar ook bepaalde gedragingen zijn doorgegeven door de geschiedenis heen. Een van de gedragingen die op via natuurlijke selectie is doorgegeven is het huilen van kleine kinderen. Dit gedrag zorgt ervoor dat ze zo snel mogelijk aandacht krijgen van hun verzorger, wat hun kansen op overleving vergroot. Een ander kenmerk van kinderen wat bijdraagt aan deze kans is schattige gezichtskenmerken, wat verzorgingsgedrag oproept bij volwassenen.
Ook parental investment, of de tijd, energie en middelen die ouders steken in het laten opgroeien en opvoeden van hun kinderen - is veel onderzocht. Volgens de evolutionaire theorie wordt de mate van investering van ouders bepaald aan de hand van de hoeveelheid gedeelde genen, de kans op overleving van het kind en de kans dat het kind zelf ook weer kinderen krijgt. Vanuit het evolutionaire perspectief is ook onderzocht wat vrouwen zoeken in een partner, namelijk de drie G's: goede genen, goede vaders en goede kostwinners. Mannen daarentegen, zoeken vooral naar vrouwen die vruchtbaar, trouw, goede kostwinners en goede moeders zijn.
De evolutionaire psychologie heeft ook het concept van alloparenting uitgewerkt: het verzorgen van de kinderen door volwassenen die niet de biologische ouders zijn.
Wat zegt de gedragsgenetica theorie over de ontwikkeling van kinderen?
De gedragsgenetica theorie kijkt naar welk effect genen en omgevingsinvloeden hebben op menselijke karakteristieken en gedrag. Francis Galton was de eerste aanhanger en werd opgevolgd door Arnold Gesell. Gesell bedacht de nativistische theorie van ontwikkeling, waarbij genen voorspelden hoe kinderen zich ontwikkelden, niet de omgeving. Ouders zijn er om kinderen te helpen bij het ontwikkelen van deze genetische eigenschappen. Er wordt hier veel onderzoek naar gedaan aan de hand van tweeling of adoptiestudies. Zowel het genotype (de genetische samenstelling) als het fenotype (de fysieke manifestatie van het genotype in gedrag) van een kind is belangrijk. Epigenetica kijkt naar hoe de expressie van het fenotype kan worden beïnvloed op basis van ervaringen.
Gedragsgenetici hebben drie basismanieren ontwikkeld om te beschrijven hoe de genen van kinderen hun ontwikkeling beïnvloedt. Dit wordt ook wel de genen-omgevingsinteractie genoemd.
- Genen spelen een passieve rol in de omgeving: ouders creëren dankzij hun eigen genen een omgeving onafhankelijk van het genotype van het kind.
- Genen spelen een actieve rol: ze zorgen ervoor dat kinderen bepaalde omgevingen meer opzoeken dan anderen.
- Genen spelen een evocatieve rol: ouders reageren op het fenotype van het kind op een manier die uniek is voor dat kind.
Binnen een gezin ervaart een kind gedeelde omgeving (zelfde als de andere familieleden) en niet-gedeelde omgeving (uniek voor het kind). Als alleen gedeelde omgeving invloed zou hebben, zouden alle kinderen binnen het gezin zich hetzelfde ontwikkelen omdat ze allemaal dezelfde opvoeding krijgen. Maar zusjes en broertjes verschillen van elkaar, wat leidt tot verschillende opvoedingstechnieken. Niet-gedeelde omgeving lijkt meer invloed te hebben.
Wat zegt de ecologische systeemtheorie over hoe een kind zich ontwikkelt?
Uri Bronfenbrenner bedacht de ecologische systeemtheorie. Deze gaat over hoe de ontwikkeling van een kind samenhangt met de omgeving en context en hoe dit met elkaar interacteert. Deze interactie tussen omgeving en persoon wordt ook wel transactionele invloed genoemd. Bronfenbrenner dacht dat een persoon kon interacteren met verschillende omgevingsniveaus:
- Microsysteem: de directe omgeving/context van het kind (bijvoorbeeld het gezin, school).
- Mesosysteem: relaties tussen verschillende microsystemen. Kinderen ontwikkelen zich beter als een goede connectie is tussen de verschillende microsystemen.
- Exosysteem: hier zijn kinderen niet zelf direct mee in aanraking, maar deze zijn wel van invloed op hun ontwikkeling (bijvoorbeeld werk van de ouders).
- Macrosysteem: culturele context waar alle systemen zich in bevinden (bijvoorbeeld normen, waarden en wetten in het land).
- Chronosysteem: dit gaat over hoe oude systeeminteracties het toekomstige gedrag van het kind kunnen beïnvloeden.
Wat zijn de verschillende theorieën over sociaal leren en sociale cognitie?
Wat zegt de sociale cognitie theorie over de ontwikkeling van kinderen en de opvoeding?
De sociale cognitie theorie zegt dat cognitieve en informatieverwerkingsprocessen invloed hebben op het sociale gedrag van individuen.
Een van de eerste ontwikkelingen op dit gebied kwam van Gerard Patterson. Hij bedacht een model van sociaal leren wat hij de coercive cycles noemde, waarbij het kind iets fout doet, de moeder daar op ingrijpt, het kind begint te gillen, de moeder terug gilt en zo alles uit de hand loopt. Het is dus een slecht idee voor ouders om mee te gaan in een coercive cycle, omdat het onwaarschijnlijk is dat de ouder ‘wint’. Meegaan in de cycle zorgt er namelijk voor dat de zeggenschap van de ouder ondermijnt wordt en ook vertonen ze hierdoor sneller mishandelend gedrag.
Bandura’s sociale leertheorie of sociaal cognitieve theorie is echter meer omvattend. Hij erkende het belang van direct en observationeel leren. Dit is te zien aan zijn onderzoek met een Boho-pop, waarbij hij keek of kinderen agressiever werden richting deze pop door anderen agressief op de pop te zien reageren. Wat volgens Bandura belangrijk is bij het in stand houden van gekopieerde gedrag is reinforcement. Ook belangrijk binnen Bandura’s theorie is self-efficacy: of iemand gelooft dat ze de mogelijkheid hebben veranderingen aan te brengen in hun omgeving via hun gedrag.
Wat zegt de sociale relatie theorie over de ontwikkeling van kinderen en de opvoeding?
Deze nieuwe theorie gaat uit van het idee dat de ouder-kindrelatie gevormd wordt door kinder- en oudereffecten. Kinder-effecten zijn de effecten die een kind heeft op de ouder met zijn of haar gedrag, terwijl ouder-effecten de veranderingen zijn die ouders opwekken bij hun kind. Ontwikkelingen en veranderingen in deze relatie vinden plaats door de doelen en behoeften van de kinderen en ouders. Doordat ouder en kind elkaar beïnvloeden, spreekt men van een bi-directionele invloed.
Wat is de ouderlijke rol theorie?
De roltheorie kijkt naar de verschillende rollen die iemand kan hebben en de verwachtingen, gedragingen, rechten en verantwoordelijkheden die bij deze rollen horen. Er zijn twee kernbegrippen, rolconflict en role spanning. Rolconflict omschrijft een situatie waarin er conflict is tussen de rollen van twee verschillende statussen. Rolspanning ontstaat wanneer er spanning ontstaat tussen rollen die dezelfde status hebben. Roltheorie is nuttig voor het begrijpen van sociale verwachtingen en hun gevolgen.
Wat zegt Vygotsky’s theorie over de rol van ouders?
Een belangrijke rol die ouders spelen bij de ontwikkeling komt naar voren in het concept van de zone van proximale ontwikkeling: kinderen ontwikkelen zich in deze zone, doordat de ouder hen bij dingen helpt en het kind zo meer kan doen dan dat het alleen zou kunnen. De fundamentele manier waarop ouders meer volwassen gedrag stimuleren is door scaffolding, waarbij ouders een context of omgeving creëren rondom het gewenste gedrag. Als kinderen zelf meer kunnen, hoeven ouders deze omgeving niet meer te creëren. Ouders spelen dus een centrale rol in het ontwikkelen van volwassen gedrag.
Wat zegt de zelfdeterminatietheorie over het ontwikkelen van kinderen?
De zelfdeterminatietheorie gaat over wat mensen motiveert om bepaald gedrag te vertonen. Deze theorie zegt dat mensen in het algemeen maar ook kinderen drie basisbehoeften hebben, namelijk autonomie, vaardigheden en verwantschap. De behoefte aan autonomie zie je terug bij de 'terrible twos', waar kinderen alles zelf willen doen en overal nee op zeggen. Volgens deze theorie moeten ouders structuur en ondersteuning bieden aan het kind voor het ontwikkelen van deze autonomie. Wanneer dit gedaan wordt, zal het kind zich verbonden voelen met de ouders en vaardigheden leren.
Wat zegt de familiesysteemtheorie over ouders en kinderen?
De familiesysteemtheorie is ontwikkeld door Murray Bowen en focust zich op de interacties en connecties tussen verschillende familieleden. Deze theorie gaat ervan uit dat een verandering in het functioneren van een familielid leidt tot veranderingen bij andere familieleden. De theorie probeert sociaal gedrag en sociale interactie te verklaren via begrip van deze systemen. Om het gedrag van het kind te begrijpen moeten we dus niet kijken naar alleen het kind, of de relatie van het kind met de ouders, maar naar de relaties tussen alle familieleden.
De familiesysteemtheorie heeft een aantal nuttige concepten ontdekt, zoals tweede-orde effecten waarbij een ouder zich anders gedraagt ten opzichte van een kind als de andere ouder erbij is dan wanneer zij er niet zijn. Het meest voorkomende construct in deze theorie is co-ouderschap, waarbij ouders samen hun rol van ouders delen en waarbij ouders wederzijds ondersteunen en betrokken zijn.
Wat zijn andere op emotie gebaseerde theorieën?
Wat zegt de emotionele veiligheidstheorie over het gedrag van kinderen?
De emotionele veiligheidstheorie is ontwikkeld door Patrick Davies en Mark Cummings en focust zich op hoe een kind zich onzeker kan gaan voelen als gevolg van conflict en ruzie van de ouders. Het idee van deze theorie is dat kinderen die hun ouders ruzie zien maken, bang worden voor een scheiding. Dit zorgt voor emotionele stress. Kinderen die weinig worden blootgesteld aan ruzie, ontwikkelen een beter emotionele gezondheid en emotieregulatie.
Wat zijn de verschillende fasen-theorieën van ontwikkeling?
Deze theorieën gaan uit van het idee dat kinderen gedurende hun ontwikkeling door verschillende fases heengaan, waaraan een ouder zich aan moet passen om aan hun behoeften te kunnen voldoen.
Wat is de theorie van Piaget?
Jean Piaget kwam als een van de eersten met het idee dat kinderen anders denken dan volwassenen en informatie op een andere manier verwerken. Hij maakte onderscheid tussen de volgende vier fasen van ontwikkeling:
- Sensorisch motorische fase (0-2 jaar): het kind reageert reflexief.
- Pre operationele fase (2-7 jaar): het kind begint symbolen te gebruiken.
- Concreet operationele fase (7-11 jaar): het kind snapt logische relaties.
- Formele operationele fase (11-15 jaar): het kind kan abstract nadenken.
Wat is de theorie van Erikson?
Erik Erikson stelde acht psychosociale dilemma’s op. Om succesvol door te gaan naar een volgende fase in het leven moet eerst het vorige dilemma worden opgelost. Ouders kunnen hierin het kind steunen om door de fases heen te komen, of juist het kind in de weg zitten. De dilemma’s zijn:
- Vertrouwen vs. wantrouwen (0-1 jaar).
- Autonomie vs. schaamte (1-3 jaar).
- Initiatief vs. schuld (4-5 jaar).
- Competentie vs. minderwaardigheid (6-12 jaar).
- Identiteit vs. rolverwarring (adolescentie).
- Intimiteit vs. isolatie (vroege volwassenheid).
- Generativiteit vs. stagnatie (midden volwassenheid).
- Integriteit vs. wanhoop (late volwassenheid).
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
- Insurance for emigrants, expats and living abroad: international insurance for expats and emigrants
- Insurance for activities abroad: Backpacking Travel abroad Intern abroad Study abroad Volunteer abroad Work abroad
- Insurance: ACS Globe Traveller Caremed Insurances Expatriate Travel Insurance IMG’s GlobeHopper World Nomads Insurance SafetyWing Insurance JoHo Special ISIS verzekering NL/BE Working Nomad verzekering NL/BE More about Insurance for abroad
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results








