Samenvatting van Group Dynamics van Forsyth - 7e druk

Samenvatting bij Group Dynamics

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Wat zijn groepsdynamieken? - Chapter 1

    Wat zijn groepsdynamieken? - Chapter 1

    Groepen zijn en zullen altijd essentieel zijn voor het menselijk leven. De meesten behoren tot veel verschillende groepen, van klein (familie) tot groot (maatschappij). Om deze reden zijn de volgende punten belangrijk:

    • De sleutelkenmerken van groepen kunnen herkennen.
    • Het bestuderen van de psychische en interpersoonlijke processen die continu groepen vormen en hervormen.
    • Manieren leren om groepen effectief te helpen functioneren.

    Wat zijn groepen?

    Een groep is een collectie van twee of meer individuen die verbonden zijn door sociale relaties. Groepen komen voor in verschillende aantallen en vormen. De onderzoeksresultaten van John James suggereren dat groepen aangetrokken neigen te worden tot de kleinste vorm, namelijk tot een totaal van twee personen.

    Er zijn veel verschillende definities voor het woord "groep". Wat alle definities gemeen lijken te hebben, is de nadruk op de sociale relaties die de leden aan elkaar verbindt. De relaties die de leden met elkaar verbindt zijn niet van één soort. Een groep bestaat als een bepaalde band de leden met elkaar en met de groep verbindt.

    Groepen kunnen worden gedefinieerd op basis van het volgende:

    • Categorie.
    • Communicatie.
    • Invloed.
    • Onderlinge afhankelijkheid.
    • Onderlinge relaties.
    • Psychologische betekenis.
    • Relaties.
    • Gedeelde identiteit.
    • Gedeelde taken en doelen.
    • Grootte.
    • Sociale eenheid.
    • Structuur.
    • Systemen.

    Het is nuttig om onderscheid te maken tussen vier soorten groepen:

    Primaire groepen

    Een primaire groep is een kleine, lange termijn groep die gekenmerkt wordt door frequente interactie, solidariteit, en hoge mate van onderlinge afhankelijkheid tussen de leden die substantieel de houdingen, waarden en sociale resultaten van de leden beïnvloedt. Cooley beschouwde zulke groepen als primair, omdat ze individuen in sociale wezens transformeren. Volgens Cooley creëren ze ook een verbinding tussen het individu en de maatschappij in zijn geheel.

    Sociale (secundaire) groepen

    Een sociale groep is een relatief klein aantal individuen dat met elkaar interacteert voor een bepaalde tijdsperiode. Ze zijn groter en formeler georganiseerd dan primaire groepen. Lidmaatschap is vaak minder lang en minder emotioneel betrokken in vergelijking tot lidmaatschap van een primaire groep. Het aantal sociale groepen waartoe iemand kan behoren, kan heel groot zijn.

    Collectieven

    Een collectief is een relatief grote aggregatie of groep van individuen die overeenkomsten in handelingen en vooruitzichten laten zien. Voorbeelden zijn: een rij mensen, een groep mensen die in paniek wegrennen voor vuur, etc. Ze ontstaan omdat mensen samenkomen door een gebeurtenis of activiteit. De groep lost op als de ervaring verdwijnt. De meeste theoretici reserveren de term voor grotere groepen en minder ingewikkelde onderlinge associaties.

    Categorieën

    Een sociale categorie is een groep van individuen die op een bepaalde manier gelijk zijn aan elkaar. Drie concepten zijn hier belangrijk:

    1. Sociaal kapitaal: de mate waarin individuen, groepen of grotere aggregaties van mensen met elkaar verbonden zijn in sociale relaties die zorgen voor positieve en productieve voordelen.

    2. Sociale identiteit: iemands gevoel van 'zelf' gehaald uit relaties tot anderen en uit lidmaatschappen tot groepen; die aspecten van het zelf die verondersteld worden gemeenschappelijk te zijn voor de meeste of alle leden van dezelfde groep of sociale categorie.

    3. Stereotype: een sociaal gedeelde reeks van eigenschappen, kenmerken en verwachtingen ten opzichte van gedrag toegeschreven aan een bepaalde groep of categorie van mensen.

    Wat zijn kenmerken van groepen?

    Elke groep die op dit moment bestaat is uniek met betrekking tot zijn leven, processen en relaties. Alle groepen delen ook gemeenschappelijke kenmerken. Om een groep beter te begrijpen, moeten we iets weten over de:

    • Compositie: de individuen waaruit een groep bestaat. Groepen kunnen meer zijn dan de som van hun delen, maar elk deel definieert het geheel.

    • Grenzen: de relaties die de leden van een groep met elkaar verbinden, bepalen wie bij de groep hoort en wie niet. Een groep is begrensd op een psychologische manier. Dit kan publiekelijk erkend zijn, maar ook onbekend zijn voor het grotere publiek. Bij open groepen kan iedereen makkelijk lid worden, maar groepen kunnen ook gesloten zijn. In gesloten groepen zijn leden meer geneigd zich te richten op de collectieve natuur van de groep en te identificeren met de groep.

    • Grootte: de grootte van een groep beïnvloedt veel kenmerken van de groep, zoals de structuren, processen en patronen van interactie. Een sociaal netwerk houdt een reeks onderling verbonden individuen of groepen in.

    • Interactie: groepen vormen de setting voor een oneindige verscheidenheid aan interpersoonlijke acties. Hieronder vallen taak interactie (de gezamenlijk aangepaste acties van groepsleden die betrekking hebben op de projecten, taken en doelen van de groep) en relatie interactie (de gezamenlijk aangepaste acties van groepsleden die betrekking hebben op of invloed hebben op de aard en kracht van de emotionele en interpersoonlijke banden binnen de groep, waaronder zowel ondersteunende als ondermijnende acties vallen).

    • Onderlinge afhankelijkheid: dit betekent wederzijdse afhankelijkheid, zoals wanneer iemands resultaten, acties, gedachten, gevoelens en ervaringen tot op zekere hoogte worden beïnvloed door andere mensen. De invloed tussen leden van een groep is gelijk en wederkerig in symmetrische groepen met een vlakke, niet-hiërarchische structuur. De meeste groepen met onderlinge afhankelijkheid zijn asymmetrisch, ongelijk en hiërarchisch.

    • Structuur: groepsleden zijn vaak verbonden op een georganiseerde manier en in voorspelbare patronen. De groepsstructuur verwijst naar de organisatie van een groep, inclusief de leden, hun onderlinge relaties en hun interacties. Rollen specificeren de algemene gedragingen die verwacht worden van mensen die verschillende posities binnen een groep bekleden, en normen beschrijven welk gedrag acceptabel en welk gedrag onacceptabel is binnen een bepaalde context.

    • Doelen: de doelen die groepen nastreven zijn veel en gevarieerd. Een model, voorgesteld door McGrath, maakt onderscheid tussen vier basisdoelen:

      1. Het genereren van ideeën of plannen: dit houdt het plannen van taken en het creëren van hele nieuwe ideeën en benaderingen voor hun problemen (creatieve taken) in.

      2. Kiezen van een oplossing: groepen beslissen over zaken die een juiste oplossing hebben (intellectuele taken) of over vragen die op veel verschillende manier beantwoord kunnen worden (decision-making tasks).

      3. Onderhandelen over een oplossing voor een conflict: dit gebeurt door verschillen van meningen op te lossen door ze in het licht van hun doelen en besluiten te zetten (cognitive conflict tasks). En daarnaast door concurrentieverschillen tussen leden te beslechten (mixed-motive tasks).

      4. Uitvoeren van een taak: groepen doen dingen (contests/battles/competitive tasks) of creëren een product of voeren bepaalde collectieve handelingen uit (performances/psychomotor tasks).

    Conceptuele en gedragstaken

    McGrath maakt ook onderscheid tussen conceptuele en gedragstaken:

    Groepen die zich bezighouden met conceptuele taken vertonen over het algemeen een hoge mate van informatie uitwisseling, sociale invloed en proces-georiënteerde activiteit. Groepen die zich bezighouden met gedragstaken zijn groepen die dingen produceren of service verlenen.

    Origine: sommige groepen zijn opzettelijk gevormd door de leden. Dit worden planned groups genoemd en zijn vaak georganiseerd, taakgericht en formeel. Zulke groepen definiëren hun lidmaatschap vaak duidelijk. Emergent groups ontstaan vaak spontaan wanneer individuen samenkomen op dezelfde fysieke locatie. Zulke groepen hebben vaak onduidelijke grenzen.
    Arrow en haar collega’s voegden de planned-emergent dimensie samen met een interne-externe dimensie om te komen tot de volgende viervoudige taxonomie van groepen:

    1. Verzonnen groepen.

    2. Opgerichte groepen.

    3. Circumstantial groepen.

    4. Zelf-organiserende groepen.

    Groepssamenhang is de solidariteit of eenheid van een groep, resulterend uit de ontwikkeling van sterke en wederzijdse onderlinge banden tussen leden en krachten op groepsniveau die een eenheid binnen de groep creëren, zoals een gedeeld doel.

    Campbell opperde de term entitativity om de mate te beschrijven waarin een groep een enkele, verenigde entiteit (een echte groep) lijkt te zijn.

    Wat zijn groepsdynamieken?

    Dynamisch impliceert de invloed van krachten die samengenomen een continue beweging en verandering creëren. Groepsdynamieken zijn dan de invloedrijke onderlinge, persoonlijke processen die met de tijd in en tussen groepen ontstaan. Deze processen bepalen niet alleen hoe leden zich tot elkaar verhouden en met elkaar omgaan, maar ze bepalen ook de inherente aard en het traject van de groep; de acties die de groep onderneemt, hoe het op zijn omgeving reageert en wat het bereikt.

    De leden van groepen zijn met elkaar verbonden via sociale relaties. Deze relaties zijn zelden statisch. In de meeste groepen ontstaan in de loop van de tijd dezelfde soorten problemen en zodra ze zijn opgelost, worden nieuwe processen geïnitieerd die de aard van de groep en haar leden verder veranderen. Onderwijspsycholoog Tuckman, identificeerde vijf procesfasen in zijn theorie van groepsontwikkeling:

    1. Oriëntatie fase.

    2. Conflict fase.

    3. Structuur fase.

    4. Prestatie fase.

    5. Ontbindingsfase.

    Volgens Lewin neigen groepen krachtig te zijn in plaats van zwak, actief in plaats van passief en vloeiend in plaats van statisch. Lewin gebruikte ook de term groepsdynamieken om de wetenschappelijke discipline gericht op het onderzoeken van deze dynamieken te beschrijven. Cartwright en Zander leverden later een formele definitie: een onderzoeksgebied gewijd aan het bevorderen van kennis over de aard van groepen, de wetten van hun ontwikkeling en hun onderlinge relaties met individuen, andere groepen en grotere instellingen.

    De fundamental attribution error is een belangrijk begrip. Dit staat voor de neiging om de causale invloed van dispositionele factoren te overschatten, terwijl de causale invloed van situationele factoren wordt onderschat.

    Groepen veranderen de houding, waarden en percepties van hun leden. Triplett's onderzoek naar groepsprestaties heeft de impact van de ene persoon op de andere aangetoond, maar sommige groepen beïnvloeden leden op substantiële en duurzame manieren.

    Het bestuderen van groepen en hun dynamieken is niet alleen essentieel voor het begrijpen van mensen, maar ook voor het begrijpen van organisaties, gemeenschappen en de maatschappij. Groepen zijn onderlinge, persoonlijke microstructuren die individuen aan de maatschappij verbinden. Alle soorten maatschappijen worden gedefinieerd door de kleine groepen waaruit ze bestaan.

    Wat is de waarde van groepen?

    Groepen kunnen leiden tot uitdagingen, ontberingen en zelfs rampspoed voor hun leden en voor de samenleving. Toch zijn ze zo gunstig, misschien wel essentieel, voor de mens dat het onzinnig lijkt om naar alternatieven voor menselijke groepen te zoeken. Mensen zouden niet overleven zonder groepen.

    Access: 
    Public
    Hoe kan men groepen onderzoeken? - Chapter 2

    Hoe kan men groepen onderzoeken? - Chapter 2

    Hoe worden groepen wetenschappelijk onderzocht?

    Groepsdynamiek valt binnen het wetenschappelijke veld dat zich bezighoudt met het bestuderen van groepen en hun dynamieken. Dit veld is ook ontstaan door groepsprocessen. Deze groepsprocessen gaven vorm aan de paradigma van dit veld. Een paradigma is de gedeelde assumpties van wetenschappers over het fenomeen dat ze bestuderen; het is ook een reeks van onderzoeksprocedures. De paradigma bepaalt de vragen die onderzoekers het waard vinden om te onderzoeken. Voor alle sociale wetenschappen is groepsdynamiek een belangrijk onderwerp.

    Level of analysis verwijst naar de focus van studie bij het onderzoeken van een proces of fenomeen op meerdere niveaus. Er zijn verschillende soorten:

    • Group-level analysis: hierbij ligt de focus op de groep. Sociologen neigen naar deze vorm.
    • Individual-level analysis: hierbij ligt de focus op het individu in de groep. Psychologen neigen naar deze vorm.

    Veel verschillende onderzoekers denken anders over welke vorm van analyse de voorkeur geniet.

    Een belangrijk concept hier is group fallacy waaronder valt:

    • Het verklaren van sociale fenomenen in termen van de groep als geheel in plaats van de verklaring te baseren op de processen op individueel niveau binnen de groep...
    • en psychologische kwaliteiten, zoals wil, intentionaliteit, en geest, toeschrijven aan een groep in plaats van aan de individuen binnen de groep.

    Het idee van group mind bracht de twee vormen van analyses recht tegenover elkaar. Group mind (collectief bewustzijn) is een hypothetische verenigende mentale kracht die groepsleden met elkaar verbindt; de fusie van individueel bewustzijn of geest in een transcendent bewustzijn.

    De discussie tussen de indivual-level benadering en group-level benadering nam af naarmate theoretici sterkere modellen voor het begrijpen van group-level processen ontwikkelden. De theoretische analyses van groepen door Lewin waren voornamelijk invloedrijk. Zijn field theory gaat uit van het principe van interactionisme, en dat gaat er vanuit dat het gedrag van mensen in groepen bepaald wordt door de interactie van de persoon met de omgeving. De volgende formule vat deze veronderstelling samen:

    B = f(P,E). In een groepscontext impliceert deze formule dat de reacties van groepsleden (B) een functie (f) zijn van de interactie van hun persoonlijke kenmerken (P) met omgevingsfactoren (E). Lewin geloofde dat een groep een verenigde eenheid is met tevoorschijn komende eigenschappen die niet volledig begrepen kunnen worden door het onderzoeken van gedeeltes van de groep.

    De multilevel perspective is een visie die erkent dat een volledige verklaring van groepsprocessen en -fenomenen meerdere analyseniveaus vereist, inclusief individueel (micro), groep (meso) en organisatie of maatschappelijk (macro) niveau.

    Hoe worden metingen verricht binnen groepsdynamieken?

    Onderzoekers die groepen onderzoeken beginnen vaak met observatie. Dat is een methode van meten waarbij er gekeken wordt naar de activiteiten van individuen en groepen en dit wordt vastgelegd. Groepen zijn gecompliceerd, veelzijdig en dynamisch, maar observatie is mogelijk. Er zijn verschillende vormen van observatie:

    • Bij openlijke observaties doen de onderzoekers geen moeite om te verbergen waar ze mee bezig zijn.
    • Bij verborgen observaties wordt informatie over een groep vastgelegd zonder dat de groep hier kennis van heeft.
    • Bij participerende observaties wordt informatie over een groep vastgelegd door een onderzoeker die een lid van de groep is of deelnemer is in het sociale proces.

    Observatie levert een bijzonder rijke soort data op: de eigenlijke woorden die leden gebruiken in hun discussies en gesprekken, indrukken getrokken uit non-verbale uitdrukkingen, informatie over het uiterlijk en de locatie van de leden in relatie tot elkaar, en de reeksen van gedragingen die zich ontvouwen binnen de groep na verloop van tijd.

    Het Hawthorne effect is een verandering in gedrag dat zich voordoet wanneer individuen weten dat ze worden geobserveerd of onderzocht.

    Kwalitatief onderzoek is een onderzoeksprocedure waarbij niet-numerieke, ongekwantificeerde vormen van data worden verzameld en geanalyseerd, zoals teksten, beelden of objecten.

    Gestructureerde observationele methoden zijn onderzoeksprocedures die een systematisch document van groepsinteractie en activiteiten creëren door elke openlijke uitdrukking of actie in een gedefinieerde categorie te plaatsen. Dit is een manier om de objectiviteit van de observaties van onderzoekers te verhogen.

    Kwantitatief onderzoek is een onderzoeksprocedure waarbij numerieke data wordt verzameld en geanalyseerd, zoals frequenties, proporties of hoeveelheden.

    Bales ontwikkelde twee van de bekendste gestructureerde coderingssystemen voor het bestuderen van groepen. Hij gebruikte van de Interaction Process Analysis (IPA) om zijn observaties te structureren. Dit is een gestructureerd coderingssysteem om groepsactiviteit te meten door elk geobserveerd gedrag te classificeren in 1 van 12 categorieën. Bales verbeterde zijn systeem. De nieuwere versie is genaamd Systematic Multiple Level Observation of Groups (SYMLOG) en deze versie genereert meer globale samenvattingen van groepsgedrag. SYMLOG gebruikt 26 verschillende categorieën in plaats van de 12 zoals bij IPA.

    Als observatoren goed getraind zijn in het gebruik van gestructureerde coderingssystemen kunnen zulke systemen data genereren wat zowel betrouwbaar als valide is.

    Betrouwbaarheid is de mate waarin een meettechniek consequent op verschillende tijdstippen dezelfde conclusie oplevert. Voor meettechnieken met twee of meer componenten is betrouwbaarheid ook de mate waarin deze componenten vergelijkbare conclusies opleveren. Beoordelaarsbetrouwbaarheid is de mate waarin twee of meer beoordelaars onafhankelijk van elkaar op dezelfde manier coderen. Validiteit is de mate waarin de meettechniek meet wat hij moet meten.

    Meettechnieken op basis van zelfrapportages zijn gebaseerd op de veronderstelling dat je kan weten wat een groepslid denkt, voelt of van plan is door het hem gewoon te vragen. Bij interviews legt de onderzoeker de antwoorden van de persoon vast, bij vragenlijsten legt de persoon zijn antwoorden zelf vast.

    Sociometrie is een methode om de relaties tussen leden van een groep te meten en die relaties grafisch samen te vatten. Deze methode is ontwikkeld door de psychiater Moreno. Een sociogram is een grafische weergave van de patronen van relaties tussen leden gecreëerd door sociometrie. In de meeste gevallen wordt elk lid van de groep weergegeven met een symbool en worden relaties tussen leden aangegeven door lijnen van het ene lid naar het andere.

    Sociometrie was een vroege vorm van social network analysis (SNA). Dat is een reeks procedures voor het wiskundig en grafisch bestuderen van de relationele structuur van groepen en netwerken. Met behulp van informatie over de relaties die leden verbinden, levert de methode indexen op ledenniveau, indexen op groepsniveau en een grafische weergave van de eenheid.

    Methodes van zelfrapportages hebben zowel zwakheden als sterktes. Ze zijn erg afhankelijk van weten welke vragen te stellen aan de groepsleden. De vragenlijst heeft een gebrek aan validiteit als de vraag niet precies genoeg gesteld is en daardoor verkeerd begrepen kan worden. Validiteit is ook een probleem bij het niet willen delen van persoonlijke gevoelens, gedachten en percepties of als groepsleden niet bewust zijn van hun interne processen. Toch geven ze veel informatie over het groepsfenomeen.

    Welke onderzoeksmethoden worden gebruikt bij het onderzoeken van groepsdynamieken?

    Zodra onderzoekers hun data hebben verzameld, moeten ze de informatie gebruiken om hypotheses over het groepsfenomeen testen. De drie meest gebruikte technieken om dit te doen zijn:

    Case studies van 1 of meerdere groepen

    Een case study is een onderzoekstechniek dat is gebaseerd op meerdere informatiebronnen om de activiteiten en dynamiek van een groep of groepen diepgaand te onderzoeken. Door middel van een case study kwam Janis met het begrip groupthink. Dat is een reeks negatieve processen op groepsniveau, inclusief illusies van kwetsbaarheid, zelfcensuur en druk om te conformeren, die optreden wanneer groepen met een sterk samenlevingsvermogen samenvallen in plaats van objectieve analyse bij het nemen van een beslissing.

    Door het richten op een beperkt aantal casussen kunnen onderzoekers komen tot rijk gedetailleerde kwalitatieve beschrijvingen van natuurlijk voorkomende groepen. Zulke groepen worden ook wel bona fide groups genoemd. Case studies kunnen ook gebruikt worden als een bepaald fenomeen gedocumenteerd is, maar het proces dat het fenomeen produceert onbekend is. Dit soort onderzoeken hebben ook beperkingen. De onderzochte groep kan uniek zijn en dat maakt het moeilijk om met de gevonden resultaten iets te zeggen over andere groepen. Daarnaast impliceren case studies een oorzakelijk verband, maar ze kunnen het niet bevestigen

    Correlationeel onderzoek

    Correlationeel onderzoek. Bij correlationeel onderzoek testen onderzoekers de sterkte van de relatie tussen twee variabelen die ze meten. Dit doen ze naast dat ze groepen en hun dynamieken beschrijven. Referentie groep is een belangrijk concept. Dat is een groep of een collectief die individuen gebruiken als een standaard of referentiekader bij het selecteren en beoordelen van hun capaciteiten, attitudes, of overtuigingen; dit omvat groepen waarmee personen zich identificeren en die ze bewonderen.

    Bij correlationeel onderzoek wordt correlatie coefficiënten berekend. Dat is een gestandaardiseerde statistiek die de sterkte en richting van een relatie tussen twee variabelen meet. Het wordt vaak gesymboliseerd door r. De correlaties kunnen variëren van -1 tot +1. De plus en de min geven de richting van de relatie aan. Dit soort onderzoek geeft dus aan of er een relatie is. Het vertelt de onderzoekers echter niets over de oorzakelijke relatie tussen variabelen, omdat de onderzoekers niet direct een variabele manipuleren.

    Experimenteel onderzoek

    Een experiment is een onderzoeksontwerp waarin (1) de onderzoeker ten minste één variabele manipuleert door deelnemers willekeurig aan twee of meer verschillende voorwaarden toe te wijzen, (2) ten minste één andere variabele meet en (3) de invloed van andere variabelen op de uitkomst gelijk houdt. Belangrijk hier zijn de concepten onafhankelijke variabele en afhankelijke variabele. De onafhankelijke variabele is iets dat de onderzoekers verandert in een experimenteel onderzoek, terwijl zij de andere variabele in het onderzoek constant houdt en de afhankelijke variabele meet.

    De afhankelijke variabele is het gemeten resultaat door de onderzoeker: dat wat verandert door het manipuleren van de onafhankelijke variabele. Met zulk soort onderzoek kunnen onderzoekers conclusies trekken over de oorzakelijke relatie tussen variabelen. Soms is het logistisch, methodologisch en ethisch niet mogelijk om experimenteel onderzoek goed uit te voeren. Het is niet altijd mogelijk om de situatie voldoende te controleren om de onafhankelijke variabele te manipuleren of andere variabelen constant te houden.

    Een oplossing voor het omzeilen van de beperkingen van elke methode is het gebruik van meerdere methodes voor het bestuderen van een groep.

    De Institutional Review Board (IRB) is een groep die onderzoeksprocedures beoordeelt om er zeker van te zijn dat deze consistent zijn met ethische richtlijnen voor het beschermen van menselijke deelnemers.

    Welke theoretische perspectieven zijn er?

    Onderzoekers ontwikkelen ook theoretische verklaringen voor het groepsfenomeen. Theorieën bieden de middelen om bekende feiten over groepen te organiseren en zo ordelijke kennis te creëren uit afzonderlijke stukjes informatie. Theorieën leveren ook suggesties op voor toekomstig onderzoek. Er bestaan veel theorieën en deze theorieën delen vaak bepaalde basisassumpties. Een aantal van deze basis theoretische perspectieven zijn:

    • Motiverende perspectieven. Motivaties zijn psychologische mechanismen die nut en richting geven aan gedrag; ze zetten mensen aan tot actie. Hier komen vaak emoties bij kijken. Een emoties is een subjectieve toestand van positieve of negatief gevoel. Motivatie theorieën suggereren dat groepen voor sommige mensen een fantastische manier is om een aantal basisbehoeften te bevredigen. Groepen bieden bijvoorbeeld veiligheid of bevredigen de behoefte om ergens bij te willen horen.
    • Gedragsperspectieven. Veel van deze theorieën zijn gebaseerd op het behaviorisme van Skinner. Het behaviorisme is een theoretische verklaring voor de manier waarop organismen nieuwe reacties aanleren op stimuli uit de omgeving via conditionering. Een voorbeeld van theorieën met dit perspectief is de social exchange theory. Dit is een economisch model van interpersoonlijke relaties dat ervan uitgaat dat individuen relaties zoeken die hen veel voordelen bieden en weinig kosten. Dit suggereert dus dat mensen zich bij groepen voegen, omdat lidmaatschap op een manier een goede deal is.
    • Systeemperspectieven. De systems theory is een algemene theoretische benadering die ervan uitgaat dat complexe fenomenen het resultaat zijn van de constante en dynamische aanpassingen die plaatsvinden tussen en tussen de onderling afhankelijke delen van het geheel. Toegepast op groepen, veronderstelt de theorie dat groepen open systemen zijn die dynamisch evenwicht tussen leden handhaven door een complexe reeks van onderling verbonden aanpassingen en processen.
    • Systems theory biedt een model voor het begrijpen van een verscheidenheid aan group-level processen, zoals groepsontwikkeling, productiviteit en onderling, persoonlijk conflict. Een vorm van systems theorieën zijn de input-process-output (I-P-O) modellen van groepsproductiviteit. Zij benadrukken de inputs die bijdragen aan de groepsinstelling, het proces dat binnen de groep plaatsvindt terwijl het aan de taak werkt en de outputs die door het systeem worden gegenereerd.
    • Cognitieve perspectieven. Soms worden de dynamieken van een groep begrijpelijk door het bestuderen van de cognitieve processen die bepalen hoe de leden informatie verzamelen en begrijpen. Cognitieve processen zijn processen die informatie verwerven, organiseren en integreren, waaronder geheugensystemen die gegevens opslaan en de psychologische mechanismen die deze informatie verwerken. Dit is belangrijk, omdat groepsleden continu bezig zijn met waarnemen, oordelen, redeneren en herinneren, en al deze mentale activiteiten beïnvloeden de manier waarop ze elkaar en zichzelf begrijpen. De volgende twee effecten zijn belangrijk bij dit perspectief:
    1. Self-reference effect: de neiging van mensen om betere herinneringen te hebben van acties en gebeurtenissen waarbij ze op een bepaalde manier betrokken zijn geweest.

    2. Group-reference effect: de neiging van mensen om betere herinneringen te hebben van acties en gebeurtenissen waarbij hun groep op een bepaalde betrokken was.

    • Biologische perspectieven. Groepsleden zijn levende wezens wiens reacties vaak gevormd worden door fysieke, genetische en neurologische kenmerken.

    De bovenstaande perspectieven sluiten elkaar niet uit.

    Access: 
    Public
    Wat is identiteit? - Chapter 3

    Wat is identiteit? - Chapter 3

    Dit hoofdstuk bestudeert drie essentiële processen die individuen transformeren in groepsleden: inclusie, collectivisme en identiteit:

    • Via inclusie veranderen individuen van buitenstaanders naar insiders door zich bij een groep aan te sluiten.
    • Via collectivisme beginnen leden over het goede van de groep als geheel na te denken in plaats van over wat het voordeel van de groep voor henzelf is.
    • Door de transformatie van identiteit veranderen individuen hun opvatting over wie ze zijn om de kwaliteiten van hun groep en hun eigen individuele kwaliteiten daarin mee te nemen.

    Waarom is inclusie belangrijk?

    De sociaal psychologen Baumeister en Leary beargumenteerden dat mensen een behoefte hebben aan het behoren bij een groep. Ze noemden dit de need to belong: het algemene verlangen om andere mensen te zoeken en zich bij hen te voegen, die, wanneer ze niet bevredigd zijn, een staat van spanning en verlangen veroorzaken. Hoewel sommige mensen goed gedijen bij alleen zijn en hoewel het veel mensen goed kan doen om soms alleen te zijn, is langdurig sociaal isolement geïdentificeerd als een risicofactor voor het ontstaan van een aantal psychische stoornissen.

    De relaties die groepen creëren en onderhouden kunnen zo intiem en betrokken zijn dat ze dienen als buffer tegen gevoelens van isolatie en eenzaamheid. Eenzaamheid is een cognitieve en affectieve malaise, waaronder verdriet, neerslachtigheid, zelfverachting en verveling, en wordt ervaren wanneer iemands persoonlijke relaties als te weinig of te onbevredigend worden ervaren. Eenzaamheid is niet hetzelfde als alleen zijn, omdat mensen niet altijd last hebben van alleen zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • Emotionele eenzaamheid: ontstaat wanneer het probleem een gebrek aan een lange termijn, betekenisvolle, intieme relatie met een ander is.
    • Sociale eenzaamheid: ontstaat wanneer mensen zich afgesneden voelen van hun vrienden, kennissen en groepsleden.

    Niet alle groepen zijn effectief in het beschermen tegen beide vormen van eenzaamheid.

    Wat is ostracisme?

    Ostracisme is het uitsluiten van een of meer personen uit een groep door het contact met de persoon te verminderen of te elimineren, meestal door ze te negeren, te mijden of expliciet te verbannen. In sommige gevallen worden leden niet opzettelijk uitgesloten, maar voelen ze zich buitengesloten: dat ze geen dingen weten die anderen in de groep wel weten, en dat de informatie die ze missen relevant is voor de sociale of taakactiviteiten van de groep.

    Fight or flight response

    Mensen reageren heel negatief op ostracisme en buitensluiten. Het verlangen om er bij te horen is zo groot, dat mensen zelfs negatief reageren als ze worden afgewezen door een groep die ze zelf niet eens mogen. De intens negatieve reacties die de meeste mensen ervaren wanneer ze zich buitengesloten voelen, worden geassocieerd met specifieke hormonale en neurologische processen. Onderzoeken van de hersenen met behulp van fMRI-technologie en de effecten van pijnstillers op emotionele reacties na afwijzing suggereren dat de pijn van uitsluiting wordt gehandhaafd door dezelfde biologische systemen die verantwoordelijk zijn voor de ervaring van fysiologische pijn.

    Sommige mensen hebben een fight or flight response na ostracisme en buitensluiten. Dat is een fysiologische en psychologische reactie op stressvolle gebeurtenissen gekenmerkt door de activering van het sympathische zenuwstelsel dat het individu gereed maakt om de dreiging tegen te gaan of eraan te ontsnappen.

    Tend and befriend response

    De sociaal psychologe Taylor benoemde een ander mogelijke reactie: de tend and befriend response: dat is een fysiologische, psychologische en interpersoonlijke reactie op stressvolle gebeurtenissen die worden gekenmerkt door toegenomen verzorgend, beschermend en ondersteunend gedrag en het aangaan en versterken van relaties met andere mensen. Volgens Taylor zijn mannen meer geneigd om een fight or flight reactie te hebben, terwijl vrouwen meer geneigd te zijn om te reageren met een tend and befriend reactie.

    Afgaande op de evolutietheorie zou je kunnen stellen dat de behoefte om er bij te horen onderdeel is van de menselijke natuur. Het leven in groepen had zowel nadelen als voordelen voor de eerste mensen. De voordelen waren veel groter dan de nadelen, omdat de overlevingskansen groter werden door te leven in groepen. De evolutietheorie gaat er vanuit dat de voordelen van het leven in groepen over meerdere generaties uiteindelijk socialiteit in het DNA van de mensheid hebben bewerkstelligd.

    De sociometer theory van Leary is een conceptuele analyse van zelf-evaluerende processen die zelfwaarderingsfuncties theoretiseren om psychologisch de mate van in- en uitsluiting in sociale groepen te bewaken.

    Waarom is collectivisme belangrijk?

    Individualisme is een traditie, ideologie, of persoonlijke kijk die het primaat van het individu en zijn of haar rechten, onafhankelijkheid, en relaties met andere individuen benadrukt. Dit is tegenstelling tot collectivisme. Dat is een traditie, ideologie of persoonlijke oriëntatie die het belang van de groep of gemeenschap benadrukt in plaats van elke individuele persoon. Triandis benadrukt vier kernelementen in zijn theorie over individualisme en collectivisme:

    1. Het belang van sociale relaties.
    2. Acceptatie van sociale verplichtingen.
    3. Gedeelde doelen.
    4. Veranderingen in de concepties van het zelf door de groepsleden.

    Voor het eerste punt zijn de volgende drie concepten van belang:

    • Exchange relationships: is een wederzijdse afhankelijkheid die de wisselwerking in bevredigende ervaringen en beloningen onder leden benadrukt.
    • Communal relationship: is een wederzijdse afhankelijkheid die de nadruk legt op het voldoen aan de behoeften en interesses van anderen in plaats van het maximaliseren van de eigen persoonlijke resultaten/belangen.
    • Norm of reciprocity (norm van wederkerigheid): is een sociale norm die individuen opdraagt in natura terug te betalen wat zij van anderen ontvangen.

    Voor het tweede punt is het volgende concept van belang:

    • Groepscultuur: is de verschillende manieren waarop leden van een groep hun ervaringen weergeven, inclusief consensueel geaccepteerde kennis, overtuigingen, rituelen, gewoonten, regels, taal, normen en gebruiken. Sommige groepsculturen onderschrijven individualisme en andere onderschrijven juist het collectivisme. In collectivistische groepen wordt van de leden verwacht dat zij zich conformeren aan de normen van de groep en zich houden aan de richtlijnen van personen met gezagsposities in de groep. Leden van individualistische groepen vertonen daarentegen niet zo'n hoge mate van uniformiteit in hun gedrag, want van leden wordt verwacht dat zij handelen op basis van hun houding, overtuigingen en voorkeuren.

    Voor het derde punt zijn de volgende twee concepten van belang:

    • Equity norm: is een sociale standaard die het uitdelen van beloningen en middelen aan leden stimuleert in verhouding tot hun inbreng.
    • Equality norm: is een sociale standaard die aanmoedigt om beloningen en middelen gelijkelijk onder alle leden te verdelen.

    Persoonlijke identiteit is iemands perceptie van die aspecten van zijn of haar zelfconcept die voortkomen uit individualistische, persoonlijke kwaliteiten zoals eigenschappen, overtuigingen, en vaardigheden. Sociale identiteit daarentegen is iemands perceptie van die aspecten van zijn of haar zelfconcept die voortvloeien uit zijn of haar relaties met andere mensen, groepen en de samenleving.

    Mensen die leunen naar het individualisme, individualisten, praten over hun onafhankelijkheid, hun persoonlijke doelen en hun uniciteit. Mensen die leunen naar het collectivisme benadrukken daarentegen hun connecties met anderen. Deze verschillen beïnvloeden de manier waarop individuen zich voelen, gedragen en denken in groepen.

    Culturen verschillen in hun relatieve nadruk op individualisme en collectivisme. Mensen die in collectivistische culturen leven, beschouwen zichzelf eerst als groepsleden en vervolgens als individuen, terwijl mensen die in individualistische culturen leven eerder egocentrisch zijn dan groepsgericht.

    Collectivisme en individualisme zijn beide continue dimensies waarvan de invloed fluctueert met de tijd en situatie. De manier waarop mensen zichzelf zien, bestaat vaak uit elementen van beide dimensies.

    Brewer stelde de optimal distinctiveness theory voor. Deze theorie is een conceptuele analyse die ervan uitgaat dat individuen ernaar streven een evenwicht te behouden tussen drie basisbehoeften: de behoefte om door de groep te worden geassimileerd, de behoefte om verbonden te zijn met vrienden en geliefden, en de behoefte aan autonomie en differentiatie.

    Wat is sociale identiteit?

    De sociaal psychologen Tajfel en Turner ontwikkelde de social identity theory (sociale identiteitstheorie) in een poging om de oorzaken van conflicten tussen mensen die tot verschillende groepen behoren te verklaren. De definitie van de theorie is als volgt: het is een theoretische analyse van groepsprocessen en intergroepsrelaties waarbij ervan wordt uitgegaan dat groepen het zelfbeeld en het zelfrespect van hun leden beïnvloeden, vooral wanneer individuen zichzelf als groepsleden categoriseren en zich identificeren met de groep.

    Voor het onderzoeken van conflicten tussen groepen wordt er regelmatig gebruik gemaakt van minimal intergroup situation. Dat is een onderzoeksprocedure die wordt gebruikt in studies van intergroepsconflicten waarbij tijdelijke groepen van anonieme, niet-verwante mensen worden gecreëerd. Ontdekt werd dat mensen de voorkeur gaven aan de groep waar ze toe behoorden boven de groep waartoe ze niet behoorden, ook al had de groep waartoe ze behoorden nul persoonlijke betekenis. Hoe kan dit het geval zijn? Volgens de sociale identiteitstheorie heeft dat te maken met sociale categorisatie en met identificatie. Deze twee dingen samen transformeren een lidmaatschap in een identiteit.

    Sociale categorisatie

    Het proces dat de sociale identiteit van een persoon genereert, begint met sociale categorisatie. Dat is de perceptuele classificatie van mensen, inclusief de persoon zelf, in categorieën. Onze perceptie van een persoon wordt beïnvloed door onze overtuigingen over de kwaliteiten en kenmerken die we toedichten aan de categorieën waar we die persoon in hebben gestopt. Deze overtuigingen worden stereotypes of prototypes genoemd. Een formelere definitie van stereotypes is: een sociale reeks van cognitieve generalisaties over de kwaliteiten en kenmerken van het typische lid van een bepaalde groep of sociale categorie. Self-stereotyping gebeurt ook. Dat is het accepteren van sociaal gedeelde generalisaties over de prototypische kenmerken van groepsleden als nauwkeurige beschrijvingen van zichzelf.

    Stereotypes kunnen ook een proces aanwakkeren dat bekend staat als stereotype threat. Dat is de angst opwekkende overtuiging dat de percepties en evaluaties van anderen zullen worden beïnvloed door hun negatieve stereotypen over iemands groep en die overtuiging kan interfereren met iemands vermogen om zijn capaciteiten te vervullen.

    Sociale identificatie is het accepteren van de groep als een verlengstuk van het zelf en daarom de definitie van het zelf baseren op de kwaliteiten en kenmerken van de groep.

    Hogg suggereert dat ten minste twee basismotieven de manier beïnvloeden waarop sociale categorisatie- en identificatieprocessen samen iemands zelfgevoel vormen. Over het algemeen zijn individuen gemotiveerd om goed over zichzelf te denken en omdat hun groepen een aanzienlijk deel van hunzelf uitmaken, behouden ze hun eigenwaarde door goed te denken over hun groepen. Ten tweede suggereert Hogg dat het begrijpen van het zelf een kernmotief is voor de meeste mensen en dat groepen mensen een middel bieden om zichzelf te begrijpen. Het begrip collectief zelfrespect is hier van belang. Dat is de individuele beoordeling van dat deel van zijn zelfconcept dat is gebaseerd op zijn relatie met anderen en lidmaatschap van sociale groepen. Mensen beschermen hun collectief zelfrespect net zo als ze hun persoonlijk zelfrespect beschermen.

    De ingroup-outgroup bias is de de neiging om de ingroep, haar leden en haar producten als beter te zien dan andere groepen, hun leden en hun producten. Ingroup favoritisme komt vaker voor dan de afwijzing van de outgroup. Sociale creativiteit is de vergelijkingen tussen de ingroep en andere groepen beperken tot taken en resultaten waarbij de ingroep succesvoller is dan andere groepen en gebieden negeren of vermijden waarin andere groepen de ingroep overtreffen. Iemand kan de bedreiging van zijn individuele zelfrespect minimaliseren door zijn binding met een groep te verkleinen. Dit wordt individuele mobiliteit genoemd.

    Access: 
    Public
    Wat is formatie? - Chapter 4

    Wat is formatie? - Chapter 4

    Hoe wordt iemand lid van een groep?

    Belangrijk voor het beantwoorden van deze vraag is het begrip persoonlijkheid. Persoonlijkheid is de configuratie van onderscheidende maar blijvende dispositionele kenmerken, waaronder eigenschappen, temperament en waarden, die de individuele reacties in verschillende situaties karakteriseren.

    Het five-factor model (of big five theory) is een conceptueel model van de primaire dimensies die individuele verschillen in persoonlijkheid structureren. De vijf dimensies zijn:

    1. Extraversie.
    2. Aangenaamheid.
    3. Consciëntieusheid.
    4. Neuroticisme.
    5. Openheid voor ervaring.

    Alle vijf de factoren voorspellen de mate van interesse van een persoon in het aansluiten bij een groep. Eén factor beïnvloedt vooral iemands bereidheid om zich bij een groep aan te sluiten, namelijk extraversie. Extraversie is de mate waarin een persoon de neiging heeft om sociale contacten te zoeken. Gerelateerde kwaliteiten van een extravert zijn enthousiast, energiek en assertief. Introverte mensen zijn primair gericht op innerlijke percepties en beoordelingen van concepten en ideeën, terwijl extraverte mensen primair gericht zijn op sociale ervaringen.

    Welk verband is er tussen angst en hechting?

    Sommige persoonlijkheidskwaliteiten duwen mensen weg van groepen.

    Verlegenheid is de neiging om gereserveerd of timide te zijn tijdens sociale interacties, meestal in combinatie met gevoelens van ongemak en nervositeit. Verlegen mensen zijn minder bereidwillig om zich aan te sluiten bij groepen dan andere mensen, en ze vinden groepsactiviteiten vaak minder leuk. Verlegen mensen nemen vaak een vriend mee als ze een groep binnenkomen. Dit wordt een social surrogate genoemd. Verlegenheid kan erger worden en veranderen in sociale angst. Dat is een gevoel van angst en schaamte ervaren bij het anticiperen op of daadwerkelijk omgaan met andere mensen.

    Experience sampling is een onderzoeksmethode die deelnemers vraagt ​​om hun gedachten, emoties of gedrag vast te leggen op het moment dat ze ze ervaren in plaats van op een later tijdstip of datum; in sommige gevallen voeren deelnemers hun gegevens in wanneer ze worden gesignaleerd door onderzoekers die elektronische pagers gebruiken.

    Sociale angststoornis is een hardnekkig en doordringend patroon van overweldigende angst en zelfbewustzijn dat wordt ervaren bij het anticiperen op of daadwerkelijk omgaan met andere mensen. Ongeveer 5 procent van de volwassen lijdt weleens aan deze stoornis. De meeste mensen gaan ermee om door het vermijden van de reden van de angst.

    Hechtingsstijl is iemands karakteristieke benadering van relaties met andere mensen; de basisstijlen zijn veilig, gepreoccupeerd, angstig en afwijzend, zoals gedefinieerd door de dimensies van angst en vermijding. Smith theoretiseerde dat mensen ook een hechtingsstijl voor groepen hebben:

    • Veilig gehecht: je hebt zelfvertrouwen en bent bereidwillig om afhankelijk te zijn van anderen.
    • Gepreoccupeerd gehecht: je zoekt lidmaatschap maar maakt je excessief zorgen over afwijzing.
    • Angstig gehecht: je bent zo onzeker over jezelf dat je bang bent voor afwijzing.
    • Afwijzend gehecht: je bent niet geïnteresseerd in het aansluiten bij groepen.

    Wat is sociale motivatie?

    Behoefte aan aansluiting is een motiverende staat van spanning die kan worden verlicht door zich bij andere mensen aan te sluiten, wat vaak zorgen over het winnen van de goedkeuring van andere mensen omvat.

    Het substraat van angst voor afwijzing kan de gebruikelijke positieve relatie tussen de behoefte aan aansluiting en lid worden van groepen omkeren; degenen die veel behoefte hebben aan aansluiting, sluiten minder snel aan bij een groep wanneer ze vrezen dat de groep hen zal afwijzen.

    De behoefte aan intimiteit is een motiverende staat van spanning die kan worden verlicht door warme, positieve relaties met anderen te zoeken. Mensen die een hoge behoefte aan intimiteit hebben, zijn niet bang voor afwijzing.

    Behoefte aan macht is een motiverende staat van spanning die kan worden verlicht door controle te krijgen over andere mensen en de omgeving.

    De Fundamental Interpersonal Relations Orientation (FIRO) is een theorie over groepsvorming en ontwikkeling die de nadruk legt op compatibiliteit tussen drie sociale basismotieven: inclusie, controle, en affectie. De theorie is ontwikkeld door Schutz. De combinatie van de behoefte om er bij horen, affectie, en controle bepaalt hoe mensen anderen behandelen en hoe ze willen dat anderen hen behandelen. Affectie is een verlangen om zowel anderen aardig te vinden als door anderen aardig gevonden te worden. Bij controle hoort de behoefte om anderen te domineren, maar ook de bereidheid van anderen om gedomineerd te worden. De theorie suggereert dat mensen in groepen blijven, omdat in ieder geval een van de drie basisbehoeftes bevredigd wordt.

    Relationaliteit is de mate waarin iemands waarden, houdingen en opvattingen de nadruk leggen op en het leggen van verbindingen met anderen en op het behouden van de verbindingen. Vrouwen hebben dit over het algemeen meer dan mannen. De verschillen tussen mannen en vrouwen worden ook beïnvloedt door de cultuur waartoe ze behoren en de bijbehorende verschillen in rollen.

    Verwachtingen van groepen en ervaringen met groepen beïnvloeden ook de welwillendheid van een persoon om zich aan te sluiten bij een groep.

    Een collaboratieve circle is een relatief kleine groep collega's die gedurende een langere periode samenwerken, ideeën uitwisselen voor commentaar en kritiek en een gedeeld concept ontwikkelen van wat hun methoden en doelen zouden moeten zijn.

    Wat is aansluiting?

    Aansluiten (affiliation) is het samenkomen van individuen op één locatie, maar ook een geformaliseerde relatie, zoals wanneer wordt gezegd dat een persoon verbonden is aan een groep of organisatie.

    Festinger is een sociaal psycholoog die een proces de naam sociale vergelijking gaf. Sociale vergelijking is het proces van het contrasteren van iemands persoonlijke kwaliteiten en resultaten, inclusief overtuigingen, attitudes, waarden, vaardigheden, prestaties en ervaringen met die van andere mensen.

    Onderzoeksresultaten suggereren dat mensen meer geïnteresseerd zijn in het verkrijgen van verduidelijkende informatie dan in het delen van de ervaring met iemand, vooral wanneer de situatie gevaarlijk is en ze openlijk met andere groepsleden kunnen praten. Soms onthouden mensen zich van aansluiting tot een groep, omdat ze zich niet willen schamen. Ook al hebben ze wel behoefte aan informatie over een situatie.

    Social support is een gevoel van verbondenheid, emotionele steun, advies, begeleiding, tastbare hulp en perspectief geboden door groepen wanneer leden stress, dagelijkse beslommeringen en belangrijke levenscrises ervaren. Social support kan veel verschillende vormen aannemen:

    • Beloning: groepen laten leden weten dat ze waardevolle leden zijn en stellen ze gerust dat ze niet alleen zijn bij het onder ogen komen van hun problemen.

    • Emotionele steun: groepsleden uiten hun zorgzaamheid, bezorgdheid en genegenheid voor elkaar.

    • Informatieve steun: groepen bieden leden nuttige informatie voor het oplossen van problemen, het nemen van beslissingen en het stellen van hun doelen.

    • Instrumentele steun: groepen bieden tastbare hulp aan hun leden.

    • Betekenis: groepen bieden leden existentiële ondersteuning aan door existentiële angst weg te nemen, de wereldvisies van leden te herbevestigen en geloof en perspectieven te delen.

    Downward social comparison is het selecteren van mensen die het minder goed hebben als doelen voor sociale vergelijking. Upward social comparison daarentegen is mensen selecteren die superieur zijn aan zichzelf of wiens resultaten de hunne overtreffen als doelen voor sociale vergelijking. Deze laatste vorm van vergelijking kan zowel positieve gevoelens als negatieve gevoelens bij degene die vergelijkt veroorzaken.

    Het self-evaluation maintenance model (SEM) is een theoretische analyse van processen van sociale vergelijking die:

    • ...ervan uitgaan dat individuen hun zelfrespect behouden en verbeteren door zich te associëren met hoogpresterende individuen die uitblinken in gebieden die niet relevant zijn voor de eigenwaarde van het individu...
    • en daarnaast een associatie vermijden met hoogpresterende individuen die uitblinken in gebieden die belangrijk zijn voor het gevoel van eigenwaarde van het individu.

    Wat is aantrekking?

    Aantrekking transformeert kennissen tot vrienden. Volgens de proximity principle sluiten mensen aan bij groepen die dichtbij zijn. Een formelere definitie is de neiging van individuen om interpersoonlijke relaties te vormen met degenen die dichtbij zijn. Nabijheid zorgt voor vertrouwdheid en mensen geven daar over het algemeen de voorkeur aan. Daarnaast verhoogt nabijheid de kans op interactie, en interactie cultiveert aantrekking.

    De elaboration principle is de neiging van groepen om in omvang uit te breiden naarmate niet-leden worden gekoppeld aan een groepslid en dus deel uitmaken van de groep zelf; dit proces wordt percolatie genoemd in de netwerktheorie.

    Het gelijkheidsbeginsel is de neiging van individuen om een ​​persoon op te zoeken, zich ermee te verbinden of aangetrokken te worden tot een persoon die op een of andere manier op hen lijkt; deze neiging zorgt ervoor dat groepen en andere interpersoonlijke aggregaten homogeen zijn in plaats van divers.

    Homofilie is de neiging van de leden van groepen en andere collectieven om op een bepaalde manier op elkaar te lijken, zoals demografische achtergrond, attitudes en waarden.

    Als de kwaliteiten van mensen elkaar aanvullen - ze verschillen maar passen goed bij elkaar - dan kan deze unieke vorm van ongelijkheid mensen aanmoedigen om met elkaar om te gaan. Dit komt overeen met de complementarity principle. De complementarity principle is een neiging van tegengestelden om aan te trekken wanneer de manieren waarop mensen ongelijk zijn op een bepaalde manier congruent zijn.

    Interchange compatibility is de compatibiliteit tussen groepsleden op basis van hun vergelijkbare behoeften voor inclusie, controle en affectie. Originator compatibility daarentegen is de compatibiliteit tussen groepsleden die optreedt wanneer individuen die inclusie, controle of genegenheid binnen de groep wensen uit te drukken, gekoppeld worden aan individuen die inclusie, controle of genegenheid van anderen wensen te ontvangen.

    Het wederkerigheidsbeginsel is de neiging om in ruil voor leuk gevonden te worden, leuk te vinden: wanneer A B leuk vindt, heeft B de neiging om A ook leuk te vinden. ‘Leuk vinden’ neigt er naar wederzijds te zijn.

    Het minimax principe is een algemene voorkeur voor relaties en lidmaatschappen die voorzien in het maximumaantal waardevolle beloningen en het minst kost.

    Volgens Thibaut en Kelley en hun social exchange theory is de beslissing om aan te sluiten bij een groep gebaseerd op twee factoren:

    1. Comparison level (CL): is de norm waarmee het individu de kwaliteit van een sociale relatie beoordeelt. In de meeste gevallen zullen individuen wier eerdere relaties positieve beloningen opleverden met weinig kosten hogere CL's hebben dan degenen die minder beloningen en meer kosten ervaren in eerdere relaties.

    2. Comparison level for alternatives (Clalt): is de standaard waarmee individuen de kwaliteit evalueren van andere groepen waaraan ze kunnen deelnemen. Dit bepaalt daarmee de beslissing van leden of ze zullen aansluiten, blijven of weggaan.

    Access: 
    Public
    Hoe verloopt de ontwikkeling van samenhang binnen een groep? - Chapter 5

    Hoe verloopt de ontwikkeling van samenhang binnen een groep? - Chapter 5

    Wat zijn bronnen van samenhang?

    Samenhangende groepen zijn verenigde groepen, maar hun eenheid is vaak het gevolg van verschillende oorzaken en processen. De bijbehorende term hier is equifinaliteit: het potentieel om in een open systeem een ​​gegeven eindtoestand te bereiken via een van een aantal middelen. Het versterken van samenhang is niet in zijn geheel onvoorspelbaar. De volgende vijf zijn invloedrijke oorzaken voor de eenheid van een groep:

    1. Sociale cohesie: de aantrekking van leden op elkaar en op de groep als geheel.
    2. Taak cohesie: een gedeeld commitment van leden om een ​​doel te bereiken en de resulterende capaciteit om succesvol te presteren als een gecoördineerde eenheid. De term collectieve efficacy is hier van belang. Dat is de overtuiging, gedeeld onder een aanzienlijk deel van de groepsleden, dat de groep in staat is om de acties te organiseren en uit te voeren die nodig zijn om de doelen van de groep te bereiken en haar taken succesvol te voltooien. Een andere belangrijke term hier is group potency. Dat is het niveau van het gedeelde optimisme van de groep met betrekking tot haar collectieve capaciteiten.
    3. Collectieve cohesie: eenheid gebaseerd op gedeelde identiteit en gevoel van er bij horen. Bij dit punt is identity fusion theory belangrijk. Dat is een conceptuele analyse die de extreme zelfopoffering verklaart dat soms optreedt wanneer individuele identiteit wordt versmolten met groepsidentiteit.
    4. Emotionele cohesie: op groepen gebaseerde emoties. Bij dit punt is de relational cohesion theory van belang. Dat is een conceptuele analyse van cohesie die ervan uitgaat dat leden van groepen sterkere banden ontwikkelen met groepen die worden beschouwd als bronnen van positieve gevoelens van emoties en zwakkere banden met degenen die worden beschouwd als bronnen van negatieve gevoelens of emoties.
    5. Structurele samenhang: de structurele integriteit van de groep, inclusief normatieve samenhang, duidelijkheid van rollen en sterkte en dichtheid van relaties die leden verbinden.

    De multicomponenten benadering omarmt de diversiteit aan definities voor samenhang door te suggereren dat veel verschillende factoren bijdragen aan de eenheid van een groep. Volgens de multilevel assumptie is samenhang ook een multilevel proces naast dat het multicomponent is. Sociale samenhang gaat bijvoorbeeld over het leuk vinden van specifieke leden en het leuk vinden van de groep op zich. Omdat samenhang meerdere facetten heeft, gebruiken onderzoekers een gevarieerd aantal onderzoeksmethoden om samenhang te onderzoeken.

    Hoe ontwikkelt samenhang?

    Theorieën over groepsontwikkeling proberen deze terugkerende veranderingspatronen in de structuur en interacties van een groep te beschrijven die zich voordoen in de loop van het bestaan ​​van de groep. Sommige theorieën suggereren dat groepen een reeks scheidbare fasen doorlopen terwijl ze zich ontwikkelen: successive-stage models. Daarentegen beargumenteren cyclische modellen dat groepen herhaaldelijk door fases gaan tijdens hun bestaan.

    Fase modellen over groepsontwikkeling theoretiseren dat groepen zich ontwikkelen via één fase naar de volgende op een voorspelbare manier. De five-stage model of group development van Tuckman is hiervan een voorbeeld. De vijf fases zijn:

    1. Oriëntatiefase: leden raken bekend met elkaar en met de groep.
    2. Conflict fase: onenigheid over procedures; laten blijken van ongenoegen; spanning tussen leden. Conflict kan een sleutel ingrediënt zijn voor het krijgen van samenhang, maar het kan ook een groep kapot maken. Er kan sprake zijn van verschillende soorten conflicten, bijvoorbeeld conflicten met betrekking tot: de taak, het proces, een relatie of vanwege status.
    3. Structuur fase: groei van samenhang en eenheid; vaststellen van rollen, standaarden en relaties; verhoogd vertrouwen en communicatie.
    4. Prestatie fase: doelen behalen; hoge gerichtheid op taken; nadruk op prestatie en productie.
    5. Ontbindingsfase: beëindigen van rollen; afmaken van taken; verminderen van afhankelijkheid. De ontbinding kan gepland zijn en spontaan.

    De socioloog Bales kwam met het equilibrium model. Dat is een conceptuele analyse van groepsontwikkeling die ervan uitgaat dat de focus van een groep heen en weer beweegt tussen de taken van de groep en de interpersoonlijke relaties tussen groepsleden.

    Punctuated equilibrium models zijn het eens met het perspectief van Bales, maar voegen iets toe. Dit model is een theorie voor groepsontwikkeling die ervan uitgaat dat groepen geleidelijk veranderen in de tijd, maar dat de perioden van langzame groei worden onderbroken door korte perioden van relatief snelle verandering.

    Wat zijn de gevolgen van samenhang?

    Een samenhangende groep creëert een gezonde werkplek, tenminste op psychologisch niveau. Omdat mensen in samenhangende groepen positiever op elkaar reageren dan de leden van niet-samenhangende groepen, ervaren mensen minder angst en spanning.

    Samenhang heeft ook zijn nadelen. Een samenhangende groep is een intense groep, en deze intensiteit beïnvloedt de leden, de dynamiek van de groep en de prestaties van de groep op zowel positieve als negatieve manieren. Samenhangende groepen kunnen emotioneel veeleisend zijn en daarmee emotionele problemen creëren onder sommige leden. Naarmate de samenhang toeneemt, wordt de interne dynamiek van de groep intenser, dus de conformiteitsdruk is groter in samenhangende groepen en de weerstand van individuen tegen deze druk is zwakker.

    Samenhang en prestaties zijn aan elkaar gekoppeld, zowel omdat succes de samenhang binnen een groep verhoogt als omdat samenhangende groepen doorgaans beter presteren dan minder samenhangende groepen. Volgens meta-analytische onderzoeken draagt elk component van samenhang bij aan taakvaardigheid. Daarnaast presteren samenhangende groepen over het algemeen beter dan minder samenhangende groepen. Deze relatie is het sterkst wanneer leden toegewijd zijn aan de taak van de groep.

    Ontgroening is een inwijding in een groep die het nieuwe lid onderwerpt aan mentaal en / of fysiek ongemak, pesterijen, schaamte, spot of vernedering. Ontgroening wordt ondersteund door een aantal processen op groepsniveau, waaronder binding, dominantie, betrokkenheid en traditie.

    Access: 
    Public
    Wat is structuur? - Chapter 6

    Wat is structuur? - Chapter 6

    De structuur van een ding is de relatief vaste rangschikking van en relaties tussen zijn samenstellende elementen die die elementen met elkaar verbindt om een ​​enkel geïntegreerd geheel te vormen. In groepen creëert structuur de sociale orde.

    Als je een groep wilt begrijpen dan moet je zijn structuur begrijpen.

    Wat zijn normen?

    Normen zijn een fundamenteel element van sociale structuur: de regels van de groep. Er zijn verschillende soorten normen:

    • Voorschrijvende norm: een consensuele norm die wenselijk, positief gesanctioneerd gedrag identificeert.
    • Normatieve norm: een consensuele norm die verboden, negatief gesanctioneerd gedrag identificeert.
    • Beschrijvende norm: een consensuele norm die beschrijft hoe mensen doorgaans handelen, voelen en denken in een bepaalde situatie.
    • Bindende norm: een evaluatieve consensuele norm die beschrijft hoe mensen moeten handelen, voelen en denken in een bepaalde situatie in plaats van hoe mensen daadwerkelijk handelen, voelen en denken in die situatie.

    Normen zijn geen externe regels, maar geïnternaliseerd standaarden. Normen kunnen zowel ongezond als gezond gedrag promoten.

    Sociale afstemming is de neiging dat acties en evaluaties van individuen meer lijken op de acties en veronderstelde evaluaties van degenen om hen heen. Sociaal psycholoog Sherif bevestigde dat normen geleidelijk verschijnen naarmate het gedrag, oordelen en overtuigingen van groepsleden gelijk getrokken worden met de tijd. Sherif ontdekte ook dat groepsleden de norm hadden geïnternaliseerd, omdat deze bleef bestaan ook als was het groepslid alleen. 

    Normen zijn essentieel voor het functioneren van groepen, want zelfs oneven of ongebruikelijke normen organiseren interacties, verhogen de voorspelbaarheid en vergroten de solidariteit.

    Pluralistic ignorance is een belangrijke term. Pluralistic ignorance komt voor wanneer leden van een groep privé verschillen in opvattingen en verwachtingen, maar publiekelijk allemaal hetzelfde handelen omdat ze geloven dat zij de enige zijn wiens persoonlijke opvattingen verschillen van de rest van de groep.

    Wat zijn rollen?

    Rollen zijn eemn samenhangende reeks van gedragingen die worden verwacht van mensen in specifieke posities binnen een groep of sociale omgeving. Rollen verklaren de veranderingen die sommige mensen laten zien wanneer ze lid worden van een groep. Rol differentiatie is een toename van het aantal rollen in een groep, vergezeld door een geleidelijke afname van de reikwijdte van deze rollen naarmate elke rol nauwer wordt gedefinieerd en gespecialiseerd. Rollen beïnvloeden de blijheid en het welzijn van groepsleden in belangrijke mate.

    Een taakrol is elke positie in een groep die wordt bezet door een lid dat gedrag uitvoert dat zich concentreert op taken en activiteiten, zoals het initiëren van structuur, het geven van taakgerelateerde feedback en het stellen van doelen. Een relatierol is elke positie in een groep die wordt bezet door een lid dat gedrag vertoont dat de aard en kwaliteit van interpersoonlijke relaties tussen leden verbetert, zoals bezorgdheid tonen over de gevoelens van anderen, conflict verminderen en gevoelens van tevredenheid en vertrouwen in de groep versterken. Bales suggereerde dat weinig mensen zowel de taak als de relationele behoeften van een groep kan vervullen.

    Een aantal theoretici, die proberen uit te leggen waarom rollen in groepen ontstaan, benadrukken hun functionele bruikbaarheid. Sommige theoretische rollenanalyses leggen meer de nadruk op het generatieve proces van rolgerelateerde acties. Groepsleden delen een basisgevoel van de vereisten van de rollen die gebruikelijk zijn in de meeste groepsinstellingen, maar ze werken de details van hun rollen en hun eisen uit terwijl ze met elkaar omgaan.

    Zelf-presentatie is het beïnvloeden van de sociale percepties van andere mensen door selectief persoonlijke informatie aan hen te openbaren. Het omvat zowel opzettelijke als onbedoelde pogingen om de indruk te wekken, te behouden of te verfijnen die anderen hebben.

    Role-taking is het waarnemen van de rolvereisten van de rollen van andere groepsleden, vanuit hun perspectief.

    Wat is groep socialisatie?

    Moreland en Levine ontwikkelde hun theorie over groep socialisatie. Dat is een patroon van verandering in de relatie tussen een individu en een groep die begint wanneer een persoon voor het eerst overweegt lid te worden van de groep en eindigt wanneer hij of zij de groep verlaat.

    De theorie erkent dat nieuwkomers vaak gevraagd wordt rollen aan te nemen die ze liever vermijden. Oudere groepsleden moeten in sommige gevallen bereid zijn om nieuwe rollen aan te nemen waarvoor ze nieuwe vaardigheden moeten aanleren. Maar groepsleden vinden ook dat hun groep flexibel genoeg moet zijn om te veranderen om aan hun specifieke behoeften te voldoen. Dus individuen proberen de groep te beïnvloeden. De theorie van Moreland en Levine maakt onderscheid tussen vijf soorten groepsrollen:

    1. Kandidaat lid.
    2. Nieuw lid.
    3. Volledig lid.
    4. Marginaal lid.
    5. Ex-lid.

    Wat is role ambiguity?

    De verantwoordelijkheden en activiteiten die nodig zijn van een persoon die een rol vervult, zijn niet altijd duidelijk. Rolnemers ervaren dan waarschijnlijk role ambiguity – dan is er sprake van onduidelijke verwachtingen over het gedrag dat moet worden uitgevoerd door een persoon die een bepaalde positie binnen de groep inneemt, veroorzaakt door een gebrek aan duidelijkheid in de rol zelf, een gebrek aan consensus binnen de groep over het gedrag dat verband houdt met de rol, of de onzekerheid van de individuele rolnemer met betrekking tot het soort gedrag dat anderen verwachten.

    Role conflict is een toestand waarin spanning, angst of onzekerheid wordt veroorzaakt door inconsistente of discordante verwachtingen in verband met iemands rol in de groep.

    Er kan ook een interrole conflict ontstaan. Dat is een vorm van role conflict die optreedt wanneer individuen meerdere rollen binnen een groep vervullen en de verwachtingen en gedragingen in verband met een van hun rollen niet consistent zijn met de verwachtingen en gedragingen in verband met een andere van hun rollen.

    Daarnaast bestaat er ook intrarole conflict. Dat is een vorm van role conflict die optreedt wanneer het gedrag dat een enkele rol vormt, ongerijmd zijn, vaak als gevolg van inconsistente verwachtingen van de persoon die de rol bekleedt en andere leden van de groep.

    Er kan ook een persoon-rol conflict zijn. Dat gebeurt wanneer het gedrag dat bij een bepaalde rol hoort, totaal niet rijmt met de waarden, persoonlijkheid, behoeften of voorkeuren van de persoon van wie verwacht wordt de rol aan te nemen. Een belangrijke bijbehorende term is role fit. Dat is de mate van overeenstemming tussen de eisen van een specifieke rol en de attitudes, waarden, vaardigheden en andere kenmerken van het individu dat de rol vervult.

    Onzekerheid over iemands rol resulteert in stress en spanning en de resultaten zijn zelden positief voor de groepsleden of voor de groep zelf.

    Wat is er bekend over relaties tussen leden?

    Verbindingen tussen de leden van een groep vormen de basis voor de derde component van de groepsstructuur: het netwerk van relaties tussen leden. Met de tijd vindt er status differentiatie plaats. Dat is de geleidelijke opkomst van sommige groepsleden tot functies met een groter gezag, vergezeld van een vermindering van het gezag van andere leden.

    Het krijgen van status in een groep is het complexe resultaat van individuele, groeps- en culturele factoren. Voorspellingen van status moeten rekening houden met de mate waarin de attributen van individuen overeenkomen met de kwaliteiten die worden gewaardeerd door de groepen waartoe zij behoren.

    Sociometrische differentiatie is de ontwikkeling van sterkere en positievere interpersoonlijke banden tussen sommige leden van de groep, vergezeld van afname van de kwaliteit van de relaties tussen andere leden van de groep.

    De balanstheorie is een analyse van sociale relaties die ervan uitgaat dat relaties evenwichtig of onevenwichtig kunnen zijn. Onevenwichtige relaties creëren een onaangename spanning die moet worden verlicht door een element van het systeem te veranderen.

    Over het algemeen is een groep in balans als:

    • Alle relaties positief zijn.
    • Een even nummer van negatieve relaties bestaan binnen de groep.

    Communicatienetwerk zijn patronen van informatieoverdracht en -uitwisseling die beschrijven wie het meest communiceert en in welke mate met wie. Vroege onderzoeken naar communicatienetwerken suggereerden dat groepen met gecentraliseerde netwerken beter presteerden dan groepen met gedecentraliseerde netwerken. Vanwege deze resultaten zei sociaal psycholoog Shaw dat de efficiëntie van een netwerk gerelateerd is aan informatie verzadiging. Soms is er te veel informatie voor een goed overzicht.

    Alleen kleine groepen met een gedecentraliseerd communicatienetwerk kunnen beter presteren dan groepen met een gecentraliseerd netwerk. Om deze reden hebben de meeste organisaties een hiërarchisch communicatienetwerk. Downward information is informatie van de leiders naar de volgers van de groep. Upward informatie gaat van de volgers naar de leiders.

    Wat is sociale netwerkanalyse?

    Analisten van sociale netwerken proberen de verbindingen in kaart te brengen die individuen met elkaar verbinden en gebruiken die informatie om precies te bepalen waar mensen zich ten opzichte van elkaar bevinden in de interpersoonlijke ruimte.

    De fundamenten voor een sociaal netwerkanalyses zijn een reeks van procedures gedefinieerd door:

    • Een focus op de structuren van sociale groepen en in het bijzonder op koppelingen tussen groepsleden.
    • Het systematisch meten van deze structuren.
    • Het gebruik van grafieken die deze structuren representeren.
    • Het toepassen van statistische procedures om deze structuren te kwantificeren.

    De sociaal netwerkanalyse beschrijft de locatie van elk lid ten opzichte van de andere leden. Belangrijke begrippen hierbij zijn de volgende:

    • Degree centrality: het aantal connecties tussen groepsleden; de degree centrality van de groep is het gemiddelde van de directe verbindingen tussen groepsleden.
    • Outdegree: het aantal connecties dat door het individu is geïnitieerd in een gericht netwerk.
    • Indegree: het aantal connecties dat de persoon in een gericht netwerk heeft ontvangen.
    • Betweenness: de mate waarin de positie van een groepslid in een netwerk zich bevindt langs een pad tussen andere paren van individuen in het netwerk.
    • Closeness: het omgekeerde van de afstand, in termen van connecties, van een individu van alle anderen in het netwerk.

    De volgende begrippen gaan over de gehele groep:

    • Dichtheid: de mate van verbondenheid van de leden van de groep, zoals geïndexeerd door het aantal daadwerkelijke connecties die leden verbindt gedeeld door het aantal mogelijkheden.
    • Cliques: subgroepen van onderling verbonden leden binnen de grotere groepscontext.
    • Gaten: gaten binnen het netwerk.
    Access: 
    Public
    Wat is invloed? - Chapter 7

    Wat is invloed? - Chapter 7

    Sociale invloed bestaat uit onderlinge, persoonlijke processen die de gedachten, gevoelens of het gedrag van een ander  veranderen. De invloed van de meerderheid (majority influence) verhoogt de consensus binnen de groep, terwijl de invloed van de minderheid (minority influence) individualiteit en innovatie behoudt. De officiële definities zijn:

    • Majority influence: sociale druk uitgeoefend door het grootste deel van een groep, gericht op individuele leden en kleinere facties binnen de groep.
    • Minority influence: sociale druk uitgeoefend door een alleenstaande of kleinere fractie van een groep gericht op leden van de meerderheid.

    Wat is de invloed van de meerderheid?

    Iets wat veel gezien wordt in groepen met invloed van de meerderheid is conformiteit. Dat is een verandering in iemands acties, emoties, meningen, oordelen, enzovoort die hun discrepantie vermindert met dezelfde soorten reacties die door anderen worden getoond.

    Sociaal psycholoog Asch toonde de invloed van de meerderheid aan op de enkeling in zijn experimenten. Hij bedacht de Asch situatie. Dat is een experimentele procedure waarbij deelnemers geloofden dat ze perceptuele beoordelingen maakten als onderdeel van een groep, maar de andere leden werden getraind om opzettelijke fouten te maken bij bepaalde proeven. Een groep werd gevraagd om een oordeel te geven over de lengte van lijnen. De eerste zes deelnemers hoorden bij het experiment en gaven expres verkeerde antwoorden. Dat het antwoord verkeerd was, was overduidelijk. Er werd gekeken of de laatste en daadwerkelijke deelnemer bij zijn eigen oordeel zou blijven of met de groep zou meegaan. Mensen conformeerden zich gemiddeld op een derde van de test trials, maar de meesten waren het vaker niet eens met de meerderheid dan dat ze meegingen met de meerderheid.

    Er zijn verschillende vormen van conformiteit:

    • Meegaandheid: verandering die optreedt wanneer de doelen van sociale invloed de positie van de beïnvloeder publiekelijk accepteren maar privé hun oorspronkelijke overtuigingen handhaven.
    • Conversie: leden veranderen hun mening, omdat ze denken dat de groep gelijk heeft.
    • Congruentie: leden zijn het vanaf het begin met de groep eens, zodat ze niet reageren op de invloed van de groep wanneer ze hun positie publiekelijk uiten.

    Het niet conformeren heeft ook verschillende vormen:

    • Onafhankelijkheid: leden zijn het publiekelijk niet eens en laten dit blijken door hun ideeën, overtuigingen en oordelen die overeenkomen met hun eigen persoonlijke standaard publiekelijk te delen.
    • Anticonformiteit: Opzettelijk meningen uiten, oordelen of handelen op een manier die verschilt van die van de andere groepsleden om de groep en haar normen aan te vechten in plaats van alleen om persoonlijke voorkeuren uit te drukken.
    • Strategische anticonformiteit: leden nemen een standpunt in dat zich verzet tegen datgene dat door de meerderheid van de leden in het openbaar wordt onderschreven, ook al zijn zij het privé met de meerderheid eens.

    Een unanieme meerderheid is invloedrijk, omdat:

    • Wanneer je alleen ten opzichte van de rest staat, draag je honderd procent van de groepsdruk.
    • Hoe groter de minderheidsgroep, hoe kleiner de meerderheid is.
    • Een partner maakt een gênante situatie minder gênant.

    Grotere meerderheden zijn invloedrijker, maar slechts tot op zekere hoogte. De groepsgrootte maakt minder uit als de groepsleden samenwerkten om tot een besluit te komen.

    De sociaal psycholoog Latané bedacht de sociale invloed theorie. Dat is een analyse van sociale invloed, waarin wordt gesuggereerd dat de impact van elke bron van invloed afhangt van de sterkte, de directheid en het aantal aanwezige personen. Deze theorie biedt een algemeen raamwerk voor het organiseren van onderzoeksresultaten over druk tot conformeren in groepen.

    Wat is de invloed van de minderheid?

    Moscovici en collega’s ontrafelden de kracht van de minderheid. Hij bedacht de conversie theorie. Dat is een conceptuele analyse van de cognitieve en interpersoonlijke processen die de directe en indirecte impact van een consistente minderheid op de meerderheid bemiddelen. Minderheden die consequent pleiten voor hun posities maar er toch in slagen om een ​​goede positie in de groep te behouden, zullen de consensus van de groep wegtrekken van de positie van de meerderheid in de richting van de voorkeur van de groep.

    Sociaal psycholoog Hollander ontwikkelde het concept van idiosyncrasy credits. Dat is een verklaring voor de clementie die in groepen soms wordt getoond aan leden met een hoge status die groepsnormen overtreden; het is een hypothetische onderlinge, persoonlijke bonus die wordt verdiend telkens wanneer een individu een bijdrage levert aan de groep, maar het krediet vermindert telkens wanneer het individu anderen beïnvloedt, fouten maakt, of afwijkt van de normen van de groep.

    Een deel van het geheim van de unieke invloed van minderheden ligt in de kwaliteit van hun argumentatie. Minderheden voelen sneller de druk om met goede argumenten te komen.

    De dynamische sociale invloed theorie van is een uitbreiding van de sociale impacttheorie van Latané, die ervan uitgaat dat invloed een functie is van de sterkte, de onmiddellijkheid en het aantal aanwezige bronnen en dat deze invloed resulteert in consolidatie, clustering, correlatie en voortdurende diversiteit in groepen die ruimtelijk verdeeld zijn en herhaaldelijk op elkaar inwerken met de tijd.

    • Consolidatie: als individuen regelmatig met elkaar omgaan, worden hun acties, attitudes en meningen uniformer.
    • Clustering: clustering in een groep is waarschijnlijker wanneer (a) groepsleden frequenter communiceren met leden die dichtbij zijn en minder frequent communiceren met groepsleden die verder weg zijn en (b) als leden hun locatie kunnen veranderen om zich te voegen bij gelijke anderen.
    • Correlatie: met de tijd worden meningen van de leden gecorreleerd.
    • Voortdurende diversiteit: door clustering worden leden van minderheden vaak afgeschermd tegen de invloedspogingen van de meerderheid en blijven hun overtuigingen binnen de groep.

    Wat zijn bronnen voor de invloed van een groep?

    Individuen in groepen veranderen hun gedrag voor verschillende redenen:

    • Conformiteit is vaak een automatische, spontane reactie in plaats van een bedachtzame reactie.
    • Conformiteit is vaak de meest redelijke reactie in een situatie.
    • Mensen conformeren vaak omdat ze de legitimiteit van de groep en zijn normen accepteren.
    • Conformiteit is vaak een middel om kritiek, mishandeling, en uitsluiting te vermijden.

    Impliciete invloed is onopgemerkte en grotendeels automatische cognitieve, emotionele en gedragsreacties op andere mensen.

    Informatieve invloed zijn veranderingsbevorderende interpersoonlijke processen die gebaseerd zijn op de informatieve waarde van de reacties van anderen in de situatie.

    Het false consensus effect is de neiging van waarnemers om aan te nemen dat hun overtuigingen, attitudes en acties relatief gebruikelijk en geschikt zijn in elke situatie.

    Dual process theorieën van invloed omvat elke conceptuele analyse die twee bronnen of vormen van invloeden identificeert: direct en indirect. Iemands reactie kennen kan een bedachtzame analyse aanwakkeren. Dit is een direct proces. Indirect proces gebeurt vaak als mensen geen zin hebben om cognitief werk te verzetten voor een analyse en beroepen zich dan vaak op heuristieken. Een heuristiek is een vuistregel die mensen gebruiken om conclusies te trekken wanneer de hoeveelheid beschikbare informatie beperkt, dubbelzinnig of tegenstrijdig is.

    Normatieve invloed is het tegenovergestelde van informatieve invloed en zijn  veranderinsbevorderende interpersoonlijke processen gebaseerd op sociale normen, standaarden, en conventie. Omdat individuen de normen van hun groep internaliseren, streven ze ernaar te handelen op een manier die consistent is met die normen.

    Cialdini ontwikkelde de focus theorie of normatief gedrag. Dat is een verklaring van invloed die veronderstelt dat beschrijvende en bindende normen gedrag beïnvloeden wanneer ze opvallend worden gemaakt en daarom de aandacht trekken.

    Interpersoonlijke invloed zijn veranderingsbevoderende interpersoonlijke processen gebaseerd op groepsleden die selectief conformiteit aanmoedigen en non-conformiteit ontmoedigen of zelfs bestraffen.

    Subjectieve groepsdynamieken zijn psychologische en interpersoonlijke processen die voortkomen uit sociale categorisatie en identificatieprocessen, inclusief de wens van leden om het positieve onderscheidend vermogen van de groep te behouden en de geldigheid van de gedeelde overtuigingen.

    Het zwarte schaap effect is de neiging van groepsleden om een ​​groepslid dat een aanstootgevend gedrag vertoont, strenger te evalueren dan een lid van een andere groep die dezelfde overtreding begaat.

    Latané en Darley’s onderzoeken toonden het bystander effect aan. Dat is de neiging van mensen om minder te helpen als ze weten dat anderen aanwezig zijn en kunnen helpen. Aanvankelijk werd gedacht dat het effect het gevolg was van apathie en een egoïstische onwil om mee te doen, maar onderzoek suggereert dat een aantal cognitieve en sociale processen, waaronder diffusie of verantwoordelijkheid en verkeerde interpretatie dat hulp niet nodig is, bijdragen aan het effect.

    Diffusie van verantwoordelijkheid is een vermindering van persoonlijke verantwoordelijkheid ervaren door individuen in groepen.

    Hoe kan men jury's begrijpen?

    De situatie van een jury is ontworpen om zorgvuldige besluitvorming en tolerantie voor alle gezichtspunten te bevorderen, maar in de kern is een jury een groep. De uiteindelijke beslissing van de jury is daarom ook afhankelijk van sociale invloed. Hastie, Penrod en Pennington onderzochten jury's. Ze ontwikkelden het story model. Dat is een theorie van cognitieve verwerking van onderzoeksinformatie die suggereert dat juryleden mentaal bewijs organiseren in coherente, geloofwaardige verhalen.

    De meeste jury's gebruiken of verdict-driven of evidence-driven strategie. Bij de eerste strategie maken de juryleden een beslissing over het vonnis voordat ze het bewijs opzettelijk en bedachtzaam organiseren in twee categorieën: bewijs dat een vonnis van schuld ondersteunt en bewijs dat een vonnis van onschuld ondersteunt. Bij de tweede strategie weerstaan het maken van een uiteindelijk oordeel over het vonnis voordat ze al het bestaande bewijs hebben bekeken.

    Access: 
    Public
    Wat is macht? - Chapter 8

    Wat is macht? - Chapter 8

    Mensen leunen op sociale macht om anderen te beïnvloeden. Sociale macht is de capaciteit om bedoelde effecten in interpersoonlijke contexten te produceren.

    Milgram is bekend geworden om zijn onderzoeken naar gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid is naleving van gezaghebbende richtlijnen die betrekking hebben op een bepaalde situatie, inclusief gedragsveranderingen in reactie op instructies, bevelen en eisen van personen met autoriteit. De onderzoeken van Milgram suggereren dat gehoorzaamheid gebruikelijk is in hiërarchisch georganiseerde groepen.

    Critici constateerden methodologische fouten en suggereerden dat de persoonlijke kenmerken van de deelnemers van Milgram hen ertoe brachten te gehoorzamen, toch zijn de bevindingen van Milgram overgenomen door andere onderzoekers.

    Hoe werkt sociale macht in groepen?

    Sociaal psychologen French en Raven bedachten de theory of power bases. Power bases zijn bronnen van sociale macht in een groep, inclusief iemands mate van controle over beloningen en straf, autoriteit in de groep, aantrekkelijkheid, expertise en toegang tot en controle over informatie die nodig is voor groepsleden. French en Raven identificeerden en maakten onderscheid tussen vijf vormen van macht:

    1. Beloning: de belofte van positieve, wenselijke prikkels.
    2. Dwang: dreiging van negatieve, niet wenselijke gevolgen.
    3. Rechtmatig: recht om het gevraagde gedrag te eisen.
    4. Referent: op relaties gebaseerd (respect, aantrekking).
    5. Expert: waargenomen kennis, vaardigheden, etc.
    6. Informatieve macht: capaciteit om te redeneren, uitleggen en informeren (deze zesde vorm van macht is later toegevoegd door Raven).

    De theory of power bases van French en Raven identificeert en onderscheidt de zes meest voorkomende bronnen van invloed in groepen, maar ze beweerden niet dat hun lijst volledig was.

    Volgens Milgram bestaat er zoiets als een agentic state. Dat is een psychologische toestand die optreedt wanneer ondergeschikten in een georganiseerde status hiërarchie een zodanige duidelijke vermindering van autonomie ervaren dat ze niet in staat zijn om de orders van autoriteiten te weerstaan.

    De keuze die mensen hebben in machtsstrategie wordt beperkt door hun zelfregulatie, bereidheid om sociale controle te negeren en door hun onoprechtheid. Machtsstrategieën zijn specifieke strategieën die gebruikt worden om anderen te beïnvloeden, meestal om een bepaald doel of voordeel te behalen. De strategieën verschillen op een aantal punten van elkaar:

    • Harde en zachte strategieën; harde strategieën worden vaak omschreven als dwingend, direct, etc.
    • Directe, rationele en indirecte, irrationele strategieën.
    • Unilaterale en bilaterale strategieën; unilaterale strategieën kunnen opgelegd worden zonder de medewerking van het doelwit voor beïnvloeding.

    Bij de foot in the door techniek wordt een persoon beïnvloedt door het extraheren van de naleving van een klein eerste verzoek voordat het tweede, meer substantiële verzoek wordt gedaan.

    Hoe werkt sociale status in groepen?

    Het systeem van dominantie en onderwerping wordt vaak een pikorde genoemd, omdat het bepaalt wie het pikken doet en wie er gepikt wordt. Een formelere definitie van een pikorde is: een stabiel, geordend patroon van individuele variaties in prestige, status en autoriteit onder groepsleden.

    Socioloog Berger ontwikkelde de expectation-states theory. Dat is een verklaring van differentiatie in status binnen groepen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat groepsleden status toekennen aan groepsleden die als competent worden beschouwd voor de betreffende taak en aan groepsleden die kwaliteiten hebben waarvan de leden denken dat ze indicatoren van competentie en potentieel zijn. Deze theorie gaat er vanuit dat verschillen in status zich waarschijnlijk ontwikkelen wanneer leden samenwerken om gedeelde doelen te behalen.

    Specifieke status kenmerken zijn taak-specifieke gedrags- en persoonlijke kenmerken die mensen overwegen wanneer ze een inschatting maken van de relatieve competentie, vaardigheid en sociale waarde van zichzelf en anderen. Daarentegen zijn er ook diffuse status kenmerken. Dat zijn algemene persoonlijke kwaliteiten, zoals leeftijd en etniciteit, die mensen overwegen wanneer ze proberen in te schatten wat de competentie, vaardigheid en sociale waarde van zichzelf of anderen zijn.

    Generalisatie van status (status generalization) vindt ook plaats. Dat is de neiging van personen waarvan bekend is dat ze autoriteit, respect en prestige in de ene context hebben bereikt of toegewezen, om relatief hogere status te genieten in andere, niet-gerelateerde, contexten.

    Vrouwen en mensen van minderheidsgroepen moeten extra moeite doen om in hun groepen hetzelfde niveau van respect te krijgen, die blanke mannen al krijgen, zelfs als ze minder productief zijn. Deze oneerlijke positie is zelfs groter wanneer je de enige bent in de groep die anders is dan de rest. Dit wordt solo status genoemd. De formele definitie voor solo status is: de staat van het enige groepslid zijn dat een vertegenwoordiger is van een specifieke sociale categorie in een anders homogene groep.

    Socioloog Michels beschreef de ijzeren wet van oligarchie. Dat is het principe van politieke en sociale controle dat voorspelt dat, in elke groep, macht geconcentreerd is in de handen van een paar individuen die zullen handelen op manieren die hun macht beschermen en versterken.

    Dit wordt gedeeltelijk verklaard aan de hand van de interpersoonlijke complementaire hypothese. Dat is de voorspellende neiging van bepaald gedrag om gedrag van anderen op te roepen dat overeenstemt met het oorspronkelijke gedrag, waarbij positief gedrag positief gedrag oproept, negatief gedrag dat negatief gedrag oproept, dominant gedrag dat onderdanig gedrag oproept en onderdanig gedrag dat dominant gedrag oproept.

    Hiërarchie in groepen heeft ook zijn nadelen; individuen met een lage status presteren bijvoorbeeld soms niet naar een volledige potentie, omdat de lage status hun motivatie en cognitief functioneren naar beneden haalt.

    Wat zijn de effecten van macht?

    Macht is voor een gedeelte een gevoel van autoriteit in plaats van autoriteit an sich. Het gevoel van macht of controle hebben, is ook afhankelijk van de situatie. Het gevoel kan ontstaan, omdat iemand op een directe manier een positie met macht toegewezen krijgt. Het gevoel kan echter ook op subtielere manieren ontstaan.

    Sociaal psycholoog Keltner kwam met de benadering/inhibitie theorie. Dat is een integratieve conceptuele analyse van de transformatieve effecten van macht die zegt dat macht zowel psychologisch als gedrag activerend is, maar ook zegt dat een gebrek aan macht of een vermindering van macht een inhiberende werking heeft.

    De positieve effecten van macht zijn veelvuldig:

    • Macht zet aan tot actie.
    • Machtige mensen ervaren en uiten vaker positieve emoties dan mensen die minder machtig zijn.
    • Machtige individuen laten een groter doorzettingsvermogen zien in hun wens om een doel te behalen.
    • Macht verbetert cognitieve functies zoals gerichte aandacht, het maken van beslissingen, plannen en het selecteren van doelen.
    • In bepaalde mate isoleert macht een individu van de invloed van anderen.

    Macht heeft ook een veelvoud aan negatieve effecten:

    • Machtige mensen zijn proactief, maar in sommige gevallen zijn hun acties risicovol, niet passend of onethisch.
    • Machtige mensen wakkeren vaak negatieve gevoelens aan bij hun ondergeschikten, zeker wanneer er onenigheid en conflict in de groep is.
    • Machtige mensen beoordelen hun ondergeschikten vaak verkeerd, begrijpen ze niet, en benadelen ze zelfs.
    • Het succesvolle gebruik van macht als middel om anderen te beheersen, kan leiden tot zelfvoldoening, onrealistisch positieve zelfevaluaties en overschattingen van onderlinge, persoonlijke macht.
    • Machtige mensen hebben ook de neiging om hun macht te gebruiken om anderen te beïnvloeden zelfs wanneer het gebruik van macht onnodig is.
    • Wanneer individuen zich machtig voelen, behandelen ze anderen soms oneerlijk, vooral als ze meer egocentrisch zijn dan gericht op het algemene welzijn van de groep.

    Een belangrijke term hier is het Bathsheba syndroom: dat is de neiging van leden met een hoge status om oneerlijke en ongepaste voorrechten en onderscheidingen te claimen, waaronder roofzuchtige seksuele activiteiten.

    De benadering/inhibitie theorie voorspelt dat personen die zich niet krachtig voelen, meer negatieve emoties en verminderde motivatie zullen vertonen. Deze negatieve effecten zijn waarschijnlijker wanneer machthebbers dwangmatige beïnvloedingsmethoden gebruiken. Deze beïnvloedingsmethoden worden gelinkt aan een aantal disfunctionele groepsprocessen, zoals meer rebellie tegen autoriteit, verstoorde interpersoonlijke relaties en revolutionaire coalities.

    Access: 
    Public
    Wat is leiderschap? - Chapter 9

    Wat is leiderschap? - Chapter 9

    Leiderschap is één van de invloedrijkste processen van de onderlinge, beïnvloedingsprocessen die plaatsvinden binnen een groep. Het is de begeleiding van anderen bij het nastreven van individuele en collectieve doelen, vaak door hun inspanningen te sturen, coördineren, motiveren, ondersteunen en verenigen.

    Hoe worden groepen geleid?

    Wat is leiderschap?

    • Leiderschap is een proces van beïnvloeding. Deze beïnvloeding kan verschillende vormen aannemen, zoals directe en indirecte vormen. Leiderschap gaat over een proces en niet over een positie.
    • Leiderschap is een coöperatieve, wederkerige relatie.
    • Leiderschap is een doelgericht proces, omdat het de pogingen van groepsleden om persoonlijke en groepsdoelen te bereiken organiseert en motiveert.

    Onderzoekers van Ohio State University gebruikten factoranalyse om clusters van gedrag te beschrijven, die vaak worden toegeschreven aan leiders. De uitkomst resulteerde in het twee-factoren model van leiderschap:

    • Taak leiderschap: richt zich op het werk van de groep en zijn doelen.
    • Relationeel leiderschap: richt zich op de onderlinge relaties binnen de groep.

    Een formele definitie van het model is: een beschrijvend leiderschapsmodel, dat beweert dat de meeste leiderschapsgedragingen kunnen worden geclassificeerd als prestatiebehoud of relatiebehoud.

    De leadership substitutes theory is een conceptuele analyse van de factoren die de behoefte aan een leider verminderen of voorkomen dat de leider zijn of haar verantwoordelijkheden vervult.

    Wanneer verschijnt leiderschap?

    De historicus Carlyle bedacht de great leader theory. Dat is een visie op leiderschap die aangeeft dat succesvolle leiders bepaalde kenmerken bezitten die hen markeren voor grootheid en dat zulke grote leiders de loop van de geschiedenis bepalen. De Russische schrijver Tolstoy daarentegen kwam met de Zeitgeist theory. Dat is een visie op leiderschap die stelt dat geschiedenis vooral wordt bepaald door de 'geest van de tijd' in plaats van door de acties en keuzes van grote leiders.

    Deze twee theorieën beïnvloeden nog steeds de theoretische analyses van de verschijning van leiderschap. Geen van de benadering is voldoende om de verschijning van leiderschap in zijn geheel te verklaren. Daar moeten ze worden gecombineerd in een interactionele benadering.

    Toen onderzoekers de resultaten van 60 studies van persoonlijkheid en leiderschap meta-analytisch beoordeelden, ontdekten ze dat hoe meer men gewetensvol, extravert, aangenaam, emotioneel stabiel en open is, hoe waarschijnlijker het is dat hij naar voren komt als leider van een groep. De eigenschappen gewetensvol en extraversie correleerden het sterkst met leiderschap, daarna openheid en emotionele stabiliteit.

    Er bestaat ook een Dark Triad (DT). Dat is de set van drie sociaal aversieve persoonlijkheidskwaliteiten bestaande uit Machiavellianisme, narcisme en psychopathie. Onderzoeksresultaten suggereren dat alle drie persoonlijkheidskwaliteiten gerelateerd zijn aan de verschijning van leiderschap.

    Leiders scoren over het algemeen boven gemiddeld of goed op gestandaardiseerde testen van intelligentie. Daarentegen is het voor leiders ook handig om hoog te scoren op emotionele intelligentie. Dat is het onderdeel van sociale intelligentie dat betrekking heeft op iemands vermogen om emoties nauwkeurig waar te nemen, informatie over emoties te gebruiken bij het nemen van beslissingen en om de emotionele reacties van zichzelf en anderen te controleren en beheersen.

    Volgens psycholoog Sternberg hebben goede leiders ook een hoge praktische en creatieve intelligentie, waarmee ze informatie op een snelle, logische en zinnige manier verkrijgen en verwerken. Daarnaast kunnen leiders hiermee ook goed problemen oplossen. Praktische intelligentie komt met ervaring.

    Iemand kan qua intelligentie geschikt zijn om een groep te leiden, maar toch kan een groep kiezen voor iemand anders als leider. Hiervoor kunnen vaak geen goede redenen voor zijn:

    • Uiterlijk: leiders zijn vaak langer, gezonder en ouder dan het gemiddelde groepslid. Stereotyperingen kunnen ervoor zorgen dat bepaalde mensen ondervertegenwoordigd zijn in leiderschapsposities, zoals mensen met blond haar.
    • Diversiteit: individuen van een minderheidsgroep binnen een groep zijn minder vaak de leiders van de groep. Ook zijn individuen uit een minderheidsgroep minder vaak leiders in het algemeen.
    • Geslacht: zowel vrouwen als mannen geven de voorkeur aan een man als leider. Er zijn veel meer mannelijke leiders dan vrouwelijke. Dit verschil wordt wel iets kleiner. De ironie is dat de persoonlijkheidskenmerken en competenties van vrouwen hen vaker beter kwalificeren als leiders, hebben ze minder kans om dergelijke posities te verwerven.

    Welke theorieën over het verschijnen van leiderschap zijn er?

    • Impliciete leiderschap theorie: de veronderstellingen van groepsleden over de eigenschappen, kenmerken en kwaliteiten die leiders onderscheiden van de mensen die zij leiden. Deze theorie is ontwikkeld door sociaal psycholoog Lord. De veronderstellingen worden als impliciet beschouwd, omdat ze niet openlijk worden vermeld. Ze geven volgers ook een prototype die ze kunnen gebruiken om onderscheid te maken tussen effectieve en ineffectieve leiders. Het nadeel zit hem ook in het impliciete gedeelte.
    • Sociale identiteit theorie: deze theorie voorspelt dat bij een groep met een gedeelde sociale identiteit door de leden, de leden voorkeur geven aan individuen in de groep die het beste deze identiteit representeert.
    • Sociale rol theorie: een conceptuele analyse van sekseverschillen waarin wordt erkend dat mannen en vrouwen verschillende soorten rollen vervullen in veel samenlevingen en dat deze rolverwachtingen genderstereotypen en verschillen in het gedrag van vrouwen en mannen genereren.
    • Terror management theorie: een conceptuele analyse van de impliciete psychologische processen waarvan wordt gedacht dat ze individuen beschermen tegen de emotioneel angstaanjagende kennis dat ze sterfelijk zijn. Deze theorie gaat uit van minder rationele redenen om aangetrokken te zijn tot machtige leiders.
    • Evolutionaire theorie: suggereert dat leiderschap een adaptatie is: een erfelijke eigenschap die zich gedurende een lange periode in een populatie ontwikkelde. Deze theorie ziet leiderschap niet als een dominantie wedstrijd. Verder heeft volgens deze theorie leiderschap alleen adaptieve voordelen als de groep de meest gekwalificeerde individu kiest als leider. Dit ontwikkelde zich in tijden die compleet anders zijn dan vandaag de dag.

    Wanneer is een leider effectief?

    The two-factor model suggereert ook wat leiders zouden moeten doen om effectief te zijn. Groepen hebben leiders nodig die in staat zijn om de onderlinge banden tussen leden goed te houden.

    Robert Blake en Jane Mouton bedachten de Leadership Grid. Dat is een theorie van management en leiderschap in de veronderstelling dat mensen verschillen in hun bezorgdheid om resultaten en hun bezorgdheid om mensen en dat individuen die hoog op beide dimensies staan ​​de beste leiders zijn. Deze theorie is een voorbeeld van een theorie over leiderschapsstijl. De bedenkers veronderstelde dat iemands leiderschapsstijl afhankelijk is van hoe ze twee vragen beantwoorden:

    1. Hoe belangrijk is de productieresultaten van de groep?
    2. Hoe belangrijk zijn de gevoelens van de groepsleden?

    Paul Hersey en Kenneth Blanchard ontwikkelden de situationele leiderschap theorie. Dat is een theorie van leiderschap die suggereert dat groepen profiteren van leiderschap dat aansluit bij het ontwikkelingsstadium van een groep. Volgens deze theorie combineren effectieve leiders zowel ondersteunend als directief gedrag afhankelijke van wat de groep nodig heeft om te presteren.

    Psycholoog Fiedler bedacht de contingency theory: elke theorie die de effectiviteit van een leider suggereert, is afhankelijk van situationele factoren.

    Verder is er ook nog de leader-member exchange theory. Dat is een dyadische, relationele benadering van leiderschap in de veronderstelling dat leiders uitwisselingsrelaties ontwikkelen met elk van hun ondergeschikten en dat de kwaliteit van deze uitwisselingsrelaties tussen leiders en leden de verantwoordelijkheid van de ondergeschikten, beslissingsinvloed, toegang tot middelen en prestaties beïnvloedt.

    Lewin, Lippitt en White onderzochten de effectiviteit van een democratisch benadering tot leiderschap ten opzichte van de effectiviteit van een autocratische benadering. De onderzoeksresultaten suggereerden dat gedeeld leiderschap net zo effectief is als gecentraliseerd leiderschap. De methode van gedeelde leiderschap is effectiever in kleiner groepen dan in grote groepen en past goed bij organisaties die leunen op kleine, zelfsturende teams.

    Kelley, een organisatieonderzoeker, identificeerde vijf type volgers door rekening te houden met de mate van betrokkenheid en onafhankelijkheid:

    1. Conformistische volgers: zijn actief en sterk gewijd aan de leider.
    2. Passieve volgers: volgen de leiding van anderen, maar zonder veel enthousiasme of inzet.
    3. Pragmatische volgers: ze zijn niet duidelijk actief, passief, conformerend, of onafhankelijk, maar vormen de basis en een essentieel deel van het werkveld.
    4. Vervreemde volgers: zijn niet toegewijd aan de groep of zijn doelen, gedeeltelijk omdat ze hun onafhankelijkheid van de invloed van anderen standvastig willen behouden.
    5. Voorbeeldige volgers: zijn actief betrokken in de groep, maar doen niet simpelweg dat wat ze verteld worden te doen.

    Kelley suggereert dat de taak van de leider is om de volgers te transformeren in voorbeeldige volgers. Leiders hebben ook de volgende taak: het transformeren van de groep zodat het meer bereikt in termen van zowel prestaties als wel de groei en tevredenheid van de leden.

    Politicoloog Burns beargumenteerde dat de meeste leiders voornamelijk een transactionele leiderschapsstijl aanhouden. Dat is een traditionele vorm van leiderschap waarbij tijd, moeite en andere middelen worden betrokken bij het nastreven van samenwerkingsdoelen in ruil voor gewenste resultaten. Daar tegenover staat het transformationele leiderschap. Dat is een inspirerende methode om anderen te leiden, waarbij de motivatie, het vertrouwen en de tevredenheid van de volgers worden verhoogd, door hen te verenigen in het nastreven van gedeelde uitdagende doelen en hun overtuigingen, waarden en behoeften te veranderen.

    Access: 
    Public
    Wat is prestatie? - Chapter 10

    Wat is prestatie? - Chapter 10

    Wat is sociale facilitering?

    Sociale facilitering is een verbetering van de taakuitvoering die optreedt wanneer mensen in aanwezigheid van andere mensen werken.

    Co-actie is het uitvoeren van een taak of een andere doelgerichte activiteit in aanwezigheid van een of meerdere personen die een vergelijkbaar type activiteit uitvoeren.

    Onderzoekers ontdekten dat sociale facilitering ook kan plaatsvinden wanneer individuen presteren in het bijzijn van publiek. Zajonc merkte op dat onderzoekers die sociale facilitering documenteerden, onderzoek deden met instinct achtige reacties, zoals fietsen (dominante reacties). Onderzoekers die nieuwe, gecompliceerde of ongeoefende handelingen onderzochten (niet dominante reacties), vonden weinig bewijs voor sociale facilitering.

    Zajonc bedacht de drive theory. Dat is over het algemeen een analyse van menselijke motivatie die de impact benadrukt van psychologische of fysiologische behoeften of verlangens op de gedachten, gevoelens en acties van individuen; het is ook een verklaring van sociale facilitering die beweert dat de aanwezigheid van anderen een gegeneraliseerde drifttoestand oproept die wordt gekenmerkt door verhoogde bereidheid en opwinding. De drive theory suggereert dat mensen fysiologisch reageren op de aanwezigheid van mensen, maar de omvang van deze verandering hangt af van de situatie en van wie kijkt.

    Psycholoog Cottrell bedacht de evaluation apprehension theory. Dat is een analyse voor prestatiewinst in groepen met het argument dat individuen die in aanwezigheid van anderen werken, een algemene bezorgdheid hebben over hoe deze anderen hen evalueren en dat deze vrees hun uitvoering van eenvoudige, goed aangeleerde taken vergemakkelijkt.

    Socioloog Goffman bedacht de self-presentation theory. Dat is een analyse van prestatiewinst in groepen in de veronderstelling dat sociale facilitering wordt veroorzaakt door individuele personen die een goede indruk willen maken wanneer ze in aanwezigheid van anderen werken. Verschillende cognitieve theorieën suggereren dat de aanwezigheid van anderen de capaciteit van mensen verandert om informatie adequaat te verwerken, bijvoorbeeld omdat men dan hun aandacht verdeelt over de taak en de aanwezigheid van een ander.

    Afleidingen ondermijnen prestatie niet altijd. De distraction-conflict theory is een analyse van prestatiewinst in groepen, ervan uitgaande dat wanneer anderen aanwezig zijn, de aandacht wordt verdeeld tussen de andere mensen en de taak; dit aandachtsconflict verhoogt de motivatie en het vergemakkelijkt de uitvoering van eenvoudige, goed aangeleerde taken.

    De social orientation theory is een analyse van prestatiewinst in groepen die individuele verschillen in sociale oriëntatie suggereren (de neiging om sociale situaties aandachtig of met enthousiasme te benaderen) voorspellen wanneer sociale facilitering zal plaatsvinden. Volgens deze theorie zijn individuen die een positieve oriëntatie vertonen, zo zelfverzekerd dat ze positief reageren op de uitdaging die de groep eventueel voorlegt. Anders vertonen daarentegen een negatieve oriëntatie; ze benaderen sociale situaties angstig, want ze voelen zich geremd en bedreigd door andere mensen. Mensen kunnen in een bepaalde situatie beide richtingen aannemen. Sommige mensen hebben persoonlijkheidskenmerken waardoor ze negatiever worden.

    Wat is social loafing?

    Ringelmann was een landbouwingenieur uit de negentiende eeuw en was één van de eersten die onderzoek deed naar groepsproductiviteit. Het Ringelmann effect is de neiging van mensen om minder productief te worden wanneer ze met anderen werken; dit verlies aan efficiëntie neemt toe naarmate de groepsgrootte toeneemt, maar met een geleidelijk afnemende snelheid. Ringelmann geloofde dat hier twee redenen voor waren:

    1. Verlies met betrekking tot coördinatie.
    2. Verlies in motivatie.

    Dit laatste punt wordt ook wel social loafing genoemd. Een formelere definitie is: de vermindering van individuele inspanningen die worden geleverd wanneer mensen in groepen werken vergeleken met wanneer ze alleen werken. Social loafing lijkt niet herkend te worden door groepsleden. Onderzoekers hebben een aantal stappen geïdentificeerd die gezet kunnen worden om het niveau van social loafing binnen een groep te verminderen:

    • Identificeerbaarheid vergroten. Social loafing wordt minder als het werk van iemand geëvalueerd kan worden.
    • Free riding minimaliseren. Free riding is minder bijdragen aan een collectieve taak wanneer men gelooft dat andere groepsleden dit gebrek aan inspanning zullen compenseren. Het sucker effect is hier ook van belang. Dat is de neiging van leden om minder bij te dragen aan een groepsinspanning die te hard werkt of teveel bijdraagt.
    • Doelen stellen. Groepen die duidelijke, uitdagende doelen stellen presteren beter dan groepen waarvan de leden niet goed weten wat de doelen zijn.
    • Betrokkenheid vergroten. Betrokkenheid kan ervoor zorgen dat groepsleden gaan compenseren voor het verwachte falen van hun medegroepsleden door zich meer in te zetten. Dit is sociale compensatie.
    • Vergrote identificatie met de groep.

    Karau en William bedachten de collective effort model (CEM). Dat is een theoretische verklaring van groepsproductiviteit die productiviteitsverlies in groepen traceert tot afgenomen verwachtingen over het succesvol behalen van doelen en de afgenomen waarde van de groepsdoelen. Dit model geeft een theoretisch raamwerk voor het begrijpen van de oorzaken en het herstellen van social loafing. Karau en Williams suggereerden dat twee factoren de mate van motivatie van groepsleden bepalen:

    1. Hun verwachtingen over het behalen van een doel.
    2. De waarde van dat doel.

    Hoe wordt er in groepen gewerkt?

    Groepen verliezen soms aan productiviteit door social loafing, maar over het algemeen presteren ze beter dan individuen. Proces verlies is een vermindering van de effectiviteit van de prestaties of efficiëntie veroorzaakt door acties, operaties of dynamiek die verhinderen dat de groep zijn volledige potentieel bereikt, inclusief verminderde inspanning, foutieve groepsprocessen, coördinatieproblemen en ineffectief leiderschap.

    Ivan Steiner erkende dat veel factoren samen de potentiële productiviteit van een groep bepalen, maar hij benadrukt één factor boven alle andere: het soort taak dat de groep heeft. Sommige taken vereisen een hoog niveau van gecoördineerde activiteit, maar anderen niet. De taak vereisten zijn een probleem, inclusief de deelbaarheid en moeilijkheid, die de procedures beïnvloeden die de groep kan gebruiken om de taak te voltooien.

    Deelbare taken kunnen opgedeeld worden in delen. Unitaire taken daarentegen kunnen niet opgedeeld worden. Bij maximaliserende taken is het de kwantiteit die telt, bij optimaliserende taken daarentegen is een goede prestatie wat het meest dichtbij een voorbedacht doel komt. Steiner beschrijft vijf basis combinatiestrategieën:

    1. Additieve taken: een taak of project dat een groep kan voltooien door de input van individuele leden cumulatief te combineren. De groep presteert beter dan zelfs het beste individuele groepslid.
    2. Compenserende taken: een taak of project die een groep kan voltooien door de oplossingen of aanbevelingen van individuele leden letterlijk samen te middelen. De groep presteert beter dan een groot gedeelte van de individuele groepsleden.
    3. Disjunctieve taken: een taak of project dat wordt voltooid wanneer een enkele oplossing, beslissing of aanbeveling door de groep wordt overgenomen. De groep presteert het beste als het de input van het meest capabele groepslid accepteert als de oplossing van de groep. Groepen presteren nauwelijks beter dan het beste groepslid.
    4. Intellectuele en oordelende taken: een intellectuele taak is een project, probleem of ander soort taak met resultaten die objectief kunnen worden geëvalueerd met behulp van een normatief criterium; een oordelende taak is een project, probleem of ander soort taak met resultaten die niet objectief kunnen worden geëvalueerd, omdat er geen duidelijke criteria zijn om ze mee te beoordelen.
    5. Conjunctieve taken: een taak die alleen succesvol kan worden voltooid als alle groepsleden bijdragen. Bij deze taken komt het Köhler effect voor. Dat is een toename van de prestaties door groepen die werken aan conjunctieve taken die persistentie vereisen, maar weinig coördinatie van inspanning en het is waarschijnlijk te wijten aan de verhoogde inspanning die wordt besteed door de minder capabele leden.
    6. Discretionaire taak: een relatief ongestructureerde taak die kan worden voltooid met behulp van een verscheidenheid aan sociale combinatieprocedures, waardoor de gebruikte methoden aan de groep of groepsleider worden overgelaten. Prestatie is hier afhankelijke van de strategieën die groep kiest.

    Synergy is het produceren van een uitkomst als een groep, die superieur is aan de resultaten die zouden kunnen zijn bereikt, door een eenvoudige accumulatie van individuele inspanningen van de groepsleden. Dus als synergy plaatsvindt in een groep dan presteert de groep als geheel beter dan verwacht wordt, gegeven de vaardigheden van de groepsleden.

    Hoe kan groepscreativiteit bereikt worden?

    Een bekende methode voor het verhogen van creativiteit binnen een groep is brainstorming. Een formele definitie van brainstorming is: een methode voor het vergroten van de creativiteit in groepen die vraagt ​​om verhoogde expressiviteit, uitgestelde evaluatie, kwantiteit in plaats van kwaliteit en doelbewuste pogingen om voort te bouwen op eerdere ideeën.

    De bedenkers van brainstorming dachten dat het horen van de ideeën van anderen een stroom van ideeën kon stimuleren, maar het kan ook production blocking veroorzaken. Dat is verlies van productiviteit die optreedt wanneer groeps- en procedurele factoren de voortgang van de groep in de richting van haar doelen belemmeren, vooral wanneer individuen in een brainstormsessie hun ideeën vertragen totdat ze het woord kunnen krijgen en wanneer groepsleden worden afgeleid door ideeën van anderen en zo zelf minder genereren.

    De vrees voor evaluatie kan de effectiviteit van brainstormen ook beperken. Het speelt mee ondanks de regel van ‘niet evalueren’. Ook belangrijk zijn het social matching effect en de illusion of group productivity. Het eerste is de neiging van individuen in brainstormgroepen om het productiviteitsniveau van anderen in de groep te evenaren. De tweede is de neiging van leden om te geloven dat hun groep effectief presteert.

    De volgende regels zouden de effectiviteit van brainstormen kunnen vergroten als ze gevolgd zouden worden:

    • Houd je aan de regels.
    • Heb aandacht voor de ideeën van iedereen.
    • Combineer individuele en groepsbenaderingen tot brainstormen.
    • Neem pauzes om in stilte te denken.
    • Wees niet gehaast.
    • Zet door.
    • Faciliteer de sessie.
    • Maak gebruik van technologie.

    Er zijn alternatieve methodes voor het ouderwetse brainstormen:

    • Electronic brainstorming (EBS): ideeën genereren en problemen oplossen met behulp van computergebaseerde communicatiemethoden zoals online discussies in plaats van face-to-face sessies.
    • Nominal group technique (NGT): een groepsprestatiemethode waarbij een face-to-face groepssessie wordt voorafgegaan door een nominale groepsfase waarin individuen alleen werken om ideeën te genereren.
    • Delphi technique: een groepsprestatiemethode waarbij de meningen van leden herhaaldelijk worden beoordeeld via enquêtes en vragenlijsten in tegenstelling tot persoonlijke ontmoetingen.
    Access: 
    Public
    Wat zijn teams? - Chapter 11

    Wat zijn teams? - Chapter 11

    Hoe werken mensen samen in teams?

    Een team is een groep die prestatiedoelen nastreeft door middel van onderling afhankelijke interactie. Teamwork is het proces waarbij leden van het team hun kennis, vaardigheden en andere middelen combineren, door middel van een gecoördineerde reeks acties, om een ​​resultaat te produceren. Niet al het teamwork is goed teamwork, want het kan variëren in een continuüm van bekwaam en effectief tot onbekwaam en ineffectief, maar minimaal vereist teamwork is dat twee of meer individuen proberen iets voor elkaar te krijgen door samen te werken in plaats van afzonderlijk.

    Er bestaat zoiets als de romance of teams. Dat is de intuïtieve aantrekkingskracht van teams als effectieve manier om de prestaties in zakelijke en organisatorische omgevingen te verbeteren, ondanks het ontbreken van definitief bewijs ter ondersteuning van hun nut. Teams kunnen het best vermeden worden als een taak erg simpel of individualistisch is.

    Teams variëren sterk in vorm en in functie. Voorbeelden van teams zijn:

    • Werkteams: dit zijn de miljoenen groepen die gespecialiseerde goederen en diensten leveren en produceren via gecoördineerde acties van hun leden.
    • Management teams: deze teams voeren zowel operationele als strategische functies uit binnen een organisatie. Normaal gesproken hebben zij de autoriteit om beslissingen te maken die invloed hebben op individuen en groepen binnen de organisatie.
    • Project teams: dit soort teams worden vaak gevormd wanneer een groep of een organisatie tegenover een ongewoon probleem of een uitdaging komt te staan.
    • Advies-gevende teams: bestuderen problemen en doen aanbevelingen aan andere personen en groepen in de organisatie.
    • Zelfsturende teams: teams met een gedistribueerde leiderschapsstructuur waarbij leden de verantwoordelijkheden onderling op een roterende basis delen.
    • Cross-functional teams: deze teams brengen vertegenwoordigers met verschillende achtergronden en verantwoordelijkheden samen om de insulariteit van elk segment van de organisatie te verminderen en de hoeveelheid beschikbare informatie te vergroten die nodig is om een ​​weloverwogen beslissing te nemen. De vertegenwoordigers functioneren als grens sleutels (boundary banners) door relaties op te bouwen die verder reiken dan hun eigen subgroepen en divisies.
    • Multiteam systemen (MTSs) zijn netwerken van onderling verbonden teams verenigd door gemeenschappelijke doeleinden. Dit ontstaat bijvoorbeeld wanneer een taak te groot is voor één team. De dynamieken van zulke teams zijn gecompliceerder dan binnen één team.

    Het Input-Process-Output Model:

    • Inputs: omvat elke voorafgaande factor die direct of indirect de teamleden en het team zelf kunnen beïnvloeden. Deze factoren kunnen op individueel, team en contextueel niveau zijn.
    • Proces: de operaties en activiteiten die de relatie bemiddelen tussen de inputfactoren en de resultaten van het team.
    • Outputs: zijn de gevolgen van de acties van het team.

    Hoe wordt een team opgebouwd?

    Elk lid brengt een reeks unieke persoonlijke ervaringen, interesses, vaardigheden en motivaties naar het team en die persoonlijke kwaliteiten zullen van invloed zijn op hoe ze zich gedragen als teamleden. Bepaalde combinaties van mensen zijn effectiever dan andere. Een prestatie van een team is gedeeltelijk afhankelijk van de kennis en vaardigheden (KSAs) van zijn leden. Deze KSAs zijn over het algemeen van twee soorten:

    1. Taakspecifieke vaardigheden.
    2. Interpersoonlijke vaardigheden.

    Hoog-presterende teams zijn vaak gespecialiseerd: ze zijn het meest effectief wanneer ze werken aan een specifieke taak.

    Teams presteren het beste wanneer de leden voldoende sociale vaardigheden hebben om goed om te kunnen gaan met anderen. Sociale vaardigheden zijn fundamentele cognitieve en gedragscompetenties waarmee mensen op een effectieve, respectvolle en ondersteunende manier met andere mensen kunnen omgaan.

    De diversiteit van een team wordt bepaald door de mate waarin leden van elkaar verschillen. Er zijn zes algemene clusters van verschillen:

    1. Sociale categorieën.
    2. Kennis en vaardigheden.
    3. Waarden en overtuigingen.
    4. Persoonlijkheid.
    5. Status.
    6. Sociale connecties.

    Diversiteit kan zorgen voor faultlines binnen het team. Dat zijn hypothetische indelingen die de leden van een heterogene groep scheiden in kleinere, meer homogene subgroepen. Diversiteit draagt echter ook bij aan betere prestaties.

    Wat gebeurt er bij het werken in teams?

    In teams is het regelmatig nodig dat de leden een gedeelde (shared) mental model hebben. Dat is de kennis, verwachtingen, conceptualisaties en andere cognitieve representaties die leden van een groep gemeen hebben met betrekking tot de groep en haar leden, taken, procedures en middelen.

    Teams hebben ook tijd nodig om transactieve geheugensystemen (transactive memory systems) te ontwikkelen. Bij transactieve geheugensystemen wordt de te onthouden informatie verspreid onder verschillende leden van de groep, waarop vervolgens kan worden vertrouwd om die informatie te verstrekken wanneer dat nodig is.

    Wanneer teams aan het werk zijn, zijn hun taakgerelateerde acties zo duidelijk dat de actieprocessen die deel uitmaken van het teamwork gedeelte van hun activiteiten vaak onopgemerkt blijven. Er zijn echter ook nog vier andere teamwork gerelateerde acties gaande volgens het teamwork process model:

    1. De groep houdt de voortgang in de richting van de doelen in de gaten, terwijl leden impliciet hun eigen acties en die van anderen controleren.
    2. Systeembewaking omvat het bijhouden van de middelen die het team nodig heeft, of het nu fysieke middelen, tijd of zelfs energie zijn.
    3. Teambewaking en back-upgedrag vindt plaats wanneer een lid van het team assistentie levert aan een ander lid, simpelweg omdat dat teamlid hulp nodig heeft.
    4. Coördinatie van actie houdt een verandering in het gedrag van de teamleden in, zodat ieders acties in elkaar passen met elkaars acties, resulterend in synchronisatie.

    Team expert Richard Hackman benadrukt het belang van doelen in zijn real teams model. Dit model is een theoretische analyse van teams die de belangrijkste factoren identificeert die effectief team onderscheiden van andere collectieve ondernemingen, waaronder een dwingende richting, een ondersteunende structuur, een ondersteunende context en effectief leiderschap.

    Teams zijn samenhangende groepen: de relaties die leden aan de groep verbinden zijn sterk, in plaats van zwak en de groep blijft meestal intact in de loop van de tijd en in moeilijke omstandigheden. Een toename van de samenhang van een teamHierbij hoort ook het organizational trust model. Dat is een theorie van vertrouwen in groepen en organisaties die uitgaat van het vertrouwen van mensen in anderen en is gebaseerd op percepties van bekwaamheid, welwillendheid en integriteit. resulteert in zowel affectieve als instrumentele winst voor de individuele leden en de groep als geheel. Samenhang is ook een voordeel voor teams omdat het bijdraagt aan de ontwikkeling van onderling vertrouwen. Dat is het vertrouwen of de zekerheid dat andere personen zullen doen wat ze verondersteld worden te doen, zelfs zonder sociale surveillance of druk.

    Wat is teamprestatie?

    Experts op het gebied van organisatie raden het gebruik van teams aan om excellentie te bereiken. Teams zijn taakgerichte groepen, dus het grootste criterium voor het bepalen van hun succes is hun prestatie. De productiviteit is echter maar één van de outputs die in overweging genomen moet worden om de effectiviteit van een team te bepalen. Hackman stelde drie sleutelfactoren voor:

    1. Taakprestatie.
    2. Adaptieve groei van het team als geheel.
    3. Individuele ontwikkeling van de leden.

    Een echt succesvol team is er een dat na verloop van tijd sterker wordt, zodat het in de toekomst nog meer uitdagende taken kan uitvoeren.

    Team trainingen zijn empirisch ondersteunde instructiemethoden die worden gebruikt om individuen en teams de cognitieve, gedrags- en affectieve vaardigheden aan te leren die vereist zijn voor effectieve teamprestaties.

    Team buildings zijn instructiemethoden die worden gebruikt om de ontwikkeling van interpersoonlijke en teamwerkvaardigheden bij individuen en teams te bevorderen.

    Team training en team building zijn ontwikkeld door Salas en zijn collega’s om het functioneren van een team te verbeteren.

    Quality circles (QCs) zijn kleine zelfregulerende groepen werknemers, belast met het identificeren van manieren om de productkwaliteit te verbeteren. Ervaringen met deze methode suggereert dat trouw, training en ondersteuning vereist zijn om de effectiviteit te maximaliseren.

    Access: 
    Public
    Hoe maken groepen beslissingen? - Chapter 12

    Hoe maken groepen beslissingen? - Chapter 12

    Hoe verloopt het proces van besluiten nemen?

    Groepen zijn verre van perfect, maar hun keuzes, oordelen, inschattingen en oplossingen zijn vaak beter dan die van een individu.

    Het ODDI proces model staat voor oriëntatie, discussie, besluiten (decision) en implementatie. Het model is een conceptuele analyse van de stappen of processen die in het algemeen bij het nemen van een beslissing worden genomen, op basis van het beoogde doel van elke stap of proces in de totale besluitvormingsvolgorde. In de oriëntatiefase worden problemen en doelen gedefinieerd, een proces gepland en een gedeeld mental model ontwikkeld. Tijdens de discussiefase verzamelt de groep informatie over de situatie en identificeert en overweegt de opties. Een discussie is de communicatie van informatie tussen twee of meer mensen voor een gemeenschappelijk doel. In de besluitfase kiest de groep voor een oplossing waar consensus over is. Tijdens de implementatiefase moet de groep het besluit uitvoeren en kijken wat de gevolgen zijn van hun keuze.

    Groepen die tijd besteden aan het stellen van deadlines en het beoordelen van problemen die ze kunnen tegenkomen als ze hun doelen nastreven, zullen ook vaker de planningsfout (planning fallacy) vermijden: de neiging om te onderschatten hoe lang een taak zal duren om te voltooien.

    Een collectief geheugen is de gecombineerde herinneringen van een groep, inclusief de herinneringen van elk lid, de gedeelde mentale modellen van de groep en transactieve geheugensystemen.

    Groepen kunnen hun toegang tot informatie in het geheugen van leden verbeteren via cross-cuing. Dat is de verbetering van de terugroepactie (recall) die optreedt tijdens groepsdiscussie wanneer de verklaringen van groepsleden dienen als aanwijzingen voor het ophalen van informatie uit de herinneringen van andere groepsleden.

    Groepen onthouden informatie niet alleen effectiever dan individuen, maar ze verwerken die informatie ook grondiger door middel van discussie.

    Terwijl groepen informatie bespreken, beoordelen ze de geldigheid van ideeën die worden gedeeld, streven ze naar verhoogde nauwkeurigheid en identificeren ze feitelijke fouten of implicaties. Dit is error-checking process en geïdentificeerd door psycholoog Shaw als bepalend voor een succesvol besluitvorming.

    Voor discussie is vaardigheid, motivatie en oefening nodig en niet alle groepen bezitten al deze drie sleutelingrediënten. Mensen nemen aan dat hun vaardigheden voldoende zijn om met problemen om te gaan via discussie, maar hun vertrouwen is hier vaak misplaatst, want:

    • Groepen zijn ook vergeetachtig.
    • Groepsleden begrijpen elkaar ook niet altijd goed. Veel mensen missen de vaardigheid om zichzelf duidelijk te uiten. Anderen missen de juiste luistervaardigheden om goed te begrijpen wat de ander zegt.

    Groepen kunnen gebruik maken van een social decision scheme bij het maken van een beslissing. Dat kan je zo definiëren: het is een strategie of regel die in een groep wordt gebruikt om één alternatief te selecteren uit verschillende alternatieven die tijdens de beraadslagingen van de groep worden voorgesteld en besproken, inclusief expliciet erkende beslissingsregels en impliciete besluitvormingsprocedures.

    Implementatie is in sommige opzichten min of meer succesvol, afhankelijk van de perceptie van de billijkheid van de beslissing. Eerlijkheidsoordelen worden bepaald door twee vormen van sociale rechtvaardigheid:

    • Verdelende rechtvaardigheid: ervaren rechtvaardigheid van de verdeling van rechten, middelen en kosten.
    • Procedurele rechtvaardigheid: ervaren rechtvaardigheid en legitimiteit van de methoden die worden gebruikt om beslissingen te nemen, geschillen op te lossen en middelen toe te wijzen.

    Succesvolle implementatie is afhankelijk van beide vormen van rechtvaardigheid.

    Veel factoren beïnvloeden de perceptie van procedurele rechtvaardigheid, maar wanneer mensen geloven dat ze een stem in de zaak hadden - dat ze hun bezorgdheid hadden kunnen uiten en anderen zouden hebben geluisterd en gereageerd - dan zijn ze meestal veel meer betrokken bij de implementatie van de uiteindelijke beslissing. Dit wordt ook wel de voice effect genoemd.

    Welke fouten worden er gemaakt bij het maken van besluiten?

    Groepen corrigeren niet altijd voor de fouten die individuen kunnen maken bij het nemen van beslissingen – soms versterken groepen deze zelfs.

    Psychologen hebben een aantal cognitieve en motiverende vooroordelen geïdentificeerd die onze oordelen en beslissingen systematisch verstoren. Groepen zijn niet immuun voor deze vooroordelen. Sociaal psycholoog Kerr en zijn collega’s identificeerden drie algemene categorieën voor mogelijke bias:

    1. Zonden van commissie (sins of commission): misbruik van informatie op een bepaalde manier, inclusief het blijven baseren van oordelen op valse of irrelevante informatie.
    2. Zonden van weglating (sins of omission): nalaten informatie op te zoeken, nuttige informatie over het hoofd zien, of niet controleren op fouten en vergissingen.
    3. Onnauwkeurige zonden (sins of imprecision): ten onrechte vertrouwen op mentale vuistregels of heuristieken die de beslissing vereenvoudigen of fouten in het besluitvormingsproces introduceren.

    Groepen vergroten deze vormen van bias in plaats van dat ze het tegengaan of verkleinen. Groepen kunnen stappen nemen om hun vatbaarheid voor deze vormen van bias te verkleinen.

    Groepen kunnen de confirmation bias verkleinen als ze als ze opzettelijk openbare verklaringen van initiële voorkeuren verbieden. Confirmation bias is de neiging om informatie op te zoeken die iemands conclusies bevestigt in plaats van informatie die deze niet te bevestigt. Groepen kunnen deze bias ook omzeilen door volledig gebruik te maken van de diversiteit van de leden met betrekking tot ervaringen en expertise.

    Groepen vertonen ook vaak de gedeelde informatie bias: dat is de neiging van groepen om meer tijd te besteden aan het bespreken van informatie die alle leden kennen en minder tijd aan het onderzoeken van informatie die slechts enkele leden kennen.

    De gedeelde informatie bias is het sterkst wanneer groepsleden (snel) tot een besluit willen komen, als ze de groep willen overtuigen om hun initiële voorkeuren te ondersteunen of wanneer de problemen complex zijn en geen duidelijk goed of fout antwoord hebben. De bias wordt minder sterk als groepen onder tijdsdruk werken en relatief weinig alternatieven hebben om te overwegen.

    De beslissingen van groepen zijn vaak extremer dan die van individuen. Groepen vragen niet altijd terughoudendheid; in plaats daarvan polariseren ze vaak. Voor onderzoek hiernaar wordt vaak gebruik gemaakt van de Choice Dilemmas Questionnaire. Dat is een zelfrapportage van de bereidheid om risicovolle beslissingen te nemen die de respondenten vraagt ​​om een ​​reeks scenario's te lezen met een handelwijze die al dan niet financiële, interpersoonlijke of educatieve voordelen oplevert en aangeven wat de kansen op succes moeten zijn voordat zij zouden de handelwijze aanbevelen. De onderzoeken die gebruik maakten van deze vragenlijst toonden een risky-shift effect aan. Dat is de neiging van groepen om risicovollere beslissingen te maken dan individuen.

    Een proces dat hiervoor zorgt, is groepspolarisatie. Dat is de neiging van leden van een beraadslagende groep om naar een extremere positie te verschuiven en de richting van de verschuiving wordt bepaald door de meerderheid van of het gemiddelde van de voorkeuren van de leden voorafgaand aan de beraadslaging. Oorzaken voor deze polarisatie zijn:

    • Sociale vergelijking.
    • Overtuigende argumenten.
    • Sociale identiteit.

    Zijn er slachtoffers van groepsdenken?

    Sociaal psycholoog Janis onderzocht groepen die fouten hadden gemaakt in hun oordeel. Na zijn onderzoeken, concludeerden Janis dat groepen konden lijden aan groepsdenken. Hij definieerde dat als: een manier van denken waarmee mensen zich bezighouden wanneer ze diep betrokken zijn bij een samenhangende groep, wanneer het streven van de leden naar unanimiteit sterker is dan hun motivatie om alternatieve acties realistisch te beoordelen.

    Janis identificeerde een aantal terugkerende patronen die naar voren komen in situaties van groepsdenken. Hij organiseerde deze symptomen in drie categorieën:

    1. Overschatting van de groep: illusie van onkwetsbaarheid en illusies van moraliteit.
    2. Gesloten manier van denken: collectieve rationalisatie en stereotyperen.
    3. Druk naar eenheid: zelfcensuur, illusie van unanimiteit, directe sociale druk en mindguards.

    Mindguard is een groepslid dat de groep beschermt tegen negatieve of controversiële informatie door gatekeeping en dissidentie te onderdrukken.

    Janis beschouwde een groep niet als iets dat door groepsdenken werd overgenomen, alleen omdat het een slechte beslissing nam, maar omdat het symptomen van groepsdenken en symptomen van gebrekkige besluitvorming vertoonde. Janis maakte onderscheid tussen symptomen van groepsdenken en zijn oorzaken:

    • Samenhang. In groepen met grote samenhang spreken leden zich minder snel uit tegen beslissingen, vermijden ze discussies met anderen en proberen ze zoveel mogelijke goede relaties te behouden.
    • Structurele fouten.
    • Situationele factoren.

    Naast het model van Janis zijn er ook andere modellen en theorieën:

    Group-centrism theory; Sociaal psycholoog Kruglanski en zijn collega’s identificeerden een syndroom die groepen kenmerkt en er vaak voor zorgt dat groepen foute beslissingen maken. Ze noemden dit syndroom group-centrism. Dat is een syndroom, op groepsniveau veroorzaakt door de buitensporige inspanningen van leden om de eenheid van hun groep te handhaven en te ondersteunen, wat leidt tot verstoringen in het beslissingsvermogen van de groep en intergroepsrelaties. De groep streeft ook vaak naar cognitive closure. Dat is de psychologische wens om snel en volledig een definitief besluit te nemen.

    Sociale identiteit en de Ubiquity Model; Het Ubiquity Model van sociaal psycholoog Baron gaat er net zoals de theorie van Janis vanuit dat groepen vaak streven naar consensus en daardoor de neiging hebben om dissidentie te beperken, de outgroup te denigreren en de competenties van de eigen groep verkeerd te beoordelen. Volgens Baron’s ubiquity model zijn deze neigingen alom aanwezig in plaats van zeldzaam. Ze leiden alleen tot problemen als er sprake is van de volgende drie condities:

    1. De groep moet er een zijn die een reeks normen heeft ontwikkeld die de mening van de leden met betrekking tot het besproken onderwerp beperkt.
    2. Groepsdenken is waarschijnlijker wanneer groepsleden een gebrek aan zelfvertrouwen hebben.
    3. Het is niet per se groepseenheid die de symptomen van groepsdenken verhoogt, maar eerder een bedreiging voor een sociale identiteit die kan ontstaan ​​als de groep faalt.
    Access: 
    Public
    Wat is conflict? - Chapter 13

    Wat is conflict? - Chapter 13

    Conflict is een onenigheid of wrijving die optreedt wanneer de acties of overtuigingen van een of meer leden van de groep onaanvaardbaar zijn voor en worden weerstaan ​​door een of meer van de andere groepsleden.

    Dit hoofdstuk richt zich op intragroup conflict en intergroup conflict. Intragroup conflict is een meningsverschil of confrontatie tussen leden van dezelfde groep. Intergroup conflict is een meningsverschil van confrontatie tussen twee of meer groepen en hun leden die fysiek geweld, interpersoonlijke onenigheid en psychologische spanning kunnen omvatten.

    Wat zijn de wortels van conflict?

    Conflict lijkt een onvermijdelijk gevolg te zijn van leven in groepen.

    Belangrijke termen hier zijn:

    • Coöperatie: een prestatiesituatie die zodanig is gestructureerd dat het succes van een lid van de groep de kansen op succes van andere leden verbetert.
    • Competitie: een prestatiesituatie die zo is gestructureerd dat succes afhankelijk is van beter presteren dan anderen.

    Coöperatie en competitie activeren verschillende motiverende systemen: het eerste bevordert delen, vertrouwen en samenwerking, en het andere bevordert egoïsme en achterdocht. Weinig situaties houden pure samenwerking of pure concurrentie in; het motief om te concurreren wordt vaak gemengd met het motief om samen te werken. Dit wordt een mixed-motive situation genoemd: een prestatieomgeving waarin de onderlinge afhankelijkheid tussen mensen zowel competitieve als coöperatieve doelstructuren omvat.

    Om zulke situaties te onderzoeken, maken onderzoekers gebruik van het prisoner’s dilemma spel. Dit is een simulatie van sociale interactie waarbij spelers coöperatieve of competitieve keuzes moeten maken om te winnen. Bij dit spel vindt er snel gedragsassimilatie plaats. Dat is de uiteindelijke afstemming van het gedrag dat wordt getoond door samenwerkende of concurrerende groepsleden. De norm van wederkerigheid is waarschijnlijk onderliggend aan dit proces. Negatieve wederkerigheid is meestal sterker dan positieve wederkerigheid. Vriendelijkheid wordt vaak met vriendelijkheid beloond, maar onvriendelijkheid wordt sneller bestraft met vijandigheid. Een coöperatieve persoon die een competitieve partner tegenkomt, heeft meer kans om te concurreren voordat de competitieve persoon begint samen te werken, zodat een partner sneller een tegenstander wordt dan een tegenstander een bondgenoot wordt.

    De sociale waarden oriëntatie theorie zegt dat mensen een predispositie hebben om in conflictsituaties te reageren op een pro-zelf of pro-sociale manier. De bereidheid om te coöpereren of te concurreren wordt bepaald door twee sets van waarden: onze zorg voor uitkomsten voor eigen belang en onze zorg voor het belang van goede uitkomsten voor anderen. De theorie maakt onderscheid tussen vier oriëntaties:

    1. Individualisten: houden zich alleen bezig met uitkomsten in eigen belang.
    2. Concurrenten: streven naar maximalisatie van goede eigen uitkomsten, terwijl ze goede uitkomsten voor anderen proberen te minimaliseren.
    3. Samenwerkers: proberen goede uitkomsten voor zichzelf en anderen te krijgen.
    4. Altruïsten: zijn pro-sociaal en niet pro-self.

    De meeste mensen zijn of een individualist of een samenwerker.

    Het groepsleven is soms een sociaal dilemma. Een sociaal dilemma is een interpersoonlijke situatie waarin individuen moeten kiezen tussen het maximaliseren van hun persoonlijke resultaten of het maximaliseren van de resultaten van hun groep. Conflicten ontstaan wanneer individualistische motieven groepsgeoriënteerde motieven overtroeven. Er zijn verschillende vormen van sociale dilemma’s:

    • Commons dilemma (of social trap) is een sociaal dilemma wanneer individuen hun uitkomst kunnen maximaliseren door persoonlijke doelen te zoeken in plaats van de collectieve doelen, maar als teveel individuen egoïstisch handelen, dan zullen alle leden van het collectief aanzienlijke verliezen op lange termijn ervaren.
    • Public goods dilemma is een sociaal dilemma wanneer iemand al dan niet een bijdrage kan leveren ter ondersteuning van een algemeen goed, maar ook niet kan worden uitgesloten voor het niet bijdragen.
    • Dilemma’s met betrekking tot eerlijkheid.
    • Dilemma’s met betrekking tot verantwoordelijkheid. De term egocentrisme is hier belangrijk. Dat is jezelf meer verantwoordelijkheid geven voor een uitkomst of gebeurtenis dan gerechtvaardigd is. Dit gebeurt vaak, omdat mensen veel bewuster zijn van hun eigen bijdrage dan van de bijdrage van anderen.

    Soms ontstaat er een taakconflict in een groep. Dat zijn meningsverschillen over kwesties die relevant zijn voor de erkende doelen en procedures van de groep. Er kan ook sprake zijn van een procesconflict. Dat is een meningsverschil over de methoden die de groep moet gebruiken om zijn basistaken te voltooien. Beide vormen van conflict kunnen oorzaken zijn voor ontevredenheid en ineffectiviteit binnen groepen. Er kan ook een conflict zijn op relatieniveau (relationship conflict). Dat is een onderlinge onenigheid die optreedt wanneer groepsleden elkaar niet leuk vinden.

    Hoe ontstaan confrontatie en escalatie?

    Naarmate conflicten escaleren, worden de twijfels en onzekerheden van groepsleden vervangen door een sterke toewijding aan hun positie. Reactantie kan er voor zorgen dat een persoon overdreven toegewijd wordt aan zijn positie en bestand is tegen compromissen. Reactantie is een complexe emotionele en cognitieve reactie die optreedt wanneer individuen het gevoel hebben dat hun keuzevrijheid is bedreigd of geëlimineerd.

    De reacties van individuen tijdens conflicten worden op fundamentele manieren gevormd door hun perceptie van de situatie en de mensen in die situatie. De conclusies van de groepsleden over elkaars sterke punten, attitudes, waarden en andere persoonlijke kwaliteiten vormen de basis voor wederzijds begrip, maar tijdens conflicten zijn deze percepties vaak zo vervormd dat ze ontsteken in plaats van vloeiend conflicten veroorzaken.

    Hoe kunnen conflicten opgelost worden?

    Conflicten de-escaleren wanneer groepsleden bereid zijn te onderhandelen met anderen om een ​​oplossing te vinden die alle partijen ten goede komt. Onderhandelen is een wederzijds communicatieproces waarbij twee of meer partijen bij een geschil specifieke kwesties onderzoeken, hun standpunten toelichten en aanbiedingen en tegenaanbieders uitwisselen om overeenstemming te bereiken of wederzijds voordelige resultaten te bereiken. Er zijn twee vormen van onderhandelen:

    1. Distributieve onderhandeling: het oplossen van meningsverschillen en transacties door middelen te claimen of te verdelen, aanbiedingen te doen en te reageren met tegenaanbieders, en de bewaakte openbaarmaking van belangen.
    2. Integratieve onderhandeling: het oplossen van meningsverschillen en transacties door gemeenschappelijke en complementaire belangen te identificeren en oplossingen voor te stellen die alle betrokken partijen tevreden stellen.

    Veel conflicten zijn gebaseerd op mispercepties. Groepsleden moeten dit perceptuele misverstand ongedaan maken door via discussie informatie over hun motieven en doelen actief te communiceren. Communicatie is echter geen remedie voor conflicten. Groepsleden kunnen informatie uitwisselen door te communiceren, maar ze kunnen ook grove misverstanden en misleidingen creëren.

    Het dual concern model is een conceptueel perspectief op methoden om met conflicten om te gaan die ervan uitgaan dat ze verschillen op twee basisdimensies: bezorgdheid om zichzelf en bezorgdheid om elkaar. Wanneer er zowel rekening wordt gehouden met bezorgdheid om zichzelf als om de zorg voor de ander, identificeert het model vijf kern modi voor conflictoplossing:

    1. Vermijding.
    2. Toegeven.
    3. Vechten.
    4. Samenwerken.
    5. Verzoening.

    Consistente samenwerking tussen mensen gedurende een lange periode verhoogt in het algemeen het wederzijdse vertrouwen. Maar wanneer groepsleden voortdurend met elkaar concurreren, wordt wederzijds vertrouwen veel ongrijpbaarder. Als mensen elkaar niet kunnen vertrouwen, concurreren ze gewoon om hun eigen belang te verdedigen.

    De meest effectieve manier om een concurrentiestrijd te keren is een strategie genaamd tit for tat. Tit for tat (TFT) is een onderhandelingsstrategie die begint met samenwerking, maar vervolgens de keuze van de ander imiteert, zodat samenwerking samengaat met samenwerking en concurrentie met concurrentie.

    Net zoals negatieve emoties conflicten aanmoedigen, verhogen positieve affectieve reacties het maken van concessies, creatieve probleemoplossing, samenwerking en het gebruik van niet-inhoudelijke onderhandelingsstrategieën.

    Conflicten worden intenser wanneer anderen een kant kiezen, maar ze krimpen wanneer externe bemiddelaars groepsleden helpen om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing voor hun geschil te komen. Een bemiddelaar is iemand die tussen twee personen komt tijdens een conflict, om het geschil te verzoenen.

    Access: 
    Public
    Wat zijn onderlinge relaties? - Chapter 14

    Wat zijn onderlinge relaties? - Chapter 14

    Hoe ontstaat conflict tussen groepen?

    De realistic group conflict theory is een conceptueel kader dat stelt dat conflict tussen groepen voortkomt uit concurrentie om schaarse hulpbronnen, waaronder voedsel, territorium, rijkdom, macht, natuurlijke hulpbronnen en energie. Daarbij hoor het discontinuïteitseffect. Dat is een aanzienlijk grotere competitiviteit van groepen bij interactie met andere groepen, in vergelijking met de competitiviteit van individuen in interactie met andere individuen. De volgende punten zijn mogelijke oorzaken van het discontinuïteitseffect:

    • Individuen zijn hebberig, maar groepen zijn hebberiger.
    • Mensen zijn banger voor groepen dan voor individuen.
    • Individuen die zich identificeren met hun groep hebben de neiging om te handelen om de collectieve resultaten van de groep te maximaliseren, zelfs als dat ten koste gaat van degenen buiten de groep.

    De sociale dominantie theorie is een benadering van onderdrukking en overheersing in de veronderstelling dat conflicten tussen groepen het gevolg zijn van dynamische spanningen tussen hiërarchisch gerangschikte groepen in de samenleving. Deze theorie is ontwikkeld door sociaal psychologen Sidanius en Pratto. Concurrentie kan conflicten tussen groepen veroorzaken, maar het zet ook een aantal andere processen in gang die de groepen verder kunnen ergeren.

    Negatieve emoties kunnen bijdragen aan de escalatie van conflict tussen groepen. De frustratie-agressie hypothese is een vroeg motivatiemodel dat argumenteerde dat individuen agressiever worden wanneer externe omstandigheden hen verhinderen hun doelen te bereiken. Deze theorie is verfijnd en uitgebreid en is nu het algemene agressie model. Dat is een raamwerk voor het organiseren van biologische, omgevings-, sociale en psychologische factoren die de expressie van vijandig, negatief gedrag beïnvloeden, inclusief input van personen en situaties, cognitieve, affectieve en opwindende toestanden, en cognitieve beoordelingen.

    De zondebok theorie is een verklaring voor intergroepsconflicten met het argument dat vijandigheid veroorzaakt door frustrerende omgevingsomstandigheden wordt vrijgegeven door vijandige acties te ondernemen tegen leden van andere sociale groepen. Dit is waarschijnlijker wanneer een groep moeilijke, langdurige negatieve omstandigheden heeft ervaren die haar succes bij het voldoen aan de meest essentiële behoeften frustreren.

    Groepen hebben de neiging om te gehoorzamen aan de wederkerigheidsnorm.

    De mate waarin groepen reageren op een vijandige manier verschilt van cultuur tot cultuur. De nadruk die een cultuur legt op dan wel eer of waardigheid, en het redden van gezicht kan ook van invloed zijn op hoe mensen in die cultuur omgaan met conflicten:

    • Eerculturen: culturen waar mensen ernaar streven anderen niet te beledigen, maar agressief zullen reageren als ze het gevoel hebben dat hun groep of iemand op een of andere manier is beledigd.
    • Waardigheidsculturen: samenlevingen die het belang van persoonlijke integriteit en individuele waarde benadrukken.
    • Gezichtsculturen: samenlevingen die hiërarchie, nederigheid en harmonie benadrukken.

    Omdat conflict tussen groepen veel voorkomt suggereert de evolutionaire psychologie dat natuurlijke selectie individuen die ingroup leden boven outgroup leden verkozen begunstigde. Deze theorie suggereert tevens dat evolutionaire druk heeft geresulteerd in de neiging van individuen om negatiever te reageren op mannelijke outgroup-leden dan op vrouwelijke.

    Wat is de intergroup bias?

    Sociale categorisatie zet een aantal affectieve, cognitieve, emotionele en interpersoonlijke processen in beweging die samen conflicten tussen groepen ondersteunen en aanmoedigen. Als we anderen eenmaal per groep hebben gecategoriseerd, voelen we ons anders over degenen die tot de ingroup behoren dan over degenen die tot de outgroup behoren, en deze evaluatieve vooroordelen worden verder ondersteund door cognitieve en emotionele vooroordelen die de evaluatieve vooroordelen rechtvaardigen.

    De ingroup-outgroup bias is de menselijke neiging om voorkeur te geven aan de eigen groep. De sterkte van deze bias is afhankelijk van verschillende situationele factoren. Deze bias is eigenlijk een combinatie van twee:

    1. Het selectief de voorkeur geven aan de eigen groep, zijn leden en zijn producten.
    2. Het afwijzen van de outgroup, zijn leden en zijn producten.

    Hierbij komt double-standard thinking kijken. Dat is het positief beoordelen van de acties van de eigen groep, maar dezelfde acties beoordelen als de andere groep ze uitvoert. Een gelijksoortige bias is de linguistic intergroup bias. Dat is de neiging om positief ingroup en negatief outgroup gedrag abstracter te beschrijven, en negatief ingroup en positief outgroup gedrag concreter.

    Leden van een groep vertonen ook vaak de outgroup homogeneity bias. Dat is de perceptuele neiging om aan te nemen dat de leden van andere groepen erg op elkaar lijken, terwijl het lidmaatschap van de eigen groep heterogener is. De concepties van groepsleden van andere groepen zijn simplistisch en ongedifferentieerd, maar wanneer ze hun oog richten op hun eigen groep, merken ze de diversiteit en complexiteit ervan op.

    Individuen in onderlinge groepssituaties vallen vaak ten prooi aan de wet van de kleine aantallen wanneer ze ervan uit gaan dat de kenmerken en kwaliteiten van alle leden van de outgroup nauwkeurig kunnen worden afgeleid uit informatie met betrekking tot slechts enkele leden. Het tegenovergestelde proces - ervan uitgaande dat de kenmerken van een enkel individu in een groep kunnen worden afgeleid uit de algemene kenmerken van de hele groep - kan percepties beïnvloeden. Dit heet de group attribution error.

    De ultimate attribution error (UAE) wordt ook gemaakt. Dat is de negatieve acties van leden van de outgroup toeschrijven aan dispositionele kwaliteiten en positieve acties aan situationele, fluctuerende omstandigheden.

    Het stereotype content model is een theorie van groepsperceptie dat stelt de stereotiepe opvattingen van mensen over sociale groepen hun overtuigingen weerspiegelen over de warmte en competentie van de gestereotypeerde groep.

    Wanneer intergroepsconflict extreme niveaus bereikt, waarbij leden van één groep leden van andere groepen aanvallen, beschadigen en doden, wordt de ingroup-outgroup bias even extreem. Tijdens extreme intergroepsconflicten beschouwen groepsleden hun eigen groep als moreel superieur en leden van de outgroup als minder dan menselijk. Dit is morele uitsluiting. Een meer formele definitie is: morele uitsluiting is een psychologisch proces waarbij tegenstanders in een conflict elkaar gaan zien als het niet verdienen van moreel verplichte rechten en beschermingen.

    Iets wat hier dichtbij ligt is ontmenselijking. Ontmenselijking is geloven dat bepaalde individuen of groepen de eigenschappen waarvan gedacht wordt dat ze mensen van dieren onderscheiden, missen. Een dergelijke ontmenselijking dient om de extreem negatieve behandeling die leden van andere groepen vaak krijgen, te rationaliseren.

    Hoe kan conflict tussen groep opgelost worden?

    De contact hypothese is de voorspelling dat contact tussen leden van verschillende groepen de het onderlinge conflict zal verminderen. Iets wat beter lijkt te werken zijn hogere doelen. Een hoger doel is een doel dat alleen kan worden bereikt als twee of meer individuen of groepen samenwerken door hun inspanningen en middelen te bundelen. Conflict is vaak merkbaar verminderd als de leden van de groepen een aantal keer succesvol samen moesten werken.

    Door middel van decategorisatie kan conflict tussen groepen ook worden verminderd of opgelost worden. Decategorisatie is de neiging tot sociale categorisatie verminderen door de opvallendheid van groepslidmaatschappen te minimaliseren en de individualiteit van elke persoon in de groep te benadrukken.

    Sociaal psychologen Dovidio en Gaertner ontwikkelden de common ingroup identity model. Dat is een analyse van recategorisatieprocessen en conflicten, voorspellend dat intergroepsconflicten kunnen worden verminderd door de nadruk te leggen op lidmaatschap van inclusieve sociale categorieën en de onderlinge afhankelijkheid van de individuen in de groepen. Recategorisatie is een vermindering van de neiging tot sociale categorisatie door groepen in conflict samen te laten vallen in een enkele groep of categorie.

    Een andere manier om ingroup-outgroup biases te verminderen is door kruis-categorisatie. Kruis-categorisatie is een vermindering van de impact van sociale categorisatie op de perceptie van individuen door hun lidmaatschappen in twee of meer sociale groepen of categorieën te laten opvallen die niet gerelateerd zijn aan de categorieën die ingroup-outgroup-spanningen genereren.

    Wanneer anderen worden beschouwd als behorend tot meerdere categorieën in plaats van slechts één, neemt de intergroepsdifferentiatie af en valt intergroepsbias weg. Kruis-categorisatie zet individuen ook aan om een ​​complexere beeldvorming van de outgroup te ontwikkelen, wat in sommige gevallen tot decategorisatie leidt.

    Access: 
    Public
    Hoe werken groepen in verschillende contexten? - Chapter 15

    Hoe werken groepen in verschillende contexten? - Chapter 15

    Groepen bevinden zich op verschillende locaties zoals klaslokalen, ziekenhuizen, sportvelden en bioscopen. De omgevingen hebben een belangrijke invloed op de groepen.

    Ecologie is de studie naar organismen en hun leefomgevingen: hoe interacteren ze met en passen ze zich aan aan andere organismen in hun omgeving en aan de omgeving zelf. Groepsecologie lijkt hierop. Dat is de studie van de interacties tussen levende en niet-levende componenten van de omgeving van een groep, met bijzondere nadruk op de ruimtelijke ordening van individuen in kleine groepen.

    Van plekken wordt vaak gezegd dat ze een ambiance hebben. Dat is de psychologische reactie die wordt opgeroepen door een plek. De reactie van een groep op zijn omgeving is subjectief, want de zichtbare fysieke kenmerken van de plaats worden gefilterd door de persoonlijke voorkeuren, verwachtingen, waarden en houdingen van elk lid.

    Wat houdt cognitieve overbelasting in?

    Groepen kunnen een cognitieve overbelasting ervaren als ze worden overweldigd door de aanwezige informatie in de omgeving. Overbelasting is een psychologische reactie op situaties en ervaringen die zo cognitief, perceptueel of emotioneel stimulerend zijn dat ze het vermogen van het individu om inkomende informatie te verwerken belasten of zelfs overtreffen. In dagelijkse situaties gaan mensen om met overbelasting door hun contact met anderen te verminderen, de hoeveelheid informatie die ze opmerken en verwerken te beperken, aspecten van de situatie te negeren en door herstellende acties uit te voeren: tijd doorbrengen in een omgeving die geen hoge niveaus van gericht vereist aandacht. Sociaal psycholoog Kaplan ontwikkelde de attention restoration theory (ART). Dat is een conceptuele analyse van de cognitieve processen die het uitvoerende functioneren op hoog niveau ondersteunen, inclusief aandachtsfocus en zelfregulatie, die ervan uitgaat dat deze cognitieve hulpbronnen kunnen worden aangevuld door een interactie met natuurlijke omgevingen.

    Sommige plekken geven stress. Stress is een negatieve fysiologische, emotionele, cognitieve en gedragsreacties op omstandigheden die iemands gevoel van welzijn en veiligheid bedreigen - of waarvan wordt gedacht dat ze bedreigen. Factoren die stress beïnvloeden zijn onder andere temperatuur en geluid. Er bestaan ook extreme en ongewone omgevingen; dat zijn omgevingscontexten die verschillen van die waar mensen meestal wonen, inclusief besloten en geïsoleerde omgevingen.

    De omgeving van een groep omvat ook de andere mensen die op dezelfde plek aanwezig zijn. Mensen geven er de voorkeur aan om wat ruimte tussen hunzelf en anderen te houden. Dit wordt personal space genoemd. De definitie is: het gebied dat individuen om zich heen onderhouden waarin anderen niet kunnen binnendringen zonder ongemak op te wekken.

    Welke persoonlijke ruimtes zijn er?

    Verschillende groepsactiviteiten vragen verschillende groottes van persoonlijke ruimtes. Hall introduceerde vier verschillende variaties en later is daar eentje aan toegevoegd:

    1. Intieme zone (knuffelen).
    2. Persoonlijke zone (samen tv kijken).
    3. Sociale zone (praten met een receptioniste).
    4. Publieke zone (college).
    5. Afgelegen zone (e-mail).

    De meeste theorieën over non-verbale communicatie erkennen die afstandsfunctie om de aard van de relatie tussen mensen te definiëren. Het evenwichtsmodel van communicatie is bijvoorbeeld een verklaring voor gedrag om te distantiëren in interpersoonlijke situaties, met het argument dat de hoeveelheid oogcontact en de intimiteit van het onderwerp van invloed zijn op de hoeveelheid persoonlijke ruimte die de groepsleden nodig hebben.

    Een situatie met een hoge dichtheid is niet altijd een problematische situatie. Dichtheid is een kenmerk van de groepscontext - het aantal mensen per ruimte. Crowding daarentegen is de psychologische reactie die mensen ervaren wanneer ze het gevoel hebben dat ze niet genoeg ruimte hebben.

    Volgens de dichtheid-intensiteitshypothese zal de situatie, als de groepsinteractie onaangenaam is, de situatie nog onplezieriger maken. Maar als de situatie aangenaam is, zal een hoge dichtheid de situatie nog beter maken. Drukke situaties worden ook als onaangenaam ervaren omdat ze de controle van groepsleden over hun ervaringen ondermijnen.

    Sociaal psycholoog Sommer maakte onderscheid tussen sociopetal spaces en sociofugal spaces. De eerste zijn omgevingsinrichtingen die interactie tussen groepsleden bevorderen, zoals zitplaatsen die gesprekken vergemakkelijken. De tweede zijn omgevingsinrichtingen die interactie tussen groepsleden ontmoedigen of voorkomen.

    Het hoofd-van-de-tafel effect is de neiging van groepsleden om de leiderschapsrol en zijn verantwoordelijkheden te associëren met de zetel aan het hoofd van de tafel: als gevolg daarvan verschijnen individuen die dergelijke posities bekleden vaak als leiders in groepen zonder aangewezen leiders.

    Ook mensen hebben territoria. Dat is een specifiek geografisch gebied dat individuen of groepen individuen claimen, markeren en verdedigen tegen indringing door anderen. Wanneer mensen een territorium vestigen, proberen ze over het algemeen te bepalen wie toegang heeft. Zoals omgevingspsycholoog Altman opmerkte, hangt de mate van controle echter af van het type territorium. Controle is het hoogst voor primaire territoria (een slaapkamer). Individuen behouden slechts een matige hoeveelheid controle over hun secundaire territoria (een tafel in een café). Controle over openbare gebieden is nog beperkter (lift). Groepsruimte is een tijdelijke ruimtelijke grens die zich vormt rond op elkaar inwerkende groepen en dient als een barrière voor ongewenste indringing door niet-leden.

    Onderzoek naar territoriumgedrag suggereert dat mensen zich veel comfortabeler voelen als hun groep hun leefgebieden kan territorialiseren. Ook zorgen territoria ervoor dat er minder conflicten tussen groepen zijn, omdat ze contact tussen groepen organiseren en reguleren door een groep van een andere groep te isoleren.

    De kracht van een groep wordt vaak bepaald door de kwaliteit en omvang van de ruimte die zij beheert, zodat groepen hun territorium beschermen als een middel om hun reputatie te beschermen. Geschillen over territoria zijn echter vaak eenzijdig, omdat groepen die hun territorium verdedigen, vaak winnen van groepen die territoria binnenvallen – een fenomeen dat het thuisvoordeel wordt genoemd. Individuele leden hebben vaak ook persoonlijke territoria binnen de territoria van de groep. Deze persoonlijke territoria vervullen privacy-, organisatie- en identiteitsfuncties voor individuele leden.

    Ecologisch psycholoog Barker onderzocht de relatie tussen mensen en de plaatsen waar ze wonen en werken. Hij ontdekte dat in de meeste van deze omgevingen mensen zich aanpasten aan de eisen van de plaats. Barker noemde het behavior settings waar de acties van mensen worden voorgeschreven door de kenmerken en functies van de instellingen voor situaties. Ze zijn specifieke ruimtelijke gebieden met grenzen die de rand van de ene behavior setting en het begin van de volgende identificeren.

    Synomorphy is in de ecologische psychologie de kwaliteit van de match tussen de menselijke aanwezigen en de fysieke situatie. Hierbij hoort de theorie van ecologisch psycholoog Wicker, genaamd staffing theorie. Dat is een ecologische analyse van behavior settings dat beargumenteert dat zowel onderbezetting als overbezetting schadelijk kan zijn.

    Wat voor soort ruimtes hebben mensen nodig om maximaal productief te zijn?

    Architect Duffy concludeerde dat het antwoord afhangt van de mate van interactie en het niveau van individuele autonomie die de taken van de groep vereisen. Hij gebruikt deze twee dimensies om vier basistypen van werkconfiguraties en hun ideale ruimtelijke ordeningen te identificeren:

    1. Korven: lage interactie en lage autonomie. Dergelijke groepen functioneren goed in open kantoren waar elk individu een gedefinieerde, relatief kleine werkruimte heeft.
    2. Cellen: lage interactie en hoge autonomie. Leden die werken aan complexe, lange termijn, relatieve geïndividualiseerde projecten hebben behoefte aan privéruimtes om hun werk te doen.
    3. Hollen: hoge interactie en lage autonomie. Wanneer leden die qua vaardigheden en verantwoordelijkheden vergelijkbaar zijn, samenwerken aan collectieve taken en projecten, hebben ze een open ruimte nodig die alle leden delen. Deze groepen werken aan specifieke, relatief kortlopende projecten waarbij succes afhangt van het handhaven van zeer hoge niveaus van informatie-uitwisseling.
    4. Clubs: hoge interactie en hoge autonomie. Leden die getalenteerd of goed opgeleid zijn of zeer gespecialiseerde vaardigheden bezitten, werken vaak aan uiteenlopende taken en projecten die sterk verschillen in hun samenwerkingseisen. Hun werkruimte moet flexibel zijn, zodat ze kunnen samenwerken waar nodig, maar ook om privacy te waarborgen.
    Access: 
    Public
    Hoe vindt groei en verandering plaats? - Chapter 16

    Hoe vindt groei en verandering plaats? - Chapter 16

    Groepen kunnen gebruikt worden voor therapeutische doeleinden. Hier is Lewin’s law of group change van belang. Dat is een basisprincipe van houding en gedragsverandering waarin staat dat individuen gemakkelijker worden veranderd wanneer ze deel uitmaken van een groep.

    Hoe vindt er groei en verandering in groepen plaats?

    Mensen sluiten zich aan bij groepen om problemen op te lossen. De problemen zijn veel en gevarieerd. Anderen zoeken iets, bijvoorbeeld een nieuwe vaardigheid. Weer anderen zoeken de kracht om het hoofd te kunnen bieden aan iets ernstigs wat ze in hun leven tegenkomen. Grofweg zijn er de volgende soorten groepen:

    • Therapeutische groepen: groep personen die behandeling zoeken voor een psychologisch probleem en die regelmatig een getrainde psycholoog ontmoeten.

    • Interpersonal learning group: een groep gevormd om individuen te helpen hun zelfinzicht te vergroten en hun relaties met anderen te verbeteren.

    • Steunende groep: een groep mensen die elkaar regelmatig ontmoeten of communiceren om elkaar te helpen een probleem dat ze met elkaar gemeen hebben, aan te pakken of te overwinnen.

    Wat zijn therapeutische groepen?

    Groepstherapie is een behandeling voor individuen in plaats van een manier om disfunctionele groepen te behandelen. Groepstherapeuten zijn bewust van en maken gebruik van onderlinge, persoonlijke processen binnen een groep. Het doel van de behandeling is het doel van de behandeling is het bevorderen van de aanpassing van de individuen in de groep. Voorbeelden van groepstherapie zijn:

    • Groepspsychoanalyse. Dat is een benadering van groepstherapie die is gebaseerd op de behandelmethode van Freud en dus een directieve therapeut omvat die gebruik maakt van vrije associatie-, interpretatie- en overdrachtsprocessen. Overdracht is de verplaatsing van emoties van de ene persoon naar de andere tijdens de behandeling, zoals wanneer gevoelens voor een ouder worden overgedragen aan de therapeut, gevoelens over broers en zussen worden overgedragen aan groepsgenoten.

    • Humanistische groepen. Humanistische groepspsychotherapeuten gebruiken een aantal methoden om therapie te bevorderen, maar de meeste humanisten zijn verenigd door een positieve, ambitieuze kijk op menselijk potentieel. Ze zien mensen als zoekers naar betekenis en zelfontwikkeling.

    • Gestalt groepstherapie. Dat is een benadering van groepstherapie waarbij cliënten wordt geleerd de eenheid van hun emoties en cognities te begrijpen door een leider-geleide verkenning van hun gedrag in de groepssituatie.

    • Interpersoonlijke groepspsychotherapie. Dat is een benadering voor de behandeling van psychologische, gedrags- en emotionele problemen die de therapeutische invloed van interpersoonlijk leren benadrukt. Dit is ontwikkeld door Irvin Yalom.

    • Cognitieve en gedragstherapiegroepen. De behandeling van interpersoonlijke en psychologische problemen door de toepassing van gedragsprincipes in groepsverband.

    Kurt Lewin was één van de eerste die voorstelde om kleine groepen te gebruiken om mensen interpersoonlijke vaardigheden aan te leren en zelfinzicht te vergroten. Lewin beargumenteerde ook dat goede groepsvaardigheden het makkelijkst te verkrijgen zijn door op een directe manier ervaring op te doen met menselijke relaties. Daarom ontwikkelde hij gespecialiseerde trainingsgroepen of T-groepen. Dit zijn trainingsinterventies voor het ontwikkelen van vaardigheden waarbij individuen in ongestructureerde groepsinstellingen communiceren en vervolgens de dynamiek van die interactie analyseren.

    Er bestaan ook psychoeducatieve groepen. Dat is een geplande interventie gericht op een specifiek interpersoonlijk probleem of vaardigheid. De leiders bepalen specifieke leerdoelen voor elke sessie en ontwikkelen dan korte lezingen, oefeningen, simulaties en vragen voor discussie die de leden helpen met het oefenen van de gekozen vaardigheden.

    De experiential learning theory van David Kolb is een een conceptuele analyse van de ervaringsleercyclus die vier basismodi identificeert om informatie te verwerven en die informatie in kennis om te zetten: concrete ervaring, observatie, actieve experimenten en conceptuele analyse.

    Ook bestaan er proces debriefing groepen. Dat zijn korte, zeer gestructureerde interventies geleverd door getrainde professionals in de geestelijke gezondheidszorg aan leden van een groep of gemeenschap die een soort trauma hebben meegemaakt. Deze interventies zijn ontworpen om individuen te helpen omgaan met de emotionele en cognitieve gevolgen van de ervaring.

    Er zijn verschillende soorten steunende groepen, maar over het algemeen vallen ze in één van de volgende categorieën:

    • Mentale en fysieke gezondheid.

    • Familie en levensgebeurtenissen.

    • Belangenbehartiging.

    • Verslavingen.

    De volgende kenmerken worden vaak gezien bij steunende groepen:

    • Probleemgericht.

    • Relatiegericht.

    • Gemeenschap. Ontwikkelen een sterk gevoel van gemeenschap.

    • Autonoom. Steunende groepen zijn vaak opgezet door leden.

    • Op perspectief gebaseerd.

    Wat zijn bronnen voor steun en verandering?

    Groepsbenaderingen tot verandering hebben bepaalde sleutelelementen met elkaar gemeen. Sommige van deze veel voorkomende therapeutische factoren zijn equivalent aan de veranderings-bevorderende krachten die werkzaam zijn in therapieën op individueel niveau, maar andere zijn uniek voor benaderingen op groepsniveau. Therapeutische factoren zijn een aspect van groepsinstellingen die persoonlijke groei en aanpassing ondersteunt en bevordert, waaronder factoren als de installatie van hoop, universaliteit, het verstrekken van informatie, altruïsme en interpersoonlijk leren. Factoren die verandering in groepen bevorderen zijn:

    • Algemeenheid. Erkennen dat je niet de enige bent die lijdt.

    • Hoop. Meer hoop krijgen door de verbetering bij anderen te zien.

    • Leren via observatie. Sociale vaardigheden leren via observatie en imitatie.

    • Interpersoonlijk leren. Sociale vaardigheden leren door te interacteren met anderen.

    • Begeleiding. Richting geven en aanvaarden van en naar de groep.

    • Samenhang en steun. Acceptatie.

    • Openheid (self-disclosure). Persoonlijke informatie delen met anderen.

    • Katharsis. Opgebouwde emoties laten stromen.

    • Altruïsme.

    • Inzicht. Meer inzicht in jezelf krijgen.

    Bij punt drie en vier hoort de sociale leertheorie van Albert Bandura. Dit is een conceptualisering van leren die de processen beschrijft waarmee nieuw gedrag wordt verworven door de acties die door modellen (ouders, leeftijdsgenoten) worden getoond te observeren en na te bootsen.

    De samenhang van een groep wordt beïnvloed door een aantal factoren, en er kan geen enkele factor worden genoemd die het kritieke ingrediënt is dat aan de groep moet worden toegevoegd zodat het een samenhangende groep kan worden. Onderzoeksresultaten van onderzoeken van therapeutische groepen suggereren dat samenhang binnen een groep de ene keer meer en de andere keer minder is tijdens het bestaan van de groep. In groepen met een therapeutisch doel zorgt samenhang verreweg voor meer positieve gevolgen dan negatieve gevolgen:

    • Hoge opkomst, laag aantal afvallers.

    • Hogere tevredenheid over lidmaatschap.

    • Kwantiteit van communicatie is hoger.

    • Betere emotionele en sociale steun.

    • Leden zijn meer betrokken bij de groep.

    • De groep heeft een sterkere invloed op de leden.

    Een therapeutische groep zonder samenhang is waarschijnlijk geen therapeutische groep.

    Volgens Yalom is het belangrijk om je emotionele binnenwereld te delen met anderen en dan door de anderen geaccepteerd te worden. Dit is het proces van self-disclosure.

    Wat is de effectiviteit van groepen?

    Gezondheidszorg medewerkers proberen steeds meer evidence-based behandelingen (EBTs) aan te bieden. Dat zijn klinische procedures waarvan de effectiviteit is gedocumenteerd door objectieve, wetenschappelijk rigoureuze onderzoeksprocedures. Onderzoekers maakten gebruik van meta-analyse om de effectiviteit van groepsbehandelingen te onderzoeken. Ze ontdekten dat behandelingen op groepsniveau en op individueel niveau even effectief zijn. Verschillen in effectiviteit van de verschillende groepsbehandelingen zijn zeldzaam. Groepsbehandelingen zijn vaak effectief, maar ze werken niet voor iedereen en ook niet voor elke vorm van psychologische moeilijkheden.

    Elke behandeling is niet effectief als het behandelingsregime niet wordt gevolgd - als mensen stoppen met het innemen van medicijnen, de instructies van de arts voor zelfzorg niet naleven of hun groepsbehandelingen niet bijwonen - de resultaten zullen dan waarschijnlijk teleurstellend zijn. Voortijdige opzeggingen (premature terminations) is de terugtrekking van een deelnemer uit een veranderingsbevorderende groep die plaatsvindt voordat het individu zijn of haar therapeutische doelen heeft bereikt. Dit werkt vooral verstorend voor therapeutische groepen, omdat ze instabiliteit veroorzaken in de samenstelling en dynamiek van de groep. Een casualty is een individu wiens psychologisch welzijn eerder achteruitgaat dan verbetert als gevolg van zijn of haar ervaringen in een veranderingsbevorderende groep.

    Access: 
    Public
    Wat zijn menigten en collectieven? - Chapter 17

    Wat zijn menigten en collectieven? - Chapter 17

    Individuen kunnen ook lid worden van hele grote groepen. Collectieven zijn in de kern groepen en kunnen, net als elke andere groep, verrassende dingen doen, waaronder het starten van revoluties.

    Wat zijn collectieven?

    Een collectief is een relatief grote verzameling mensen die op een vergelijkbare manier reageren op een gebeurtenis of situatie, inclusief mensen die allemaal op dezelfde locatie wonen, evenals massaverschijnselen waarin individuen verspreid zijn over een breed gebied. Collectieven variëren in grootte, tijdelijkheid, vorm en functie. Collectieven hebben de reputatie dat ze onconventioneler zijn dan andere groepen. Ze bestaan ​​meestal buiten de traditionele vormen van sociale structuren en instellingen, en als gevolg daarvan doen hun leden soms atypisch, onhandelbaar, onconventioneel of zelfs afwijkend gedrag aan. De diversiteit van collectieven is zo groot dat geen enkel classificatieschema voldoende is om hun vele vormen te categoriseren. Een voorbeeld van een classificatieschema maakt onderscheid tussen:

    • Bijeenkomsten: zijn relatief goed georganiseerde collectieven, maar kunnen snel transformeren van bijeenkomsten naar menigten.

    • Menigten: omvatten verschillende soorten tijdelijke assemblages.

    • Collectieve bewegingen: ontstaan ​​gedurende langere perioden en kunnen sterk verspreidde individuen beïnvloeden.

    Bijeenkomsten combineren aspecten van kleinere groepen met kwaliteiten die te vinden zijn in grotere, meer amorfe menigten. Ze hebben grenzen, doelen en relatief duidelijke structuren die bepalen hoe leden moeten handelen.

    • Een publiek is een verzameling toeschouwers die een optreden, evenement of activiteit waarnemen; doelgroepen hebben de neiging om conventioneel gedrag te vertonen en ze verspreiden zich wanneer het evenement dat ze bekijken eindigt.

    • Een wachtrij is een lijn of een groep mensen die wachten op een dienst, artikel of gelegenheid. Leden van een wachtrij zijn leden van een collectief omdat ze verbonden zijn met bepaalde normen voor gedrag.

    • Een menigte is een verzameling van individuen, meestal op een openbare plaats, die aanwezig zijn in dezelfde algemene omgeving en een gemeenschappelijke focus delen.

    • Een mob is een wanordelijke, emotioneel geladen menigte; mobs hebben de neiging zich te vormen wanneer een evenement hetzelfde soort affect en actie bij een aanzienlijk aantal mensen oproept. Het kenmerk van een mob is de emotie.

    • Een riot is een grote en vaak wijdverspreide menigte wiens moedwillige en ongeremde gedrag de regels van burgerlijke en wettelijke autoriteit schendt.

    • Acquisitieve paniek vindt plaats wanneer grote aantallen mensen worden geconfronteerd met een situatie van schaarste, en hun verlangen om de bron te verwerven leidt tot angst en een verlies van zelfregulering. Acquisitieve paniek wordt over het algemeen geassocieerd met consumenteninstellingen, wanneer individuen proberen om schaarse producten te kopen of producten die onder hun waarde zijn geprijsd.

    Niet alle collectieve fenomenen spelen zich af op korte afstanden. In sommige gevallen kunnen individuen die verspreid zijn op dezelfde en vaak atypische manieren reageren. Een dergelijk fenomeen wordt een collectieve beweging genoemd. Net als menigten komen collectieve fenomenen in vele variëteiten voor, waaronder (1) sociale diffusies zoals geruchten, massale wanen en trends, en (2) sociale bewegingen. Een collectieve beweging is een grote verzameling individuen, wijd verspreid over ruimte en tijd, die overeenkomsten vertonen in activiteiten, reacties, interesses enzovoort.

    • Geruchten vormen de basis voor mass delusion. Dat is de spontane uitbraak van atypische gedachten, gevoelens of acties in een groep of aggregatie, inclusief psychogene ziekte, gemeenschappelijke hallucinaties en bizarre acties. Psychogene ziekte is een reeks ziektesymptomen bij een groep personen wanneer er geen bewijs is van een organische basis voor de ziekte en geen aanwijsbare omgevingsoorzaak.

    • Trends zijn de algemene richting waarin de attitudes, interesses en acties van een groot deel van een bevolking in de loop van de tijd veranderen, inclusief mode en rages.

    • Een sociale beweging is een collectieve beweging die een opzettelijke, georganiseerde poging doet om een ​​verandering te bereiken of zich te verzetten tegen een verandering in een sociaal systeem.

    Wat zijn collectieve dynamieken?

    Besmetting (contagion) is de verspreiding van gedragingen, attitudes en affecten door menigten en andere soorten sociale aggregaties van het ene lid naar het andere. Wanneer besmetting snel optreedt, kan dit een cascade genereren: een kettingreactie van verandering die door de groep stroomt. Besmetting komt veel voor in groepen. Veel verklaringen voor collectief gedrag suggereren dat mensen niet door collectieven worden veranderd, omdat ze van meet af aan op elkaar leken. Hierbij past de convergentie theorie. Dat is een uitleg van collectief gedrag in de veronderstelling dat individuen met vergelijkbare behoeften, waarden of doelen de neiging hebben om samen te komen tot één groep.

    Mensen die vinden dat principes van eerlijkheid en rechtvaardigheid worden geschonden door de status quo, nemen vaker deel aan sociale bewegingen. Collectieven zijn vaak samengesteld uit mensen die verarmd, vervolgd of bedreigd zijn, maar het is meer de waargenomen oneerlijkheid van de ontbering die de betrokkenheid bij een collectief bepaalt in plaats van de ontbering zelf. Hierbij zijn de volgende termen van belang:

    • Relative deprivation: de psychologische toestand die optreedt wanneer individuen het gevoel hebben dat, in vergelijking met anderen, hun prestaties, resultaten, status, erkenning enzovoort onvoldoende zijn.

    • Egoistic deprivation: de psychologische toestand die optreedt wanneer iemand vindt dat zijn resultaten inferieur zijn aan de resultaten van andere individuen.

    • Fraternal deprivation: de psychologische toestand die optreedt wanneer een groepslid vindt dat de resultaten van zijn of haar groep inferieur zijn aan de resultaten van andere groepen.

    Festinger en andere sociaal psychologen kwamen met de term deindividuation. Dat is een ervaringsstatus veroorzaakt door een aantal inputfactoren, zoals groepslidmaatschap en anonimiteit, die wordt gekenmerkt door het verlies van zelfbewustzijn, veranderde ervaring en atypisch gedrag. Zimbardo vond anonimiteit de voornaamste oorzaak van deindividuation. Leden blijven makkelijke anoniem in grote collectieven en daardoor laten ze sneller gedrag zien, dat ze anders niet zouden tonen. Onderzoeksresultaten van sociaal psycholoog Diener suggereren dat de term deindividuation het best past bij mensen die atypisch gedrag vertonen terwijl ze lid zijn van een groep.

    Turner en Killian’s emergent norm theory betwijfelt het idee dat ongewone psychologische en sociale processen werken in menigten en collectieven. Ze verwerpen het idee dat mensen in menigten hun zelfcontrole verliezen. Zij concluderen daarentegen dat leden van collectieven zich gedragen op een manier dat consistent is met de normen die salient zijn in de situatie. Mensen gedragen zich niet op een onvoorspelbare manier, maar ze volgen het voorbeeld van anderen in de groep.

    De emergent norm theory is een verklaring van collectief gedrag dat suggereert dat de uniformiteit in gedrag die vaak wordt waargenomen in collectieven wordt veroorzaakt door de conformiteit van leden met unieke normatieve normen die zich spontaan ontwikkelen in die groepen. Een baiting crowd is een bijeenkomst van mensen op een publieke locatie van wie de leden anderen kwellen of plagen. Volgens ze emergent norm theory zijn dit soort groepen niet zonder normen, maar zijn het sociaal gestructureerde groepen die ongewone, tijdelijke of groepspecifieke normen hebben in plaats van meer traditionele sociale normen.

    De deindividuation theory suggereert dat mensen in collectieven een verlies van identiteit ervaren, maar de social identity model of deindividuation effects (SIDE) beargumenteert dat de sociale identiteiten van mensen eigenlijk versterkt worden wanneer ze lid zijn van een collectief. Dus deze theorie beargumenteert dat het aansluiten bij een collectief niet leidt tot deindividuation maar tot een gedepersonaliseerd zelfgevoel dat kwaliteiten op groepsniveau weerspiegelt in plaats van individueel niveau.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: this content refers to
    Psychology and behavioral sciences - Theme
    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Sociale psychologie en sociale relaties: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries

    Image

    Share: this page!
    Follow: Psychology Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    4267
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector