Samenvatting van Applying Social Psychology: From Problems to Solutions van Buunk en Van Vugt - 2e druk

Samenvattingen per hoofdstuk bij de 2e druk van Applying Social Psychology: From Problems to Solutions van Buunk & Van Vugt

Image

Check: summaries and supporting content in full
Hoe pas je sociale psychologie toe? - Chapter 1

Hoe pas je sociale psychologie toe? - Chapter 1

Sociale psychologie is een wetenschap die probeert kennis op te bouwen aan de hand van experimenten en metingen. Hoewel sociale psychologie maatschappelijke problemen niet kan verklaren, kan het wel gebruikt worden om oplossing te zoeken. Aan de hand van een maatschappelijk probleem laat het aankomende hoofdstuk zien hoe een theoretisch model ontwikkeld wordt waarop een interventie is gebaseerd. Dit zal gedaan worden aan de hand van de PATH (Problem, Analysis, Test, Help) methode.

Uit welke stappen bestaat PATH?

Stap 1 – Probleem: formuleren van een probleemdefinitie

Het is gebleken dat afgelopen jaren steeds minder mensen donaties geven om HIV/aids terug te dringen in risicogebieden zoals Afrika. Een groep vrijwilligers willen graag een campagne opstarten die ervoor zorgt dat mensen meer geld doneren. Zij hebben moeite om te bepalen hoe deze campagne eruit zou moeten zien. Hiervoor hebben ze een sociale psycholoog ingeschakeld om inzicht te krijgen in wat mensen ertoe zou aanzetten om meer geld te doneren. De psycholoog zal beginnen met de eersten stap van de PATH-methode: het formuleren van een probleemdefinitie. De psycholoog definieert het probleem als volgt: vele mensen in Afrika leiden aan HIV/aids en er is niet genoeg financieren om hen te voorzien van adequate vormen van medische of psychologische hulp. Welk factoren bepalen de bereidheid van mogelijke donateurs om geld te doneren voor deze kwestie? Hoe kunnen wij een campagne opzetten die geld opbrengt om mensen met HIV/Aids te helpen?

Stap 2 – Analyse: het vinden van verklaren voor het probleem

Om de factoren die de bereidheid van mensen om geld te doneren beïnvloeden te definiëren, stelt de psycholoog veel vragen die beantwoordt kunnen worden op basis van literatuur op sociale psychologie. Hierbij kijkt hij naar literatuur over altruïsme, pro sociaal gedrag en sociale invloed.

Eerst kijkt de psycholoog naar de literatuur over pro sociaal gedrag en formuleert het probleem in termen van twee algemene vragen:

  1. Wanneer zij mensen het meest geneigd om anderen te helpen?
  2. Welke attributen van slachtoffers lokken hulpreacties uit?

Na onderzoek naar literatuur die deze vragen kunnen beantwoorden, komt de psycholoog tot een conclusie dat er drie verschillende soorten zijn van helpen:

  1. Emergency intervention: iemand helpen die slachtoffer is van een overval of ongeluk.
  2. Organizational helping: aanbieden om een administratieve taak aan te nemen op verzoek van een manager.
  3. Sharing and donating resources: doneren van geld aan een goed doel.

Hoewel er veel minder literatuur te vinden is over de laatste vorm van helpen, komt de psycholoog uiteindelijk bij het model van Shalom Schwartz. Dit is een theoretisch model dat toepasbaar is op alle vormen van helpen. In het model zijn verschillende stappen dat het pro sociale gedrag van mensen beïnvloeden. Dit zijn de meest belangrijke stappen:

  1. Awareness: er moet een besef zijn dat anderen hulp nodig hebben. De waargenomen nood moet prominent, helder en serieus zijn.
  2. Opportunities to help: mensen moet zich ervan bewust zijn dat er mogelijkheden zijn om mensen met HIV/AIDS te helpen.
  3. Ability to help: mensen moete hun eigen vaardigheid herkennen om te kunnen helpen. Zo moet benadrukt worden dat zelfs kleine donaties erg gewaardeerd worden.
  4. Personal norms: dit zijn gevoelens van morele verplichtingen die ervoor zorgen dat mensen anderen gaan helpen.
  5. Responsibility: mensen moeten enigszins een verantwoordelijkheidsgevoel hebben voor het probleem om betrokken te zijn bij het verlenen van hulp.

Daarnaast is in literatuur ook te vinden dat mensen met een ziekte meer sympathie opwekken wanner zij niet verantwoordelijk worden geacht voor hun lot. De psycholoog concludeert aan de hand hiervan dat één van de hoofddoelen van de campagne moet zijn om het idee op de kop in te drukken dat mensen in Afrika met HIV/Aids zelf verantwoordelijk zijn voor hun ziekte. Ook moet er een gevoel van empathie opgeroepen worden bij de mogelijke donateurs. Dit gebeurt wanneer mensen zich kunnen identificeren met de slachtoffers. Bijvoorbeeld doordat zij dezelfde leeftijd, functie, of waarden hebben.

Het vrijwilligersteam draagt aan dat mensen verschillend kunnen reageren op slachtoffers of rampen in het buitenland dan in hun eigen land. Hier komt de Duitse psycholoog Leon Montada erbij. Hij stelt dat helpen niet gerelateerd is aan empathie, maar aan persoonlijke normen en iemands verantwoordelijkheidsgevoel om te helpen. Dit gevoel van verantwoordelijkheid wordt veroorzaakt door schuld van mensen met een bevoorrecht leven, boosheid over de ongelijkheid binnen de wereld en de waarneming at mensen in arme landen niet verantwoordelijk zijn voor hun lot. Na terugkoppeling van deze theorie aan het vrijwilligersteam, richten zij zich meer op het onrecht dat HIV/AIDS slachtoffers in derdewereldlanden ontvangen en dat door armoede en ontoereikende gezondheidzorg, hulp voor mensen met HIV/aids ten zeerste nodig is.

Door deze formuleren, neemt de psycholoog de volgende theorie in acht: de theorie over ‘belief in a just world’. Dit is een theorie van de Canadese sociale psycholoog Melvin Lerner, die stelt dat mensen een natuurlijke neiging hebben om te geloven dat zij leven in een eerlijke wereld waar iedereen krijgt wat hij of zij verdient. Zo zijn mensen vooral ontdaan door het onverklaarde leiden van anderen. Op basis van alle bevindingen verkregen door de sociale psychologische literatuur, maakt de psycholoog een proces model.

Stap 3 – Test: ontwikkelen en testen van het proces model

Een probleem is dat er nog niet genoeg onderzoek is gedaan naar de relatie tussen schuldgevoel en helpen, waardoor het niet mogelijk is om harde uitspraken hierover te maken. Veel kwesties zijn daardoor tweeledig en kunnen niet met zekerheid in de campagne verwerkt worden. Zo is HIV/aids een ziekte waarvan mensen zeggen dat het weldegelijk de schuld is van de desbetreffende persoon (het had voorkomen kunnen worden door veilig seksueel contact). Het is dus niet zeker of deze opvattingen zullen werken in de campagne.

Stap 4 – Hulp: interventie programma

Het team van vrijwilligers heeft nu verschillende factoren die het hulpgedrag kunnen verhogen. De campagne zal er als volgt uit zien:

  1. Persoonlijke profielen van mensen met HIV/AIDS in Afrika worden gepresenteerd, wie, ondanks hun ziekte, het beste proberen te maken van de situatie, maar klaarblijkelijk medische en psychologische hulp nodig hebben die op dit moment niet beschikbaar is.
  2. Benadrukken dat door de beperkte informatie, armoede, en het gebrek aan anticonceptiemiddelen, mensen met HIV/AIDS zich niet bewust zijn van de risico’s van onveilig seksueel contact en mogelijkheden om infectie te voorkomen. Hierdoor kunnen zij niet persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden voor het oplopen van de ziekte.
  3. Gevoelens van morele verplichting worden opgeroepen door zowel het laten zien dat mensen met HIV/AIDS in Afrika ten zeerste hulp nodig hebben als door het gevoel van onrecht oproepen over de armoede in Afrika.
  4. De berichten zullen vooral positief zijn om te voorkomen dat er negatieve attitudes worden gevormd ten opzichte van mensen met HIV/AIDS.
  5. Er wordt duidelijk gemaakt dat elke donatie, hoe klein dan ook, zal helpen. Ook zal duidelijk gesteld worden waarvoor de donaties precies gebruikt zullen worden.
  6. Om de drempel voor mensen om te doneren te verlagen, is doneren via internet mogelijk.

Toepassen van sociale psychologie: de weg van probleem tot interventie?

De PATH-methode helpt sociale psychologen om relatief snel en gemakkelijk een theoretisch gebaseerd interventie programma te ontwikkelen. Echter zijn er wel wat valkuilen. Zo kan het veel tijd kosten om een probleem te definiëren, en veel beraadslagen om de meest belangrijke elementen van het probleem aan te wijzen. Daarnaast kan het zijn dat er niet veel relevante literatuur of juist te veel relevante literatuur te vinden is over het onderwerp. Zelfs als deze in het verleden hebben gewerkt, garandeert dat geen succes voor de volgende keer.

De PATH-methode kan uitgelegd worden in vier belangrijke stappen:

  1. Problem: van het probleem naar een probleemdefinitie; het definiëren van het probleem.
  2. Analysis: van een probleemdefinitie naar een analyse en verklaring; formuleren van toepasselijke concepten en het ontwikkelen van theorie gebaseerde verklaringen.
  3. Test: van verklaringen naar een procesmodel; ontwikkelen en testen van een verklarend procesmodel.
  4. Help: van een procesmodel naar interventies; ontwikkelen en evalueren van een programma van interventie.

Stap 1 – Probleem: van het probleem naar een probleemdefinitie

De probleemdefinitie is meestal een stuk uitgebreider dan die in het voorbeeld over HIV/AIDS. Dit komt omdat het team van vrijwilligers al een stap verder waren: ze waren van mening dat er meer aandacht geschonken moet worden aan het HIV/AIDS probleem en startte daarvoor een campagne op. Meestal begint een psycholoog meer bij de basis van een probleem wanneer een probleemdefinitie gevormd moet worden. Hiervoor is het heel belangrijk dat goed beschreven wordt wat het probleem is. Wanneer dit is gebeurd, moeten er nog veel andere vragen gesteld worden: waarom is het eigenlijk een probleem en voor wie is het een probleem? Daarnaast moeten de belangrijkste oorzaken van het probleem in kaart worden gebracht. Ook moet de doelgroep bepaald worden waarop de interventie zal worden toegepast. Als laatste moeten de ‘key aspects’ gevonden worden. Dit betekent dat een goede probleemdefinitie duidelijk maakt dat het probleem van toegepaste vorm is in plaats van een basisvorm en is geformuleerd in concrete termen. Het is hierbij ook belangrijk dat het probleem sociale psychologische aspecten heeft en het probleem oplosbaar is. Wanneer een probleem niet gedefinieerd kan worden aan de hand van een paar termen, is het waarschijnlijk niet geschikt voor een PATH-analyse.

Stap 2 – Analyse: van een probleemdefinitie naar een analyse en verklaring

Wanneer het probleem is gedefinieerd in termen van één of meer sociaal psychologische constructen, is de tweede stap om te komen met een sociaal psychologische verklaring van het probleem. Hiervoor moet eerst bepaald worden wat de uitkomst variabele is: welke variabele moet uiteindelijk veranderd worden?

Het is soms niet zo voor de hand liggend waar in de literatuur gezocht naar moet worden. Zelfs wanneer dit wel duidelijk is, kunnen er veel verschillende theorieën zijn. Zo zijn er ‘social exchange’ en ‘reciprocity’ theorieën. Deze theorieën benadrukken de rol van egoïsme in helpen. Zo voelen mensen zichzelf goed wanneer zij iets hebben gedaan voor een ander. Daarnaast zijn er empathie-altruïsme theorieën. Het basisidee van deze theorie is dat empathie altruïstisch gedrag motiveert gericht op het verlichten van het leiden van een slachtoffer.

Om te bepalen wat de validiteit is van sociale psychologische theorieën, is het belangrijk om te bepalen in hoeverre de experimenten die gebruikt zijn voor de theorie, toepasbaar zijn op de echte wereld. Dit refereert naar de externe validiteit van een experiment. Het is mogelijk dat de bevindingen van een onderzoek, door de specifieke onderzoeksvraag of beperkingen in de steekproeven, op een beperkt aantal real-life situaties toepasbaar zijn.

Stap 3 – Test: van verklaringen naar een procesmodel

Het procesmodel heeft een uitkomst variabele die beïnvloed wordt. Het model moet voornamelijk variabelen bevatten die beïnvloed kunnen worden en moeten de relatie tussen de variabelen in de vorm van een procesmodel beschrijven. Dit procesmodel is de kern van de PATH-methode. Over het algemeen specificeert het model maar een paar mogelijke relaties tussen de variabelen. Dit dwingt onderzoekers om selectief te zijn waardoor niet alles door alles verklaard wordt. Het is soms moeilijk om in de literatuur te vinden hoe bepaalde variabelen invloed hebben op elkaar. Mocht er niets te vinden zijn over een specifieke variabele, dan is het goed om te kijken naar de meer algemene vorm van de desbetreffende variabele.

Stap 4 – Help: van een procesmodel naar een interventie

Dit is de moeilijkste stap in het proces. Het is belangrijk dat het interventieprogramma vooral factoren bevat die beïnvloed kunnen worden door interventie. Veel sociale psychologische variabelen als attitudes en sociale normen, kunnen beïnvloed worden door interventies, maar factoren als sekse, persoonlijkheid of andere diepgewortelde trekken of waarden niet. De stap van testen naar interventie is heel groot. De psycholoog moet zo veel mogelijk interventie programma’s bedenken. Vooral het vormen van de details kost veel werk.

Wat zijn problemen bij het toepassen van theorieën?

Het is moeilijk om sociale psychologische theorieën toe te passen op sociale problemen, omdat veel theorieën ontwikkeld zijn aan de hand van experimenten in laboratoria. De volgende beperkingen zullen nu besproken worden: oversimplificatie, externe validiteit en tegenstrijdig bewijs.

Oversimplificatie

De situatie die onderzocht wordt middels experimenten is bij definitie een reductie en simplificatie van de werkelijkheid. Een laboratoriumexperiment kan nooit de complexheid van variabelen die het menselijk gedrag beïnvloeden omvatten. Vaak wordt er in dergelijke experimenten maar één van de vele variabelen onderzocht.

Externe validiteit

Een andere beperking is dat alle factoren in het echte leven de impact van de variabelen kunnen bedekken die heel duidelijk worden gemanipuleerd in een experiment. Het is hierdoor moeilijk om de bevindingen van bepaalde onderzoeken toe te passen op situaties in het echte leven.

Tegenstrijdig bewijs

Een andere beperking is dat onderzoeken vaak tegenstrijdige bevindingen voortbrengen. Zo kan een effect gevonden worden in het ene onderzoek, maar wordt deze niet gevonden wanner het onderzoek door iemand anders op een ander moment wordt uitgevoerd. Dit komt vaak voort uit het feit dat de onderzoeken dan iets verschillen op het vlak van hun methodologie. Dit laat dus zien dat wanneer de omstandigheden niet precies hetzelfde zijn, mensen al snel anders kunnen reageren op een soortgelijke situatie.

Access: 
Public
De probleemfase: hoe kom je van een probleem naar een probleemdefinitie? - Chapter 2

De probleemfase: hoe kom je van een probleem naar een probleemdefinitie? - Chapter 2

Met een probleemdefinitie wordt bedoeld een duidelijke en precieze beschrijving van wat het probleem is, waarom en voor wie het een probleem is. Ook moet de doelgroep (target group) gedefinieerd worden voor de interventie. Daarnaast moet de probleemdefinitie inzicht geven in mogelijke oorzaken en belangrijke aspecten van het probleem. Bijvoorbeeld of het bepaalde probleem een toegepast, concreet en sociale psychologisch probleem is, en of het probleem oplosbaar is.

In veel onderzoeken binnen sociale psychologie wordt er weinig aandacht besteed aan het formuleren van het probleem. Een reden hiervoor is dat er veel onderzoek gedaan is naar basale sociale psychologie. Zo wordt er binnen het empathie-altruïsme onderzoek gekeken onder welke omstandigheden mensen geneigd zijn andere te helpen. Hier wordt verder geen aandacht besteed aan het toepassen van de bevindingen. Daarnaast mist bij onderzoeken waar wel een toegepaste focus is, vaak een systematische probleemanalyse.

Hoe herformuleer je het probleem?

In de krant staan altijd krantenkoppen vermeld die vaak een probleem aangeven. Echter is het nadeel dat deze kreten vaak niet goed geformuleerd zijn. Zonder een systematische probleemanalyse is het vaak niet duidelijk wat het probleem is. Globale stellingen moeten concreter worden gemaakt om verder onderzocht te kunnen worden. Ook kan het zijn dat een meer gedetailleerde probleemanalyse het echte probleem kan ontdekken in plaats van het probleem dat geformuleerd is. Wanneer het probleem duidelijk geformuleerd is, is er een scala aan mogelijke oplossingen. In sommige gevallen kan hieruit blijken dat een sociale psychologische interventie niet toepasselijk is.

De weg van een probleem naar een probleemdefinitie

Zoals blijkt uit bovenstaande informatie is er niet één weg van het probleem naar een probleemdefinitie. Het is belangrijk om erop te letten dat toegepast sociale onderzoekers hun eigen voorkeuren hebben voor onderwerpen en theorieën en daardoor het probleem benaderen op hun eigen manier. Dit kan ervoor zorgen dat de ene onderzoeker zich op een heel ander aspect binnen het onderwerp richt dan een andere onderzoeker. Het is goed om je ervan bewust te zijn dat zulke neigingen een bepaalde kleur kunnen geven aan een probleemanalyse.

Hieraan gerelateerd; het kan zijn dat een psycholoog benaderd wordt door een cliënt met een bepaald probleem. Het ligt dan aan de psycholoog om te bepalen of het probleem daadwerkelijk een probleem is, of dat het eigenlijk om een ander probleem gaat. Het is dan ook de taak van de psycholoog om zijn of haar cliënt ervan te overtuigen wat het echte probleem is. Wanneer dit niet lukt moet de psycholoog zijn of haar handen van de opdracht af trekken.

Tijdens een gesprek met de cliënt is het belangrijk dat er goed doorvragen is om het echte probleem te ontdekken. Ook is het belangrijk om te kijken uit hoeveel aspecten een probleem bestaat. Het kan ook mogelijk zijn dat er meerder problemen spelen. Ga hiervoor op zoek naar het grootste probleem en koppel hieraan de kleinere problemen.

De meest relevante vragen zijn:

  1. Wat is het probleem?
  2. Waarom is het een probleem?
  3. Voor wie is het een probleem?
  4. Wat zijn de mogelijk oorzaken van het probleem?
  5. Wat is de doelgroep (voor de interventie)?
  6. Wat zijn de belangrijkste (key) aspecten van het probleem? Bijvoorbeeld:
  • Is het een toegepast probleem?
  • Is het een concreet probleem?
  • Is het een sociale psychologisch probleem?
  • Kan het probleem opgelost op verlicht worden?

Een goede inleidende probleemdefinitie is één waarin alle bovenstaande vragen in zijn verwerkt. In een gesprek met een cliënt worden nog veel meer vragen gesteld om een volledige probleemdefinitie te creëren.

Er zijn verschillende redenen waarom het belangrijk is om een goede probleemdefinitie te ontwikkelen. Zo omlijnt het wat er uitgelegd moet worden en geeft het suggesties voor het vinden van de juiste literatuur. Op basis van een goede probleemdefinitie is het makkelijker om door te gaan naar het volgende niveau, het ontwikkelen en testen van een verklaringsmodel. Daarnaast is het bijna onmogelijk om zonder een goede probleemdefinitie goede interventies te ontwikkelen, omdat waarschijnlijk de essentie van het probleem ontbreekt.

Wat zijn belangrijke vragen voor een probleemdefinitie?

Wat is het probleem?

De belangrijkste kwestie hier is het bepalen van het centrale probleem dat opgelost moet worden. Om deze vraag te beantwoorden is er inzicht nodig in de oorzaak en achtergrond van het probleem. Met veel probleemdefinities is het niet altijd duidelijk wat de essentie is van het probleem. In een gesprek met een cliënt moet de psycholoog altijd kritisch zijn op wat de cliënt zegt en moet hij of zij open staan voor mogelijk andere oorzaken van een bepaald probleem. Daarnaast kan het zijn dat problemen vaak te breed of algemeen gesteld worden. Op deze manier is het niet mogelijk om het probleem effectief aan te pakken.

Waarom is het een probleem?

Dit is een belangrijke vraag dat de psycholoog moet stellen. Hoe uit het probleem zich? Wat zijn de consequenties van het probleem? Wat maakt het problematisch? Wanneer deed het zich voor het eerst voor? Het beantwoorden van de waarom vraag helpt niet alleen bij het specificeren van het probleem, maar het kan ook al richting geven voor een mogelijk interventieprogramma.

Het kan moeilijk zijn met wat voor probleem de cliënt zit. Het is hierbij belangrijk om een fundamentele oplossing te vinden. Cliënten zien soms niet het daadwerkelijke probleem, als er voor hun dus probleem een oplossing wordt gezocht, werkt deze vaak maar tijdelijk.

Ook is het belangrijk om te vragen wanneer het probleem precies is ontstaan. Op deze manier kan de psycholoog een historische analyse maken wat verschillende zaken over het probleem kan toelichten. Ten eerste kan het onthullen dat het voorgestelde probleem niet het daadwerkelijke probleem is. Ten tweede kan een dergelijke analyse wijzen naar een bepaalde tijd wanneer het probleem zich voordeed. Ten derde kan het redenen geven waarom het probleem opeens verergerde.

Voor wie is het een probleem?

Het is belangrijk om te weten of alleen de cliënt bij het probleem betrokken is, of dat er nog meer partijen bij betrokken zijn. Meestal zijn andere partijen erbij betrokken. Het is dan belangrijk om te onderzoeken of de probleemdefinitie van de cliënt overeenkomt met die van de andere partijen. Wanneer deze tegenstrijdig zijn is het moeilijk voor een psycholoog om de opdracht te accepteren. Hij of zij moet dan proberen een probleemdefinitie te formuleren waar iedereen zich in kan vinden.

Wat zijn de mogelijke oorzaken van het probleem?

Met deze vraag kan de psycholoog een beeld maken van de achtergrond en de mogelijke oorzaken van het probleem. Daarnaast kan bepaald worden of het probleem een sociale psychologische dimensie heeft. Zo ja, dan kan dit gebruikt worden om een voorbereidend causaal model te maken. Onthoud dat het doel van het vormen van een probleemdefinitie niet het definiëren van de exacte oorzaken is. Het is belangrijk om een impressie te krijgen van het causale model en de mogelijke sociale psychologisch processen die betrokken zijn. Het maken van een voorbereidend causaal model kan gefaciliteerd worden door het stellen van twee vragen:

  1. Wat veroorzaakt het probleem?
  2. Hoe beïnvloeden deze oorzaken het probleem?

Het is ook belangrijk om onderscheid te maken tussen directe (immediate) oorzaken een meer indirecte (distal) oorzaken. Op deze manier kan een model van het causale proces gemaakt worden.

Wat is de doelgroep?

Wie moeten er overtuigd worden van het probleem? Van wie is medewerking nodig om het probleem op te lossen? Het selecteren van een doelgroep vermindert het aantal mensen dat meespelen in het probleem.

Het verklaart het probleem en maakt het meer specifiek. Dit maakt het weer makkelijker om strategieën voor de oplossing te bedenken. Mocht de psycholoog er later in het proces achter komen dat de doelgroep te moeilijk of kostbaar is, kan hij of zij altijd het probleem opnieuw definiëren. Onthoud dat het PATH-model een flexibel model is.

Wat zijn de belangrijkste aspecten van het probleem?

Om de belangrijkste aspecten van het probleem te bevatten moeten de volgende vragen gesteld worden:

  1. Is het een toegepast probleem?
  2. Is het een concreet probleem?
  3. Is het een sociale psychologisch probleem?
  4. In hoeverre kan het probleem opgelost worden?

Is het een toegepast probleem?

Het vinden van een effectieve oplossing voor een probleem is niet het hoofddoel van fundamenteel onderzoek binnen psychologie, maar het is wel de prioriteit van toegepast psychologisch onderzoek. Het is daarom belangrijk dat de vraag ‘Waarom is het een probleem?’ ook een vraag bevat over hoe een bepaald probleem opgelost kan worden. Het is namelijk niet altijd duidelijk aan het begin hoe het interventieprogramma eruit gaat zien.

Is het een concreet probleem?

Het is ook belangrijk dat een probleem geformuleerd is in genoeg concrete termen. Alle belangrijke aspecten moeten goed geoperationaliseerd zijn om nuttig te zijn. Wanneer gedrag geoperationaliseerd is, is het makkelijker te herkennen en aan te pakken. Ook is het goed om de eigenschappen van de doelgroep te specificeren. Dit maakt het makkelijker om te evalueren of een interventie succesvol was of niet. Als laatste moet iemand een specifiek gedrag aangeven dat veranderd moet worden. Hierbij is het noodzakelijk te weten wat het normatieve gedrag is van een bepaalde doelgroep.

Is het een sociaal psychologisch probleem?

Deze vraag wordt, in ieder geval gedeeltelijk, beantwoord door bovenstaande vragen. Hierbij zijn twee vragen waarmee rekening moet worden gehouden:

  • Zijn er andere oorzaken dan sociale psychologische oorzaken, en zo ja, zijn deze belangrijker dan de sociale psychologische factoren?
  • Een tweede vraag die gesteld moet worden is wat een sociale psychologisch perspectief bijdraagt aan het probleem. De primaire interesse van sociale psychologen is hoe individuen zich gedragen en reageren op hun sociale omgeving. Wanneer problemen voornamelijk economisch of technologisch zijn, is een sociale psychologische benadering ineffectief.

Is het probleem oplosbaar?

De sociale psycholoog moet nagaan of een bepaald probleem oplosbaar is of niet. Dit is afhankelijk van de aarde van het probleem, de efficiëntie van de oplossing, maar is ook afhankelijk van de cliënt. Zo kan het zijn dat een cliënt niet akkoord gaat met een bepaald interventieprogramma vanwege de kosten. Daarnaast moet altijd gecontroleerd worden of een bepaalde oplossing wel ethisch verantwoord is.

Hoe verloopt het onderzoek voor een probleemdefinitie?

Het grootste doel van onderzoek in deze fase is het beter begrijpen van het probleem en zijn mogelijke oorzaken, zowel als het schatten van het succes van een interventie. In deze fase houden we ons nog niet bezig met een empirische test van het causale model of een evaluatie van het interventieprogramma.

Voor de probleemdefinitie is verkennend onderzoek vaak gewenst omdat het de zekerheid biedt dat de sociale psycholoog geen fouten maakt bij het identificeren van de oorzaken en/of oplossingen van het probleem.

Er zijn verschillende manieren beschikbaar om informatie te vergaren voor een probleem.

Achtergrondmateriaal

Grote sociale problemen verschijnen in de krant en op de televisie en het kan het waard zijn om deze vormen van media te raadplegen. Daarnaast is het aan te raden om ook het internet te raadplegen. Het is goed om te onthouden dat alleen informatie van de cliënt niet genoeg is, aangezien dit incompleet kan zijn. Om meer inzicht in een probleem te verkrijgen moeten verschillende bronnen geraadpleegd worden.

Wetenschappelijke literatuur

Het is goed om een ‘review’ uit te voeren voor de wetenschappelijke literatuur die tot nu toe beschikbaar is over een onderwerp. Zo kan PsychINFO, PsychARTICLES of Google SCOLAR geraadpleegd worden.

In de probleemfase is het belangrijkste doel om zoveel mogelijk ideeën te genereren over de mogelijke antecedenten van het probleem, die het creëren van een causaal model faciliteren.

Interviews

Het is altijd goed om interviews te regelen met de mensen die het probleem ondervinden. Dit geeft een beter beeld van hoe mensen het probleem ervaren. Dit helpt bij het definiëren van een probleemdefinitie waar iedereen zich in kan vinden. Deze interviews moeten een paar elementen bevatten zodat zij ook daadwerkelijk nuttig zijn:

  1. Ze moeten relatief ongestructureerd zijn, zodat vrijelijk geïnteracteerd kan worden. Er moeten maar een paar basis vragen zijn, zodat de persoon in kwestie niet een bepaalde kant op wordt gestuurd. Dit zorgt voor de meest objectieve vorm van een interview.
  2. Een ander kenmerk van interviews is het onderzoeken van verschillen in perspectief op het probleem tussen de betrokken partijen.

Observatie

Het nadeel van interviews is dat uitkomsten tussen mensen sterk kunnen verschillen. Dit kan komen doordat sommige mensen niet de waarheid vertellen. In dat geval kan er gebruik gemaakt worden van observatie. Er zijn verschillende methoden van observatie:

  1. Een meer ongestructureerde observatie: een kleine checklist met aandachtspunten voor een bepaalde setting.
  2. Soms is het beter als mensen zich niet bewust zijn van de aanwezigheid van de psycholoog. Hawthorne effect: mensen gedragen zich beter als ze weten dat ze geobserveerd worden.

Voltooien van de probleemdefinitie

Een probleemdefinitie bestaat meestal uit één paragraaf dat de belangrijkste elementen van het probleem beschrijven op een vloeiende en samenhangende manier. Alle vragen worden hier volledig beantwoord, maar niet als opsomming. Er moet duidelijk worden wat het probleem is, waarom het een probleem is ontstaan, voor wie het een probleem is, wat de hoofdoorzaken zijn, de doelgroep en relevante probleemaspecten.

Met een probleemdefinitie wordt bedoeld een duidelijke en precieze beschrijving van wat het probleem is, waarom en voor wie het een probleem is. Ook moet de doelgroep (target group) gedefinieerd worden voor de interventie. Daarnaast moet de probleemdefinitie inzicht geven in mogelijke oorzaken en belangrijke aspecten van het probleem. Bijvoorbeeld of het bepaalde probleem een toegepast, concreet en sociale psychologisch probleem is, en of het probleem oplosbaar is.

In veel onderzoeken binnen sociale psychologie wordt er weinig aandacht besteed aan het formuleren van het probleem. Een reden hiervoor is dat er veel onderzoek gedaan is naar basale sociale psychologie. Zo wordt er binnen het empathie-altruïsme onderzoek gekeken onder welke omstandigheden mensen geneigd zijn andere te helpen. Hier wordt verder geen aandacht besteed aan het toepassen van de bevindingen. Daarnaast mist bij onderzoeken waar wel een toegepaste focus is, vaak een systematische probleemanalyse.

Access: 
Public
De analysefase: hoe vind je op theorie gebaseerde verklaringen voor het probleem? - Chapter 3

De analysefase: hoe vind je op theorie gebaseerde verklaringen voor het probleem? - Chapter 3

In deze fase moet eerst de uitkomst variabele gedefinieerd worden, dit is de variabele die veranderd moet worden. Daarna worden in de divergente fase zoveel mogelijk verklaringen gevonden. Deze verklaringen worden gekoppeld aan relevante sociale psychologische theorieën. Als laatste, in de convergente fase, worden de verklaringen geëvalueerd op hun relevantie, validiteit, en waarschijnlijkheid van het probleem.

Hoe specifieer je de uitkomst variabele?

Het eerste doel in de analyse fase is het specificeren van de uitkomst variabel om te het doelgedrag voor interventie te verduidelijken. Idealiter wordt de uitkomst variabele geformuleerd in termen van de gewenste staat. De literatuur onderscheidt drie verschillende sociale psychologische variabelen:

  1. Gedragingen en intenties van gedrag
  2. Attitudes en cognities
  3. Emoties en affect

Het is in eerste instantie wenselijk dat er maar één uitkomst variabele is. Dit komt omdat variabelen sterk gerelateerd kunnen zijn aan elkaar waardoor een verandering in één variabele ervoor zorgt voor een verandering in de ander. Wanneer variabelen juist niet gerelateerd zijn, komt dat omdat zij een verschillende ontogenetische historie hebben. Hiervoor hebben zij verschillende verklaringen en interventies nodig.

Wat zijn de benodigdheden voor de uitkomst variabele?

Om een goed doel van invloed te zijn, moet een uitkomst variabele aan de volgende criteria voldoen:

  1. Het moet relevant zijn voor het probleem – relevantie
  2. Het moet worden beschreven in specifieke en concrete termen – specificiteit
  3. Het moet in continue termen beschreven worden – continuïteit

Wat is relevantie?

De uitkomst variabele zou logischerwijs uit de probleemstelling moeten voortkomen. Het zou, in een ideaal scenario, de gewenste staat moeten weerspiegelen.

Wat is specificiteit?

In het PATH-model moet de uitkomst variabele zo concreet mogelijk worden beschreven. Dit is belangrijk omdat een te algemene uitkomst variabele het moeilijk maakt om een effectief interventie programma te ontwikkelen. Je loopt dan het risico dat aspecten van de variabele beïnvloed wordt die niet problematisch zijn.

Wat is continuïteit?

De variabele moet continue zijn zodat het beschreven kan worden in kwantitatieve termen (meer of minder dan…). Ten eerste maakt die het makkelijker om verklaringen te genereren voor het probleem en het beschrijving van het causale model. Ten tweede maakt een kwantitatieve variabele het ook makkelijker om een interventieprogramma te evalueren. De staat voor en de staat na de interventie zijn makkelijk te vergelijken.

De divergente fase: hoe genereer je verklaringen?

De tweede stap in de analyse fase is het vinden van zo veel mogelijk verklaringen en het identificeren van relevante oorzaken van het probleem. Hierbij zijn er een paar dingen om rekening mee te houden. Ten eerste maakt de validiteit van de verklaringen op dit moment niet heel veel uit. Het is belangrijker om ervoor te zorgen dat alle aspecten van het probleem worden verklaard. Ten tweede zou de sociale psycholoog zich moeten richten op verklaringen voor mogelijke verschillen in de uitkomst variabele.

Er zijn verschillende methoden om verklaringen te vinden:

  1. Vrije associatie
  2. Het verzamelen van verklaringen door empirische technieken zoals vragenlijsten, interviews, en observaties
  3. Er kan gezocht worden in de sociale psychologische literatuur

Wat is vrije associatie?

Bij vrije associatie is het belangrijk dat er in eerste instantie zo veel mogelijk verklaringen worden bedacht. Vervolgens wordt er gekeken naar de validiteit en worden de meest gunstig verklaringen gekozen. Bovendien kan het vinden van een verklaring bij vrije associatie leiden tot het vinden van een andere verklaring die logischerwijs uit de eerste volgt.

Er worden verschillende soorten associaties onderscheiden: probleem associatie, concept associatie, en perspectief nemen.

  1. Probleem associatie: dit is de meest simpele vorm van associatie. De psycholoog maakt zoveel mogelijk verklaringen voor het probleem door zichzelf de vraag te stellen: waarom is het een probleem? Het kan echter zijn dat het zich alleen op deze manier op het probleem richt, waardoor andere mogelijke verklaringen niet worden besproken. Daarom is het goed om verklaringen te zoeken met een conceptuele en meer abstracte benadering.
  2. Concept associatie: een andere manier om verklaringen te vinden is door verder te kijken dan het probleem en fenomenen bedenken die conceptueel gelijk zijn aan het probleem. Door het gebruiken van concepten, kan de psycholoog het probleem vertalen naar een meer abstract en wetenschappelijk probleem.
  3. Perspectief nemen: van uit perspectief kijken ziet het probleem door de ogen van de mensen die bij het probleem betrokken zijn. Eerst moeten de individuen die betrokken zij geïdentificeerd worden en daarna moet de psycholoog zichzelf in zijn of haar schoenen plaatsen.

Wat zijn interviews en observaties?

Interviews en observaties zijn ook nuttig tijdens de analyse fase. Echter zijn ze in deze fase specifieker, omdat ze voortkomen uit de gekozen uitkomst variabele(n).

Een specifieke interview methode om verklaringen te vinden is het ‘waarom interview’. Dit kan een echt interview zijn met betrokken partijen, maar het kan ook een oefening zijn voor de psycholoog om voor zichzelf verschillende verklaringen te bedenken. Deze interviews zijn gedetailleerder dan de interviews die in de probleem fase zijn besproken. Bij deze gesprekken moet ervoor worden gezorgd dat de vragen niet altijd op dezelfde manier worden gesteld.

Het verklarende model kan in een figuur worden weergegeven:

  • Affirmative action policies
  • Expectation that female managers are not competent
  • Lack of authority among female managers
  • Lack of support for female managers from top management
  • Lack of interest among women in management positions

Dit houdt in dat je teruggaat op de causale keten, bottom-up, van de uitkomst variabele naar een mogelijk obstakel. Dit model is nog niet compleet en kan nog veel ‘waarom vragen’ oproepen. Het is goed om volledig te zijn en niet te focussen om één set van verklaringen. Het concentreren om de meest relevante verklaringen gebeurt pas in de convergente fase.

In de analysefase wordt een meer systematische observatie gehanteerd dan in de probleemfase. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen observatie van anderen en zelfobservatie (introspectie). In het geval van een observatie, observeert de sociale psycholoog een proces in een groep of organisatie. De SYMLOG, een instrument voor groepsobservatie, kan worden gebruikt. De SYMLOG-instrument bestaat uit 26 kenmerken die aan elk groepslid worden gegeven. Bijvoorbeeld: active, dominant, talks a lot. De psycholoog moet de persoon per item scoren op een driepuntsschaal: 1 = zelden, 2 = soms, 3 = vaak. Deze scores worden dan gecombineerd voor elk groepslid op drie dimensies: dominant-onderdanig, vriendelijk-onvriendelijk, en instrumenteel gecontroleerd-emotioneel expressief. Met deze data wordt een grafische representatie van de groep gegeven.

Bij introspectieve methoden kan aan groepsleden worden gevraagd om zichzelf te beoordelen en te beoordelen hoe ze op andere reageren.

Wat zijn sociale psychologische theorieën?

Een derde methode voor het vinden van verklaringen is aan de hand van sociale psychologische literatuur. Sociale psychologische theorieën, meestal gebaseerd om een groot aantal onderzoeken, specificeren de mogelijke oorzaken van sociaal gedrag, zoals agressie, altruïsme, leiderschap, status, conformiteit, en vooroordelen. De twee methoden voor het genereren van verklaringen, associatie en perspectief nemen, geven vaak een idee van welke theorieën relevant zijn en welke niet. Onthoud dat in de analysefase deze theorieën vooral gebruikt worden als heuristiek om een causaal verklarend model te maken. In de volgen de fase van het PATH-model, de testfase, worden de theorieën grondiger bekeken.

Er zijn drie verschillende strategieën om verklaringen uit sociale psychologische literatuur te vinden:

  1. De thematische (topical) strategie: deze benadering zoek uit wat er geschreven is in de literatuur over een bepaald onderwerp. In veel gevallen zijn er studies binnen de psychologische literatuur die direct gerelateerd zijn aan het probleem.
  2. Conceptuele strategie: deze benadering herformuleert het probleem op een meer conceptueel niveau om verbanden te vinden met relevante sociale psychologische fenomenen en theorieën.
  3. Algemene theorie strategie: de thematische en conceptuele strategieën zijn inductief in dat ze bottom-up zijn, van probleem naar verklaring. De algemene theorie strategie is deductief. Het beweegt top-down, van een algemene theorie dat op het eerste gezicht niet heel relevant lijkt te zijn voor het probleem. Echter hebben zijn een groot bereik aan implicaties over een breed domein van problemen. Zo is het bijvoorbeeld goed om deze strategie te gebruiken voor een relatief nieuw probleem.

De convergente fase: hoe reduceer je het aantal verklaringen?

In de convergente fase wordt het aantal verklaringen verminderd, zodat alleen de meest plausibele verklaringen overblijven. Er zijn drie verschillende stappen in deze fase.

  1. Eerst, het aantal verklaringen verminderen door de irrelevante en overbodige verklaringen kwijt te raken.
  2. Tijdens de tweede stap, wordt de theoretische validiteit gecontroleerd van elke verklaring.
  3. Als derde stap, worden de resterende verklaringen gecontroleerd om te zien of ze verantwoordelijk zijn voor het probleem.

In deze fase moet eerst de uitkomst variabele gedefinieerd worden, dit is de variabele die veranderd moet worden. Daarna worden in de divergente fase zoveel mogelijk verklaringen gevonden. Deze verklaringen worden gekoppeld aan relevante sociale psychologische theorieën. Als laatste, in de convergente fase, worden de verklaringen geëvalueerd op hun relevantie, validiteit, en waarschijnlijkheid van het probleem.

Access: 
Public
De testfase: hoe ontwikkel en test je het procesmodel? - Chapter 4

De testfase: hoe ontwikkel en test je het procesmodel? - Chapter 4

Wanneer sociale psychologen een set verklaringen kiezen, wordt er door hen een procesmodel opgesteld. Dit model dient als sjabloon voor het ontwikkelen van interventies.

Hoe formuleer je een procesmodel?

Een procesmodel is een geïllustreerde weergave van de verklarende variabelen en hun relaties met elkaar en met het overkoepelende probleem. Elke variabele wordt weergegeven door een vierkant. De vierkanten (variabelen) in het model zijn verbonden door pijlen. De bindende kracht van een pijl geeft aan of er een positieve (+) of negatieve (-) relatie is tussen de twee variabelen. Het formuleren van een procesmodel helpt sociale psychologen om een gestructureerd beeld te schetsen van het probleem met de achterliggende oorzaken. Het moet ook aanwijzingen geven over welke interventies moeten worden gebruikt.

Hoe ontwikkel je een procesmodel?

Ten eerste moet er een duidelijke uitkomstvariabele zijn. Idealiter is dit al gedan in de vorige fase van de PATH-methode, maar er kan twijfel bestaan of de uitkomstvariabele concreet genoeg is of niet. Vervolgens moet er een schema gemaakt worden van het voorbereidende procesmodel. De uitkomstvariabele wordt in het rechter vierkant geplaatst en de mogelijke verklaringen in het linker vierkant.

Mogelijke verklaring uitkomstvariabele:

  • Nature of the task cooperation

Dit is een plausibel eerste model, maar er zijn verschillende problemen. Ten eerste wordt de bewering meestal niet beschreven als een continue of kwantitatieve variabele. Het is onduidelijk hoe deze variabele kan variëren van minder tot meer, en hoe deze precies gerelateerd is aan de uitkomstvariabele. Ten tweede zijn de variabelen vaak te algemeen. Een verbeterd model zou meer concrete termen gebruiken om de variabelen te beschrijven. In de onderstaande figuur zijn bovenstaande variabelen concreet gemaakt en worden relaties gespecificeerd.

  • Competition among scientists –
  • Willingness to help each other
  • Degree of task coordination +
  • Extent of shared group product +

Dit model is al een grote verbetering ten opzichte van het eerste, maar details over het proces dat tot de manifestatie van het probleem heeft geleid, ontbreken nog. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk of de variabelen aan de linkerkant een directe of indirecte invloed hebben op het probleem. Bovendien kunnen de variabelen die in de tweede figuur zijn geïntroduceerd, worden veroorzaakt door andere factoren.

Een nog beter procesmodel zou er als volgt uitzien:

  • Degree to which - Competition among cooperation scientists is rewarded =
  • Degree of task + Degree of + Cohesion in + Willingness to coordination communication in teams to help each other + + +
  • Degree of sharing Extent of shared Responsibility for lab space + group product + group product

Dit is één mogelijke manier om een procesmodel te ontwikkelen, maar het is zeker niet de enige manier. Over het algemeen kost het veel tijd en aanpassingen om een zo nauwkeurig mogelijk te maken. Het loont de moeite om hier veel tijd in te steken, want een goed procesmodel geeft goede aanbevelingen over de aard van interventies die nodig zijn.

Welke heuristieken zijn er voor het ontwikkelen van een procesmodel?

Hoewel er niet één manier is om een procesmodel te maken, zijn er verschillende heuristieken die kunnen helpen. De volgende 11 vuistregels kunnen u helpen bij het ontwikkelen van een procesmodel:

  1. Maak een lijst van de mogelijke verklaringen en variabelen.  
  2. Zorg ervoor dat alle variabelen sociaalpsychologisch, specifiek, concreet en continu zijn, in plaats van algemeen, abstract en binair.
  3. Zorg ervoor dat deze variabelen gedrag, attitudes en motivaties beïnvloeden.
  4. Teken de uitkomstvariabele aan de rechterkant van het procesmodel.
  5. Ga van rechts naar links in het model door jezelf af te vragen welke variabelen de uitkomstvariabele beïnvloeden.
  6. Teken pijlen tussen deze variabelen om de richting van de relatie aan te geven.
  7. Zorg ervoor dat de relatie tussen de variabelen niet te vergezocht is. Zorg anders voor een extra variabele tussendoor.
  8. Bedenk bij het bedenken van nieuwe variabelen of deze directe, indirecte, versterkende of verzachtende effecten hebben.
  9. Als er meerdere variabelen zijn die van invloed zijn op de uitkomstvariabele, moeten deze in detail worden uitgewerkt en moet worden bekeken of ze onderling gerelateerd zijn. Als dit het geval is, moet er een pijl worden getekend.
  10. In de praktijk mag een procesmodel niet meer dan tien variabelen bevatten om bruikbaar te zijn.  Daarnaast moet er een goede balans worden gevonden tussen een beknopt, maar gedetailleerd model.
  11. Om een praktisch model te ontwikkelen, mogen er niet te veel stappen zijn tussen de uitkomstvariabelen en de meest afgelegen variabelen. Het wordt aanbevolen om vier stappen te gebruiken.

Hoe test je het procesmodel?

Bij het kiezen van de juiste theorie of set van theorieën kent de sociale psycholoog de empirisch achtergrond waarschijnlijk al. De empirische literatuur geeft bijvoorbeeld de kracht en richting aan van de relaties tussen de variabelen in het model. Meta-analyses en reviewsartikelen zijn erg handig omdat ze de resultaten van verschillende onderzoeken samenvatten. Op basis hiervan kunnen de correlaties tussen de variabelen worden vastgesteld in het procesmodel (het onderzoek moet dus ook de richting ban de relatie onderzoeken). Studies kunnen elkaar tegenspreken. In het methodegedeelte van het onderzoek moet vervolgens worden gekeken welk onderzoek het meest overeenkomt met de situatie waarvoor het procesmodel wordt gemaakt.

Het kan moeilijk zijn om relevante literatuur te vinden die bewijs levert voor de relaties tussen verschillende variabelen. Ten eerste komt dit doordat niet al het onderzoek wordt gepubliceerd. Ten tweede zijn niet alle onderzoeken van dezelfde relevantie en kwaliteit. Ten derde kunnen studies elkaar tegenspreken in hun resultaten of conclusies. Hiervoor kun je het beste meta-analyses of reviewartikelen raadplegen.

Hoe kun je je eigen onderzoek doen?

Zoals eerde aangegeven is het mogelijk dat er nog geen onderzoek is gedaan naar een relatie tussen variabelen. Het is ook mogelijk dat een studie van slechte kwaliteit is of niet volledig dekt welke kennis nodig is. In dit geval moet de sociale psycholoog zelf onderzoek kunnen doen om deze relatie te achterhalen. Bovendien zijn veel studies binnen de sociale psychologie “laboratorium gebaseerd”. Dit betekent dat deze resultaten betrouwbaar zijn, maar meestal niet gemakkelijk te generaliseren.

Bij het uitvoeren van onderzoek om validiteit vast te stellen, kan het handig zijn om een snelle enquête (vragenlijst) uit te voeren. De belangrijkste variabelen worden geoperationaliseerd en gemeten, waarna ze statistische procedures ondergaan. Op deze manier wordt de relatie tussen de variabelen vastgesteld.

Wanneer sociale psychologen een set verklaringen kiezen, wordt er door hen een procesmodel opgesteld. Dit model dient als sjabloon voor het ontwikkelen van interventies.

Access: 
Public
De helpfase: hoe ontwikkel je een interventie? - Chapter 5

De helpfase: hoe ontwikkel je een interventie? - Chapter 5

Als alle factoren die de uitkomstvariabele veroorzaken zijn geïdentificeerd, kan een interventie worden uitgevoerd. Een interventie wordt gebruikt om de oorzakelijke factoren te veranderen en daarmee de uitkomst variabele in goede banen te leiden. Het is echter soms niet nodig om alle oorzakelijke factoren te veranderen, dus de eerste stap in de hulpfase is het bepalen van de te veranderen factoren. De aanpasbaarheid van de factoren en de effectgrootte van de interventie bepalen deze keuze. Verbolgens moet worden bepaald hoe de doelgroep wordt bereikt en wat de inhoud van de interventie zal zijn. De inhoud van de interventie is voornamelijk gebaseerd op empirisch bewijs. De laatste stap in de hulpfase is het implementatie proces. Dit hoofdstuk geeft slechts een inleiding tot het ontwikkelen van een interventie.

Hoe bereid je een interventie ontwikkeling voor?

Zoals hierboven beschreven is het niet altijd nodig, passend of mogelijk om alle factoren in het verklaringsmodel aan te passen. Daarom kiest de sociale psycholoog de factoren die aanpasbaar zijn en het grootste effect hebben op de uitkomstvariabele. Hiervoor is het handig om alle factoren van het procesmodel in een balans onder te brengen.

Aanpasbaarheid

Er zijn drie vragen die kunnen helpen bij het uitsluiten van factoren die moeilijk te veranderen zijn:

  1. Is de factor een stabiele persoonlijkheidstrek?
  2. Is de factor gerelateerd aan diepgewortelde politieke of religieuze waarden?
  3. Is de factor gerelateerd aan een stabiele milieusituatie?

Effect grootte

Om te bepalen welke variabelen het meeste effect hebben op de uitkomstvariabele, dient de sociaalpsychologische literatuur te worden geraadpleegd. Als er geen informatie in deze literatuur te vinden is, zijn er verschillende manieren om de effectgrootte te schatten. Zo is het mogelijk om te kijken naar ervaringen uit het verleden met vergelijkbare situaties.

De balanstabel

Een balanstabel helpt bij het vaststellen welke factoren gebruikt zullen worden voor de interventie. Een psycholoog zal alle variabelen uit het procesmodel evalueren op hun aanpasbaarheid en effect grootte. Deze ziet er als volgt uit:

Variables from the process model Modifiability Effect Size

  1. Perceived negative outcomes of child being overweight ++ +
  2. Knowledge on weight reducing parental behaviors + ++
  3. Perceived positive outcomes of weight reducing parental behaviors ++ +
  4. Perceived control over child’s behavior + ++
  5. Experience with structured parenting 0 +

Note:  With regard to modifiability: ++ = high modifiable; + = medium modifiable; 0 = low modifiable; - = not modifiable; +/0 = depends on another variable.

With regard to the effect size: ++ = large effect; + = moderate effect; 0 = small effect; - = no effect; +/0 = depends on another variable.

Aan de hand van deze tabel kan de psycholoog bepalen welke factoren veranderd moeten worden om de uitkomst variabele te veranderen.

Hoe ontwikkel je de interventie?

Bij het ontwikkelen van een interventie kunnen drie taken worden onderscheiden:

  1. Het juiste kanaal kiezen: bijvoorbeeld hoe de doelgroep wordt bereikt.
  2. De juiste methoden selecteren: hoe vindt de verandering bijvoorbeeld plaats.
  3. Ontwikkeling van de strategieën: vertalen van de methoden naar concrete aspecten van de interventie.

Het kanaal, de methoden en de strategie moeten altijd rekening houden met de doelgroep. Het is goed om te onthouden dat het ontwikkelen van een interventie een dynamisch proces is: keuzes voor het kanaal, de methoden en de strategie worden altijd in combinatie met elkaar gemaakt.

Het kanaal

Het kanaal is het middel waarmee mensen worden bereikt en de beoogde veranderingen vinden alleen plaats wanneer mensen aan dit kanaal worden blootgesteld. Voorbeelden zijn: flyers, tijdschriften, internet, televisie, groepstrainingen en structurele milieuveranderingen.

Het kanaal wordt gekozen op basis van informatie over de doelgroep, de relevante variabelen, methoden en strategieën. De volgende kwesties moeten meegenomen worden bij het kiezen van een kanaal:

  1. Is het kanaal een effectieve manier om de doelgroep te bereiken?
  2. Is blootstelling middels dit kanaal intensief genoeg om de variabele te veranderen?
  3. Is het kanaal toepasselijk voor de methode en de strategie?
  4. Wat is de impact op populatie niveau van de interventie bij het gebruik van dit kanaal? De impact wordt bepaald door de effectiviteit: het percentage mensen dat meedoet aan de interventie. De impact van een interventie kan berekend worden door de effectiviteit te vermenigvuldigen met de participatie rate van de interventie.

De methode

Methoden komen vaak voort uit theoretische kaders. De keuze van een methode hangt af van het balansmodel. Voor elke variabele moet een interventiemethode worden gekozen. Daarnaast hangt het af in hoeverre de methode past bij de variabele die moet worden gewijzigd. Sommige kanalen kunnen mensen motiveren door het gewenste gedrag te vertonen, maar ze kunnen ze niet leren hoe ze hun gedrag kunnen veranderen.

De volgende methoden worden vaak gebruikt in psychologische interventies:

  • Het stellen van doelen: het stellen van concrete en specifieke doelen is belangrijk. Doelen sturen aandacht en moeite van mensen, geven hen verwachtingen, en geven hen de mogelijkheid tot feedback op het bereiken van het doel, waarmee motivatie wordt gereguleerd. Het stellen van doelen verandert gedrag door het definiëren van doelen die mensen moeten bereiken in een bepaalde periode.
  • Angst communicatie: kan effectief zijn om bepaalde gedragingen aan te moedigen. Zo laat het de nadelige consequenties zien van het gedrag dat niet gewenst is. Het is alleen effectief (en ethisch verantwoord) wanneer deze nadelige consequenties samen gaan met expliciete richtlijnen hoe deze consequenties voorkomen kunnen worden.
  • Modelleren: refereert naar het leren door observatie van anderen. Kijken hoe anderen zich gedragen en de consequenties hiervan kan mensen leren om een nieuwe gedraging aan te nemen.
  • Enactive learning: de meest effectieve manier van het leren van een vaardigheid is om het zelf te bereiken. In interventies kunnen mensen gestimuleerd worden om een bepaalde vaardigheid uit te oefenen en deze te evalueren.
  • Sociale vergelijking: informatie over hoe het met andere mensen gaat kan iemands gemoedsstand en welbevinden beïnvloeden.
  • Implementatie intenties: intenties om een bepaalde actie uit te voeren in een gespecificeerde situatie. Mensen kunnen gevraagd worden hun intenties voor zichzelf te bepalen middels een doel te bereiken.
  • Straf en beloning: over het algemeen herhalen mensen gedrag dat gevolg wordt door een positieve ervaring (beloning) en vermijden zij een negatieve ervaring (straf). Straf voor ongewenst gedrag werkt het beste wanneer het samen gaat met beloning voor gewenst gedrag.
  • Feedback: is essentieel in het bereiken van veranderingen in gedrag. Mensen moeten weten in hoeverre zij hun doel hebben bereikt om gemotiveerd te blijven.

De strategie

Methoden moeten worden vertaald in een specifieke strategie. De strategie is de daadwerkelijke interventie waaraan mensen worden blootgesteld. Om strategieën te bedenken, kan een globaal interventie plan worden opgesteld dat de methoden, kanalen, doelgroepen en variabelen specificeert die moeten worden gewijzigd. Verbolgens wordt de strategie bepaald. Dit gebeurt meestal in twee fasen: de divergerende en een convergente fase. In de divergerende fase maakt de psycholoog zoveel mogelijk strategieën en in de convergente fase worden al deze strategieën kritisch beoordeeld.

Er zijn verschillende manieren om interventies te genereren:

  • Directe interventie associatie: Ideeën voor strategieën kunnen gebaseerd zijn op veel verschillende bronnen, zoals wat iemand ziet op televisie, wat logisch lijkt, wat effectief blijkt te zijn in literatuur of wat mensen zelf hebben ervaren.
  • Directe methode benadering: Deze benadering bestaat uit het kijken naar strategieën die gebruikt zijn in gelijkwaardige situaties.
  • Zwakke strategieën: Deze benadering is om strategieën te bedenken die een ongewenst effect hebben op het probleem. Door te weten wat niet gewenst is, kan gevonden worden wat juist wel gewenst is.
  • Interviews: Het interviewen van mensen van de doelgroep kan ideeën genereren voor nieuwe strategieën.
  • Inzicht vanuit theorie: Deze benadering bestaat uit het kijken naar relevante sociaal psychologische theorieën.
  • Inzicht vanuit onderzoek: Deze benadering bestaat uit het kijken naar relevant sociaal psychologisch onderzoek.

De divergerende fase resulteert vaak in een waslijst aan strategieën. De keuze voor een bepaalde strategie of reeks strategieën moet op theoretische en empirische basis worden gemaakt. Ten eerste moet de strategie rekening houden met de randvoorwaarden van de theorie (bijvoorbeeld relevant voor de doelgroep). Ten tweede is het wenselijk dat de gekozen strategie gebaseerd is op empirisch bewijs uit laboratoriumexperimenten of veldstudies. Idealiter zou er bewijs beschikbaar moeten zijn voor de combinatie van het kanaal, de methode, de strategie, de te veranderen variabele en de doelgroep.

Soms is er geen bewijs voor de effectiviteit van een bepaalde strategie. Zeker als de kosten voor een interventieprogramma dan hoog zijn, is het aan te bevelen om eerst de effectiviteit te onderzoeken.

Hoe bouw je het interventieprogramma?

Zodra de strategie(ën) gekozen is, kan de interventies vorm krijgen. Als het om beeldmateriaal gaat, gebeurt dit vaak in samenwerking met een professionele grafisch ontwerper. Hier zijn een paar vuistregels voor het maken van materiaal:

  1. Wees zo specifiek mogelijk in de informatieverstrekking.
  2. Wanneer er verschillende kanalen voor de interventie worden gebruikt moet alles afgestemd worden op het protocol en de planning van de interventie.
  3. Wanneer professionele artiesten betrokken zijn, moeten duidelijke afspraken gemaakt worden in hoeverre zijn vrijheid hebben in het vormgeven van het materiaal.
  4. Het is belangrijk dat alle aspecten van het materiaal afgestemd zijn op de strategie, zodat voor iedereen duidelijk is wat deze strategie is.

Pre-testen van de interventie

Het belangrijkste doel hiervan is om grote ontwerpfouten te voorkomen. Het hoeft niet per se een gedragsmeting te bevatten. Het moet ervoor zorgen dat de doelgroep aandacht besteedt aan de boodschap en deze begrijpt. Het formaat van een pre-test is om het materiaal aan de doelgroep bloot te stellen en hun antwoorden vast te leggen en te evalueren. Dit kan op verschillende manieren:

  1. Interview. Dit is een vrije manier van het stellen van vragen aan mensen van de doelgroep.
  2. Kwantitatieve assessment. Mensen van de doelgroep beantwoorden gesloten vragen over de interventie in een vragenlijst.
  3. Herinnering. Er kan een herinneringstaak gebruikt worden waarbij gekeken wordt welke aspecten van de interventie door mensen van doelgroep onthouden zijn. Dit kan inzicht geven in welke strategieën het meest opvallend zijn.
  4. Observatie. Mensen van de doelgroep kunnen geobserveerd worden wanneer zij worden blootgesteld aan de interventie.
  5. Expert meningen. Er kan gevraagd worden of de betrokken experts de effecten van de interventie kunnenweergeven.

Hoe implementeer je de interventie?

Het implementatieproces heeft één belangrijk doel: verifiëren of de interventie wordt gebruikt zoals bedoeld. Bij de uitvoering gaat het niet om de effecten van de interventie, maar om het zo positioneren van de interventie dat deze effecten kan hebben. De grote uitdaging van het implementatieproces is dat de mate waarin de doelgroep wordt blootgesteld aan de interventie afhangt van de mensen en organisaties die bij de distributie van de interventie betrokken zijn. Dus hoewel psychologen een perfect interventieprogramma kunnen maken, is het sterk afhankelijk van de mensen die de interventie aan de doelgroep moeten blootstellen. Als dit niet of nauwelijks gebeurt, zullen de effecten erg klein zijn of zelfs niet bestaan.

Het implementatie proces

Het implementatieproces kan veel tijd kosten, omdat communicatie en informatie-uitwisseling veel tijd in beslag kunnen nemen. Rogers’ (1983) “Model of Diffusion of Innovation” beschrijft hoe grootschalige veranderingen in het gebruik van een innovatie in de loop van de tijd plaatsvinden. Dit proces staat bekend als het diffusieproces. Het proces bestaat uit vier fasen die worden beschreven aan de hand van een voorbeeldflyer voor mishandelde vrouwen om professionele hulp te krijgen.

  1. Verspreidingsfase (dissemination): De huisarts wordt bekend met het bestaan van de flyer en bespreekt het met zijn collega’s.
  2. Adoptiefase: De huisarts raakt gemotiveerd om de innovatie te gebruiken en deelt de flyer uit aan patiënten die mogelijk slachtoffer zijn van huishoudelijk geweld.
  3. Implementatiefase: De huisarts neemt daadwerkelijk deel aan het gedrag om de doelgroep bloot te stellen aan de interventie: hij deelt de flyer uit aan de juiste patiënten.
  4. Continuatie fase: Het uitdelen van de flyer wordt een gewoonte.

Vastleggen van de implementatie route

In het implementatietraject worden alle betrokken personen en organisaties, hun motivaties en drempels om hun taak bij de implementatie uit te voeren, vastgelegd. Het creëren van een implementatietraject bestaat uit drie stappen:

  1. Leg de acteurs vast. De route toont de actoren in de relevante netwerken waarin ze communiceren en de betekenis van hun communicatie.
  2. Bepalen van de motivaties en struikelblokken voor acteurs. De route toont mogelijke problemen en struikelblokken voor de acteurs om bepaalde taken uit te voeren.
  3. Relevante beleidsvorming identificeren. Het moet bekend zijn welke beleid er binnen een bedrijf wordt gevolgd en welke wetten er zijn. Op deze manier kan ervoor worden gezorgd dat deze niet worden overtreden.

Het implementatieplan

Het implementatieplan omvat alle stappen die genomen moeten worden om de actoren aan te moedigen hun taken in de implementatie uit te voeren. Bij het ontwikkelen van een implementatieplan moet de sociale psycholoog rekeninghouden met twee factoren:

  1. Implementatiedoelen: Er moeten doelen gesteld worden zodat elke acteur een positieve attitude heeft ten opzichte van de implementatie of hun taak binnen de implementatie ziet als een deel van hun werk.
  2. Actieplannen: Deze plannen geven aan hoe de doelen precies bereikt kunnen worden.

De daadwerkelijke implementatie

Deze fase kost veel werk. Alle betrokkenen (actoren) moeten worden benaderd om ervoor te zorgen dat ze hun steentje bijdragen om het doel te bereiken. Dit kan zijn door hen te motiveren of door mogelijke struikelblokken weg te nemen.

De evaluatie

Om vast te stellen of het gesignaleerde probleem daadwerkelijk positief is veranderd, moet aan het einde van de interventiecyclus een evaluatie plaatsvinden. Er zijn minstens drie soorten evaluaties belangrijk:

  1. Effectevaluatie: er wordt geëvalueerd in hoeverre de variabelen in direct verband houden met het probleem zijn veranderd. In ieder geval moet het effect van de interventie op de gespecificeerde uitkomstvariabele worden geëvalueerd.
  2. Procesevaluatie: bestaat uit primaire procesevaluatie en secundaire procesevaluatie. De primaire procesevaluatie betreft het bepalen van de veranderingen in de variabelen die verantwoordelijk zijn voord de veranderingen in de uitkomstvariabele. De secundaire procesevaluatie verwijst naar een bepaling van de mate waarin effectieve elementen van de interventie daadwerkelijk zijn geïmplementeerd.
  3. Kosteneffectiviteit evaluatie: hier wordt bepaald of de kosten opwegen tegen het effect van de interventie.

Als alle factoren die de uitkomstvariabele veroorzaken zijn geïdentificeerd, kan een interventie worden uitgevoerd. Een interventie wordt gebruikt om de oorzakelijke factoren te veranderen en daarmee de uitkomst variabele in goede banen te leiden. Het is echter soms niet nodig om alle oorzakelijke factoren te veranderen, dus de eerste stap in de hulpfase is het bepalen van de te veranderen factoren. De aanpasbaarheid van de factoren en de effectgrootte van de interventie bepalen deze keuze. Verbolgens moet worden bepaald hoe de doelgroep wordt bereikt en wat de inhoud van de interventie zal zijn. De inhoud van de interventie is voornamelijk gebaseerd op empirisch bewijs. De laatste stap in de hulpfase is het implementatie proces. Dit hoofdstuk geeft slechts een inleiding tot het ontwikkelen van een interventie.

Access: 
Public
Access: 
Public

Image

Check more: click and go to more related summaries or chapters

Sociale psychologie en sociale relaties: De beste studieboeken samengevat

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
3446 1
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector