Waardoor kunnen weerstand en welzijn beïnvloed worden? - Chapter 10

Historisch gezien wordt er in het onderzoek naar emotie veel meer gekeken naar negatieve in plaats van positieve emoties. De belangrijkste reden hiervoor is dat aan negatieve emoties veel meer kosten verbonden zijn, waardoor het veel waardevoller is om daar meer over te weten. Er komt hier momenteel echter verandering in; de positieve psychologie is aan het opbloeien. Dit veld focust zich op die subjectieve ervaring van welzijn, tevredenheid en voldoening, hoop, optimisme en geluk.

Veel van het onderzoek gaat over subjective well-being (SWB, subjectief welzijn), wat de manier inhoudt waarop mensen hun leven evalueren. Praktisch gezien is dit begrip gelijk aan geluk, wat gekarakteriseerd kan worden als de ervaring van voldoening en plezier, samen met het gevoel dat het leven betekenisvol en de moeite waard is. Uiteraard wordt dit altijd gemeten door middel van zelfrapportage, vaak door de Satisfaction with Life Scale.

We weten nog erg weinig over wat ons precies gelukkig maakt en de vraag is of we SWB moeten zien in termen van een algemene dimensie van positief affect (E-PA), of om de ervaring te beschrijven in termen van discrete emoties (e.g. plezier, enthousiasme, tevredenheid, etc.). Verder is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen resilience en well-being. Resilience is een weerstand voor stress en tegenslagen, well-being beschrijft wat mensen gelukkig maakt zonder dat er sprake is van deze tegenslagen.

Wat is de invloed van weerstand op stress?

Een belangrijke reden dat niet iedereen emotionele stoornissen ontwikkelt wanneer zij stress ervaren, is dat er veel individuele verschillen zijn in hoe mensen op stress reageren. Sommigen laten stressvolle gebeurtenissen makkelijker achter zich dan anderen en zeggen in sommige gevallen zelfs dat zij sterker geworden zijn door tegenslagen (post-traumatic growth). Het overgrote deel van de mensen ontwikkelt geen psychische problemen als gevolg van stress, wat aangeeft dat goede weerstand eerder de norm is dan een uitzondering.

Sommige theorieën stellen dat er een meetbaar persoonlijkheidskenmerk is dat weerstand bepaalt, terwijl anderen stellen dat weerstand alleen gemeten kan worden als de respons op stressvolle gebeurtenissen.

Hoe werkt weerstand voor psychopathologie in Longitudinale studies?

Er zijn drie sets factoren die van invloed zijn op de weerstand van kinderen, namelijk temperamentdimensies, cohesie binnen de familie en de beschikbaarheid van steun buiten de familie. Een hoge mate van E-PA is goed voor de weerstand, net als een interne locus van controle. Dit laatste betekent dat het individu gelooft dat de uitkomsten en vooruitzichten in het leven binnen de eigen controle liggen, waardoor diegene zich niet machteloos voelt.

Longitudinale studies naar weerstand bij mensen die in hun jeugd mishandeld en misbruikt zijn, vonden bepaalde factoren die onderscheid maken tussen de mensen die emotionele stoornissen ontwikkelden als gevolg hiervan en diegenen die dat niet deden. Zo bleek dat goede zorg door de ouders, goede interpersoonlijke relaties met vrienden tijdens de adolescentie en de kwaliteit van relaties tijdens de volwassenheid bijdroegen aan een goede weerstand. Deze groep werd ook gekenmerkt door een lage score op neuroticisme.

De positieve invloed van sociale steun en familiecohesie werd teruggevonden in veel andere studies.

Zorgt het ervaren van stress voor bescherming?

Sommige studies wijzen uit dat blootstelling aan stress onder sommige omstandigheden een beschermend effect heeft op mensen wanneer zij later blootgesteld worden aan een nieuw trauma. Wat hierbij van belang is, is de manier van omgaan met stress. Een vermijdende copingstijl vergroot het risico op PTSD, terwijl een actiegeoriënteerde copingstijl (het hebben van een plan) geassocieerd wordt met een goede weerstand.

