Wat zijn sociale onderzoeksstrategieën? - Chapter 2

Sociaal onderzoek bevindt zich niet in een bubbel, afgezonderd van andere aspecten van sociale wetenschappen. Sociale onderzoeksmethoden zijn bovendien niet onafhankelijk van de visies en voorkeuren van de onderzoeker die ze gebruikt, vaak wordt gekozen voor een onderwerp waarvoor de onderzoeker persoonlijke interesse heeft. Ook zijn de gekozen onderzoeksmethoden nauw verbonden aan de verschillende ideeën over de aard van de sociale realiteit en hoe dit bestudeerd zou moeten worden en aan de ruimere sociaalwetenschappelijke context: onderzoekers verzamelen data met betrekking tot een bepaalde theorie (een idee over hoe en waarom dingen op een bepaalde manier gebeuren).

Er zijn vele motivaties voor het uitvoeren van onderzoek, maar theorie is vaak een significante factor. Onderzoeken leveren de grootste bijdrage aan bestaande kennis wanneer ze betrekking hebben op theoretische vraagstukken. De filosofische aannames over de rol van theorie en data (wat kunnen we weten en hoe kunnen we het weten?) beïnvloeden het onderzoekontwerp, de formulering van de onderzoeksvragen en of kwalitatieve dan wel kwantitatieve data wordt verzameld (of een combinatie hiervan). 

Hoe verhouden theorie en onderzoek zich tot elkaar?

Het kenmerken van de band tussen theorie en onderzoek is niet eenvoudig om twee redenen. Ten eerste is het de vraag over welk soort theorie we het hebben en ten tweede of we data verzamelen om theorieën te testen (deductieve benadering) of om theorieën te vormen (inductieve benadering). Theorie is belangrijk, omdat het niet alleen een achtergrond en een rechtvaardiging voor het uitvoeren van het onderzoek verschaft, maar ook omdat het een kader biedt waarbinnen sociale fenomenen kunnen worden verklaard en onderzoeksresultaten kunnen worden uitgelegd.

Welke soorten theorieën zijn er?

Een theorie wordt vaak gedefinieerd als een verklaring van geobserveerde regelmatigheden (patronen of gebeurtenissen), bijvoorbeeld waarom mensen die lijden aan schizofrenie vaker uit de arbeidersklasse komen en vrouwen minder verdienen dan mannen. Sociale theorie focust zich niet op deze specifieke onderwerpen, maar op een abstractere vorm zoals structureel functionalisme, symbolisch interactionisme, kritische theorie, poststructuralisme of de structuratietheorie. 

Er wordt een tweedeling gemaakt tussen zogenoemde theorieën van middelbare reikwijdte (proberen een specifiek aspect van de sociale wereld te begrijpen en te verklaren) en allesomvattende theorieën (abstractere, algemenere theorieën, zoals symbolisch interactionisme, posstructuralisme, etc.) die moeilijker te toetsen en moeilijker direct te relateren aan de realiteit zijn. Theorieën van middelbare reikwijdte zijn beter geschikt als focus van een empirisch onderzoek, omdat zij een beperkter domein bestrijken (zoals jeugdcriminaliteit, stemgedrag, etnische relaties, opleidingsniveau etc.). De etiketterings- of labelingstheorie is zo'n theorie die betrekking heeft op afwijkend gedrag (niet conform maatschappelijke normen). Sociologen proberen dit te begrijpen aan de hand van maatschappelijke reacties op dit gedrag. Volgens de labelingstheorie kan het labelen van iemand als 'afwijkend' leiden tot afwijkend gedrag door die persoon. Deze theorie kan worden toegepast op verschillende vormen van afwijkend gedrag, variërend van criminaliteit tot geestelijke aandoeningen.

Het onderscheid tussen de middelbare reikwijdte-theorie en de allesomvattende theorie maakt niet volledig duidelijk wat we bedoelen met 'theorie'. De term wordt ook vaak gebruikt als verwijzing naar bestaande achtergrondliteratuur binnen een bepaald onderzoeksgebied. Zo is een onderzoek naar de relatie van kappers met hun klanten gebaseerd op een boek waarin voor het eerst de term 'emotionele arbeid' werd gebruikt. Deze literatuur vormde de achtergrond van het onderzoek en speelde een belangrijke rol bij de uitleg van de onderzoeksresultaten. Achtergrondliteratuur speelt vaak een belangrijke rol bij het opzetten van een onderzoeksproject, zo kan een onderzoeker hierin een leemte hebben ontdekt of tegenstrijdigheden tussen vergelijkbare studies of het oneens zijn met de methodologische benadering en de kwestie vanuit een ander oogpunt willen benaderen.

Los van de aard van de relatie tussen theorie en een onderzoek moeten we ons ook afvragen welke rol theorie speelt en wat de relatie is tussen theorie en data. Tot nu toe hebben we theorie als een richtlijn en invloed beschouwd wat betreft de verzameling en analyse van data, alsof onderzoek altijd wordt gedaan om vragen te beantwoorden die uit theorie voortvloeien. Theorie kan echter ook ontstaan na de verzameling en analyse van data. De relatie tussen theorie en onderzoek wordt dus ook beïnvloed door de vraag of we verwijzen naar de deductieve of de inductieve theorie.

Wat houden de deductieve en inductieve benadering in?

Conform de deductieve benadering borduurt de onderzoeker voort op wat bekend is over een bepaald onderwerp en de relevante theorieën door hier een hypothese uit af te leiden (een speculatie die empirisch kan worden getest). Deductieve benaderingen komen derhalve vooral voor in kwantitatieve onderzoeken. De theorie en daaruit afgeleide hypothese vormen de drijfveer voor de dataverzameling. In de laatste stap van het onderzoek wordt de theorie herzien, hierbij is het tegengestelde van deductie betrokken: inductie. De onderzoeker reflecteert wat de gevolgen van zijn bevindingen zijn voor de theorie. De nieuwe bevindingen worden in de reeds bestaande kennis ingebracht. Het deductieproces bestaat uit de volgende stappen: theorie, hypothese, dataverzameling, bevindingen, hypothese afgewezen of bevestigd, herzien van de theorie. Let op, niet elk deductief onderzoeksproject volgt deze exacte reeks. 

Sommige onderzoekers kiezen voor een inductieve benadering. In dat geval is de theorie de uitkomst van onderzoek, waarbij de onderzoeker gegeneraliseerde theoretische conclusies trekt uit de observaties. Dit alternatief bevat ook een deductief element: als uit data een bepaalde theorie voortvloeit, wil een onderzoeker vaak meer data verzamelen om de voorwaarden te bepalen waaronder de theorie wel en niet standhoudt. Dit noemt men de iteratieve strategie: het heen en weer bewegen van data naar theorie en vice versa. De bevindingen zijn gebaseerd op kwalitatieve data. De O'Reilly et al. (2012) studie is van belang omdat hierin de gefundeerde theorie werd gebruikt voor de data-analyse en het genereren van theorie. Deze studie verschilt van andere studies door de theoretische betekenis van de bevindingen en is illustratief voor de inductieve benadering doordat de theorie gebaseerd was op kwalitatieve data. O'Reilly en zijn collega's gebruikten veldnotities van observaties en de gedetailleerde antwoorden op dieptevragen van respondenten (semigestructureerd interview). Let wel, sommige kwalitatieve onderzoeken leiden niet tot theorie en theorie wordt vaak gebruikt als achtergrond voor kwalitatieve onderzoeken.   

Inductieproces: observaties/bevindingen > theorie. Deductieproces: theorie > observaties/bevindingen. Het onderscheid tussen de deductieve en inductieve benadering is niet altijd scherp. Het zijn geen gefixeerde richtingen, maar eerder stromingen een bepaalde kant op. Er is nog een derde benadering welke steeds populairder wordt omdat het de beperkingen van deductie en inductie omzeilt: abductie. Een beperking van de deductieve benadering is dat het een strikt proces betreft van theorie testen middels een hypothese, maar het geeft niet aan hoe onderzoekers een theorie moeten selecteren. Een minpunt van de inducteve benadering is dat empirische data niet noodzakelijkerwijs leidt tot de vorming van theorie. De abductieve redenering begint met een observatie (iets onverwachts of een raadsel) en probeert deze op te lossen aan de hand van de meest aannemelijke verklaring en het heen en weer bewegen tussen raadsel, sociale wereld en literatuur. Dit zijn geen afzonderlijke onderzoeksfasen, de onderzoeker denkt tegelijkertijd aan data en theorie. Abductie erkent dat de conclusies die voortvloeien uit observaties plausibel zijn, maar niet volledig zeker. Het kan ook worden gezien als de gevolgtrekking van de beste verklaring. Je observeert bijvoorbeeld rook in je keuken en beredeneert dat de meest aannemelijke verklaring hiervoor is dat je eten in de oven hebt laten verbranden. Er zijn andere oorzaken denkbaar, dus de oorzaak is onzeker, maar het is wel de eenvoudigste en meest waarschijnlijke verklaring.

Welke epistemologische vraagstukken worden geassocieerd met sociaal onderzoek?

Wat is of zou gezien moeten worden als acceptabele kennis binnen een bepaalde discipline? Het draait vooral om het vraagstuk: kan en zou de sociale wereld volgens dezelfde principes, procedures en ethos onderzocht moeten worden als natuurwetenschappen? 

Wat is positivisme?

Voorstanders van positivisme nemen een positivistisch standpunt in. Positivisten trekken een scherpe scheidslijn tussen theorie en onderzoek: de rol van onderzoek is het testen van theorieën en het verschaffen van materiaal voor de ontwikkeling van 'wetten'. Dit impliceert echter dat het mogelijk is om observaties te verzamelen op een manier die onafhankelijk is van reeds bestaande theorieën. Een grotere epistemologische status wordt gegeven aan observaties dan aan een theorie. Onthoud dat positivisme geen synoniem van wetenschap is, maar een benadering ervan. De vijf principes van positivisme:

  • Fenomenalisme: alleen fenomenen (en dus kennis die bevestigd is door zintuigen) kunnen daadwerkelijk worden beschouwd als kennis;

  • Het doel van theorie is het genereren van hypothesen die getest kunnen worden (deductie);

  • Kennis wordt bereikt door het verzamelen van feiten die de basis verschaffen voor wetten (inductie);

  • Wetenschap moet worden uitgevoerd op een objectieve manier (waardevrij);

  • Er bestaat een duidelijk onderscheid tussen wetenschappelijke en normatieve verklaringen: een wetenschapper hoort alleen de eerste te gebruiken. 

Wat is realisme?

Realisme (specifieker kritisch realisme) is een andere filosofische positie die tracht duidelijkheid te verschaffen over de aard van wetenschappelijk onderzoek. Er is een voortdurend debat over het vraagstuk of sociale wetenschappen hetzelfde getoetst moeten worden als natuurwetenschappen waarbij aan de ene kant het positivisme staat en aan de andere kant het realisme. Aangezien veel hedendaagse modellen een sterke positivistische ondertoon hebben, lijkt het erop dat positivisme het voorlopig wint van het realisme.

Realisme en positivisme hebben twee kenmerken gemeen: de overtuiging dat sociale en natuurwetenschappen hetzelfde soort benadering kan en zou moeten toepassen wat betreft dataverzameling en uitleg, en de visie dat er een externe realiteit bestaat waarop wetenschappers zich moeten focussen (een realiteit die afgezonderd is van onze beschrijvingen ervan). Er zijn twee hoofdvormen van realisme: empirisch realisme en kritisch realisme. Empirisch realisme is wat men meestal bedoeld wanneer er gesproken wordt van 'realisme' in algemene zin. De realiteit kan worden begrepen door het gebruik van geschikte methoden. Dit wordt ook wel 'naïef realisme' genoemd, omdat men aanneemt dat er een perfecte overeenstemming bestaat tussen realiteit en de beschrijvende term ervoor. Kritisch realisme: een specifieke vorm van realisme die poogt de realiteit van de natuurlijke orde en gebeurtenissen te herkennen (de sociale wereld is alleen te begrijpen en veranderen als de structuren achter de gebeurtenissen geïdentificeerd kunnen worden).

Wat is interpretivisme?

‘Interpretivism’ is een epistemologische positie die lijnrecht tegenover positivisme staat. Het is een breed begrip, waaronder verschillende benaderingen vallen, zoals hermeneutik, fenomenologie, Weber's concept van Verstehen en symbolisch interactionisme. Zij hebben met elkaar gemeen dat de sociale wereld niet bestudeerd kan worden aan de hand van een wetenschappelijk model, omdat het onderwerp van sociale studies (mensen en instellingen) fundamenteel verschilt van het onderwerp van natuurwetenschappen. Om mensen te kunnen onderzoeken is een strategie nodig die de verschillen tussen mensen respecteert en de subjectiviteit van de sociale wereld kan omvatten.

De fenomenologie is één van de voornaamste tradities die verantwoordelijk is voor een dergelijke antipositivistische positie. De fenomenologie is een filosofie die zich bezighoudt met de manier waarop mensen de wereld om hen heen begrijpen. Ook het symbolisch interactionisme en Weber’s versie van ‘verstehen’ dragen bij aan deze zogenoemde antipathie voor positivisme.

Welke ontologische vraagstukken worden geassocieerd met sociaal onderzoek?

Ontologische vraagstukken houden zich bezig met de aard van sociale entiteiten: kunnen en zouden sociale entiteiten gezien moeten worden als objectieve entiteiten die een bestaan hebben los van de sociale ‘actors’ (aanhangers van het objectivisme) of zijn zij sociale constructies die enkel en alleen gebouwd zijn op de percepties en acties van anderen (aanhangers van het constructivisme)?

Het objectivisme is een ontologische positie die aanneemt dat sociale fenomenen en hun betekenissen een onafhankelijk bestaan hebben en buiten ons bereik of onze invloeden bestaan. Constructivisme daarentegen is een ontologische positie die stelt dat sociale fenomenen continu uitgevoerd worden door ‘actors’. In dit opzicht is kennis onbepaald, een positie die ook ingenomen wordt door het postmodernisme. Constructivisme is alleen tegen het objectivisme, terwijl het postmodernisme ook tegen het realisme is. Een vorm van constructivisme die ook recht tegenover het realisme staat is de redevoering analyse: Potter (1996:98) stelt dat de wereld wordt gevormd door diegenen die erover praten, schrijven en redeneren.

Een prominent ontologisch standpunt dat nauw samenhangt met construstivisme is intersectionaliteit. Deze theorie is ontstaan uit het feminisme en houdt in dat elke persoon posities inneemt in diverse sociale categorieën die niet los van elkaar kunnen worden gezien. Deze categorieën zijn niet alleen belangrijk op individueel niveau, maar ook tezamen. Voorbeelden zijn geslacht, geaardheid, ras en sociale klasse. Zij hebben allen invloed op iemands ervaring. Iemands ervaring wordt niet enkel gevormd door het zijn van vrouw, maar ook door bijvoorbeeld de sociale klasse waaruit zij komt, biraciaal zijn of op vrouwen vallen. Zwarte vrouwen in het bijzonder hebben lang bepleit dat de categorie 'vrouw' verder ontleed moet worden, omdat niet alle vrouwen dezelfde afkomst of achtergrond hebben. Intersectionaliteit is niet verbonden aan specifieke methoden. Er zijn drie hoofdaspecten die elkaar kunnen overlappen: intra-categorische complexiteit (kritisch op de manier waarop categorieën worden gevormd en afgebakend), inter-categorische complexiteit (ras en geslacht zijn altijd met elkaar verbonden en kunnen niet van elkaar gescheiden blijven) en anti-categorische complexiteit (categorieën zijn kunstmatig gevormd, onstabiel en kunnen niet gescheiden worden).

Wat zijn de verschillen tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek?

Veel onderzoekers maken onderscheid tussen twee brede onderzoeksstrategieën: kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Simpel samengevat legt kwantitatief onderzoek de nadruk op het kwantificeren van data, betreft het een deductieve benadering van de relatie tussen theorie en onderzoek (met de nadruk op het testen van de theorie), omhelst het de praktijken en normen van het natuurwetenschappelijk model (met name het positivisme) en wordt de sociale realiteit gezien als een externe, objectieve realiteit (objectivisme). Kwalitatief onderzoek legt de nadruk op woorden, betreft een inductieve benadering van de relatie tussen theorie en onderzoek (focus ligt op het genereren van theorie), wijst de praktijken en normen van het natuurwetenschappelijk model af (in het bijzonder van positivisme) en geeft de voorkeur aan hoe individuen hun sociale wereld interpreteren en ziet de sociale realiteit als een constant verschuivende creatie van individuele sociale actoren (constructionisme).

Het is belangrijk om te weten dat deze verschillen tussen de rol van theorie, de epistemologie en de ontologie niet zo duidelijk zijn als ze hier geschetst worden. Bovenstaande verschillen zijn dan ook geen wetten, maar normaliteiten: kwalitatief onderzoek is geneigd om theorieën te creëren, maar kan ook theorieën testen. Veel onderzoekers pleiten voor een gemengde-methodeonderzoek waarin methoden die geassocieerd worden met zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek gecombineerd worden.

Wat is nog meer van invloed op de manier waarop we onderzoek uitvoeren?

Vooral de theorie, epistemologie en ontologie zijn van invloed op de uitvoering van sociaal onderzoek, maar er zijn meer invloeden: waarden en praktische overwegingen.

Hoe hebben waarden invloed op onderzoek?

Waarden reflecteren de persoonlijke overtuigingen of gevoelens van de onderzoeker. Er zijn verschillende visies over de mate waarin zij onderzoek zouden moeten beïnvloeden: de waardevrije benadering, de reflexieve benadering en de benadering van de bewuste partijdigheid. 

Het is vrijwel onmogelijk om onderzoek 100% objectief en dus waardevrij te houden. Dit wordt erkend door onderzoekers die de reflexieve benadering volgen. Zij proberen de invloed van hun geslacht, leeftijd, geaardheid, opleidingsniveau, etniciteit etc. op het soort data dat ze produceren en analyseren te identificeren en te herkennen. Zij betogen dat onze waarden, voorkeuren en neigingen invloed uitoefenen op veel onderzoeksfasen (keuze van het onderzoeksveld, de formulering van de onderzoeksvraag, de keuze van methoden, de data-analyse en de interpretatie van de data). De waarden van de onderzoeker kunnen het onderzoek ook verstoren wanneer er sympathie of affectie ontstaat voor de personen die onderzocht worden. Dit komt vooral voor als er gewerkt wordt met de kwalitatieve onderzoeksstrategie, met name in geval van observatie en diepte-interviews. Anderzijds kan het ook een drempel opwerpen wat betreft het kunnen begrijpen van de bestudeerde personen. Een onderzoeker die een Afrikaanse stam bestudeerde, vond hen liefdeloos en keurde het geobserveerde gedrag af op basis van zijn Westerse waarden. De reflexieve benadering komt inmiddels in veel domeinen van sociaal onderzoek voor. Tegenwoordig waarschuwen onderzoekers lezers vaak voor de manier waarop hun identiteit en sociale positie hun bevindingen heeft beïnvloed. Ook studenten worden geregeld aangemoedigd om na te denken over hun positie als onderzoeker, hun aannames en waarden.

Aanhangers van de bewuste partijdigheid-benadering erkennen niet alleen de onvermijdelijkheid van de invloed van waarden, maar zijn hier zelfs voorstander van. Er wordt bijvoorbeeld bepleit dat in feministisch onderzoek niet de waardevrije benadering centraal moet staan, maar de bewust partijdige. Wanneer onderzoekers zich kunnen identificeren met het onderzoekssubject of een specifiek theoretisch kader schetsen, ontwikkelt hun onderzoek zich conform die waarden of theorie. Zo hebben feministische onderzoekers vaak een voorkeur voor een kwalitatieve onderzoeksstrategie, hoewel hier de laatste tijd verandering in lijkt te komen.

Hoe hebben praktische overwegingen invloed op onderzoek?

In dit kader moet worden gekeken naar de aard van de onderzoeksvragen, of er al eerder (veel) onderzoek is gedaan naar het onderwerp van onderzoek en naar de aard van het onderwerp en de personen die onderzocht worden. Je keuze voor een strategie, ontwerp of methode moet passen bij de onderzoeksvragen die je gaat onderzoeken. Als je het belang van verschillende oorzaken van een sociaal fenomeen wilt verkennen, zal een kwantitatieve strategie het meest geschikt zijn. Ben je geïnteresseerd in de visies van de leden van een bepaalde sociale groep, dan is de kwalitatieve strategie een betere optie. Heb je interesse in een onderwerp waar geen of weinig onderzoek naar is gedaan, dan is een kwalitatieve benadering en een verkennende houding aan te raden.

Wat betreft de aard van het onderwerp of de onderzochte personen kun je denken aan de manier van omgaan met personen die illegale of sociaal ongeaccepteerde activiteiten verrichten. In dat geval is een vragenlijst niet de beste manier om het vertrouwen van deze personen te winnen. Onderzoekers zijn dan geneigd om kwalitatieve benaderingen te volgen.  

Image

Access: 
Public

Image

Check more: click and go to more related summaries or chapters

Samenvatting van Bryman's Social Research Methods van Clark e.a. - 6e druk

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2801
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector