Welke individuele verschillen in emotionele reacties en emotieregulaties zijn er? - Chapter 3
- Wat is temperament?
- Wat is persoonlijkheid?
- Wat zijn de invloedrijke theorieën over persoonlijkheid?
- Hoe staan deze theorieën met elkaar in verband?
- Wat houdt Maslow’s hierarchy of needs in?
- Wat houdt Affectiestijl in?
- Wat zijn de individuele verschillen in emotionele respons?
- Wat zijn de neurale factoren van individuele affectiestijl-verschillen?
- Welke Affectregulatie-strategieën zijn er?
- Wat is emotieregulatie?
Er zijn duidelijke individuele verschillen in hoe mensen reageren op affectieve stimuli. Het meeste onderzoek gaat echter vooral over hoe mensen in het algemeen reageren. Dit hoofdstuk focust op de manieren waarop mensen verschillen in hoe ze hun affectieve toestand ervaren en hoe ze affectieve situaties verwerken, reageren en reguleren.
Wat is temperament?
Temperament kan beschreven worden als de neiging om op een bepaalde manier te reageren op een breed scala aan situaties. Deze neigingen staan zeer waarschijnlijk in verband met bepaalde neurale circuits. Twee fundamentele aspecten van temperament zijn hoe gemakkelijk emotionele opwinding ontstaat (reactiviteit) en hoe goed iemand is om deze opwinding onder controle te houden (zelfregulatie). Zelfregulatie heeft te maken met een reeks processen, waaronder aandacht mechanismen, benaderingsgedrag, ontwijking, aanval enzovoorts. Dat wijst erop dat de hersenen zowel excitatory (opwekkende-) als inhibitory (onderdrukkende-) circuits bevat. Iemand met een sterk inhibitoir circuit is beter in staat om zijn reacties onder controle te houden. Er wordt aangenomen dat genen een sterke invloed hebben op temperament.
Thomas en Chess vonden in hun onderzoek dat er drie soorten kinderen zijn (onderverdeeld op temperament): “makkelijke” kinderen, kinderen die moeilijk op gang komen en “”moeilijke kinderen. Het bleek dat “moeilijke” kinderen een grotere kans hadden om op latere leeftijd psychiatrische problemen te ontwikkelen. Dit heeft zeer waarschijnlijk te maken met de manier waarop emoties worden geuit en gereguleerd, dit vormt de basis van temperament.
Wat is persoonlijkheid?
Persoonlijkheid is vaak verward met temperament. Een belangrijk verschil is echter dat temperament vaak getest wordt bij kinderen, om de invloed van ontwikkeling en genen te onderzoeken. Persoonlijkheid wordt juist vaak onderzocht bij volwassenen, vooral bij diegenen die last hebben van psychologische problemen. Persoonlijkheid treedt, net als temperament, op als een factor die emotionele reactiviteit en reguleringsprocessen bepaalt.
Zelf-rapportage-technieken zijn vaak gebruikt om de persoonlijkheidsfactoren (traits) te onderzoeken, die ons iets kunnen vertellen over hoe uniek een persoon is en hoe mensen van elkaar verschillen. Een definitie van persoonlijkheid is: de dynamische organisatie binnen een individu van de mentale en biologische systemen die de karakteristieke gedragingen en gedachten bepalen. Volgens Allport zijn karaktereigenschappen niet alleen labels voor verschillende gedragingen, maar ook neuropsychologische structuren die daadwerkelijk bestaan binnen een persoon. Geen twee mensen hebben exact dezelfde persoonlijkheid, maar we gebruiken wel veelvoorkomende eigenschappen om mensen in te delen in meer algemene termen (vrolijk, betrouwbaar, etc.). Persoonlijkheidsfactoren zijn belangrijk omdat ze de kernaspecten van persoonlijkheid vormen en deze bepalen hoe een bepaalde situatie wordt geïnterpreteerd. Dit is weer van invloed op gedrag.
De trait-benadering van persoonlijkheid
Cattell stelde dat er drie belangrijke bronnen van persoonlijkheidsdata zijn. L-data is een verzameling van informatie over iemands leven, zoals schoolarchieven en beoordelingen van anderen in de omgeving. Q-data komt voort uit een zelf-rapportage vragenlijst of een interview, waarbij iemand een beschrijving van zichzelf geeft. Als laatste is er T-data, wat voortkomt uit een objectieve test, een perceptuele taak. In persoonlijkheidsonderzoek rondom emoties wordt het meeste gebruik gemaakt van Q-data.
Cattell ontwikkelde ook een schaal met 16 kern-persoonlijkheidsfactoren (16-PF scale). Elk van de 16 eigenschappen staat voor een continuüm tussen twee extremen, bijvoorbeeld conservatief-experimenteel. Norman vond vervolgens dat de 16 eigenschappen van Cattell nog eens op te delen waren in vijf kernfactoren. Recent onderzoek sluit zich aan bij Norman en de uiteindelijke big five van persoonlijkheidsfactoren bestaat uit extraversie, ordelijkheid, inschikkelijkheid, emotionele stabiliteit en openheid voor ervaringen. Een vragenlijst (de NEO-Personality Inventory) is ontwikkeld om deze vijf factoren te meten.
Kritiek op de trait-benadering
Het vijf-factormodel van persoonlijkheid mist een aantal belangrijk aspecten, zoals religie, manipulatie, eerlijkheid, mannelijkheid/vrouwelijkheid, gevoel voor humor enzovoorts. Deze aspecten zijn wel degelijk in staat om reacties op affectieve situaties te beïnvloeden. Verder is uit onderzoek gebleken dat de vijf factoren niet helemaal onafhankelijk van elkaar zijn. Daarnaast houdt het geen rekening met culturele verschillen en geldt dus waarschijnlijk alleen in westerse culturen, waar men uitgaat van een onafhankelijk zelf. Er wordt namelijk geen rekening gehouden met invloeden vanuit de omgeving, zoals familie en andere sociale groepen.
Wat zijn de invloedrijke theorieën over persoonlijkheid?
Eysenck’s model
Eysenck ontwikkelde een model van menselijk temperament, dat twee belangrijke dimensies van persoonlijkheid bevatte: introvert/extravert en neurotisch/stabiel. Introverten zijn wat meer teruggetrokken, minder sociaal actief, stil en introspectief, terwijl extraverten sociaal actief, blij, impulsief en assertief zijn. Deze dimensie heet extraversioe-positievaffectiviteit (E-PA). Neuroticisme bestaat uit een reeks emotionele toestanden (angst, depressie, spanning) en correleert hoog met metingen van - de persoonlijkheidstrek angst. Deze dimensie heet neuroticisme-negatieve affectiviteit (N-NA). Later werd de factor psychoticisme nog toegevoegd, die gekarakteriseerd wordt door egocentrisch, agressief en impulsief gedrag. De drie factoren zijn volledig onafhankelijk van elkaar en worden beïnvloed door de genen. Introverten hebben meer activiteit in de cortex dan extraverten, dit wordt gereguleerd door het ascending reticular activating system (ARAS) in de hersenen. Er zijn meerdere onderzoeken die verschillen in activiteit vonden tussen de dimensies van Eysenck’s model.
Kagan’s model
Kagan heeft een tweedimensionaal model van temperament ontwikkeld, waarbij hij vooral geïnteresseerd was in hoe jonge kinderen reageren op onbekende situaties (mensen of objecten). De kinderen werden ingedeeld in twee categorieën: Geïnhibeerd en ongeïnhibeerd. Geïnhibeerde kinderen reageren angstig en gestrest op nieuwe situaties, terwijl ongeïnhibeerde kinderen minder angstig zijn en meer geneigd om de situatie te onderzoeken. De geïnhibeerde kinderen raken snel in een staat van opwinding en ontwikkelen zich tot relatief angstige en voorzichtige individuen. Dat deze kinderen sneller opgewonden raken van een situatie (hoge reactiviteit) komt door een lage drempel voor opwinding in de amygdala en de effecten hiervan op het ventrale striatum, de hypothalamus, cingulate en andere hersendelen.
Gray’s model
Gray ontwikkelde een persoonlijkheidstheorie waarbij hij uitging van drie basis-emotiesystemen in de hersenen: een Fight or Flight System (F/FLS), een Behavioural Activation System (BAS) en een Behavioural Inhibition System (BIS).
Het BIS-systeem zorgt voor de inhibitie van gedrag wanneer een gevaar gedetecteerd wordt, vergroot waakzaamheid en resulteert in een verhoogde opwinding. De input (een gevaarlijke situatie), zorgt voor een conflict met bestaand gedrag en verstoort dit, om een vecht-vluchtreactie mogelijk te maken. Wanneer er sprake is van een approach-avoidance conflict, een conflicht tussen de voordelen van een snelle ontsnapping en die van het verder onderzoeken van de situatie, kunnen anti-angstmedicijnen een verschil maken. Deze zorgen dat de focus verschuift naar approach. Dit is ook de manier waarop deze medicijnen werken bij mensen met een angststoornis. Uit onderzoek blijkt verder dat het septo-hippocampale systeem cruciaal is voor angst. Daarom wordt aangenomen dat de BIS zich bevindt in dit systeem en van daaruit gedragsinhibitie controleert.
Het F/FLS is betrokken bij directe angstreacties en controleert actief vecht-vluchtgedrag. De keuze voor vechten of vluchten hangt af van de defensieve afstand tussen het gevaar en het individu. Vechten is alleen toepasselijk wanneer het gevaar erg dichtbij is en ontsnappen niet mogelijk is. Dit systeem wordt waarschijnlijk gestuurd door de amygdala en speelt een rol in paniek en fobieën bij mensen.
Het BAS-systeem houdt zich bezig met reacties op signalen van beloningen of niet-straffen. Wanneer dit systeem geactiveerd wordt, resulteert dat in actief benaderingsgedrag.
De basis van angstreacties wordt gezien als de activatie van BIS door middel van de gelijktijdige activatie van F/FLS en BAS. Deze gelijktijdige activatie leidt tot een approach-avoidance conflict (F/FLS leidt immers tot avoidance, BAS tot approach) Wanneer dit conflict ontstaat, is de taak van de BIS om de reactie meer in de richting van avoidance te krijgen, omdat het systeem ontworpen is om mogelijk gevaarlijke stimuli meer saillant te maken.
Twee vragenlijsten zijn ontwikkeld om BIS- en BAS-activering te meten in de vorm van zelf-rapportage. Mensen die hoog scoren op BAS-activering zijn over het algemeen meer gevoelig voor beloningen, terwijl mensen die hoog op BIS-activering scoren meer gevoelig zijn voor straffen.
Cloninger’s model
Cloninger ontwikkelde ook een psychobiologisch model van temperament, gebaseerd op het idee dat er drie primaire temperament-typen zijn. Deze typen zijn drie onafhankelijke systemen die zich bezighouden met activatie, handhaving en inhibitie, in reactie tot specifieke soorten stimuli. Onderdeel hiervan zijn automatische responsen die eigenlijk consistente biases in informatieverwerking reflecteren. Na verder onderzoek door vragenlijsten werd nog een vierde factor toegevoegd: volharding. De vier typen worden geassocieerd met verschillende genetische profielen. Elk type bestaat op zichzelf weer uit suptypes.
De evolutie van temperament begon met de ontwikkeling van het BAS-systeem en het BIS-systeem, waarna verschillende subsystemen toegevoegd werden om het aantal gedragingen te handhaven. Onderzoek suggereert dat het ontwijken van gevaar gerelateerd is aan het norepinefrine-systeem (NE), terwijl het onderzoeken van nieuwe dingen gerelateerd is aan het dopaminerge-systeem (DA). Beloningsafhankelijkheid is gerelateerd aan het serotoninesysteem (5-HT).
Zelfconcept is ook een belangrijk deel van de menselijke persoonlijkheid. Hoe dit zelfconcept ontwikkelt hangt af van in hoeverre iemand zichzelf identificeert als een autonoom individu, als een integraal deel van de samenleving en als een integraal deel van het universum. Cultuur heeft grote invloed op deze identificatie: mensen in collectivistische culturen zullen zichzelf veel meer als een integraal deel van de samenleving zien, terwijl mensen in individualistische culturen zichzelf veel meer als autonome individuen zien. Cloningen ontwikkelde een meer uitgebreide vragenlijst waarin hij, naast de vier typen temperament, ook drie nieuwe karakterdimensies meenam:
Zelfsturing (self-directedness): de mate van individuele zelfacceptatie
Samenwerking (cooperativeness): de mate van acceptatie van anderen
Zelfoverstijging (self-transcendence): de mate waarin iemand zich een deel van het universum en de natuur als geheel voelt
Dit zeven-factormodel geeft een veel beter beeld van de menselijke persoonlijkheid dan het vier-factormodel alleen.
Hoe staan deze theorieën met elkaar in verband?
Ondanks dat de theorieën data gebruiken uit hele verschillende velden, is er een verbazingwekkende hoeveelheid overlap. De BIS- en BAS-systemen van Gray doen erg denken aan Kagan’s theorie van inhibitie en gebrek aan inhibitie. Gray gaf ook zelf aan dat Eysenck’s neuroticisme een aanwijzing is voor grotere sensitiviteit voor zowel beloning als straf. Extraversie wijst op een grotere gevoeligheid voor beloning, terwijl introversie op een grotere gevoeligheid voor straf wijst. Cloninger’s gevaarvermijding komt overeen met de BIS, zijn verkennen van nieuwe situaties met de BAS. Beloningsafhankelijkheid hangt ook vrijwel zeker samen met de BAS.
Wat houdt Maslow’s hierarchy of needs in?
Maslow stelde dat het noodzakelijk is voor het begrijpen van de menselijke persoonlijkheid om te focussen op positieve karaktereigenschappen, in plaats van de negatieve. Hij stelde dat het uiteindelijk doel van behoefte (need) was dat mensen handelen op het hoogst van hun kunnen (i.e. self actualization). De behoefte aan persoonlijke groei motiveert veel van het menselijk gedrag. Maar voordat de behoefte van self-actualization vervuld kan worden, zijn er andere, basisbehoeften die vervuld moeten worden. De meest basale van deze behoeften is de fysiologische behoefte (eten, water, slaap, seks etc.). Daarna komt de behoefte aan veiligheid, gevolgd door de behoefte aan liefde en het gevoel dat we bij een groep horen. Daarboven komt nog de behoefte aan persoonlijke erkenning en respect, wat leidt tot zelfvertrouwen. Pas als al deze behoeften vervuld zijn, kan men door naar self-actualization.
Mensen die self-actualization hebben bereikt, hebben behoefte aan privacy, hebben een realistische blik op het leven, accepteren zichzelf en anderen en de wereld zoals deze is. Ze zijn vaak spontaan, onafhankelijk en gaan met situaties om op een verfrissende, flexibele manier. Ze zijn zeker van zichzelf en laten zich niet makkelijk beïnvloeden door negatieve meningen van anderen. Blijkbaar kan de drive om te handelen op het hoogst van je kunnen een grote invloed hebben op de affectieve kwaliteit van het leven.
Wat houdt Affectiestijl in?
Affectiestijl verwijst naar de mate waarin iemand positief affect (PA), dan wel negatief affect (NA) ervaart in het dagelijks leven. Onderzoek naar affectiestijl wordt gedaan om te kijken naar persoonlijke verschillen in hoe mensen reageren op affectieve situaties en hun affectieve responsen reguleren. De person-environment covariance verwijst naar het feit dat mensen met verschillende temperamenten verschillende omgevingen en stressoren voor zichzelf creëren. Dit komt doordat de manier waarop iemand omgaat met de wereld, een grote invloed kan hebben op de sociale omgeving die we opbouwen. De mate waarin we PA of NA ervaren is afhankelijk van zowel onze evaluatie van een situatie als onze emotionele reactiviteit in deze situatie.
Componenten van affectiestijl
Emotieperceptie is een component van affectiestijl, waarbij cognitieve processen bevooroordeeld kunnen zijn in de richting van dan wel positieve, dan wel negatieve stimuli. Verder kunnen individuele verschillen bestaan in alle respons systemen van het lichaam - subjectief, gedragsmatig, fysiologisch, enzovoorts – en in de hersenenactiviteit. Ook de regulatie van emoties (een reeks processen die de sterkte van emotionele reacties vergroot, verkleint of handhaaft) kan verschillen tussen mensen.
Wat zijn de individuele verschillen in emotionele respons?
Er is een aantal manieren waarop we kunnen reageren op een emotionele stimulus. Als iets bijvoorbeeld grappig is, kunnen we lachen (gedragsoutput), ons blij voelen (subjectieve ervaring) of zelfs huilen of pijn in onze buik krijgen (fysiologische respons). Daarnaast treden er neurologische en biochemische reacties op. In deze reactiesystemen kunnen individuele verschillen zitten, met name in de drempelwaarde die bepaalt wanneer een emotionele reactie uitgelokt wordt. Het kan ook zijn dat verschillende mensen eenzelfde evaluatie maken, maar dat er een verschil zit in de reactie op die evaluatie. Naast verschillen in drempelwaarden, zijn er ook verschillen in de sterkte van de respons. Angst kan bijvoorbeeld bij de ene persoon zorgen voor een grotere versnelling van de hartslag dan bij een ander. Ook verschilt de tijd die nodig is om het hoogtepunt van de emotionele reactie te bereiken (sommige mensen worden direct boos als iets gebeurt, anderen pas na een paar minuten). Tot slot zijn er verschillen in de hersteltijd en de duur van de respons. Wanneer de hersteltijd van een reactie erg lang is, kan deze overgaan in een langdurige stemming.
Wat zijn de neurale factoren van individuele affectiestijl-verschillen?
De meeste focus bij individuele verschillen in affectieve reacties ligt bij asymmetrie in de activiteit van de prefrontale cortex. Uit onderzoek blijkt dat de linker PFC zich bezighoudt met de ervaring van positief affect, terwijl de rechter PFC zich bezighoudt met negatief affect. Individuele verschillen in prefrontale activiteit blijken stabiel te zijn over tijd, een aanwijzing dat deze activiteit behandeld kan worden als een stabiele eigenschap. Een grotere activiteit in de linker PFC wordt geassocieerd met de neiging om een emotionele stimulus te benaderen, terwijl activiteit in de rechter PFC geassocieerd wordt met de neiging om terug te trekken van de stimulus. Veel linker PFC-activiteit leidt ook tot een betere sociale vaardigheid, bij veel rechter PFC-activiteit is dit tegenovergesteld. Extreem verhoogde activiteit in de rechter PFC wordt geassocieerd met toename van angstige emoties.
De activiteit in de linker en rechter PFC is ook vergeleken met scores op de tests voor BIS- en BAS-activatie. De notie van BIS en BAS is vrijwel gelijk aan de benaderings- en terugtrekkingssystemen. Het is dan ook niet verrassend dat mensen met meer linker PFC-activiteit hoger scoorden op BAS en mensen met meer rechter PFC-activiteit op BIS.
Interessant is het onderzoek naar boosheid. Boosheid is een speciaal geval, omdat het een negatief geladen emotie is, maar wel één die duidelijk benadering gerelateerd is, in plaats van terugtrekking gerelateerd. Het blijkt dat mensen die vaak boos zijn, meer linker PFC-activiteit laten zien, ondanks dat boosheid dus een negatief affect is. Dit wijst erop dat de activiteit in de linker of rechter PFC meer te maken heeft met benaderings- en terugtrekkingsmechanismen dan met positief of negatief affect.
Welke Affectregulatie-strategieën zijn er?
Er zijn veel manieren waarop emoties en stemmingen gereguleerd kunnen worden. Een theorie om deze manieren in kaart te brengen bestaat uit vier overlappende constructen: coping, emotieregulatie, stemmingsregulatie en afweersystemen. Coping focust op het verkleinen van negatieve affectiviteit en omvat alle handelingen om dit doel te bereiken. Emotieregulatie focust op processen die gebruikt kunnen worden om specifieke emoties te reguleren. Stemmingsregulatie focust op processen die doorlopende stemmingen kunnen reguleren. Omdat stemming vaak niet gericht is op een specifiek object, bestaat dit construct uit minder goed gedefinieerde responsen dan emotieregulatie. De afweersystemen zijn processen voor het reguleren van seksuele of agressieve impulsen.
Wat is emotieregulatie?
Zoals al eerder genoemd, beslaat emotieregulatie een aantal processen die dienen om de sterkte van emotionele reacties te vergroten, verkleinen of handhaven. Onderzoek naar emotieregulatie bij kinderen focust voornamelijk op externe factoren omdat de mensen om het kind heen veel invloed hebben op hoe een kind leert met de emoties om te gaan. Bij volwassenen wordt voornamelijk gefocust op interne factoren. Veel onderzoek is gedaan naar bewuste regulatie, maar het blijkt dat dit proces ook op een vrij automatische manier kan plaatsvinden.
Er zijn vijf sets van emotieregulatieprocessen geïdentificeerd: Situatie selectie, situatie modificatie, aandacht verzetten, cognitieve verandering en respons modulatie. De eerste vier vinden plaats nog voordat de evaluatieresultaten gevormd zijn en heten antecedent-focused-strategieën. De response-focused-processen zijn degenen die optreden nadat een respons is gegenereerd.
Situatieselectie en situatiemodificatie helpen allebei om de eigenschappen van de situatie te vormen. Met andere woorden, deze processen zorgen dat we dan wel meer, dan wel minder geneigd zijn om in een situatie terecht te komen die een bepaalde emotionele lading heeft, en dat we proberen de situatie zo te beïnvloeden dat de emotionele beleving optimaal is. De aandacht verzetten houdt in dat de aandacht gefocust wordt op iets anders dan een negatief geladen emotionele situatie (ogen dichtdoen, aan iets anders denken, etc.). Cognitieve revaluatie wordt gebruikt om de betekenis van een situatie aan te passen, zodat de emotionele impact verandert. Tot slot is er respons modulatie, wat pas voorkomt wanneer de respons is gestart. Een voorbeeld is het gebruik van drugs of sport om de fysiologische of belevingsaspecten van emoties te beïnvloeden.
Spiegelneuronen zijn waarschijnlijk van belang voor het ontwikkelen van empathie voor anderen. Deze neuronen vuren wanneer we iemand anders iets zien doen, en we krijgen daardoor de neiging om het gedrag na te doen. Het is dan een logische stap om te stellen dat het willen nadoen van een actie ook leidt tot dezelfde gevoelens als die van de andere persoon. Spiegelneuronen vormen een goede basis voor het onderzoek naar onbewuste emotieregulatie.
Individuele verschillen in emotieregulatie
Moeizame (effortful) controle processen worden gedefinieerd als het vermogen om een dominante respons tegen te houden om in plaats daarvan een minder dominante respons uit te voeren. Kinderen verschillen erg van elkaar in hun vermogen om dit te doen. Deze verschillen kunnen onderverdeeld worden in overgecontroleerd, ondergecontroleerd en optimaal gecontroleerd. Een goede controle wordt in verband gebracht met betere aanpassing en sociale vaardigheden. Informatie wordt verwerkt op een meer onpartijdige manier waardoor gepast gedrag voor een bepaalde situatie makkelijker is. De mate waarin deze processen gebruikt kunnen worden, heeft een belangrijke invloed op hoe goed iemand het BIS- of BAS-systeem kan onderdrukken (afhankelijk van welke de situatie vereist). Hoe iemand omgaat met boosheid laat ook zien hoe goed hij deze controleprocessen kan inzetten; bij slechte controle is er vaak sprake van open agressie, terwijl goede controle eerder leidt tot verbale omgang met boosheid. Het is ook te verwachten dat scores op de big five van invloed zijn op de mate van controle, maar hoe dat precies in zijn werk gaat is nog niet onderzocht.
Neurale factoren van emotieregulatie
De prefrontale cortex (PFC) en anterieur cingulate cortex (ACC) spelen een belangrijke rol in emotieregulatie. Mensen die goed zijn in het verminderen van negatief affect, demonstreren een hogere mate van activatie in het dorsale gedeelte van de ACC. Het verminderen van negatief affect is ook zichtbaar als activatie in delen van de linker ventromediale PFC en verminderde activatie in de rechter amygdala. Het lijkt er dus op dat succesvolle emotieregulatie de activiteit in de amygdala vermindert.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
- Insurance for emigrants, expats and living abroad: international insurance for expats and emigrants
- Insurance for activities abroad: Backpacking Travel abroad Intern abroad Study abroad Volunteer abroad Work abroad
- Insurance: ACS Globe Traveller Caremed Insurances Expatriate Travel Insurance IMG’s GlobeHopper World Nomads Insurance SafetyWing Insurance JoHo Special ISIS verzekering NL/BE Working Nomad verzekering NL/BE More about Insurance for abroad
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results