Uit dierstudies blijkt dat wanneer een traumatische gebeurtenis niet voorkomen kan worden, er een grotere activatie in de Dorsale Raphe Nucleus (DRN) te zien is. Dit wordt geassocieerd met veranderingen in gedrag, waarbij er bij toekomstig trauma dat wel voorkomen zou kunnen worden, geen actie wordt ondernomen (dit is dus geleerde hulpeloosheid). Dit effect wordt gemedieerd door de vmPFC, die in verbinding staat met de DRN. Wanneer het inhiberende effect van de vmPFC verbeterd wordt, zorgt dit voor een betere weerstand tegen stress. Het lijkt er in het algemeen op dat sterkere corticaal-subcorticale circuits betrokken bij de verwerking leiden tot een beter ontwikkelde weerstand.

Gen-omgevingsinteracties voor weerstand

Caspi vond een functioneel polymorfisme in het monoamine-oxidase A-gen (MAOA). Dit gen zorgt voor een enzym dat bepaalde amine-gebaseerde neurotransmitters in de hersenen deactiveert. Kinderen die mishandeld werden en ook nog eens dragers waren van de lage uitdrukkingsvorm van het MAOA-gen, hadden een grotere kans op een latere diagnose voor gedragsstoornissen, antisociaal gedrag en geweld. Mishandelde kinderen die drager waren van de hoge uitdrukkingsvorm van het gen daarentegen, lieten een vrij goede weerstand zien tegen emotionele problemen. Dit laat zien dat zowel genen als omgeving een belangrijke invloed hebben op de ontwikkeling van emotionele problemen. Omdat dit gen specifiek is voor het X-chromosoom, kan het bij mannen niet gemodereerd worden door nog zo’n zelfde gen omdat zij geen tweede X-chromosoom hebben. Mede hierdoor komt geweld en agressie vaker voor bij mishandelde mannen.

Bestaat er een persoonlijkheidstype met een hogere weerstand?

Rutter stelde dat weerstand niet gezien kan worden als een persoonlijkheidskenmerk omdat er belangrijke invloeden buiten de persoon liggen. Desondanks is het mogelijk dat bepaalde temperamenten of eigenschappen van invloed zijn op factoren die weer een invloed hebben op weerstand. Zo hebben mensen met een hoge E-PA vaak een groter netwerk van vrienden en dus een betere toegang tot sociale steun, wat weer een buffer vormt tegen stress.

Ander onderzoek vond dat mensen die een goede weerstand hebben, vaak een veel sneller fysiologisch herstel laten zien van een stressvolle ervaring. Deze mensen ervaren ook minder depressieve symptomen als gevolg van sterk emotionele situaties. Ego resiliency (of trait resilience) wordt gezien als het vermogen om je flexibel aan te passen aan veranderende omstandigheden. Dit wordt gezien als een stabiel persoonlijkheidskenmerk.

Positieve emoties zijn een belangrijk onderdeel van trait resilience

Positieve emoties vormen een cruciaal deel van trait resilience. Mensen met een goede weerstand gebruiken positieve emoties als een manier om om te gaan met stressvolle en moeilijke situaties. Deze mensen ervaren meer emoties, zowel positief als negatief, wanneer zij een tegenslag meemaken. Mensen verschillen dus in hoe goed ze negatieve emoties kunnen reguleren ten tijde van stress.

Iemand die veel positieve emoties ervaart heeft ook nog eens minder kans op een hersenbloeding op latere leeftijd en leeft gemiddeld langer. De wijdverspreide voordelen van positieve emoties kunnen verklaard worden door de broaden-and-build theorie van positieve emoties. Positieve emoties verbreden het gedachten-actierepertroire waardoor iemand een verscheidenheid aan persoonlijke bronnen kan bouwen die helpen bij de lange-termijnaanpassing aan tegenslagen.

Positieve emoties zorgen dat mensen meer open staan voor nieuwe ideeën en dat zij meer flexibel en creatief zijn in hun denken. De aandachtsfocus wordt verbreed.

Is een onderdrukkende copingstijl goed voor de weerstand?

Mensen met een onderdrukkende (repressive) copingstijl vermijden over het algemeen dreiging en negatieve emoties. Een belangrijke eigenschap ervan is een scheiding tussen zelfrapportage (hier wordt weinig angst gevonden) en fysiologische respons (hier wordt juist hoge angst gevonden). Mensen met deze copingstijl worden gekarakteriseerd door aandachtsbiases voor het ontwijken van dreigingsgerelateerde stimuli. Daarbij halen ze bij geheugentaken relatief veel positieve herinneringen op. Dit automatische ontwijkingssysteem zou een beschermend mechanisme kunnen zijn om de niveaus van angst laag te houden in stressvolle situaties.

In longitudinale studies werd de onderdrukkende copingstijl geassocieerd met verminderde psychologische symptomen van depressie, angst en PTSD. Dit lijkt in tegenspraak met het feit dat vermijding van negatief affect juist kan leiden tot negatieve affectiviteit en PTSD. Het blijkt echter dat vermijding van negatief affect bij onderdrukkende coping automatisch en onbewust gebeurt en dit lijkt te zorgen voor een beschermende functie, in tegenstelling tot bewuste pogingen om dreiging te vermijden.

Hoe verhouden geluk en welzijn zich tot elkaar?

Wanneer geluk wordt onderzocht, geeft de meerderheid van de mensen aan dat zij boven neutraal zitten en dus gelukkig zijn. Er is echter verschil tussen individualistische en collectivistische culturen: in individualistische culturen wordt veel nadruk gelegd op eigen subjectief welzijn en geluk, terwijl collectivistische culturen het welzijn en geluk van anderen belangrijker vinden.

Het meten van geluk

Veel schalen die SWB en geluk meten, meten een aanhoudende stemming maar onderzoek wijst erop dat SWB relatief stabiel is over allerlei situaties. Emoties en stemmingen fluctueren over tijd, maar hangen over het algemeen rond een gemiddeld niveau dat varieert tussen mensen. Dit gemiddelde niveau van positief affect zou gemeten moeten worden door instrumenten die SWB in kaart trachten te brengen.

Het is echter problematisch om mensen een oordeel te laten geven over hun SWB over een bepaalde tijdsperiode. Het blijkt namelijk dat mensen bij het beoordelen van hun ervaring over een korte tijdsperiode vooral de piek en het einde ervan in acht nemen. Dus ongeacht de rest van de ervaring, de piek en het eind zijn de beste voorspellers van de algehele beoordeling. Dit betekent dat wanneer mensen in een goede stemming zijn wanneer ze een SWB-vragenlijst invullen (dus aan het eind van hun ervaringen), de kans groot is dat zij hun ervaringen positiever beoordelen. Hier moet dus rekening mee gehouden worden bij het meten van SWB.

Het blijkt ook dat over een langere tijdsperiode de intensiteit van positieve affectieve ervaringen niet zo’n grote rol speelt in de algehele beoordeling van geluk en SWB, maar eerder de frequentie waarmee positieve emoties en stemmingen voorkomen. Dit kan komen omdat mensen die zeer intense positieve emoties ervaren, ook zeer intense negatieve emoties ervaren waardoor het positieve effect enigszins tenietgedaan wordt.

Seligman stelt dat geluk bestaat uit drie factoren die gemeten moeten worden om een beeld te krijgen van SWB. De eerste factor is positieve affectiviteit en in welke mate dit ervaren wordt. De tweede component is hoe verbonden mensen zijn met het leven; of ze zich in een staat van flow bevinden. Dit betekent dat het leven veel betekenis krijgt doordat mensen zich zeer verbonden voelen en trots zijn op de kleinste, simpelste taken.

De derde component, tot slot, is hoe betekenisvol mensen hun leven vinden, waarbij breder gekeken wordt dan alleen de alledaagse factoren.

Met andere woorden, geluk gaat niet alleen om het maken van plezier maar ook om de mate van controle die we hebben over ons leven; hoe creatief we zijn in het vinden van betekenis en verbondenheid met een reeks activiteiten. Mensen verschillen van elkaar op deze factoren. De gelukkigste mensen zijn degenen die zich richten op het maximaliseren van alle drie deze factoren. Het is belangrijk dat er ook metingen worden ontwikkeld die alle drie de factoren op een andere manier kunnen vastleggen dan alleen via zelfrapportage, zodat er een completer beeld ontstaat van geluk en SWB.

De bepalende factoren van geluk

Het vermogen om meer positieve dan negatieve emoties te ervaren is een goede voorspeller van SWB. Dit wordt ook gevonden in een studie naar getrouwde stellen: wanneer zij op zijn minst vijf positieve affectieve interacties met elkaar hebben voor elke negatieve interactie, is de kans dat zij lang bij elkaar blijven veel groter. Natuurlijk zijn externe factoren en temperament hierin wel bijdragende factoren.

Externe factoren en levensgebeurtenissen

Hoewel meestal wordt aangenomen dat factoren als gezondheid en rijkdom gezien worden als bepalend voor geluk, blijkt dat deze factoren slechts een hele kleine bijdrage leveren. Een toename in inkomen bijvoorbeeld, maakt alleen verschil voor SWB als het oorspronkelijke inkomen erg laag was. Ook wanneer mensen een tegenslag in hun gezondheid hebben ervaren, zorgt dit vaak niet voor een significante vermindering van SWB. Dit kan verklaard worden door de hedonic adaptation theory. Mensen reageren op goede en slechte gebeurtenissen op het moment dat deze gebeuren maar hierna begint al snel de adaptatie en komen zij in korte tijd weer dichtbij de persoonlijke baseline van SWB. Verschillen in deze baseline worden waarschijnlijk veroorzaakt door genetische en temperament-oorzaken.

Hoewel de hedonic adaptation theory geldt voor een breed scala aan gebeurtenissen, zijn er ook ervaringen die wel zorgen voor een significante verandering in SWB. Voorbeelden zijn het overlijden van een echtgenoot of plotselinge werkeloosheid. Bij dit soort heftige gebeurtenissen kan het wel acht jaar duren voordat SWB weer in de buurt komt van de baseline. Ook hier moet echter de invloed van temperament en andere persoonlijke verschillen weer meegenomen worden.

Ondanks dat mensen zich redelijk snel aanpassen aan bovengenoemde gebeurtenissen, zijn er ook zeker wel bepaalde ervaringen die bijdragen aan een beter SWB. Voorbeelden zijn het doorbrengen van tijd met andere mensen en religieuze overtuigingen en praktijken. Voor dit laatste kan het echter ook zijn dat dit alsnog te maken heeft met de omgang met andere mensen in een hechte, steunende omgeving.

Het belang van ervaren controle

Het lijkt erop dat een gevoel van controle in werk en leven één van de belangrijkste factoren is die ten grondslag licht aan een positieve mentale gezondheid en welzijn. Een interessante bevinding is met name dat zelfs wanneer dit gevoel van controle maar een illusie is, mensen zich toch gelukkiger voelen. Het hoeft dus niet eens zo te zijn dat mensen daadwerkelijk meer controle hebben. Wanneer mensen hun gevoel van controle verliezen, kan dit ernstige gevolgen hebben voor mentale (en tot op zekere hoogte fysieke) gezondheid, zoals depressie en hulpeloosheid.

Het verlangen naar deze illusie van controle is zo sterk, dat mensen zich gedragen alsof ze oncontroleerbare zaken toch kunnen controleren. Zo denken mensen vaak dat ze een grotere kans hebben op het winnen van de loterij, wanneer ze zelf hun lotnummer mogen bepalen. De bevindingen komen overeen met het feit dat mensen met een depressie vaak het gevoel hebben dat zij geen controle hebben over zaken.

Het depressive realism effect houdt in dat depressieve mensen beter zijn in het schatten hoeveel controle ze hebben over een bepaalde uitkomst. Gelukkige mensen hebben de neiging om de mate van controle te overschatten. Dit lijkt een vreemde uitkomst, gezien het feit dat veel andere onderzoeken vinden dat depressieve mensen juist last hebben van negatieve bias. Het blijkt dat depressive realism alleen voorkomt wanneer mensen hun eigen gedrag moeten beoordelen. Wanneer zij de mate van controle van anderen moeten beoordelen, overschatten ze die ook. Het lijkt er dus op dat depressieve mensen met name het idee hebben dat zij minder controle over zaken hebben dan de mensen om hen heen.

Fouten in affectieve voorspellingen

Affective forecasting (affectieve voorspellingen) blijkt zeer onbetrouwbaar te zijn. Mensen zijn niet zo goed in het voorspellen wat hen blij of verdrietig zou maken. Zo is de impact bias de neiging om de duur en intensiteit van een emotionele reactie (positief of negatief) op een toekomstige gebeurtenis te overschatten. Dit komt met name doordat we ons niet realiseren hoe snel we wennen aan de dingen die ons overkomen. Daarnaast onderschatten we de mate waarin gebeurtenissen - anders dan de gebeurtenis waar we over nadenken – van invloed zijn op onze reacties.

Wat zijn temperament- en persoonlijkheidsfactoren?

De onderzoeken die tot nu toe besproken zijn, wijzen erop dat E-PA een belangrijke temperamentdimensie is die geassocieerd is met het ervaren van meer positieve stemmingen en emoties. Mensen met een hoog E-PA zijn meer reactief voor positieve stimuli op neurale en cognitieve niveaus. Er is dan ook bewijs dat verschillende aan E-PA gerelateerde constructen (extraversie, neuroticisme, zelfrespect en optimisme) sterk correleren met SWB. Dit komt deels doordat extraverten meer beloningen uit hun omgeving en sociale interacties halen, waardoor ze een hogere mate van geluk ervaren.

Het verband tussen temperament en SWB kan een direct verband zijn (enhancement model), of kan gemoduleerd worden door factoren als het type vrienden en de levensstijl die iemand heeft (facilitation model). Het kan ook zijn dat SWB een rol speelt in het veroorzaken van een hoge E-PA (consequence model). Tot slot kunnen SWB en E-PA een continuüm vormen, met SWB aan het extreme eind van de dimensie (spectrum model).

Deze vier modellen zijn niet wederzijds uitsluitend; ze kunnen allemaal voorkomen. De richting van het causale verband tussen temperament en SWB kan alleen vastgesteld worden met longitudinale studies die zowel temperament als welzijn meten. Veel van deze studies zijn er niet maar er is wel aangetoond dat een hoge E-PA zorgt voor minder depressie. Dit wijst erop dat temperament een causale rol kan spelen bij het bepalen van SWB, als we er vanuit gaan dat weinig depressie geassocieerd is met een beter welzijn.

De big five geeft ook geen uitsluitsel, want de manier waarop SWB gemeten wordt blijkt een belangrijke invloed te hebben op de bevindingen. Wanneer de Satisfaction with Life scale gebruikt wordt, is er een sterke relatie tussen SWB en ordelijkheid. Wanneer, echter, geluk gemeten wordt in termen van hoe vaak positieve emoties ervaren worden, blijkt er een sterkere relatie te zijn met extraversie.

Samengevat wordt dus consistent gevonden dat een hogere E-PA leidt tot het ervaren van meer positieve emoties en stemmingen. Echter, positieve affectiviteit is slechts één component van geluk en andere persoonskenmerken zoals conscientieusheid hebben ook een sterke invloed in het bepalen van SWB.

Wat zijn cognitieve en neurobiologische factoren?

Positieve stemmingen worden geassocieerd met een selectieve aandachtsbias richting beloningsgerelateerde woorden. Dus door een positieve stemming wordt iemand meer gevoelig voor beloningen uit de omgeving. Daarnaast halen mensen in een positieve stemming meer positieve informatie op. Deze biases kunnen helpen om de relatie tussen temperament en SWB te verklaren.

Wat zijn de voordelen van positieve emoties?

In de volgende sectie worden positieve emoties als vreugde, interesse, dankbaarheid enzovoorts besproken, met de effecten die zij hebben op cognitie en gedrag en of de effecten van de positieve emoties gelijk zijn of van elkaar verschillen.

Vreugde/geluk

Vreugde (joy) of geluk is de meestvoorkomende positieve emotie die op een constante basis ervaren wordt. De emotie wordt geassocieerd met een duidelijke gezichtsuitdrukking: de glimlach, die universeel herkend wordt. Het is makkelijk om onderscheid te maken tussen een oprechte glimlach (Duchenne smile) en een onoprechte glimlach want wanneer een glimlach oprecht is, is er ook sprake van een samentrekking van de spieren bij de ogen. Dit type glimlach wordt geassocieerd met linker asymmetrie in de hersenactiviteit, wat gezien wordt als een neurale marker voor positief affect.

Mensen die veel glimlachen hebben een beter SWB. Het ervaren van vreugde lijkt dus geassocieerd te zijn met een verbetering van het SWB. Daarnaast vergroten vreugde en geluk iemands openheid voor ervaringen, wat weer geassocieerd wordt met sociale interactie het het versterken van sociale banden. Mensen worden onder andere meer behulpzaam door vreugde.

Vreugde is sterk geassocieerd met de drang om te spelen, wat belangrijk is voor het ontwikkelen van blijvende sociale banden en connecties en andere belangrijke overlevingsvaardigheden. Daarnaast leidt vreugde tot een verbetering van verschillende cognitieve processen zoals creativiteit en probleemoplossing.

Interesse

Interesse is een plezierige emotie, hoewel de vraag is of het wel als emotie bestempeld mag worden. Het overlapt voor een deel met nieuwsgierigheid, verwondering en intrinsieke motivatie en speelt een belangrijke rol in het ontwikkelen van de drang tot het ontdekken van de omgeving. Dit ontdekken is geassocieerd met iemands verbondenheid met de omgeving, wat weer een sleutelelement in geluk is.

Dankbaarheid

Dankbaarheid wordt ervaren wanneer mensen zichzelf zien als de ontvangers van een bewust gegeven object. De emotie wordt het sterkst ervaren als het gegeven object waardevol is voor de ontvanger en kostbaar voor de gever. Dankbaarheid zou geassocieerd zijn met een actieneiging om in de toekomst bij te dragen aan het welzijn van de gever. Een belangrijke functie van dankbaarheid is dus om sociale cohesie te bevorderen door reciprociteit aan te moedigen. Dit gaat er wel vanuit dat dankbaarheid voor een langere periode aanhoudt, veel onderzoekers stellen dan ook dat dit een relatief stabiele eigenschap is.

Een aantal studies heeft op zijn minst gevonden dat dankbaarheid als tijdelijke stemming kan leiden tot meer pro-sociaal gedrag, wat helpt in het opbouwen van sociale relaties. Opvallend was dat wanneer amusement toegevoegd werd aan het experiment (dus een andere positieve emotie), dit niet leidde tot meer pro-sociaal gedrag, terwijl dankbaarheid dit wel deed. Dit komt waarschijnlijk door de sociale basis die aan dankbaarheid ten grondslag ligt.

Emoties die gebaseerd zijn op de eigen waarden en prestaties (zoals trots) zullen veel minder snel leiden tot pro-sociaal gedrag.

Er is ook een causaal verband gevonden; mensen die vaak ergens dankbaar voor zijn, rapporteren een beter SWB. Ze zijn meer alert, enthousiast, toegewijd, aandachtig en energiek. Dankbaarheid wordt verder geassocieerd met een positieve geheugenbias, waarbij dankbare mensen meer geneigd zijn om positieve levensgebeurtenissen op te halen. Dit leidt tot een positieve spiraal, waarbij gevoelens van dankbaarheid leiden tot gevoelens van geluk, die weer leiden tot gevoelens van dankbaarheid, etc. Het causale verband gaat dus in twee richtingen.

Wat houdt Fredricksons broaden-and-build hypothese in?

De broaden-and-build-theorie verklaart de correlaties tussen positieve emoties en mentale en fysieke gezondheidsvoordelen als volgt: positieve emoties verbreden het huidige gedachte-actie-repetoire, waardoor mensen kunnen bouwen aan een reeks persoonlijke bronnen die helpen met de lange-termijnaanpassing aan nadelige omstandigheden. Veel negatieve emoties zijn verbonden aan specifieke actieneigingen die helpen met overleven. Positieve emoties daarentegen komen vaak voor in een veilige omgeving. Hier is de smalle aandachtsfocus die nodig is om snel te reageren niet noodzakelijk. De focus kan verbreed worden, waardoor de cognitieve context vergroot wordt, wat weer goed is voor het bouwen van hulpbronnen voor de toekomst. Alle positieve emoties hebben dit effect, ondanks dat de subjectieve ervaringen van de emoties verschillen. Kortom, volgens deze theorie vergroten positieve emoties het welzijn door het verbreden van de cognitieve processen.

Welke neurobiologische mechanismen spelen een rol?

De neurotransmitter dopamine (DA) speelt een belangrijke rol in het beloningssysteem van de hersenen. Het blijkt dan ook dat mensen met een hogere E-PA verhoogde niveaus van DA-activiteit hebben. DA wordt afgegeven in delen van de ACC die een rol spelen in flexibele denkvaardigheden.

Een verhoogd niveau van DA wordt dus geassocieerd met meer cognitieve flexibiliteit. De afgifte van DA tijdens een positieve stemming kan dus verklaren waarom flexibel denken en problemen oplossen zoveel beter gaat.

EEG-studies vinden bewijs voor de theorie dat linker frontale asymmetrie samengaat met positief affect. Baseline metingen van linker asymmetrie waren sterke voorspellers van verbeterd welzijn bij volwassenen. Het vermogen om negatieve emoties te reguleren is vaak te zien in de hersenen door de onderdrukking van subcorticale structuren (amygdala) door de PFC. Dit is ook een mogelijke indicator voor welzijn.

Bestaan er interventies die geluk kunnen versterken?

Als er daadwerkelijk een baseline is voor iedere persoon die het gemiddelde welzijn bepaalt, kan het wel eens heel moeilijk worden om een interventiestrategie te ontwikkelen die een blijvende impact heeft op het welzijn. Er zijn echter bepaalde oefeningen die gedaan kunnen worden om het gevoel van welzijn voor een langere periode te verbeteren. Voorbeelden zijn het schrijven van een dankbare brief aan iemand die dat verdient, maar nooit echt bedankt is, of elke dag drie dingen opschrijven die goed gingen.

Een onderzoek vond zelfs dat meditatietraining niet alleen een positief effect had op subjectief welzijn, maar dat het immuunsysteem ook beter ging werken. Positief affect en welzijn spelen dus een rol in het verbeteren van zowel mentale als fysieke gezondheid.

Transcendentie en spiritualiteit

Volgens de filosofen moeten we, om echt gelukkig te zijn, uitstijgen boven de materiële en sociale wereld. Iemand kan alleen wijs worden als hij op deze manier transcendent is. Een waardering van het wijdere universum en een gevoel van spiritualiteit worden gezien als essentieel voor waar geluk.

Cloninger stelt dat er drie persoonlijke eigenschappen essentieel zijn voor welzijn. Self-directedness kan ontwikkeld worden door te leren om kalm te zijn, de eigen beperkingen te kennen en alledaagse angsten en conflicten los te laten. Cooperativeness kan ontwikkeld worden door het gevoel van ‘mindfulness’ te vergroten en te werken voor anderen. Mensen kunnen leren om self-transcendent te zijn door te groeien in zelfbewustzijn van de perspectieven die negatieve emoties voortbrengen, en het ervaren van deze emoties te beperken. Door alle drie deze eigenschappen te ontwikkelen, zouden mensen echt kunnen opbloeien en het goede leven kunnen leiden.

De drie eigenschappen kunnen gezien worden als drie voorwaarden voor het ontstaan van een spontane opwaartse spiraal van zelfbewust zijn. Interessant genoeg zijn veel van de behandelmethoden voor depressie gebaseerd op het creëren van mindfulness, waarbij veel van de theorieën van Cloninger naar boven komen. Hoe meer ‘mindful’ mensen zijn, hoe beter ze in staat zijn om delen van de PFC te activeren wanneer ze affectieve stimuli categoriseren. Dit gebeurt vooral bij negatieve stimuli, en leidt tot een verminderde activatie in de amygdala. Dit suggereert dat mindfulness en meditatie in staat zijn om positief affect en welzijn te versterken door het versterken van de neurale mechanismen onderliggend aan de regulatie van negatief affect.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Psychology Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2608
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector